Mandaatbesluit Omgevingsdienst Rivierenland – gemeente BurenHet college van burgemeester en wethouders en de burgemeester van de gemeente Buren, ieder voor zover het zijn bevoegdheden betreft; gelet op de artikelen 10:1 tot en met 10:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb); overwegende, dat per 1 januari 2024 de Omgevingswet in werking is getreden; dat in deze mandaatregeling de publiekrechtelijke bevoegdheden aan de directeur van de Omgevingsdienst Rivierenland worden toegekend om hem in staat te stellen deze taken rechtmatig uit te voeren; besluiten: met terugwerkende kracht per 1 januari 2024 vast te stellen het Mandaatbesluit Omgevingsdienst Rivierenland – gemeente Buren. Artikel1Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: Bestuursorgaan: het college van burgemeester en wethouders en of de burgemeester van de gemeente Buren; Directeur: de directeur van de omgevingsdienst, bedoeld in artikel 25 van de gemeenschappelijke regeling; Gemeenschappelijke regeling: de Gemeenschappelijke regeling omgevingsdienst Rivierenland; Lijst van bevoegdheden: het als bijlage bij dit mandaatbesluit behorende overzicht, waarop het bestuursorgaan heeft aangekruist welke (categorieën van) bevoegdheden zijn gemandateerd. Deze lijst met bevoegdheden wordt met dit mandaatbesluit als bijlage vastgesteld; Machtiging: de bevoegdheid om namens het bevoegde gezag feitelijke handelingen te verrichten die niet vallen onder de definitie van mandaat als bedoeld in sub f van dit artikel of volmacht als bedoeld in sub j van dit artikel; Mandaat: de bevoegdheid om namens het bevoegde gezag besluiten als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb te nemen, alsmede de noodzakelijke feitelijke handelingen in het kader van de voorbereiding, bekendmaking en uitvoering daarvan te verrichten; Omgevingsdienst: omgevingsdienst Rivierenland; Ondermandaat: de figuur dat de gemandateerde op zijn beurt mandaat verleent aan een ander; Plaatsvervangend directeur: degene die op grond van Vervangingsregeling voor directeur, adjunct-directeuren en coördinatoren 2023 is aangewezen om de directeur te vervangen bij diens verhindering of ontstentenis; Volmacht: de bevoegdheid om namens het bevoegde gezag privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten, alsmede de noodzakelijke feitelijke handelingen in het kader van de voorbereiding en uitvoering daarvan te verrichten. Artikel 2 Schakelbepaling Hetgeen in dit besluit is bepaald met betrekking tot mandaat is van overeenkomstige toepassing op volmacht en machtiging, tenzij de aard van de desbetreffende bevoegdheid zich hiertegen verzet. Op bij afzonderlijk besluit door het bevoegde bestuursorgaan aan de directeur verleende mandaten, volmachten en machtigingen is het bepaalde in dit besluit van overeenkomstige toepassing. Artikel 3 Gemandateerde bevoegdheden Het bestuursorgaan verleent, voor zover het bevoegd is, mandaat aan de directeur tot het uitoefenen van de (categorieën van) bevoegdheden in de lijst van bevoegdheden. Deze lijst van bevoegdheden wordt, als bijlage, met dit mandaatbesluit vastgesteld. In het kader van de uitoefening van een gemandateerde bevoegdheid als bedoeld in lid 1, is de directeur tevens bevoegd tot het verrichten van de daartoe noodzakelijke feitelijke handelingen. De directeur stemt in met de gemandateerde bevoegdheden. Instemming geschiedt schriftelijk. Artikel 4 Ondermandaat en vervanging De directeur kan ter uitoefening van een aan hem gemandateerde bevoegdheid ondermandaat verlenen aan degenen die werkzaam zijn onder zijn verantwoordelijkheid of, indien door het bestuursorgaan toegestaan, aan derden. In dat laatste geval dient degene aan wie ondermandaat is verleend, alsmede degene onder wiens verantwoordelijkheid hij werkzaam is, schriftelijk met de verlening van het ondermandaat in te stemmen. Op het ondermandaat zijn de bepalingen van dit besluit, met uitzondering van het vorige lid, van overeenkomstige toepassing. In de gevallen waarin de plaatsvervangend directeur de directeur vervangt wegens verhindering of ontstentenis, beschikt deze krachtens dit besluit over dezelfde bevoegdheden als de directeur. Artikel 5 Voorschriften, instructies en begrenzing De uitoefening van de gemandateerde bevoegdheden geschiedt binnen de grenzen en met inachtneming van de ter zake voor het bestuursorgaan geldende wettelijke regelingen en beleidsregels. Het bestuursorgaan kan de directeur algemene instructies en instructies per geval geven omtrent de uitoefening van de gemandateerde bevoegdheid. Indien sprake is van ondermandatering, is de directeur gehouden deze instructies onverwijld aan de betreffende ondergemandateerden door te geven, onverminderd de bevoegdheid van het bestuursorgaan dit zelf te doen. Voorzover de algemene instructies niet in dit besluit zijn opgenomen, worden deze op schrift gesteld in een afzonderlijke mandaatinstructie. Indien instructies per geval worden gegeven, geschiedt dit schriftelijk en op een zodanig tijdstip dat de inachtneming of tijdige verdaging van beslistermijnen gewaarborgd wordt. De volgende algemene instructies gelden voor de directeur: De directeur mag geen gebruik maken van het mandaat als te verwachten is dat het bestuursorgaan of de portefeuillehouder door de raad of door raadsleden op zijn verantwoordelijkheid voor het te nemen besluit zal worden aangesproken. Om dit te bepalen, dient tijdig overleg plaats te vinden tussen het bestuursorgaan en de directeur; De directeur mag enkel van het mandaat gebruik maken, indien het bestuursorgaan de gemandateerde bevoegdheid als af te nemen product in de dienstverleningsovereenkomst, werkprogramma en/of maat- en meerwerkopdracht heeft opgenomen; Indien een besluit op bezwaar betreft, is geen mandaat verleend aan de functie die het primaire besluit heeft genomen. De omvang van de door het bestuursorgaan aan de directeur verleende mandaten kan ook anderszins begrensd worden dan bepaald in het vorige lid. Dit geschiedt door vermelding in het betreffende mandaat in de kolom aangeduid met ‘begrenzing’. Bij politiek gevoelige zaken dient eerst contact opgenomen te worden met de portefeuillehouder. Artikel 6 Informatieverstrekking De directeur draagt ervoor zorg dat het bestuursorgaan tijdig in kennis wordt gesteld van krachtens mandaat te nemen besluiten, waarvan moet worden aangenomen dat kennisneming door het bestuursorgaan gewenst is. Hier is in ieder geval sprake van indien: de maatschappelijke, beleidsmatige, juridische of financiële omstandigheden daartoe aanleiding geven; advies nodig is van anderen dan de omgevingsdienst of onder hem ressorterende medewerkers, en het advies niet aansluit op het eigen standpunt van de omgevingsdienst dan wel niet tot dezelfde uitkomsten leidt. In dat geval lichten partijen elkaar over en weer op een zodanig tijdstip in dat de inachtneming of tijdige verdaging van beslistermijnen gewaarborgd wordt. Het niet-voldoen aan de in het vorige lid genoemde verplichting doet niet af aan de rechtsgeldigheid van een krachtens mandaat genomen besluit. Inlichtingen kunnen zowel mondeling als schriftelijk worden gegeven. Artikel 7 Ondertekening Bij de uitoefening van een mandaat worden uitgaande stukken als volgt ondertekend: “Namens het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Buren, [naam directeur], directeur omgevingsdienst Rivierenland ”. Ingeval van uitoefening van ondermandaat worden uitgaande stukken overeenkomstig het bepaalde in lid 1 ondertekend, met dien verstande dat de naam, de functieaanduiding en de handtekening van de ondergemandateerde in de plaats van de naam, de functieaanduiding en de handtekening van de directeur worden geplaatst. Artikel 8 Inwerkingtreding en uitwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na bekendmaking en met terugwerkende kracht tot 1 januari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.