Uitvoerings – en handhavingsstrategie gemeente Olst-Wijhe De uitvoerings – en handhavingsstrategie gemeente Olst-Wijhe vast te stellen. Begrippenlijst Awb Algemene wet bestuursrecht APV Algemene Plaatselijke Verordening Smallingerland. In de APV staan regels van de gemeente Smallingerland over onder andere de openbare orde en veiligheid, evenementen, vergunningen voor aanpassing van (inritten
- op)de openbare weg, kapvergunningen en dergelijke. [Dit onderdeel bevat een kennelijke verschrijving, hier wordt bedoeld: Algemene Plaatselijke Verordening Olst-Wijhe. In de APV staan regels van de gemeente Olst-Wijhe over onder andere de openbare orde en veiligheid, evenementen, vergunningen voor aanpassing van (inritten
- op)de openbare weg, kapvergunningen en dergelijke. ] Bal Besluit activiteiten leefomgeving. In het Bal stelt het Rijk algemene regels voor activiteiten in de fysieke leefomgeving. Bbl Besluit bouwwerken leefomgeving. In het Bbl staan regels over veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid van bouwwerken. BLO Bijzondere lokale omstandigheden Bkl Besluit kwaliteit leefomgeving Boa Buitengewoon opsporingsambtenaar BOPA Buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Als toestemming wordt gevraagd voor een activiteit die in strijd is met het omgevingsplan, is er sprake van een BOPA. Gevolgklasse 1 In gevolgklasse 1 vallen bouwwerken met beperkte persoonlijke gevolgen als er iets misgaat, zoals woningen en eenvoudige bedrijfsgebouwen. Nieuwbouw in gevolgklasse 1 valt onder de Wkb. Gevolgklassen 2 en 3 In de gevolgklassen 2 en 3 vallen bouwwerken met reële tot aanzienlijke persoonlijke gevolgen als er iets misgaat, zoals openbare gebouwen en hoogbouw. De gevolgklassen 2 en 3 komen mogelijk in de toekomst te vallen onder de Wkb. Kwaliteitscriteria 3.0 In landelijke samenwerking tussen bevoegde gezagen beschikbaar gestelde kwaliteitscriteria voor vergunningverlening, toezicht en handhaving LOB Last onder bestuursdwang LOD Last onder dwangsom LHSO Landelijke handhavingsstrategie omgevingsrecht. De LHSO bevat landelijke richtlijnen voor handhaving waarop overheden hun eigen handhaving baseren en uitvoeren. IBT Interbestuurlijk Toezicht Ob Omgevingsbesluit OD Omgevingsdienst IJsselland OM Openbaar Ministerie Ow Omgevingswet Thuistaken Taken onder de Omgevingswet die de gemeente Olst - Wijhe in eigen beheer uitvoert. VTH Vergunning, Toezicht en Handhaving Wabo Wet algemene bepaling omgevingsrecht Wkb Wet kwaliteitsborging voor het bouwen. Deze verplaatst de toetsing aan de bouwtechnische eisen van een bouwwerk (nieuwbouw gevolgklasse 1) naar een onafhankelijke partij, de zogenoemde kwaliteitsborger. De planning van de wetgever is dat vanaf juli 2025 ook verbouwingen van de bestaande bouw onder de Wkb vallen. Bestuurssamenvatting Met deze uitvoerings – handhavingsstrategie voor Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving (VTH) geeft de gemeente Olst-Wijhe richting aan de uitvoering van haar wettelijke taken en ambities voor de periode 2026 - 2029. Het plan vormt niet alleen een verplichte basis, maar ook een bewuste keuze om de kwaliteit van onze fysieke leefomgeving te waarborgen en te versterken.\ In onze gemeente streven we naar een veilige, duurzame en leefbare omgeving. Dat vraagt om duidelijke regels én om een zorgvuldige uitvoering van vergunningverlening, toezicht en handhaving. In de praktijk zien we dat regels niet altijd worden nageleefd – soms bewust, soms onbewust. Dit kan leiden tot risico’s voor veiligheid, gezondheid en milieu. Daarom is het noodzakelijk dat wij plannen toetsen, toezicht houden en handhaven waar nodig. Bij de uitvoering van deze taken staat de menselijke maat centraal. Wij handelen niet uitsluitend naar de letter van de wet, maar ook naar de geest ervan. Dit betekent dat we in gesprek gaan, maatwerk leveren en streven naar oplossingen die recht doen aan zowel de belangen van de samenleving als die van individuele inwoners en ondernemers. De VTH-ambitie in een notendop Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving (VTH) vormt een dynamische keten die voortdurend in beweging is. Om richting te geven aan deze ontwikkeling is het van belang duidelijke doelstellingen te formuleren. Deze doelstellingen helpen de organisatie bij het maken van keuzes en het stellen van prioriteiten. De ambities van de gemeente Olst-Wijhe zijn vertaald in zes sporen die houvast bieden voor zowel de uitvoerings- en handhavingsstrategie als het jaarlijkse VTH-uitvoeringsprogramma. Deze sporen vormen de basis voor een consistente en doelgerichte aanpak binnen het brede VTH-taakveld. De inzet op veiligheid krijgt prioriteit, op basis van risicosturing; Meer aandacht voor thema’s als duurzaamheid, gezondheid en groene inpassingen Samenlevingssturing op signaalbasis en met een jaarlijkse thematische focus; Inzet op communicatie voor bewustwording en preventie; Het inzetten op preventie, via het sectorale beleid; Het herschikken van taken en inzetten op procesoptimalisatie. Van ambitie naar uitvoering Het behandelen van vergunningaanvragen, het houden van toezicht en het uitvoeren van de handhavingstaken, het lijkt allemaal zo gewoon en vanzelfsprekend. Toch vraagt dit steeds weer de nodige inzet en aandacht waarbij ook prioriteiten moeten worden gesteld. Het toepassen van wet- en regelgeving en hoe dit in de gemeente Olst- Wijhe wordt aangepakt is opgenomen in deze uitvoerings – en handhavingsstrategie. Doel uitvoerings- en handhavingsstrategie Met het vaststellen van het voorliggende UHS wordt invulling gegeven aan de wettelijke taak die de gemeente Olst- Wijhe heeft. Het voorliggende beleid is uitvoeringsgericht. Het behandelt vooral de vraag “HOE” de gemeente Olst- Wijhe invulling geeft aan haar taken, een handelingsperspectief voor alle betrokkenen. Scope uitvoerings- en handhavingsstrategie De uitvoerings - en handhavingsstrategie heeft betrekking op de VTH- thuistaken, zoals bouwen, afwijking van het omgevingsplan, brandveiligheid, monumenten, evenementen en het vellen van houtopstanden (kappen) en toezicht op de openbare ruimte. De milieutaken zijn belegd bij de Omgevingsdienst IJsselland, hiervoor is in 2024 uniform uitvoeringsbeleid vastgesteld. De uitvoerings - en handhavingsstrategie is faciliterend aan het sectorale beleid, het is geen doel op zich. Bij een actualisatie van sectoraal beleid is er, waar mogelijk en nodig, aandacht voor het UHS. Context De context waarbinnen de uitvoerings - en handhavingsstrategie is geplaatst is zeer divers. In dit kader heeft de gemeente Olst- Wijhe te maken met het eerdergenoemde sectorale beleid zoals beleid op het gebied van veiligheid, ondermijning, gezondheid, duurzaamheid en leefbaarheid. Daarnaast wordt er samengewerkt met vele externe partijen, denk hierbij aan de provincie, het waterschap, de veiligheidsregio en de GGD. De relevante wet- en regelgeving biedt het juridisch kader waarbinnen opgaven een plek moeten krijgen, waarbij dit uitvoerings – en handhavingsstrategie ook onder de Omgevingswet kan fungeren. Op lokaal niveau is een gebiedsanalyse gemaakt met daaraan gekoppeld een risicoanalyse. Dat geeft het inzicht waar de hoogste risico’s liggen en de grootste inzet op moet plaatsvinden. Strategieën Het bovenstaande leidt tot de behoefte om te beschikken over een handleiding en protocollen voor het daadwerkelijk handelen. Dat is vertaald in strategieën, die aansluiten bij de strategieën die de Omgevingsdienst IJsselland hanteert en op landelijk niveau worden toegepast. In eerste instantie kan hierbij de preventiestrategie worden genoemd. Verder wordt bij de uitvoering van de VTH-taken gebruik gemaakt van strategieën op het gebied van vergunningverlening, toezicht, sancties en gedogen. Onze manier van werken De gemeente Olst- Wijhe vindt het belangrijk dat ieder zijn rol kent, zoals onder andere de aanvrager, de vergunningverlening, toezichthouder, juridisch medewerkers, adviseurs etc. Zo kunnen wij samen de verantwoordelijkheid nemen voor dit taakveld. Een goede communicatie is hiervoor van belang, dit komt terug in spoor 4. Het klantgericht handelen behouden wij, waar mogelijk denken wij mee en streven wij naar korte doorlooptijden. Als gewaardeerd partner hanteren wij onze kernwaarden; betrouwbaar, verbindend, oplossingsgericht en slim. Hierbij hanteren wij een integrale aanpak, ook “Nee” kan een antwoord zijn. De UHS is toekomstbestendig met de nodige wendbaarheid en flexibiliteit om tijdig te kunnen inspelen op actuele ontwikkelingen in een dynamische samenleving. Dit wordt gedaan door doelstellingen te gebruiken en deze te monitoren. Tot slot Met de uitvoerings - en handhavingsstrategie ligt er een handelingsperspectief voor de uitvoering van de VTH-thuistaken. Op basis hiervan wordt jaarlijks een uitvoeringsprogramma opgesteld en ter vaststelling aangeboden aan het college. Hiermee wordt zichtbaar waar de inzet daadwerkelijk plaatsvindt. De verantwoording op basis van onze structurele monitoring van de uitvoering van de VTH-taken, vindt achteraf plaats in het VTH-jaarverslag. 1.Inleiding Om te komen tot doorontwikkeling en herijking van het bestaande VTH- beleid, in dit uitvoerings- handhavingsstrategie zet de gemeente Olst - Wijhe meerdere stappen. Dit wordt vastgelegd in drie documenten die onderling samenhangen en elk op hun eigen abstractieniveau relevant zijn. In dit document legt de gemeente Olst - Wijhe het uitvoerings- en handhavingsstrategie (hierna: UHS) vast. Deze wettelijke verplichte strategie is geënt op het VTH- ambitiedocument en wordt jaarlijks uitgewerkt in het VTH-uitvoeringsprogramma. Voor u ligt het beleid voor de uitvoering van VTH- thuistaken onder het omgevingswet en daarnaast ook de taken die voortvloeien uit bijzondere wetten, zoals de drank- en horecawet en de Algemene Plaatselijke Verordening. Dit samen wordt de UHS genoemd. In dit hoofdstuk staan de aanleiding en het doel de strategie. Om ook in de toekomst te kunnen blijven ontwikkelen, biedt het inzicht welk instrumentarium hiervoor wordt ingezet. De UHS richt zich op de uitvoering van de VTH-taken zoals die zijn vastgelegd in de Omgevingswet. In de Omgevingsvisie ‘Omgevingsvisie Olst Wijhe 2050’ heeft de gemeenteraad vier algemene principes benoemd: Een gezonde en veilige leefomgeving, nu en op de lange termijn en in alle gebieden Gebiedskenmerken centraal voor nieuwe ontwikkelingen Meervoudig ruimtegebruik: niet alles kan overal Water en bodem als basis voor ruimtelijke ontwikkelingen Deze inhoudelijke principes zijn medebepalend voor het invullen van de UHS. Een belangrijke bouwsteen voor het UHS is de risicoanalyse. Deze analyse maakt het mogelijk om transparante prioriteiten te stellen voor de uit te voeren VTH-taken. Hoeveel aandacht wordt gegeven bij het uitoefenen van de risicotaak en waar gaat onze tijd naar toe? Bij het maken van de keuzes gaan we risico gestuurd te werk met behulp van de risicoanalyse en de diverse uitvoeringsstrategieën. 1.1Aanleiding Op grond van artikel 13.5 van het Omgevingsbesluit (hierna Ob) is het aan de bevoegde gezagen om: ‘De bestuursorganen die zijn belast met de uitvoerings- en handhavingstaak stellen een uitvoerings- en handhavingsstrategie vast in een of meer documenten waarin gemotiveerd wordt aangegeven welke doelen worden gesteld voor de uitvoering en handhaving en welke werkzaamheden met het oog op die doelen zullen worden verricht’. ‘De bestuursorganen die deelnemen in een omgevingsdienst stellen gezamenlijk een uniforme uitvoerings- en handhavingsstrategie vast voor de werkzaamheden, bedoeld inartikel 13.12, eerste lid’. Concreet betekent dit dat eenieder een UHS voor de VTH- thuistaken opstelt. Voor de basistaken (milieu) voor de Omgevingsdienst IJsselland is een uniform regionaal VTH-beleid op te stellen. 1.2Doelen van de plannen Er bestaat een nauwe samenhang tussen uitvoerings- en handhavingsstrategie, het VTH-uitvoeringsprogramma en het VTH- jaarverslag. Hieronder in het kort de doelen die voor deze nota van belang zijn. Uitvoerings- en handhavingsstrategie Het UHS is een op uitvoering gericht beleid dat wordt doorontwikkeld. Het doel hierbij is om in de praktijk van iedere dag de beleidsdoelen daadwerkelijk tot uitvoering te brengen. Het UHS behandelt de vraag ‘hoe’ de gemeente Olst- Wijhe invulling geeft aan haar taken en biedt daarbij een handelingsperspectief en protocollen voor alle betrokkenen. VTH-uitvoeringsprogramma Zowel de milieutaken (regionaal uniform) als de overige VTH-taken (de thuistaken) worden uitgewerkt in het VTH-uitvoeringsprogramma. Dit programma wordt jaarlijks door het college vastgesteld. VTH- jaarverslag De verantwoording vindt plaats door middel van een VTH-jaarverslag, waarbij wordt gerapporteerd over de geplande en uitgevoerde activiteiten van het VTH-uitvoeringsprogramma. Ontwikkelingsgerichte aanpak Het ‘blijven ontwikkelen’ wordt voor een belangrijk deel gevoed vanuit de beleidscyclus (Big-8 of Big Eight). Om een effectieve en lerende organisatie te zijn, is het noodzakelijk regelmatig de gang van zaken tegen het licht te houden. Op deze wijze is het mogelijk te zien of beleid en uitvoering doelmatig en doeltreffend zijn. De beleidscyclus geeft de relatie tussen het maken van beleid en het evalueren ervan in de loop van de tijd weer. De Big-8 cyclus, opgenomen in figuur 1, maakt het proces van beleid maken, programmeren, uitvoeren en evalueren inzichtelijk en ook de verbinding tussen beleid en uitvoering. In deze paragraaf wordt op enkele van deze punten verder ingegaan. Figuur 1 Big-8 cyclus Monitoring Monitoring is het stelselmatig verzamelen, bewerken en verstrekken van gegevens. Hiermee wordt nagegaan of en in hoeverre het gevoerde beleid effect heeft gehad. Ook wordt hiermee gecontroleerd of de gestelde doelen en taakstellingen zijn of worden gehaald. Om verantwoording te kunnen afleggen over de inspanningen en resultaten zijn verschillende gegevens nodig. Deze gegevens dienen opvraagbaar te zijn vanuit de beschikbare digitale systemen. De gegevens worden gebruikt voor de jaarlijkse evaluatie van de uitvoerings - en handhavingsstrategie en VTH-uitvoeringsprogramma. In bijlage 6 zijn de doelstellingen met indicatoren opgenomen waarop ook wordt gemonitord. Evaluatie en verslaglegging Een goede verantwoording en verslaglegging is belangrijk. Dit maakt het niet alleen mogelijk om de efficiëntie en effectiviteit van het gevoerde beleid te beoordelen, maar hierdoor is ook het beoordelen van de periodieke bijsturing mogelijk. De beleidscyclus van Big-8 geeft aan dat jaarlijks een verantwoording van het al of niet behalen van de beleidsdoelstellingen wordt gemaakt en een evaluatie van het beleid. Deze verantwoording vindt plaats door middel van een jaarverslag VTH. Het beleid legt het minimale uit te voeren niveau vast, zoals vastgelegd in wet- en regelgeving en de Kwaliteitscriteria 3.0. 1.3Scope van het plan Dit VTH-uitvoeringsbeleid heeft betrekking op het fysiek-ruimtelijk domein. Hieronder vallen verschillende taken zoals onder andere: de uitvoering van vergunningverlening; toezicht en handhaving van de VTH- thuistaken; bouwen; het afwijken van het omgevinsplan; monumentvergunningen; brandveilig gebruik van panden. Daarnaast heeft het beleid betrekking op meerdere taken die onder de APV vallen, zoals het vellen van houtopstanden (kappen), in- en uitritten, reclame, evenementen en het toezicht op het openbaar gebied. Dit beleidsplan vormt samen met het in 2024 vastgestelde regionaal uniform beleid voor de uitvoering van vergunningverlening, toezicht en handhaving Milieutaken van Omgevingsdienst IJsselland het uitvoerings- en handhavingsbeleid als bedoeld onder de Omgevingswet. 2.Bouwstenen van de uitvoerings - en handhavingsstrategie 2.1Bouwstenen In dit hoofdstuk leest u de belangrijkste bouwstenen van de uitvoerings - en handhavingsstrategie. Het gaat in op het gemeentelijk beleid en de wettelijke bepalingen waaraan moet worden voldaan. 2.1.1Missie De gemeente Olst- Wijhe heeft als missie ‘een veilige, gezonde, aantrekkelijke en duurzame leefomgeving’ voor haar inwoners en ondernemers. De missie is vertaald in onderstaande zes sporen, waarbij de inzet primair is gericht op het borgen van de veiligheid binnen dit brede taakveld. De inzet op veiligheid krijgt prioriteit, op basis van risicosturing Meer aandacht voor thema's als duurzaamheid, gezondheid en groene inpassingen. Samenlevingssturing op signaalbasis en met een jaarlijkse thematische focus Inzet op communicatie voor bewustwording en preventie Het inzetten op preventie, via het sectorale beleid Het herschikken van taken en inzetten op procesoptimalisatie 2.1.2Samenhang VTH- thuistaken met sectoraal beleid De uitvoering van VTH-taken is faciliterend aan het sectorale beleid en staat niet op zichzelf. Zonder de uitvoering van de VTH-taken komt het sectorale beleid niet tot uiting. De realisatie van een woonvisie kan niet plaatsvinden, zonder dat er een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen wordt afgegeven. Waar in het inhoudelijke beleid de inhoudelijke doelen worden beschreven leggen we in dit uitvoeringsbeleid vast hoe we tot vergunningverlening, toezicht en handhaving komen en welke afwegingen we daarbij maken. Daarbij moeten we keuzes maken, waarbij het VTH- ambitiedocument medebepalend is voor de prioriteit van de inzet. Hiervoor is het van belang dat in het sectorale beleid voldoende aandacht is geweest voor de praktische uitvoering van de VTH-taken. De uitkomst van de wisselwerking tussen het sectorale beleid en de uitvoering van de daarbij behorende VTH-taken vindt zijn weerslag in het jaarlijkse uitvoeringsprogramma VTH. 2.1.3Definiëring beleidstermen VTH Ter definiëring van dit beleid wordt gebruik gemaakt van de termen vergunningen, toezicht en handhaving. In dat kader worden deze begrippen als volgt gedefinieerd: Vergunningverlening In het omgevingsrecht wordt onder vergunningverlening verstaan het beoordelen en toetsen van aanvragen aan geldende wet- en regelgeving. Uiteindelijk moet dit resulteren in een kwalitatief goed besluit, eventueel onder voorwaarden en met voorschriften, binnen de hiervoor geldende proceduretijd. Belangrijk is dat het vaak gaat om het toetsen aan landelijke wetgeving. Dat wil zeggen dat afwijken lang niet altijd mogelijk is. Toezicht Onder toezicht verstaat men het uitvoeren van controles. Ook het verzamelen van informatie naar aanleiding van een klacht of melding hoort hierbij, om vervolgens te beoordelen of dit voldoet aan de gestelde eisen in de wet- en/of regelgeving. Het resultaat van toezicht kan zijn dat voorschriften, zonder inzet van verdere handhavingsmiddelen, worden nageleefd. Toezicht omvat een breed scala aan activiteiten, vaak ook in een meedenkende en adviserende rol. Op deze wijze kan al in een vroeg stadium worden voorkomen dat een strijdige situatie ontstaat. Door middel van aansporing, overreding of een waarschuwing kan worden bereikt dat de voorschriften alsnog worden nageleefd. Als het gewenste effect alsnog niet wordt bereikt, gaan we over tot handhaving. Handhaving Bij handhaving wordt vaak gebruik gemaakt van de bestuursrechtelijke middelen die de gemeente, op grond van artikel 125 van de Gemeentewet, tot haar beschikking heeft om de overtreding ongedaan te (laten) maken. De handhavingsmiddelen zijn het opleggen van een last onder dwangsom, het toepassen van bestuursdwang, het geheel of gedeeltelijk intrekken van een vergunning of ontheffing en, waar dit mogelijk is, het opleggen van een bestuurlijke boete. Niet altijd komt het in een handhavingstraject zover, omdat vaak na bijvoorbeeld een waarschuwing de strijdige situatie al wordt opgeheven. Bestuursrechtelijke handhaving is, met uitzondering van de bestuurlijke boete, niet gericht op het straffen van de overtreder, maar op het herstellen van de strijdige situatie. Waar nodig kan met samenwerkingspartners besloten worden om, naast bestuursrechtelijk ook strafrechtelijk op te treden. 2.2Kwaliteitsmanagement Het uitvoeren van de VTH-taken moet aan bepaalde eisen voldoen. Hiervoor komt de Verordening kwaliteit VTH in beeld. In deze paragraaf wordt ook ingegaan op de kwaliteitszorg en kwaliteitsborging. 2.2.1Verordening kwaliteit VTH Vergunningverlening, toezicht en handhaving draait allen om het beheersen van risico's voor de samenleving. De inwoners moeten erop kunnen vertrouwen dat de gemeente de belangrijkste risico's goed onder controle heeft. Om dit vertrouwen waar te maken is het belangrijk dat de gemeente op een adequaat niveau de kwaliteit van de vergunningverlening, het toezicht en de handhaving kan garanderen. Een belangrijk deel van de besluitvorming is de kwaliteit van de uitvoering. Dit overleg moet decentraal worden gehouden met alle desbetreffende bevoegde gezagen. Leidend hierin is de afspraak met het kabinet dat een landelijk kwaliteitsniveau moet worden gerealiseerd en behouden. Op basis hiervan heeft het Interbestuurlijk Programma versterking Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving, onderdeel van de VNG, de Kwaliteitscriteria 3.0 in een verordening opgesteld. In de verordening is een verplichting opgenomen tot het opstellen van doelen voor uitvoeringskwaliteit, dienstverlening en financiën. Deze drie doelen zijn ook opgenomen in de Verordening kwaliteit VTH zoals deze in november 2016 door de gemeenteraad van Olst- Wijhe is vastgesteld. Uitvoeringskwaliteit De mate waarin een product voldoet aan de juridische en organisatorische doelen (zoals geformuleerd in de relevante wet- en regelgeving en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur) en bijdraagt aan de omgevingsdoelen. Met andere woorden de inhoudelijke kwaliteit. Dienstverlening De manier waarop (in communicatie, snelheid, service) de organisatie met belanghebbenden (aanvragers, omgeving en klagers, etc.) omgaat. Financiën De inzet van middelen in relatie tot de kwaliteit van de geleverde diensten/producten. Bij de uitvoering van VTH-taken hanteert de gemeente de landelijke kwaliteitscriteria 3.0. In bijlage 6 zijn bovenstaande doelen verder uitgewerkt. Per beleidsdoel zijn indicatoren opgesteld waarmee kan worden bepaald of aan de gestelde doelen kan worden voldaan. Ook zijn er, als het mogelijk is, streefwaarden opgenomen per beleidsdoel. 2.2.2Kwaliteitszorg en kwaliteitsborging op basis van de Omgevingswet Kwaliteitszorg gaat over het doorlopen van een regelmatig terugkerend (werk)proces. Het uitgangspunt hierbij is ‘goed zijn, is beter willen worden’. Deze woorden geven de intentie van het proces krachtig weer. Aan de uitvoering van werkzaamheden met betrekking tot vergunningen, meldingen, ontheffingen, controles (toezicht) en handhavingsacties liggen heldere (werk)processen ten grondslag. In het kader van de kwaliteitszorg moet het (werk)proces transparant en vastgelegd zijn. Maar ook voor het creëren van een zogeheten ‘level playing field’ voor burgers en bedrijven is dat een vereiste. De procescriteria bieden de kaders voor het kwaliteitssysteem van het bevoegd gezag. De basis voor de procescriteria is afkomstig uit de Plan Do Check Act (PDCA)-cyclus. Deze afkorting staat voor een beleidscyclus, dubbele regelkring of ‘Big Eight’. Hierover staat meer informatie in hoofdstuk 1, paragraaf 1.3. Een gesloten kwaliteitscyclus borgt dat we een lerende organisatie zijn. Uitgangspunten kwaliteitsborging Systematische kwaliteitszorg kent een aantal elementen: Verantwoordelijkheid beleggen voor het ontwikkelen en in stand houden van kwaliteitszorg en het rapporteren over de voortgang; Zorg dragen voor kwaliteitsbeleid en doelstellingen welke gericht zijn op het continu verbeteren, evalueren en (zo nodig) bijstellen; Zorg dragen voor een kwaliteitsprogramma inclusief planning en monitoring; Borging werkwijze in cultuur en systemen; Het managen van verbeterpunten; Vergelijking en auditing: interne en externe ogen houden ons scherp. Deze uitgangspunten betekenen op medewerkersniveau dat de taken adequaat moeten worden uitgevoerd. Hiervoor wordt voldoende deskundigheid en frequente uitvoering gevraagd. Daarnaast zijn spelregels opgesteld hoe om te gaan met de Kwaliteitscriteria, waardoor meer maatwerk mogelijk is om te voldoen aan de criteria. 2.2.3Kwaliteitscriteria Door invulling te geven aan de beleids- en uitvoeringscyclus, voldoen we aan één van de wettelijke vereisten. Een ander wettelijk vereiste is dat op grond van de Omgevingswet de organisatie en de medewerkers moeten voldoen aan bepaalde kwaliteitseisen, de zogenaamde Landelijke kwaliteitscriteria vergunningverlening, toezicht en handhaving. De verantwoording van de kwaliteit van de organisatie en de medewerkers nemen wij mee in het VTH – jaarverslag. 2.3Probleemanalyse In de Omgevingswet is opgenomen dat de gemeente verplicht om een probleemanalyse op te stellen. Dit is opgenomen in artikel 13.5 lid 4 van het Omgevingsbesluit; ‘De handhavingsstrategie wordt gebaseerd op een analyse van de problemen die zich kunnen voordoen bij de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet’. Met behulp van een probleemanalyse krijgen we inzicht in: de ontwikkelingen, problemen en risico’s in onze gemeente; de rol die VTH heeft in het aanpakken en beheersen van deze ontwikkelingen, problemen en risico’s. Een schematisch weergave is opgenomen in figuur 2. Figuur 2 Schematische weergave probleemanalyse 2.3.1Omgevingsanalyse In hoofdstuk 6 beschrijven we de situatieschets van de gemeente Olst- Wijhe en zal inhoudelijk worden ingegaan op de probleemanalyse. Hierin wordt ook besproken hoe de risicoanalyse is uitgevoerd. 2.3.2Risicoanalyse De wet- en regelgeving op het gebied van VTH is omvangrijk en het is onmogelijk om overal vol op in te zetten. Van belang is om de risico’s voor de leefomgeving zoveel mogelijk te beperken. Hiervoor maken we onderbouwde keuzes ten aanzien van wat we doen en hoe we dat uitvoeren. Op die manier wordt de beschikbare capaciteit zo effectief en efficiënt mogelijk benut. Dit doen we door risicogericht te prioriteren. De risicoanalyse is het gereedschap om dit mogelijk te maken. 3.De uitvoerings - en handhavingsstrategie Dit hoofdstuk is het hart van de uitvoerings- en handhavingsstrategie. Hierin staat hoe de gemeente Olst - Wijhe invulling geeft aan het beleid. De bouwstenen zijn in hoofdstuk 2 benoemd, waarbij naast wettelijke eisen en de samenhang met sectoraal beleid vooral de zes sporen uit het VTH- ambitiedocument van belang zijn. 3.1Uitwerking zes sporen De uitvoerings - en handhavingsstrategie concentreert zich rond deze zes sporen en is als zodanig onderstaand uitgewerkt. De inzet op veiligheid krijgt prioriteit, op basis van risicosturing Gelijktijdig met de ontwikkeling van nieuw beleid introduceert de gemeente Olst- Wijhe de risicoanalyse-tool. Hierbij krijgt het aspect veiligheid een zwaardere waardering. VTH-taken met een zwaar veiligheidsaspect krijgen een hogere prioriteit. De aandacht en inzet van capaciteit gaat in eerste instantie uit naar de meest risicovolle activiteiten. Hierop wordt de communicatie gericht, waarbij wordt aangegeven wat wel en niet kan. Meer aandacht voor thema’s als duurzaamheid, gezondheid en groene inpassingen Duurzaamheid, gezondheid en groene inpassingen zijn belangrijke thema’s. In het VTH- ambitiedocument wordt hiervoor extra aandacht gevraagd en ruimte vrijgemaakt. In alle fasen van het VTH-traject is aandacht nodig voor deze thema’s. Dit begint door vroegtijdig in gesprek te gaan. Een themagerichte aanpak kan zorgen voor bijzondere aandacht. Daarnaast krijgt de toetsing op wettelijke duurzaamheids- en gezondheidsaspecten vanuit de verleende technische omgevingsvergunning meer aandacht tijdens het houden van toezicht. Samenlevingssturing op signaalbasis met een jaarlijkse thematische focus. Naast risicosturing op basis van hoge scores wordt ook een inzet gepleegd op VTH-taken met een lage score. Dit wordt gedaan door in te gaan op veel voorkomende klachten en meldingen. Op basis van een klachten- en meldingenanalyse wordt jaarlijks extra aandacht gegeven aan een thema. Hierbij is het zichtbaar aanwezig zijn van belang. Hiervoor worden boa’s preventief ingezet. Indien mogelijk wordt het instrument van buurtbemiddeling ingezet. Inzet op communicatie voor bewustwording en preventie Communicatie speelt een cruciale rol in het voorkomen van overtredingen en het vergroten van naleving. Door inwoners, ondernemers en organisaties te informeren over regels, procedures en mogelijke risico’s, creëren we bewustwording. Dit helpt om misverstanden te voorkomen en stimuleert gewenst gedrag. Deze spoor sluit ook aan bij de vastgestelde communicatiewaarden ‘Communiceren met impact’. Het inzetten op preventie, via het sectorale beleid Bij het ontwikkelen of actualiseren van een sectoraal beleid wordt de invulling van de VTH-taken meegenomen. Als kader wordt een uitvoerings- en monitoringsparagraaf opgenomen. Op basis van de uitvoerings - en handhavingsstrategie gaat de inzet uit naar preventie. Daarnaast kan inzet worden gevraagd op het houden van toezicht en eventuele handhavingstaken. Hierbij worden ook de organisatorische en financiële consequenties zichtbaar gemaakt. Het herschikken van taken en inzetten op procesoptimalisatie Dit spoor is vooral gericht op het reguleren van de interne processen. Met de komst van nieuwe wet- en regelgeving en nieuwe instrumenten worden de taken steeds opnieuw onderzocht. Het is hierbij van belang om een balans te vinden tussen de benodigde inzet en de beschikbare capaciteit. Dat levert belangrijke managementinformatie op en is van belang voor de communicatie. Efficiency, taakgerichtheid en rolduidelijkheid zijn speerpunten die nadrukkelijk bij het proces worden betrokken. 3.2Van uitvoerings – en handhavingsstrategie naar VTH-uitvoeringsprogramma Jaarlijks stelt het college een VTH-uitvoeringsprogramma op. De invulling van dit uitvoeringsprogramma komt voor een belangrijk deel uit het uitvoeringsbeleid. De begroting, de prioriteiten voor het betreffende jaar en de bevindingen m.b.t. het naleefgedrag spelen ook een grote rol. 3.2.1Het uitvoeringsprogramma Het VTH-uitvoeringsprogramma geeft jaarlijks: een inschatting van de hoeveelheden vergunningen en meldingen; voorgenomen handhavingsactiviteiten voor het komende jaar; voorgenomen handhavingsacties en controles; relatie met de gestelde ambities en doelen. De gemeente is verplicht een programma op te stellen voor de uitvoering van taken op het gebied van de Omgevingswet. In het uitvoeringsprogramma gaat niet alleen hier de aandacht naar uit. Ook wordt een aantal andere gemeentelijke taken belicht. Het gaat dan om taken die voortvloeien uit bijzondere wetten en andere regelgeving zoals de Drank- en Horecawet en de Algemene Plaatselijke verordening (APV). 3.2.2Monitoring Om gedurende het jaar de taken die vallen onder het VTH- uitvoeringsprogramma te monitoren, bespreken we maandelijks het VTH Dashboard. Het VTH Dashboard geeft inzichten in de geplande uren (de uren die we inschatten in het VTH – uitvoeringsprogramma), de begrote uren (de uren die we kwijt zijn aan de aanvragen en meldingen die binnenkomen) en de bestede uren (de uren die we daadwerkelijk maken). Het VTH Dashboard wordt tijdens team overleggen gedeeld met de VTH – keten. Ieder kwartaal wordt middels gezamenlijk overleg de monitoring gedeeld met het bestuur. Eveneens is maandelijks een accounthouderoverleg tussen OD en gemeente om de werkzaamheden van de OD te monitoren. 3.2.3Interbestuurlijk Toezicht Het uitvoeringsprogramma wordt opgesteld in overleg met de in hoofdstuk 4 benoemde partners. In het kader van het Interbestuurlijk Toezicht (IBT) dient het uitvoeringsprogramma eveneens ter kennisgeving te worden voorgelegd aan Gedeputeerde Staten van de provincie Overijssel. 4.Beleidsthema’s In dit hoofdstuk zijn de beleidsthema’s weergegeven met een korte inhoudelijke beschrijving en met de verbinding naar het VTH- ambitiedocument. Het is van belang dat er prioriteiten worden gesteld. Het aanduiden van sectorale doelen is hierbij van groot belang. Een nadere uitwerking is opgenomen in bijlage 6. 4.1Veiligheid Het borgen van veiligheid is in beginsel de taak van de overheid en is één van de zes sporen welke een hoge prioriteit krijgt als doelstelling in dit UHS. Veel wetgeving is gericht op het voorkomen van onveilige situaties. Vergunningen en daarmee ook gelijk toezicht en handhaving zijn gericht op veiligheid. Dit komt door hun voorwaarden. Hierbij wordt geconstateerd dat diverse trends in de samenleving van invloed zijn op het borgen van de veiligheid. Voorbeelden van trends in de samenleving: evenementen, meer woningbouw op inbreidingslocaties en de gedachte dat de overheid alle risico’s in de samenleving kan wegnemen. Om een veilige samenleving te realiseren, moeten niet alleen regels worden opgesteld. Ook de naleving ervan is van belang. Bij het boordelen van initiatieven is het noodzakelijk dat de veiligheidsaspecten worden meegewogen. Waar nodig, neemt de initiatiefnemer aan de voorkant (extra) maatregelen. 4.2Duurzaamheid Het beleid op het gebied van duurzaamheid kent veel sporen en is op veel fronten in ontwikkeling. Duurzaamheid is dan ook één van de zes waar extra op wordt ingezet. De VTH-activiteiten sluiten aan bij het meest actuele duurzaamheidsbeleid en bijbehorende uitvoeringsprogramma’s binnen het fysiek ruimtelijk domein. In de toekomstige VTH-uitvoeringsprogramma’s wordt hiervoor onderling een link gelegd. Mogelijke aandachtspunten hierbij: energiebesparing, duurzaam bouwen, afvalscheiding en het opvangen van hemelwater. 4.3Gezondheid Gezondheid is een belangrijk thema dat onder de Omgevingswet meer aandacht vraagt. Hierbij is het voor gemeenten mogelijk om vergunningen te toetsen op effecten die het vergunnen heeft op de gezondheid. De GGD is het primaire adviesorgaan van de gemeente voor gemeentelijke gezondheidsaspecten. Het is van belang om de GGD aan de voorkant van beleidsontwikkeling op het ruimtelijk domein te betrekken. Dit om de volksgezondheid te borgen en/of te beschermen. Hiervoor zijn gesprekken met de GGD gevoerd. Zij ziet voor zichzelf een adviesrol bij visievorming, planontwikkeling en ontwikkeling van gemeentelijk beleid. Dit alles om bij te dragen aan een gezonde leefomgeving. Gezondheid is een breed begrip en gaat niet alleen over fysieke gezondheid, maar onder andere ook over mentale gezondheid, kwaliteit van leven en zin kunnen geven aan je leven. Binnen onze gemeentelijke organisatie werken we vanuit het programma Olst- Wijhe Gezond waarin alle activiteiten samenkomen die bijdragen aan fitte, gezonde inwoners, van jong tot oud. We promoten een gezonde leefstijl. Een gezonde leefstijl versterkt namelijk je immuunsysteem waardoor je een grotere kans hebt om een chronische aandoening te voorkomen en/of tijdig kunt keren. Gezonde voeding, voldoende beweging, voldoende ontspanning, niet roken en geen alcohol zijn hiervoor belangrijke ingrediënten. Om hier concrete acties op te ondernemen, is het gemeentelijke programma Olst- Wijhe Sportief en Gezond opgericht. Olst- Wijhe Sportief en gezond is een samenwerking van de gemeente en diverse lokale sport- en gezondheid gerelateerde verenigingen. Waarin we meer inzetten voor gezondheidspreventie. Het bevat concrete maatregelen om roken, overgewicht en overmatig alcoholgebruik tegen te gaan. 4.4Leefbaarheid Fysiek, sociaal en veiligheid; dit zijn de drie hoofdthema’s voor leefbaarheid. De fysieke en sociale leefbaarheid willen wij in deze paragraaf eruit lichten. Het thema veiligheid is eerder in dit document al behandeld. Fysieke leefbaarheid De gemeente Olst- Wijhe is een groene gemeente. Dit moet worden behouden en versterkt in het buitengebied en in de dorpen en wijken. Verder manifesteert fysieke leefbaarheid in zaken als de dichtheid en het type bebouwing, de marktwaarde van het vastgoed, de aanwezigheid van voorzieningen (zoals winkels, openbaar vervoer en ziekenhuizen), de mate van functiemenging en de kwaliteit van de groenvoorzieningen. De sociale leefbaarheid De gemeente Olst - Wijhe wil bijdragen aan prettig wonen en leven. Hierbij horen ook de sociale interacties tussen mensen. Vaak gaat het goed en wonen mensen met veel plezier in de gemeente Olst - Wijhe. Soms ontstaat er verschil van inzicht over bepaalde zaken of is er sprake van ergernissen. Dit kan leiden tot meldingen en klachten. Op basis van de risicoanalyse worden de risico’s laag ingeschat. Door in te zetten op samenlevingssturing kunnen klachten en meldingen worden opgepakt. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan de sociale leefbaarheid. In Figuur 3 is het visueel weergegeven Figuur 3 Visuele weergave sociale leefbaarheid 4.5Ondermijning Ondermijning gaat over de verwevenheid tussen de boven- en onderwereld. Georganiseerde ondermijnende criminaliteit is niet alleen een strafrechtelijk probleem, maar vooral ook een sociaal-maatschappelijke uitdaging. Het tast waarden en normen in onze samenleving aan. Criminele investeringen in de bovenwereld kunnen leiden tot vervlechting van beide werelden, met grote gevolgen voor het ondernemersklimaat, de sociale cohesie en het risico op verpaupering van wijken en buurten. Daarnaast ondermijnt deze criminaliteit het rechtsgevoel van burgers en ondernemers. Criminelen proberen soms maatschappelijke posities te verwerven en zoeken in bepaalde gevallen de confrontatie met de overheid, bijvoorbeeld door bedreiging van ambtenaren en bestuurders. Vanuit de Beleidsagenda integrale veiligheid Olst – Wijhe 2025 – 2029 is ondermijning daarom één van de focusthema’s waar extra aandacht naar uitgaat. Vanuit VTH-taken richten wij ons meer ondersteunend en/of signalerend op. Dit geldt onder meer voor: Productielocaties drugs in leegstaande gebouwen (bijv. vrijkomende agrarische bebouwing); Fraude en misbruik binnen de vastgoedsector; Witwassen en daaraan gerelateerde vormen van financieel-economische criminaliteit (met name bij Drank- en Horeca inrichtingen). Het blijft ook van belang om de bestrijding van ondermijning als afwegingskader in te brengen bij de uitvoering van de VTH-taken in het fysieke domein. In de risicoanalyse VTH is ondermijning één van de parameters bij het bepalen van de inzet bij vergunningverlening c.q. de prioriteit bij toezicht en handhaving. 5.Beschrijving taakvelden en regionale samenwerking Dit hoofdstuk geeft een beknopt overzicht van de verschillende wettelijke kaders waarmee het Uitvoerings- en handhavingsstrategie te maken heeft. Daarnaast wordt ingegaan op samenwerkingspartners van het domein Ruimte, zowel binnen als buiten de gemeente. 5.1Wettelijke kaders 5.1.1Omgevingswet In de Omgevingswet is opgenomen voor welke zaken een omgevingsvergunning nodig is. De Omgevingswet heeft betrekking op een groot aantal activiteiten: het bouwen van een bouwwerk (ruimtelijke omgevingsplanactiviteit); het verbouwen van een bouwwerk (technische omgevingsplanactiviteit); het uitvoeren van een werk; het afwijken van het omgevingsplan; het gebruiken van een bouwwerk in verband met brandveiligheid; milieu; het wijzigen of slopen van een rijksmonument; het slopen van een bouwwerk; een andere bij AMvB aangewezen activiteit. Onder de werking van de Ow gelden ook activiteiten die door de gemeentelijke verordening zijn gesteld in de APV of de Omgevingsverordening. Voorbeelden zijn: het vellen van houtopstanden (kapvergunning); het aanleggen of veranderen van een weg; het realiseren van een uitweg of inrit; hebben van een reclame-uiting aan een onroerend goed; het organiseren van een evenement op een openbare plaats. Ruimtelijke omgevingsplanactiviteit Waar in het verleden zowel ruimtelijk als technische elementen in één omgevingsvergunning waren geïntegreerd, kennen we onder de Omgevingswet een scheiding tussen ruimtelijk en technisch. Ruimtelijke omgevingsplanactiviteiten worden bij de gemeente aangevraagd, doorgaans verleend en na de vergunningverlening, komt ook het toezicht op de uitvoering van de ruimtelijke vergunning, vanuit de gemeente. Het is niet mogelijk om alle regels voor de verschillende soorten bouwwerken 100% uit te voeren. Daarom wordt hier risico gestuurd uitgevoerd aan de hand van de drietal verschillende categorieën welke wordt bepaald op basis van de legeskosen. Technische bouwactiviteit Bij het technische deel van de omgevingsplanactiviteit is het afhankelijk van het bouwwerk of het onder de verantwoordelijkheid van de gemeente of een kwaliteitsborger valt. De gevolgklasse 1 bouwwerken, zoals woningen en eenvoudige bedrijfsgebouwen, vallen onder het toezicht van de kwaliteitsborger. Voor gevolgklasse 2, 3 en verbouwopgaven, blijft de verantwoordelijkheid voor het toezicht in eerste instantie nog bij de gemeente. Ondanks dat er wel plannen zijn om (een deel van) deze taken eveneens bij de kwaliteitsborger te beleggen, ziet het er nu niet naar uit dat dit op een korte termijn gaat gebeuren. In bijlage 7 zijn de bouwplantoetsing van de ruimtelijke- en technische bouwactiviteit uitgewerkt. 5.1.2Wet kwaliteitsborging voor het bouwen Tegelijk met de Omgevingswet is ook de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (hierna: Wkb) in werking getreden. Deze wet belegd een deel, de bouwwerken die vallen onder gevolgklasse 1, van het bouwtoezicht in de privaatrechtelijke sector. Met als beoogd doel om de kwaliteit van het bouwen te verbeteren en de verantwoordelijkheid voor de uitvoering bij de uitvoerende partij te beleggen. Omdat de gemeente wel bevoegd gezag blijft, is een Wkb- beleid opgesteld. Het Wkb- uitvoeringsbeleid beschrijft hoe risicogestuurd toezicht kan worden gehouden op de technische bouwactiviteiten die vallen onder gevolgklasse 1. In Bijlage 8 is het Wkb- uitvoeringbeleid opgenomen. 5.1.4APV De algemene plaatselijke verordening (hierna: APV) is een instrument waarin de gemeente regels vastlegt ten aanzien van openbare orde en veiligheid. Activiteiten in de APV vinden veelal in de openbare ruimte plaats. Op basis van de APV wordt ook vergunning, toestemming of ontheffing verleend. Onderdelen uit de APV die betrekking hebben op het fysiek domein verhuizen in de toekomst naar het Omgevingsplan. 5.1.5Bijzondere wetten Er worden verder ook vergunningen verleend op basis van andere wetten dan de Omgevingswet. Deze vergunningen worden verleend op grond van enkele bijzondere wetten, bijvoorbeeld de Alcoholwet. Ook bijzondere lokale regelgeving, zoals de parkeervergunning, valt hieronder. Vergunningen die op grond van bijzondere wetten zijn verleend, worden ook gecontroleerd. Het cluster VTH van het domein Ruimte handhaaft voornamelijk op de Omgevingswet, delen van de APV en op een aantal bijzondere wetten zoals onderdelen van de Alcoholwet. 5.2Externe samenwerking Voor de realisatie van dit beleid en de bijbehorende doelen is een samenwerking nodig of nuttig met diverse partners. Wij onderscheiden in de eerste plaats de volgende partners: Buurgemeenten en omgevingsdienst IJsselland De zogenaamde ‘Basistaken (hierna: BTP) + IJssellandse variant’, worden voor de gemeenten uitgevoerd door de Omgevingsdienst IJsselland. Dit is een zelfstandige organisatie die wordt bestuurd door de elf IJssellandse gemeenten en de Provincie Overijssel. De taken van OD IJsselland zijn verder uitgewerkt in het ‘Regionaal uniform beleid voor de uitvoering van vergunningverlening, toezicht en handhaving Milieu- taken Omgevingsdienst IJsselland’ welke in 2024 is vastgesteld. In dit beleidskader zijn prioriteiten, doelstellingen en werkwijze opgenomen voor de uitvoering van vergunningverlening, toezicht en handhaving op het gebied van milieubeheer. Hoewel de taken worden uitgevoerd door de OD (hierna OD) blijven de gemeentes en de provincie het bevoegd gezag. Daarom wordt op zowel bestuurlijk als ambtelijk niveau intensief samengewerkt en vindt afstemming van werkzaamheden plaats. Net als de gemeente heeft OD IJsselland ook een jaarlijks uitvoeringsprogramma. Hierin worden de doelen en werkzaamheden voor het betreffende jaar opgenomen. De uitvoering door de Omgevingsdienst kan betrekking hebben op de gemeente Olst- Wijhe. Wanneer dit het geval is, wordt dit opgenomen in het VTH- uitvoeringsprogramma van Olst- Wijhe. Provincie Overijssel De provincie Overijssel heeft een aantal verschillende rollen ten aanzien van de VTH-taken. Voor bepaalde categorieën bedrijven is de provincie het bevoegd gezag. De uitvoering van de VTH-taken wordt door de Omgevingsdienst IJsselland gedaan. De provincie is door de wetgever aangewezen als interbestuurlijk toezichthouder (hierna: IBT). Hiermee wordt toezicht gehouden op de invoering van de Omgevingswet en daarmee ook de VTH- taken door de gemeenten. In een verordening is vastgelegd op welke aspecten van het proces toezicht wordt uitgeoefend en hoe dat gedaan wordt. Onder andere het opstellen van een uniform beleid wordt door de IBT getoetst. Bij wet heeft de provincie een coördinerende rol. Deze wordt bijvoorbeeld opgepakt door de bestuurlijke opdrachtverlening voor dit beleid te coördineren. Ministerie van Justitie en Veiligheid Wanneer de toezichthouders van OD IJsselland overtredingen constateren, treedt de vastgestelde Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingswet (hierna: LHSO) in werking. Als blijkt dat er een overtreding heeft plaatsgevonden, moet er worden gehandhaafd. Dit wordt uitgevoerd binnen de maatwerkafspraken over mandatering door OD IJsselland. Waar mandatering niet aan de orde is, wordt de zaak overgedragen aan de gemeente of provincie voor een handhavingstraject. Het bestuurlijke handhavingstraject kan ertoe leiden dat zaken aan het Openbaar Ministerie (hierna: OM) worden overgedragen voor een strafrechtelijk traject. De handhavingsstrategie (zie bijlage 3) geeft aan wanneer dit aan de orde is. Omgekeerd kan het gebeuren dat medewerkers van de politie milieuovertredingen constateren. Zij dragen dit dan over aan de gemeente of provincie. De LHSO is tot stand gekomen in overleg met het OM. Er is verder geen structureel overleg tussen politie/OM/gemeenten/provincie over milieu aangelegenheden. In het doorlopende driehoeksoverleg zijn de afgelopen jaren geen milieuzaken aan de orde geweest. In voorkomende gevallen wordt bij aanvragen een Bibob onderzoek gedaan in samenwerking met het betreffende onderdeel van het ministerie. Waterschap Drents en Overijsselse Delta Het waterschap Drents en Overijsselse Delta is het enige waterschap dat actief is op het grondgebied van de gemeente. De taken van het waterschap gaan niet over naar de omgevingsdienst. Het komt voor dat bedrijven voor bepaalde taken de gemeente als bevoegd gezag hebben (bijvoorbeeld bouw en milieu), en het waterschap voor andere (lozing afvalwater op oppervlaktewater). Het waterschap is het bevoegd gezag voor directe lozingen op oppervlaktewater. Het waterschap is geen bevoegd gezag voor indirecte lozingen op het riool. Het waterschap houdt wel toezicht op indirecte lozingen en draagt de handhaving over aan OD IJsselland. Het is aan de directeur van de Omgevingsdienst om met het waterschap afspraken te maken over operationele samenwerking, zoals bijvoorbeeld gecoördineerde acties. Inspectie Leefomgeving en Transport De Inspectie Leefomgeving en Transport (hierna: ILT) bewaakt en bevordert de veiligheid van het transport op de weg, in de scheepvaart, in de lucht en op het spoor. Ook zet de ILT zich in voor een veilige en gezonde leefomgeving. Dit doen ze door toezicht te houden op de veiligheid van bouwwerken en drinkwater, de beperking van risico's van gevaarlijke stoffen en industrieën, de verantwoorde verwerking van afval en de preventie en sanering van vervuilingen in bodem en water. De Inspectie Leefomgeving en Transport is een inspectiedienst van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu. Bepaalde taken van het ILT lijken op die van de Omgevingsdienst, alleen heeft zij andere bedrijven waar zij toezicht op houdt. Ook met het ILT kan de directeur van de Omgevingsdienst afspraken maken over operationele samenwerking, zoals bijvoorbeeld gecoördineerde acties. Daarnaast is het ILT interbestuurlijk toezichthouder voor de provinciale taken. Veiligheidsregio IJsselland De Veiligheidsregio IJsselland wordt ingezet voor advisering op externe veiligheid en brandveiligheidsgebied bij vergunningverlening en handhaving. Daarnaast worden gecoördineerde handhavingsacties geïnitieerd met diverse diensten, waar toezichthouders van de gemeente en/of de omgevingsdienst aan mee doen. GGD De GGD kan worden ingeschakeld voor de medische milieukunde. De laatste jaren staat het milieu als gezondheidsbepalende en gezondheidsbedreigende factor zeer sterk in de belangstelling. Waar begin vorige eeuw vooral aandacht werd besteed aan biologische vervuiling van het leefmilieu en de bijhorende infectieziekten (cholera, difterie, tbc enz.), ligt de nadruk in de geïndustrialiseerde landen tegenwoordig veel meer op chemische en fysische verontreiniging en de relatie met het vaker voorkomen van ziektes zoals kanker en luchtwegproblemen. Binnen de openbare preventieve gezondheidszorg is dan ook vrij recent een nieuwe discipline ontstaan: de medische milieukunde. De GGD vult deze taak in. Medische milieukunde houdt zich bezig met de invloed van milieufactoren op de gezondheid, met als doel het beschermen van de gezondheid tegen milieuverontreiniging en de gezondheid te bevorderen via positieve omgevingsfactoren. De GGD voert risicobeoordelingen uit, adviseert over maatregelen en geeft voorlichting hierover. Openbaar ministerie en politie De landelijke handhavingsstrategie wordt in werking gesteld, wanneer de toezichthouders een overtreding constateren. Als voor de overtreding feitelijk moet worden gehandhaafd heeft het Openbaar Ministerie te maken met het bevoegd gezag en/of OD IJsselland, afhankelijk van de mandatering. Het bestuurlijke handhavingstraject kan ertoe leiden dat zaken aan het Openbaar Ministerie worden overgedragen voor een strafrechtelijk traject. De rol van de politieagent als algemeen opsporingsambtenaar wordt in het fysieke domein steeds kleiner. Waar de politie hier terugtreedt neemt de lokale overheid in de vorm van boa’s deze rol over. In uitzonderlijke gevallen kan het gebeuren dat de politie ondersteuning verleend aan de toezichtambtenaar van de gemeente of OD IJsselland. Dit is echter nadrukkelijk meer uitzondering dan regel. 6.Analyses In dit hoofdstuk is de verplichte omgevings- en risicoanalyse opgenomen. Op basis hiervan kan worden bepaald welke gebieden prioriteit verdienen aan de hand van gebiedskenmerken. De gebiedsanalyse is opgebouwd uit een algemene gebiedsbeschrijving. Vier specifieke gebiedstypen worden verder beschreven; landelijk gebied, de grote kernen Olst en Wijhe, landbouw en bedrijvigheid. De risicoanalyse is een nieuwe tool die voor het bepalen van de risicoklasse wordt gebruikt, zoals aangegeven in paragraaf 2.3.2. De uitwerking is opgenomen in paragraaf 3 van dit hoofdstuk. 6.1Algemene omgevingsanalyse De gemeente Olst-Wijhe is een gemeente in de provincie Overijssel aan de IJssel die uit 12 kernen en buurtschappen bestaat. De gemeente heeft 19.003 inwoners en een oppervlakte van 118,50 vierkante km aan land en nog 2,52 vierkante km aan water. De gemeente kent twaalf kernen. De meeste inwoners wonen in de gelijknamige dorpen Olst en Wijhe. 6.2Omgevingsanalyse per gebied Voor een duidelijk en weloverwogen VTH- beleid is het noodzakelijk om prioriteiten te stellen. Hierdoor kan de capaciteit en de beschikbare middelen efficiënter worden ingezet. Opgemerkt moet worden dat de Omgevingsanalyse (of gebiedsanalyse) en de risicoanalyse slechts een momentopname betreffen. Die analyses dienen jaarlijks te worden getoetst op actualiteit. Zo nodig moeten ze worden herzien. Dit is gezien de dynamiek binnen het ruimtelijk domein ook noodzakelijk. Op basis van de jaarlijkse analyse wordt het VTH-programma opgesteld. 6.2.1Landelijk gebied Het motto van de ruimtelijke visie is: ‘Het behouden en versterken va de identiteit (kernkwaliteiten van het unieke Sallandse landschap aan de IJssel met de landgoederen en dorpen tussen de twee Hanzesteden Zwollen en Deventer.’ Het landschap wordt gevormd door natuur- en cultuurelementen, door de onderlinge samenhang tussen groen (beplanting), blauw (water) en rood (bebouwing en grondgebruik). Aan weerszijden van de IJssel liggen de oeverwallen waarop in het verleden op vruchtbare grond rijke boerderijen ontstonden. Achter deze gebieden treffen we de komgronden aan, het zijn laaggelegen en open landschappen. Belangrijke drogere gronden doorsneden door laagtes, liggen in het oosten en zuiden van de gemeente. Op de ruggen ontstonden landgoederen met havezaten, buitenplaatsen, boerenbedrijven en katersteden. Het is vooral de afwisseling, de variëteit aan gebieden en de goede verbindingen die ons buitengebied zeer aantrekkelijk maken. Het geeft het buitengebied een zeer hoge ruimtelijke kwaliteit met karakter en eigenheid. Het is vooral de cultuurhistorie die zorgt voor een hoge waardering. 6.2.2Grote kernen Olst en Wijhe De gemeente kent de grote kernen Olst en Wijhe. De bebouwing in de kernen kent over het algemeen een bescheiden karakter. Van de nieuwe(
- re)wijken is af te lezen in welke periode deze zijn ontwikkeld. De wijken van vlak na de Tweede wereldoorlog worden gekenmerkt door soberheid en eenvoud. Het gaat vaak om planmatig opgezette buurtjes met kleine huizen voor de vele fabrieksarbeiders uit die tijd. In de jaren '60 en '70 werden grootschaliger wijken ontwikkeld met grotere woningen met eveneens een sobere opzet. Veel woningen uit de periode van na de oorlog tot aan 1975 zijn toe aan renovatie of verdere verbetering van de isolatie. Vanaf de jaren '80 werd gaandeweg steeds 'luxer' gebouwd. Dit is ook aan de wijken af te lezen. Er is meer groen en water met daarin royalere woningen. Deze trend heeft zich tot heden voortgezet en is te zien in de wijken Krijtenberg en Zonnekamp. 6.2.3Landbouw De afgelopen jaren hebben veel agrarische ondernemers in Nederland hun bedrijfsvoering beëindigd, en deze trend zet zich naar verwachting de komende jaren voort. Vrijgekomen gronden worden vaak overgenomen door nabijgelegen landbouwbedrijven, wat leidt tot opschaling en intensivering van de landbouw. Deze ontwikkelingen hebben gevolgen voor het landschap, de biodiversiteit en het (dier)welzijn. De grondgebonden landbouw blijft een belangrijke drager van het Sallandse cultuurlandschap, maar staat onder druk door schaalvergroting en veranderende economische omstandigheden. De toekomst van de sector ligt in het benutten van kwaliteiten en duurzaamheid. Innovaties op het gebied van kringlooplandbouw, natuur inclusieve bedrijfsvoering en klimaatadaptatie bieden kansen om de sector toekomstbestendig te maken. Verduurzaming is niet alleen noodzakelijk voor het milieu, maar ook voor het maatschappelijk draagvlak. Consumenten hechten steeds meer waarde aan transparantie, dierenwelzijn en milieuvriendelijke productie. Door in te zetten op duurzame en onderscheidende producten kan de agrarische sector haar economische potentie behouden én versterken. 6.2.4Bedrijvigheid De meeste bedrijven in Olst-Wijhe zijn nog steeds geconcentreerd op de Industrieweg en het bedrijventerrein De Meente. Daarnaast huisvest bedrijventerrein De Enk, aan de zuidzijde van Wijhe, enkele bedrijven met een regionaal, nationaal en zelfs internationaal bereik. Volgens de nieuwste cijfers telt Olst-Wijhe in 2025 ongeveer 2.280 bedrijfsvestigingen en 7.310 arbeidsplaatsen, een duidelijke groei ten opzichte van 2017 (toen ongeveer 5.900 banen). De werkgelegenheid is de afgelopen jaren structureel toegenomen, vooral in de sectoren handel, industrie en zorg en welzijn. Handel is de grootste werkgever met ongeveer 1.390 banen, gevolgd door industrie (ongeveer 1.190 banen) en gezondheidszorg (ruim 1.000 banen). De landbouwsector telt nog steeds veel bedrijven, maar het aantal banen is afgenomen van ongeveer 800 in 2015 naar ongeveer 620 banen. De bedrijventerreinenvisie Olst-Wijhe 2040 zet in op herstructurering en vitalisering van bestaande terreinen en de ontwikkeling van De Meente Noord om ruimte te bieden aan nieuwe economische activiteiten. Daarbij ligt de nadruk op duurzaamheid, slim ruimtegebruik en regionale samenwerking. 6.3Risicoanalyse De uiteindelijke prioriteit van vergunningverlening, toezicht en handhaving is gebaseerd op een inschatting van het risico. Hierbij wordt gekeken naar de negatieve effecten bij een overtreding van de verschillende handhavingsthema’s. Om die risico’s te kunnen inschatten is een risicoanalyse gemaakt met betrekking tot de verschillende inrichtingenbranches en activiteiten. De risicoanalyse brengt het risico in beeld dat aan elk van de uitvoeringsthema’s is verbonden. Risico is daarbij gedefinieerd als het negatief effect maal de kans dat die zich voordoet, of risico = negatief effect x kans. In 2021 is een vernieuwde tool geïntroduceerd die integraal deel uitmaakt van het VTH-instrumentarium. Deze tool wordt binnen het werkgebied van de Omgevingsdienst IJsselland door alle partners gebruikt. In de risicoanalyse wordt per branche of activiteit een inventarisatie gemaakt. Hierbij wordt gekeken hoe groot de risico’s zijn, hieruit volgt de intensiteit van de vergunningverlening, het toezicht en daaruit voortvloeiende handhaving. Op basis van data en ervaring worden aan de variabalen scores en weegfactoren toegekend door experts. De totaalscore bepaalt het risico op een 5-puntenschaal. Van 'zeer groot risico' tot ‘zeer klein risico'. De resultaten worden vertaald naar de omvang en inrichting van de uitvoeringsorganisatie en de jaarlijkse uitvoeringsprogramma's. Het stellen van prioriteiten betekent dat er taken zijn met een hoge prioriteit waar veel instrumenten op worden ingezet. Anderzijds zijn er ook taken met een lage prioriteit, waarop weinig of geen instrumenten worden ingezet. De uitkomst van de risicoanalyse legt het minimale uitvoeringsniveau vast. De opbrengst van de risicoanalyse wordt verbonden met de besturingsmodule. Dit instrumentarium is nog in ontwikkeling waarmee inzichtelijk wordt gemaakt hoeveel tijd/uren benodigd zijn om de VTH taken te kunnen uitvoeren. De risicoanalyse voor de milieutaken zal separaat worden vastgesteld. Dit door middel van een regionaal afgestemd uniform collegebesluit. De vaststelling van die risicoanalyse ligt buiten de scope van dit uitvoeringbeleid. Jaarlijks dient de risicoanalyse te worden geanalyseerd en bijgesteld. Dit wordt gedaan door monitoring van de verkregen uitvoeringsgegevens. In het VTH-jaarprogramma en het VTH-jaarverslag wordt jaarlijks de bijstelling van de risicoanalyse als onderwerp 7.VTH-Strategieën Hieronder worden de strategieën voor vergunningverlening, toezicht en handhaving beschreven. De grondslagen van een nieuw stelsel voor vergunningverlening, toezicht en handhaving zijn vastgelegd in hoofdstuk 18, paragraaf 3.2 van de Omgevingswet. Het is uitgewerkt in paragraaf 13.2.2 van het Omgevingsbesluit. De uitgewerkte strategieën staan in bijlage 1 tot en met 5. De preventiestrategie is een overkoepelende strategie en vormt samen met de overige strategieën het kader voor de uitvoerings- en handhavingsstrategie. Deze strategieën zijn qua strekking gelijk aan de strategieën die zijn opgenomen in het regionaal afgestemde VTH- beleid voor de taken die zijn opgedragen aan OD IJsselland. In Figuur 4 is de schematisch weergave van de strategieën weergegeven. Figuur 4 Strategieën VTH – keten 7.1Preventiestrategie Bij preventie gaat het om het voorkomen van aantasting van de leefomgeving of ontstaan van risico’s. Dit doen we door het geven van voorlichting en zorgdragen voor een heldere communicatie over de kaders waar partijen in de samenleving zich aan moeten houden. 7.1.1Communicatie en voorlichting Door vroegtijdig duidelijk te maken welke kaders en regels er gelden, kan veel schade aan de fysieke leefomgeving worden voorkomen. Dit vereist een goede en gerichte voorlichting en communicatie richting inwoners, bedrijfsleven, bezoekers en belanghebbenden. Het is belangrijk om partners en stakeholders vroegtijdig te betrekken en indien mogelijk samen te werken. Het vraagt ook van de organisatie om aanvragen, overtredingen, klachten en maatschappelijke vraagstukken integraal te behandelen en op te pakken. Daarbij moeten ze ook oog hebben voor de preventieve werking van beleidsmaatregelen op andere beleidsvelden dan waar de aanvraag, klacht, overtreding of vraag betrekking op heeft. In de contacten over VTH-aangelegenheden staat een klantgerichte, pragmatische en oplossingsgerichte benadering van initiatiefnemers en aanvragers centraal. Daarbij geldt als beperking: voor zover dat dit binnen de gestelde wettelijke en gemeentelijke kaders mogelijk is. Uitgangspunt is een klantgerichte en klantvriendelijke benadering waarbij binnen de vigerende kaders steeds gezocht wordt naar een passende oplossing. Als een initiatiefnemer/aanvrager er met de geboden informatie op de website en vanuit het KCC niet uitkomt, is er altijd een gesprek met de behandelend medewerker mogelijk. Hiermee wordt voorzien in een professionele en klantgerichte dienstverlening. Wij sluiten daarvoor aan bij de belevingsprincipes (zie hieronder) op basis van de Omgevingswet.1Bron: Uniform beleid voor de uitvoering van vergunningverlening, toezicht en handhaving 2019 – 2021 | Lokale wet- en regelgeving Belevingsprincipes zijn richtlijnen voor de gewenste klantbeleving. Deze belevingsprincipes zijn opgesteld op basis van klantbehoeften uit het landelijk uitgevoerde kwalitatieve klantonderzoek en de klantgerichte strategie van de Omgevingswet. In Figuur 5 zijn de belevingsprincipes weergegeven. Figuur 5 Belevingsprincipes Omgevingswet Indien gewenst vindt een vooroverleg of contact plaats. Hierbij wordt gestreefd om direct tot een zo goed mogelijke inschatting van de haalbaarheid van de aanvraag te komen. Vindt een overtreding van de regels plaats? Dan wordt geprobeerd om in overleg met de partijen tot een werkbare oplossing te komen. De inzet is erop gericht om het aantal klachten zo klein mogelijk te houden. Het afhandelen van klachten en meldingen heeft binnen de organisatie een zeer hoge prioriteit. Dit houdt in dat urgente klachten en meldingen direct worden opgepakt en voor het overige er een snelle opvolging van klachten is geborgd. 7.1.2Interne en externe afstemming De gemeente zet in zijn UHS dan ook expliciet in op preventie, vanuit een goede voorlichting, communicatie en overleg. Uitgangspunt daarbij is dat de meeste initiatiefnemers en aanvragers bereid zijn te voldoen aan de gestelde regels en kaders. Een voorwaarde is wel dat ze daarover tijdig en goed communiceren. Vanuit deze basisgedachte wordt ingezet op een preventieve insteek. Dit om te voorkomen dat het naleven van de regels moet worden afgedwongen met het inzetten van dwangmiddelen. De gemeentelijke website wordt ingezet om helderheid te verschaffen over de geldende kaders. Daarnaast worden ook de website van OD IJsselland en klantcontacten gebruikt. Verder worden deskundige backoffice medewerkers en overleggen met belangrijke stakeholders ingezet, zoals het bedrijfsleven, agrariërs, horeca, verenigingen. Tijdens contacten met initiatiefnemers en aanvragers van vergunningen en tijdens het toezicht op bedrijven en activiteiten worden de kaders ook toegelicht. Partijen die als intermediair een bijdrage kunnen leveren rond deze voorlichting worden daarin gefaciliteerd. Zo wordt een reëel verwachtingspatroon bij de gebruikers van de leefomgeving gesteld. Het vraagt tegelijkertijd ook binnen de gemeente zelf om een goede afstemming tussen de diverse beleidsvelden. 7.2Vergunningenstrategie Onderdeel van het nieuwe stelsel voor vergunningverlening, toezicht en handhaving is het formuleren van een strategie voor het verlenen van een vergunning. Bij het voorbereiden van deze strategie is gebruik gemaakt van enkele andere vergunningenstrategieën2Vergunningenstrategie Omgevingsrecht, IPO, conceptversie 19 april 2017; Regionale VTH-strategie 2016-2019, RUD NHN; milieuplan provincie Groningen 2017-2020, provincie Groningen, 24 maart 2017.. Doel en reikwijdte van de vergunningenstrategie Vergunningverlening levert een bijdrage aan het reguleren, verbeteren en handhaven van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Om de gewenste inzet en kwaliteit te bepalen, worden de verschillende belangen tussen de voorgenomen activiteiten en de gevolgen voor de fysieke leefomgeving zorgvuldig afgewogen. Voor toezicht en handhaving zijn al geruime tijd strategieën in gebruik, maar voor vergunningverlening is het strategisch werken nog geen gangbare praktijk. Deze vergunningenstrategie is algemeen opgezet. Het omschrijft de kaders en uitgangspunten voor het taakveld vergunningverlening en de keuzemomenten hierin. Een gedegen uitvoering verkleint het risico op bezwaar en beroep en op uitvoeringsproblemen bij toezicht en/of handhaving. Bepalend voor de noodzakelijke inzet op een aanvraag is de mate waarin deze technisch ingewikkeld is en de maatschappelijke en sociale impact van het gebruik van de vergunning. Deze twee paramaters zijn in deze strategie in een matrix geplaatst. De uitgewerkte strategie is opgenomen in bijlage 1. 7.3Toezichtstrategie Om te controleren of vergunningvoorschriften en regels worden nageleefd, is er sprake van toezicht. Voor de medewerkers die de controle uitvoeren, maakt de toezichtstrategie duidelijk hoe zij hun werk moeten doen. Bijvoorbeeld door in gelijke gevallen gelijk op te treden. Goed toezicht begint met een goede voorbereiding. Dat betekent dossieronderzoek, verzamelen van aanvullende relevante informatie en opstellen van een controle-checklist. Tijdens het daadwerkelijke toezicht wordt gecontroleerd of er sprake is van overtredingen en worden die waar nodig is hersteld. Maar belangrijker nog: we proberen overtredingen te voorkomen, zodat we niet sanctionerend hoeven op te treden. Ofwel, hoe kan de toezichthouder ongewenst gedrag ombuigen naar gewenst gedrag? Dit heeft voor zowel toezichthouders als bedrijven en inwoners voordelen. Zoals al eerder aangegeven onder preventiestrategie, is het geven van voorlichting een essentiële stap. Dat zal niet altijd het gewenste effect hebben. In dat geval wordt er niet aan ontkomen om de volgende stap in de nalevingsstrategie te zetten: sanctioneren. De toezichtstrategie is opgenomen in bijlage 2. 7.4Sanctiestrategie Om handhavingsdoelen te kunnen realiseren, is het noodzakelijk afspraken te maken over de manier waarop de handhaving wordt vormgegeven. Hiervoor wordt aansluiting gezocht g bij de zogeheten Landelijke handhavingsstrategie Omgevingswet (LHSO). De LHSO is een beleidskader voor de bestuursrechtelijke- en strafrechtelijke handhaving. Het doel van deze strategie is uitvoering geven aan de beginselplicht tot handhaven, passend optreden bij overtredingen, in vergelijkbare situaties vergelijkbare keuzes maken en interventies kiezen en toepassen op eenduidige wijze. Dit kan op zowel strafrechtelijke wijze (bestraffend) als bestuursrechtelijk (gericht op het herstel van de situatie). De keuze van de in te zetten bestuursrechtelijke sanctie vindt plaats aan de hand van de in de strategie opgenomen interventieladder en interventiematrix. Daarbij zijn het gevolg van de overtreding en het gedrag van de overtreder bepalend voor de wijze hoe er gehandhaafd wordt. De landelijke handhavingsstrategie Omgevingswet is opgenomen in Bijlage 3 7.5Gedoogstrategie Er zijn uitzonderlijke situaties denkbaar waarin het opleggen van sancties niet gewenst is. In dat geval kan een overtreding gedoogd worden. Onder gedogen wordt verstaan het expliciete schriftelijke besluit van een bestuursorgaan om tegen een bepaalde overtreding niet handhavend op te treden terwijl het bestuursorgaan in beginsel juridisch bevoegd en feitelijk in staat is om op te treden. Gedogen is echter wel aan voorwaarden gebonden. Hiervoor wordt de landelijke gedoogstrategie ‘Gedogen in Nederland’ gevolgd. Deze is nagenoeg hetzelfde als de gedoogstrategie die eerder was opgenomen in de Handhavings- en gedoogstrategie Fysieke Leefomgeving Overijssel en welke sommige gemeenten nog hanteren. Op basis daarvan wordt bepaald in welke situaties het opleggen van sancties tijdelijk achterwege wordt gelaten. Gedogen staat op gespannen voet met het doel om het naleefgedrag te verbeteren en een betrouwbare organisatie te zijn. Gedogen wordt daarom beperkt tot zeer bijzondere situaties, waarbij op korte termijn uitzicht bestaat op het opheffen van de overtreding of op het legaliseren van de situatie, bijvoorbeeld doordat een vergunning verleend kan worden. De gedoogstrategie is opgenomen in bijlage 4. 7.6Intrekkingsstrategie In de Omgevingswet zijn regels opgenomen voor het (gedeeltelijk) intrekken van vergunningen en ontheffingen. Aanleiding voor de intrekking kan o.a. handhaving zijn, waarbij het intrekken van een vergunning als sanctie wordt gezien of intrekken op verzoek van de vergunninghouder of belanghebbende. Ook kunnen wij ambtshalve de procedure tot het intrekken van vergunningen of ontheffingen starten. 8.Organisatie en uitvoering In dit hoofdstuk wordt beschreven welke kwaliteitseisen worden gesteld aan de uitvoeringsorganisatie. Deze kwaliteitseisen vloeien direct voort uit wet- en regelgeving die betrekking hebben op de taken vallend onder de reikwijdte van de Omgevingswet. 8.1Organisatie De kwaliteitseisen op het organisatorische vlak betreffen tenminste: Een scheiding tussen vergunningsverlening en handhaving op personeelsniveau; Een roulatiesysteem voor handhavers ter voorkoming van het ontstaan van handhavingsrelaties; Het op schrift vastleggen van de bevoegdheden, taken en verantwoordelijkheden; Een bereikbaarheidsregeling voor de bereikbaarheid buiten kantooruren. 8.1.1Scheiding vergunningverlening, toezicht en handhaving Bij de inrichting van de gemeentelijke organisaties is uitgegaan van een procesgerichte sturing. Inhoudelijk ligt het zwaartepunt bij de kernprocessen vergunningverlening en toezicht en handhaving. Deze kernprocessen worden gescheiden uitgevoerd. De gemeente kent geen afzonderlijke afdeling of team voor Vergunningverlening of Toezicht en Handhaving. Er geldt een functiescheiding op persoonsniveau tussen vergunningverlening enerzijds en toezicht en handhaving anderzijds. Medewerkers vergunningverlening worden niet belast met toezicht of –handhaving en andersom. 8.1.2Roulatiesysteem Een handhavingsorganisatie bij grotere en omvangrijkere controles moet een roulatiesysteem hebben. Dit om te voorkomen dat er een nauwe band ontstaat tussen een toezichthouder en personen die werkzaam zijn bij een te controleren branche/locatie of geografische gebieden. 8.1.3Bevoegdheden, taken en verantwoordelijkheden De bevoegdheden, taken en verantwoordelijkheden van een toezichthouder of opsporingsambtenaar moeten wettelijk op schrift worden vastgelegd. De toezichthouders zijn als zodanig door het college van B&W aangewezen. Bij deze aanwijzing zijn ook de taken en bevoegdheden vastgelegd. De aanwijzing vindt plaats op functieniveau. Daarnaast wordt voorzien in een beschrijving van de werkprocessen waarin wordt vastgelegd op welke wijze vergunningverleners en handhavers de werkzaamheden uitvoeren. In de gemeentelijke mandaatregeling is verder geregeld welke zaken door het college van B&W aan de afdeling zijn gemandateerd. Inzichtelijk dient te zijn of aan de gestelde eisen van de Verordening kwaliteit VTH wordt voldaan (vlieguren, opleidingsniveau e.d.). 8.1.4Klachten- en bereikbaarheidsregeling Volgens het Omgevingsbesluit onder de Omgevingswet moet de gemeentelijke organisatie ook buiten de gebruikelijke kantooruren bereikbaar en beschikbaar zijn voor de klachten en/of meldingen op gebied van VTH. Ten aanzien van milieuaspecten is hiertoe een regionale regeling getroffen in de vorm van het milieumeldpunt bij de provincie. In acute situaties worden van daar uit medewerkers van de Omgevingsdienst opgeroepen om ter plaatse te gaan. In andere gevallen wordt de klacht/melding genoteerd en doorgezet naar de OD IJsselland, zodat deze tijdens kantoortijden wordt behandeld. Ten aanzien van de niet-milieuklachten en meldingen kent de gemeente een bereikbaarheidsregeling. Deze regeling zorgt dat bij spoedeisende klachten en/of meldingen buiten kantooruren de piketmedewerker van het domein beheer bereikbaar is. Met de hulpdiensten (politie, brandweer) is afgesproken dat zij waar nodig twee uur per dag contact kunnen opnemen met de toezichthouders van de gemeente. De daarvoor benodigde contactgegevens zijn bij hen bekend. De behandelingstijd voor klachten of meldingen is niet genormeerd. De benodigde tijd hangt namelijk af van de aard van de klacht/melding. Bijlage1Vergunningenstrategie De vergunningenstrategie verstaat onder vergunningverlening: het verlenen, (gedeeltelijk) weigeren, wijzigen of (gedeeltelijk) intrekken van een omgevingsvergunning (mogelijk als onderdeel van een legalisatietraject); het verlenen van een ontheffing; het behandelen van een melding; het behandelen van een informatieplicht; het opstellen van een maatwerkvoorschrift en/of gelijkwaardigheid; het opstellen van een gedoogbeschikking (zie hiervoor de gedoogstrategie); het afgeven van een advies met instemming; het actualiseren van een vergunning. De vergunningsstrategie heeft betrekking op alle wet- en regelgeving waarvoor de gemeente binnen het domein van het omgevingsrecht bevoegd gezag is. De uitvoering is gericht op een integrale benadering van wetten en besluiten die vallen onder de Omgevingswet. De hieronder beschreven werkwijzen gelden vanzelfsprekend voor zover die binnen de wettelijke mogelijkheden toepasbaar zijn. De vergunningenstrategie is een beslissingsondersteunendmodel bij het komen tot een bij de omgeving passend kader bij elk besluit. De vergunningenstrategie heeft de volgende doelen: vaststellen van gezamenlijke uitgangspunten die het bevoegd gezag kan toepassen in de zorg voor de leefomgeving; mogelijk maken van ruimtelijk-economische initiatieven met acceptabele gevolgen voor de fysieke leefomgeving; maximaal inzetten van mogelijkheden voor innovatie; onder meer op het gebied van veiligheid, gezondheid en duurzaamheid; uniformeren van het proces van vergunningverlening ter vermindering van regeldruk; bieden van uitgangspunten voor het werken als één overheid; signaleren en verkleinen van het risico op latere omgevingsproblemen. Met het vaststellen van de vergunningenstrategie voldoet het bevoegd gezag aan de eis uit de Omgevingswet om een strategie voor vergunningverlening toe te passen. De uitvoering van vergunningverlening aan de hand van een strategie past in een cyclisch proces waarvoor de BIG 8 wordt gebruikt (plan, do, check, act) als beschreven in paragraaf 1.2. Uitvoeren vergunningenstrategie Het speelveld van de vergunningenstrategie wordt gevormd door twee assen. Deze assen zijn de technisch-inhoudelijke complexiteit en de sociaal-maatschappelijke complexiteit van de situatie, die klein of groot kunnen zijn. De assen worden als volgt beschreven: Technisch-inhoudelijke complexiteit In het geval de aanvraag of de actualisatie een technisch-inhoudelijk complexe situatie betreft en/of de activiteit daarvan binnen een gebied ligt of komt te liggen dat een grote dynamiek kent en/of gevoelige functies herbergt, zal bij toekenning van de vergunning zorgvuldig worden overwogen of er naast standaard voorschriften (ook) specifieke voorschriften moeten worden opgenomen. Vaak gaat het om uitgebreide procedures en waar dit niet het geval is zal complexiteit extra inspanning vragen aan de voorkant van processen in de vorm van vooroverleg. Wordt de aanvraag in een beperkte of geen technisch-inhoudelijke complexe situatie behandeld, dan volstaan vooral standaard-voorschriften en er is sprake van reguliere procedure. Sociaal-maatschappelijke complexiteit Als de sociaal-maatschappelijke complexiteit van de situatie daarentegen groot is, ligt het totstandkomingsproces gecompliceerder. Bijvoorbeeld vanwege de betrokken inrichting of initiatiefnemer en diens voorgeschiedenis of economisch belang en/of aanwezige belangenorganisaties die zich roeren. In dat geval moet er bestuurlijke afwegingsruimte worden ingevuld en is het proces minstens zo belangrijk als de inhoud. Afstemming, (voor)overleg en/of samenwerking zijn noodzakelijk tussen het bevoegd gezag (ambtelijk en bestuurlijk), de inrichting of initiatiefnemer in kwestie en belanghebbende derden. Het kan zijn dat er veel klachten uit de omgeving komen of dat er een actieclub actief is. Bij een geringe of afwezige sociaal-maatschappelijke complexiteit kan het proces dat leidt tot een vergunning betrekking gemakkelijk worden doorlopen. Indien de sociaal-maatschappelijke complexiteit echter groot is, dan is ook het proces van totstandbrenging gecompliceerder. In dat geval moet de beschikbare bestuurlijke afwegingsruimte (ten volle) worden benut en waar mogelijk in overleg, afstemming en samenwerking met de betrokken belanghebbenden. In combinatie leiden beide assen tot vier typen vergunningen en meldingen. In figuur 6 is dit visueel weergegeven. Figuur 6 Onderscheid complexiteit vergunningverlening Werkwijze bij meldingen, maatwerkvoorschriften en/of gelijkwaardigheid Bovenstaande typering is breder bruikbaar dan vergunningen en kan naar analogie worden toegepast voor het behandelen van meldingen en het opstellen van maatwerkvoorschriften en/of gelijkwaardigheid in het kader van algemene maatregelen van bestuur. De werkwijze op basis van bovenstaande figuur voor meldingen is ‘hierna opgenomen in ‘onderdeel meldingen’. Behandelen vergunningaanvragen en meldingen Omgevingsgerichtheid toetsen van de (nieuwe) activiteit aan de belasting op de omgeving (incl. milieu); inhoudelijk beoordelen van de aanvraag na een integrale beoordeling en toetsing van de weigeringsgronden; voorkomen van onaanvaardbare belasting voor de omgeving (natuur, milieu, mens en dier); toetsen aan het model van technisch-inhoudelijke en sociaal-maatschappelijke complexiteit; adresseren van (mogelijk) politiek-bestuurlijke aandachtspunten; adresseren van (mogelijk) aanwezige maatschappelijke onrust in de omgeving van de (nieuwe) activiteit, het werken volgens (lokale) communicatiestrategie: vroegtijdig verbinding zoeken met partners, versterken relaties in- als extern; bepalen van mogelijkheden tot innovatie en duurzaamheid in de voorschriften behorende tot de vergunning; werken vanuit de kernthema’s integraliteit, uniformiteit, gelijke procedures en gelijke voorschriften bij vergelijkbare aanvragen. Transparantie afstemmen van de vergunningverlening op landelijke algemene regelgeving en landelijke standaarden en op het gemeentelijk en/of het provinciaal beleid; zorgdragen voor een vergunning die op maat is opgesteld, helder, transparant, openbaar en digitaal beschikbaar is, begrijpelijk is voor burger en bedrijf en die handhaafbaar is; baseren van voorschriften op actuele regels en Best Bestaande Technieken (BBT) met waar nodig en mogelijk toepassen van zogenoemde doelvoorschriften; overzichtelijk vastleggen van alle verleende/niet geaccepteerde en geweigerde vergunningen/meldingen per bedrijf, zodat alle wettelijke verplichtingen van een bedrijf op ieder moment inzichtelijk is voor het bevoegd gezag en haar ketenpartners; bevorderen van de mogelijkheid het VTH-beleid van het bevoegd gezag digitaal te raadplegen. Differentiatie intensief behandelen van aanvragen om een vergunning voor activiteiten die bij niet-naleven schade kunnen veroorzaken aan natuur, milieu, mens en dier met aandacht voor mogelijk maatregelvoorschriften. Aanvraag (activiteit), besluit (vergunning) en voorschriften (exacte condities) worden waar nodig in detail geformuleerd; toepassen van maatregel(middel)voorschriften wanneer landelijke voorschriften onvoldoende helder zijn in de toepassing op een specifieke situatie of als er sprake is van slecht naleefgedrag. Professionaliteit en samenwerking integrale benadering van de verschillende facetten van de aanvraag; combineren van opleveren van de vergunningverlening met een eerste toezichtbezoek (vergunningverlener en toezichthouder) bij technisch-inhoudelijk en sociaal-maatschappelijk complexiteit groot met als doel versterken verbinding tussen vergunningverlening en toezicht en verhoging van de kwaliteit van de vergunning en de handhaafbaarheid; het toetsen of vergunning handhaafbaar is (4-ogen principe); integrale behandeling van zienswijzen; deelnemen aan de geborgde (landelijke) kennisinfrastructuur, die verbonden is aan de taakuitvoering door het bevoegd gezag; regionale uitwisselen van kennis en goede voorbeelden. participatie regionale omgevingstafel; Samenwerken op basis van de vergunningenstrategie Met de toepassing van de vergunningenstrategie is het instrument vergunningverlening maximaal in te zetten voor het bereiken van bestuurlijke ambities en beleidsdoelen voor de omgeving. Uitgangspunt is dat met een efficiënte werkwijze een kwalitatief hoogwaardig product wordt geleverd. Aan de voorkant is dit klantgericht en waar mogelijk flexibel georganiseerd. Aan de achterkant zijn de processen duidelijk en uniform vormgegeven en worden aanvragen/meldingen behandeld op basis van het uitvoeringskader dat wordt toegelicht in de volgende paragraaf. Bij de toedeling van taken is het uitgangspunt dat het frontoffice is ondergebracht bij de bevoegde gezagen. Het ‘gemeenteloket’ (of: ‘provincieloket’) is hiermee voor burgers en bedrijven dé ingang ten aanzien van het omgevingsrecht. Het bevoegde gezag verzorgt de registratie en de intake van de klantvraag. Dit laatste houdt in dat onderzocht wordt welke toestemmingen nodig zijn voor een bepaalde activiteit. Organiseren/begeleiden van het overleg met de aanvrager (vooroverleg) Om kwaliteit te leveren worden plannen en initiatieven integraal en zo vroeg mogelijk, integraal beoordeeld, mede op basis van de vergunningenstrategie. Daarbij worden ketenpartners, adviseurs en belanghebbende derden betrokken. Behandelen vergunningaanvragen en meldingen Voor een kwalitatief goede beoordeling wordt bij het behandelen van een aanvraag om een vergunning of een melding een lijn gevolgd op basis van 4 elementen: omgevingsgerichtheid, transparantie, differentiatie, professionaliteit en samenwerking (zie hierna). Door ontwikkelen vergunningenstrategie Deze vergunningenstrategie is algemeen van opzet en bevat geen inhoudelijke kwaliteitsnormen ten aanzien van verschillende vakinhoudelijke thema’s (milieu, bouw, r.o., brandveiligheid, APV, bijzondere wetten). Het beleidsinstrument van vergunningen en algemene regels wordt ingezet om een bepaalde, gunstige toestand van de fysieke leefomgeving te bereiken of te behouden. Toelichting verschillende typeringen van vergunningen 1.Vergunning eenvoudig Voorbeeld: Dit zijn de eenvoudige bouwplannen zoals een aanvraag voor een ruimtelijke omgevingsvergunning voor een; dakkapel, aan-uit- of bijgebouw, carport, interne verbouwing, gevelwijziging of een erfafscheiding. Onder de Wet kwaliteitsborging bouwen zijn dit de zogenaamde gevolgklasse categorie 0 bouwwerken en mogelijk deels categorie 1 bouwwerken (meldingsplicht) waarbij er geen technische vergunning meer noodzakelijk is vanuit de gemeente. Er zijn geen locatie specifieke problemen te verwachten. Technisch-inhoudelijk en sociaal-maatschappelijk is de aanvraag niet complex. De vergunning is technisch-inhoudelijk en sociaal-maatschappelijk niet complex. De vergunning bestaat vooral uit standaardvoorschriften. De omgevingsvergunning kan zelfstandig door de interne organisatie worden voorbereid. Afstemming met ketenpartners is niet noodzakelijk. De vergunning kan worden afgedaan met behulp van de snelserviceformule. De snelserviceformule zorgt ervoor dat inwoners bij eenvoudige verbouwingen in en om het huis binnen een kwartier weten of er gebouwd mag worden met of zonder vergunning. Als er een vergunning nodig is, gaat de aanvraag simpel en snel. 2.Vergunning eenvoudig+ Voorbeeld: Het voornemen bestaat een hostel te vestigen in een bestaand bedrijfsgebouw dat voor die nieuwe bestemming uitgebreid dient te worden met een keukengebouw en een gebouw met slaapgelegenheid voor 150 personen. Voor de wijziging is een afwijkingsbesluit van het Omgevingsplan noodzakelijk. Technisch-inhoudelijk is de aanvraag niet complex voor wat betreft bouwvoorschriften, milieuvoorschriften en voorschriften over brandveiligheid. Het centrum stuit echter op grote bezwaren vanuit de omgeving. Sociaal-maatschappelijke context is groot. Voordat de vergunningverlener aan de slag gaat, moet het bevoegd gezag communicatie strategisch toepassen. De situatie is technisch-inhoudelijk gezien niet complex. Een verzoek als deze kan worden afgedaan met behulp van de ontwerpformule. Hierbij gaat het om de ruimtelijke/maatschappelijke initiatieven zoals vooroverleggen of aanvragen voor (buitenplanse) Omgevingsplan activiteiten. Het initiatief kan in afwijking zijn met de geldende regels van het omgevingsplan. De sociaal- maatschappelijke complexiteit vraagt dat de aanvraag wordt behandeld met extra aandacht voor zorgvuldige afstemming tussen de omgevingsdienst, het bevoegd gezag (ambtelijk en bestuurlijk), initiatiefnemer en belanghebbenden. 3.Vergunning specifiek Voorbeeld: bijvoorbeeld het starten en bouwen van een nieuw bedrijf met kantoor en een bedrijfshal of het realiseren van een uitbreiding van een agrarisch bedrijf De situatie is technisch-inhoudelijk complex, maar de sociaal-maatschappelijke complexiteit is klein. Een verzoek als deze kan worden afgedaan met behulp van de ontwerpformule. Het initiatief is meestal niet zozeer in strijd met de geldende regels van het omgevingsplan maar is de complexiteit het gevolg van de samenloop van meerdere activiteiten. Bijvoorbeeld is naast de vergunningsplichtig activiteit bouwen ook een aanvraag nodig voor gemeentelijk monument en/of milieu/melding brandveilig gebruik. Het initiatief kan ook bestuurlijk en maatschappelijk gevoelig liggen en/of in afwijking zijn met de omgevingsvisie. De vergunning zal door het bevoegd gezag worden voorbereid in nauwe samenwerking met de ketenpartners. 4.Vergunning specifiek+ De situatie is zowel technisch-inhoudelijk als sociaal-maatschappelijk complex. Een verzoek als deze kan worden afgedaan met behulp van de ontwerpformule. Hierbij gaat het om complexere ruimtelijke/maatschappelijke/technische initiatieven zoals vooroverleggen of aanvragen voor (buitenplanse) Omgevingsplan activiteiten. Het initiatief is meestal in afwijking van de geldende regels van het omgevingsplan en er is sprake van meerdere activiteiten die het initiatief technisch complex maakt. Bijvoorbeeld naast de vergunningsplichtig activiteit bouwen en/of RO, ook een aanvraag nodig voor gemeentelijk monument en/of milieu/melding brandveilig gebruik. Het initiatief kan ook bestuurlijk en maatschappelijk gevoelig liggen en/of in afwijking zijn met de omgevingsvisie. Zowel de technische complexiteit als de sociaal-maatschappelijke complexiteit vragen dat de aanvraag wordt behandeld met extra aandacht voor zorgvuldige afstemming tussen de omgevingsdienst, het bevoegd gezag (ambtelijk en bestuurlijk), de initiatiefnemer en belanghebbenden. Bijlage2Toezichtstrategie We zetten onze toezichtcapaciteit zo efficiënt en effectief mogelijk in. Zo vindt er gepland toezicht plaats op basis van vooraf gemaakte keuzes (risicoanalyse). De planning wordt jaarlijks vastgelegd in het uitvoeringsprogramma. Niet alles is echter vooraf in te plannen. Ongewone voorvallen of klachten kunnen toezicht noodzakelijk maken. Dit niet geplande toezicht is over het algemeen niet goed voor te bereiden en doet een aanslag op de beschikbare middelen die voor het geplande toezicht waren voorzien. In het uitvoeringsprogramma worden, op basis van kentallen, uren gereserveerd voor onvoorzien toezicht. We zetten verschillende vormen van toezicht in. Wat is toezicht? Onder het houden van toezicht wordt hier verstaan alle werkzaamheden die door of namens een bestuursorgaan worden verricht om na te gaan of voorschriften van verordeningen, vergunningen, ontheffingen en meldingen3Het betreft alle besluiten die gelden als een algemeen geldend voorschrift (wet en verordening) of een beschikking (vergunning en alle voor individuele gevallen geldende voorschriften die met een vergunning kunnen worden gelijkgesteld, zoals een melding en een ontheffing). Een bestuursorgaan geeft een vergunning, waarbij aan een bedrijf, een particulier of een overheidsinstantie toestemming wordt verleend om een bepaalde activiteit (die zonder vergunning verboden is en niet mag worden uitgevoerd) toch voor een bepaalde periode en onder voorschriften uit te voeren (Wabo, art. 2.1). worden nageleefd. Deze werkzaamheden worden uitgevoerd door speciaal daarvoor aangewezen toezichthouders. Een toezichthouder is een persoon bij of krachtens wettelijk voorschrift belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift. Van dit toezicht houden gaat een belangrijk preventief effect uit. De werkzaamheden bestaan in de praktijk uit het uitvoeren van controles, zonder dat van een overtreding van een wettelijk voorschrift hoeft te zijn gebleken. Er kan worden gecontroleerd door (al dan niet met afspraak) een bezoek aan een activiteit, een bedrijf of een bouwwerk te brengen. Dit kan ook een “ongepland” bezoek zijn naar aanleiding van wat tijdens een algemene inspectieronde wordt geconstateerd of naar aanleiding van een klacht of een (melding van een) ongewoon voorval. Samengevat: onder toezicht wordt verstaan het controleren of en in hoeverre wettelijke bepalingen worden nageleefd. Soms is het toezicht administratief van aard en soms kan dit zelfs op afstand. De eventuele overtredingen van de regels en voorschriften worden tijdens het uitoefenen van toezicht gesignaleerd en daarop worden dan eventuele acties ondernomen. Er zijn twee hoofdvormen van toezicht te onderscheiden, namelijk preventief en repressief toezicht. Preventief toezicht is het controleren van wettelijke bepalingen zonder dat daartoe een aanleiding bestaat in de vorm van concrete aanwijzingen voor niet-naleving van de wettelijke bepalingen. Preventief toezicht heeft dan het karakter van regulier toezicht. Er wordt van repressief toezicht gesproken als het toezichtbezoek gebaseerd is op aanwijzingen van niet-naleving van gestelde regels, bijvoorbeeld bij een klacht, of een ongewoon voorval of na een hercontrole. Doel van toezicht en deze strategie Toezicht en handhaving staan regelmatig hoog op de politieke en maatschappelijke agenda. Naleving van regelgeving is in onze samenleving namelijk geen vanzelfsprekendheid. Gezien de risico’s van bepaalde maatschappelijke activiteiten in de fysieke omgeving, die in het verleden tot incidenten en rampen hebben geleid en die dat nu en in de toekomst nog steeds kunnen doen, is naleving van regels, die die risico’s trachten te beheersen, van cruciaal belang. Het doel van toezicht is dat het naleven van de gestelde regels leidt tot een kleinere kans op het ontstaan van risico’s. Voorwaarde daarbij is wel dat de gestelde regels eenduidig, correct en duidelijk zijn gesteld en toepasbaar zijn op de betreffende situatie. De druk op de controles op activiteiten, van vergunningen, ontheffingen en meldingen, waarmee wordt toegezien op de naleving van de gestelde regels, is groot. Daarom worden er eisen gesteld aan de wijze waarop het toezicht wordt uitgevoerd. De mate waarin regels worden nageleefd is afhankelijk van de spontane naleving maar ook van controle en sancties. In deze strategie wordt aangegeven welke vormen van toezicht gehanteerd kunnen worden. In het jaarlijkse VTH-uitvoeringsprogramma wordt aangegeven waar welke vorm van toezicht wordt ingezet. De toezichtstrategie is een beslissingsondersteunend systeem dat gericht is op het op eenzelfde wijze uitvoeren van toezichtwerkzaamheden in overeenkomstige gevallen. De doelen hiervan zijn het bereiken van transparantie, professionaliteit, rechtszekerheid en rechtsgelijkheid voor diegenen waarop het toezicht zich richt en het voorzien in een hoge mate van effectiviteit en efficiency voor de uitvoerende diensten, zodanig dat de zo hoogst mogelijke maatschappelijke effecten tegen de zo laagst mogelijke inspanningen en kosten worden bereikt. De strategie heeft betrekking op de werkwijze die wordt gevolgd voor dat deel van het traject dat loopt van het toezicht programma tot en met het al dan niet constateren van de overtreding en het waar nodig bepalen van de ernst van de overtreding. Zodra een overtreding is geconstateerd wordt overgegaan op een andere strategie. Dit zal over het algemeen de sanctiestrategie zijn. In uitzonderlijke gevallen kan worden besloten de gedoogstrategie te volgen. Vormen van toezicht Het toezicht, dat door en voor de gemeenten en de provincie wordt verricht wordt opgenomen in een jaarlijks uitvoeringsprogramma. Om effectief en doelmatig te werk te gaan is het vaak nodig om de verschillende vormen van toezicht naast elkaar te hanteren. Het bevoegd gezag kiest uiteindelijk voor de meest optimale vorm. Wij onderscheiden de volgende vormen van toezicht. Toezicht bij oplevering Periodiek toezicht Thematisch toezicht Gebiedsgericht toezicht Administratief toezicht Toezicht n.a.v. klachten en ongewone voorvallen Toezicht tijdens lopende handhavingsprocedures 1. Toezicht bij oplevering Deze vorm is gekoppeld aan het afgeven van een omgevingsvergunning of het accepteren van een melding voor nieuwe activiteiten of wijzigingen daarvan. Het gaat hier om een zogenaamde oplevercontrole, waarbij wordt nagegaan of aan de voorschriften en eisen wordt voldaan, zoals opgenomen in de vergunning en/of regelgeving. Omdat er sprake is van een nieuwe of andere situatie, is extra aandacht vereist voor de uitvoering of aanwezigheid van voorgeschreven voorzieningen en bekendheid met de vigerende regels. Deze oplevercontrole levert een goed beeld op hoe het gesteld is met de naleving van regelgeving en kan dan ook van invloed zijn op de frequentie waarin in de toekomst toezicht wordt uitgeoefend. Wij streven naar integraal toezicht waarbij het doel is: het opheffen van de overtredingen. Overleg, uitleg, inzicht en uitleg voor een gewenste aanpak zijn daarvoor onontbeerlijk. Echter hier geldt wel: de gemeente is geen gratis adviesbureau en heeft niet de capaciteit om dagelijks toezicht te houden op de naleving van de gemaakte afspraken. Door bewoners en ondernemers, op hun eigen verantwoordelijkheid te wijzen en de contacten hen zo efficiënt mogelijk in te zetten proberen wij kostbare tijd te besparen. Van elke verleende vergunning en/of melding wordt in IJVI een toezichtzaak aangemaakt. Hiermee vindt geautomatiseerd de overdracht van het dossier plaats van Vergunningverlening naar Toezicht & Handhaving. Alle verleende omgevingsvergunningen en ingediende meldingen kunnen door de toezichthouders worden gecontroleerd. Gezien de aantallen moeten hier prioriteiten in worden gesteld. Bouwactiviteiten die uitsluitend wegens hun ligging vergunning plichtig zijn worden in beginsel niet gecontroleerd. Het gaat hierbij bijvoorbeeld over dakkapellen aan de voorzijde van een huis. Het toezicht hierop vindt alleen steekproefsgewijs plaats. Bouwfase Bij het toezicht in de bouwfase wordt, voor zover de Wkb niet of nog niet van toepassing is, een op de werkwijze van de gemeente Olst- Wijhe toegesneden versie van het toezichtprotocol van de Vereniging Bouw- en Woningtoezicht Nederland gehanteerd. De prioriteit ligt hier bij constructieve veiligheid en brandveiligheid. De bevindingen tijdens de controlebezoeken worden via de mobiele applicatie van IJVI middels bezoekrapporten vastgelegd. Monumenten De gemeente Olst- Wijhe heeft ruim honderd gemeentelijke en rijksmonumenten. Aanvragen om een aangewezen monument te wijzigen is te allen tijde een vergunning vereist. Dit geldt eveneens bij een verzoek om een monument te slopen. Bij dergelijke aanvragen wordt een deskundigenadvies gevraagd. Evenementen Wij kennen diverse evenementen. In hoeverre er bij de evenementen controle plaatsvindt hangt samen met de prioritering van deze activiteit in de risicoanalyse. De clusters APV en VTH leveren een bijdrage in de gesprekken met de organisatoren in de aanloop naar deze evenementen. Ook is er voorafgaand aan die evenementen een schouw. Hierbij is er vanuit de VTH-taak vooral aandacht voor bouwkundige, constructieve en brandveiligheids-aspecten. Vellen houtopstand Voor het kappen van een boom is meestal een omgevingsvergunning nodig. Wanneer is geregeld in de Algemene Plaatselijke Verordening of het Omgevingsplan. Als de locatie het toelaat wordt in de vergunning een herplantplicht meegenomen. Er wordt toezicht gehouden op het nakomen van deze herplantplicht (op een vast moment in het jaar, aangezien de vergunninghouder 1,5 jaar de tijd heeft om aan de herplantplicht te voldoen). 2. Periodiek toezicht Al bestaande inrichtingen, objecten of installaties worden op basis van een risicoanalyse volgens een bepaalde frequentie bezocht. Belangrijk hierbij is het risico van omgevingsveiligheid. 3. Thematisch toezicht Themagericht toezicht houdt in het toezicht naar aanleiding van projecten die voortkomen uit actuele landelijke thema’s of uit bestuurlijke prioriteiten. Enkele voorbeelden hiervan zijn de controles: op breedplaatvloeren, op Roest Vast Staal (RVS) bevestigingsmiddelen in zwembaden en op doorgestorte betonvloeren bij galerijflats. Onze taak bestaat dan veelal uit het maken van een inventarisatie van de locaties die van toepassing zijn; het waarschuwen van eigenaren en zo nodig hen daarna aanschrijven om onderzoek te laten doen dan wel de maatregelen te laten treffen. Achteraf moet er dan een controle uitgevoerd worden om te bepalen of deze onderzoeken en de noodzakelijke maatregelen door de verantwoordelijke partijen zijn uitgevoerd. Zo wordt in een korte tijd inzicht verkregen in het naleefgedrag voor dat thema. Aanleiding kan zijn het vermoeden dat op dit punt de regels niet in acht worden genomen. Vaak vallen dit soort controles binnen een project waarvoor een projectplan wordt geschreven. Een voorbeeld hiervan is de controle op het onderhoud van grote stookinstallaties in gebouwen in het kader van duurzaamheid. 4. Gebiedsgericht toezicht In dit geval spreken we van toezicht in het vrije veld of op basis van bijvoorbeeld een beheerplan of het bedrijvenbestand. Deze vorm van toezicht is meer gericht op het preventief aanwezig zijn in een stadsdeel, op een industrieterrein of in het buitengebied. Het is belangrijk dat bij het toezicht rekening wordt gehouden met de kans dat niet naleving van de regels zich zal voordoen en activiteiten niet bij ons bekend zijn terwijl men dit wel had moeten melden (zicht krijgen op illegale activiteiten). 5. Administratief toezicht Deze vorm wordt ook wel de controle ‘van achter het bureau’ genoemd. Een administratieve controle richt ziet op de juiste registratie van wettelijke verplichtingen Dus bijvoorbeeld een controle of aan keurings- en certificeringsverplichtingen is voldaan. Als daartoe aanleiding bestaat zal er een controle ter plaatse worden gehouden. 6. Toezicht n.a.v. klachten en ongewone voorvallen Reden voor deze controle is een binnengekomen klacht of melding van een calamiteit of mogelijk illegale situatie. De meeste klachten komen binnen via een Melding Openbare Ruimte (MOB) of het Klant Contact Centrum van de gemeente. Het overgrote deel van de klachten heeft betrekking op bouwwerkzaamheden in de onmiddellijke omgeving van de melder. Veelal is de klacht/melding terug te brengen tot de vraag of er wel de juiste vergunning is afgegeven voor de activiteiten die daar plaatsvinden. De toezichthouders nemen contact op met de melder en beoordelen de situatie ter plaatse. Als er sprake is van een overtreding wordt hiertegen opgetreden. In sommige gevallen kan dit via overleg worden opgelost. Indien overleg niet toereikend blijkt te zijn, wordt er een handhavingstraject gestart. Dit kan tot intensieve trajecten leiden waarbij er juridische capaciteit moet worden ingezet. Als er een verzoek om handhaving wordt ingediend wordt hier altijd juridische capaciteit op ingezet (beginselplicht tot handhaving). In veel gevallen blijkt dat er, achter het indienen van een klacht, sprake is van andere conflicten tussen de omwonenden. Het weer met elkaar in gesprek brengen kost tijd, maar levert dan vaak wel een duurzamer oplossing. 7. Toezicht tijdens lopende handhavingsprocedures Als uitvloeisel van de onder punt 1 tot en met 6 uitgevoerde toezicht vormen kan zijn dat een handhavingsprocedure wordt gestart om overtredingen op te heffen. Tijdens deze procedure is het nodig een vinger aan de pols te houden of de illegale situatie al dan niet is opgeheven en/of sancties nodig zijn. Het gaat hier dus om controles die worden gehouden na een vooraanschrijving, een opgelegde dwangsom- of bestuursdwangbeschikking of genomen beschikking tot gedogen of het intrekken van een vergunning. De controle richt zich alleen op de overtreding(
- en)waarop de brief of beschikking betrekking heeft. Van de controle wordt een verslag gemaakt dat moet voldoen aan de eisen die zijn vastgelegd in het protocol ‘bestuurlijke controle’. Toezicht tijdens de verschillende fasen Toezicht vindt op verschillende momenten plaats. De toezichtstrategie biedt hiervoor een aantal richtlijnen om een uniforme aanpak van controles van bedrijven, instellingen en objecten te bereiken. Dit mede omdat toezicht op de verschillende aspecten door verschillende toezichthouders plaatsvindt, eventueel al dan niet gezamenlijk in het kader van het integrale aspect. We kennen daarin verschillende fasen. De realisatiefase heeft voornamelijk te maken met de activiteiten slopen, inrichten, aanleggen en bouwen. Het toezicht kan plaatsvinden op onderdelen (op basis van prioriteitstelling), maar kan ook een controle van alle vigerende regelgeving en vergunde voorschriften betekenen. Bij de beheer- of gebruiksfase is allereerst sprake van planmatige (on)aangekondigde controles, de zogenaamde bedrijfs-, instellings- of objectcontrole. De controles kunnen wat betreft diepgang en reikwijdte verschillen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen een deelcontrole en een volledige controle. Het betreft beiden visuele controles. De deelcontrole is gericht op een beperkt aantal thema’s of onderwerpen. Een volledige controle is juist gericht op meerdere of alle thema’s of onderwerpen. Controles in de beheer- of gebruiksfase kunnen op verschillende manieren worden georganiseerd. Per bedrijf of gebied, per thema of onderwerp, zoals: specifieke aspecten; branchegericht; ketencontrole; geveltoezicht. Tot slot bestaat nog de sloopfase. Tijdens deze fase worden betreffende bouwwerken gesloopt en wordt een controle uitgevoerd van alle geldende wet- en regelgeving en vergunde voorschriften. Bijlage3Landelijke handhavingsstrategie Omgevingswet De Landelijke handhavingsstrategie Omgevingswet (hierna: LHSO) zet in op een passende interventie bij iedere overtreding. Handhavers hanteren de strategie bij iedere constatering van een overtreding en maken daarbij gebruik van de daarin aangegeven instrumenten. Dit waarborgt een effectieve en doelmatige handhaving. Het draagt bij aan passend en eenduidig optreden. Het waarborgt rechtszekerheid en rechtsgelijkheid. Een passende interventie is een interventie die is gebaseerd op de verzamelde feiten en op een beoordeling van de aard en ernst van de overtreding en van de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd, en die zo effectief en efficiënt mogelijk leidt tot spoedig herstel van de rechtmatige toestand, verdere naleving waarborgt, herhaling voorkomt en/of straft indien dit passend of noodzakelijk is om de normadressaat tot naleving te bewegen dan wel om de norm te bevestigen (speciale en generale preventie). Om in het omgevingsrecht tot een passende interventie te komen, zijn de volgende twee hoofdvragen leidend: Inzake herstel: 1a. Is herstel mogelijk? Zo ja, dan is in elk geval bestuursrechtelijk optreden aangewezen en is de vervolgvraag: 1b. Welke bestuursrechtelijke interventie is in dit geval het meest geschikt? Inzake bestraffing: 2a. Is er aanleiding voor bestraffing? Zo ja, dan is de vervolgvraag: 2b. Welke weg (bestuursrechtelijk of strafrechtelijk) is het meest passend? Dit zijn twee vragen met gelijk belang. Positieve beantwoording van de één betekent niet dat beantwoording van de andere hoofdvraag achterwege zou moeten worden gelaten. De vragen zijn nevengeschikt. Het zijn vragen die zowel door de bestuurlijke als door de strafrechtelijke handhavingspartners behoren te worden gesteld. In combinatie met het beginsel van loyale samenwerking betekent dit bijvoorbeeld ook dat het Openbaar Ministerie zich dient af te vragen of er herstel mogelijk is met bevoegdheden van de bestuurlijke handhavingspartners, en deze laatste partners of er bestraffende interventies kunnen zijn aangewezen waar het Openbaar Ministerie een taak heeft. Loyale samenwerking betekent onder meer ook dat waar mogelijk tijdig informatie wordt gewisseld om het beantwoorden van deze hoofdvragen op het juiste moment mogelijk te maken voor de ander in de handhavingssamenwerking. Ad 1a en 1b (inzake herstel) Centrale doelstelling van het omgevingsrecht is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Dit betekent dat bij de handhaving van het omgevingsrecht herstel van de rechtmatige toestand altijd het eerste doel moet zijn, indien herstel uiteraard mogelijk is. Herstel wordt hier ruim opgevat: het beëindigen van de overtreding, het wegnemen of beperken van de gevolgen van de overtreding en/of het voorkomen van herhaling van de overtreding. Het aansturen op herstel ligt primair op de weg van het bestuur, dat zo nodig namelijk een herstelsanctie (last onder bestuursdwang of last onder dwangsom) kan opleggen en effectueren. Dit volgt ook uit de beginselplicht tot handhaving. Welke bestuurlijke interventie het meest passend is, hangt af van de omstandigheden van het geval, zoals de aard en ernst van de overtreding, kenmerken van de overtreder en de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd of ontstaan. De keuze vindt plaats aan de hand van het stappenplan en de interventiematrix verderop in de LHSO. Ad 2a en 2b (inzake bestraffing) In het kader van integrale handhaving moet steeds worden beoordeeld of er aanleiding is om de overtreder te bestraffen. Redenen voor bestraffing worden ontleend aan de feiten en omstandigheden rond de overtreding, de overtreder of een combinatie daarvan. Het kan bijvoorbeeld zijn dat de overtreder al eerder in de fout is gegaan (recidive) of dat de overtreder de overtreding calculerend of welbewust heeft gepleegd. Ook de ernst van de overtreding, de wens om wederrechtelijk genoten economisch voordeel af te romen, het belang van ontmoediging, normbevestiging, individuele en algemene preventie etc. kunnen dergelijke redenen vormen. Strafrechtelijke handhaving is vaak aangewezen bij overtreding van de regels door een bepaalde functionaris of onderneming die in ethisch opzicht of in verband met het bijzondere vertrouwen dat in haar of zijn nastreven van normconform gedrag wordt gesteld een voorbeeldrol heeft. Dit kan per geval en ook per domein verschillen en wordt beoordeeld aan de hand van het stappenplan en de toepasselijke interventiematrix alsmede aan de hand van tussen de betrokken handhavingspartners gemaakte (afgestemde) afspraken. Als herstel niet meer mogelijk is, kan geen herstelsanctie worden opgelegd. Dat kan een indicatie zijn om een bestraffende sanctie op te leggen. Zie verder hoofdstuk 4 van deze strategie. Indien in een concreet geval aanleiding bestaat voor bestraffing en het bestuursrecht voor de betrokken overtreding een bestraffende sanctie mogelijk maakt (bestuurlijke boete), moet worden bekeken welke weg in dat geval het meest passend is: de bestuursrechtelijke of de strafrechtelijke. Dit kan per geval en per domein verschillen. Het OM en het bestuur zullen hierover afspraken moeten maken. Bij deze afspraken zal in de eerste plaats rekening moeten worden gehouden met de wens van de wetgever in het betrokken domein over de verhouding tussen de bestuurlijke of strafrechtelijke bestraffing. Juist waar de wetgever bepaalde overtredingen niet uitsluitend beboetbaar heeft gesteld, maar zowel strafbaar als beboetbaar kan de wens van de wetgever over de keuze tussen strafrechtelijke en bestuursrechtelijke bestraffing per domein of zelfs per (soort) overtreding uiteenlopen. Ook bij de inzet van het strafrecht is de effectiviteit in relatie tot de inzet van andere instrumenten leidend (optimum remedium in plaats van ultimum remedium). Doeltreffendheid, afschrikwekkendheid en evenredigheid zijn eisen die aan zowel de bestuursrechtelijke als de strafrechtelijke handhaving worden gesteld. Echter, het accent van deze eisen ligt bij strafrechtelijke handhaving iets anders dan bij bestuursrechtelijke handhaving. Zo zal de doeltreffendheid bij de bestuursrechtelijke handhaving meer gewicht hebben, en afschrikwekkendheid meer bij de strafrechtelijke handhaving. De scherpte van de sancties in het strafrecht en de kracht van de strafprocesrechtelijke bevoegdheden en methoden voor waarheidsvinding onderscheiden zich van bestuursrechtelijke handhaving. Dat betekent vaak dat bestuursrechtelijke handhaving sneller en breder effect kan hebben, terwijl strafrechtelijke handhaving dieper kan en moet gaan, en mede daardoor in voorkomend wat meer tijd kan vergen. Dit zijn factoren die bij de keuze tussen bestuursrechtelijke en strafrechtelijke bestraffing en bij de daarover te maken afspraken een rol zullen (moeten) spelen. OM, politie en andere opsporingsdiensten evenals het bestuur werken in voorkomende gevallen loyaal samen om tot een passende bestraffing te komen. Stappenplan om te komen tot passende interventie Deze paragraaf geeft een stappenplan voor het toepassen van de visie zoals hiervoor beschreven. Startpunt van het stappenplan zijn de bevindingen van het toezicht (al dan niet na een melding of aangifte): de constatering van feiten en omstandigheden en het oordeel van de toezichthouder, boa of handhaver daarover (de vaststelling dat sprake is van een overtreding). Het stappenplan is een hulpmiddel om de juiste afwegingen te maken en moet in geen geval als een rigide beslisboom worden beschouwd. De LHSO is immers vooral een afwegingsinstrument voor uitvoerders en richt zich tot hen. Aan de hand van het stappenplan, waartoe de hierna weer te geven interventiematrix behoort, kan worden gekomen tot onderling afgestemd en effectief handelen van de handhavingspartners 4Dit is ook de reden waarom de LHSO – evenals haar voorgangster – niet als recht in de zin van artikel 79 RO kan worden beschouwd (zie onder meer HR 17 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:436 en Hof Arnhem-Leeuwarden 7 juli 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:640). Uit rechtspraak vloeit voort dat op het openbaar ministerie niet de verplichting rust om in individuele, concrete gevallen te motiveren waarom de omstandigheden van die zaak het OM tot afwijking van de LHSO deden besluiten.. Het stappenplan bestaat uit de volgende vijf stappen: Stap 1: positionering van de bevindingen in de basisinterventiematrix. Stap 2: bepalen van de verzwarende aspecten die aanleiding kunnen geven voor een ingrijpender herstelsanctie of voor strafrechtelijk onderzoek of bestraffing. Stap 3: optreden aan de hand van de interventiematrix. Stap 4: bepalen of afstemmingsoverleg nodig is Stap 5: vastleggen stappen en beslissingen. Het stappenplan wordt hieronder per stap toegelicht. Het begrip ‘handhaver’ ziet op iedere functionaris (toezichthouder, opsporingsambtenaar, handhavingsjurist) die binnen de betrokken organisatie (een of meer onderdelen van) het stappenplan doorloopt. Stap 1: positionering van de bevindingen in de basisinterventiematrix De handhaver5Afhankelijk van de organisatie of het complexe karakter van de betrokken kwestie kan dit positioneren door twee (of meer) handhavers plaatsvinden. bepaalt in welk segment van de in figuur 1 opgenomen matrix (de basisinterventiematrix) hij zijn bevindingen positioneert door
(1)het beoordelen van de gevolgen van de overtreding voor de fysieke leefomgeving, zoals milieu, erfgoed, natuur, water, ruimtelijke ordening, veiligheid, gezondheid e.d., en
(2)het typeren van de (vermeende) overtreder. Figuur 7 Basisinterventiematrix voor het positioneren van de overtreding naar gevolgen en typering overtreder Ad 1 Typering van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving De handhaver beoordeelt de gevolgen van de geconstateerde overtreding voor de fysieke leefomgeving als: (vrijwel) nihil; of beperkt; of van belang; of aanzienlijk en/of onomkeerbaar. Onder gevolgen worden ook dreigende gevolgen verstaan, dat wil zeggen als de overtreding (mogelijk) leidt tot (bij categorie 3 en 4: aanmerkelijke) nadelige gevolgen van belang (of het risico daarop) voor de fysieke leefomgeving, zoals hinder, schade aan beschermde waarden (zoals milieu, natuur of erfgoed), verontreiniging, zieken, gewonden of doden (mens, plant en dier). Ook kunnen daaronder de gevolgen van een overtreding worden verstaan die de mogelijkheden van controle beperken of onmogelijk maken, en de gevolgen of verstorende effecten die de overtreding heeft of kan hebben voor het gezag van de overheid of voor het systeem van ordening- of normering van de betrokken bedrijfstak als zodanig. Bij gevolgen is sprake van een glijdende schaal en het verschilt per (type) overtreding wat de gevolgen kunnen zijn en hoe ernstig die kunnen zijn. In zijn algemeenheid gaat het bij categorie 1 en 2 om lichte overtredingen. Het onderscheid tussen gevolgen van belang (categorie 3) en aanzienlijke gevolgen (categorie 4) zit vooral in de ernst en omvang van de (dreigende) schade. Schade van enige omvang die onomkeerbaar is, wordt in beginsel ingedeeld in categorie 4. Voor specifieke domeinen of specifieke (bijvoorbeeld veelvoorkomende) overtredingen kan de kwalificatie van de gevolgen van een geconstateerde overtreding nader worden uitgewerkt om de handhavers houvast te bieden. De handhaver baseert zijn kwalificatie van de gevolgen op de bevindingen van het toezicht. Als duidelijk is dat de overtreding nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving heeft of kan hebben maar de precieze omgeving daarvan nog niet kan worden vastgesteld, hanteert hij als uitgangspunt dat er gevolgen van belang zijn. Ad 2 Typering van (het gedrag van) de overtreder De handhaver typeert de overtreder aan de hand van zijn gedrag als: Goedwillend (indien de overtreder proactief is, geneigd is om de regels te volgen en/of de overtreding het gevolg is van onbedoeld handelen); of Neutraal/onverschillig (indien de overtreder passief of reactief is, een houding van ‘moet kunnen’ heeft en/of de bevinding en de gevolgen van zijn handelen hem koud laten); of Calculerend/opportunistisch (indien de overtreder wist of moest weten wat de gevolgen van de bevinding zouden zijn en die op de koop toe neemt, alleen tot normconform gedrag overgaat indien de toezichthouder daar uitdrukkelijk op wijst (of daarvoor een sanctie laat opleggen of oplegt), bewust risico(’
- s)op overtreding neemt); of Notoir/crimineel (indien de overtreder bewust en structureel de regels overtreedt, controle bewust belemmert, criminele activiteiten ontplooit en/of deel uitmaakt van een criminele organisatie, sprake is van fraude, oplichting of witwassen). Van professionele marktpartijen en ervaren personen of bedrijven mag worden verwacht dat zij de regels kennen en streven naar de naleving daarvan. En voor de overheid als overtreder geldt hier dat voor de kennis over en de naleving van regels gelet op haar voorbeeldfunctie strenge maatstaven gelden. Dat betekent dat een geconstateerde overtreding al snel wijst op een onverschillige houding of zelfs aanknopingspunt kan zijn voor het aannemen van calculerend gedrag. Dat geldt sterker indien een overtreding (steeds) pas ongedaan wordt gemaakt nadat een toezichthouder erop heeft gewezen. De handhaver baseert de typering op de bevinding van het toezicht en neemt daarbij het gedrag van de overtreder en de toezicht- en handhavingshistorie mee in de beschouwing. De typering van de overtreder moet objectief en controleerbaar zijn en mag niet zijn gebaseerd op ‘onderbuikgevoelens’. Als de handhaver niet in staat is om de overtreder te typeren, dan is typering A het uitgangspunt bij overtredingen waarvan de gevolgen vrijwel nihil zijn (categorie 1) en typering B het uitgangspunt bij overtredingen met beperkte gevolgen, gevolgen van belang of aanzienlijke/onomkeerbare gevolgen (categorie 2, 3 en 4). Stap 2: bepalen van de verzwarende aspecten die aanleiding kunnen geven voor een ingrijpender herstelsanctie of voor strafrechtelijk onderzoek of bestraffing. De handhaver bepaalt of er verzwarende aspecten zijn die aanleiding geven voor een meer ingrijpende op herstel gerichte interventie of voor bestraffing. Bij de op herstel gerichte interventie hangen de verzwarende aspecten samen met de mate waarin er op feiten en omstandigheden gebaseerd vertrouwen is dat de overtreder terugkeer naar normconformiteit nastreeft en herstel. Dat vertrouwen is bijvoorbeeld geschonden wanneer er sprake is van recidive. (Hoofdvragen 1a en 1b) De handhaver bepaalt of er aspecten zijn die aanleiding geven voor bestraffing (hoofdvraag 2a), hetzij, (indien wettelijk mogelijk) met een bestuursrechtelijke bestraffing (bestuurlijke boete), hetzij met een strafrechtelijke bestraffing (strafbeschikking of strafvervolging). Hieronder valt ook de beslissing dat (nader) strafrechtelijk onderzoek aangewezen lijkt. De uitkomst van beantwoording van de hiervoor beschreven twee hoofdvragen (herstel of bestraffing) kan in veel gevallen zijn dat met herstel kan worden volstaan. Bij sommige aspecten is sowieso strafrechtelijke handhaving geïndiceerd. In zijn algemeenheid geldt dat de keuze voor de soort bestraffing afhankelijk is van de wens van de wetgever in het betrokken domein. De wens van de wetgever over de keuze tussen strafrechtelijke en bestuursrechtelijke bestraffing loopt per domein of zelfs per (soort) overtreding uiteen. Zoals hiervoor is toegelicht, zal de doeltreffendheid bij de bestuursrechtelijke handhaving met bestraffende sancties meer gewicht hebben, en afschrikwekkendheid meer bij de strafrechtelijke handhaving. De scherpte van de sancties in het strafrecht en de kracht van de strafprocesrechtelijke bevoegdheden en methoden voor waarheidsvinding onderscheiden zich van bestuursrechtelijke handhaving. Dit zijn factoren die bij de keuze tussen bestuurs- rechtelijke en strafrechtelijke bestraffing en bij de daarover te maken afspraken in zijn algemeenheid een rol zullen (moeten) spelen. De volgende aspecten worden in elk geval meegewogen bij de keuze voor strafrechtelijke bestraffing: Onomkeerbare gevolgen/geen herstelsanctie mogelijk: De overtreding heeft nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving die niet (meer) kunnen worden weggenomen, zoals onherstelbare milieuschade, of de normadressaat heeft het anderszins niet (meer) in zijn macht om de rechtmatige toestand te herstellen. Hoe groter en/of ernstiger de schade, hoe eerder strafrechtelijke handhaving is geïndiceerd. Een overtreding met onomkeerbare gevolgen zal overigens veelal al meteen bij het indelen in de basisinterventiematrix (stap 1) in de zwaardere interventiecategorie vallen. Recidive: De normadressaat was al eerder in de fout gegaan en eerdere herstelsancties en/of een bestuurlijke boete hadden een onvoldoende preventief effect. Omdat het hier een beleidsmatige afweging betreft, zijn (algemene of domeinspecifieke) afspraken mogelijk over wat onder recidive wordt verstaan: herhaling van dezelfde overtreding, van eenzelfde type overtreding (en wat dat dan
- is)of van een overtreding in het