Beleidsregel bijzondere bijstand 2026 gemeente BunschotenBurgemeester en wethouders van de gemeente Bunschoten, overwegen dat het wenselijk is regels vast te stellen voor verstrekking van bijzondere bijstand, inkomensondersteunende regelingen en leenbijstand; Gelet op artikel 4:81 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht en de artikelen 15, 35, 48, 49, 50, 51 en 57 van de Participatiewet besluiten vast te stellen de Beleidsregel bijzondere bijstand 2026 gemeente Bunschoten Hoofdstuk1.Begrippen Artikel1.Begripsomschrijvingen 1.Alle begrippen die in deze beleidsregel worden gebruikt en die niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de wet en de Algemene wet bestuursrecht; 2.In deze beleidsregel wordt verstaan onder: Belanghebbende: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit betrokken is; Bijstandsnorm: de op de leef- en woonsituatie van toepassing zijnde bijstandsnorm zoals bedoeld in artikel 5 sub c van de wet inclusief vakantietoeslag, met de uitzondering dat de kostendelersnorm (artikel 22a van de wet) niet van toepassing is; College: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bunschoten; Draagkracht: het gedeelte van het inkomen of vermogen dat de belanghebbende geacht wordt aan te wenden om in de bijzondere kosten te voorzien; Draagkrachtperiode: de periode waarover de financiële draagkracht van een belanghebbende wordt vastgesteld; Inburgeringsplichtige: de belanghebbende die volgens artikel 3 Wet inburgering 2021 inburgeringsplichtig is; Jong meerderjarige: belanghebbende van 18, 19 of 20 jaar; NIBUD: Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting Voorliggende voorziening: voorziening waarop beroep kan worden gedaan ter verwerving van inkomsten of ter bekostiging van bepaalde uitgaven; Wet: Participatiewet Woning: een woning als bedoeld in artikel 1 onderdeel j van de Wet op de huurtoeslag, alsmede een woonwagen of woonschip als bedoeld in artikel 3, lid 6 van de wet; WSNP: Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen; Gedupeerde toeslagenaffaire: belanghebbende die door de belastingdienst wordt aangemerkt als gedupeerde van de kinderopvangtoeslag affaire of valt onder de zogenaamde Catshuisregeling. Hoofdstuk2.Basisvoorwaarden Artikel2.Aard van de bijzondere bijstand 1.Bijzondere bijstand wordt verstrekt als bijzondere omstandigheden in het individuele geval leiden tot noodzakelijke kosten van het bestaan, waarin het inkomen niet voorziet, die niet gedekt worden door voorliggende voorzieningen, die niet uit de draagkracht kunnen worden voldaan; en er geen sprake is van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. 2.Bijzondere bijstand is maatwerk op het gebied van noodzakelijke kosten. Niet de aard van de kosten, maar de individuele omstandigheden van belanghebbenden bepalen de bijzonderheid van de kosten. Artikel3.Indienen aanvraag 1.Bijzondere bijstand dient in beginsel te worden aangevraagd voordat de kosten worden gemaakt; 2.De bijzondere bijstand wordt door de gehuwden gezamenlijk aangevraagd, dan wel door één van hen met schriftelijke toestemming van de ander; 3.In afwijking van het eerste lid kan voor kosten die minder dan € 100,00 per kostensoort bedragen ook achteraf een aanvraag voor bijzondere bijstand worden ingediend; 4.De kosten als genoemd in het derde lid moeten worden ingediend: Binnen twaalf maanden nadat de oudste kosten zijn gemaakt, als het totaal van de rekeningen meer dan € 100,00 bedragen; Binnen één maand na afloop van een periode van twaalf maanden, als het totaal van de rekeningen minder dan € 100,00 bedragen; 5.Als een aanvraag te laat wordt ingediend, heeft de belanghebbende in beginsel geen recht meer op bijzondere bijstand. Artikel4.Vaststellen van de draagkracht 1.Als draagkracht wordt in aanmerking genomen 25% van het inkomen voor zover dit inkomen meer is dan 115% van de bijstandsnorm; 2.In afwijking van het eerste lid, wordt de draagkracht bij een belanghebbende die deelneemt aan een minnelijke schuldregeling aansluiting gezocht bij de bepaling van de draagkracht van een belanghebbende in de WSNP; 3.In afwijking van het eerste lid wordt een belanghebbende met een inkomen waarop executoriaal beslag ligt, geacht geen draagkracht te hebben. 4.In afwijking van het eerste lid, wordt als draagkracht 100% in aanmerking genomen van het inkomen voor zover dit inkomen meer is dan 100% van de bijstandsnorm als het bijzondere bijstand betreft voor: De kosten van wonen; De kosten van bewindvoering, mentorschap en curatele; De gemeentelijke belastingen en waterschapsheffingen als men niet voor kwijtschelding belastingen in aanmerking komt; Tegemoetkoming kosten voor kinderopvang. 5.Voor het vaststellen van de draagkracht in het vermogen, zoals bedoeld in artikel 35 van de wet, wordt het vermogen boven het vrij te laten vermogen zoals bedoeld in artikel 34 van de wet in aanmerking genomen; 6.Het vermogen in het huis en het bijbehorende erf wordt niet meegerekend. Bij het bepalen van de draagkracht wordt rekening gehouden met eventuele lagere woonlasten, gebaseerd op de basisnorm voor huurlasten. 7.De compensatie die slachtoffers van de toeslagenaffaire hebben ontvangen op grond van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, wordt niet meegerekend als inkomen of vermogen voor bijzondere bijstand in het jaar van ontvangst. Deze vrijstelling geldt ook voor de jaren 2022 tot en met 2028, zolang de compensatie nog niet is besteed. Aankopen van beleggingen en crypto’s worden als besteding gezien. Alle inkomsten uit de compensatie worden wel als middelen beschouwd bij de uitvoering van de bijzondere bijstand. 8.Een vermogensvrijlating geldt ook voor schadevergoedingen uitwonendenbeurs die verband houden met de herziening van de door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap genomen besluiten inzake: herziening van het recht op studiefinanciering; terugvordering van studiefinanciering; en boete, die zijn genomen op grond van de controlewerkwijze waarvan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft geconstateerd dat sprake was van indirecte discriminatie. 9.Voor de in de artikelen 8 en 9 van deze beleidsregel genoemde kostensoort geldt dat er geen aanspraak gemaakt kan worden op een tegemoetkoming als er sprake is van een inkomen hoger dan 115% van de bijstandsnorm. Artikel5.Draagkrachtperiode 1.De draagkracht wordt in beginsel vastgesteld voor een periode van een jaar, vanaf de eerste dag van de maand waarin de aanvraag voor bijzondere bijstand wordt ingediend, of waarop de bijstandsverlening betrekking heeft; 2.Van de periode genoemd in het eerste lid kan worden afgeweken als de periode waarop de kosten betrekking hebben daartoe aanleiding geven; 3.De belanghebbende die ten tijde van de aanvraag een bijstandsuitkering ontvangt op grond van de wet, wordt verondersteld in het draagkrachtjaar geen draagkracht te hebben, op grond van inkomen; 4.Wijzigingen in het inkomen en het vermogen van de belanghebbende tijdens het lopende draagkrachtjaar kunnen leiden tot een herberekening. 5.De vastgestelde draagkracht als bedoeld in het eerste lid wordt in geval van incidentele bijzondere bijstand in één keer in mindering gebracht op de verstrekking; 6.In geval van periodieke verstrekking van bijzondere bijstand wordt de draagkracht uit inkomen verspreid over de maanden waarover de bijzondere bijstand wordt verstrekt en naar evenredigheid in mindering gebracht; 7.In geval van een samenloop van incidentele en periodieke verstrekking van bijzondere bijstand wordt de draagkracht uit inkomen in eerste instantie naar evenredigheid in mindering gebracht op de periodieke bijzondere bijstand en daarna op de incidentele bijzondere bijstand. 8.Bij elke volgende aanvraag voor bijzondere bijstand in het draagkrachtjaar wordt rekening gehouden met de toepassing van de draagkracht, zoals bedoeld in het eerste lid. Artikel6.Hoogte van de bijstand Bij de vaststelling van de hoogte van de bijzondere bijstand wordt uitgegaan van de goedkoopst mogelijke adequate voorziening in het individuele geval. Hoofdstuk3.Bijzondere vergoeding Artikel7.Medische kosten en hulpmiddelen 1.De zorgverzekeringswet, de Wet langdurige zorg en de Wet maatschappelijke ondersteuning zijn in principe passende en toereikende voorliggende voorzieningen voor medische kosten en hulpmiddelen; 2.Als de voorliggende voorziening als genoemd in lid 1 niet toereikend is, komen de kosten en/of eventuele eigen bijdragen in aanmerking voor bijzondere bijstand als er sprake is van een medische noodzaak; 3.Om de medische noodzaak vast te stellen, kan medisch advies nodig zijn. Hierbij wordt de afweging gemaakt of de kosten van het medisch advies opwegen tegen de medische kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt aangevraagd. Artikel8.Collectieve aanvullende zorgverzekering 1.Inwoners kunnen via de gemeente een collectieve aanvullende zorgverzekering afsluiten. 2.Belanghebbenden kunnen kiezen uit drie verschillende aanvullende pakketten waarbij pakket 1 het minst uitgebreid is en pakket 3 de meest uitgebreide dekking heeft. 3.De gemeente vergoedt maandelijks een deel van de premie van de aanvullende pakketten. Deze vergoeding is verwerkt in de premies van de collectieve zorgverzekering. Jaarlijks worden deze gepubliceerd op gezondverzekerd.nl. 4.Belanghebbenden kiezen het pakket dat het beste aansluit bij de zorgbehoeften en kunnen hiervoor gebruik maken van een vergelijkingstool die door de gemeente wordt aangeboden. Artikel9.Participatie kinderen 4 tot 18 jaar 1.Voor de bevordering van participatie van kinderen van 4 tot 18 jaar is Jeugdfonds Sport & Cultuur in principe een toereikende voorliggende voorziening. 2.In die gevallen waarin het Jeugdfonds Sport & Cultuur niet voorziet kan bijzondere bijstand verstrekt worden om de participatie van kinderen van 4 tot 18 jaar te bevorderen. 3.De onder lid 2 genoemde noodzakelijke kosten die voor bijzondere bijstand in aanmerking komen houden verband met: naar school komen en meedoen op school. Artikel10.Jong meerderjarigen 1.Jongeren van 18, 19 en 20 jaar, die in een inrichting verblijven kunnen aanvullend bijzondere bijstand krijgen wanneer: hun bestaanskosten uitgaan boven de bijstandsnorm en zij redelijkerwijs geen financieel beroep kunnen doen op hun ouders. 2.De hoogte van de bijzondere bijstand voor een jong meerjarige in een inrichting bedraagt per maand maximaal de bijstandsnorm als genoemd in artikel 20, eerste lid onder a van de wet. 3.Voor jong meerderjarigen die op 31 december 2025 aanvullende bijzondere bijstand ontvangen als aanvulling op de jongerennorm, blijft de bijzondere bijstand voor de resterende periode tot hun 21e jaar doorlopen indien de situatie van de jong meerderjarige niet wijzigt. Artikel11.Alleenstaande ouder 1.De alleenstaande ouder waarvan het jongste kind 18 jaar wordt, kan in aanmerking komen voor bijzondere bijstand bij een terugval in inkomen zolang de ouder onderhoudsplichtig is; 2.Van terugval in inkomen is sprake als het kind thuiswonend is en zijn inkomen niet hoger is dan de som van het weggevallen extra kindgebonden budget en de maandelijkse kinderbijslag; 3.Voor het inkomen van het thuiswonende kind van 18 jaar dat een MBO of HBO opleiding volgt, wordt het inkomen genomen zoals in artikel 33 genoemd in de wet; 4.Bij de hoogte van de bijzondere bijstand genoemd in lid 1 wordt rekening gehouden met de bestaande alimentatieverplichting die in een convenant of door de rechter is vastgesteld. Artikel12.Tegemoetkoming Woonkosten 1.Wanneer een belanghebbende een huurwoning heeft met hoge woonkosten, kan het college op grond van individuele omstandigheden, bijzondere bijstand verlenen. Dit kan als belanghebbende geen of onvoldoende aanspraak kan maken op huurtoeslag op grond van de Wet op de huurtoeslag en de belanghebbende de kosten geheel of gedeeltelijk niet meer zelf kan betalen als gevolg van: een niet verwijtbare verlaging van de inkomsten of; vertrek van een medebewoner of; statushouders jonger dan 21 jaar die vanuit de taakstelling gehuisvest zijn in een woning waarvan de huur in verhouding tot de leeftijd te hoog is om in aanmerking te komen voor huurtoeslag 2.De tegemoetkoming woonkosten wordt verleend voor maximaal twaalf maanden, met daarbij de verplichting voor de aanvrager om zo snel mogelijk goedkopere passende woonruimte te vinden of op een andere manier de financiële middelen en de woonkosten meer met elkaar in evenwicht te brengen. 3.De toekenning van de tegemoetkoming kan worden verlengd wanneer daar aanleiding voor is, gezien de omstandigheden van de aanvrager en als de belanghebbende voldoende en concrete activiteiten heeft verricht ter verkrijging van goedkopere huisvesting en naar vermogen heeft getracht het inkomen te vergroten maar dit nog niet is gelukt. De verlengingstermijn wordt in redelijkheid vastgesteld afhankelijk van de individuele situatie en de situatie op de woningmarkt. 4.De hoogte van de tegemoetkoming woonkosten voor de kosten voor huren, is gelijk aan de maximale huurtoeslag, die de belanghebbende had kunnen ontvangen als de huurprijs lager dan de huurgrens was geweest, plus de woonlasten boven de huurgrens. Hierbij wordt uitgegaan van een maximaal bedrag aan bijstand dat verantwoord is binnen het oogpunt van bijstandsverlening. 5.Wanneer iemand jonger dan 23 jaar is, wordt voor de hoogte van de woonkostentoeslag uitgegaan van de situatie als 23-jarige. Dit betekent dat als de huur lager is dan de huurtoeslaggrens 23 jarige, de bijzondere bijstand gelijk is aan de huurtoeslag voor een 23 jarige. Artikel13.Reiskosten Inburgeringsplichtigen 1.Bijzondere bijstand kan worden verstrekt voor reiskosten aan: belanghebbenden zonder bijstandsuitkering met een inkomen tot 115% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm waarbij rekening wordt gehouden met aanwezige draagkracht én, die een verplichte inburgeringscursus volgen bij een officieel erkende onderwijsinstelling. Waarbij wordt uitgegaan van de dichtstbijzijnde onderwijsinstelling mogelijk in de specifieke situatie van de belanghebbende. 2.In uitzondering op het eerste lid komen niet in aanmerking voor bijzondere bijstand voor hun reiskosten: inburgeringsplichtigen die recht hebben op een voorliggende voorziening, zoals een reisproduct van DUO; inburgeringsplichtigen die een BBL of BOL-opleiding volgen; 3.De reiskosten worden vergoed op basis van de goedkoopste wijze van reizen met het openbaar vervoer, tussen het woonadres en het adres van de onderwijsinstelling. 4.In afwijking van lid 3 wordt, als de reis vanwege gezondheidsredenen van de aanvrager niet met het openbaar vervoer afgelegd kan worden, de vergoeding vastgesteld op basis van het aantal kilometers volgens de kortste route per eigen vervoer. Dit bedrag is gelijk aan de onbelaste reiskostenvergoeding van de Belastingdienst. 5.Wanneer de inburgeringsplichtige die in aanmerking komt voor bijzondere bijstand voor reiskosten in deeltijd taalscholing volgt, dan worden de reiskosten vastgesteld op het gemiddeld aantal dagen per week. Artikel14Tegemoetkoming kosten Kinderopvang 1.Het college kan aan de ouder woonachtig in Bunschoten, een tegemoetkoming als aanvulling op de kinderopvangtoeslag verstrekken. Alvorens bijstand toe te kennen wordt onderzocht of gebruik kan worden gemaakt van een voorliggende voorziening; te denken valt aan kinderopvang op basis van een sociaal medische indicatie (smi) of VVE. 2.De ouder die in aanmerking komt voor een tegemoetkoming als aanvulling op de kinderopvangtoeslag, wordt als volgt aangemerkt: Een ouder met een uitkering op grond van de Participatiewet (Pw), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers (IOAW) of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ), die een gemeentelijk traject gericht op arbeidsinschakeling volgt, als bedoeld in artikel 1.6 lid c van de Wet kinderopvang en die kosten voor kinderopvang maakt. Een ouder met een uitkering op grond van de Participatiewet (Pw), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers (IOAW) of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ), die een verplichte inburgeringscursus op grond van artikel 3 van de Wet inburgering 2021 volgt en die kosten voor kinderopvang maakt. 3.In aanvulling op het tweede lid is vereist dat de ouder gebruikmaakt van een geregistreerde kinderopvang of een geregistreerde voorziening voor gastouderopvang. 4.Op de maximale hoogte van de tegemoetkoming aan een ouder, als bedoeld in dit artikel, is artikel 1.13 van de Wet kinderopvang van toepassing. 5.Bij de berekening van de tegemoetkoming wordt uitgegaan van de uurprijs die wordt gehanteerd door de kinderopvangorganisatie. 6.De tegemoetkoming wordt toegekend zolang het gemeentelijke traject of de verplichte inburgeringscursus, zoals bedoeld in lid 2 van dit artikel, duurt. Artikel15Overige bijzondere vergoedingen In geval van bijzondere vergoedingen, die uitvoering van deze beleidsregel betreffen, waarin de beleidsregel niet voorziet, beslist het college. Hoofdstuk4.Leenbijstand Artikel16.Aflossing leenbijstand 1.Als leenbijstand wordt verstrekt, is hierover geen rentevergoeding verschuldigd, tenzij individuele omstandigheden het vaststellen van een rentepercentage rechtvaardigen; 2.De maandelijkse aflossing van verleende leenbijstand wordt bij een inkomen op bijstandsniveau vastgesteld op 5% van de bijstandsnorm of bij een inkomen boven de bijstandsnorm op 5% van de bijstandsnorm plus 25% van het inkomen daarboven; 3.De maandelijkse aflossing als bedoeld in het tweede lid wordt maandelijks ingehouden op de verstrekking van algemene bijstand of dient de belanghebbende maandelijks over te maken aan de uitvoeringsorganisatie Eemkracht; 4.Aan een belanghebbende die op een leenbijstand 36 maanden naar draagkracht heeft afgelost, wordt kwijtschelding verleend voor het restant van de lening. Hoofdstuk5.Slotbepalingen Artikel17Onvoorziene omstandigheden en kennelijke hardheid Het college handelt in overeenstemming met deze beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen heeft die wegens specifieke individuele omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met deze beleidsregel te dienen uitgangspunten en doelen. Artikel18Inwerkingtreding en citeertitel 1.Deze beleidsregel treedt in werking met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2026; 2.Gelijktijdig met de inwerkingtreding van deze beleidsregel, wordt “Nadere regel bijzondere bijstand 2023 gemeente Bunschoten’ ingetrokken. 3.Deze beleidsregel wordt aangehaald als “Beleidsregel bijzondere bijstand 2026 gemeente Bunschoten’. ALGEMENE TOELICHTING Het recht op bijzondere bijstand is vastgelegd in artikel 35 van de Participatiewet. Voor de verstrekking van bijzondere bijstand is het niet noodzakelijk dat de belanghebbende algemene bijstand ontvangt. Bijzondere bijstand is mogelijk als het inkomen niet toereikend is om bepaalde, uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan te voldoen. Bij de ontwikkeling van het bijzondere bijstandsbeleid spelen daarom deze uitgangspunten een rol. Niet in strijd met Rijks inkomensbeleid Bij het verlenen van bijzondere bijstand blijft het uitgangspunt dat de verstrekking niet strijdig mag zijn met het Rijks inkomensbeleid. Algemene bijstand zou toereikend moeten zijn voor voedsel en onderdak. Buitenwettelijk begunstigend beleid is gedoogd. Geen bijstand voor niet noodzakelijke kosten. Artikel 14 PW somt een aantal posten op, die in elk geval niet worden gerekend tot de noodzakelijke kosten van het bestaan. Bijstandsverlening is dan niet mogelijk. Het gaat hier onder meer om alimentatieverplichtingen, geleden of toegebrachte schade en de betaling van een boete. Het bijzondere bijstandsbeleid moet betaalbaar, laagdrempelig en efficiënt zijn. Met ingang van 2004 zijn gemeenten volledig financieel verantwoordelijk voor de bijstand. Binnen de wettelijke mogelijkheden moet het bijzondere bijstandsbeleid het huidige niveau behouden. Het indienen van een aanvraag moet eenvoudig en laagdrempelig zijn. Individualiseringsprincipe Naast bovengenoemde uitgangspunten geldt uiteraard het individualiseringsprincipe. Dit is geregeld in artikel 18 lid 1 van de Participatiewet. Dit betekent dat het college de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen dient af te stemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende. Voor de komst van de Participatiewet (PW) was zowel individuele bijzondere bijstand mogelijk als categoriale bijzondere bijstand, waarbij er van uit werd gegaan dat een bepaalde groep bijzondere bijstand nodig had. Met de komst van de PW zijn nagenoeg alle categoriale regelingen afgeschaft en waar nodig omgezet in verstrekkingen op basis van individuele bijzondere bijstand. Categoriaal verstrekken van bijzondere bijstand kan alleen in de vorm van: een collectieve aanvullende zorgverzekering of in de vorm van een tegemoetkoming in de kosten van de premie van een dergelijke verzekering zonder dat wordt nagegaan of ten aanzien van die persoon de kosten van die verzekering of die premie ook daadwerkelijk noodzakelijk zijn of gemaakt zijn; een individuele inkomenstoeslag aan groepen is ook mogelijk, mits vastgelegd in een verordening; maatschappelijke, culturele en sportieve activiteiten aan groepen conform artikel 57 van de wet, mits er een individuele toetsing is. Uitvoeringsregels De uitvoering van de bijzondere bijstand is gedelegeerd aan Uitvoeringsorganisatie Eemkracht door de gemeenten Baarn, Bunschoten en Soest. Zij kunnen, met in achtneming van deze beleidsregel, uitvoeringsregels opstellen. De uitvoeringsregels geven richtlijnen over hoe te handelen in specifieke situaties die niet in de beleidsregel staan beschreven. De categoriale minimaregelingen zijn niet in deze beleidsregel opgenomen en worden apart door het college of de gemeenteraad vastgesteld. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING Hoofdstuk
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.