Standplaatsenbeleid gemeente Vught 2012 1 In het standplaatsenbeleid gemeente Vught 2012 is het venten vanwege de geringe(
(1992). Voor het innemen van deze standplaats dient hij elk jaar een aanvraag in te dienen. Indien hij dit niet doet wordt gekeken naar aanvragen door derden. A.Maximum aantal jaarvergunningen (Stelsel A) Artikelen Venten Standplaatsen Vught Cromvoirt Vught Cromvoirt Brood en aanverwante artikelen 2 2 Eieren 2 Bloemen en planten 2 1 2 Vis 2 Diepvriesproducten 2 Indische gerechten en artikelen 2 1 Aardappelen, groente en fruit 2 1 Willekeurig artikel 2 1 1 Totaal 14 4 6 1 Bij het bereiken van een maximum in een bepaalde branche kan een invulling door een andere branche plaatsvinden. De brancheverdeling is bedoeld als evenwichtige verdeling en niet als limitering per branche. Wanneer het maximum in alle branches is bereikt wordt de aanvraag geweigerd. Er wordt geen wachtlijst gehanteerd. B.Maximum aantal seizoen- of weekvergunningen (Stelsel B) Artikelen Venten Standplaatsen Consumptie ijs 1 4 **) Oliebollen 3 Kerstbomen en kerststukjes 2 2 Willekeurig artikel 1 1 Totaal 4 10 **) inclusief 1 standplaats binnen en rond de badinrichting IJzeren Man. C.Maximum aantal dag- of meerdagen vergunningen (Stelsel C) Venten Standplaatsen Willekeurig artikel Maximaal 5 dagen per jaar aan een rechts- of natuurlijk persoon Maximaal 5 dagen per jaar aan een rechts- of natuurlijk persoon Bijlage3bij het standplaatsenbeleid gemeente Vught 2012 Juridisch kader I.Begripsomschrijvingen Standplaats: (artikel 5.2.3 APV) Het begrip "standplaats" wordt als volgt omschreven: Het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten aan te bieden, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel. Onderscheid standplaats en venten Het hebben van een standplaats ziet op het te koop aanbieden van goederen of het aanbieden van diensten vanaf een vaste plaats. Hiermee onderscheidt het zich van het "venten". Een venter beweegt en biedt goederen of diensten telkens vanaf een andere plaats aan en al dan niet huis-aan- huis. Voor het venten is op basis van artikel 5.2.
- vergunning vereist. Het venten valt buiten het standplaatsenbeleid11Venten heeft in het standplaatsenbeleid gemeente Vught 2012 wel een plaats gekregen in bijlage 2.. Standplaatsen op markten en braderieën Het standplaatsenbeleid is niet van toepassing op standplaatsen op de wekelijkse markt of tijdens andere soorten van markten, zoals snuffelmarkten of braderieën. Braderieën en rommelmarkten worden beschouwd als (onderdeel van) evenementen en vallen daarom niet onder dit beleid. Ook wanneer een standplaats deel uitmaakt van een ander soort evenement, hoeft geen aparte standplaatsvergunning te worden aangevraagd. Tijdelijke standplaatsen in het kader van evenementen zijn in planologisch opzicht niet van belang geacht. Er wordt bij dergelijke standplaatsen dan ook niet getoetst aan de bestemmingsplanvoorschriften. Degene, die op de weekmarkt een standplaats wil innemen, moet zich houden aan de regels uit de Marktverordening Vught en het Marktreglement. II.Juridisch kader 1.APV Artikel 1.9 Weigeringsgronden Een vergunning of ontheffing kan door het daartoe bevoegde bestuursorgaan worden geweigerd in het belang van: de openbare orde; het voorkomen of beperken van overlast; de verkeersveiligheid of veiligheid van personen of goederen; de zedelijkheid of gezondheid. Dit artikel uit de APV geeft een aantal algemene weigeringsgronden die voor (vrijwel) alle vergunningsoorten uit de APV gelden. Op grond van de motieven, die in deze weigeringsgronden zijn neergelegd, kan een vergunning worden geweigerd of kunnen voorschriften aan een vergunning worden verbonden. Artikel 5.2.3 Standplaatsen Het is verboden zonder vergunning van het college op of aan de weg of aan een openbaar water dan wel op een andere - al dan niet met enige beperking - voor publiek toegankelijke en in de openlucht gelegen plaats: met een voertuig, een kraam, een tafel of enig ander middel een standplaats in te nemen of te hebben teneinde in de uitoefening van de handel goederen te koop aan te bieden dan wel diensten aan te bieden; anderszins goederen uit te stallen of uitgestald te hebben om deze te koop aan te bieden, te verkopen of te verstrekken aan publiek. Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan, dat daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen of goederen worden of zijn uitgestald als bedoeld in het eerste lid. Het in het eerste lid, onder b, gestelde verbod geldt niet ten aanzien van het uitgestald hebben van gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten of gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet. De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet op de plaats die is aangewezen voor het houden van een markt, zulks gedurende de tijden dat de markt gehouden wordt, voor een evenement als bedoeld in artikel 2.2.1, of voor het organiseren van een markt als bedoeld in artikel 5.2.
- Onverminderd het bepaalde in artikel 1.9 kan een vergunning als bedoeld in het eerste en tweede lid worden geweigerd: indien de standplaats hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; in het belang van de verkeersvrijheid; wanneer als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel der gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt; vanwege de strijd met een geldend bestemmingsplan. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal wegenreglement Noord- Brabant. De weigeringsgrond in artikel 1.9, onder b, geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer. De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder a, geldt niet voor bouwwerken. Het college houdt de beslissing op een aanvraag voor een standplaatsvergunning aan, indien de aanvraag een activiteit betreft waarvoor tevens een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer is vereist en indien geen toepassing kan worden gegeven aan het vijfde lid, tot de dag waarop de beslissing over de Wet milieubeheervergunningaanvraag is genomen. Vergunningplicht Voor het innemen van een standplaats is een vergunning nodig. Het college wil vooraf kunnen bepalen of en onder welke voorschriften een locatie wordt gebruikt als standplaats, omdat de aanwezigheid van een standplaats een grote invloed heeft op de directe leefomgeving. Vanwege het persoonlijke karakter van de vergunning is het hanteren van algemene regels in plaats van een vergunningplicht ook niet geschikt. De winst wat betreft het verminderen van administratieve lasten zit hem niet in het volledig afschaffen van de vergunningplicht, maar wel in het vereenvoudigen van de procedure en het schappen van overbodige voorschiften zoals hierna zal blijken. Specifieke weigeringsgronden De weigeringronden in deze bepaling hebben specifiek betrekking op standplaatsen. Van oudsher is een van de weigeringsgronden voor een standplaats gelegen in het voorkomen van overlast. Dit begrip komt niet meer als afzonderlijk toetsingscriterium terug, maar diverse vormen van overlast worden begrepen onder openbare orde. Ook valt hieronder het beschermen van verkeersveiligheid. Voorzieningenniveau bij standplaatsen In het verleden is het beschermen van een redelijk voorzieningen niveau in de gemeente als een openbare orde belang aangemerkt. Wanneer binnen een verzorgingsgebied als gevolg van bedrijfsbeëindiging of bedrijfsverplaatsing het verzorgingsniveau in het gedrag komt, kan het college ter waarborging van het redelijk voorzieningen niveau besluiten, tijdelijk dan wel op meer structurele basis, standplaatsen te verlenen die voorzien in de weggevallen behoefte. Gezien het belang dat uitgaat van een redelijk voorzieningen niveau kan het college ook standplaatsvergunningen verlenen in afwijking van het standplaatsenbeleid. Wel dient het dan te gaan om in tijd beperkte situaties, zoals bijvoorbeeld een overbruggingstermijn. De tijdelijkheid moet in de vergunning worden opgenomen en in de besluitvorming worden gemotiveerd. Het weigeren van een standplaatsvergunning op grond van bescherming van het voorzieningen- niveau is ook mogelijk, maar vereist een grondige en goed gemotiveerde grondslag. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State blijkt namelijk dat het reguleren van de concurrentieverhoudingen niet als een huishoudelijk belang van de gemeente wordt aangemerkt. Hierop wordt door de Afdeling slechts één afzondering toegestaan, namelijk wanneer het voorzieningenniveau voor de consument in een deel van de gemeente in gevaar komt. Wil een gemeente op basis hiervan een vergunning weigeren dan moet worden aangetoond, mede aan de hand van de boekhouding van de plaatselijke winkelier, dat het voortbestaan van de winkel in gevaar komt als vanaf een standplaats dezelfde goederen aangeboden worden. Artikel 5.2.3 lid 6 en 7 Lid 6 en 7 bepaalt dat het verbod om zonder vergunning op grond van de APV een standplaats in te nemen niet geldt, voor zover de Wet milieubeheer, Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal wegenreglement Noord-Brabant van toepassing is. Hoe moet dit "voor zover" worden uitgelegd? Het is mogelijk dat een zelfde onderwerp ook is opgenomen in een "hogere" regeling. Ook in die gevallen kan de betreffende APV- bepaling nog van toepassing zijn. Voorwaarde is dat geen sprake is van dezelfde motieven om iets te regelen. Dit blijkt uit de woorden "voor zover". Concreet kan dit betekenen dat in de beoordeling van een APV- vergunningaanvraag een specifieke weigeringsgrond niet aan de orde kan komen, omdat daaraan al in het kader van de hogere regelgeving wordt getoetst. Als er bijvoorbeeld bij de aanvraag voor een standplaatsvergunning tevens sprake is van activiteiten, waarvoor milieuvoorschriften gelden, dan kan het college de vergunning niet meer toetsen aan de mileu-aspecten, maar nog wel aan het belang van de openbare orde. Dit betekent dat de overlastaspecten, die te maken hebben met geur en geluid niet beoordeeld kunnen worden in het kader van de standplaatsvergunning.
- Vreemdelingenwet 200 (Vw /2000) Vreemdelingenbesluit 2000 ( Vb /2000) Artikel 8.3, tweede lid, van het Vb2000 bepaalt dat de vreemdeling, die geen rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8 van de Vw2000, geen aanspraak kan maken op de toekenning van vergunningen of ontheffingen door bestuursorganen, voor zover die vergunningen of ontheffingen betrekking hebben op standplaatsen, markten, venten, collecteren, evenementen of beroepsmatige dan wel bedrijfsmatige activiteiten. Het besluit schrijft dwingend voor dat voor de verlening van een vergunning of ontheffing die een beroeps- of bedrijfsmatig karakter heeft, een verblijfsrechtelijke toets dient plaats te vinden. 3.Warenwet Op het drijven van handel in waren zoals bedoeld in artikel 1 van de Warenwet (eetwaren en drinkwaren, alsmede andere roerende zaken) zijn de bepalingen uit de Warenwet van toepassing. De Warenwet stelt regels met betrekking tot de goede hoedanigheid en aanduiding van waren. Daarnaast stelt de Warenwet regels met betrekking tot hygiëne en degelijkheid van producten. De voorschriften die uit de Warenwet voortvloeien, gelden naast de voorschriften die door het college gesteld kunnen worden op basis van een standplaatsvergunning. Met het toezicht op de naleving van de bepalingen van de Warenwet zijn o.a. de ambtenaren van de Voedsel en Warenautoriteit belast. 4.Wet op de Ruimtelijke ordening Een vergunning voor het innemen van een standplaats kan worden geweigerd vanwege strijd met een geldend bestemmingsplan. Omdat een standplaats vaak een tijdelijk en mobiel karakter heeft, zal meestal geen sprake zijn van een definitieve planologische reservering. Toch is vooral het innemen van vaste standplaatsen geen sprake meer van incidenten, zodat het gebruik van de grond in planologisch opzicht van belang is. 5.Winkeltijdenwet De Winkeltijdenwet bepaalt in artikel 2 dat het verboden is om op zon- en feestdagen, zoals genoemd in de Winkeltijdenwet (Nieuwjaar, Goede Vrijdag na 19.00 uur, eerste en tweede Kerstdag en 4 mei na 19.00 uur) en op werkdagen voor 6 uur en na 22.00 uur in de uitoefening van een bedrijf, anders dan een winkel, goederen te koop aan te bieden of te verkopen aan en in rechtstreekse aanraking met particulieren. Dit betekent dat bij het innemen van een standplaats de tijden van de Winkeltijdenwet in acht genomen moeten worden. Dit geldt niet voor die bedrijven, die (niet-alchoholische) dranken en etenswaren voor directe consumptie verkopen. 6.Wet milieubeheer Bepalingen krachtens de Wet milieubeheer gelden ook voor een standplaats, voor zover deze als "inrichting" kan worden aangemerkt. Het eerste, derde en vierde lid van artikel 1.1 Wet milieubeheer gaan in op wat onder een "inrichting" moet worden verstaan. Het begrip wordt in de algemene zin gedefinieerd in het eerste lid: "elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht". Het derde lid luidt: "Bij algemene maatregel van bestuur (het Activiteitenbesluit) worden categorieën van inrichtingen aangewezen, die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken". Uit het vierde lid en de opbouw van artikel 1.1 Wet milieubeheer volgt dat een activiteit pas als een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer wordt gezien, indien wordt voldaan aan de omschrijving in het eerste lid en als de inrichting valt onder een categorie uit het Activiteitenbesluit. Dit betekent: er is sprake van bedrijvigheid: bedrijfsmatige activiteiten of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was; en de bedrijvigheid vindt binnen een zekere begrenzing plaats; en er is sprake van continuïteit of een zeker regelmaat; en de inrichting valt onder een categorie uit bijlage I van het lvb (inrichtingen- en vergunningenbesluit) Het activiteitenbesluit bevat tal van algemene milieuregels die voor verschillende bedrijfssectoren gelden, waaronder de horeca en detailhandel. (type A, B of C bedrijven) Wat betekent dit concreet voor een standplaats? Als uitsluitend sprake is van detailhandel, zonder bijkomende activiteiten, zoals het schoonmaken of bakken van vis, dan is geen sprake van een lvb-inrichting. Als vanuit een mobiel verkooppunt vis en/of frites worden gebakken, worden wel milieu-eisen gesteld. Deze eisen betreffen in hoofdzaak de gevolgen van het bakken. Afhankelijk van de omstandigheden moeten er voorzieningen getroffen worden voor de vetafscheiding van het afvalwater en het voorkomen van stankoverlast. Soms is een vetafscheider nodig. Ter voorkoming van geuroverlast kan bij de locatie van de verkoopwagen rekening gehouden worden met de meest voorkomende windrichting en de afstand tot (woon)gebouwen. Ook kan men de verplichting opleggen dat, ter voorkoming van stankoverlast een ontgeuringsinstallatie (koolstoffilter) wordt aangebracht. Wat betreft het schoonhouden van de standplaats worden voorschriften opgenomen. Vergunninghouder dient afvalbakken te plaatsen en de ruimte binnen een straal van 5 meter schoon te houden. De zinsnede "binnen een zekere begrenzing" geeft aan dat er in beginsel sprake moet zijn van een locatiegebonden of locatiespecifieke bedrijvigheid. Belangrijk is dat de begrenzing van een bedrijvigheid in de loop van de tijd niet mag verschuiven. Bepaalde mobiele installaties kunnen onder het begrip "inrichting" vallen, mits ze binnen een bepaalde begrenzing zijn opgesteld. Standplaatsen, die wekelijks vanaf een vaste plaats, worden ingenomen, voldoen aan dit criterium. 7.Burgerlijk Wetboek Indien een standplaats wordt ingenomen op particulier terrein, dan heeft de standplaatshouder uiteraard de toestemming nodig van de rechthebbende op het terrein. Meestal worden standplaatsen ingenomen op grond, die in eigendom is van de gemeente. Het innemen van een standplaats kan worden gezien als bijzonder gebruik. Als de gemeente eigenaar is van de grond, zal zij deze grond in gebruik geven aan de standplaatshouder. Hiervoor zal een huurovereenkomst worden gesloten met de betreffende standplaatshouder. 8.Legesverordening In de legesverordening is bepaald dat voor het verstrekken van een dienst leges kan worden geheven. In bijlage 4 is een overzicht bijgevoegd met de bedragen uit de legesverordening 2012.