← Nederland

Omgevingsprogramma Groen in en om de kernen (Pijnacker-Nootdorp)

/akn/nl/act/gemeente/2026/CVDR757806 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/gm1926/2025/Regeling15990455822d4e7a8c7e0bd2c0f46aee /join/id/stop/work_019 2026-02-26 2026-02-26 /akn/nl/act/gemeente/2026/CVDR757806/nld@2026-02-27 /join/id/proces/gm1926/2025/procedure5e0ac81dd9194e86aade8cefbf691869 2026-02-27 2026-02-27 /akn/nl/act/gm1926/2025/Regeling15990455822d4e7a8c7e0bd2c0f46aee/nld@2026-02-25;08331370 /akn/nl/act/gm1926/2025/Regeling15990455822d4e7a8c7e0bd2c0f46aee /akn/nl/act/gm1926/2025/Regeling15990455822d4e7a8c7e0bd2c0f46aee/nld@2026-02-25;08331370 /join/id/stop/work_019 1 Omgevingsprogramma Groen in en om de kernen 1 Samenvatting 1.1 Samenvatting Het Omgevingsprogramma Groen in en om de kernen vormt de uitwerking van de Omgevingsvisie Pijnacker-Nootdorp 2050 en beschrijft hoe de gemeente de komende tien jaar werkt aan een gezonde, groene en toekomstbestendige leefomgeving. Het programma richt zich op de groene buitengebieden, de groene openbare ruimte binnen de kernen en de glastuinbouwgebieden en bedrijventerreinen. Groen wordt gezien als een essentiële voorwaarde voor welzijn, biodiversiteit, klimaatbestendigheid en sociale ontmoeting. Het document is tot stand gekomen via uitgebreide participatie met inwoners, maatschappelijke organisaties, experts en de gemeenteraad. De bijdragen uit themasessies, enquêtes en een formele inspraakperiode hebben geleid tot een breed gedragen beleidskader. Ambities en doelen voor de groene leefomgeving De gemeente wil dat inwoners nu en in de toekomst kunnen leven in een groene en gezonde leefomgeving waarin mens en natuur in balans zijn. Om deze visie te realiseren zijn vier hoofdambities geformuleerd: het versterken van een aantrekkelijk groen landschap, het verbeteren van de groene openbare ruimte, het creëren van een beweegvriendelijke leefomgeving en het ontwikkelen van een robuust ecosysteem met een hoge biodiversiteit. Deze ambities zijn vertaald naar concrete doelen zoals het behouden en versterken van de hoofdgroenstructuur, het beschermen van het open landschap, het verbeteren van ecologische verbindingen en biotopen, het vergroten van het bomenbestand en het ondersteunen van dierenwelzijn. Drie leidende principes vormen de basis van alle maatregelen: Waarderen wat waardevol is; verbeteren waar de kwaliteit kan worden verhoogd; Uitbreiden waar dat mogelijk en wenselijk is. Groenstructuur en landschap De hoofdgroenstructuur bestaat uit de groene contour van het buitengebied en de belangrijkste groene verbindingen binnen de kernen. Binnen de groene contour zijn stedelijke functies uitgesloten om open ruimte, cultuurhistorische landschapstypen en natuurwaarden te beschermen. De gemeente maakt deel uit van een groter regionaal netwerk van natuur- en recreatiegebieden, waaronder Regiopark Buytenhout en het Bijzonder Provinciaal Landschap Midden-Delfland. Deze gebieden vormen groene zones tussen de stedelijke agglomeraties en bieden ruimte voor recreatie, natuur en landbouw. Het landschap in Pijnacker-Nootdorp bestaat uit historische veenweidepolders, droogmakerijen en karakteristieke lintstructuren. Hoewel in sommige gebieden bosaanplant en recreatieontwikkeling het landschap hebben veranderd, zijn veel oude structuren nog zichtbaar in verkavelingspatronen, watergangen en dijken. Binnen drie hoofdfuncties in het buitengebied (natuur, recreatie, agrarisch weide) is ruimte voor een zorgvuldig afgewogen ontwikkeling. Bomen Bomen leveren een grote bijdrage aan klimaatadaptatie, biodiversiteit en leefbaarheid. De gemeente beheert ruim 20.000 bomen en werkt aan een duurzaam, gevarieerd bomenbestand. Uitdagingen zoals ziekten, plagen en extreme weersomstandigheden vragen om toekomstbestendige soorten en voldoende groeiruimte. Bij de aanplant geldt het principe ‘de juiste boom op de juiste plek’, met voorkeur voor inheemse soorten, gevarieerde leeftijden en optimale groeiplaatsen. Bestaande, gezonde bomen worden zoveel mogelijk behouden; kap is alleen toegestaan bij veiligheidsrisico’s of aantoonbare onrechtmatige overlast. Het vergunningstelsel wordt vereenvoudigd door een hogere drempel voor vergunningplicht en het opstellen van een waardevolle bomenlijst, waarmee vooral de meest bijzondere bomen gericht worden beschermd. Verbeterde dataverzameling in het bomenbeheer moet helpen bij ecologische monitoring en langetermijnplanning. Biodiversiteit De gemeente wil een natuurinclusieve leefomgeving waarin flora en fauna zich duurzaam kunnen ontwikkelen. Ecologische verbindingen worden versterkt, nieuwe biotopen worden ontwikkeld en bestaand groen wordt zo veel mogelijk ecologisch beheerd. Belangrijke natuurgebieden zoals de Ackerdijkse Plassen, het Krekengebied en het weidevogelkerngebied in de Zuidpolder maken deel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Door verschillende soorten leefgebieden en verbindingen te behouden en te verbeteren in kwantiteit en kwaliteit wordt versnippering tegengegaan en wordt het ecosysteem veerkrachtiger. Natuurinclusief bouwen, zo veel mogelijk inheemse beplanting en biodivers beheerde groengebieden in de kernen dragen bij aan een robuust natuurnetwerk. Recreatie, spelen en bewegen Groen moet uitnodigen tot recreëren, sporten, ontmoeten en spelen. De recreatiedruk in de regio neemt toe door stedelijke groei, wat vraagt om goed ingerichte gebieden en toegankelijke routes. De gemeente werkt aan een fijnmazig netwerk van wandel-,fiets- en ruiterpaden en aan recreatievoorzieningen die aansluiten bij de behoeften van inwoners. In de kernen worden veilige en toegankelijke speel- en ontmoetingsplekken gerealiseerd, geïntegreerd in het groen. Recreatie blijft altijd in balans met natuurwaarden; kwetsbare gebieden blijven beschermd. Dierenwelzijn Het programma onderstreept dat alle dieren recht hebben op welzijn. De gemeente stimuleert goede zorg voor huisdieren, ondersteunt opvang en voorlichting, biedt mogelijkheden voor schuilplaatsen voor vee, en werkt aan een verantwoord faunabeheer. Groenvisiekaart en uitvoering Alle ambities en maatregelen zijn samengebracht op de Groenvisiekaart, die richting geeft aan toekomstige inrichting van het groen. De uitvoering vindt plaats via een integrale aanpak, samenwerking met regionale partners en een uitvoeringsprogramma met concrete projecten. Monitoring en evaluatie zorgen ervoor dat het programma dynamisch blijft en kan worden bijgestuurd op basis van ervaring, effecten en nieuwe inzichten. 2 Inleiding 2.1 Inleiding Pijnacker-Nootdorp onderscheidt zich met groene woonwijken en prachtige natuur- en recreatiegebieden, die het karakter van de gemeente versterken. De ambities voor dit groen zijn vastgelegd in de Omgevingsvisie Pijnacker-Nootdorp 2050. Het Omgevingsprogramma Groen in en om de kernen is hieruit voorgekomen. Dit programma vormt de basis voor een gezamenlijke aanpak om de komende jaren te bouwen aan een gezonde, groen een toekomstbestendige gemeente. Een groene leefomgeving biedt tal van voordelen die mens en natuur ten goede komen. Groen heeft een bewezen positieve impact op gezondheid en welzijn, doordat het ontspanning en beweging stimuleert, stress vermindert en de slaap en weerstand bevordert. Groen nodigt uit tot recreatieve activiteiten, zoals wandelen, fietsen, spelen en sporten, wat goed is voor de fysieke en mentale gezondheid. Voor kinderen draagt groen bij aan hun ontwikkeling en motoriek, terwijl het tegelijkertijd mensen verbindt en eenzaamheid vermindert. Naast deze sociale aspecten speelt groen ook een cruciale rol in het behoud van biodiversiteit. Kwalitatief hoogwaardige groene gebieden bieden een thuis voor diverse dieren en planten, versterken ecosystemen en verminderen de kwetsbaarheid voor ziektes en plagen. Ook voor het klimaat is groen onmisbaar. Het helpt bij het omgaan met extreem weer, zoals zware regenval, droogte en hitte. Daarnaast vergroot gezond en gevarieerd groen de bodeminfiltratie, waardoor water beter wordt opgenomen en wateroverlast wordt beperkt. Bomen spelen een sleutelrol in luchtzuivering, CO₂-opslag en verkoeling. Water en groen zorgen voor schaduw en koelte en dragen bij aan de mentale en fysieke gezondheid. De aanwezigheid van diverse typen groen en de bijbehorende biodiversiteit kan mensen bewust maken van het belang van groen en versterkt de verbinding met de natuur. Samenvattend is een groene omgeving niet alleen essentieel voor ons welzijn, maar ook voor natuurbehoud, biodiversiteit, klimaatbestendigheid en sociale verbinding. Bovendien draagt groen bij aan een aantrekkelijke leefomgeving. 2.2 Aanleiding en doel Groen is een unieke en onderscheidende kwaliteit van onze gemeente. In en rondom de kernen vormt het een samenhangend netwerk van groene gebieden. De ambities uit de Omgevingsvisie krijgen in het Omgevingsprogramma Groen in en om de kernen en concrete uitwerking. Met heldere doelen, leidende principes, gerichte maatregelen en activiteiten zetten we ons in om het waardevolle groen in Pijnacker-Nootdorp te behouden, te versterken en uit te breiden. Pilot Omgevingswet Het Omgevingsprogramma is één van de kerninstrumenten van de Omgevingswet. Hierin stellen overheden beleid en maatregelen op om de gewenste kwaliteit van de fysieke leefomgeving te realiseren. Het Omgevingsprogramma is een beleidskader en werkt de Omgevingsvisie uit in tactisch en uitvoerend beleid en maatregelen. Verder leveren de Omgevingsprogramma’s input voor het Omgevingsplan. Het Omgevingsprogramma Groen in en om de kernen is een pilot bij de implementatie van de Omgevingswet in Pijnacker-Nootdorp. Hiermee doen we ervaring op met dit nieuwe instrument. De pilot wordt na vaststelling geëvalueerd. 2.3 Scope Het Omgevingsprogramma Groen in en om de kernen is een thematisch omgevingsprogramma voor het gehele groene buitengebied en voor de groene openbare ruimte binnen de bebouwde kom en de glastuinbouw-gebieden. Het richt zich op hoe we dit groen inrichten én gebruiken. Het programma kijkt tien jaar vooruit en omvat de hiernaast getoonde onderwerpen. Hoofdgroenstructuur en landschap Dit thema gaat over de groene hoofdstructuur binnen en buiten de bebouwde kom, bescherming landschap en verbrede landbouw (veehouderij). Bomen Dit thema gaat over de waarde van bomen in de openbare ruimte (zowel kwaliteit als kwantiteit), inclusief het kapbeleid. Biodiversiteit Dit thema gaat over natuur en ecologische verbindingen in de hoofdgroenstructuur, natuur inclusief bouwen en ecologisch beheer. Recreatie, spelen en bewegen Dit thema gaat over het recreatieve gebruik van de groengebieden, de recreatieve voorzieningen en het netwerk aan paden buiten de kernen en over speel- en ontmoetingsplekken in het groen binnen de kernen. Dierenwelzijn Dit thema gaat over het welzijn van huisdieren en van dieren in het wild, over de opvang van zieke en gewonde dieren, over hondenbeleid en over faunabeheer. Het Omgevingsprogramma vervangt de beleidsnota’s Natuur op de Kaart

(2017), het Ruiterpadenplan
(2020)en de Nota Dierenwelzijn
(2016). Ook vervangt het de beleidsmatige onderdelen uit het Beheerplan Openbaar Groen 2023-2026, het Beheerplan Spelen 2023-2026 en het Gemeentelijk Ganzenbeheerplan
(2024). Relatie met andere omgevingsprogramma’s en beleidsnota’s De gemeente streeft naar een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. De thema’s in Het Omgevingsprogramma Groen hebben soms raakvlakken heeft dan ook een relatie met andere omgevings-programma’s en beleidsnota’s. Bij het opstellen van het Omgevingsprogramma is rekening gehouden met het bestaande sectorale en gebiedsgerichte beleid. Daarnaast werkt het Omgevingsprogramma door in toekomstige beleidsdocumenten en de gebiedsontwikkeling. Verder geldt dat ander sectoraal beleid van belang is voor het bereiken van de doelen voor groen. Een voorbeeld hiervan is waterkwaliteit, dat geen onderdeel is van dit Omgevingsprogramma, maar wel belangrijk is voor natuurwaarden. Daarom vraagt dit soms om uitwerking in andere beleidsnota’s. Voor een aantal onderwerpen leggen we hieronder de link met specifieke, Hieronder staan relevante onderwerpen uit andere bestaande of geplande omgevings-programma’s en beleidsnota’s: Het beleid voor klimaatadaptie wordt uitgewerkt in het Omgevingsprogramma Klimaatbestendige Gemeente. Voor thema’sbinnen klimaatadaptatie zoals hittestress en wateroverlast is er eensterke relatie met groen. In het Omgevingsprogramma Groen besteden we dan ook aandacht aan deze relatie. Maar er zijn ook onderwerpen die niet binnen de scope van het Omgevingsprogramma vallen, en bij Klimaatbestendige Gemeente wor-den uitgewerkt. Bijvoorbeeld het vergroenen van de gemeente buiten het openbaar gebied. In het Omgevingsprogramma Leefkwaliteit wor-den belangrijke randvoorwaarden voor natuur-doelen uitgewerkt: luchtkwaliteit, bodemkwali-teit, waterkwaliteit en lichthinder. Het beleid voor de ontwikkelingen binnen de lintbebouwing in het buitengebied wordt uitge-werkt in het Omgevingsprogramma Ruimtelijke Kwaliteit; De toegankelijkheid van de openbare ruimte wordt uitgewerkt in het Omgevingsprogramma Duurzame Mobiliteit; Het gemeentelijk fietsplan ’Gelukkig op de fiets’ bevat het beleid en maatregelen voor een goed onderhouden en veilige fietsinfrastructuur. Het richtzich op diverse behoeften van fietsers. Het Omgevingsprogramma Groen richt zich in het verlengde hiervan op de recreatieve fietser. De Lokale Inclusie agenda onderzoekt wat nodig is voor een voldoendemultifunctioneel ingerichte en goed toegankelijke openbare ruimte; Het gemeentelijk beleid voor gezondheid is vastgelegd in de Nota Gezondheidsbeleid Pijnac-ker-Nootdorp 2025-
  1. In deze nota staat dat we werken aan een omgeving die uitnodigt tot bewegen, groen, ontmoeten en meedoen voor iedereen (doel 6b). 2.4 Leeswijzer In hoofdstuk 3 "De ambities voor groen in en om de kernen” werken we de ambities en doelen uit de Omgevingsvisie Pijnacker-Nootdorp 2050 uit tot concrete doelen voor de eerder benoemde thema’s. Vervolgens zijn in hoofdstukken 3 tot en met 7 deze doelen vertaald naar leidende principes. Per hoofdstuk lichten we een thema toe en gaan we dieper in op de leidende principes, normen en een aanzet voor maatregelen. De leidende principes en ambities van alle hoofdstukken komen samen in “
  2. Groenvisiekaart” in de vorm van de groenvisiekaart. Tot slot beschrijven we in hoofdstuk 9 Groenvisiekaart hoe we de leidende principes borgen in de uitvoering. In Bijlage 1.II is het uitvoeringsprogramma toegevoegd. In dit uitvoeringsprogramma staan maatregelen, activiteiten en projecten beschreven met een looptijd van vier jaar. 2.5 Toelichting proces en participatie Bij het opstellen van het Omgevingsprogramma Groen in en om de kernen speelde participatie van inwoners en organisaties een centrale rol. Hiervoor is een participatieplan opgesteld en uitgevoerd. Om een breed gedragen document te maken, zijn diverse partijen betrokken bij het proces. Gedurende het traject zijn inwoners en maatschappelijke partijen meerdere keren uitgenodigd om hun input en wensen te geven. Voor verschillende doelgroepen zijn themasessies georganiseerd, waarbij specifieke onderwerpen centraal stonden en deelnemers hun visie en suggesties konden delen. Daarnaast is een vragenlijst uitgezet om aanvullende input op te halen. Tijdens een expertmeeting kregen betrokkenen de kans om aan de hand van kaartmateriaal te reageren op de tot dan toe behaalde resultaten. Verder is de gemeenteraad op verschillende momenten geïnformeerd over de voortgang en de tussenresultaten. Ook waren raadsleden uitgenodigd als toehoorder bij de participatiebijeenkomsten. In 2025 vond een formele inspraakperiode plaats. In een periode van negen weken kon iedereen een officiële zienswijze indienen. Dit bood een extra kans om mee te denken en ervoor te zorgen dat het programma goed aansluit bij wat inwoners en andere partijen belangrijk vinden. De uitgebreide verslaglegging van de participatie staat in het participatieverslag, dat te vinden is op het participatieplatform via deze link. Participatiemomenten Participatiemomenten 3 De ambities voor groen in en om de kernen 3.1 Inleiding In dit hoofdstuk werken we de ambities van de Omgevingsvisie uit tot doelen voor groen. Om deze doelen te bereiken, nemen we in volgende hoofdstukken leidende principes en maatregelen op. 3.2 Ambities voor groen in de omgevingsvisie Pijnacker-Nootdorp 2050 Onze ambitie is dat onze bewoners kunnen leven, wonen, werken en opgroeien in een groene en gezonde leefomgeving én in harmonie met de natuur. Een gemeente waar we ook in de toekomstprettig kunnen wonen, werken, recreëren en elkaar ontmoeten. Een groene gemeente die we samen creëren: gemeente, inwoners, corporaties, instituten, organisaties en bedrijven. We creëren niet alleen meer groen, maar verbeteren ook de kwaliteit ervan. In de Omgevingsvisie staan onder de ontwikkelingslijn ‘onderscheidend groen’ vier ambities om onze unieke groene kwaliteiten verder te versterken: a. Een aantrekkelijk groen landschap b. Een aantrekkelijke, groene (openbare) ruimte c. Een beweegvriendelijke groene ruimte d. Een gezondecosysteem met een hoge biodiversiteit 3.3 De ambities van de Omgevingsvisie uitgewerkt voor doelen voor groen Met het Omgevingsprogramma Groen stellen we de volgende doelen centraal: Behouden en versterken van een samenhangende hoofdgroenstructuur met ecologische en recreatieve waarde Een robuuste hoofdgroenstructuur is essentieel om de natuurwaarden te beschermen. Ook is deze structuur belangrijk voor het omgaan met de gevolgen van klimaatverandering. Met de hoofdgroenstructuur zorgen we voor voldoende groen voor onze inwoners. Groen biedt diverse voordelen voor de fysieke en mentale gezondheid. In de hoofdgroenstructuur is ruimte voor recreatie en spelen, maar altijd in balans met natuur-en landschapswaarden. (Zie hoofdstuk 4 voor de uitwerking van de hoofdgroen-structuur. Zie hoofdstuk 5 "bomen", hoofdstuk 6 "Biodiversiteit" en hoofdstuk 7 "Spelen en bewegen" voor de uitwerking van de ecologische en recreatieve waarde van de hoofd-groenstructuur.) Behouden en beschermen van het waardevolle open landschap In een deel van de gemeente is nog een waardevol, authentiek open weidelandschap aanwezig. Dit draagt bij aan de identiteit van de gemeente. Dit landschap is ook waardevol voor het behouden van weidevogels in de gemeente. (Zie Hoofdstuk 4: Hoofdgroenstructuur en landschap voor uitwerking). Behouden van een toekomstperspectief voor veeteeltbedrijven in het agrarische gebied voor voedselzekerheid en landschapsbeheer Het open weidelandschap wordt grotendeels beheerd en gebruikt door veeteeltbedrijven. Deze bedrijven zijn belangrijk voor de voedselzekerheid, en dragen bij aan natuur- en landschapswaarden. Het is hiervoor van belang dat deze bedrijven een toekomstperspectief behouden. (Zie Hoofdstuk 4: Hoofdgroenstructuur en landschap voor uitwerking) Een natuur inclusieve gemeente met een robuuste en versterkte biodiversiteit De gemeente streeft naar een natuurinclusieve leefomgeving met ruimte voor kwalitatief groen en biodiversiteit. Door de ecologische verbindingen te versterken, inheemse beplanting te bevorderen en dit zo ecologisch mogelijk (passend bij functie) te beheren, ontstaat een robuust ecosysteem waar flora en fauna zich duurzaam kunnen ontwikkelen. Dit draagt bij aan een gezonde woonomgeving waarin natuur en mens samenleven. (Zie Hoofdstuk
  3. Biodiversiteit voor uitwerking) Verbeteren en uitbreiden van biotopen en ecologische verbindingen Door biotopen en ecologische verbindingen te versterken en uit te breiden, kunnen flora en fauna zich beter verspreiden. Door natuurlijke leefgebieden te vergroten en versnippering tegen te gaan, verbeteren we de biodiversiteit en ecologische samenhang. Dit draagt bij aan een veerkrachtig ecosysteem waarin planten en dieren optimaal kunnen gedijen. (Zie Hoofdstuk
  4. Biodiversiteit voor uitwerking) Behouden en vergroten van een duurzaam bomenbestand en de daarmee samenhangende ecosysteemdiensten Bomen spelen een cruciale rol bij het versterken van biodiversiteit en het verbeteren van de leefomgeving. Door de juiste boom op de juiste plek te planten, dragen ze optimaal bij aan ecosysteemdiensten. Ze bieden schaduw, verminderen hittestress en ondersteunen de verspreiding van flora en fauna, waardoor natuurlijke processen in balans blijven. Zo draagt een duurzaam bomenbestand bij aan een veerkrachtig en gezond ecosysteem dat zowel mens als dier ten goede komt. (Zie Hoofdstuk
  5. Bomen voor uitwerking) Zorgen voor een beweegvriendelijke openbare ruimte Het groen in en om de kernen biedt ruimte voor recreatie, spelen en bewegen. Voldoende beweging bevordert onze fysieke en geestelijke gezondheid. We faciliteren onze inwoners om te bewegen en elkaar te ontmoeten. We willen het recreatieve gebruik van ons groen buiten de kernen bevorderen en de toenemende behoefte faciliteren met een fijnmazig routenetwerk en recreatieve voorzieningen. Binnen de kernen zorgen we voor voldoende en veilige speelterreinen. Daarnaast zorgen we voor andere aanleidingen die het bewegen en ontmoeten in de eigen woonomgeving mogelijk maken. (Zie Hoofdstuk
  6. Recreatie, spelen en bewegen voor uitwerking) Bevorderen en ondersteunen van het welzijn van huisdieren en dieren in het wild Alle dieren, zowel huisdieren als in het wild levende dieren, verdienen onze zorg en aandacht. Dierenwelzijn betekent dat dieren geen honger, dorst of pijn lijden, beschermd worden tegen stress en ziektes en hun natuurlijke gedrag kunnen vertonen. De wettelijke bescherming van dierenwelzijn is uitgangspunt. We informeren onze inwoners over het belang van dierenwelzijn en ondersteunen maatschappelijke partners. (Zie Hoofdstuk
  7. Dierenwelzijn voor uitwerking) 3.4 Leidende principes Om de doelen voor groen uit dit programma te realiseren, hanteren we drie leidende principes die richting geven aan ons handelen. Deze principes zijn bedoeld als houvast voor de gemeente, maar ook voor inwoners, bedrijven, maatschappelijke partners en initiatiefnemers die bijdragen aan een groene en gezonde leefomgeving: Waarderen – behouden wat waardevol is We koesteren het bestaande groen dat al bijdraagt aan biodiversiteit, gezondheid, recreatie en klimaatadaptatie. Dit betekent voortzetten van bestaand beleid en zorgvuldig beheer van waardevolle gebieden, bomen en structuren. Inwoners, initiatiefnemers en organisaties worden uitgenodigd om bewust om te gaan met wat er al is. Verbeteren – versterken wat beter kan We verbeteren waar nodig de kwaliteit van groen, het beleid en het gebruik ervan. Daarbij benutten we ervaringen uit de praktijk en passen we uitgangspunten aan. Ook maken we het voor initiatiefnemers makkelijker om bij te dragen aan natuurvriendelijke oplossingen, biodiversiteit of een beweegvriendelijke leefomgeving. Uitbreiden – toevoegen waar dat mogelijk is We breiden het groen uit, daar waar kansen liggen: nieuwe verbindingen, meer variatie in groen, nieuwe bomen, ruimte voor dieren en mensen. We nodigen bewoners, ondernemers en andere partijen uit om mee te doen aan het vergroenen van de leefomgeving. Daarbij stimuleren we initiatieven die bijdragen aan de ambities van dit programma. Deze drie principes – waarderen, verbeteren en uitbreiden – vormen samen het kader voor acties, maatregelen en samenwerking. Zo bouwen we stap voor stap aan een veerkrachtig, aantrekkelijk en gezond Pijnacker-Nootdorp. 4 Hoofdgroenstructuur en landschap 4.1 Inleiding Een sterke en samenhangende groenstructuur is essentieel om voldoende groen in de gemeente te behouden. De hoofdgroenstructuur speelt hierin een sleutelrol: deze beschermt natuurwaarden en verbindt leefgebieden van planten en dieren. In de kernen maakt deze structuur deel uit van de groene openbare ruimte waar ecologische verbindingen samenkomen met ruimte om te bewegen en te spelen. In het buitengebied beschermen we het groen met een groene contour. Binnen deze contour ligt een gevarieerd en aantrekkelijk landschap, waaronder een karakteristiek open weidelandschap. Deze kwaliteit van openheid willen we behouden en beschermen. Het landschap vervult meerdere functies: natuur, recreatie en landbouw. Veeteeltbedrijven spelen hierbij een belangrijke rol. Zij dragen bij aan het behoud van het waardevolle open weidelandschap. We zetten ons ervoor in dat deze bedrijven ook in de toekomst kunnen blijven bestaan. 4.2 Trends en uitdagingen Groene trends in woon- en werkgebieden Groen draagt bij aan zowel de fysieke als mentale gezondheid van onze inwoners. Gemeenten richten groene ruimtes steeds vaker in om steden en dorpen weerbaarder te maken tegen klimaatverandering. Veel gemeenten vergroenen versteende buurten om hittestress te verminderen en wateroverlast tegen te gaan. In het Omgevingsprogramma Water en Klimaat 2021-2024 is hiervoor beleid opgenomen. Groene trends in het landelijke gebied Het besef groeit dat het landelijk gebied een cruciale rol speelt bij het aanpakken van actuele maatschappelijke vraagstukken. Dit betreft niet alleen klimaatverandering, maar ook uitdagingen op het gebied van stikstofreductie, de circulaire economie en voedselzekerheid. Het buitengebied van de gemeente bestaat voornamelijk uit polders en droogmakerijen, waarbij de ondergrond hoofdzakelijk uit veen en klei bestaat. Vooral veengebieden zijn kwetsbaar voor de gevolgen van klimaatverandering. Dit leidt tot veenoxidatie, bodemdaling, verzuring en een verslechtering van de bodem- en oppervlaktewaterkwaliteit. De aandacht voor het behoud van landschaps- en natuurwaarden in het landelijk gebied neemt verder toe. In het landelijkgebied zien we een duidelijke trend van versnippering en verrommeling. Wanneer de agrarische sector als beheerder wegvalt, kan dit leiden tot verwaarlozing van boerenerven en (weide) gronden. Dit kan resulteren in diverse nieuwe gebruiksvormen en initiatieven die vaak niet aansluiten bij het karakteristieke landschap. De vraag naar toegankelijke en aantrekkelijke groene recreatiegebieden neemt toe. Stadsparken, wandelpaden en fietsroutes spelen een steeds belangrijkere rol in het behoud van de leefbaarheid binnen de dichtbevolkte Randstad. Ook in Pijnacker-Nootdorp en de directe omgeving zijn de afgelopen tien jaar veel woningen en bedrijven gerealiseerd. Hierdoor is de recreatiedruk in deze gebiedenaanzienlijk toegenomen, wat het behoud en de ontwikkeling van groengebieden in deze regio des te belangrijker maakt. 4.3 Huidige situatie 4.3.1 Hoofdgroenstructuur De gemeentelijke hoofdgroenstructuur bestaat uit de groene contour van het buitengebied en de hoofdgroenstructuur in de woonwijken, de bedrijventerreinen en de glastuinbouwgebieden. Kaart 1 geeft de bestaande hoofdgroenstructuur weer. Groene contour buitengebied De groene contour van Pijnacker-Nootdorp omvat natuur-, recreatie- en agrarische gebieden buiten de kernen. De cultuur- en natuurhistorische kenmerken zijn hier goed bewaard gebleven. De contour vormt een essentiële groene buffer tussen de kernen en omliggende steden. Binnen de contour staat het behoud van natuur en landschap centraal met daarbij ruimte voor extensieve recreatie en kleinschalige voorzieningen. De drie hoofdgebieden Buytenhout, het Oude Leedegebied en de Groenzoom zijn onderdeel van een groter regionaal groen netwerk en bieden zowel ecologische als recreatieve waarde. De linten op de kaart vallen buiten de groene contour. De ambities en beleidsuitgangspunten voor de kwalitatieve ontwikkeling van de bebouwing in de lintenwerken we uit in het Omgevingsprogramma Ruimtelijke Kwaliteit. Hoofdgroenstructuur kernen De hoofdgroenstructuur omvat de belangrijkste en grootste groene gebieden en verbindingen binnen de wijken, bedrijventerreinen en glastuinbouwgebieden. Dit betreft vaak openbaar groen langs hoofdwegen, watergangen en in parken. Het groen vervult een wijkoverstijgende functie en speelt een cruciale rol bij het creëren van een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving voor mens en dier. Daarnaast versterkt de hoofdgroenstructuur de biodiversiteit. Door groengebieden met elkaar te verbinden, kunnen flora en fauna zich beter verspreiden en de ecologische samenhang versterken. Daarnaast biedt zij bewoners en bezoekers diverse recreatie- en ontspanningsmogelijkheden, variërend van wandelroutes tot speelplekken, en bevordert zij bij aan sociale cohesie door ontmoetingsplaatsen te faciliteren. Ook buiten de hoofdgroenstructuur is groen aanwezig in de directe leefomgeving, wat bijdraagt aan de leefbaarheid van de buurt. Dit betreft zowel openbaar groen in de straat als privégroen, zoals tuinen. 4.3.2 De (boven)regionale groenstructuur Het groen in ons buitengebied maakt deel uit van de regionale groenstructuur (afbeelding 2). Binnen de groene contour van Pijnacker-Nootdorp liggen Regiopark Buytenhout en Bijzonder Provinciaal Landschap Midden-Delfland. Door de groei van steden en de toenemende bevolking neemt de vraag naar groen en ontspanningsplekken toe. De groengebieden in Pijnacker-Nootdorp spelen een belangrijke verbindende rol binnen de regio. De groene contour vormt daarbij de enige ecologische verbinding tussen Midden-Delfland en het Groene Hart. Daarom zijn deze gebieden grotendeels gerealiseerd door het Rijk en de Provincie Zuid-Holland. Figuur 3: Pijnacker-Nootdorp t.o.v. regionale groenstructuur Regiopark Buytenhout Buytenhout is in de vorige eeuw gerealiseerd als Rand-stadgroenstructuur met het doel om groene buffers te creëren in de verstedelijkingsopgave van VINEX. Buytenhout bestaat uit verschillende aangrenzende natuur- en recreatiegebieden. Naast de gebieden in Pijnacker-Nootdorp (De Balij, het Bieslandse Bos, de Dobbeplas) behoren het Buytenpark, het Westerpark en de Nieuwe Driemanspolder in de gemeente Zoetermeer, en de Delftse Hout in de gemeente Delft hier ook toe. Sinds 2009 werken de gemeenten en Staatsbosbeheer samen om al deze gebieden te verbinden tot één groot groengebied. Regiopark Buytenhout is belangrijk voor de natuur en recreatie in de regio. Het draagt ook bij aan de leefbaarheid van de omliggende woongebieden en vermindert de druk op andere natuurgebieden in de buurt. De vier partijen hebben in 2023 een intentieovereenkomst voor de samenwerking gesloten, en in 2024 een uitvoeringsprogramma opgesteld. Bijzonder Provinciaal Landschap Midden-Delfland (BPL) Vanuit Pijnacker-Nootdorp maken het Oude Leedegebied, de Ackerdijkse Plassen en de Groenzoom deel uit van het BPL. Deze status is vastgelegd in het provinciale Omgevingsbeleid als erkenning van de bijzondere kwaliteiten van dit open, cultuurhistorisch waardevolle landschap. Het landschap wordt beschermd en ontwikkeld als een waardevolle ruimte voor natuur, landbouw en recreatie. Overheden en gebiedspartijen werken gezamenlijk binnen de Landschapstafel BPL om de ruimtelijke kwaliteit te behouden en te versterken, met speciale aandacht voor duurzame landbouw, biodiversiteit en recreatiemogelijkheden. Hiervoor is de Visie Bijzonder Provinciaal Landschap Midden-Delfland opgesteld
(2021). Het gebied vormt een groene oase tussen Rotterdam en Den Haag en biedt een belangrijk contrast met de stedelijke omgeving. 4.3.3 Het landschap van Pijnacker-Nootdorp Het behouden en versterken van het groene buitengebied is een belangrijke doelstelling van dit Omgevingsprogramma. Dit bereiken we alleen wanneer we inzicht hebben in de kenmerken en karakteristieken die het landschap hebben gevormd, en wanneer we bepalen hoe het wordt gebruikt en ervaren. In de Lintenvisie Pijnacker-Nootdorp en de Groenblauwe bouwstenen Pijnacker-Nootdorp wordt dit onderwerp uitgebreid beschreven. Deze documenten dienen als hulpmiddel bij de beoordeling van omgevingsvergunningen en verzoeken voor wijzigingen in de inrichting of functie van gebieden. Deze paragraaf bevat een korte analyse op hoofdlijnen van het landschap in Pijnacker-Nootdorp. De ontwikkeling van het landschap Het oorspronkelijke landschap bestond grotendeels uit open veenweidepolders en droogmakerijen, ontstaan langs linten. Vanuit deze linten werd het land ontgonnen, verveenden delen van de polders en ontstond de bebouwing. In de loop der jaren veranderde het open landschap ingrijpend. Sommige delen werden bij de dorpskern gevoegd, andere transformeerden van agrarisch gebied naar natuur- en recreatiegebieden. Die nieuwe functie bracht ook een wezenlijke verandering in het landschap met zich mee. Vooral de aanplant van bos zorgde ervoor dat het voorheen open landschap op veel plekken veranderde in een meer gesloten gebied. Historie ontginning veenweidegebieden en droogmakerijen Ook nu zijn er in het landschap nog elementen terug te vinden die het resultaat zijn van de ontginning. Het veenweidelandschap is nog het duidelijkst zichtbaar in de Zuidpolder van Delfgauw. De droogmakerijen liggen in het buitengebied tussen Pijnacker en Nootdorp en rondom de Oude Leede. Op figuur 4 is te zien hoe de ontginning is verlopen. Figuur 4: Linten in het landschap In de geschiedenis van de ontginning neemt de Ackerdijkse Plassen een bijzondere plek in, omdat dit gebied nooit is ontgonnen. Het oorspronkelijke landschap met moerassen, rietvelden en broekbossen is hier grotendeels behouden gebleven. Tussen veenweidegebieden en droogmakerijen zijn duidelijke verschillen zichtbaar. De belangrijkste verschillen staan vermeld in tabel
  1. Tabel 1: verschillen tussen droogmakerij en veenweidepolder Droogmakerij Veenweidepolder Gebruik veen Verveend tot plassen Niet verveend, weidegrond Hoogteligging Plassen en meren zijn drooggemalen, zo ontstonden diepe droogmakerijen Relatief hoog liggend, wel ingeklonken door de jaren heen (Semi)boezem Hoog met dijken in het landschap Beperkt qua hoogte Slotenpatroon Zeer regelmatig Enigszins onregelmatig, soms licht waaiervormig Hoofdwatergang Watergang door de droogmakerij met gemaal (Semi)boezem Bebouwing In linten aan de randen van de droogmakerijen In linten en verspreid liggend in de polder op kreekruggen Aansluiting sloten Sloten sluiten nooit aan op polderlint of dijklint Sloten sluiten aan op een polderlint Kenmerken droogmakerijen binnen de groene contour Ongeveer de helft van Pijnacker-Nootdorp ligt in een droogmakerij. Dat is in de kernen of in de glastuinbouwgebieden bijna niet meer zichtbaar. In de groene contour is de droogmakerij nog herkenbaar door: a. De hoger gelegen dijken en kades die een sterke ruimtelijke begrenzing vormen ten opzichte van de vlakke polder; door het relatief grote hoogteverschil kan de droogmakerij vanaf de linten goed worden beleefd (figuur 4); b. Het watersysteem bestaande uit een hoofdtocht met gemaal; c. De lange, laaggelegen rechte polderwegen in de droogmakerij met weinig begeleidende beplanting; d. Concentratie van de bebouwing op en aan de dijken, waarbij soms sprake is van een dubbellint. Figuur 5: Vergezichten in droogmakerij Kenmerken veenweidepolders binnen de groene contour De andere helft van het groene buitengebied bestaat uit veenweidepolders. De aanwezige strokenverkaveling dateert uit de middeleeuwen, is oorspronkelijk en nog vrijwel hetzelfde als op de kaart uit
  2. Kenmerken van een veenweidepolder zijn zichtbaar door: De hoger gelegen dijken en kades die een sterke ruimtelijke begrenzing vormen ten opzichte van de vlakke polder; door het relatief grote hoogteverschil kan de droogmakerij vanaf de linten goed worden beleefd (afbeelding 6); Het watersysteem bestaande uit een hoofdtocht met gemaal; De lange, laaggelegen rechte polderwegen in de droogmakerij met weinig begeleidende beplanting; Concentratie van de bebouwing op en aan de dijken, waarbij soms sprake is van een dubbellint. Kenmerken veenweidepolders binnen de groene contour De andere helft van het groene buitengebied bestaat uit veenweidepolders. De aanwezige strokenverkaveling dateert uit de middeleeuwen, is nog oorspronkelijk en vrijwel hetzelfde als op de kaart uit
  3. Kenmerken van een veenweidepolder zijn zichtbaar door: De vlakke poldersmet een hoog waterpeil; er zijn relatief kleine hoogteverschillen van de kreekrug-gen en de voormalige kreken zijn zichtbaar op de plaatsen waar de sloten een kreekrug doorsnijden; Onregelmatige kavelpatronen en een lichte waaiervorm met smalle kavels met afgeronde koppen op het kaveleinde, die meestal loodrecht op het lint zijn gelegen, vanwaar de polder ontgonnen is; Oude boerenerven op afstand van het lint op oude kreekruggen in het open landschap. Linten en het landschap De linten vormen de lijnen waarlangs het landschap zich heeft ontwikkeld. Hoewel deze geen onderdeel vormen van dit Omgevingsprogramma, zijn ze niet los te zien van het achterliggende landschap. Daarom worden ze hier wel benoemd. Het is vaak een samenvoeging van een hoogteverschil (dijk of kade),waterkering, ontwateringslijn, occupatielijn en ontsluitingslijn. Dat leidt tot drie typen linten, namelijk: het polderlint, het boezemlint, het dijklint. Figuur 4 toont de cultuur-historische linten in Pijnacker-Nootdorp. Wijzigingen in het landschap door herinrichting voor natuur en recreatie De openheid van het landschap in de polders is bij de realisatie van onze natuur- en recreatiegebieden Buytenhout en De Groenzoom veranderd. Deze open weidegebieden zijn door bosaanplant omgevormd naar een verdicht bos- en recreatielandschap. Hoewel de mate van openheid anders is, zijn ook veel authentieke kenmerken uit de ontginningshistorie nog herkenbaar. Zo is de oorspronkelijke verkavelingsrichting meestal behouden gebleven doordat dit als uitgangspunt is genomen voor het ontwerp van het bos. Ook de (semi) boezems, kades en dijken zijn zorgvuldig ingepast in het ontwerp van het bosgebied en zijn herkenbaar, omdat deze vaak worden gebruikt voor de recreatieve routes. De verandering van het landschap heeft ook nieuwe kwaliteiten en kenmerken opgeleverd: a. Door de afwisseling van bos en open weidelandschap is het gebied aantrekkelijker voor meer diersoorten; b. De afwisseling van bos en open weidelandschap maakt dat er meerdere kleine kamers zijn in het landschap. Deze kamers laten het oorspronkelijk landschap van de droogmakerij zien; c. De dichte bossen maken andere vormen van recreatie en beleving mogelijk; d. Bossen dragen bij aan de inpassing van randen en (stedelijke) ontwikkelingen 4.3.4 Hoofdfuncties binnen de groene contour Binnen de groene contour zijn drie hoofdfuncties kenmerkend voor het gebruik. We onderscheiden natuur, recreatie en agrarisch-weide. Op kaart 2 worden deze hoofdfuncties weergegeven. Natuur In de gemeente liggen drie gebieden binnen het Na-tuurnetwerk Nederland (NNN): De Ackerdijkse Plassen, het Krekengebied, en het Weidevogelkerngebied Zuidpolder van Delfgauw. NNN is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Nederland dat biodiversiteit behoudt en natuurgebieden beter verbindt, zodat planten en dieren zich vrij kunnen verplaatsen. De provincies financieren via natuursubsidies (SNL) het beheer van de NNN-gebieden. De provincie is ook beleidsverantwoordelijk voor de verdere ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland. De Ackerdijkse Plassen zijn onderdeel van het NNN vanwege hun hoge ecologische waarde en hun rol als belangrijk vogelgebied. Het natuurgebied draagt bij aan de biodiversiteit door de aanwezigheid van diverse terreintypen, zoals plassen, moerasbossen, graslanden en rietmoerassen. Het gebied biedt hiermee een veilige leefomgeving voor verschillende bedreigde vogelsoorten, zoals de witgat, blauwborsten aalscholver. Het beheer van de Ackerdijkse Plassen wordt verzorgd door Natuurmonumenten. Het Krekengebied in het Bieslandse Bos heeft een hoge ecologische waarde en draagt als veenmoeras bij aan de biodiversiteit en aan de verbinding van natte natuurgebieden. Het moerassige gebied biedt leefruimte aan bijzondere vogelsoorten zoals de blauwborst, kievit en grutto. Staatsbosbeheer is verantwoordelijk voor het beheer. Het weidevogelkerngebied in de Zuidpolder van Delfgauw is met ruim 110 hectare in 2024 toegevoegd aan het NNN-gebied van De Groene Keizer langs de N
  4. Om het broed- en leefgebied voor weidevogels zoals de grutto, tureluur en kievit te verbeteren, is in 2025 de waterhuishouding aangepast met een hoger waterpeil in het broedseizoen, zijn greppels gegraven om de weilanden vochtiger te houden en is een grote plasdraszone aangelegd. Het gebied is gezamenlijk eigendom van de gemeente, Staatsbosbeheer en de provincie Zuid-Holland. Het beheer wordt uitgevoerd door lokale agrarische bedrijven via (natuur)pachtovereenkomsten. Veel omliggende percelen worden met ANLB-subsidie beheerd, met behoud van broedgelegenheid voor weidevogels. Natuur en recreatie Ook in de aangelegde natuur- en recreatiegebieden zijn deelgebieden die als natuurgebied worden beheerd, maar geen onderdeel uitmaken van het NNN: a. In “de Scheg” in het Balijbos heeft zich een natte bosbiotoop ontwikkeld met bijzondere fauna. Het gebied heeft een moerassig karakter en grenst aan een grote plas. Het biedt een gunstig broeden leefgebied voor diverse vogels. b. Midden in het Balijbos is bij de aanleg een groot gebied opengehouden en niet als bos ingericht. De natte weidebiotoop heeft natuurwaarde voor diverse flora en fauna en wordt beheerd als kruiden- en faunarijk grasland. c. In De Groenzoom zijn bij de aanleg tussen de randen met opgaande beplanting open weidegebieden bewaard gebleven. Deze weidepercelen worden beheerd als kruiden- en faunarijk grasland, glanshaverhooiland of vochtig hooiland. Dit biedt natuurwaarde voor diverse flora en fauna. Recreatie Een aantal gebieden zijn speciaal aangelegd voor openluchtrecreatie: het Bieslandsebos, de Dobbeplas, De Balij, Recreatiegebied Ruyven, en de Groenzoom. Ze zijn gerealiseerd via programma’s van het Rijk (Randstadgroenstructuur) en de Provincie Zuid-Holland (de Groenblauwe Slinger). Het Rijk en de Provincie wilden hiermee een tegenhanger creëren voor het stedelijk gebied en zo recreatie, natuur en leefbaarheid bevorderen. Inwoners van Den Haag, Rotterdam, Delft, Zoetermeer en Pijnacker-Nootdorp kunnen in deze gebieden ontspannen, wandelen, fietsen en geniet en van de natuur. Staatsbosbeheer en de gemeente beheren deze gebieden. In Hoofdstuk
  5. staat welke recreatieve voorzieningen in deze gebieden aanwezig zijn. Agrarisch weide Het landschap binnen de groene contour wordt deels gebruikt door landbouw. Het gaat voornamelijk om veehouderijen in open weidegebied. In de economie van Pijnacker-Nootdorp vormt deze sector een kleine sector, met nog ongeveer tien actieve bedrijven. Tegelijkertijd levert de sector een belangrijke bijdrage aan het behoud van het open landschap en de natuurwaarden. Daarnaast beheren de veehouderijen het weidevogelkerngebied in de Zuidpolder van Delfgauw. De veehouderijen in Pijnacker-Nootdorp kenmerken zich door hun relatiefkleine schaal. Dit komt door de lokale situatie. Het agrarische gebied wordt omringd door stedelijke gebieden met inwoners die behoefte hebben aan groene recreatie. In het provinciaal en gemeentelijk beleid staan beperkende regels regels om natuur- en landschapswaarden te beschermen. Vanuit het Rijk en provincie zijn er ook allerlei regels, bijvoorbeeld rond de stikstof- en mestproblematiek. Daarnaast worden bedrijven geconfronteerd met (toekomstige) ontwikkelingen zoals bodemdaling, verzilting en verzuring. In Pijnacker-Nootdorp zijn de mogelijkheden voor schaalvergroting en intensivering voor deze bedrijven erg beperkt. Als onderdeel van het Bijzonder Provinciaal Landschap Midden-Delfland wordt veel waarde gehecht aan de maatschappelijke betekenis van het open weidelandschap. Om het landschap duurzaam in stand te houden, is het belangrijk dat we aan deze bedrijven een gezond toekomstperspectief bieden. Door de kleine schaal en de natuur- en landschapswaarden is het nodig dat de bedrijven zich kunnen ontwikkelen op het gebied van natuurbeheer en verbreding. De bedrijven zoeken naar mogelijkheden om hun inkomen te verbreden. Daarbij gaat het om aanvullende activiteiten op de agrarische hoofdactiviteit, zoals bijvoorbeeld rechtstreekse verkoop van streekproducten aan consumenten, kleinschalige vergaderfaciliteiten en zorglandbouw. Dit vormt ook een ruimtelijk vraagstuk omdat hiervoor soms gebouwde voorzieningen gewenst zijn. Ook is soms ander gebruik van het landschap gewenst. Dit kan ook negatieve gevolgen hebben, zoals toenemende verkeersdruk op de smalle verkeerslinten. Een andere inkomstenbron is het uitvoeren van natuurbeheer voor de gemeente, Natuurmonumenten en Staatsbosbeheer. De veehouderijen in de Oude Leede beheren het weidevogelkerngebied in de Zuidpolder van Delfgauw. Voor extra inkomen zijn er daarnaast mogelijkheden voor overheidssubsidie voor landschaps- en natuurbeheer gelden. Een voorbeeld hiervan is de provinciale subsidie voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer (ANLb). De provincie heeft een bepalende rol bij het beleid voor deze sector en de landschapsdoelen daarbij. Het Rijk heeft veel beleidsbevoegdheden voor landbouw en natuur gedecentraliseerd naar de provincies. 4.4 Leidende principes voor de hoofdgroenstructuur en landschap 4.4.1 Inleiding In hoofdstuk 2 zijn de doelen voor het Omgevingsprogramma Groen uitgewerkt. Met deze doelen werken we aan de ontwikkeling van de hoofdgroenstructuur en het landschap in de gemeente. Daarvoor staan hieronder leidende principes beschreven. Deze leidende principes vormen de basis voor de uitvoering van onze ambities voor de hoofdgroenstructuur en het landschap. 4.4.2 Waarderen 4.4.2.1 Vastleggen van de groene contour voor het buitengebied In het buitengebied beschermen we de hoofdgroen-structuur door het vastleggen van de groene contour, zoals op kaart 1 is aangeduid. Binnen de groene contour zijn stedelijke functies zoals woningen en bedrijven niet mogelijk. Hiermee zorgen we ervoor dat het groene buitengebied een unieke en onderscheidende kwaliteit van Pijnacker-Nootdorp blijft. Ontwikkelingen binnen de groene contour moeten aansluiten bij de hoofdfuncties van het buitengebied (natuur, recreatie en landbouw veeteelt). Ook moeten toekomstige ontwikkelingen rekening houden met de natuur- en land-schapswaarden. Er liggen bebouwingslinten binnen de groene contour. In deze lintenbehouden we belangrijke zichtlijnen op het landschap. Dit wordt uitgewerkt in het Omgevingsprogramma Ruimtelijke Kwaliteit. 4.4.2.2 Vastleggen en behouden van het​ open landschap In de gebieden waar de openheid van het landschap een belangrijke kwaliteit is, willen we deze beschermen. In hoofdstuk 4.3.3 Het landschap van Pijnacker-Nootdorp zijn de kenmerken en kwaliteiten van het landschap in Pijnacker-Nootdorp toegelicht. Het authentieke open landschap willen we behouden in: a. het NNN-gebied van de Ackerdijkse Plassen, b. het NNN-gebied van het weidevogelkerngebied en de omliggende agrarische weidepercelen in de Zuidpolder van Delfgauw en ten zuiden van de Oude Leede, c. de open weidepercelen in De Groenzoom met de natuurdoeltypen kruiden- en faunarijk grasland, glanshaverhooiland en vochtig hooiland, d. de open weidepercelen in het middendeel van het Balijbos (ten oosten van lint Nieuwkoopseweg) met natuurwaarden voor kruiden- en faunarijk grasland. De open weidepercelen in de Polder van Biesland (de Noordpolder van Delfgauw), die grotendeels eigendom zijn van en worden gebruikt door Hoeve Biesland. Zo behouden we het waardevolle cultuurhistorische landschap van de droogmakerijen en de veenweidegebieden. In sommige delen van deze gebieden is volledige openheid ook nodig voor het beschermen van weidevogels. Bomen en andere hoger opgaande beplanting zijn voor de natuurdoelstellingen ongewenst, omdat deze rust- en schuilplekken bieden aan predatoren zoals vossen en kraaien. Deze roofdieren vormen een bedreiging voor het broedsucces van de weidevogels. 4.4.2.3 Aansluiten van de hoofdgroenstructuur op de regionale structuur De groengebieden in het buitengebied maken deel uit van de regionale groenstructuur en strekken zich uit over de gemeentegrenzen heen. Ze zijn onderdeel van het Regiopark Buytenhout en Bijzonder Provinciaal Landschap Midden-Delfland. We dragen bij aan een goede invulling van de regionale samenwerking, en aan integraal gebiedsbeheer. Samen met de terrein beherende organisaties, buurgemeenten, de provincie en andere partners streven we naar betere aansluiting van regionale natuur-en recreatiegebieden. Deze samenwerking levert ook kansen op voor de ontwikkeling en het beheer van onze groengebieden, bijvoorbeeld via subsidiemogelijkheden. 4.4.3 Verbeteren 4.4.3.1 Toekomstperspectief behouden voor veeteeltbedrijven In de Omgevingsvisie zijn gebieden aangewezen die in aanmerking komen voor een functiewijziging van agrarisch naar natuur en recreatie. Na de realisatie van nieuwe recreatiegebieden of door de aanleg van nieuwe wegen, is de gebruikswaarde voor landbouw door versnippering afgenomen. Het gaat om een restkavel ten noorden van de N470, de weidepercelen rond recreatiegebied Ruyven en de zone tussen het glastuinbouwgebied Noordpolder en het Bieslandsebos (stippelarcering in kaart 2). In deze gebieden is ruimte voor agrarische activiteiten waarbij minder openheid gewenst is, zoals akkerbouw. Ook kunnen andere activiteiten plaatsvinden die passen binnen de hoofdfuncties natuur en recreatie. 4.4.3.2 Mogelijkheid functiewijziging naar natuur of recreatie agrarisch-weide De veehouderij heeft een belangrijke rol in het behoud van cultuurhistorische landschaps- en natuurwaarden. Tegelijkertijd moeten deze bedrijven voldoende inkomen kunnen genereren. De balans tussen agrarisch gebruik en het behoud van landschaps- en natuurwaarden vraagt om maatwerk. Voor intensivering en schaalvergroting van de agrarische productie is in onze gemeente geen ruimte beschikbaar. Daarom willen we aan onze veeteeltbedrijven ruimtebieden om hun bedrijfsvoering te verbreden. Ook willen we hen ondersteunen bij het verkrijgen van provinciale subsidies voor landschapsbehoud. Daarnaast willen we verkennen of deze bedrijven beheertaken in onze natuurgebieden kunnen uitvoeren. Dit vraagt om structureel overleg en samenwerking met de veehouderijen. 4.4.3.3 Bij het toepassen van Ruimte voor Ruimte zorgen voor het borgen van groene en ruimtelijke kwaliteit De gemeente heeft beleid vastgelegd voor de toepassing van ‘Ruimte voor Ruimte’ (Nota Uitnodigende Ruimtelijke Ordening, 2018). Dit is een regeling waarbij ter compensatie van de sloop van glasopstanden en andere bedrijfsgebouwen één of enkele woningen gebouwd mogen worden. Hiermee streven wij naar het behoud van de landschappelijke kwaliteit, omdat de totale hoeveelheid bebouwing in het landschap afneemt. De compensatiewoningen worden in het lint ingepast, met aandacht voor doorzichten naar het open landschap en de aanwezige ecologische verbindingen. Als aanvulling op dit bestaande beleid hanteren we het uitgangspunt dat de vrijkomende groene ruimte (buiten de bouwpercelen) duurzaam een openbare groene of agrarische functie moet krijgen. Zo kunnen versnippering en verrommeling worden voorkomen. De Ruimte voor Ruimte aanpak wordt verder uitgewerkt in het Omgevingsprogramma Ruimtelijke Kwaliteit. 4.4.3.4 Bij het toepassen van Ruimte voor Ruimte zorgen voor het borgen van groene en ruimtelijke kwaliteit In het agrarisch gebied willen we voldoende bescherming bieden aan vee tegen extreme weersomstandigheden zoals regen, sneeuw, hitte en wind. Zo voorkomen we gezondheidsproblemen en stress bij de dieren. Tegelijkertijd willen we ook de openheid van het waardevolle veenweidelandschap beschermen. Het bieden van voldoende schuilplekken is maatwerk. Daarbij volgen we de volgende aanpak: a. Eerst wordt gekeken of het schuilen kan worden geregeld met natuurlijke middelen, zoals beplanting of takkenrillen en dergelijke; b. Als het eerste niet mogelijk is, kan toestemming worden verleend voor tijdelijke, seizoensgebonden mobiele constructies. Het realiseren van ‘gebouwen’ in de open weilanden wordt niet gezien als een logische oplossing voor schuilgelegenheid. Dit voorkomt verrommeling in het buitengebied en beschermt de aantasting van land-schappelijke waarden. 4.4.4 Uitbreiden 4.4.4.1 Hoofdgroenstructuur mee uitbreiden bij de ontwikkeling van transformatiegebieden De hoofdgroenstructuur zorgt ervoor dat groene ver-bindingen met het buitengebied en tussen de wijken behouden blijven. Bij de voorgenomen ontwikkeling van de transformatiegebieden Dwarskade, Overgauw, Rijskade en Balijade wordt deze hoofdgroenstructuur uitgebreid. Dit omvat ook de realisatie van nieuwe ecologische verbindingen, conform hoofdstuk 6.3.
  6. 4.4.4.2 Hanteren van een groencompensatiebeginsel voor de hoofdgroenstructuur binnen de wijken, bedrijventerreinen en de glastuinbouwgebieden Het is belangrijk om het groen in de hoofdgroenstructuur te beschermen. Het toevoegen of uitbreiden van functies, zoals transformatorhuisjes, extra parkeerplaatsen of andere verhardingen ten koste van groen, is ongewenst. Als dit binnen de hoofdgroenstructuur toch noodzakelijk is, moet rekening worden gehouden met de aanwezige ecologische waarden en de mogelijke functie van een ecologische verbinding. Bij het inpassen van een nieuwe functie wordt de ecologische waarde gecompenseerd. Daarbij gelden deze uitgangspunten: a. De ingreep moet leiden tot een versterkte beleving en het behoud van de algehele kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Bij elke ingreep in de hoofdgroenstructuur geldt als voorwaarde dat de ecologische kwaliteit van het gebied verbetert. Deze compensatie wordt zo dicht mogelijk bij de ingreep gerealiseerd. b. Voor ingrepen in een ecologische verbinding gelden aanvullende eisen. Als een wijziging leidt tot verstoring van een verbinding, worden de gevolgen gecompenseerd. Omdat de ecologische waarde van een gebied moeilijk te vervangen is, heeft het behoud van ecologische leefgebieden en verbindingen prioriteit. Ook bij renovatieprojecten van groen en bij het vervangen of kappen van bomen geldt dat de ecologische kwaliteit bij elke wijziging van de inrichting moet verbeteren. 4.4.4.3 Hanteren van een groencompensatiebeginselbinnen de groene contourbuitengebied Binnen de groene contour willen we voorkomen dat stedelijke functies, zoals gebouwen en wegen, ten koste van het groen uitbreiden. In de gebieden “recreatie voorop” en “kansenzone” bestaan er kansen om nieuwe functies in te passen. Als een functiewijziging of wijziging van de inrichting wordt toegestaan, moeten enkele voorwaarden worden nageleefd. De nieuwe functie moet natuur, recreatie of akkerbouw en veehouderij betreffen. Bebouwing is uitsluitend en slechts in zeer beperkte mate toegestaan, mits deze noodzakelijk is voor de nieuwe functie natuur, recreatie of akkerbouw en veehouderij. Versnippering door hobbymatig gebruik is daarbij ongewenst. Bebouwing wordt in beginsel toegevoegd in of tegen het lint. Leidt een functiewijziging tot een kwantitatieve afname van groen, dan moet hiervoor kwalitatieve compensatie worden geregeld. Daarbij gelden de volgende uitgangspunten: a. De ingreep moet de beleving versterken en de algehele kwaliteit van de fysieke leefomgeving behouden het behoud van de algehele kwaliteit van fysieke leefomgeving. Bij elke ingreep in de hoofdgroenstructuur is de voorwaarde dat de ecologische kwaliteit van het groen omhoog gaat. Deze compensatie wordt zo dicht mogelijk bij de ingreep gerealiseerd. b. Voor ingrepen in een ecologische verbinding gelden aanvullende eisen. Als een wijziging een verbinding verstoort, van een verbinding, worden de gevolgen gecompenseerd. Omdat de ecologische waarde van een gebied moeilijk te vervangen is, heeft het behoud van ecologische verbindingen de prioriteit. Bij een functiewijziging binnen de groen contour stelt de initiatiefnemer een groencompensatieplan op. 5 Bomen 5.1 Inleiding Bomen zijn essentieel voor een groene en gezonde leefomgeving. Ze maken de seizoenen zichtbaar, verbeteren ons mentaal welzijn, zuiveren de lucht, slaan CO₂ op en zorgen voor verkoeling. Daarnaast vormen bomen een onmisbare schakel in de biodiversiteit: vogels, insecten, vleermuizen en zelfs korstmossen profiteren van bomen. De ecologische waarde van een boom groeit met de leeftijd. Binnen het thema ‘bomen’ zetten we ons in voor het behoud en de versterking van een samenhangend netwerk met zowel ecologische als recreatieve waarde. Dit ondersteunt onze ambitie om een natuurinclusieve gemeente te zijn met een robuuste biodiversiteit. We investeren in het behoud en de uitbreiding van een duurzaam bomenbestand en in het creëren van een groene, aantrekkelijke openbare ruimte. Een ruimte die niet alleen ecologisch verantwoord is, maar ook uitnodigt tot bewegen, ontmoeten en genieten en beschikbaar is voor iedereen. 5.2 Trends en uitdagingen Bomennorm Het besef dat bomen bijdragen aan een gezonde fysieke leefomgeving neemt toe. Om deze waarde te borgen, heeft het Normeninstituut Bomen een landelijke bomennorm opgesteld. Deze norm vereist dat bij elke nieuwbouwwoning minimaal één boom moet worden geplant, met als doel het boomkroonvolume in stedelijke gebieden te vergroten. Dat volume, de gezamenlijke omvang van alle boomkronen, is een belangrijke graadmeter voor de positieve effecten van bomen op de leefomgeving. Een krachtig boomkroonvolume zorgt voor meer schaduw, verkoeling en verbetert de luchtkwaliteit. Oude bomen vervullen functies die jonge bomen nog niet kunnen bieden. Ze zijn daarom van grote waarde en verdienen bescherming. Door hun omvangrijke en karakteristieke kroon versterken ze de uitstraling van de omgeving en de biodiversiteit. Ze bieden nest- en schuilgelegenheid voor vogels en insecten, slaan CO₂ op en verbeteren het leefklimaat. Toekomstbestendigheid Een boom wordt geplant met het oog op de lange termijn. Bomen kunnen zeer oud worden en hun positieve bijdrage neemt toe naarmate ze ouder worden. Om een boom gezond oud te laten worden, richt men de aandacht steeds meer op toekomstbestendigheid. Naasteen gezonde groeiplaats van voldoende omvang is ook de juiste soortkeuze cruciaal. Het selecteren van toekomstbestendige boomsoorten voor de openbare ruimte is essentieel om stedelijke gebiedenveerkrach-tig en leefbaar te houden. De focus ligt steeds meer op boomsoorten die bestand zijn tegen de gevolgen van klimaatverandering, zoals hogere temperaturen, langere droogteperioden en hevigere regenval. Daarnaast kijkt men naar eigenschappen als oorspronkelijkheid, droogte- en hittebestendigheid, een diep wortelgestel (voor betere verankering en wateropname) en een sterke weerstand tegen ziektes en plagen. Het doel is bomen te planten die de biodiversiteit versterken en positief bijdragen aan luchtkwaliteit, waterbeheer en stedelijke verkoeling. Ziekten en plagen vormen een groeiende bedreiging voor de toekomstbestendigheid van bomen. Klimaatverandering maakt bomen kwetsbaarder voor ziekten en plagen. Extreem weer, zoals langdurige droogte en hevige regenval, leidt tot een toename van schimmelziektes en insectenplagen. Bovendien brengt de introductie van exotische soortennieuwe risico’s met zich mee. 5.3 Huidige situatie 5.3.1 Huidig bomenbestand Onze gemeente heeft momenteel ruim 20.000 geregistreerde bomen. Deze zijn opgenomen in het beheersysteem en voorzien van boompaspoorten, die voortkomen uit boominspecties. In het beheersysteem staan 212 verschillende boomsoorten geregistreerd, waarvan sommige vaker voorkomen. Tabel 2 geeft een overzicht van de top tien. In het bomenbestand komt de schietwilg (Salix alba) het vaakst voor. Deze boom wordt vaak als knotwilg beheerd. Schietwilgen krijgen van nature de ruimte om ongestoord te groeien en ontwikkelen daardoor een grote, weelderige kroon met een aanzienlijk volume. Knotwilgen daarentegen worden periodiek gesnoeid, wat resulteert in een compacte kroon en een beperkter bladoppervlak. Tabel 2: Top 10 boomsoorten en aantallen (*exoot) Nr. Wetenschappelijke naam Nederlandse naam Aantal 1 Salix alba Schietwilg 2183 2 Fraxinus excelsior Gewone es 1627 3 Alnus glutinosa Zwarte els 640 4 Prunus avium Zoete kers 493 5 Quercus robur Zomereik 451 6 Alnus spaethii 'Speath'* Japanse Kaukasische els ‘Speath’ 446 7 Pyrus calleryana 'Chanticleer'* Sierpeer 407 8 Acer pseudoplatanus Gewone esdoorn 386 9 Platanus x hispanica* Spaanse plataan 373 10 Tilia cordata Winterlinde 336 Leeftijdsopbouw bomenbestand Wanneer een bepaalde boomsoort in een gebied sterk overheerst, vergroot dat het risico dat ziekten en plagen sneller toeslaan. De afgelopen jaren is er steeds vaker schade ontstaan door onder andere essentak-sterfte, kastanjebloedingsziekte, de eikenprocessierups en roetschorsziekte. Het grootste deel van de bomen in de gemeente valt in de leeftijdscategorie van 11 tot 25 jaar, gevolgd door bomen van 25 jaar en ouder. Nog niet alle recent aangeplante bomen staan al in het beheersysteem. Daardoor is de groep van nul tot vijf jaar in figuur 5 relatief klein. Deze groep zal echter toenemen, onder andere door de aanleg van nieuwe woonwijken. 5.3.2 Huidig proces kapvergunning In de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) staan regels voor het kappen van bomen. Op dit moment is een kapvergunning verplicht voor bomen met een stamdiameter van minimaal 25 centimeter. Bij de beoordeling van een aanvraag houdt men rekening met vijf algemene criteria: technische omstandigheden, leeftijd, ecologische waarde, cultuurhistorische waarde en klimaatadaptatie. Omdat er nog geen objectieve toetsingscriteria zijn vastgesteld om deze waarden concreet te beoordelen, wordt het merendeel van de aangevraagde kapvergunningen momenteel verleend. 5.4 Leidende principes 5.4.1 Inleiding In hoofdstuk 3 De ambities voor groen in en om de kernen zijn de doelen van het Omgevingsprogramma Groen uitgewerkt. Met deze doelenwerken we ook aan het thema ‘bomen’ binnen de gemeente. Hieronder staan de leidende principes die hieraan ten grondslag liggen. Deze leidende principes vormen de basis voor de uitvoering van onze ambities voor de bomen in onze gemeente. 5.4.2 Waarderen 5.4.2.1 Bestaande bomen in de openbare ruimte behouden Bomen dragen sterk bij aan de leefbaarheid van de omgeving, en hun waarde neemt toe naarmate ze ouder worden. In de openbare ruimte worden bomen in principe niet gekapt, tenzij dit noodzakelijk is vanwege de gezondheid van de boom en het daarbij behorende risico, zoals vallende takken of omwaaien. Ook kan kap aan de orde zijn bij onrechtmatige overlast, vergelijkbaar met wat is vastgelegd in artikel 5:37 van het Burgerlijk Wetboek. Overlast zoals belemmerd uitzicht, minder zonlicht op zonnepanelen, blad- of vruchtval en vogelpoep vormt in principe geen reden om een gezonde boom te kappen of fors te snoeien. Om de gezonde ontwikkeling van bomen te waarborgen, worden ze periodiek gecontroleerd op veiligheid en gezondheid volgens de Visual Tree Assessment (VTA)-methode. Wanneer uit deze controle blijkt dat de gezondheid van een boom dat vereist, wordt (groot) onderhoud ingepland. Daarbij beoordelen we of de boom nog voldoendetoekomstwaarde heeft of dat vervanging op termijn nodig is. Ook bij herinrichtingsprojecten wegen we de toekomstwaarde van bomen mee. Het uitgangspunt is om bestaande bomen zoveel mogelijk te behouden. Als een boom echter onvoldoende toekomstperspectief heeft, bijvoorbeeld door een slechte groeiplaats als gevolg van ophoging van de grond, kan kap noodzakelijk zijn. In dat geval zoeken we binnen het project naar een geschikte nieuwe locatie om bomen te herplanten. 5.4.3 Verbeteren 5.4.3.1 Minder regeldruk bij beschermen van bestaande bomen Met de procedure voor het verlenen van kapvergunningen willen we bestaande waardevolle bomen zo goed mogelijk beschermen. Tegelijkertijd willen we onnodige regels en vergunningen voor onze inwoners voorkomen. Om waardevolle bomen gerichter te beschermen met minder regels, is het wenselijk om enerzijds de regels te versoepelen en anderzijds de waarde van bomen beter vast te leggen. Daarom verruimen we in de regelgeving (APV of Omgevingsplan) de criteria voor de vergunningplicht. Zo geldt straks een grotere stamdiameter van 30 centimeter (nu 25 cm op 1,50 meter hoogte) en vervalt de vergunningplicht op woonpercelen tot 250 m². Hiermee neemt het aantal vergunningen (met name voor inwoners) af. Voor alle gekapte bomen blijft de herplantplicht gelden, zowel op gemeentelijke gronden als op particuliere percelen. Deze verplichting is geregeld in de APV en geldt ook bij kap van waardevolle bomen. 5.4.3.2 Verbetering motivering besluiten kapvergunning In de APV zijn beoordelingscriteria opgenomen voor het al dan niet verlenen van kapvergunningen. Met het vaststellen van dit Omgevingsprogramma wordt een kwalitatieve onderbouwing toegevoegd. Hiermee kunnen we bij de beoordeling van kapvergunning besluiten beter motiveren. Een uitwerking hiervan is te lezen in bijlage
  7. 5.4.3.3 Bij nieuwe aanplant komt “de juiste boom op de juiste plek”. De soortkeuze en de kwaliteit van de groeiplaats zijn cruciaal voor de toekomstbestendigheid van bomen. Ze bepalen in hoge mate de ontwikkelkansen van een boom, zowel bij nieuwe aanplant als bij de vervanging van bestaande bomen. Het uitgangspunt hierbij is: “de juiste boom op de juiste plek.” Bij het kiezen van een geschikte soort houden we rekening met: a. Zorg voor een gevarieerde samenstelling in leeftijden soorten. We gebruiken hierbij de Groene én Zwarte bomenlijst (Natuur & milieu) als referentie; b. Geef voorkeur aan inheemse boomsoorten; overweeg exoten slechts in uitzonderlijke gevallen; c. Benut de potentie van de groeiplaats voor een robuust boomkroonvolume; d. Houd zorgvuldig rekening met relevante omgevingsfactoren en de mate van allergeniciteit om overlast zoveel mogelijk te voorkomen. Een adequate en toekomstbestendige groeiplaats is essentieel om bomen de kans te geven volledig uit te groeien. Bij herinrichtingen en nieuwe aanplant zorgen we daarom voor optimale ondergrondse en bovengrondse groeiruimte voor houtige gewassen. Alleen dan kunnende bomen duurzaam groeien en op volwassen leeftijd hun volledige potentieel bereiken. De richtlijn is dat een boom in de openbare ruimte minimaal 40 jaar oud moet kunnen worden, en in een park zelfs minimaal 80 jaar. Een hulpmiddel hierbij is de Boommonitor van het Norminstituut Bomen. Op basis van deze uitgangspunten streven we bij iedere vervanging of nieuwe aanplant naar een bomen-aanbod dat bijdraagt aan biodiversiteit en toekomst-bestendigheid van het stedelijk groen. De uitvoering hiervan garanderen we door het zorgvuldig inrichten van de groeiruimte en het nauwkeurig vastleggen van de diversiteit van het bomenbestand in het beheersysteem. 5.4.3.4 Verbeteren inzicht ecologische kwaliteit bomenbestand door betere datavoorziening De gemeente beschikt over een beheersysteem voor bomen waarin de technische kwaliteit en veiligheid continu worden gemonitord. Om het systeem in de toekomst ook te kunnen gebruiken voor de kwalitatieve monitoring van ecologische doelen, vullen we de noodzakelijke data in het bomenbeheersysteem aan. Met deze geactualiseerde gegevens ontstaat een solide basis voor toekomstbestendig groenbeheer. 5.4.4 Uitbreiden 5.4.4.1 Gericht beschermen waardevolle bomen door opstellen waardevolle bomenlijst Veel gemeenten kiezen ervoor om waardevolle bomen te beschermen met zo min mogelijk regeldruk door het opstellen van een waardevolle bomenlijst. Binnen de gehele gemeente brengen we alle waardevolle bomen in kaart, zowel in openbaar gebied als die op particulier terrein. Voor het opstellen van de lijst stellen we eerst criteria op waaraan een boom moet voldoen om op de lijstte komen. Het gaat bijvoorbeeld om cultuurhistorische waarde, landschapswaarde, ecologische waarde en omvang en/of leeftijd. Verder kan ook de beeldwaarde (beleefbaarheid, gaafheid boomvorm, zeldzaamheidswaarde) als criterium worden meegewogen. Na een inspraakprocedure stellen we de bomenlijst vast en wordt de vergunningplicht alleen van toepassing verklaard op de bomen op de bomenlijst. Zo beschermen we gericht de meest waardevolle bomen, terwijl voor de meeste inwoners de vergunningsplicht vervalt. Alle bomen op de bomenlijst, zowel die in openbaar gebied als die op particulier terrein, worden door de gemeente periodiek gecontroleerd op hun vitaliteit en omstandigheden. Dit zorgt ervoor dat er tijdig kan worden ingegrepen om de boom zo lang mogelijk te behouden. 5.4.4.2 Introduceren van een bebouwingscontour voor houtkap In het Omgevingsplan is vastgelegd dat de gemeente een bebouwingscontour voor houtkap moet opnemen. Deze contour geeft aan binnen welk gebied de regels uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) met betrekking tot houtkap niet van toepassing zijn. Op Kaart 1 is de bebouwingscontour voor Pijnacker-Nootdorp weergegeven. Deze contour komt overeen met de groene contour van het buitengebied. 6 Biodiversiteit 6.1 Inleiding Biodiversiteit vormt de basis voor een veerkrachtige en gezonde leefomgeving. ‘’Biodiversiteit is een veelomvattend begrip dat verwijst naar alle verscheidenheid aan leven binnen soorten, tussen soorten en tussen de ecosystemen waartoe ze behoren’’, aldus het compendium van de leefomgeving. Biodiversiteit is essentieel voor het in stand houden van ecologische processen en levert tal van diensten, die direct bijdragen aan het welzijn van inwoners, zoals voedsel, schoon water en schone lucht. Nu stedelijke ontwikkeling en klimaatverandering steeds meer druk zetten op de natuurlijke leefomgeving, is het behoud en herstel van biodiversiteit belangrijker dan ooit. 6.2 Trends en uitdagingen De ontwikkeling van groennormen Een groennorm stelt richtlijnen op voor de minimale hoeveelheid groen in een gebied. Zo bevordert de groennorm leefbaarheid, biodiversiteit en klimaatbestendigheid. Een norm kan bijvoorbeeld vastleggen hoeveel vierkante meter groen per woning vereist is of hoeveel aaneengesloten groen nodig is in een buurt. Er bestaan verschillende groennormen, zoals de 3-30-300-regel van Konijnendijk. Er is (nog) geen landelijke standaard vastgesteld. Door toenemende verstedelijking en de druk op groene ruimtes erkennen gemeenten de waarde van groen voor gezondheid en welzijn, maar ondervinden ze uitdagingen bij het behoud ervan. Een groennorm kan dan houvast bieden en groen een integraal onderdeel maken van stedelijke planning. Afname biodiversiteit De afname van biodiversiteit in Nederland vormt al decennialang een zorgwekkende trend. Onderzoek van de Universiteit Utrecht wijst uit dat het verlies van leefgebieden, vervuiling, klimaatverandering en overbenutting de belangrijkste oorzaken zijn. De intensivering van de landbouw heeft geleid tot versnippering van natuurlijke habitats en vervuiling, met name van stikstof en fosfaat. Deze ontwikkelingen hebben een negatieve invloed op de overleving van talloze plant- en diersoorten, wat resulteert in een sterke afname van de biodiversiteit. Volgens het Compendium voor de Leefomgeving is de biodiversiteit in Nederland sinds 1900 sterk afgenomen ten aanzien van de populatieomvang in een ongestoorde situatie: van ruim 40 procent naar ongeveer vijftien procent in
  8. Deze afname wordt gemeten in de Mean Species Abundance (MSA), een maat die aangeeft dat populaties van inheemse plant- en diersoorten gemiddeld nog slechts vijftienprocent van hun oorspronkelijke omvang bereiken. In vergelijking met andere Europese landen heeft Nederland een relatief lage biodiversiteit (zie figuur 7). Dankzij toenemende bewustwording en maatregelen is de achteruitgang in het afgelopen decennium enigszins afgeremd. Dit betekent echter niet dat de inzet mag afnemen. Integendeel: er liggen nog volop kansen en opgaven om de biodiversiteit verder te versterken en te herstellen. De ontwikkeling van Basiskwaliteit Natuur (BKN) Steeds meer gemeenten nemen de Basiskwaliteit Natuur (BKN) op in hun beleidsdocumenten. De BKN is ontwikkeld binnen het Deltaplan Biodiversiteitsherstel en richt zich op het creëren van basisvoorwaarden die noodzakelijk zijn voor algemene soorten om te overleven en zich voort te planten in hun leefgebied. Voorbeelden van dergelijke soorten zijn de huismus, de gewone pad en de dagpauwoog. De BKN waarborgt de minimale kwaliteit van de leefomgeving, zowel binnen als buiten de bebouwde kom. Daarbij gaat het onder meer om voldoende voedsel, geschikte schuilplaatsen, en een goede water- en luchtkwaliteit. Binnen de BKN wordt onderscheid gemaakt tussen soorten van de bebouwde kom en soorten die een specifiek leefgebied nodig hebben. In grotere, onderling verbonden natuurgebieden kunnen daarnaast ook zogenaamde plussoorten voorkomen. Dit zijn soorten die een hogere natuurkwaliteit vereisen en die tegenwoordig zelden buiten beschermde natuurgebieden worden aangetroffen. Als deze soorten in stedelijke of agrarische gebieden worden waargenomen, duidt dat op een extra ecologische waarde die de basiscriteria van de BKN overstijgt. Van de 645 indicatorsoorten voor het landelijke gebied zijn er 191 als plussoort aangemerkt. Deze fungeren als indicatoren voor landschappen van hogere ecologische kwaliteit. Het toepassen van de BKN in zowel stedelijke als landelijke gebieden leverteen belangrijke bijdrage aan het behoud en herstel van biodiversiteit en de ecosysteemdiensten die daarmee samenhangen. De BKN vormt het minimale niveau van ecologische kwaliteit, maar vanuit dit fundament is het de ambitie om, waar mogelijk, te streven naar meer en robuustere natuurwaarden. Met ‘waar mogelijk’ wordt bedoeld dat de gemeente extra natuurwaarden realiseert wanneer de omstandigheden dit toelaten. Dit hangt af van bijvoorbeeld beschikbare ruimte, middelen, samenwerking met externe partijen en kansen binnen gebiedsontwikkeling. Ook de ecologische potentie en het beheer spelen een rol bij de afweging. De BKN-methodiek is nog in ontwikkeling; voor diverse condities ontbreken nog advieswaarden. In lijn met de aanbevelingen binnen BKN is gekozen voor een lokale vertaling die in dit programma wordt voorbereid en in de uitvoeringsfase verder wordt uitgewerkt. Exoten: de risico’s voor biodiversiteit en leefbaarheid Overal in Nederland komen invasieve exoten voor, zoals de Japanse duizendknoop en de reuzenbereklauw. Exoten verdringen inheemse planten doordat ze sterk groeien en het gebrek aan natuurlijke vijanden. De Europese overheid heeft een verordening opgesteld die zich richt op de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten binnen de EU. Een onderdeel van deze verordening is de Unielijst. Hierop staan soorten die al in delen van de Europese Unie voorkomen en schade toebrengen of dit in de toekomstwaarschijnlijk gaan doen. Soorten op deze lijst moeten actief bestreden worden. 6.3 De huidige situatie 6.3.1 Inleiding Pijnacker-Nootdorp heeft een uitgesproken groene uitstraling, mede dankzij de groenrijke buurten. Voor de analyse van de natuurwaarden van het groen hanteren we de methodiek van de Basiskwaliteit Natuur. 6.3.2 Groenpercentage per buurt en functie van dit groen Het groen in de hoofdgroenstructuur, het openbaar groen in de straten en het groen in onze tuinen vormen samen het karakteristieke groene landschap van onze leefomgeving. Dit groen biedt ook een belangrijk leefgebied voor allerlei planten en dieren. Het groenpercentage en het oppervlak van boomkronen worden berekend op basis van openbare gegevens uit de Klimaateffectatlas. Om vast te stellen of een gebied versteend of juist vergroend is, gebruiken we luchtfoto’s van Nederland die in de zomer zijn gemaakt. Deze foto’s zijn genomentussen mei en september en hebben een resolutie van 25 bij 25 centimeter. Hierbij wordt zowel het openbare als het private groen, zoals tuinen, meegenomen, terwijl agrarisch gebied wordt uitgesloten. Soms kan het boomkroonpercentage lager lijken, ook al oogt een buurt groen. Dit komt doordat factoren zoals de gekozen boomsoort en de grootte van de bomen invloed hebben. Kleine bomen zorgen wel voor een groene uitstraling, maar dragen relatief weinig bij aan het totale boomkroonpercentage. In de tabellen 3, 4 en 5 staat het aandeel groen binnen de kernen, met het groenpercentage per buurt. Het gemiddelde groenpercentage binnen onze buurten ligt rond de 29 procent, waarbij zowel laag groen als boomkronen worden meegeteld. Tabel 3: Groenpercentage Pijnacker Buurtnaam Pijnacker Groenpercentage Laag groen Boomkroon Pijnacker centrum 30% 14% 16% Pijnacker Noord 37% 18% 19% Ackerswoude 16% 12% 4% De Boezem 18% 13% 5% Klapwijk 47% 16% 31% Tolhek 36% 27% 9% Tolhek centrumlijn 36% 27% 9% Keijzershof Boszoom 17% 16% 1% Keijzershof Eilanden 25% 19% 6% Keijzershof Erven 19% 16% 3% Koningshof 47% 16% 31% Tabel 4: Groenpercentage Nootdorp Buurtnaam Nootdorp Groenpercentage Laag groen Boomkroon De Venen/Creayenburch 45% 27% 18% De Venen Oost 34% 21% 13% De Venen Centrum 24% 16% 8% Nootdorp Centrum/West 27% 12% 15% Vrouwtjesland/Nieuweveen 28% 19% 9% Achter het Raadhuis 27% 20% 7% ‘s-Gravenhout 36% 24% 12% Oostambacht/Heronpark 23% 16% 7% Tabel 5: Groenpercentage Delfgauw Buurtnaam Delfgauw Groenpercentage Laag groen Boomkroon Oud-Delfgauw 30% 21% 9% Emerald Noord 36% 24% 12% Emerald Centrum 32% 22% 10% Emerald Zuid 34% 27% 7% Ruyven 25% 16% 9% Groen heeft meerdere functies die op verschillende manieren worden beheerd. De volgende groenfuncties worden onderscheiden: Gebruikersgroen: Dit betreft parken, sportvelden en speeltuinen. Dergelijke ruimtes worden intensiever beheerd, met regelmatig maaien, snoeien en onderhoud, zodat zij een prettige en veilige omgeving bieden voor recreatie en dagelijks gebruik. Ecologisch waardevol groen: Hierbij gaat het onder anderen om natuurgebieden en bloemrijke bermen, maar ook om groen in de wijken, parken en andere groentypen die de biodiversiteit bevorderen. Dit groen wordt extensief en gefaseerd beheerd, zodat de natuurlijke processen de ruimte krijgen zich zoveel mogelijk te ontwikkelen en de biodiversiteit gestimuleerd wordt. Functioneel groen: Dit type omvat onder andere bomen langs wegen, geluidswallen, groene daken en verticaal groen. Het beheer hiervan richt zich op veiligheid en het behouden van de functionele kwaliteit. Esthetisch groen: Sierbeplanting op pleinen en rotondes valt onder deze categorie. Hier vindt intensief onderhoud plaats om de visuele bijdrage en aantrekkelijkheid van de openbare ruimte te waarborgen. Waterrijk groen: Dit betreft oevers en rietkragen, waarbij het beheer zowel gericht is op ecologische functies als op recreatieve mogelijkheden, met aandacht voor waterkwaliteit en natuurlijke dynamiek. 6.3.3 De biotopen van Pijnacker-Nootdorp Een biotoop is een specifiek leefgebied waarin diverse soorten flora en fauna samenleven dankzij een samenspel van abiotische factoren zoals bodem, water, licht en klimaat. Sommige soorten stellen specifieke eisen aan hun leefomgeving, bijvoorbeeld duisternis, aanwezigheid van water van een bepaalde kwaliteit of een bepaalde (in-)tolerantie voor verstoring. Deze omstandigheden zijn vaak randvoorwaarden voor de aantrekkelijkheid van een gebied voor een bepaalde soort. Binnen de gemeentegrenzen is een inventarisatie uitgevoerd naar de verschillende biotopen(leefgebieden) in Pijnacker-Nootdorp (zie Bijlage
  9. Biotopenkaart) Deze inventarisatie is een bureaustudie op basis van literatuur en openbare data. Er is geen veldonderzoek verricht. De inventarisatie vormt een startpunt om meer inzicht te krijgen in de (potentiële) ecologische waarden in de gemeente. Biotopen kennen geen harde grenzen en lopen vaak in elkaar over, vooral in het buitengebied. De biotopenkaart verleent geen rechten voor het toekennen van functies of ontwikkelingen en dient puur als startpunt voor verdere ontwikkelingen. Op de biotopenkaart zijn de volgende biotopen onderscheiden: Grasland Regulier beheerde graslanden (zoals gazon) zijn vaak voedselrijk en kennen daardoor een lagere variatie aan plantensoorten. Dit resulteert in een beperkte diversiteit aan diersoorten die hiervan kunnen profiteren. Moeras Moerasgebieden, vaak bestaande uit ondiepe wateren zonder aansluiting op het oppervlaktewater, zijn belangrijk voor veel soorten. Deze omstandigheden zijn voordelig voor bepaalde amfibieën, aangezien de visstand hier vaak beperkt of afwezig is. Dorpsbiotopen In en rondom de dorpskernen en werkgebieden bevinden zich voornamelijk de dorpsbiotopen. Deze omvatten bebouwde gebieden zoals woonwijken, lintbebouwing, bedrijventerreinen en glastuinbouw en worden afgewisseld met biotopen die kenmerkender zijn voor het buitengebied. In de bebouwde omgeving vindt je stadsnatuur bestaande uit bijvoorbeeld bermen, parkjes en bomenlanen, maar ook geveltuintjes en tuinen. Bloemrijk grasland Ecologisch beheerd, bloemrijkgrasland bevat een grote verscheidenheid aan inheemse grassen en kruiden. Dit maakt het type bijzonder waardevol voor insecten en weidevogels. Oever en open water Zuurstofrijk voedselarm water in combinatie met geleidelijk aflopende oevers (natuurvriendelijke oevers)bedekt met (riet)vegetatie vormt een waardevol habitat voor bepaalde vissoorten, libellen en watervogels. Pioniervegetatie, akkerlanden ruigte Dit type biotoop bestaat doorgaans uit vegetatie die als eerste opkomt bij bijvoorbeeld braakliggende grond (pionier soorten). Het vervult een belangrijke functie voor soorten die afhankelijk zijn van open, zanderige omgevingen. Houtopstand Goed ontwikkelde houtopstanden, met een duidelijke gelaagdheid en sporadisch aanwezig dood hout, bieden leefgebied aan soorten die behoefte hebben aan veel dekkingen een rijk aanbod aan voedsel in de vorm van bodemdieren. 6.3.4 Ecologische verbindingen binnen de hoofdgroenstructuur In de groene contour en de hoofdgroenstructuur bevinden zich ecologische verbindingen. Deze verbindingen zorgen ervoor dat verschillende leefgebieden met elkaar verbonden zijn, zodat planten en dieren zich vrij kunnen verplaatsen en verspreiden. Hierdoor ontstaan groene corridors die een belangrijke bijdrage leveren aan de biodiversiteit en een gezond ecosysteem. Ecologische verbindingen voorkomen versnippering van leefgebieden en zorgen ervoor dat dieren zich kunnen voortplanten en voedsel kunnen vinden. Op die manier blijft de natuur in balans en wordt het landschap veerkrachtiger bij veranderingen. De manier waarop de leefgebieden met elkaar verbonden zijn via deze ecologische verbindingen is te zien op Kaart
  10. Op deze kaart is ook aangegeven waar er aansluiting is op omliggende gebiedenbuiten de gemeente en waar barrières aanwezig zijn. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen grondgebonden verbindingen (groene dikke lijnen), en boom-kroonverbindingen (groene stippellijnen). Dit verschil is belangrijk omdat verschillende diersoorten verschillende soorten verbindingen nodig hebben om zich te verplaatsen tussen de verschillende leefgebieden. Zo hebben wezel en egel stevige, grondgebonden verbindingen nodig, terwijl de merel zich juist verplaatst via aaneengesloten boomkronen. Barrières in de ecologische verbinding In de praktijk kennen ecologische verbindingen verschillende uitdagingen doordat er binnen deze structuren barrières aanwezig zijn. Deze barrières zijn in kaart 3 aangegeven met rode cirkels. Voorbeelden hiervan zijn bomenrijen die niet goed op elkaar aansluiten en structuurrijke bermen die worden onderbroken door wegen. 6.4 Leidende principes 6.4.1 Inleiding De leidende principes waarderen, verbeteren en uitbreiden vormen het uitgangspunt voor de groene ambities van de gemeente. Deze ambities dragen bij aan het behoud en de versterken van een samenhangende groenstructuur, waarbij de ecologische waarde centraal staat en de recreatieve waarde een aanvullende rol speelt. Daarnaast zet de gemeente in op een natuur inclusieve omgeving met een robuuste biodiversiteit en het verbeteren en uitbreiden van biotopen en ecologische verbindingszones. Tot slot wordt structureel geïnvesteerd in het behoud en de uitbreiding van een duurzaam bomenbestand, dat een belangrijke bijdrage levert aan de biodiversiteit. De Basiskwaliteit Natuur vormteen belangrijke basis voor de onderbouwing van de leidende principes. 6.4.2 Waarderen 6.4.2.1 We behouden huidige ecologische verbindingen Het behoud van de ecologische verbindingen, afgebeeld in kaart 3, vormt een belangrijk uitgangspunt voor de ambities van de gemeente. De ecologische verbindingen vormen een belangrijk fundament voor de biodiversiteit in de gemeente; door binnen deze structuren gericht ecologisch beheer toe te passen, wordt de inzet op biodiversiteitsverhoging in de komende jaren effectief ondersteund. De ecologische verbindingen zijn onderdeel van de hoofdgroenstructuur (zie 4.3). 6.4.2.2 We zetten groenbeheer op natuurlijke wijze voort De gemeente richt zich op groenbeheer dat aansluit bij de verschillende functies van het openbaar groen. De beheerintensiteit varieert per type groen, afhankelijk van de functie en de beoogde doelstellingen. De gemeente werkt volgens de Gedragscode Stadswerk, wat is opgenomen in bestekken. Bij het periodieke onderhoud wordt gewerkt aan het beheer op natuurlijke wijze. Waar passend bij de functie wordt het groen ecologisch beheerd. Bij ecologisch beheer denkt de gemeente aan de volgende uitgangspunten: a. Bevorderen van biodiversiteit b. Gebruik van natuurlijke processen c. Geen gebruik chemische bestrijdingsmiddelen d. Ruimtelijke samenhang e. Functioneel beheer passend bij lokale context In enkele gevallen volstaat een aanpassing van het groenbeheer niet. In dergelijke situaties is een omvorming van de bestaande groenvoorziening noodzakelijk, bijvoorbeeld door traditionele heesters of gazons (veelal gericht op sierwaarde) te vervangen door inheemse kruiden en/of struiken. 6.4.2.3 Schadelijke exoten worden bestreden Japanse duizendknoop en reuzenbereklauw zijn invasieve exoten die door de gemeente actief worden bestreden. Er zijn ook invasieve exoten die moeilijker te bestrijden zijn, zoals de Amerikaanse rivierkreeft. Deze exoot is sterk in opkomst en veroorzaakt een aanzienlijke afname van de biodiversiteit in het water. Recente onderzoeken tonen aan dat de beste bestrijding van deze soort plaatsvindt door natuurherstel, bijvoorbeeld door het aanleggen van natuurvriendelijke oevers. Uit de praktijk blijkt dat de populatie rivierkreeften hierdoor flink afneemt. De verantwoordelijkheid voor het bestrijden van de Amerikaanse rivierkreeft is formeel een verantwoordelijkheid van het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN). 6.4.2.4 Inwoners worden betrokken bij groen Het beheer en onderhoud van het openbaar groen is een taak van de gemeente, maar ook inwoners, bedrijven en verenigingen kunnen hierin een rol spelen. Bijvoorbeeld door het onderhouden van boomspiegels of het adopteren van bewonersgroen. Dit draagt niet alleen bij aan een schone en verzorgde leefomgeving, maar versterkt ook de betrokkenheid van inwoners bij het groen in hun buurt. 6.4.2.5 Snippergroen blijft in eigendom van de gemeente, en dit wordt niet verkocht. Snippergroen zijn kleine stukjes openbaar groen die grenzen aan particuliere percelen. De gemeente ontvangt regelmatig verzoeken van inwoners om deze stukjes te kopen, huren of gebruiken. Sinds 2022 is de verkoop van snippergroen stopgezet. Dit beleid wordt voortgezet vanwege de belangrijke rol van deze openbare ruimte voor duurzaamheid, biodiversiteit en klimaatadaptatie. 6.4.3 Verbeteren 6.4.3.1 De kwaliteit van de verschillende biotopen verbeteren door introduceren van ambassadeursoorten We verbeteren de kwaliteit van de verschillende biotopen door deze in te richten op basis van de behoeften van de zogenaamde ambassadeursoorten. Ambassadeursoorten dragen bij aan een goede basiskwaliteit van de natuur. Het zijn diersoorten die een belangrijk onderdeel van een bepaald biotoop vertegenwoordigen, omdat ze specifieke elementen in hun leefomgeving nodig hebben om te overleven. Door de buitenruimte af te stemmen op deze soorten, profiteren ook andere soorten binnen hetzelfde biotoop. Deze aanpak helpt om biodiversiteit structureel te versterken. De huismus is bijvoorbeeld een soort die veel struweel in zijn leefomgeving nodig heeft en de kleine watersalamander is afhankelijk van poelen en watergangen met weinig tot geen vissen. De huismus is dus ambassadeur voor voldoende struweel en de kleine watersalamander voor poelen en andere visvrije watergangen. Op basis van deze kenniskunnen ambassadeursoorten worden gekoppeld aan specifieke elementen binnen de biotopen. Het ontbreken van zulke elementen in het landschap verkleint de kans dat deze soorten zich in een gebied vestigen of handhaven. Wanneer de benodigde elementen wél aanwezig zijn of doelgericht aan het landschap worden toegevoegd, ontstaat er een basiskwaliteit die in de gemeente aanwezig zou moeten zijn. Deze aanpak helpt om de leefomgeving structureel te verbeteren en draagt bij aan het herstel en behoud van biodiversiteit. Voor onze gemeentezijn vijftien ambassadeursoorten gekozen die de “Basiskwaliteit Natuur” vertegenwoordigen (zie figuur 8). Zoals eerder omschreven, staat elke soort voor een specifiek element van de biotopen en/of het toevoegen ervan. Wanneer deze elementen aanwezig zijn, profiteren soorten die van dezelfde biotoop gebruikmaken, hier ook van. Bij de keuze voor ambassadeursoorten is gekeken naar BKN-soorten maar ook naar icoonsoorten van de provincie, en uiteraard is de lokale context (komt een soort hier van nature voor) ook meegenomen, zie Bijlage 4 voor de uitwerking. Dit is ook uitgewerkt voor de HKN-soorten. (Zie Bijlage 5). In bijlage 6 zijn de ambassadeursoorten gekoppeld aan maatregelen die helpen bij het behouden en creëren van waardevolle biotopen en welke zorgen voor een Basiskwaliteit Natuur. De belangrijkste maatregelen en uitgangspunten hierbij zijn: a. Realiseer en behoud lijnstructuren, zoals bomenrijen en aaneengesloten groen zoals struiken en kruiden. b. Kies voor inheemse, streekeigen soorten bij de aanplant van bomen, struiken en kruiden c. Behoud (waar mogelijk) oudere en/of bestaande dode bomen d. Kies voor hagen in plaats van onnatuurlijke afscheidingen (zoals schuttingen) e. Kies in biotopen en ecologische verbindingen zoveel mogelijk voor ecologisch beheer
  11. Kies hierbij voor extensief, gefaseerd maaien bij kruiden- en bloemrijk grasland
  12. Beheer (en leg aan waar mogelijk) amfibienpoelen f. Zorg voor geleidelijke overgangen
  13. Realiseer zoomvegetatie bestaande uit bloeiende struiken als overgang tussen kruiden en bomen
  14. Vervang beschoeiing langs waterwegen met natuurvriendelijke oevers; door een flauw talud (verhouding 1:3, bij voorkeur zo flauw mogelijk) met bijpassen ecologisch beheer g. Bouw natuur inclusief, bijvoorbeeld door:
  15. Leg groene daken en gevels aan
  16. Creëren van nest- en verblijfsplaatsen voor vogels en vleermuizen in gebouwen h. Aanplant of beheer van overhoekjes en ruigtestroken langs perceelranden 6.4.3.2 Barrières verminderen De bestaande ecologische verbindingen worden behouden, terwijl tegelijkertijd actief wordt ingezet op uitbreiding en versterking van deze structuren. De eerste uitdaging hierbij is het opheffen van bestaande barrières. Dit gebeurt door bestaande verbindingen te verbeteren en nieuwe aan te leggen. In gebiedenwaar zich nog barrières bevinden, worden faunavoorzieningen toegepast, zoals faunapassages, vistrappen en amfibieëntrappen. Deze voorzieningen maken het voor verschillende soortgroepen mogelijk om zich veilig te verplaatsen en voorkomen dat populaties geïsoleerd raken. Zo blijven genetische uitwisseling en gezonde, veerkrachtige populaties gewaarborgd. 6.4.3.3 Toepassen van natuur inclusief bouwen bij bouwprojecten Bij natuurinclusief bouwen worden natuur en biodiversiteit op een integrale wijze meegenomen in de ontwikkeling van bouwprojecten. Deze benadering draagt niet alleen bij aan het versterken van de biodiversiteit, maar ook aan klimaatadaptatie, een aantrekkelijke leefomgeving en de gezondheid van inwoners. Er zijn uiteenlopende maatregelen beschikbaar die aan deze doelen bijdragen, zoals groene daken en gevels, wadi’s, nestkasten voor vogels, vleermuisverblijven en een ecologisch ingerichte buitenruimte. Het is essentieel dat deze maatregelen in samenhang worden toegepast. Zo is het bijvoorbeeld niet voldoende om alleen nestvoorzieningen voor huismussen te plaatsen; er moet ook worden gezorgd voor geschikte beplanting en een voedselrijke omgeving, zoals struiken en kruidenrijke bermen, in de directe nabijheid. In de huidige projecten wordt al ervaring opgedaan met natuurinclusief bouwen via de gids ‘natuurinclusief ontwikkelen’. Op basis van deze ervaringen wordt gewerkt aan de ontwikkeling van een puntensysteem. Dit systeem maakt het mogelijk om natuurinclusieve maatregelen op een gestructureerde manier te beoordelen en voorwaarden te stellen bij bouwplannen. Zo krijgt de natuur een duidelijke positie binnen de ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente. Het puntensysteem vormt daarbij een kwalitatieve aanvulling op de kwantitatieve groennorm, en helpt om de groene ambities van de gemeente op een samenhangende en meetbare manier te realiseren. 6.4.3.4 Verbeteren datavoorziening De gemeente maakt gebruik van een beheersysteem voor groen. Om in de toekomst het beheersysteem ook te kunnen gebruiken voor de kwalitatieve monitoring van de ecologische doelen, is het noodzakelijk de gegevens te actualiseren en aan te vullen. Met deze geactualiseerde data kan worden gewaarborgd dat er een solide basis is voor toekomstbestendig groenbeheer. 6.4.3.5 Bevorderen betrokkenheid en bewustwording inwoners Naast fysiek onderhoud neemt de gemeente samen met inwoners en bedrijven verantwoordelijkheid voor het verbeteren van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Bewustwording vergroten en betrokkenheid zijn hierbij cruciaal. Om dit te bevorderen, zet de gemeente in op gerichte communicatiecampagnes, zoals een themapagina in de lokale krant, informatieve berichten op sociale media en andere communicatiemiddelen om inwoners actief te informeren en enthousiasmeren. Een belangrijk aandachtspunt binnen deze communicatie is het ecologisch beheer. Deze manier van beheren versterkt de biodiversiteit, maar brengt ook een ander, natuurlijker uiterlijk van de openbare ruimte met zich mee. Om draagvlak te creëren voor deze aanpak, informeert de gemeente inwoners over de voordelen en wat zij kunnen verwachten. Wanneer mensen begrijpen hoe ecologisch beheer bijdraagt aan een gezonde leefomgeving en het behoud van soorten, neemt hun waardering toe. Hierdoor groeit ook de betrokkenheid van inwoners en worden zij gestimuleerd om zelf bij te dragen aan een groene, klimaatbestendige en duurzame leefomgeving. 6.4.4 Uitbreiden 6.4.4.1 Verhogen van hoeveelheid groen en biodiversiteit door groennorm 3-30-300 Het is voor een toekomstbestendige en volwaardige kwalitatieve groene inrichting van nieuwe woonwijken nodig om te gaan werken met een groennorm. Bij het maken van plannen voor nieuwe woonwijken is uitgangspunt dat invulling wordt gegeven aan de groen-norm 3-30-300 van Konijnendijk. Deze norm behelst: a. Vanuit elke woning zijn minstens drie bomen zichtbaar (of een andere robuuste groenvoorziening als het planten van bomen niet mogelijk is); b. 30% van elke straat is bedekt met schaduw(boomkroonvolume); c. Op maximaal 300 meter loopafstand van elke woning is een groene verblijfsplek De ambitie om een groennorm toe te passen sluit aan bij de (deels in ontwikkeling zijnde)internationale wet en regelgeving, zoals de EU Natuurherstelwet en sluit aan bij onderzoek vanuit de Rijksoverheid, zoals de Handreiking Groen in en om de stad. Bij het opstellen van de ambitiedocumenten voor Dwarskade en Overgauw is hiermee al een begin gemaakt. De groennorm 3-30-300geldt voor nieuwe woonwijken, glastuinbouw en bedrijventerreinen. Bij herinrichting van de wijk kan de norm als leidraad worden gehanteerd. 6.4.4.2 Ambitie voor percentage groen in openbare ruimte Bij de toepassing van de 3-30-300-norm ligt de nadruk op de aanwezigheid en spreiding van bomen in de leefomgeving. Er ontstaan daarnaast landelijke initiatieven om aanvullend op deze norm ook een minimale ambitie te formuleren voor het totale groenpercentage in een woonwijk. Hierbij wordt soms gekeken naar het totale groen, inclusief particuliere tuinen, omdat het onderscheid tussen openbaar en privégroen lastig is vast te stellen via satellietbeelden. In Pijnacker-Nootdorp bedraagt het gemiddelde groen-percentage in woonbuurten momenteel ongeveer 29% (inclusief tuinen). Binnen het Convenant Klimaatadaptief Bouwen van de provincie Zuid-Holland, dat onze gemeente in 2021 heeft ondertekend, is afgesproken dat bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen minimaal 30% van het oppervlak groen wordt ingericht. Deze minimumeis hanteren we nu consequent bij nieuwe ontwikkelingen, waarbij we waar mogelijk streven naar méér groen in de vorm van laag groen, struiken en bomen. Hierbij wordt combineren van diverse typen groen waar mogelijk toegepast. De gemeente stimuleert inwoners om hun tuinen te vergroenen, om zo bij te dragen aan klimaatadaptatie en het behoud van biodiversiteit. Hoewel dit particuliere groen essentieel is voor het behalen van de groenambitie per wijk, kunnen we dit niet reguleren. Daardoor blijft het aandeel privégroen kwetsbaar en onvoorspelbaar. Het openbare groen biedt daarentegen wél sturingsmogelijkheden om een leefbare, gezonde woonomgeving te realiseren. Volgens de Handreiking Groen in en om de Stad (Rijksoverheid, 2024) geldt als uitgangspunt dat minstens 50% van het groen in een wijk uit openbaar, biodivers groen moet bestaan. De groennorm is 30%, wij vertalen dit naar een ondergrens van 15% openbaar groen per wijk (de helft van de totale 30%, de andere helft is particuliergroen), met de ambitie om dit aandeelwaar mogelijk te verhogen naar 20%. 6.4.4.3 Monitoren op de kwantiteit en de kwaliteit van het groen Structurele monitoring is essentieel om te kunnen sturen op de ecologische kwaliteit van groen. In sommige gebieden monitort de gemeente op natuurwaarden, maar een gestructureerde monitoring voor de hele gemeente ontbreekt nog. Daarom stellen we een plan van aanpak op. Hierbij maken we gebruik van de inventarisatie van biotopen en ecologische verbindingen in Pijnacker-Nootdorp (zie 5.2.2), en van de ambassadeurssoorten (zie 5.3.2).Het plan van aanpak werkt de volgende lijn uit. a. Het vaststellen van de aspecten waarop we gaan monitoren, zoals:
  17. De voortgang van geplande ingrepen en maatregelen;
  18. De kwaliteit van biotopen en ecologische verbindingen (condities voor de biotopen met de bijbehorende ambassadeurssoorten)
  19. De biodiversiteit binnen de gemeente b. Het in beeld brengen van de ecologische kwaliteit van het huidige groen
  20. Momenteel is er onvoldoende inzicht in de huidige kwaliteit van leefgebieden en verbindingen. Met een veldschouw beoordelen we per gebied de conditie van het groen, en of er aanpassingen nodig zijn. Hiervoor spreken we een protocol af. Het uitgewerkte schouw systeem kunnen we vervolgens in de hele gemeente toepassen in de groene hoofdstructuur. Mogelijk werken we bij de schouw samen met vrijwilligers. De schouw is aanvullend op de informatie in het groenbeheersysteem. Zo krijgen we zicht op de kwaliteit van het groen. c. Het meten van aantallen van soortgroepen
  21. daadwerkelijk aanwezig zijn. Voor de langere termijn is het daarom van belang om ook op soortgroepen (bijvoorbeeld vlinders en flora) te gaan monitoren in een zogenaamd Meetnet biodiversiteit. Hierbij inventariseren we verschillende soortgroepen volgens vaste protocollen eens per jaar. Door aan te sluiten bij landelijke meetnetten bijbehorende protocollen, zijn lokale trends en ontwikkelingen ook te vergelijken met landelijke trends. d. Het structureel herhalen van de monitoring
  22. Hiermee volgen we de ontwikkeling van de ecologische kwaliteit zien. Ook kunnen we hiermee de trends in beeld brengen. Het geeft informatie om te kunnen sturen op beheer en ingrepen. e. Het gebruik maken van monitoring in specifieke gebieden
  23. Voor het Weidevogelkerngebied Zuidpolder van Delfgauw en de eendenkooi is een bestaande monitoring georganiseerd. Dit blijft behouden en wordt betrokken in de gemeente brede aanpak. f. We zoeken hierin samenwerking met onze buurtgemeenten en Staatsbosbeheer
  24. In Regiopark Buytenhout is een start gemaakt om de monitoring op elkaar af te stemmen. 6.4.4.4 Uitbreiden van de ecologische verbindingen koppelkansen transformatiegebieden Bij het ontwikkelen van nieuwe woonwijken kan de hoofdgroenstructuur en het realiseren als koppelkans worden meegenomen. Om zowel de hoofdgroenstructuur als de ecologische verbindingen uit te kunnen breiden, hebben we kansrijke verbindingen in kaart gebracht: Dwarskadegebied Bij de ontwikkeling van het Dwarskadegebied ontstaan mogelijkheden om de nieuwe woonwijk te verbinden met het groene buitengebied. Door deze ‘stad-land-verbindingen’ verder de wijk in te trekken en deze laten aansluiten op de hoofdgroenstructuur van de rest van de kern, maken we de hoofdgroenstructuur van Nootdorp als geheel robuuster en ontstaan meer mogelijkheden voor ecologische verbindingen. De ambities uit de ambitienotitie Dwarskade
(2023)zijn in het Omgevingsprogramma overgenomen. Overgauw Bij de ontwikkeling van Overgauw ontstaan mogelijkheden om de locaties te verbinden met de hoofd-groenstructuur van de rest van de kern. De ambities uit de ambitienotitie Overgauw
(2024). Om een noord-zuid verbinding te maken tussen de ecologische zone in Tuindershof en het groen bij de plas achter de dr. Van der Horstlaan is in dit programma een verbinding opgenomen. Balijade Bij de toekomstige ontwikkeling van Balijade ontstaan kansen om de in de Omgevingsvisie opgenomen ecologische verbinding tussen de Groenzoom en het Balij-bos daadwerkelijk vorm te geven. De ambitie is om in dit gebied een volwaardige ecologische verbinding te realiseren, inclusief een wandel- of struinpad, die Balijbos en Groenzoom met elkaar verbindt. Als koppelkans nemen we bij de geplande reconstructie van de Katwijkerlaan (2025–2027) een faunapas-sage onder de weg op in het programma van eisen. Hiermee zetten we een belangrijke stap in het verbeteren van de doorstroming voor dieren. 6.4.4.5 Uitbreiden van de ecologische verbindingen koppelkansen gemeentelijke projecten Bij projecten voor nieuwe infrastructuur kan het realiseren van ecologische verbindingen als koppelkans worden meegenomen. Hiervoor hebben we als kansrijke verbindingen in kaart gebracht: Verbinding van Komkommerweg naar het Biesland-sebos: De ambitie is om een ecologische verbinding te realiseren tussen de Zuidpolder van Delfgauw en het Bieslandsebos. Bij de aanleg van de Komkommerweg is een aanzet gegeven en is langs de weg een ecologische zone gerealiseerd. Het realiseren van het ontbrekende deel tussen de Komkommerweg en het Bieslandsebos is als ambitie opgenomen. De realisatie kan (mogelijk in delen) als koppelkans meeliften bij het doortrekken van de Komkommerweg en bij de mogelijke herstructurering van het glastuinbouwgebied van de Noordpolder. Verbinding van Zuidpolder naar Midden-Delfland Deze uitbreiding is een koppelkans met de ontwikkeling van de Metropolitane Fietsroute Delft-Rotterdam (MFR). Bij het ontwerp MFR is een ecofietsbrug over de A13 gepland. In het project is een smalle ecologische verbinding meegenomen. Vervolgens wordt een ecologische verbinding aangelegd naar de Ackerdijkse Plassen. Verbinding Klapwijknaar FES-gebied Bij de ontwikkeling van de glastuinbouwkavel aan de Hoogseweg is de ambitie opgenomen om een ecologische verbinding vanaf de rand van Klapwijk naar het FES-gebied en langs het fietspad het Oostlandpad te realiseren. 6.4.4.6 Uitbreiden van de ecologische verbindingen via projecten derden Ook andere gemeentenen gebiedsbeheerders werken voor hun werkgebied aan het verbeteren van ecologische verbindingen. Hiervoor hebben we de volgende projecten in kaart gebracht: Uitbreiding en verbetering van het Krekengebied Bieslandsebos Staatsbosbeheer heeft in 2024 de Ontwikkelagenda Balij Bieslandse Bos opgesteld. Hierin is een onderzoek opgenomen naar het verbeteren van het Krekengebied. Dit gebied is een waardevol nat ecologische NNN-gebied (veenmoeras). Er wordt onderzocht of ten oosten een uitbreiding van het NNN-gebied mogelijk is in de vorm van de ontwikkeling van vochtig bos. Hierbij wordt ook onderzocht of de recreatieve beleefbaarheid vanaf de randen kan worden verbeterd. Verbinding Balijbos-Westerpark Zoetermeer De A12 en spoorlijn vormen een belangrijke barrière tussen het Balijbos en het Westerpark in Zoetermeer. De gemeente Zoetermeer heeft een onderzoek uitgevoerd om de barrière werking te verminderen en een oude tunnel onder de A12 te benutten als faunapassage. Natte verbinding tussen krekengebied Bieslandsebos en Balijbos (Scheg) In de Ontwikkelagenda Balij Bieslandse Bos is ook het project opgenomen voor een onderzoek naar een natte ecologische verbinding. Het gaat om het verbinden van de natte natuur in het Krekengebied met de natte zone van De Scheg in het Balijbos met een (aaneengesloten) netwerk van natte ecologische zones met natuurvriendelijke oevers en oevervegetatie. 7 Recreatie, spelen en bewegen 7.1 Inleiding Het groen in en rondom de kernen biedt volop ruimte om te recreëren, te spelen en te bewegen. Voldoende beweging is belangrijk voor onze fysieke en mentale gezondheid. We maken het onze inwoners makkelijker om actief te zijn en elkaar te ontmoeten. Onder het thema ‘recreatie, spelen en bewegen’ vallen: Het recreatief gebruik van groengebieden buiten de kernen, inclusief voorzieningen zoals wandelen fietspaden, ruiterroutes, trim- en beweegparcours, vissteigers en kanoroutes; De mogelijkheden om te spelen en te bewegen binnen de kernen, met voorzieningen zoals speelterreinen en andere plekken die bewegen en ontmoeten stimuleren. 7.2 Trends en uitdagingen Meer aandacht voor bewegen en gezondheid De inrichting van onze leefomgeving beïnvloedt direct de gezondheid van mensen en op het aantal gezonde levensjaren. Steeds meer gemeenten passen de fysieke leefruimte zó aan dat mensen meer gaan bewegen. Maatschappelijke trends zoals de toename van obesitas bij kinderen, de wens om mentaal en fysiek gezonder oud te worden, de groeiende aandacht voor gezond eten, en de impact van de coronapandemie in 2020 hebben een sterke invloed op onze gezondheid. Hoe we onze openbare ruimte vormgeven, bepaalt voor een groot deel de keuzes die mensen maken om in beweging te blijven. Bewegen en ontmoeten voor alle leeftijden Door de vergrijzing en de coronapandemie in 2020 is de aandacht voor het belang dat mensen van alle leeftijden kunnen bewegen en elkaar kunnen ontmoeten in de openbare ruimte gegroeid. Steeds meer mensen gaan wandelen, trimmen en fietsen. Daarnaast winnen nieuwe vormen van buitenrecreatie, zoals offroad fietsen en bootcamp, aan populariteit. Ook buitenevenementen zoals picknicken en barbecueën komen steeds vaker voor. Dit vraagt om aanpassing van voorzieningen, zodat ze aansluiten bij het toegenomen en veranderde gebruik. Een beweegvriendelijke openbare ruimte verbetert de gezondheid van inwoners. Daarvoor zijn niet altijd grote ingrepen nodig. Voor ouderen kan het al helpen als er voldoende bankjes staan om uit te rusten. Ook kleine aanpassingen, zoals motiverende bordjes of wandeltegels, stimuleren mensen om een ommetje te maken. Bewegen en ontmoeten voor de jeugd In de kernen ligt een fijnmazig netwerk van speelplek-kenaangelegd. De afgelopen jaren hebben we ons gericht op het realiseren van centraal gelegen speelplekken, die geschikt zijn voor een brede doelgroep. Dit stimuleert ontmoeting in de wijk. Daarnaast is er steeds meer aandacht voor inclusieve speeltoestellen, zodat ook kinderen met een beperking veilig kunnen spelen. Meer inwoners, meer recreanten Onze gemeente is in de afgelopen decennia sterk gegroeid. Door de toename van het aantal inwoners, zowel lokaal als regionaal, is de recreatiedruk op het buitengebied flink gestegen en deze druk zal de komende jaren verder toenemen. In de Omgevingsvisie is daarom de ambitie opgenomen om het groene buitengebied optimaal te benutten én te behouden, door een zonering aan te brengen met zowel rustige als intensievere gebieden. Het recreatief gebruik moet in balans blijven met de kwaliteiten van de natuur en het landschap.” Nieuwe regelingfinanciering beheer recreatiegebieden Buytenhout is voor het grootste deel (Balij- en Bieslandse bos) in eigendom en beheer bij Staatsbosbeheer. Voor de Dobbeplas en het Wandelbos is de gemeente verantwoordelijk voor het beheer. De uitvoering van het beheer gebeurt hier door Staatsbosbeheer in opdracht van de gemeente. Vanaf 2026 wijzigt de Subsidieregeling beheer recreatiegebieden Zuid-Holland. In de nieuwe regeling wordt één normkostensysteem gehanteerd voor alle recreatiegebieden met een omvang vanaf 100 hectare (en waarvoor het beheer bij eigendomsoverdracht niet is afgekocht, zoals in de Groenzoom en Ruyven). De beheerbijdrage is in de nieuwe regeling gemaximeerd op 40% van de normkosten voor het beheer en toezicht. Voor het gebied Dobbeplas betekent dit dat de beheerbijdrage daalt van 80% van de feitelijke beheerkosten naar maximaal 40% van de normkosten. Voor de gebieden van Staatsbosbeheer in Buytenhout betekent de nieuwe regeling een structurele bijdrage van de provincie voor het beheer. 7.3 Huidige situatie 7.3.1 Recreatie Kaart 4 toonteen overzicht van de belangrijkste recreatieve routes en voorzieningen in het groene buitengebied. Hieronder wordt dit verder toegelicht. Recreëren buiten de kernen Het groene buitengebied is een uniek een onderscheidende kwaliteit van Pijnacker-Nootdorp. Steeds meer mensen zijn hier komen wonen en willen ook gebruik maken van deze groene ruimte. Rond de kernen liggen drie herkenbare hoofdgebieden: Buytenhout, de Groenzoom en het Oude Leedegebied. Elk gebied is op zijn eigen manier aantrekkelijk voor verschillende vormen van recreatie (zie kaart 4). Tegelijk moeten we in deze gebieden ook rekening houden met de natuurwaarden en de agrarische activiteiten. Recreatie in Buytenhout Buytenhout is als onderdeel van de Randstadgroen-structuur vanaf de jaren ‘70 van de vorige eeuw aangelegd als recreatiegebied en (productie)bos. Buytenhout is een groene buffer die loopt vanaf de Delftse Hout tot aan het Westerpark in Zoetermeer. Bosrijke gebieden wisselen af met open weides en moerassen, kleinere en grotere watergangen en een enkele plas. De verschillen in het landschap en de verbindingen over land en water zijn niet alleen waardevol voor recreanten, maar ook steeds meer planten en dieren vinden hier hun plek. Het gebied beschikt over een fijnmazig netwerk van wandel-, fiets- en ruiterpaden, aangevuld met kleinschalige voorzieningen zoals rustplekken, picknickplaatsen en een natuurspeelplaats. De omgeving van de Dobbeplas wordt intensief gebruikt voor recreatie. Er vinden evenementen plaats, er zijn twee restaurants en het is een populaire ontmoetingsplek. Ook de manege, skeelerbaan, het hondenbos en het zwem-strand trekken veel bezoekers van binnen en buiten de gemeente. Recreatie in de omgeving van Oude Leede In de omgeving van de Oude Leede is het karakteristieke veenweidelandschap duidelijk herkenbaar. Dit landschap is uniek en wordt gewaardeerd, maar is ook kwetsbaar. Het gebied neemt een bijzondere positie in als onderdeel van het Bijzonder Provinciaal Landschap Midden-Delfland. Het behoud van dit waardevolle landschap, met daarbij de ecologische waarde (zoals weidevogels) en het behoud van de agrarische bedrijvigheid, staat centraal. In deze omgeving is recreatie vooral routegebonden en staat de beleving van rust, landschap en natuur centraal. In het lint van Oude Leede zijn enkele kleinschalige recreatieve voorzieningen aanwezig. Het gebied Oude Leede bestaat uit drie deelgebieden. In de Ackerdijkse Plassen staan de natuurwaarden op de eerste plaats. Behoud en verbetering van de bio-diversiteit staan voorop. Dit landschap kan vanuit de linten en de aanwezige padenlangs de randenworden ervaren door wandelaars en fietsers. Het gebied is in eigendom van Natuurmonumenten en wordt ook door hen beheerd. In de Zuidpolder van Delfgauw werken we samen met de Provincie, Staatsbosbeheer en het Hoogheemraadschap aan een kerngebied voor weidevogels. Na een grondruil zijn maatregelen genomen om de broed- en leefomstandigheden van de weidevogels te verbeteren. Het gebied is alleen te beleven vanaf de randen via recreatieve paden. Tussen de A13, het bedrijvenpark Ruyven en de Zuideindseweg ligt het gebied Ruyven. Dit gebied wordt deels gebruikt voor agrarische doeleinden en deels als recreatiegebied. Ruyven-Noord is een voormalig provinciaal recreatiegebied en bevat onder andere een freerunpark en een hondenlosloopgebied. Ruyven-Zuid is ingericht als overloopwaterberging en is toegankelijk via enkele recreatieve paden. Een fijnmazig routenetwerk en voorzieningen voor doelgroepen In en om de kernen is een fijnmazig netwerk aanwezig van recreatieve paden om te wandelen, te fietsen of te trimmen. Straten en paden in de kernen zijn verbonden met het netwerk aan wandel- en fietspaden in het buitengebied. In het gemeentelijk fietsplan ’Gelukkig op de fiets’ en het ruiterpadenplan zijn ambities geformuleerd voor nieuwefiets- en ruiterroutes, evenals voor het verbeteren van bestaande routes. Deze ambities zijn in dit programma opgenomen. Voor specifieke groepen zijn aparte routes en voorzieningen gerealiseerd. Zo zijn er aparte routes voor ruiters en voor kanovaarders. Het viswater is verhuurd aan Sportvisserijbelangen Delfland en op verschillende plekken zijn vissteigers geplaatst. Daarnaast zijn er specifieke voorzieningen voor skeeleren en fitness, en zijn losloopgebieden aangewezen voor honden. Recreatie in De Groenzoom De aanleg van De Groenzoom werd in 2016 voltooid. De Groenzoom is een langgerekte groene verbindingszone van 450 hectare die het open veenweidegebied van Midden-Delfland en de Zuidpolder verbindt met het Balijbos. Het is onderdeel van het Bijzonder Provinciaal Landschap Midden-Delfland. De Groenzoom is in korte tijd uitgegroeid tot een aantrekkelijk weids en open gebied, met afwisselende vegetatie. Langs de randen zijn volop mogelijkheden voor wandelaars en fietsers, en er is een kanoroute. In de open binnenruimten staan rust en natuurontwikkeling centraal. Hier liggen kansen voor agrarisch natuurbeheer. De Groenzoom ligt voor ruim een derde deel in de gemeente Pijnacker-Nootdorp en voor bijna twee derde deel in Lansingerland. De gemeenten hebben het beheer in 2016 gezamenlijk aanbesteed. De uitvoering van het beheer vindt plaats door de Beheercombinatie Groenzoom. Een Gebruikersplatform adviseert de gemeenten over het beheer en het gebruik van dit gebied. 7.3.2 Spelen en bewegen Bewegen en ontmoeten voor de jeugd De ambities en speelvoorzieningen in onze gemeente zijn van een hoog niveau dankzij de structurele aandacht in beleids- en beheerplannen. In het Beheer-plan Spelen 2023-2026 staat bijvoorbeeld beschreven hoeveel speel- en ontmoetingsplekken voor jongeren per leeftijdsgroep nodig zijn, inclusief de maximale loopafstand die hiervoor geldt. Daarnaast besteden we extra aandacht aan inclusieve speeltoestellen, zodat ook kinderen met een beperking kunnen meespelen en genieten van de openbare ruimte. Spreidingsrichtlijn Het beheerplan Spelen2023-2026 richt zich vooral op jeugd tot achttien jaar. Voor de inrichting en de spreiding maken we onderscheid in drie leeftijdsgroepen (nul tot zes jaar, zes tot twaalf jaar en twaalf tot achttien jaar). Voor volwassenen is er daarnaast behoefte aan plekken om te sporten of te ontmoeten. Dit is uitgewerkt in de spreidingsrichtlijn, beschreven in tabel 6. Tabel 6: Spreidingsrichtlijnen per leeftijdscategorie Leeftijdscategorie Woningtypologie Aantal kinderen (binnen bereik) Bereik (Max afstand) Minimaal oppervlakte 0-6 Hoogbouwwoningen 75-100 Buurt (~150m) 180m2 0-6 Grondgebondenwoningen 100-125 Buurt(~250m) 180m2 6-12 Alle typen 125-150 Wijk (~400m) 720m2 12-18 Alle typen 150-175 Kern (~1000m) 700-1000m2 Alle Alle typen 0 - 200 Kern (~1000m) 700-1000m2 Dat is een belangrijk aandachtspunt. Voor de jongste kinderen van nul tot zes jaar houden we altijd rekening met de aanwezigheid van begeleiders, waarvoor we ook zitgelegenheden voorzien. Vanaf zes jaar gaan kinderen steeds vaker zelfstandig op zoek naar speel-en ontmoetingsplekken binnen een steeds grotere afstand van huis. Daarnaast is het essentieel om bij het inrichten van speel- en ontmoetingsplekken goed te letten op de demografische samenstelling van een buurt of kern. Sommige wijken huisvesten bijvoorbeeld meer jonge kinderen, ouderen of juist jongeren van vijftien jaar en ouder. Door hiermee rekening te houden, sluiten de voorzieningen beter aan op de behoeften van de bewoners. Informele ruimte om te spelen We onderscheiden speelplekken in formele en informele locaties. Informele speelplekken zijn openbare ruimtes die niet speciaal voor spelen zijn ontworpen, maar die kinderen als speelgebied gebruiken, zoals bosjes, grasveldjes of stoepen. Bij de stedenbouwkundige inrichting stimuleert de gemeente actief het creeren van informele speelruimte. Daarnaast bevordert de gemeente het gebruik hiervan door het plaatsen van spelaanleidingen, zoals ‘pleinplakkers’ en stapstenen. Natuurlijke speelplek Een natuurlijke speelplek is volledig ingericht met natuurlijke materialen zoals zand, water, takken, (klim) bomen en stapstenen. Deze speelomgeving is sterk dynamisch van aard en geeft kinderen volop ruimte om hun creativiteit en spelideeën te ontplooien. In de praktijk blijkt dat een combinatie van natuurlijk spel met enkele herkenbare speelaanleidingen de grootste speelwaarde oplevert. Deze elementen helpen kinderen de speelplek makkelijker te herkennen en nodigen uit om spelenderwijs de omgeving te ontdekken. Vanwege de benodigde ruimte en het natuurlijke karakter liggen deze speelplekken vaak iets verder van de directe woonomgeving. Formele speelplekken Formele speelplekken zijn speciaal ontworpen en ingericht om kinderen te laten spelen. Deze locaties zijn uitgerust met één of meerdere speeltoestellen, zoals glijbanen, wippen of klimrekken. Formele speelplekken moeten voldoen aan de wettelijke normen uit het Warenwetbesluit Attractie- en Speeltoestellen (WAS). De gemeente beschikt over 201 formele speelplekken met speeltoestellen, verdeeld over de kernen Pijnacker
(126), Nootdorp
(67)en Delfgauw
(39). Een volledig overzicht van deze locaties is openbaar beschikbaar via www.playadvisor.co. Meestal bevat een speelplek meerdere toestellen; in totaal zijn er 786 speeltoestellen binnen de gemeente, waarvan het merendeel gericht is op kinderen tot twaalf jaar. De gemeente telt daarnaast 33 speelplekken zonder speeltoestellen, zoals trapveldjes en skateparken. Deze liggen verspreid over de kernen Pijnacker
(17), Noot-dorp
(12)en Delfgauw
(4). Deze locaties richten zich vooral op oudere kinderen en jongvolwassenen. Formele speelplekken worden onderverdeeld in traditionele speelplekken, avontuurlijke speelplekken, natuurlijke speelplekken, sportplekken en speelaanleidingen. Traditionele speelplek Een traditionele speelplek ligt direct in de woonomgeving. De speeltoestellen zijn gemaakt van kunststof, hout, verzinkt staal of RVS, en staan op een valondergrond van boomschors, rubber of kunstgras. Door het statische ka

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.