Beleidskader en toetsingscriteria ‘Energie in Beemster’De raad van de gemeente Purmerend, gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 6 januari 2026, B E S L U I T: Kennis te nemen van het ontwerpend onderzoek Energie in de Beemster. Ontwerpstudie naar de mogelijkheden voor duurzame energie in UNESCO Werelderfgoed; De beleidskoers voor energiebuitens in De Beemster vast te stellen, inhoudende dat: energiebuitens in de vorm van zonnelandgoederen met grootschalige zonneparken niet worden uitgewerkt; energiebuitens in de vorm van mestvergisting nader kunnen worden onderzocht en, indien passend, verder kunnen worden uitgewerkt. Bijgaand beleidskader met toetsingscriteria Energie in Beemster voor kleine windturbines in Beemster vast te stellen; Het college van burgemeester en wethouders opdracht te geven: Provinciale Staten van Noord-Holland te verzoeken de Omgevingsverordening NH2022 zodanig aan te passen dat kleinschalige windturbines in De Beemster mogelijk worden; het vastgestelde afwegings- en toetsingskader te verwerken in het Omgevingsplan gemeente Purmerend nadat de Omgevingsverordening NH2022 is gewijzigd; de ruimtelijke bouwstenen voor een energiebuiten in de vorm van een mestvergister nader te onderzoeken en – voor zover passend binnen ruimtelijke en beleidsmatige randvoorwaarden – te betrekken bij het nog op te stellen omgevingsprogramma Vrijkomende Agrarische Bebouwing, met uitsluiting van grootschalige zonne-energieopstellingen. Dit besluit treedt in werking op de dag na bekendmaking Aldus vastgesteld in de openbare vergadering d.d. 29 januari 2026 de griffier, M. Veeger de voorzitter, E. van Selm Afbeelding: LOF landschapsarchitecten 1.Inleiding Door de verduurzamingsopgave groeit de behoefte aan alternatieve energiebronnen, ook bij agrarische ondernemers in het buitengebied. In het coalitieakkoord 2022-2026 ‘Samen op koers’ staat de ambitie opgenomen om samen met agrariërs na te denken over mogelijkheden om hun bedrijf meer energieneutraal te maken. Eén van de mogelijkheden die is onderzocht, is het gebruik van kleine windturbines. Kleine windturbines zijn bedoeld voor individueel gebruik en dragen niet wezenlijk bij aan de opgave voor grootschalige energieopwekking. Maar zij hebben wel een belangrijk aandeel in een toekomstbestendig landelijk gebied. Mede daarom schept de gemeente mogelijkheden voor agrarische ondernemers voor het plaatsen van kleine windturbines. Het beleidskader heeft alleen betrekking op erfturbines bij agrarische bedrijven in het buitengebied. De gemeente Purmerend ziet hierin kansen voor agrarische bedrijven inclusief agrarische hulp- en toeleveringsbedrijven in het buitengebied die voorzien in het opwekken van duurzame energie en wil dan ook het plaatsen van kleine windturbines met een maximale ashoogte van 15 meter (onder voorwaarden) faciliteren. Voor de mogelijkheden van zon in De Beemster is er een bestaande Beleidsnota Zonnepanelen in Beemster uit
(2014), vormden een belangrijke bouwsteen bij het ontwerpend onderzoek. Het doel van deze regels is het waarborgen van de cultuurhistorische en landschappelijke kwaliteit van het Beemster erf. De erfinrichtingsprincipes zijn in de toetsingscriteria verwerkt; er zijn aparte criteria opgenomen voor ‘bouwvlak en erfensemble’. Door middel van verbeeldingen wordt het beoogde streefbeeld weergegeven of wordt aangegeven welke plaatsingssituaties van kleine windturbines niet toegestaan zijn. 3.Toetsingskader De gemeente biedt alleen ruimte voor het plaatsen van kleine windturbines op agrarische erven, inclusief agrarische hulp- en toeleveringsbedrijven in het buitengebied. Deze turbines zijn bedoeld voor verduurzaming van de bedrijfsvoering. Droogmakerij de Beemster is een uniek gebied met een UNESCO status. Daarnaast ligt er ook een tweede UNESCO werelderfgoed gedeeltelijk in De Beemster, namelijk vijf forten van de Hollandse Waterlinies. Een goede landschappelijke inpassing is cruciaal. Het ontwerpend onderzoek “Energie in Beemster” (zie bijlage 3) vormt de basis van onderstaande toetsingscriteria en de verbeeldingen, waaraan een kleine windturbine moet voldoen. 3.1Algemene criteria Het plaatsen van een kleine windturbine is alleen mogelijk in gebieden die niet zijn aangeduid als uitgesloten gebieden (zie paragraaf 1.3 en figuur 1). Een kleine windturbine is alleen toegestaan als de energieopbrengst ten goede komt aan de energiebehoefte van het betreffende agrarische bedrijf. Er is geen sprake van aantasting van de kernkwaliteiten van Droogmakerij de Beemster en de Hollandse Waterlinies. De landschappelijke en cultuurhistorische waarden blijven behouden. Windturbine staat op zichzelf en wordt niet aan de bebouwing gekoppeld. Beschermde soorten mogen geen last ondervinden van de windturbine. Ecologisch onderzoek wijst uit of het plaatsen verantwoord is en/of een aanvullende toestemming of mitigerende maatregelen noodzakelijk zijn. 3.2Opmaak en vorm Hoogte, rotoromvang, kleur- en materiaalgebruik van de mast bepalen de uitstraling en zichtbaarheid van de kleine windturbine. Het uitgangspunt is daarom om alleen turbines te plaatsen die op zichzelf staan (en die dus niet worden toegevoegd aan gebouwen) en die terughoudend zijn vormgegeven (en dus niet sterk opvallen in het landschap) en in schaal, kleur en vormgeving aansluiten bij het karakter van het specifieke erf. Idealiter worden in de hele Beemster in het landschap passende, gelijkvormige kleine windturbines gebruikt. De turbine betreft een HAT en heeft: een zelfstandige, eenduidige hoofdvorm; een maximale ashoogte van 15 meter, gemeten vanaf peil; een maximale tiphoogte van 22,5 meter, gemeten vanaf peil; drie wieken; een evenwichtige verhouding tussen de masthoogte en rotordiameter; een mast en rotor met een rank silhouet; bestaat uit metaal, kunststof en/of hout; heeft een onopvallende matte kleurstelling, passend bij de specifieke kenmerken van de bebouwing, erfbeplanting en het landschap; heeft geen reclame en/of tekst. 3.3Ruimtelijke en technische plaatsingscriteria De windturbine wordt in het landelijk gebied geplaatst, op gronden met een Agrarische bestemming en in een bestaand bouwvlak. Er moet sprake zijn van een operationeel agrarisch bedrijf. Dit geldt eveneens voor agrarische hulp- en toeleveringsbedrijven. Er is maximaal 1 kleine windturbine per bouwvlak toegestaan. De windturbine wordt zorgvuldig landschappelijk en ruimtelijk ingepast, in ieder geval als onderdeel van of in relatie met de bebouwing op het bijbehorende bedrijfserf en op maximaal 30 meter van de bestaande bebouwing op het bouwvlak. Passend bij de schaal en ruimtelijke verhouding van het erfensemble (zie paragraaf 3.4). Zo min mogelijk zichtbaar vanaf de openbare weg. Een kleine windturbine wordt alleen toegestaan als wordt voldaan aan de geldende (standaard) geluidsnormen. Een kleine windturbine wordt alleen toegestaan als wordt voldaan aan de geldende regelgeving voor wat betreft geluid en slagschaduw, zoals vastgelegd in paragraaf 3.2.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving en sub paragraaf 22.3.4.3 en paragraaf 22.3.18 van het Omgevingsplan gemeente Purmerend. De afstand van een kleine windturbine tot: Gasinfrastructuur bedraagt niet minder dan 25 meter, tenzij de leidingbeheerder instemt met een kortere afstand. Hoogspanningsinfrastructuur (hoogspanningsstations en verbindingen) niet minder dan de maximale werpafstand bij twee keer het nominaal toerental van de kleine windturbine. De kleine windturbine en bijkomende objecten moeten goed bereikbaar zijn, dat wil zeggen geen obstakels op de weg ernaartoe, voor hulpdiensten en onderhoudsdiensten. 3.4Bouwvlak en erfensemble criteria Een kleine windturbine dient onderdeel te zijn van het erfensemble. Aangezien elk erf anders is, vraagt dit om extra zorgvuldigheid. De volgende criteria gelden ten aanzien van de plaatsing op het bouwvlak en erf. 3.4.1Algemeen Een kleine windturbine wordt zo geplaatst dat de voet van de windturbine uit het zicht wordt genomen door schuren of beplanting. Niet door hekken of andere afscheidingen. Op deze manier blijft de windturbine onderdeel van het erfensemble. Indien de kleine windturbine wordt geplaatst achter een nieuwe randbeplanting, wordt gekozen voor streekeigen beplanting. Hiervoor worden de verschillende beplantingsvormen als benoemd in ‘Het Ervenhandboek’ aangehouden. De windturbine wordt bij voorkeur geplaatst binnen de visuele begrenzing van het erf- of bebouwingsensemble. Dit is echter niet altijd mogelijk door bijvoorbeeld een gebrek aan ruimte of de afwezigheid van een heldere visuele begrenzing. Houd in dat geval een maximale afstand aan tot 1 van de hogere bouwvolumes (nokhoogte > 5m) van het bouwensemble van 30 meter (2x ashoogte). Door deze afstand te beperken, blijft er een sterk visuele relatie met het bouwensemble. Kleine windturbines worden op een ondergeschikte positie geplaatst ten opzichte van de bedrijfswoning/stolp en mogen niet in het voorerfgebied worden gebouwd, uitsluitend binnen het bestaande bouwvlak, achter de gevellijn. Kleine windturbines worden niet in andere doorzichten over het erf naar het achtergelegen open landschap geplaatst. Er wordt een gepaste afstand bewaard ten aanzien van historische of landschappelijke waardevolle structuren of elementen, zoals waterlopen en beplanting, te weten: de zijdelingse afstand van de gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde tot de aanwezige sloten mag niet minder dan 3,6 meter bedragen; de zijdelingse afstand van de gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tot de aanwezige kopergravuresloten mag niet minder dan 7,2 meter bedragen Tussen kleine windturbines van verschillende erven zit een afstand van minimaal 90 meter parallel gemeten aan het lint, tenzij dat betekent dat niet kan worden voldaan aan de erfinrichtingsprincipes, zoals het vrijhouden van het erfpad (zicht op achtergelegen open landschap). 3.4.2Erven nabij kruispunten Voor erven bij kruispunten gelden aanvullende criteria om tot goede landschappelijke inpassing van een kleine windturbine te komen, omdat de kleine windturbines op erven bij kruispunten zowel vanaf de voor- als achterzijde zichtbaar zijn. Daarom gelden de volgende aanvullende criteria: Kleine windturbines worden zo geplaatst dat ze vanaf de voor- en achterzijde onderdeel zijn van het erfensemble. Kleine windturbines worden bij voorkeur zo ver mogelijk van de weg geplaatst. Tussen kleine windturbines van verschillende erven met elk hun eigen oriëntatie ten opzichte van het lint, zit een afstand van minimaal 90 meter, tenzij dat betekent dat niet kan worden voldaan aan de erfinrichtingsprincipes, zoals het vrijhouden van het erfpad (zicht op achtergelegen open landschap). 3.5Batterijen De door wind opgewekte energie zal door de agrarisch ondernemer niet altijd direct kunnen worden gebruikt. Opslag in de vorm van batterijen is daarom nodig. Er zijn batterijen beschikbaar met een uiteenlopende opslagcapaciteit. Daarnaast is opslag ook interessant voor agrarische ondernemers die gebruik maken van zon op daken of in de toekomst van een hybride systeem (wind + zon + opslag). Voor agrarische bedrijven geldt dat eventuele batterijen op een erf landschappelijk goed moeten worden ingepast. De plaatsing van een batterij is alleen toegestaan in combinatie met een kleine windturbine en/of zon, in het landelijke gebied, op gronden met een Agrarische bestemming en in een bestaand bouwvlak. Er moet sprake zijn van een operationeel agrarisch bedrijf. Dit geldt eveneens voor agrarische hulp- en toeleveringsbedrijven. Het bouwvlak wordt hiervoor niet vergroot. Er is maximaal 1 batterij per bouwvlak toegestaan. Een batterij wordt alleen toegestaan als wordt voldaan aan de geldende regelgeving rondom veiligheid zoals opgenomen in de PGS37-1 en PGS 37-
- Een batterij wordt – waar mogelijk – binnen bestaande bouwvolumes opgenomen. Indien een batterij niet in een bouwwerk wordt geplaatst, is deze terughoudend uitgevoerd in vorm en kleur. Hiervoor gelden de voorwaarden zoals opgenomen onder 3.2 voor de opmaak van kleine windturbines. Een batterij is zo min mogelijk zichtbaar vanaf de openbare weg. Indien een batterij niet binnen bestaande bebouwing kan worden ingepast, wordt ze ingepast in een nieuw bouwwerk dat past bij de maat en schaal van het erf. Een batterij of nieuw bouwwerk wordt op een ondergeschikte positie geplaatst ten opzichte van de bedrijfswoning/stolp en mag niet in het voorerfgebied worden gebouwd, uitsluitend binnen het bestaande bouwvlak, achter de gevellijn. Een batterij of nieuw bouwwerk wordt niet in doorzichten over het erf naar het achtergelegen open landschap geplaatst. 4.Slotbeschouwing 4.1Inwerkingtreding In de Omgevingsverordening NH 2022 wordt Droogmakerij de Beemster als UNESCO werelderfgoed in zijn geheel uitgesloten van windenergie. Op basis van het ontwerpend onderzoek Energie in Beemster (bijlage 3) en met het vaststellen van dit beleidskader met toetsingscriteria worden mogelijkheden gezien voor kleinschalige windenergie in De Beemster. Om dit verder mogelijk te maken, dient het verbod zoals opgenomen in de provinciale verordening te worden opgeheven. Dit kader treedt in werking na het opheffen van het verbod op windenergie in Beemster door Provinciale Staten. De toetsingscriteria worden uiteindelijk verwerkt in het omgevingsplan. Tot op het moment dat het verbod op windenergie uit de provinciale omgevingsverordening is gehaald, worden ingediende aanvragen voor kleine windturbines in Beemster geweigerd op basis van het geldende verbod. Na opheffing van het verbod in de provinciale omgevingsverordening zullen aanvragen voor kleine windturbines worden getoetst op basis van dit beleidskader. Medewerking aan een kleine windturbine kan vanaf dat moment worden verleend met een omgevingsvergunning voor een bopa. Op den duur worden de beoordelingsregels voor kleine windturbines juridisch verwerkt in het omgevingsplan. Als de toetsingscriteria juridisch zijn verankerd in het omgevingsplan, worden aanvragen voor kleine windturbines in Beemster beoordeeld op basis van de regels in het omgevingsplan. Bij juridische doorvertaling van de toetsingscriteria in het Omgevingsplan worden ook eventuele mogelijkheden voor de plaatsing van batterijen voor opslag zon op particuliere erven onderzocht. 4.2Monitoring en evaluatie Monitoring is cruciaal om te beoordelen of het kader voor Energie in Beemster bijdraagt aan de gewenste kwaliteit van de fysieke leefomgeving en de gestelde doelen. Dit afwegingskader kan gezien worden als een uitwerking van de hoofdlijnen van het beleid dat in de omgevingsvisie komt/staat. De integratie met de omgevingsvisie zorgt ervoor dat het deel uitmaakt van het bredere monitoringskader voor de fysieke leefomgeving. Dit beleidskader zal na inwerkingtreding binnen 3 jaar worden geëvalueerd. Vooral de zorgvuldige inpassing en ecologie zijn hierbij belangrijke onderwerpen. Er wordt bekeken of het plaatsen van windturbines in de praktijk voor de aangewezen gebieden passend is. En of uitbreiding naar een bouwvlak voor een stedelijke functie van minimaal 1 hectare wenselijk is. Daarnaast kunnen nog andere onvoorziene, ontwikkelingen of herijkingen van ambities plaatsvinden die aanleiding kunnen zijn voor evaluatie van dit beleidskader. 4.3Participatie Het ontwerpend onderzoek van LOF landschapsarchitecten voor Energie in Beemster is met behulp van expert- en stakeholderssessies tot stand gekomen. In het voortraject van dit onderzoek hebben onder andere agrarische ondernemers, erfgoedspecialisten en experts op het gebied van duurzame energievormen meegedacht. In het kader van het aanvragen van een omgevingsvergunning dient de aanvrager zelf met de omgeving te participeren over de voorgenomen activiteit. Hiervan dient een toelichting/onderbouwing bij de gemeente te worden ingediend (zie ook bijlage 4). 5.Bijlagen Bijlage1Besluit kwaliteit leefomgeving – kernkwaliteiten UNESCO werelderfgoed Bijlage XVII bij artikel 7.4, eerste lid, van dit besluit (kernkwaliteiten werelderfgoederen) (wijziging 1 januari 2026) Droogmakerij de Beemster Kernkwaliteiten van de Droogmakerij de Beemster zijn: het unieke, samenhangende en goed bewaard gebleven, vroeg zeventiende-eeuwse (landschaps)architectonische geheel van de Droogmakerij de Beemster, bestaande uit: het vierkante gridpatroon van wegen en waterlopen en rechthoekige percelen; de ringdijk en ringvaart (continuïteit en eenheid in vormgeving); het centraal gelegen dorp (Middenbeemster) op een assenkruis van wegen; bebouwing langs de wegen; de relatief hooggelegen wegen met laanbeplanting; de monumentale en typerende (stolp)boerderijen en restanten van buitens; de oude negentiende-eeuwse gemalen en molengangen; en de structuur en het karakter van het (beschermde) dorpsgezicht van Middenbeemster; en grote openheid. Voor zover het werelderfgoed Droogmakerij de Beemster samenvalt met het werelderfgoed Hollandse Waterlinies, zijn de kernkwaliteiten van het werelderfgoed Hollandse Waterlinies ook van toepassing op het werelderfgoed Droogmakerij de Beemster. Hollandse Waterlinies Kernkwaliteiten van de Hollandse Waterlinies zijn het samenhangende en overwegend goed bewaard gebleven geheel van: het strategisch landschap, als oorspronkelijk voor de militaire verdediging bestemd aaneengesloten gebied dat op veel plaatsen gekenmerkt wordt door grote openheid en een overwegend groen karakter, bestaande uit: de hoofdverdedigingslijn: een lineaire, hoger gelegen structuur in het landschap, als begrenzing van het te verdedigen gebied; inundatiegebieden; de voormalige schootsvelden en verboden kringen rondom militaire versterkingen, gekenmerkt door visueel open en merendeels onbebouwd gebied; de accessen, als kwetsbare onderdelen in het verdedigingssysteem in samenhang met de daartoe ingerichte versterkingen; en de houten Kringenwet-bouwwerken; het watermanagementsysteem, als samenhangend stelsel van waterbouwkundige werken en waterlichamen, in te zetten voor gecontroleerde inundatie, bestaande uit: inundatie-, toevoerkanalen en rivieren; inundatiekaden, sluizen, inlaten, dammen, uitlozings- en kwelkommen, functionerend in samenhang met verdedigingswerken en inundatiegebieden; en gemalen en schotbalkloodsen; en de militaire werken: de voormalige militaire versterkingen en overige ondersteunende militaire onderdelen, mede in hun onderlinge samenhang en met de landschappelijke inpassing en camouflage van de versterkingen en onderdelen, bestaande uit: forten en batterijen; stellingen en verspreide werken, groepsschuilplaatsen, kazematten en andere militaire werken; en de historische vestingstructuur van de vestingsteden Muiden, Weesp, Naarden, Nieuwersluis, Gorinchem en Woudrichem. Bijlage2Begrippenlijst In dit beleidskader wordt verstaan onder: Ashoogte: de ashoogte van een kleine windturbine wordt gemeten vanaf het peil tot aan het middelpunt van de wieken van de turbine. Bal: het Besluit activiteiten leefomgeving. Rijksbeleid met regels over milieubelastende activiteiten, vergunningplicht, meldings- en informatieplichten. Bkl: het Besluit kwaliteit leefomgeving. Rijksbeleid met regels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring. BOPA: een buitenplanse omgevingsplan activiteit: een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan, of een andere activiteit die in strijd is met het omgevingsplan. Bouwvlak: aaneengesloten stuk grond waarop bebouwing met een hoofdgebouw en bijbehorende gebouwen is toegestaan. Wat onder een bouwvlak wordt verstaan, is vastgelegd in het omgevingsplan. Bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van en gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde. Cultuurhistorie: het geheel van historische landschappelijke structuren aangebracht door de mens, en de daarbij horende historische bebouwing. Cultuurhistorie ligt in het individuele element, in de samenhang met de omgeving en in het aanzicht. Erf-ensemble: samenhangend geheel van gebouwen, beplantingen, waterlopen en erfinrichting. Elk ensemble bestaat uit verschillende elementen zoals gebouwen, wegen, landschapskernmerken en begroeiing, die samen een harmonieus geheel vormen. Horizontale as-turbine (HAT): turbine die wordt gekenmerkt door een as evenwijdig aan de richting van de wind met de wieken loodrecht op de wind. In de ‘actieve stand’ staat deze turbine met de as richting in de wind. Het HAT-type is vooral geschikt voor open gebieden, waar de wind van één kant komt. Kernkwaliteiten: de unieke, universele en onvervangbare waarden van een UNESCO werelderfgoed. In Nederland zijn de kernkwaliteiten van de UNESCO werelderfgoederen opgenomen in het Bkl en verder uitgewerkt in de provinciale omgevingsverordening. Kleine windturbine: windturbine met een maximale ashoogte van 15 meter die op een duurzame manier energie opwekt. Landelijk gebied: het buitengebied zoals opgenomen in de Omgevingsverordening NH
- Miniturbine/dakturbine: kleinste soort windturbine voor het opwekken van elektriciteit uit wind. Behalve op de grond, kan dit type windturbines vaak ook op het dak van een gebouw worden bevestigd. Deze turbines bestaan niet alleen in de vorm van horizontale as-turbines (HATs), maar ook als windturbines met een verticale as (VATs). Omgevingsplan: Omgevingsplan gemeente Purmerend OPA: omgevingsplan activiteit. Peil: Hoogte van het maaiveld, deze is geregeld in het voor de locatie geldende omgevingsplan. Rotordiameter: het maximale bereik van de rotorbladen (wieken), gemeten loodrecht op de as. Tiphoogte Bij een HAT: de ashoogte plus de straal van de rotordiameter. Bij een VAT: de ashoogte plus het deel van de rotorbladen dat daarbovenuit steekt. Verticale as-turbine (VAT): turbine die in tegenstelling tot de HAT draait om een as die loodrecht op de windrichting staat. Het VAT-type is vaak vooral geschikt voor bebouwde gebieden met veranderlijke wind. Bijlage3Ontwerpend onderzoek Energie in Beemster Bijlage4Omgevingsvergunning aanvragen Na wijziging omgevingsverordening 2022 PNH en juridische verankering van de toetsingscriteria in het omgevingsplan, volgen initiatiefnemers onderstaand proces. Proces Heeft u als initiatiefnemer een idee voor het ontwikkelen van een kleine windturbine? Om te onderzoeken of uw initiatief kansrijk is, volgt u onderstaand stappenplan: Stap 1: Ligt uw locatie niet in de zone waar windturbines niet zijn toegelaten? Of ligt het in een gebied waar voorwaarden gelden? Stap 2: Doet het initiatief geen afbreuk aan de kernkwaliteiten en ruimtelijke kwaliteit? Stap 3: Dien het initiatief in als indicatieverzoek. Via een verzoek onderzoeken wij het initiatief op wenselijkheid en haalbaarheid van de aanvraag. Stap 4: Zijn er belemmeringen voor uw initiatief? Op sommige locaties spelen verschillende aspecten een rol die de uitwerking van uw initiatief negatief beïnvloeden of zelfs belemmeren. Het kan betekenen dat u op voorhand onderzoek moet uitvoeren, of afstemming moet plegen met bijvoorbeeld het waterschap. Ook is een ecologisch onderzoek noodzakelijk. Stap 5: Heeft u een omgevingsdialoog gevoerd met de directe omwonenden / belanghebbenden? Stap 6: Voldoet uw initiatief aan de algemene criteria in hoofdstuk 3? Hebt u alle stappen doorlopen, vraag een omgevingsvergunning aan bij de gemeente. In te dienen documenten Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning ruimtelijke en technische bouwactiviteit dient een onderbouwing/motivering voor de effecten op de fysieke leefomgeving te worden meegestuurd met daarin in ieder geval opgenomen, maar niet beperkt tot, de effecten op: Archeologie; Cultuurhistorie; Bodem; Geluid; Slagschaduw; Ecologie: Quickscan Flora & Fauna; Water Omgevingsveiligheid Trillingen Gezondheid Landschappelijk inpassingsplan volgends het gestelde toetsingskader (zie hoofdstuk 4). Indien het om plaatsing in een van de dorpskernen West- en Noordbeemster of in het 300-1000 meter gebied binnen het schootsveld van forten van de Hollandse Waterlinies betreft vraagt dit extra aandacht in de ruimtelijke onderbouwing. Daarnaast geldt als indieningsvereiste: Situatietekening, doorsnedes en aangezichten (maaiveld en vogelvlucht) op schaal. Een participatieplan en -verslag is optioneel, maar wenselijk. Bijlage5Bronnen Besluit activiteiten leefomgeving Rijksoverheid, 20 september 2025 Besluit Bouwwerken Leefomgeving Rijksoverheid, 1 juli 2025 Besluit Kwaliteit Leefomgeving Rijksoverheid, wijziging 1 januari 2026 Bestemmingsplan Buitengebied Beemster 2012, Reparatie partiële herziening 2021 Bestemmingsplan Middenbeemster en Westbeemster 2012 Coalitieakkoord 2022-
- Samen op koers Gemeente Purmerend, 2022 Energie in De Beemster. Ontwerpstudie naar de mogelijkheden voor duurzame energie in UNESCO werelderfgoed LOF Landschapsarchitecten, juli 2025 Energietransitie Hollandse Waterlinies. Afwegingskader Land-ID, september 2021 Omgevingsnota Beemster Gemeente Purmerend, juli 2012 Omgevingsverordening NH2022 Provincie Noord-Holland, 1 juli 2025 Prachtlandschap Noord-Holland. Leidraad Landschap & Cultuurhistorie 2018 Provincie Noord-Holland, 5 maart 2019 Ruimtelijke handreiking wind op land Provincie Noord-Holland, augustus 2021 Statement of Outstanding Universal Value – Droogmakerij de Beemster (Beemster Polder) UNESCO, 2013 Structuurvisie Beemstermaat Gemeente Purmerend, juli 2012 Verbrede duurzaamheidsagenda ‘Werk aan de toekomst’ Gemeente Purmerend, februari 2025