Algemene subsidieverordening Delfland 2026De verenigde vergadering van Delfland, op voordracht van dijkgraaf en hoogheemraden van 9 december 2025, dossiernummer 3508; gelezen het positieve advies van de commissie Bestuur, Financiën en Organisatie; gelet op artikel 78, eerste lid, van de Waterschapswet en titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht; Besluit: Vast te stellen de volgende verordening: Algemene subsidieverordening Delfland 2026 Hoofdstuk1.Algemene bepalingen Artikel1.1.Begripsbepalingen In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: Awb: Algemene wet bestuursrecht; college: college van dijkgraaf en hoogheemraden van Delfland; Delfland: Hoogheemraadschap van Delfland; Europees steunkader: mededeling, richtsnoer, kaderregeling, besluit of vrijstellingsverordening op het gebied van staatssteun die de Europese Commissie of de Raad van de Europese Unie, gelet op de artikelen 106, derde lid, 107, 108 of 109 van het Verdrag heeft vastgesteld; onderneming: iedere eenheid, ongeacht haar rechtsvorm of wijze van financiering, die een economische activiteit uitoefent; Verdrag: Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (PbEU C 326/47). Artikel1.2.Toepassingsbereik 1.Deze verordening is van toepassing op het verstrekken van alle subsidies, met uitzondering van subsidies waarvoor in een afzonderlijke verordening een uitputtende regeling is getroffen. 2.Titel 4.2 van de Awb en deze verordening zijn ook van toepassing op financiële middelen die alleen worden verstrekt aan publiekrechtelijke rechtspersonen. Artikel1.3.Bevoegdheid subsidieverstrekking Het college is bevoegd tot het verstrekken van subsidie. Hieronder wordt in ieder geval begrepen: het nemen van beschikkingen tot verlenen, vaststellen, weigeren, intrekken of wijzigen van subsidies; het niet in behandeling nemen van aanvragen om subsidie; het verlenen, intrekken of wijzigen van voorschotten; het geheel of in termijnen betalen van voorschotten of subsidiebedragen; het opschorten van de verplichting tot betaling van voorschotten of subsidiebedragen; en het terugvorderen van onverschuldigd betaalde voorschotten of subsidiebedragen. Artikel1.4.Subsidieregelingen Het college kan in een nadere regeling vaststellen welke activiteiten in aanmerking kunnen komen voor subsidie en onder welke voorwaarden. Voor zover van toepassing wordt hierin ook bepaald welke doelgroepen voor subsidie in aanmerking komen, hoe de subsidie wordt berekend en hoe de subsidiebedragen worden uitbetaald. Artikel1.5.Subsidieplafond Het college kan een subsidieplafond vaststellen. In dat geval bepaalt het college in de subsidieregeling hoe het beschikbare bedrag wordt verdeeld. Artikel1.6.Begrotingsvoorbehoud Een subsidie ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld, wordt verleend onder de voorwaarde dat voldoende middelen op de begroting beschikbaar zullen worden gesteld. Bij de verleningsbeschikking wordt daarop gewezen. Artikel1.7.Staatssteun 1.Voor zover dat voor het voldoen aan een Europees steunkader noodzakelijk is, kan het college in een subsidieregeling afwijken van deze verordening en deze aanvullen. 2.In een subsidieregeling waarop een Europees steunkader van toepassing is, wordt verwezen naar dit steunkader. 3.Bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is: verwijst de verleningsbeschikking naar de toepasselijke bepalingen van het steunkader; komen alleen de activiteiten, doelstellingen, resultaten en kosten voor vergoeding in aanmerking die voldoen aan de eisen van dit steunkader; komen ondernemingen alleen in aanmerking voor subsidie voor zover de subsidieverstrekking voldoet aan de voorwaarden van dit steunkader. Hoofdstuk2.Aanvraag en verlening van de subsidie Artikel2.1.Aanvraag 1.Een aanvraag om subsidie wordt schriftelijk ingediend bij het college. Als hiervoor een aanvraagformulier is vastgesteld, wordt daarvan gebruik gemaakt. 2.Bij de aanvraag verstrekt de aanvrager in ieder geval de volgende gegevens: een beschrijving van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd; de doelen die worden nagestreefd en hoe de activiteiten daaraan bijdragen; een begroting van en een dekkingsplan voor de kosten van deze activiteiten. Het dekkingsplan bevat een opgave van bij anderen aangevraagde subsidies of vergoedingen voor dezelfde activiteiten, onder vermelding van de stand van zaken daarvan. 3.Een privaatrechtelijke rechtspersoon verstrekt op verzoek ook een exemplaar van de oprichtingsakte of de statuten, en van het jaarverslag, de jaarrekening of de balans van het voorgaande jaar. 4.In een subsidieregeling kan van de voorgaande leden worden afgeweken. Artikel2.2.Aanvraagtermijn 1.Een aanvraag om een subsidie die per kalenderjaar wordt verstrekt, wordt ingediend uiterlijk 1 juni voorafgaand aan het jaar of de jaren waarop de aanvraag betrekking heeft. 2.Een aanvraag om een subsidie die per boekjaar wordt verstrekt, wordt ingediend uiterlijk dertien weken voorafgaand aan dat boekjaar. 3.Andere aanvragen om subsidie worden ingediend uiterlijk vier weken voordat een begin wordt gemaakt met de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd. 4.In een subsidieregeling kunnen andere termijnen worden gesteld. Artikel2.3.Beslistermijn 1.Het college beslist op een aanvraag om een subsidie binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag. 2.In een subsidieregeling kan een andere termijn worden gesteld. 3.Bij aanvragen om een subsidie die op grond van artikel 108, derde lid, van het Verdrag worden aangemeld bij de Europese Commissie wordt de termijn verdaagd totdat de Europese Commissie een eindbeslissing heeft genomen en die beslissing onherroepelijk is geworden. Artikel2.4.Weigeringsgronden 1.In aanvulling op de artikelen 4:25, tweede lid, en 4:35 van de Awb weigert het college de subsidie in ieder geval als: de te subsidiëren activiteiten niet of niet in voldoende mate bijdragen aan de taken die op grond van artikel 2 van de Waterschapswet bij provinciale verordening aan Delfland zijn opgedragen; de activiteiten worden uitgevoerd om te voldoen aan een wettelijke verplichting; op de begroting van Delfland voor het doel waarvoor de subsidie wordt aangevraagd geen of onvoldoende financiële middelen beschikbaar zijn; de subsidieverstrekking in strijd zou zijn met een wettelijk voorschrift; de Europese Commissie met toepassing van artikel 108, derde lid, van het Verdrag heeft vastgesteld dat de subsidie onverenigbaar is met de interne markt; tegen de aanvrager een bevel tot terugvordering uitstaat op grond van een eerder besluit van de Europese Commissie waarbij de steun onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt is verklaard. 2.Het college kan de subsidie verder in ieder geval weigeren: als niet is aangetoond dat de subsidie noodzakelijk is voor het verrichten van de activiteiten waarvoor deze wordt gevraagd; als de aanvraag niet voldoet aan regels die zijn gesteld om voor subsidie in aanmerking te komen; in de in de betrokken subsidieregeling bepaalde gevallen. Artikel2.5.Verantwoording In de verleningsbeschikking wordt vermeld op welke wijze de subsidieontvanger de besteding van de subsidie moet verantwoorden. Hoofdstuk3.Verplichtingen Artikel3.1.Algemene verplichtingen van subsidieontvanger 1.Als aannemelijk is dat een of meer van de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht of dat niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan, meldt de subsidieontvanger dat direct schriftelijk aan het college. 2.De subsidieontvanger informeert het college zo spoedig mogelijk schriftelijk over: beslissingen of procedures die zijn gericht op de beëindiging van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, of tot ontbinding van de gesubsidieerde rechtspersoon; relevante wijzigingen in de financiële en organisatorische verhouding met derden; faillissement, surseance van betaling of toepassing schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, of een aanvraag daartoe; ontwikkelingen die ertoe kunnen leiden dat de subsidieontvanger de aan de subsidie verbonden verplichtingen niet, niet tijdig of niet geheel zal kunnen nakomen; wijziging van de statuten voor zover het betreft de vorm van de gesubsidieerde rechtspersoon, de persoon van de bestuurder of bestuurders, en het doel van de rechtspersoon. 3.Als door of namens de subsidieontvanger een publicatie wordt gedaan over de gesubsidieerde activiteiten wordt in die publicatie vermeld dat de activiteiten geheel of gedeeltelijk mogelijk zijn gemaakt door een subsidie van Delfland. 4.In de verleningsbeschikking wordt de subsidieontvanger op de verplichtingen in de vorige leden gewezen. Artikel3.2.Aan een subsidie te verbinden bijzondere verplichtingen 1.Bij subsidies hoger dan € 50.000, verleend voor activiteiten die meer dan een jaar in beslag nemen, kan de verplichting worden opgelegd tot het tussentijds afleggen van rekening en verantwoording over de tot dan verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten. De verantwoording wordt niet vaker dan één keer per jaar verlangd. 2.In een subsidieregeling of verleningsbeschikking kunnen aan de subsidieontvanger ook andere verplichtingen dan genoemd in artikel 4:37, eerste lid, van de Awb worden opgelegd, voor zover deze strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie. 3.In een subsidieregeling kunnen verplichtingen die niet strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie aan de subsidie worden verbonden, voor zover deze verplichtingen betrekking hebben op de wijze waarop of de middelen waarmee de gesubsidieerde activiteit wordt verricht. Artikel3.3.Vermogensvorming In een subsidieregeling of verleningsbeschikking kan worden bepaald dat de subsidieontvanger, voor zover het verstrekken van de subsidie heeft geleid tot vermogensvorming, daarvoor aan Delfland een vergoeding is verschuldigd als zich een gebeurtenis voordoet als bedoeld in artikel 4:41, tweede lid, van de Awb. Daarbij wordt ook aangegeven hoe de hoogte van de vergoeding wordt bepaald. Artikel3.4.Egalisatiereserve 1.In een verleningsbeschikking kan worden bepaald dat de subsidieontvanger van een per kalender- of boekjaar verstrekte subsidie die meer dan € 50.000 bedraagt een egalisatiereserve als bedoeld in artikel 4:72, eerste lid, van de Awb vormt. 2.De ontvanger van een andere subsidie dan bedoeld in het eerste lid kan het college verzoeken een egalisatiereserve te mogen vormen. In dat geval is artikel 4:72 van de Awb van overeenkomstige toepassing. Hoofdstuk4.Vaststelling van de subsidie Artikel4.1.Verantwoording en vaststelling subsidies tot en met € 5.000 1.Subsidies tot en met € 5.000 worden door het college direct vastgesteld, tenzij toepassing wordt gegeven aan het tweede lid. 2.Als het college de subsidieontvanger in de verleningsbeschikking heeft verplicht om op de daarbij aangegeven wijze aan te tonen dat de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen, wordt de subsidie ambtshalve vastgesteld binnen acht weken nadat de gevraagde inlichtingen zijn verstrekt. 3.In geval van verlening van een subsidie van ten hoogste € 5.000 wordt een voorschot verstrekt ter hoogte van de verleende subsidie. 4.In een subsidieregeling kan van de voorgaande leden worden afgeweken en bepaald dat de subsidie pas wordt vastgesteld en uitbetaald nadat de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht en aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan. Artikel4.2.Verantwoording subsidies tussen € 5.000 en € 50.000 1.Bij subsidies van meer dan € 5.000 en ten hoogste € 50.000 dient de subsidieontvanger uiterlijk dertien weken nadat de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht, een aanvraag tot vaststelling in. 2.De aanvraag bevat een inhoudelijk verslag waaruit blijkt in hoeverre de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht en aan de verplichtingen is voldaan. 3.In een subsidieregeling kan worden bepaald dat op een andere manier wordt aangetoond in hoeverre de activiteiten zijn verricht en aan de verplichtingen is voldaan. Artikel4.3.Verantwoording subsidies van meer dan € 50.000 1.Bij subsidies van meer dan € 50.000 dient de subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling in: in geval van een subsidie die per kalenderjaar wordt verstrekt, uiterlijk op 31 maart van het jaar dat volgt op het betrokken kalenderjaar; in geval van een subsidie die per boekjaar wordt verstrekt, uiterlijk dertien weken na afloop van het betrokken boekjaar; in andere gevallen uiterlijk dertien weken nadat de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht. 2.De aanvraag bevat: een inhoudelijk verslag waaruit blijkt in hoeverre de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht en aan de verplichtingen is voldaan; een overzicht van de gesubsidieerde activiteiten en de hieraan verbonden uitgaven en inkomsten (financieel verslag of jaarrekening); een balans van het afgelopen subsidietijdvak met een toelichting daarop; en een controleverklaring, opgesteld door een onafhankelijk accountant. 3.In een subsidieregeling kunnen andere termijnen worden vastgesteld of andere gegevens worden verlangd. Artikel4.4.Vaststelling subsidies van meer dan € 5.000 1.Het college stelt een subsidie van meer dan € 5.000 vast binnen acht weken na de ontvangst van een aanvraag tot subsidievaststelling, tenzij in een subsidieregeling anders is bepaald. 2.Deze termijn kan eenmaal voor ten hoogste vier weken worden verdaagd. 3.In een subsidieregeling kunnen categorieën subsidieontvangers worden aangewezen waarvoor de subsidie direct wordt vastgesteld zonder dat een aanvraag tot subsidievaststelling hoeft te worden ingediend. 4.Als een aanvraag tot subsidievaststelling niet voor het tijdstip, bedoeld in de artikelen 4.2, eerste lid en 4.3, eerste lid, aanhef en onder a tot en met c, is ingediend, kan het college schriftelijk een nieuwe termijn stellen. Als de aanvraag niet binnen deze termijn wordt ingediend, kan het college overgaan tot ambtshalve vaststelling. Hoofdstuk5.Toezicht en naleving Artikel5.1.Misbruik en oneigenlijk gebruik Ter voorkoming van misbruik en oneigenlijk gebruik van subsidies: voert het college bij de totstandkoming van een subsidieregeling of het verlenen van een subsidie als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, van de Awb een risicoanalyse uit die schriftelijk wordt vastgelegd; voert het college een actief en consistent handhavingsbeleid. Artikel5.2.Toezicht 1.Het college kan personen aanwijzen die zijn belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening. 2.De toezichthouders beschikken niet over de bevoegdheden die zijn vermeld in de artikelen 5:18 en 5:19 van de Awb. Hoofdstuk6.Overgangs- en slotbepalingen Artikel6.1.Hardheidsclausule 1.Het college kan in bijzondere gevallen gemotiveerd afwijken van het bepaalde in deze verordening of een daarop gebaseerde subsidieregeling, als toepassing daarvan leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. 2.De bevoegdheid tot het toepassen van de hardheidsclausule wordt niet gemandateerd. Artikel6.2.Evaluatieverslag Het college doet jaarlijks verslag aan de verenigde vergadering over de doeltreffendheid en de effecten van de subsidies die zijn verstrekt. Artikel6.3.Intrekking oude verordening De Algemene subsidieverordening Delfland, vastgesteld op 24 april 2008, wordt ingetrokken. Artikel6.4.Overgangsrecht Op subsidies die zijn aangevraagd of verleend voor de datum van inwerkingtreding van deze verordening is de in artikel 6.3 genoemde verordening van toepassing. Artikel6.5.Inwerkingtreding en citeertitel 1.Deze verordening treedt in werking op de dag na die van bekendmaking. 2.Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene subsidieverordening Delfland 2026. Aldus besloten in de openbare vergadering van 12 februari 2026.De verenigde vergadering voornoemd,de secretaris, ir. P.C. Janssende voorzitter,dr. P.H.W.M. DaverveldtToelichting Algemeen De Algemene subsidieverordening Delfland 2026 betreft een volledige herziening van de Algemene subsidieverordening Delfland uit 2008. Die verordening is verouderd en op onderdelen aan vernieuwing toe. Met deze herziening is beoogd een helder en efficiënt subsidieproces in te richten dat goed aansluit op de regels in de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) over subsidies. Er wordt een gedifferentieerde regeling voorgesteld voor de verantwoording van subsidies. De mate van verantwoording is daarbij afhankelijk van de hoogte van de verstrekte subsidie. Ook zijn regels toegevoegd over staatssteun om de verordening in lijn te brengen met Europese regelgeving. Bij het opstellen van de verordening is het model van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) als basis gebruikt. Verder is voor de verordening zoveel mogelijk eenvoudiger taal gebruikt en is deze voorzien van een duidelijke toelichting. Deze verordening geeft algemene regels die gelden bij subsidieverstrekking door het Hoogheemraadschap van Delfland (hierna: Delfland). De regels zijn vooral procedureel van aard, zoals de manier waarop een aanvraag wordt ingediend. De verordening geeft verder aan welke bevoegdheden het college van dijkgraaf en hoogheemraden (hierna: het college) heeft bij de uitvoering van de verordening. De Awb geeft het wettelijk kader voor het verstrekken van subsidies door bestuursorganen (hoofdstuk 4, titel 4.2). Hoofdregel is dat subsidieverstrekking is gebaseerd op een wettelijk voorschrift, waarin de te subsidiëren activiteiten staan vermeld. De concrete activiteiten die voor subsidie in aanmerking komen staan niet in deze verordening. Die activiteiten moeten worden uitgewerkt in een of meer subsidieregelingen. De bevoegdheid tot het vaststellen hiervan wordt in deze verordening gedelegeerd aan het college. De subsidieregeling vormt dan in combinatie met de verordening het wettelijk voorschrift op basis waarvan subsidies kunnen worden verstrekt. Regels die al in de Awb staan, worden niet herhaald in deze verordening. Deze verordening moet daarom in samenhang met de Awb worden gehanteerd. In de artikelsgewijze toelichting wordt op verschillende plaatsen verwezen naar relevante bepalingen in de Awb. Artikelsgewijs Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Begripsbepalingen In dit artikel is een aantal definities opgenomen. Deze definities gelden niet alleen voor deze verordening, maar ook voor de hierop te baseren subsidieregelingen. Deze definities hoeven dus niet nogmaals in de verschillende subsidieregelingen te worden opgenomen. Er is geen definitie opgenomen van subsidie. Wat onder een subsidie moet worden verstaan, is omschreven in artikel 4:21 van de Awb. Kenmerken van een subsidie zijn: de aanspraak op financiële middelen; door een bestuursorgaan verstrekt; met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager; anders dan als betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde goederen of diensten. Overigens: ook garanties en leningen kunnen onder het subsidiebegrip vallen (CBb 6 oktober 2016, ECLI:NL:CBB:2016:317 en CBb 1 mei 2018, ECLI:NL:CBB:2018:237). Artikel 1.2. Toepassingsbereik Het eerst lid regelt dat deze verordening van toepassing is op alle door Delfland te verstrekken subsidies, met uitzondering van subsidies op een specifiek beleidsterrein waarvoor de verenigde vergadering een afzonderlijke verordening heeft vastgesteld. In artikel 4:23, derde lid, van de Awb is een aantal uitzonderingen opgenomen op de hoofdregel dat een wettelijke grondslag is vereist om subsidie te kunnen verstrekken. De twee belangrijkste uitzonderingen zijn begrotingssubsidies (de begroting vermeldt de subsidieontvanger en het maximumbedrag dat kan worden verstrekt) en incidentele subsidies (voor uitzonderlijke gevallen, en als er in beginsel alleen eenmalig subsidie zal worden toegekend). Deze verordening is ook van toepassing op die subsidies. Hoewel het niet verplicht is voor de behandeling hiervan regels op te stellen, schept dit wel duidelijkheid over de te volgen procedure. In het tweede lid wordt vastgelegd dat de subsidietitel van de Awb en deze verordening ook van toepassing zijn op financiële bijdragen die alleen aan overheden worden verstrekt. Het is nodig om dit expliciet te regelen, omdat in artikel 4:21, derde lid, van de Awb is bepaald dat de subsidietitel niet van toepassing is op de aanspraak op financiële middelen die wordt verstrekt op grond van een wettelijk voorschrift dat uitsluitend voorziet in verstrekking aan rechtspersonen die krachtens publiekrecht zijn ingesteld. Omdat er geen aanleiding is voor het vaststellen van een aparte verordening voor die bijdragen, die afwijkt van de Awb, is er uit een oogpunt van harmonisatie voor gekozen titel 4.2 van de Awb van toepassing te verklaren. Publiekrechtelijke rechtspersonen zijn bijvoorbeeld gemeenten en openbare lichamen in de zin van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Voor alle subsidies geldt dat deze bij beschikking worden verstrekt. De Awb maakt daarbij onderscheid tussen drie soorten subsidiebeschikkingen: de subsidieverlening (voorlopige toekenning subsidie voor bepaalde activiteiten), de subsidievaststelling (definitieve toekenning als activiteiten hebben plaatsgevonden) en de voorschotverlening. Daarmee wordt duidelijkheid geboden over de wederzijdse rechten en plichten van de subsidiegever en subsidieontvanger. Artikel 1.3. Bevoegdheid subsidieverstrekking Met dit artikel krijgt het college de bevoegdheid toegekend om te besluiten over het verstrekken van subsidies waarop deze verordening van toepassing is. Het begrip subsidieverstrekking omvat alle besluiten en handelingen in de subsidieketen. Onder deze bevoegdheid valt ook de bevoegdheid van het college tot het verstrekken van subsidies waarvoor geen wettelijke grondslag nodig is, zoals begrotingssubsidies en incidentele subsidies (artikel 4:23, derde lid, van de Awb). Dat het college bij de uitoefening van de bevoegdheid de begroting en de door de verenigde vergadering vastgestelde beleidskaders in acht neemt, spreekt vanzelf. Artikel 1.4. Subsidieregelingen Met dit artikel krijgt het college de bevoegdheid om in nadere regels (hierna subsidieregeling genoemd) de te subsidiëren activiteiten te bepalen. Voor zover het college iets wenst te regelen over de doelgroepen die voor de subsidie in aanmerking komen, de berekening van de subsidie en de wijze van uitbetalen, moet dit ook in de subsidieregeling gebeuren. In andere artikelen van deze verordening worden andere bevoegdheden gedelegeerd die betrekking hebben op de inhoud van de subsidieregeling: het afwijken van termijnen, het verbinden van bepaalde verplichtingen aan de subsidie en de wijze van verdelen van het subsidieplafond. Als het college geen gebruik maakt van de bevoegdheid om een subsidieregeling vast te stellen is het alleen in beperkte mate mogelijk om subsidies te verstrekken. De hoofdregel van de Awb is dat subsidieverstrekking gebaseerd moet zijn op een wettelijk voorschrift (zoals een subsidieregeling), waarin de te subsidiëren activiteiten staan vermeld. Dit geldt alleen niet voor de uitzonderingen genoemd in artikel 4:23, derde lid, van de Awb. Artikel 1.5. Subsidieplafond Artikel 4:25 van de Awb geeft de mogelijkheid om een subsidieplafond vast te stellen. Een subsidieplafond is een bedrag dat gedurende een bepaalde periode ten hoogste beschikbaar is voor bepaalde subsidies (artikel 4:22 van de Awb). Een aanvraag om subsidie moet worden afgewezen als het subsidieplafond is bereikt. De verenigde vergadering delegeert in artikel 1.5 de bevoegdheid om subsidieplafonds vast te stellen aan het college. Het ligt voor de hand voor iedere subsidieregeling een apart subsidieplafond vast te stellen. Hiermee worden openeinderegelingen voorkomen. De wijze van verdeling wordt in de subsidieregeling vastgelegd. Het college kan bijvoorbeeld kiezen voor een verdeling op volgorde van binnenkomst (‘wie het eerst komt, het eerst maalt’), loting of een tendersysteem. De verenigde vergadering stelt uiteraard nog steeds de financiële kaders vast (in de begroting). Het is binnen die kaders dat het college vervolgens de subsidieplafonds kan vaststellen. Artikel 1.6. Begrotingsvoorbehoud Het college heeft via artikel 1.3 de bevoegdheid toegekend gekregen om te besluiten over het verstrekken van subsidies. Artikel 1.6 verplicht het college – in lijn met de mogelijkheid van artikel 4:34, eerste lid, van de Awb – om bij het gebruik maken van deze bevoegdheid een begrotingsvoorbehoud te maken als de begroting nog niet is vastgesteld. Artikel 1.7. Staatssteun Op Europees niveau zijn regels over staatssteun vastgelegd in de artikelen 107 tot en met 109 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Staatssteun is in principe verboden, omdat hiermee de mededinging op de Europese markt kan worden verstoord. Er is sprake van staatssteun als aan de volgende cumulatieve criteria is voldaan: de maatregel wordt verleend aan een onderneming die een economische activiteit verricht; de maatregel wordt met overheidsmiddelen bekostigd; deze overheidsmiddelen verschaffen een voordeel dat niet via normale commerciële weg zou zijn verkregen; de maatregel geldt voor één of enkele ondernemingen of een specifieke sector; en de maatregel vervalst de mededinging (in potentie) en (dreigt
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.