Algemene subsidieverordening gemeente Emmen 2026De raad van de gemeente Emmen; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 9 december 2025; gelet op artikel 149 van de Gemeentewet; besluit vast te stellen de Algemene subsidieverordening gemeente Emmen: [Het opschrift bevat een kennelijke verschrijving. Hier wordt bedoeld: Algemene subsidieverordening gemeente Emmen 2026.] HOOFDSTUKI. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel1.Definities Awb: Algemene wet bestuursrecht; Bestemmingsreserve: het deel van het eigen vermogen waaraan een bepaalde bestemming is gegeven en in principe niet vrij besteedbaar is; College: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Emmen; De-minimissteun: steun die wordt verstrekt op basis van Verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag op de-minimissteun (PbEU L 352/1); Verordening (EU) nr. 2019/316 van de Commissie tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1408/2013 van de Commissie van 18 december 2013 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag op de-minimissteun in de landbouwproductiesector (PbEU L 51 I/1); Verordening (EU) nr. 717/2014 van de Commissie van 27 juni 2014 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag op de-minimissteun in de visserij- en aquacultuursector (PbEU L 190/45), of Verordening (EU) 2018/1923 van de Commissie van 7 december 2018 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun verleend aan diensten van algemeen economisch belang verrichtende ondernemingen (PbEU L 313/2); Europees steunkader: een mededeling, richtsnoer, kaderregeling, besluit of vrijstellingsverordening op het gebied van staatssteun die de Europese Commissie of de Raad van de Europese Unie, gelet op de artikelen 106, derde lid , 107, 108 of 109 van het Verdrag heeft vastgesteld, waaronder de Algemene groepsvrijstellingsverordening: Verordening (EU) nr. 2017/1084 van de Commissie tot wijziging van Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU L 156/1); de Landbouw vrijstellingsverordening: Verordening (EU) nr. 702/2014 van de Commissie van 25 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU L 193/1); en de Visserij vrijstellingsverordening: Verordening (EU) nr. 1388/2014 van de Commissie van 16 december 2014 waarbij bepaalde categorieën steun voor ondernemingen die actief zijn in de productie, de verwerking en de afzet van visserij- en aquacultuurproducten, op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU L 369/37); onderneming: iedere eenheid, ongeacht haar rechtsvorm of wijze van financiering, die een economische activiteit uitoefent; raad: de gemeenteraad van de gemeente Emmen; Verdrag: Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (PbEU C 326/47). Artikel2.Reikwijdte 1.Deze verordening is van toepassing op de verstrekking van subsidies door het college voor activiteiten op de volgende beleidsterreinen, met uitzondering van subsidies waarvoor bij afzonderlijke verordening een uitputtende regeling is getroffen en subsidies als bedoeld in artikel 4:23, derde lid van de Awb (subsidies waarvoor geen wettelijke grondslag nodig is: inwoners en bestuur; economie en werkgelegenheid; veiligheid; onderwijs en jeugd; bouwen, wonen en milieu; inkomensondersteuning; openbare ruimte en verkeer & vervoer; sport en cultuur; sociaal domein. Indien benamingen van deze beleidsterreinen worden gewijzigd, dient in plaats van de genoemde benaming, de nieuwe benaming te worden gelezen. 2.Ten aanzien van subsidies waarvoor geen wettelijke grondslag nodig is, kan het college bepalen dat deze verordening geheel of gedeeltelijk van toepassing is. Artikel3.Bevoegdheid college 1.Het college is bevoegd te besluiten over het verstrekken van subsidies met in achtneming van de in de gemeentebegroting opgenomen financiële middelen of het subsidieplafond. 2.Het college kan nadere regels opstellen (“subsidieregeling”), waarin onder meer de te subsidiëren activiteiten, de doelgroepen, de verdeling van het beschikbare bedrag nader zijn omschreven. 3.Het college is bevoegd om, al dan niet via een subsidieregeling, voorwaarden en verplichtingen aan de beschikking tot subsidieverlening te verbinden. Artikel4.Staatssteunregels 1.Voor zover dat ten behoeve van het voldoen aan een Europees steunkader noodzakelijk is, kan het college bij subsidieregeling afwijken van deze verordening en deze aanvullen. 2.Bij subsidieregelingen waarbij is bepaald dat toepassing kan worden gegeven aan een Europees steunkader, verwijst de subsidieregeling naar het desbetreffende steunkader. 3.Bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is, verwijst de verleningsbeschikking naar de toepasselijke bepalingen van het steunkader. 4.Bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is, komen alleen de activiteiten, doelstellingen, resultaten en kosten voor vergoeding in aanmerking die voldoen aan de eisen van het desbetreffende steunkader. 5.Bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is, komen ondernemingen alleen in aanmerking voor zover de subsidieverstrekking voldoet aan de voorwaarden van het desbetreffende steunkader. Artikel5.Subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud 1.De raad kan jaarlijks bij de vaststelling van de begroting besluiten tot het instellen van subsidieplafond(s). Daarbij wordt aangegeven op welke wijze het beschikbare bedrag wordt verdeeld over de programmaonderdelen. 2.Het college kan binnen de kaders van de begroting aanvullend subsidieplafonds per programmaonderdeel van de begroting vaststellen. 3.De raad of het college kan een subsidieplafond nog verlagen als: het subsidieplafond is vastgesteld voordat de begroting voor het betrokken jaar is vastgesteld of goedgekeurd; en de subsidieaanvragen waarop het subsidieplafond betrekking heeft, moeten worden ingediend voordat de begroting voor het betrokken jaar is vastgesteld of goedgekeurd. 4.Bij de bekendmaking van een subsidieplafond dat kan worden verlaagd, overeenkomstig het vorige lid, wordt gewezen op de mogelijkheid van verlaging en de gevolgen daarvan voor reeds ingediende subsidieaanvragen. 5.Een subsidie ten laste van een begroting, die nog niet is vastgesteld, wordt verleend onder de voorwaarde dat voldoende middelen in de begroting beschikbaar zullen worden gesteld. HOOFDSTUKII. DE AANVRAAG Artikel6.Aanvraag 1.Een aanvraag om subsidie wordt schriftelijk ingediend bij het college of digitaal als deze weg is opengesteld. Indien het college voor de aanvraag een formulier heeft vastgesteld, wordt dit formulier door de aanvrager gebruikt. 2.Voor zover voor de aanvraag niet een formulier is vastgesteld waaruit blijkt welke gegevens moeten worden verstrekt, vermeldt de aanvraag in elk geval: een beschrijving van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd; de doelen en resultaten die met de activiteiten worden nagestreefd, en hoe de activiteiten daaraan bijdragen. In het bijzonder ook in welke mate de activiteiten gericht zijn op de gemeente of haar ingezetenen en op door de gemeente vastgestelde doelen of beleidsterreinen; een begroting van en een dekkingsplan voor de kosten van deze activiteiten. Het dekkingsplan bevat, indien van toepassing, een opgave van bij anderen aangevraagde subsidies of vergoedingen ten behoeve van dezelfde activiteiten, onder vermelding van de stand van zaken daarvan; als de aanvrager een onderneming is: een opgave van subsidies, vergoedingen of tegemoetkomingen in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die al zijn of zullen worden ontvangen voor de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd; een verklaring als bedoeld in de verordening met betrekking tot de-minimissteun(de-minimisverklaring); als de aanvrager op grond van het bepaalde in artikel 17 en 18 een bestemmingsreserve gevormd heeft: de stand van deze reserve op het moment van de aanvraag. 3.Een rechtspersoon die voor het eerst subsidie aanvraagt, voegt een inschrijvingsbewijs van de rechtspersoon uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel toe aan de aanvraag, dat niet ouder is dan 3 maanden. 4.Bij subsidieregeling kan van de voorgaande leden van dit artikel worden afgeweken. Artikel7.Aanvraagtermijn 1.Een aanvraag om een subsidie die per kalenderjaar wordt verstrekt, dient uiterlijk 1 september voorafgaand aan het jaar of de jaren waarop de aanvraag betrekking heeft door het college te zijn ontvangen. 2.Andere aanvragen om subsidie dienen tenminste 12 weken voordat de aanvrager voornemens is te beginnen met de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd door het college te zijn ontvangen. 3.Bij subsidieregeling kunnen andere termijnen worden gesteld dan opgenomen in de voorgaande leden. 4.Indien een aanvraag voor subsidie wordt ingediend na het verstrijken van de termijnen genoemd in de leden 1 en 2, kan het college de aanvraag weigeren. Artikel8.Beslistermijn 1.Het college beslist op een aanvraag om een subsidie als bedoeld in artikel 7, eerste lid, uiterlijk op 31 december van het jaar waarin de aanvraag is ingediend, tenzij de beslistermijn is opgeschort. 2.Het college beslist op een aanvraag om een subsidie als bedoeld in artikel 7, tweede lid, binnen 12 weken nadat de volledige aanvraag is ingediend. 3.De beslistermijnen genoemd in lid 1 en 2, kunnen eenmaal met maximaal 8 weken worden opgeschort. 4.Bij subsidieregeling kunnen andere termijnen worden gesteld dan opgenomen in de voorgaande leden. 5.Bij aanvragen om een subsidie die overeenkomstig artikel 108, derde lid, van het Verdrag worden aangemeld bij de Europese Commissie wordt de termijn verdaagd totdat de Europese Commissie een eindbeslissing heeft genomen. Artikel9.Weigeringsgronden 1.Onverminderd de artikelen 4:25, tweede lid, en 4:35 van de Awb weigert het college de subsidie in ieder geval: als de Europese Commissie overeenkomstig artikel 108, derde lid, van het Verdrag heeft vastgesteld dat de subsidie onverenigbaar is met de interne markt; of als het een aanvrager betreft tegen wie een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerdere beschikking van de Europese Commissie waarin de steun van Nederland onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt is verklaard. 2.Onverminderd het vorige lid weigert het college de subsidie in ieder geval als de subsidieverstrekking in strijd zou zijn met een Europees steunkader omdat: subsidie verstrekt zou worden aan een aanvrager die een onderneming drijft die in moeilijkheden verkeert als bedoeld in het desbetreffende steunkader, of de subsidie geen stimulerend effect heeft als bedoeld in het desbetreffende steunkader. 3.Onverminderd de vorige leden kan het college de subsidie verder in ieder geval weigeren: als de te subsidiëren activiteiten niet of niet in overwegende mate gericht zijn op de gemeente of haar ingezetenen of als ze onvoldoende ten goede komen aan de gemeente of haar ingezetenen; als in de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd, naar het oordeel van het college, in de gemeente reeds voldoende is voorzien; als de aanvrager zelf in de kosten van de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd kan voorzien, hetzij uit eigen middelen, hetzij uit middelen van derden of een combinatie daarvan. Hiervan is onder andere sprake, wanneer het eigen vermogen van de aanvrager, waaronder begrepen een gevormde algemene reserve (niet zijnde een bestemmingsreserve), naar het oordeel van het college, voldoende is om in de kosten te voorzien; als niet is aangetoond dat de subsidie noodzakelijk is voor het verrichten van de activiteiten waarvoor deze wordt gevraagd; als de subsidieverstrekking in strijd zou zijn met een wettelijk voorschrift; als de subsidieverstrekking niet is toegestaan totdat de Europese Commissie met toepassing van artikel 108, derde lid, van het Verdrag heeft vastgesteld dat de subsidie verenigbaar is met de interne markt; voor zover activiteiten gericht zijn op het uitdragen van levensbeschouwelijke of politieke overtuigingen; voor zover bepaalde groepen van deelname aan de activiteiten worden uitgesloten en daarmee naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet een nuttig doel wordt gediend, zodat sprake is van ontoelaatbare discriminatie; voor zover activiteiten zijn gericht op het maken van winst; in de bij de betrokken subsidieregeling bepaalde gevallen. HOOFDSTUKIII. DE SUBSIDIEVERLENING Artikel10.Verlening Bij de verleningsbeschikking wordt vermeld op welke wijze de subsidieontvanger de besteding van de subsidie dient te verantwoorden. Het voorgaande is eveneens van toepassing wanneer de wijze van verantwoording reeds is bepaald in deze verordening of bij subsidieregeling. Artikel11.Betaling en bevoorschotting 1.Subsidies tot en met € 25.000,- worden in hun geheel ineens betaald. 2.Subsidies hoger dan € 25.000,- aan rechtspersonen die voor een kalenderjaar of van een kalenderjaar afwijkend boekjaar worden verstrekt, worden volledig bevoorschot en in vier gelijke (kwartaal)termijnen betaald. 3.Overige subsidies hoger dan € 25.000,- worden in hun geheel ineens betaald. 4.In afwijking van de vorige leden kan het college besluiten, bij subsidieregeling of bij de beschikking tot subsidieverlening, tot een andere wijze van bevoorschotting van de subsidie of tot andere dan de in voorgaande leden van dit artikel genoemde betaaltermijnen. Artikel12.Verplichtingen van subsidieontvanger 1.De subsidieontvanger zet de subsidie in voor de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend en voltooit deze uiterlijk binnen de in de beschikking opgenomen termijn. 2.Bij subsidies hoger dan € 25.000,- kan de verplichting worden opgelegd tot het overleggen van een tussentijdse voortgangsrapportage waarin rekening en verantwoording wordt afgelegd over de tot dan verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten. 3.Het college kan, al dan niet middels een subsidieregeling, in aanvulling op dit artikel en artikel 4:37 Awb, aan een beschikking tot subsidieverlening tevens andere verplichtingen als bedoeld in de artikelen 4:38 en 4:39 Awb verbinden. 4.Het college is bevoegd om verplichtingen aan de beschikking tot subsidieverlening te verbinden met betrekking tot het beheer en gebruik van de subsidie en het beheer en gebruik van hetgeen met de subsidie tot stand is gebracht. 5.Het college kan aan een beschikking tot subsidieverlening de verplichting verbinden dat een subsidieontvanger aan het college een vergoeding van vermogenswaarden verschuldigd is in gevallen als bedoeld in artikel 4:41, tweede lid, Awb. Daarbij wordt tevens aangegeven hoe de hoogte van de vergoeding wordt bepaald. 6.Als aannemelijk is dat een of meer van de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht, of dat niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan, meldt de subsidieontvanger dat onverwijld schriftelijk aan het college. Indien de subsidiabele activiteiten veranderen en/of de kosten van de activiteiten voor meer dan 10% wijzigen, dient de subsidieontvanger een verzoek tot wijziging van de subsidieverlening bij het college in te dienen. 7.Een subsidieontvanger informeert het college verder onverwijld schriftelijk over: beslissingen of procedures die zijn gericht op de beëindiging van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, of tot ontbinding van de gesubsidieerde rechtspersoon; relevante wijzigingen in de financiële en organisatorische verhouding met derden; ontwikkelingen die ertoe kunnen leiden dat de subsidieontvanger de aan de subsidie verbonden verplichtingen niet, niet tijdig of niet geheel zal kunnen nakomen; wijziging van de statuten voor zover het de rechtsvorm betreft van de gesubsidieerde rechtspersoon en het doel van de rechtspersoon; wijziging van de persoon van de bestuurder of bestuurders van de subsidieontvanger; een zodanige wijziging van de activiteiten van de subsidieontvanger, waardoor de subsidieontvanger activiteiten gaat ontplooien, waarbij minderjarigen of wilsonbekwame personen zijn betrokken, zoals bedoeld in het eerste lid van artikel 13. 8.De subsidieontvanger behoeft de toestemming van het college voor handelingen als vermeld in artikel 4:71 Awb Artikel13.Verklaring omtrent gedrag 1.Indien de subsidieontvanger activiteiten ontplooit, waarbij minderjarigen of wilsonbekwame personen zijn betrokken, dient de subsidieontvanger te beschikken over vastgesteld beleid, waarin is vastgelegd dat: personeelsleden, vrijwilligers en anderen die uit hoofde van hun functie in contact komen met deze minderjarigen of wilsonbekwame personen een verklaring van gedrag dienen te overleggen, welke verklaring geen beletsel mag vormen voor het functioneren binnen het kader van de aanvraag; of voorkomen wordt dat zich kwetsbare situaties zonder toezicht van derden voordoen. 2.Indien voor de personeelsleden, vrijwilligers en anderen die uit hoofde van hun functie in contact komen met minderjarigen of wilsonbekwame personen reeds op basis van een ander wettelijk voorschrift de verplichting tot het overleggen van een verklaring omtrent het gedrag bestaat, is het bepaalde in het eerste lid niet van toepassing. 3.Wanneer de subsidieontvanger voor het eerst subsidie aanvraagt, overlegt hij bij zijn aanvraag tevens de bewijsstukken, waaruit blijkt dat hij voldoet aan het bepaalde in de voorgaande leden. Wanneer de subsidieontvanger gedurende de subsidierelatie activiteiten gaat ontplooien, waarbij minderjarigen of wilsonbekwame personen zijn betrokken, overlegt hij voornoemde bewijsstukken bij zijn eerstvolgende subsidieaanvraag. 4.Een vrijwilligersorganisatie dient als subsidieontvanger, naast het in het eerste lid genoemde beleid, de registratielijst van de “stichting tuchtrecht vrijwilligerswerk” bij te houden en te hanteren. 5.Bij het ontbreken van een tuchtprocedure binnen de vereniging of organisatie is het gebruik van de tuchtprocedure van de “stichting tuchtrecht vrijwilligerswerk” verplicht. HOOFDSTUKIV. VERANTWOORDING EN VASTSTELLING Artikel14.Verantwoording subsidies tot en met € 25.000,- Voor subsidies tot en met € 25.000,- behoeft de subsidieontvanger geen verantwoording in te dienen. Wel dient de subsidieontvanger vijf jaar lang betalingsbewijzen en andere informatie te bewaren en desgevraagd beschikbaar te stellen aan het college over de activiteiten waarvoor de subsidie verleend is. Artikel15.Aanvraag tot vaststelling en verantwoording subsidies hoger dan € 25.000,- 1.Bij subsidies hoger dan € 25.000,- dient de subsidieontvanger schriftelijk, of digitaal als deze weg is opengesteld, een aanvraag tot vaststelling in bij het college: in geval van een subsidie die per kalenderjaar wordt verstrekt, dient deze aanvraag uiterlijk op 1 juni van het jaar dat volgt op het betrokken kalenderjaar te zijn ontvangen; in andere gevallen dient deze aanvraag uiterlijk 12 weken nadat de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht, te zijn ontvangen. Indien het college voor de aanvraag een formulier heeft vastgesteld, dan dient dit formulier door de aanvrager te worden gebruikt. 2.De aanvraag tot vaststelling bevat in ieder geval: een inhoudelijk verslag waaruit blijkt in hoeverre de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht en aan de verplichtingen is voldaan; en een overzicht van de gesubsidieerde activiteiten en de hieraan verbonden uitgaven en inkomsten (financieel verslag of jaarrekening). 3.Het college kan, de subsidieontvanger verplichten een balans van het afgelopen subsidietijdvak met een toelichting daarop toe te voegen aan de aanvraag. 4.In aanvulling op de vorige leden kan het college verplichten om bij een aanvraag tot vaststelling van een subsidie: hoger dan € 25.000,- tot en met € 200.000,- een beoordelingsverklaring of een samenstellingsverklaring te overleggen; hoger dan € 200.000,- een controleverklaring te overleggen. Indien tegelijkertijd meerdere subsidies worden ontvangen via de gemeente Emmen, dan worden deze subsidies bij elkaar opgeteld om te bepalen welke verklaring overlegt dient te worden. Er kan dan worden volstaan met 1 verklaring voor deze subsidies. 5.De in het vorige lid genoemde verklaringen dienen te zijn opgesteld door een registeraccountant, een accountant-administratie consulent, ten aanzien van wie in het accountantsregister een aantekening is geplaatst als bedoeld in artikel 36, tweede lid, onderdeel i, van de Wet op het accountantsberoep, of door een boekhouder of financieel adviseur die is aangesloten bij een erkende beroepsorganisatie, zoals bijvoorbeeld SRA, mits deze beroepsorganisatie voldoet aan de kwaliteitseisen die vergelijkbaar zijn met die van het accountantsregister. 6.Het college kan voor het indienen van de aanvraag tot subsidievaststelling bij subsidieregeling of in de beschikking tot subsidieverlening, andere termijnen stellen dan genoemd in lid 1, en/of andere gegevens verlangen dan genoemd in het tweede tot en met het vierde lid om aan te tonen dat de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht, op welke wijze de subsidie is besteed en dat voldaan is aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen. 7.Bij subsidieregeling kunnen categorieën subsidieontvangers worden aangewezen waarvoor de subsidie direct wordt vastgesteld zonder dat een aanvraag tot subsidievaststelling hoeft te worden ingediend. Artikel16.Besluit tot subsidievaststelling 1.Het bedrag van de subsidievaststelling zal niet hoger zijn dan het bedrag zoals dit in het besluit tot subsidieverlening is toegekend. 2.Subsidies tot en met € 25.000,- worden door het college direct vastgesteld, zonder een daaraan voorafgaand besluit tot subsidieverlening. 3.Subsidies hoger dan € 25.000,- worden door het college vastgesteld binnen 12 weken na de ontvangst van een volledige aanvraag tot subsidievaststelling, tenzij door het college, hetzij bij subsidieregeling, hetzij in de beschikking tot subsidieverlening, anders is bepaald. 4.Indien uit de aard van de subsidie of de verantwoording daarover volgt dat voor de beslissing op de vaststelling van de subsidie een langere termijn nodig is dan de in het vorige lid genoemde termijn, dan kan deze termijn eenmaal voor ten hoogste 8 weken wordt opgeschort. Wordt de termijn aldus opgeschort, dan bericht het college de subsidieontvanger daarvan zo spoedig mogelijk na ontvangst van de aanvraag. 5.Bij subsidieregeling kunnen categorieën subsidieontvangers worden aangewezen waarvoor de subsidie direct wordt vastgesteld zonder dat een aanvraag tot subsidievaststelling hoeft te worden ingediend. HOOFDSTUKV. OVERSCHOTTEN EN RESERVEVORMING Artikel17.Vorming bestemmingreserve 1.Wanneer blijkt dat voor de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten niet de gehele subsidie nodig was, dan kan het college afzien van een lagere vaststelling of terugvordering van de subsidie in het geval: sprake is van een voor een kalenderjaar of een van een kalenderjaar afwijkend boekjaar verstrekte subsidie; en de verstrekte subsidie hoger is dan € 25.000,-; en aan de subsidieontvanger voor drie of meer achtereenvolgende jaren subsidie is verstrekt of voor meerdere jaren subsidie wordt verleend voor dezelfde of in hoofdzaak dezelfde voortdurende activiteiten; en de subsidieverstrekker voor het overschot aan subsidie een bestemmingsreserve voor een bepaald doel vormt; en de toevoeging aan de bestemmingsreserve niet meer bedraagt dan ten hoogste twintig procent van het subsidiebedrag. Bedraagt het overschot meer dan twintig procent, dan wordt het meerdere door het college teruggevorderd. 2.In afwijking van het vorige lid onder e vordert het college een overschot dat twintig procent te boven gaat, niet terug wanneer: sprake is van een bestemmingsreserve; en het college aan de subsidieontvanger toestemming heeft gegeven om deze bestemmingsreserve te vormen; en het overschot bij de aanvraag tot subsidievaststelling ook overeenkomstig deze bestemming is verantwoord. 3.Toestemming van het college als bedoeld in het vorige lid onder b kan, onder de voorwaarden zoals genoemd in artikel 18, door de subsidieontvanger worden verkregen door: bij de subsidieaanvraag reeds te vermelden dat de gevormde bestemmingsreserve wordt ingezet overeenkomstig een voorgenomen, vooraf bepaalde bestemming en de redenen waarom de subsidieontvanger een bestemmingsreserve wil vormen; of nadien per brief daartoe een gemotiveerd verzoek aan het college te doen, met dien verstande dat de toestemming dient te zijn verkregen vóór de daadwerkelijke vorming van een bestemmingsreserve. 4.Het college kan bepalen dat een bestemmingsreserve een zeker bedrag niet te boven mag gaan en dat ze slechts binnen een zekere termijn kan worden gebruikt. Is deze reserve gedurende deze termijn niet geheel gebruikt, dan wordt het restant door het college teruggevorderd. 5.De subsidieontvanger vermeldt bij de aanvraag tot vaststelling van de subsidie, met bijbehorende verantwoording, uitdrukkelijk dat en voor welk bedrag een bestemmingsreserve is gevormd, dan wel aan een bestaande bestemmingsreserve is gedoteerd. 6.Reeds gevormde reserves worden geaccepteerd tot de bedragen, zoals vermeld in de laatste subsidieverantwoording van de subsidieontvanger, tenzij deze niet in overeenstemming zijn met het bepaalde in artikel 17 en 18. Artikel18.Vereisten toestemming vorming bestemmingsreserve 1.Toestemming van het college voor het vormen van een bestemmingsreserve wordt door het college schriftelijk verleend of gemotiveerd geweigerd. 2.Het vormen van een bestemmingsreserve wordt slechts toegestaan indien: de subsidieontvanger een rechtspersoon is; en de noodzaak tot het vormen van een bestemmingsreserve, naar het oordeel van het college, door de subsidieontvanger is aangetoond; en de bestemming van een reserve of de wijziging van een bestemming past binnen de doelstellingen van de subsidieontvanger, zoals vermeld in diens statuten; en de bestemming van een reserve of de wijziging van een bestemming een direct verband heeft met de activiteiten of prestaties waarvoor aan de subsidieontvanger subsidie is verstrekt. HOOFDSTUKVI. SLOTBEPALINGEN Artikel19.Berekening van uurtarieven, uniforme kostenbegrippen 1.Het college kan bij nadere regeling een standaardberekeningswijze vastleggen die gevolgd moet worden voor de berekening van uurtarieven indien bij de bepaling van de subsidiabele kosten gebruik wordt gemaakt van uurtarieven. 2.Bij het hanteren van kostenbegrippen bij de berekening van uurtarieven wordt uitgegaan van de door het college bij subsidieregeling voorgeschreven definities. 3.Bij subsidie waarop een Europees steunkader van toepassing is, komen alleen die tarieven en kostenbegrippen in aanmerking die voldoen aan de eisen van het toepasselijke steunkader. Artikel20.BTW 1.Verrekenbare BTW op grond van de Wet op de Omzetbelasting 1968 vormt geen kostenpost en compensabele BTW op grond van de Wet op het BTW-compensatiefonds 2003 vormt geen budgettaire last, en zijn derhalve niet subsidiabel. 2.Verstrekte subsidies zijn inclusief eventuele niet verrekenbare BTW. Artikel21.Evaluatieverslag Er hoeft geen evaluatieverslag als bedoeld in artikel 4:24 Awb te worden gepubliceerd tenzij het college anders bepaald. Artikel22.Hardheidsclausule 1.Het college kan de bepalingen gesteld bij of krachtens deze verordening buiten toepassing laten of daarvan afwijken, als daaraan vasthouden voor een subsidieaanvrager of -ontvanger gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zouden zijn tot de daarmee te dienen belangen. 2.In een subsidieregeling kan worden bepaald dat door het college van een of meer bepaalde artikelen of artikelleden van die regeling kan worden afgeweken als daaraan vasthouden voor een subsidieaanvrager of -ontvanger gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zouden zijn tot de daarmee te dienen belangen. Artikel23.Inwerkingtreding en overgangsbepaling 1.Deze verordening treedt een dag na bekendmaking in werking onder gelijktijdige intrekking van de “Algemene subsidieverordening gemeente Emmen 2017”. 2.Op aanvragen om subsidie die zijn ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening waarop nog niet is beslist en op subsidies die zijn verstrekt voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening is de “Algemene subsidieverordening gemeente Emmen 2017” van toepassing. Artikel24.Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: “Algemene subsidieverordening gemeente Emmen 2026”. Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 29 januari 2026.de griffier, S. Engelen de voorzitter,H.F. van OosterhoutToelichting Algemeen In artikel 423, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (hierna Awb, is bepaald dat subsidie in beginsel slechts verstrekt wordt op grond van een wettelijke voorschrift dat regelt voor welke activiteiten subsidie kan worden verstrekt. Hierop zijn uitzonderingen mogelijk en deze worden genoemd in lid 3 van art. 423. Het gaat dan om subsidies die in afwachting van totstandkoming van landelijke wetgeving of op basis van Europese regelgeving worden versterkt. Daarnaast is een wettelijk voorschrift niet nodig als het gaat om incidentele verstrekking van subsidies of subsidies waar de ontvanger en het bedrag aan subsidie op de begroting staat vermeld (begrotingssubsidies). Voor gemeenten gelden de door de gemeenteraad vastgestelde subsidieverordening en de eventueel daarop gebaseerde door het college vastgestelde nadere subsidieregelingen als dergelijke wettelijke voorschriften. Deze Algemene subsidieverordening (hierna: ASV) geeft het kader aan waarbinnen subsidieaanvragen en subsidievaststellingen worden behandeld. In nadere regelingen worden vervolgens de (specifieke) activiteiten die voor subsidieverlening in aanmerking komen en de voorwaarden waaronder, nader beschreven. Verhouding ASV en Awb Titel 4.2 van de Awb bevat specifieke bepalingen die van toepassing zijn op subsidies. De bepalingen uit de Awb gelden boven en naast de ASV en nadere regelgeving. Sommige bepalingen uit de Awb bieden de mogelijkheid eigen regels te stellen, andere hebben een dwingend karakter. Zo ligt de definitie van een subsidie bijvoorbeeld vast (artikel 4:21 Awb). Kenmerken van een subsidie zijn dat er aanspraak is op financiële middelen, door een bestuursorgaan verstrekt met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager, anders dan als betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde goederen of diensten. Overigens: ook garanties en leningen kunnen onder het subsidiebegrip vallen. Zie CBb 06-10 oktober -2016, (ECLI:NL:CBB:2016:317) en CBb 01-05- mei 2018, (ECLI:NL:CBB:2018:237.) Iedere financiële relatie tussen de gemeente en een burger of instelling die voldoet aan de kenmerken van de definitie, is een subsidie. Ook wanneer die relatie anders wordt genoemd, bijvoorbeeld opdracht of overeenkomst. Met andere woorden: het gaat om de inhoud, niet om “het etiket” dat erop geplakt wordt. Ook bevat de Awb een regeling voor de situaties waarin een subsidie lager vastgesteld, ingetrokken, gewijzigd of beëindigd kan worden. Daarom zijn over deze onderwerpen, geen regels in de Asv opgenomen. De Hoofdstukken De ASV is ingedeeld in een zestal hoofdstukken, waarbij zoveel mogelijk chronologisch het proces van de verstrekking van de subsidie is aangehouden. Hoofdstuk I bevat onder meer de begripsbepalingen, de reikwijdte van de verordening en de staatssteunregels. Verder bevat het de algemene kaders waarbinnen het college, gedelegeerd door de gemeenteraad, subsidies kan verstrekken. Hoofdstuk II bevat de procedurele bepalingen voor het indienen van een aanvraag van een subsidie. Ook de gronden om de subsidie te weigeren zijn in dit hoofdstuk opgenomen. Hoofdstuk III handelt over de subsidieverlening en de verplichtingen die aan de subsidieontvanger (kunnen worden opgelegd. De verplichtingen maken het mogelijk een goed zicht te krijgen en te houden op het verloop van de van gesubsidieerde activiteiten en de (financiële ontwikkelingen. Hoofdstuk IV ziet op de verantwoording en vaststelling van verleende subsidies. Op grond van de Awb, moet iedere subsidie worden vastgesteld. Hoofdstuk V bevat enkele bepalingen over hoe wordt omgegaan met overschotten van verleende subsidies die niet zijn besteed aan de activiteiten waarvoor de subsidie verleend is. Hoofdstuk VI tot slot bevat enkele bepalingen van procedurele aard. Artikelsgewijze toelichting Hoofstuk I Algemene bepalingen Artikel 1. Definities In dit artikel is een aantal definities opgenomen. Deze definities gelden niet alleen voor deze verordening, maar ook voor de hierop te baseren regelingen. Deze definities zullen dus niet nogmaals in de verschillende subsidieregelingen opgenomen hoeven te worden. Ook kan hier niet van worden afgeweken. Artikel 2. Reikwijdte Eerste lid Met het eerste lid krijgt het college de bevoegdheid overgedragen om te besluiten over het verstrekken van subsidies waarop de ASV van toepassing is. Dit betreft in beginsel alle subsidies op de genoemde beleidsterreinen, met uitzondering van subsidies waarvoor bij afzonderlijke verordening een uitputtende regeling is getroffen en subsidies waarvoor overeenkomstig artikel 4:23, derde lid, van de Awb geen wettelijke grondslag nodig is. De in dit lid genoemde beleidsterreinen zijn dezelfde zoals opgenomen in de gemeentelijke begroting. Tweede lid Ten aanzien van subsidies waarvoor overeenkomstig artikel 4:23, derde lid, van de Awb geen wettelijk voorschrift nodig is, (zoals bijvoorbeeld incidentele subsidies) is de ASV in beginsel niet van toepassing. Dit lid geeft het college de bevoegdheid om de ASV (deels) van toepassing te verklaren als daartoe aanleiding bestaat. Artikel 3. Bevoegdheid college Eerste lid Het college besluit binnen de daarvoor door de raad vastgestelde kaders, zoals neergelegd in de gemeentebegroting en deze verordening.. Met besluiten over het verstrekken van subsidies wordt naast het verlenen van subsidies, de bevoegdheid te besluiten over het gehele subsidieproces bedoeld, dus ook het bevoorschotten, (lager vaststellen, terugvorderen en dergelijke. Verder is bepaald dat het college hierbij de gemeentebegroting of (eventuele) subsidieplafonds in acht neemt. Tweede lid Hierin is bepaald dat het college naast deze verordening nog nadere regels mag opstellen. Hier is ook gebruik van gemaakt door vaststelling van de diverse subsidieregelingen voor subsidieverstrekkingen. In andere artikelen van de ASV worden andere bevoegdheden gedelegeerd die betrekking hebben op de inhoud van de subsidieregeling: het afwijken van termijnen, het verbinden van bepaalde verplichtingen aan de subsidie en de wijze van verdelen van het subsidieplafond. Derde lid Hier is de bevoegdheid van het college geregeld om voorwaarden aan de subsidie te verbinden. Zie hiertoe ook artikel 4:33 Awb en voor het verschil met verplichtingen, artikel 4:37 Awb. N.B. Ook de bevoegdheid om aan een subsidiebeschikking een uitvoeringsovereenkomst op grond van artikel 4:36 Awb te verbinden, berust bij het college. Artikel 4. Staatssteunregels Eerste lid Om subsidies onder een Europees steunkader te brengen moet de subsidie op het toepasselijke steunkader worden toegesneden. Daarbij kan het nodig zijn dat er bij subsidieregeling afgeweken wordt van de ASV, of dat deze aangevuld wordt. Het eerste lid maakt het college daartoe bevoegd. Tweede en derde lid Deze leden zijn een uitvloeisel van de eis van de Europese Commissie dat in subsidieregelingen en beschikkingen die gebruik maken van het Europees steunkader, het toepasselijke kader expliciet wordt vermeld. Vierde lid Als sprake is van steun die valt onder een Europees steunkader, kunnen uiteraard alleen de activiteiten, doelstellingen, resultaten en kosten voor subsidie in aanmerking komen voor zover die voldoen aan de eisen en voorwaarden van het betreffende steunkader. Vijfde lid Het spreekt vanzelf dat bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is, ondernemingen alleen in aanmerking komen als de subsidieverstrekking voldoet aan de voorwaarden van het desbetreffende steunkader. Artikel 5. Subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud Eerste lid De gemeenteraad kan jaarlijks bij de vaststelling van de begroting subsidieplafonds vaststellen. Bij de bekendmaking daarvan wordt tevens de wijze van verdelen vermeld (zie ook artikel 4:26, tweede lid, van de Awb). De wijze van verdelen kan ook worden bekendgemaakt door te verwijzen naar de subsidieregeling waarin dit is vastgelegd. In dat laatste geval zal verwezen moeten worden naar een reeds geldende subsidieregeling. In andere gevallen zal geregeld (moeten) zijn dat óf de subsidieregeling en het subsidieplafond gelijktijdig in werking treden óf dat de subsidieregeling weliswaar voor het vaststellen van het subsidieplafond in werking treedt, maar dat aanvragen pas ná het vaststellen van het subsidieplafond kunnen worden ingediend. Als dit niet (juist) is geregeld, kan het subsidieplafond niet worden tegengeworpen aan aanvragers die hun aanvraag in hebben gediend voor bekendmaking (artikel 4:27 lid 2 Awb). Daarnaast wordt er, indien van toepassing, gewezen op de mogelijkheid het subsidieplafond te verlagen (derde en vierde lid, zie verder hieronder). Tweede lid Voor zover de gemeenteraad geen subsidieplafond heeft vastgesteld, kan het college dit ook doen. Het is binnen de financiële kaders van de gemeentelijke begroting, dat het college aanvullende subsidieplafonds kan vaststellen. Derde en vierde lid De verlaging van een subsidieplafond heeft in beginsel geen gevolgen voor aanvragen die vóór bekendmaking van de verlaging zijn ingediend (artikel 4:27 lid 2 Awb). Dat is anders als aan de drie voorwaarden genoemd in artikel 4:28 Awb is voldaan: aanvragen voor de desbetreffende subsidie moeten worden ingediend, voordat de begroting is vastgesteld of goedgekeurd; de verlaging vloeit voort uit vaststelling van de begroting; en de mogelijkheid van verlaging is aangekondigd bij de vaststelling van het oorspronkelijke subsidieplafond. Om te waarborgen dat het college alleen overgaat tot verlaging van subsidieplafonds als die verlaging ook daadwerkelijk kan worden gebruikt, zijn het tweede en het derde lid opgenomen. Het komt erop neer dat een subsidieplafond alleen kan worden verlaagd als het oorspronkelijke subsidieplafond is vastgesteld, voordat de begroting voor het betrokken jaar is vastgesteld én de aanvragen voor de vaststelling van de begroting moeten zijn ingediend én er bovendien op de mogelijke verlaging wordt gewezen bij bekendmaking van het plafond. Vijfde lid Het college, dat via artikel 2 de bevoegdheid gedelegeerd heeft gekregen om te besluiten over het verstrekken van subsidies, is verder verplicht – in lijn met de mogelijkheid van artikel 4:34, eerste lid, van de Awb – (in bepaalde gevallen) om bij het gebruik maken van deze gedelegeerde bevoegdheid een begrotingsvoorbehoud te maken. Hoofdstuk II De Aanvraag Artikel 6. Aanvraag Eerste lid In het eerste lid is bepaald dat een aanvraag voor subsidie schriftelijk dient te worden gedaan. Als hiervoor een aanvraagformulier is vastgesteld, moet de aanvraag met gebruikmaking van dat formulier gedaan worden. Een aanvraag kan ook digitaal worden gedaan, als de digitale weg openstaat. Tweede en derde lid In het tweede en derde lid is bepaald welke gegevens bij de aanvraag in elk geval overlegd dienen te worden. Uiteraard mogen van de aanvrager alleen die gegevens verlangd worden die noodzakelijk zijn voor het beoordelen van de aanvraag; dit volgt uit de Algemene verordening gegevensbescherming (hierna: AVG). Bij een subsidie aan een onderneming moet voorkomen worden dat subsidie wordt verleend die niet in overeenstemming is met de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU). Daarom zijn, in het tweede lid onder d, een tweetal aanvraagvereisten opgenomen die specifiek voor ondernemingen gelden. Ten eerste, om ontoelaatbare cumulatie te voorkomen wordt een overzicht gevraagd van subsidies, vergoedingen of tegemoetkomingen in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd die al zijn of zullen worden ontvangen voor de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd Een subsidie kan namelijk ook uit een garantie, lening, korting op de grondprijs, etc. bestaan. Ten tweede, om subsidie onder een de-minimisverordening te kunnen verlenen moet de onderneming om een de-minimisverklaring gevraagd worden. Op basis van een ingeleverde de-minimisverklaring dient het college te controleren of verlenen van de subsidie in overeenstemming is met de de-minimisverordening. Een de-minimisverklaring kan worden opgevraagd middels de volgende webapplicatie op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (www.rvo.nl): https://webapplicaties.agro.nl/formule1/formulier/DR/scVerklMinimissteun.aspx/fIntroVerklMinimissteun. Vierde lid Bij subsidieregeling kan het college besluiten hiervan af te wijken, bijvoorbeeld door voor aanvragen om bepaalde subsidies meer of andere gegevens en informatie te verlangen. Artikel 7. Aanvraagtermijn Eerste en tweede lid De aanvraagtermijnen zijn afhankelijk van het soort subsidie. Er wordt onderscheid gemaakt tussen subsidies die per kalenderjaar worden verstrekt en andersoortige subsidies. In beginsel moeten de aanvragen voor subsidie tijdig, in ieder geval ruim voordat met de activiteit wordt begonnen, zijn ingediend. Derde lid Bij subsidieregeling kan het college besluiten af te wijken van de aanvraagtermijnen die vastgesteld zijn in het eerste en tweede lid. Vierde lid. Het proces zoals vastgelegd in de ASV is er op gericht een efficiënte behandeling van aanvragen te bewerkstelligen. Daarvoor is nodig dat aanvragers zich houden aan de gestelde termijnen. Zo niet, dan kan de aanvraag worden geweigerd. Als een aanvraag te laat is ingediend, zal altijd beoordeeld moeten worden of dit aan de aanvrager te verwijten is en of het redelijk is de subsidie op deze grond te weigeren. Artikel 8. Beslistermijn Eerste en tweede lid Hier worden de termijnen gegeven waarbinnen het college gehouden is te beslissen op een aanvraag voor subsidie. Ook hierbij is onderscheid gemaakt tussen subsidies per kalenderjaar en andersoortige subsidies. In de Awb staan geen strikte beslistermijnen op een aanvraag om subsidie. Uitgangspunt is dat op aanvragen voor subsidie per kalenderjaar uiterlijk op 31 december van het lopende jaar wordt beslist. Voor andere aanvragen geldt een termijn van 12 weken. Dit geldt overigens voor aanvragen waarbij alle gevraagde gegevens zijn ingediend. In principe worden aanvragen zo servicegericht, dus zo snel mogelijk, afgehandeld voordat met de te subsidiëren activiteiten wordt begonnen. Vierde lid Bij subsidieregeling kan het college besluiten af te wijken van de beslistermijnen die vastgesteld zijn in het eerste en tweede lid. Vijfde lid De beslistermijn bij aanvragen om een subsidie die bij de Europese Commissie aangemeld worden, wordt verdaagd totdat de Europese Commissie een eindbeslissing heeft genomen. Dit om te voorkomen dat subsidie wordt verleend die niet in overeenstemming is met de artikelen 107 en 108 van het VWEU en vervolgens teruggevorderd dient te worden. Artikel 9. Weigeringsgronden Eerste lid In het eerste lid worden de algemeen geldende weigeringsgronden van artikelen 4:25, tweede lid, en 4:35 van de Awb, met nadere verplichte gronden aangevuld. Ondanks dat er sprake is van staatssteun, is het soms mogelijk om steun te verstrekken op basis van een vrijstellingsverordening, waardoor het college kan volstaan met een lichte kennisgevingsprocedure. Als dat niet mogelijk is, kan goedkeuring van de Europese Commissie gevraagd worden via een formele aanmelding. Als de Europese Commissie de steun echter niet goedkeurt, dan moet het college overgaan tot weigering (vandaar de verplichte weigeringsgrond onder a). Bepaalde Europese steunkaders verbieden – als er een bevel tot terugvordering uitstaat – alleen het verlenen van staatssteun onder de betreffende verordening; niet het verlenen van subsidies in het algemeen. Door de in het eerste lid, onder b, gekozen formulering van de weigeringsgrond in combinatie met het verplichtende karakter komt het in de ASV echter neer op een – op zichzelf verdedigbare – verbreding van de weigeringsgrond tot het verlenen van subsidies in het algemeen (als er een bevel tot terugvordering uitstaat). Tweede lid In het tweede lid is een absolute weigeringsgrond opgenomen voor die gevallen dat overgaan tot subsidieverstrekking strijdigheid op zou leveren met een Europees steunkader omdat er dan subsidie verstrekt zou worden aan een aanvrager die een onderneming drijft die in moeilijkheden verkeert als bedoeld in het toepasselijke steunkader of omdat de betreffende subsidie geen stimulerend effect heeft als bedoeld in het toepasselijke steunkader. Een onderneming wordt naar oordeel van de Europese Commissie beschouwd als een onderneming in moeilijkheden wanneer zij, zonder overheidsingrijpen, op korte of middellange termijn vrijwel zeker gedoemd is te verdwijnen. Meer informatie over dit begrip is te vinden in paragraaf 2.2 van de Richtsnoeren van de Europese Commissie voor reddings- en herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden (2014/C 249/01). Dat er moet sprake zijn van een stimulerend effect houdt in beginsel in dat de begunstigde aanvrager door de steun in staat wordt gesteld activiteiten of projecten uit te voeren die zij anders – zonder de steun – niet had uitgevoerd. Ook houdt het in beginsel in dat de steun niet mag worden verleend voordat de activiteit wordt gestart. Derde lid Hierin zijn nog enkele facultatieve weigeringsgronden opgenomen. Het college kan in deze gevallen weigeren, maar is daartoe niet verplicht. Deze gelden in aanvulling op artikel 6 van de Wet bevordering integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: Wet Bibob). Een reeds verleende of vastgestelde subsidie kan ook worden ingetrokken in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob. Dit volgt rechtstreeks uit artikel 6 Wet Bibob. Onderdelen a, f, en g spreken voor zichzelf. Onderdeel b geeft het college de mogelijkheid de subsidie te weigeren, indien het college al enkele gelijksoortige activiteiten heeft gesubsidieerd of wanneer vanuit de samenleving al gelijksoortige initiatieven zijn ontplooid. Deze weigeringsgrond biedt het college de mogelijkheid om de subsidiemiddelen daar in te zetten waar deze naar het oordeel van het college het meest gewenst zijn. Onderdeel c geeft de mogelijkheid de subsidie te weigeren als de aanvrager over voldoende eigen middelen beschikt of deze middelen eenvoudig van derden kan betrekken. De aanvrager kan in een dergelijk geval zelf in de kosten voorzien, zodat een bijdrage vanuit de overheid hier niet gewenst is. Bij de beoordeling of sprake is van voldoende eigen middelen wordt onder andere gekeken naar eigen vermogen van de aanvrager, waaronder begrepen een gevormde algemene reserve. Wanneer sprake is van een bestemmingsreserve, zoals bedoeld in artikel 17 en 18, wordt deze door het college voor de beoordeling of de aanvrager over voldoende eigen middelen beschikt, buiten beschouwing gelaten. Onderdeel d geeft de mogelijkheid de subsidie te weigeren als niet is aangetoond dat de subsidie noodzakelijk is voor het verrichten van de activiteiten waarvoor deze wordt gevraagd. Dit kan bijvoorbeeld gaan om gevallen waarin de activiteiten ook zonder de subsidie doorgang zullen vinden of wanneer uit de bij de aanvraag overlegde begroting (artikel 6 lid 2 onder
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.