Verordening Jeugdhulp gemeente Apeldoorn 2026We staan voor de opgave om in Apeldoorn een omgeving te creëren waarin kinderen veilig, gezond en kansrijk opgroeien, zonder dat professionele (geïndiceerde) hulp vanzelfsprekend of eerste keuze is. Ouders zijn als eerste verantwoordelijk voor het opgroeien en opvoeden van hun kinderen samen met hun sociale netwerk, vanuit hun eigen kracht. Gezinnen kunnen waar nodig ondersteuning krijgen vanuit de sociale basis. Waar uiteindelijk hulp wél nodig is, moet zij effectief, doelmatig en zo kort mogelijk zijn. Dit vraagt om een fundamentele verschuiving: van een zorgsysteem dat problemen aanpakt naar een samenleving die problemen eerder voorkomt. We bouwen aan een toekomstbestendig jeugdstelsel dat inhoudelijk beter werkt voor jeugdigen en hun gezinnen en dat ook moet leiden tot het terugbrengen van de uitgaven. Deze uitgangspunten zijn het vertrekpunt voor deze verordening. De raad van de gemeente Apeldoorn; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders d.d. x en nummer x; gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.11 en 8.1.1 derde lid van de Jeugdwet; gezien het advies van de Adviesraad Sociaal Domein Apeldoorn d.d. 27 november 2025 Overwegende dat De Jeugdwet de verantwoordelijkheid voor het organiseren van goede en toegankelijke jeugdhulp bij de gemeente heeft neergelegd; Het uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt; Het noodzakelijk is om regels vast te stellen: over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige voorzieningen in het kader van de Jeugdwet, over de voorwaarden voor toekenning, de wijze van beoordeling van de hulpvraag en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening; over de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen; over de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt bepaald; voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een persoonsgebonden budget alsmede misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet en de eventueel hieruit voortvloeiende terugvordering; ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan. onder welke voorwaarden degene aan wie een pgb wordt verstrekt de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot zijn sociale netwerk; besluit vast te stellen: de Verordening Jeugdhulp gemeente Apeldoorn 2026 HOOFDSTUK1.ALGEMENE BEPALINGEN Artikel1.Definities 1.In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: aanvraag: een schriftelijk en ondertekend verzoek van de jeugdige en/of ouder(
- s)om een besluit te nemen; andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de wet, op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen; budgetbeheerder: een natuurlijk persoon, woonachtig in Nederland, die de belangen van de jeugdige en/of ouder(
- s)behartigt en de aan de pgb verbonden taken uitvoert; budgethouder: de persoon die een pgb ontvangt op grond van de wet; burgervoogdij: een door de kinderrechter aangewezen natuurlijk persoon die het gezag over een jeugdige uitoefent; cliëntondersteuner: onafhankelijk persoon die de jeugdige/en of ouder(
- s)ondersteunt met informatie, advies en algemene ondersteuning, die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen; college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn; fraude: het opzettelijk en structureel onjuist handelen, en daarmee handelen in strijd met de geldende regelgeving, met het oog op eigen of andermans financieel gewin; GI: gecertificeerde instelling voor jeugdbescherming en/of jeugdreclassering; hulpvraag: behoefte van een jeugdige en/of zijn ouder(
- s)aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen; individuele voorziening: een jeugdhulpvoorziening voor de jeugdige en/of ouder(
- s)die door het college in natura (zorg in natura) of in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) wordt verstrekt; onderzoeksverslag: een verslag waarin de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige en/of ouder(
- s)is vastgelegd, samen met de doelen (beoogde resultaten) en hoe deze te bereiken. Ook staan hierin de bijdragen die het college, de jeugdige en/of ouder(
- s)en het sociale netwerk hieraan kunnen leveren; overige voorziening: een voorziening op basis van de Jeugdwet, die voor elke jeugdige beschikbaar en toegankelijk is. Er is geen of een beperkte toegangsbeoordeling; persoonsgebonden budget (pgb): persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1, van de wet, zijnde een door het college verstrekt budget aan een jeugdige of zijn ouder(s), dat hen in staat stelt de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort van derden te betrekken; pgb-aanbieder: een derde, woonachtig of gevestigd in Nederland, die de jeugdige en/of ouder(
- s)heeft/hebben betrokken om ondersteuning en/of hulp in te kopen. Dit kan een formele aanbieder zijn of een informele ondersteuner; pgb-plan: een plan van de budgethouder waarin hij de besteding van het pgb aangeeft inclusief de wijze waarop hiermee de gestelde doelen worden bereikt. Het pgb-plan bestaat uit een plan van aanpak en de zorgbeschrijvingen per hulpverlener. Daarbij moeten, voor de beoordeling van een pgb, ook een begroting en de (concept)zorgovereenkomst(
- en)aan het college worden verstrekt; sociaal netwerk: een familielid, huisgenoot, (voormalig) echtgenoot of andere personen met wie de jeugdige en/of ouder(
- s)een sociale relatie heeft/hebben; Stichting CJG: Stichting Centrum voor Jeugd en Gezin Apeldoorn; VOG: Een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, welke relevant is voor de uit te voeren werkzaamheden. In deze verordening wordt bedoeld een VOG met algemeen screeningsprofiel 08 ‘personen’, functieaspect 84 ‘Belast zijn met de zorg voor minderjaren’, en specifiek screeningsprofiel 45 ‘gezondheidszorg en welzijn van mens en dier’; wet: de Jeugdwet; Wmo 2015: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; zorg in natura: de hulp die aan personen wordt geleverd door aanbieders die door de gemeente zijn gecontracteerd; zorgverlener: hiermee wordt zowel de aanbieder, de formele zorgverlener als de informele zorgverlener aangeduid. 2.Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de wet, het Besluit Jeugdwet (het besluit) en de Algemene wet bestuursrecht Awb. Artikel2.Mandaat Stichting CJG Het college heeft in het Mandaat- en machtigingsbesluit Stichting CJG Apeldoorn 2015 aan de Raad van Bestuur van de Stichting CJG mandaat en machtiging verleend inzake de bevoegdheden van het college tot verlening van toegang tot passende hulp en toeleiding naar het justitiële kader met inbegrip van het woonplaatsbeginsel. HOOFDSTUK2.VORMEN VAN JEUGDHULP Artikel3.Beschikbare overige voorzieningen 1.De volgende overige voorzieningen zijn o.a. beschikbaar: informatie en advies; maatjesprojecten; lichte opvoed- en opgroeiondersteuning; begeleiding van jeugdigen en/of het gezinssysteem (ambulant) gedurende maximaal een jaar; praktijkondersteuners jeugd bij de huisartsen welzijnswerk. 2.Het college kan in nadere regels vaststellen welke overige voorzieningen beschikbaar zijn naast de in het eerste lid vermelde voorzieningen. Artikel4.Beschikbare individuele voorzieningen 1.De volgende individuele voorzieningen zijn beschikbaar: Ambulante begeleiding Jeugdhulp met verblijf Behandeling en ernstige dyslexie Behandeling en verblijf specialistische jeugd GGZ Pleegzorg Overig aanvullend ingekocht (Vervoer Plus, Zorgcoördinatie, opslag kindplaats) Jeugdwetvervoer Essentiële Functies Jeugdbescherming en Jeugdreclassering 2.De volgende zorg is onderdeel van de Essentiële Functies: Mobiele brigade Verblijf: Jeugdzorgplus Driemilieuvoorziening Verblijf gezinsopname Onvoorwaardelijk wonen Verblijf verslavingszorg Aanvullende integrale zorg: Een-op-een begeleiding Individuele specialistische begeleiding Specialistische behandeling LVB/J&O Specialistische behandeling GGZ. 3.Welke individuele voorzieningen concreet op basis van het eerste lid beschikbaar zijn en wat deze inhouden, staat in het productenboek Jeugdhulp en het Productenboek Jeugdbescherming en jeugdreclassering op de website van Zorgregio MIJ/OV. HOOFDSTUK3.TOEGANG TOT JEUGDHULPVOORZIENINGEN Artikel5.Toegang jeugdhulp via de gemeente 1.Een jeugdige en/of ouder(
- s)kan/kunnen zich rechtstreeks wenden tot een vrij-toegankelijke, overige voorziening. 2.Een jeugdige en/of ouders kan/kunnen telefonisch of via het contactformulier op de website een hulpvraag stellen bij het college. 3.Het college bevestigt de ontvangst van een aanvraag voor jeugdhulp schriftelijk en wijst de jeugdige en/of ouder(
- s)voor het onderzoek, zoals genoemd in artikel 8, op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis onafhankelijke cliëntondersteuning. 4.De jeugdige en/of ouders sturen deze bevestiging binnen 10 werkdagen ondertekend terug. 5.Deze ondertekende bevestiging wordt aangemerkt als een aanvraag in de zin van de Awb als is voldaan aan de vormvoorschriften bedoeld in de artikelen 4:1 en 4:2, van de Awb 6.De datum van ondertekening geldt als datum van aanvraag. 7.Het college wijst de jeugdige en/of ouder(
- s)op de mogelijkheid om binnen twee weken na ontvangst van de ontvangstbevestiging, zoals genoemd in het derde lid, een familiegroepsplan in te dienen. Het college wijst de jeugdige en/of ouders op de mogelijkheid van onafhankelijke cliëntondersteuning bij het opstellen van dit plan. 8.In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijk een passende individuele voorziening. Het college legt de beslissing omtrent de inzet van jeugdhulp in dat geval zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen 4 weken na de start van de jeugdhulp, vast in een beschikking. 9.Het college kan nadere regels vaststellen over de procedure voor de aanvraag van jeugdhulp. Artikel6.Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts 1.Het college zorgt, overeenkomstig artikel 2.6, eerste lid, aanhef en onder e, van de wet, voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, als en voor zover de jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat de inzet van jeugdhulp nodig is en hij de passende jeugdhulp kan bieden. 2.Jeugdhulp die na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts aan een jeugdige of zijn ouder(
- s)is verleend door een aanbieder van jeugdhulp die geen contract of subsidierelatie met de gemeente heeft, komt, behalve als er voldaan is aan de voorwaarden voor een pgb verstrekking (zie hoofdstuk 5), niet voor vergoeding door de gemeente in aanmerking als het college soortgelijke jeugdhulp kan laten leveren door een jeugdhulpaanbieder waarmee de gemeente wel een contract- of subsidierelatie heeft. 3.De jeugdhulpaanbieder houdt zich bij het beoordelen van de hulpvraag na een verwijzing aan de regels in deze verordening en de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie. Artikel7.Toegang jeugdhulp via de GI, de rechter, het openbaar ministerie en de justitiële jeugdinrichting in het kader van het jeugdstrafrecht 1.Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp die de Gecertificeerde Instelling (GI) nodig vindt bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering. Ook draagt het college zorg voor de inzet van jeugdhulp die de rechter, het openbaar ministerie of de directeur of selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting nodig vindt bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing. 2.Het college is verantwoordelijk voor de betaling van de jeugdhulp waarnaar is verwezen. Het college verstrekt geen beschikking. 3.Jeugdhulp die na verwijzing door de GI, rechter, openbaar ministerie en justitiële jeugdinrichting aan een jeugdige of zijn ouder(
- s)is verleend door een aanbieder van jeugdhulp die geen contract of subsidierelatie met de gemeente heeft, komt, behalve als er voldaan is aan de voorwaarden voor een pgb verstrekking (zie hoofdstuk 5), niet voor vergoeding door de gemeente in aanmerking als het college soortgelijke jeugdhulp kan laten leveren door een jeugdhulpaanbieder waarmee de gemeente wel een contract- of subsidierelatie heeft. HOOFDSTUK4.BEHANDELING VAN EEN AANVRAAG OM EEN INDIVIDUELE VOORZIENING; ONDERZOEK EN BESLUITVORMING VIA DE GEMEENTE Artikel8.Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren 1.Als bij het college een aanvraag om een individuele voorziening wordt ingediend, voert het college met de jeugdige en/of zijn ouder(
- s)dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger, zo spoedig mogelijk, een onderzoek uit overeenkomstig het derde tot en met zevende lid en maakt zo spoedig mogelijk een afspraak voor een gesprek. 2.Het college kan in overleg met de jeugdige of zijn ouder(
- s)dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger afzien van een onderzoek als de aanvraag wordt ingetrokken. Dat wordt door de aanvrager schriftelijk bevestigd. 3.Het college onderzoekt wanneer een jeugdige of een ouder of een wettelijke vertegenwoordiger zich meldt met een vraag over jeugdhulp met de jeugdige of zijn ouder(
- s)dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger: wat de hulpvraag van de jeugdige en/of zijn ouder(
- s)is en wat die hulpvraag heeft doen ontstaan; de behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren, veiligheid, ontwikkeling en gezinssituatie van de jeugdige en/of zijn ouder(s); of sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en/of stoornissen bij de jeugdige en om welke problemen het concreet gaat; het gewenste resultaat van het verzoek om jeugdhulp; welke hulp gelet op de vastgestelde problematiek naar aard en omvang nodig is om de jeugdige in staat te stellen om gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en/of voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren; de mogelijkheid van de jeugdige en/of ouder(
- s)om zelf of met ondersteuning van het sociale netwerk een oplossing voor de hulpvraag te vinden; de mogelijkheden om de hulpvraag op te lossen door het inzetten van een overige voorziening; of en welke ondersteuning nodig is en de vorm van een individuele voorziening; indien van toepassing, hoe de toekenning van een individuele voorziening zo goed mogelijk kan worden afgestemd op andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen hoe bij de bepaling van de aangewezen vorm van jeugdhulp zo goed mogelijk rekening kan worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouder(s). 4.Als de jeugdige of zijn ouder(
- s)een familiegroepsplan aan het college hebben overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek. Bij het onderzoek wordt ook de jeugdige zoveel mogelijk betrokken en gehoord. 5.Bij het onderzoek wordt aan de jeugdige of zijn ouder(
- s)dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger medegedeeld welke mogelijkheden er bestaan om te kiezen voor de verstrekking van een pgb. De jeugdige of zijn ouder(
- s)dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger wordt in begrijpelijke bewoordingen ingelicht over de gevolgen van die keuze. 6.Ter voorbereiding van het gesprek verstrekken de jeugdige en/of zijn ouder(
- s)alle gegevens en stukken die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover de jeugdige en/of ouder(
- s)beschikken. 7.Het college kan, met instemming van de jeugdige en/of ouder(s), informatie opvragen bij andere instanties, zoals de huisarts, en met deze in gesprek gaan over de problemen en de meest passende hulp. 8.Bij het onderzoek stelt het college de identiteit van de jeugdige en zijn ouder(
- s)dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger vast aan de hand van een door hen ter inzage verstrekt document als bedoeld in artikel 1, van de Wet op de identificatieplicht. 9.Ten aanzien van personen zonder de Nederlandse nationaliteit merkt het college voor de wet als geldig identiteitsbewijs aan: een vreemdelingendocument van het type I, II, III, IV of EU/EER; een verblijfskaart Ministerie van Buitenlandse Zaken (legale vreemdelingen); een buitenlands paspoort; of een vreemdelingendocument van het type W (asielzoekers). 10.Het college kan nadere regels vaststellen over de inhoud van het onderzoek en de manier waarop het onderzoek wordt uitgevoerd. Artikel9.Deskundig oordeel, advies en voorbereiding van de besluitvorming 1.Het college wint, met in achtneming van artikel 2.1, van het Besluit Jeugdwet, een specifiek deskundig onafhankelijk oordeel en advies in, als het onderzoek of de beoordeling van een aanvraag dit vereist. 2.Het in het eerste lid bedoelde advies wordt uitgebracht door of onder verantwoordelijkheid van een adviseur die beschikt over een registratie als professional: bij de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd in het kwaliteitsregister jeugd; bij het Nederlands Instituut van Psychologen in het register Kinder- en Jeugdpsychologen; of op grond van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in het BIG-register. 3.Het college treft voorzieningen waarmee is gewaarborgd dat het onderzoek en de voorbereiding van de besluitvorming via de gemeente op zorgvuldige wijze plaatsvindt, in het bijzonder door te voorkomen dat (medewerkers van) de organisatie die de jeugdhulp biedt of mogelijk gaat bieden, ook het advies geeft over het al dan niet toekennen van jeugdhulp of het daarop betrekking hebbende besluit neemt. Artikel10.Verslag 1.Binnen 10 werkdagen na het onderzoek verstrekt het college aan de jeugdige en/of zijn ouder(
- s)dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger een schriftelijke weergave van het uitgevoerde onderzoek en het in verband daarmee gevoerde gesprek. Opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige en/of zijn ouder(
- s)dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger worden in het verslag benoemd. 2.Het college vergewist zich ervan dat de jeugdige en zijn ouder(
- s)dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger de uitleg over de uitkomsten van het onderzoek hebben begrepen. Artikel11.Criteria voor toekenning van een individuele voorziening 1.Jeugdigen en/of ouder(
- s)komen slechts in aanmerking voor een individuele voorziening wanneer het college of een andere verwijzer vaststelt dat: sprake is van concrete opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en/of stoornissen bij de jeugdige; inzet noodzakelijk is om de jeugdige gelet op deze problemen in staat te stellen: Gezond en veilig op te groeien Te groeien naar zelfstandigheid Voldoende redzaam te zijn en maatschappelijk te participeren, en de jeugdige en/of ouder(
- s)zelf of met hun sociale netwerk geen passende oplossing voor de hulpvraag kunnen vinden (gebruikelijke hulp en eigen kracht). Wanneer hiervan sprake is, staat in artikel 12 van deze verordening, en een overige voorziening geen oplossing biedt voor de hulpvraag, en de jeugdige en/of ouder(
- s)geen aanspraak kunnen maken op een andere voorziening om de hulpvraag op te lossen. 2.Een andere of overige voorziening kan de noodzaak verminderen of wegnemen als deze: daadwerkelijk beschikbaar is; en passend en toereikend is voor de hulpvraag. 3.Als een individuele voorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst passende voorziening. 4.Een individuele voorziening jeugdhulp wordt toegekend als de inzet van de voorziening doeltreffend geacht kan worden. De doeltreffendheid beoordeelt het college door vast te stellen of de individuele voorziening wezenlijk bijdraagt aan het oplossen van de hulpvraag en er, voor zo ver beschikbaar, wordt gewerkt met een bewezen effectieve interventie en nooit met een bewezen niet-effectieve interventie. Er is in ieder geval sprake van bewezen niet-effectieve interventies als de interventie is opgenomen in het overzicht van niet-erkende interventies van de NJI. 5.Er is sprake van bewezen effectieve voorzieningen als de effectiviteit is vastgesteld in wetenschappelijk onderzoek en de interventie(
- s)zijn opgenomen als zijnde ‘erkend’ in: de databank effectieve jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut; de zorgstandaarden van de GGZ Standaarden; de databank voor interventies gericht op jeugdigen met een beperking (databank interventies gehandicaptenzorg); 6.In situaties waarbij ouders begeleiding, behandeling of ondersteuning ten gevolge van maatschappelijke of eigen psychische of relationele problemen nodig hebben en er naar het oordeel van het college geen sprake is van een hulpvraag als bedoeld in deze verordening, komt/komen een jeugdige en/of zijn ouder(
- s)niet in aanmerking voor een door het college te verlenen individuele voorziening als bedoeld in deze verordening. 7.Als de aanvraag ziet op kosten voor jeugdhulp die de jeugdige en/of ouder(
- s)voorafgaand aan de aanvraag heeft/hebben gemaakt, verstrekt het college alleen een voorziening: als op het moment van de aanvraag sprake is van opgroei- of opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen en voor zover het college de noodzaak en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen. 8.Het college verstrekt alleen een voorziening als bedoeld in lid 7 als de gemaakte kosten zien op een periode van maximaal 3 maanden vóór de aanvraag. Artikel12.Beoordeling (boven) gebruikelijke hulp en eigen kracht 1.Jeugdigen en/of ouder(
- s)komen pas in aanmerking voor een individuele voorziening als zij zelf geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag binnen hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (eigen kracht). Hieronder wordt in ieder geval verstaan: gebruikelijke hulp van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders; bovengebruikelijke hulp van ouders voor zover zij beschikbaar en in staat zijn de noodzakelijke hulp te bieden, dit geen (dreigende) overbelasting oplevert en door het bieden van de bovengebruikelijke hulp geen financiële problemen in het gezin ontstaan de ondersteuning vanuit het sociale netwerk; het aanspreken van een aanvullende zorgverzekering die is afgesloten. 2.Gebruikelijke hulp is hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders. Zij zijn namelijk verplicht de tot hun gezin behorende minderjarige jeugdigen te verzorgen, op te voeden, te begeleiden en toezicht op hen te houden. Dit geldt ook als de jeugdige een ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek heeft. Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp over. Dit geldt ook bij gescheiden ouders. Er wordt ook dan rekening gehouden met de gebruikelijke hulp van de ouder waar de jeugdige niet woont. 3.Om vast te stellen of sprake is van gebruikelijke hulp beoordeelt het college of de benodigde hulp uitgaat boven de hulp die een jeugdige van dezelfde leeftijd zonder ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek nodig heeft. Het college houdt hierbij rekening met de volgende factoren: de leeftijd van de jeugdige de mate van zorg bij activiteiten en handelingen, de mate van toezicht en de mate van begeleiding/stimulans die een jeugdige van die leeftijd nodig heeft de aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit van de jeugdige de mate van planbaarheid van de hulp de behoeften en mogelijkheden van de jeugdige 4.Als er sprake is van gebruikelijke hulp verstrekt het college geen individuele voorziening tot jeugdhulp. Hierop kan (tijdelijk) een uitzondering worden gemaakt als de ouders door (dreigende) overbelasting de gebruikelijke hulp niet kunnen bieden. Er moet dan wel een verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de hulp aan de jeugdige. 5.Gaat het om hulp die de gebruikelijke hulp overstijgt, zijn de ouders in eerste instantie nog steeds verantwoordelijk voor het bieden van deze bovengebruikelijke hulp. Het college beoordeelt dan of van ouders verwacht mag worden dat ze deze hulp bieden, zoals in lid 1 staat weergegeven. Het college maakt hierbij onderscheid tussen kortdurende en langdurende situaties: Kortdurend: er is uitzicht op herstel van het (gezondheids)probleem en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de jeugdige. Het gaat hierbij over een aaneengesloten éénmalige periode van maximaal drie maanden in één kalenderjaar. Langdurend: het gaat om chronische situaties waarbij naar verwachting de jeugdhulp langer dan drie maanden nodig is of voor meerdere periodes van drie maanden in één kalenderjaar. 6.Het college verwacht van ouders dat zij in kortdurende situaties de bovengebruikelijke hulp bieden, tenzij dit gelet op de aard van de hulp niet kan worden verwacht of de ouders door (dreigende) overbelasting de hulp niet kunnen bieden. Er moet dan wel een verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de hulp aan de jeugdige. 7.Bij de beoordeling in langdurige situaties houdt het college rekening met de volgende factoren: de aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit van de jeugdige de mate van planbaarheid van de hulp het lichamelijk en geestelijk welzijn van de ouders de manier van omgaan van ouders met de problemen van de jeugdige vaardigheden van de ouders om zelf hulp te bieden (bijvoorbeeld een verpleegachtergrond) of er sprake is van problematiek bij de ouders, zoals relationele problemen of schulden welke verplichtingen de ouders hebben, bijvoorbeeld voor werk en sociale verplichtingen het belang van ouders om een inkomen uit arbeid te krijgen en het eventueel ontstaan van financiële problemen de woonsituatie de samenstelling van het gezin en de relatie tussen de gezinsleden (bijvoorbeeld of er sprake is van een wettelijke stiefouder of niet) is er een sociaal netwerk en zo ja, wat zijn de mogelijkheden en de bereidheid van het sociaal netwerk om de jeugdige of zijn ouders te ondersteunen overige individuele omstandigheden die door jeugdige en/of ouders worden ingebracht. 8.Als bovengenoemde factoren niet leiden tot problemen bij het kunnen verlenen van de hulp door de ouders, bij de beschikbaarheid van de ouders voor het verlenen van de hulp, bij de belasting van de ouders en bij de financiële situatie van de ouders wordt van hen verwacht dat zij de bovengebruikelijke hulp (eventueel deels) verlenen. Het college verstrekt dan geen individuele voorziening tot jeugdhulp. 9.Bij (dreigende) overbelasting geldt nog het volgende: Er moet een verband zijn tussen de overbelasting en de zorg aan de jeugdige; Als de overbelasting ziet op spanningen door het werk (bijvoorbeeld door te veel uren werken of stress) of door andere factoren buiten de zorg van de jeugdige om, moet de ouder eerst een oplossing zoeken in de oorzaak van die spanningen; Bij een aanvraag voor een individuele voorziening tot jeugdhulp bekijkt het college wat wordt gedaan om die spanningen te verminderen; Als de (dreigende) overbelasting kan worden verminderd door het herinrichten van het werk of andere sociale/maatschappelijke activiteiten wordt dit eerst van de ouder verwacht; Het verlenen van hulp aan je kind gaat voor op sociale/maatschappelijke activiteiten; Een pgb voor het verlenen van hulp aan een jeugdige door een ouder wordt beëindigd als er sprake is van (dreigende) overbelasting. Een andere zorgverlener moet het verlenen van hulp overnemen om de overbelasting te stoppen. 10.Als ouders een beroep kunnen doen op het sociale netwerk voor het bieden van ondersteuning bij de benodigde hulp aan de jeugdige wordt van hen verwacht dat ze hier gebruik van maken. De ondersteuning die het sociale netwerk biedt, valt onder de eigen kracht. Het college verstrekt hiervoor geen individuele voorziening tot jeugdhulp. 11.Als de jeugdige en/of de ouders een aanvullende zorgverzekering hebben die de benodigde hulp (deels) vergoedt, wordt van ouders verwacht dat zij deze aanspreken. Het college verstrekt dan geen individuele voorziening tot jeugdhulp of alleen een aanvullende voorziening voor het gedeelte dat niet wordt vergoed. 12.Bij het versterken of onderhouden van vaardigheden is er altijd sprake van gebruikelijke hulp. 13.Het college kan nadere regels stellen ter verdere uitwerking van de criteria. Artikel13Vervoer 1.Uitgangspunt is dat ouder(
- s)zelf verantwoordelijk zijn voor vervoer. 2.Een vervoersvoorziening wordt alleen verstrekt aan de jeugdige ten behoeve van het vervoer van de jeugdige naar en van de locatie waar de jeugdhulp plaatsvindt, voor zover het naar het oordeel van het college noodzakelijk wordt geacht in verband met een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid van de betreffende jeugdige. 3.Als naar het oordeel van het college een passende voorziening beschikbaar is waarvoor geen vervoer geïndiceerd hoeft te worden, is deze voorziening voorliggend op een indicatie waarvoor wel vervoer geïndiceerd moet worden. 4.Het college kent op aanvraag een vervoersvoorziening in natura toe als: de jeugdige is aangewezen op een door het college toegekende individuele voorziening voor jeugdhulp en: sprake is van een medische noodzaak of een beperking in de zelfredzaamheid van de jeugdige die het zelfstandig reizen met het openbaar vervoer onmogelijk maakt en de jeugdige geen oplossing voor zijn hulpvraag kan vinden, zoals: op eigen kracht of met zijn ouders of andere personen uit zijn sociaal netwerk; door, al dan niet (gedeeltelijk), gebruik te maken van een overige voorziening; door, al dan niet (gedeeltelijk), gebruik te maken van een andere voorziening. er geen andere mogelijkheid is die de jeugdige in staat stelt de jeugdhulp te ontvangen die in de toekenningsbeschikking is vastgelegd. 5.Er is in ieder geval geen sprake van medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid in de volgende situaties: ouders kunnen hun kind niet naar de jeugdhulplocatie vervoeren vanwege werkverplichtingen; ouders hebben gekozen voor een jeugdhulpaanbieder buiten de regio, terwijl een vergelijkbaar aanbod binnen de regio beschikbaar is. Dit is ook het geval wanneer er vergelijkbaar aanbod dichter bij huis binnen de regio beschikbaar is; de jeugdige is in staat om zelfstandig met eigen of met het openbaar vervoer te reizen of onder begeleiding; ouders hebben onvoldoende financiële middelen voor de reiskosten, hiervoor zijn de regelingen binnen de Participatiewet voorliggend; ouders die op basis van een andere wet of verzekering in aanmerking komen voor een vergoeding van de vervoerskosten. Artikel14.Vaktherapie 1.Vaktherapie is een non-verbale behandelvorm die uitgaat van doen en ervaren. Vaktherapie is de overkoepelende naam voor de volgende vaktherapeutische disciplines: beeldende therapie; danstherapie; dramatherapie; muziektherapie; psychomotorische therapie; psychomotorische kindertherapie; en speltherapie 2.Vaktherapie wordt uitgevoerd door een vaktherapeut. Dat is een professional die een erkende opleiding op HBO/master niveau voor vaktherapie heeft volbracht. 3.Vaktherapie kan alleen worden uitgevoerd door een professional die is ingeschreven in het Register Vaktherapie. 4.Vaktherapie kan alleen worden ingezet vanuit de wet als naar het oordeel van het college sprake is van een noodzakelijke bijdrage aan de jeugdhulp en als er geen alternatief beschikbaar is. 5.De behandelaar van een jeugdhulpaanbieder of medewerker van Stichting CJG moet advies geven over vaktherapie als een noodzakelijk onderdeel van de totale behandeling. 6.Als de ouder(
- s)aanvullend verzekerd zijn, dan moet het aantal uren behandeling dat via de zorgverzekering wordt vergoed, worden afgetrokken van de noodzakelijke inzet. Artikel15.Weigeringsgronden individuele voorzieningen 1.Het college weigert een individuele voorziening als: niet voldaan wordt aan de voorwaarden bedoeld als in artikel 11 van deze verordening; uit de uitkomst van het onderzoek naar de hulpvraag blijkt dat inzet van een individuele voorziening naar het oordeel van het college niet noodzakelijk wordt geacht; de noodzaak tot ondersteuning voorzienbaar was en maatregelen konden worden getroffen om de hulpvraag overbodig te maken; voor de problematiek, die aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat; een aanvraag voor een individuele voorziening is gedaan op een zodanig moment dat een objectieve beoordeling van de noodzaak voor of de wijze van ondersteuning naar het oordeel van het college niet kan plaatsvinden; de individuele voorziening aantoonbaar niet effectief is voor de hulpvraag van de cliënt en/of het gezinssysteem; de individuele voorziening niet van goede kwaliteit is als bedoeld in artikel 8.1.1 lid 2 onder c van de Wet; er ondersteuning is aangevraagd die zal worden verleend buiten Nederland, tenzij het college van oordeel is dat het inzetten van ondersteuning buiten de landsgrenzen een bijzondere bijdrage levert aan het behalen van het beoogde resultaat uit de Wet; de individuele voorziening niet aangemerkt wordt als de goedkoopste passende voorziening de jeugdige en/of ouders in aanmerking komen voor een individuele voorziening in de vorm van een Pgb en het pgb willen besteden aan de inzet van de (dreigende) overbelaste ouder(
- s)(gezinssysteem) en/of het (dreigende) overbelaste sociaal netwerk. 2.Het college kan de criteria zoals genoemd in dit artikel uitwerken in nadere regels. Artikel16.Kinderopvang en buitenschoolse opvang 1.Reguliere kinderopvang en reguliere buitenschoolse opvang is geen vorm van jeugdhulp. 2.In uitzonderlijke situaties als een kind extra begeleiding of specialistische begeleiding nodig heeft vanwege opgroei-, opvoedings- en psychische problemen en stoornissen, die niet door medewerkers van de opvang kan worden geboden en niet van ouder(
- s)kan worden verwacht, kan vanuit de wet in het kader van de kinderopvang en buitenschoolse opvang begeleiding worden ingezet naast de kinderopvang of buitenschoolse opvang. Artikel17.Burgervoogdij 1.Als is vastgesteld dat een burgervoogd niet in aanmerking komt voor kinderbijslag en/of kindgebonden budget, kunnen bepaalde noodzakelijke kosten die een burgervoogd heeft moeten maken ten behoeve van het kind, vergoed worden door het college. 2.Het college kan nadere regels stellen over de noodzakelijke kosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Artikel18.Inhoud beschikking individuele jeugdhulpvoorziening 1.Het college neemt het besluit op een aanvraag uiterlijk binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag. 2.Het college legt het besluit op de aanvraag voor een individuele voorziening vast in een beschikking. 3.Het college neemt een beslissing op basis van de feiten en omstandigheden die volgen uit het onderzoek naar de hulpvraag. Het onderzoeksverslag maakt deel uit van deze beschikking. 4.In de beschikking tot verstrekking van een individuele voorziening staat in ieder geval: of de voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt; de termijn van drie maanden waarbinnen de jeugdige zich moet melden bij een jeugdhulpaanbieder, of het pgb moet besteden aan het doel waarvoor het is verstrekt; hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt. 5.Bij het verstrekken van een voorziening in natura wordt in de beschikking ook opgenomen: welke jeugdhulp toegekend is; wie de jeugdhulp biedt; wat de gestelde doelen en het beoogde resultaat zijn; de aard, de omvang en de duur van de in te zetten jeugdhulp en wat de ingangsdatum van de verstrekking is. 6.Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een pgb worden, behalve hetgeen is genoemd in lid 4 en 5, in de beschikking ook vastgelegd: voor welk resultaat het pgb moet worden aangewend; welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen; welke voorwaarden aan het pgb verbonden zijn; wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld en de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb. 7.In het besluit verstrekt het college informatie over de rechten en de plichten van de jeugdige en/of ouder(
- s)op grond van de wet, de verordening en de nadere regels. HOOFDSTUK5.AANVULLENDE REGELS VOOR EEN INDIVIDUELE JEUGDHULPVOORZIENING IN DE VORM VAN EEN PGB Artikel19.Aanvullende regels om in aanmerking te komen voor een pgb 1.Als een jeugdige en/of zijn ouder(
- s)in aanmerking komen voor een individuele voorziening, maar de jeugdhulp zelf wensen in te kopen door middel van een pgb, dienen de jeugdige en/of zijn ouder(
- s)dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger daartoe een pgb-plan in volgens een door het college ter beschikking gesteld format. In het pgb-plan is opgenomen: de motivatie waarom het natura-aanbod van de gemeente volgens de jeugdige en/of zijn ouder(
- s)niet passend is en een pgb gewenst is; welke jeugdhulp de jeugdige en/of zijn ouder(
- s)willen inkopen met een pgb, wat het beoogde resultaat is en wanneer en hoe wordt geëvalueerd; de voorgenomen uitvoerder van de individuele voorziening en de wijze waarop de jeugdhulp georganiseerd wordt; op welke wijze de kwaliteit van de in te kopen jeugdhulp is gewaarborgd; de kosten van de uitvoering, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief; indien van toepassing, welke jeugdhulp de jeugdige of zijn ouder(
- s)willen betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk; de motivatie aan de hand van de punten benoemd in artikel 21 waaruit blijkt dat de budgethouder of budgetbeheerder in staat is de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren; wie het pgb beheert en hoe deze taken worden uitgevoerd; en de naam en het adres van de beoogd budgetbeheerder. 2.Het college verstrekt een pgb als: de jeugdige en/of zijn ouder(
- s)dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger zich gemotiveerd op het standpunt stellen dat het natura aanbod van de gemeente niet passend achten; uit de beoordeling van de pgb-vaardigheid met inachtneming van artikel 21 blijkt dat de budgethouder of, indien van toepassing, de budgetbeheerder in staat is uitvoering te geven aan de eisen die het beheer van een pgb met zich meebrengt; en naar het oordeel van het college met inachtneming van artikel 24 is gewaarborgd dat de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort en die de jeugdige en/of zijn ouder(
- s)dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger van het budget willen betrekken, van goede kwaliteit is en in voldoende mate zal bijdragen aan het bereiken van het in het pgb-plan opgenomen beoogde resultaat. 3.Het college betrekt de budgetbeheerder bij het onderzoek en heeft tenminste één gesprek met de budgetbeheerder, voordat het college een besluit neemt over de aanvraag. 4.Het college kan nadere regels vaststellen over de aan het pgb verbonden voorwaarden en verplichtingen. Artikel20.Weigeringsgronden om in aanmerking te komen voor een pgb 1.Het college weigert een pgb als een wettelijke weigeringsgrond als bedoeld in artikel 8.1.1, vierde lid, van de wet van toepassing is, namelijk: voor zover de kosten van het betrekken van de jeugdhulp van derden hoger zijn dan de kosten van de individuele voorziening, of indien het college eerder toepassing heeft gegeven aan artikel 8.1.4, eerste lid, onderdeel a, d of van de wet. 2.Het college verstrekt geen pgb als er twijfels zijn over de integriteit van de voorgenomen uitvoerder van de jeugdhulp, wat zich in ieder geval voordoet indien de voorgenomen uitvoerder van de jeugdhulp in de vier jaar voorafgaande aan de aanvraag: fraude, in de zin van opzettelijke misleiding om financieel voordeel te verkrijgen, heeft gepleegd; betrokken is geweest bij strafbare feiten of overtredingen heeft begaan die de veiligheid en de kwaliteit van de hulp in gevaar brengen; veroordeeld is wegens het plegen van strafbare feiten tot een gevangenisstraf; op basis van een Bibob-toets door het college is geweigerd als zorgaanbieder; of de budgetbeheerder niet voldoet aan de gestelde voorwaarden in artikel 19 lid 1 of een van de in artikel 19 lid 2 genoemde omstandigheden zich voordoet. 3.Onverminderd het bepaalde in artikel 11 van deze verordening wordt een pgb geweigerd als sprake is van ondersteuning in een spoedeisende situatie. 4.Er wordt geen pgb voor informele jeugdhulp verstrekt als, conform het afwegingskader voor een verantwoorde werktoedeling op basis van het Kwaliteitskader Jeugd, formele jeugdhulp noodzakelijk is. Zie bijlage 1 bij deze verordening. Artikel21.Pgb-vaardigheid 1.Om aan de voorwaarden voor pgb-vaardigheid te voldoen dient de beoogd budgethouder, al dan niet met hulp vanuit het sociaal netwerk of, indien van toepassing, een budgetbeheerder, in ieder geval: een duidelijk beeld te hebben van de hulpvraag; op de hoogte te zijn van de regels en verplichtingen die horen bij het pgb of deze zelf (online) weten te vinden; in staat te zijn om een overzichtelijke pgb-administratie bij te houden; voldoende vaardig te zijn om in de Nederlandse taal te communiceren met de gemeente, de SVB en de zorgverleners; in staat te zijn zelfstandig te handelen en onafhankelijk voor een zorgverlener te kiezen; in staat te zijn om afspraken te maken en vast te leggen en om dit te verantwoorden aan het college; in staat te zijn om te beoordelen en te beargumenteren of de geleverde zorg passend en kwalitatief goed is; in staat te zijn de inzet van zorgverleners te coördineren, waardoor de zorg door kan gaan, ook bij verlof en ziekte; in staat te zijn om als werk- of opdrachtgever de zorgverleners aan te sturen en aan te spreken op hun functioneren; en voldoende kennis te hebben over het werk- of opdrachtgeverschap of deze kennis weten te vinden. 2.Een budgethouder of een budgetbeheerder wordt in beginsel niet in staat geacht de aan een pgb verbonden taken verantwoord te kunnen uitvoeren als sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden: het beheer wordt verricht door de persoon of organisatie die ook de jeugdhulp levert aan de budgethouder; het beheer wordt verricht door een persoon met een affectieve relatie met de persoon die jeugdhulp levert aan de budgethouder er is sprake van één of meer van de volgende omstandigheden: schuldenproblematiek; ernstige verslavingsproblematiek; aangetoonde fraude, in de zin van opzettelijke misleiding om financieel voordeel te verkrijgen, begaan in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag; een aanmerkelijke verstandelijke beperking; een ernstig psychiatrisch ziektebeeld; een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis; het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal in woord en geschrift; het niet verkrijgen van een Verklaring Omtrent het Gedrag; of jonger dan 18 jaar. 3.De budgetbeheerder kan zijn: iemand uit het sociale netwerk van de jeugdige en/of ouders; een 1e of 2e graads bloed- of aanverwant van jeugdige en/of ouders een professionele pgb-beheerder een door de rechtbank aangewezen mentor, curator of bewindvoerder. Artikel22.Formele hulp vanuit een pgb 1.Van formele hulp is sprake als de jeugdhulp verleend wordt door onderstaande personen: personen die werkzaam zijn bij een organisatie met een aanbod dat past bij de hulpvraag waarvoor de jeugdige en/of de ouder(
- s)het pgb krijgen. De organisatie staat ingeschreven in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007). De personen beschikken over de relevante diploma’s om de werkzaamheden die nodig zijn uit te voeren of; personen die als zelfstandige zonder personeel (zzp’
- er)werkzaamheden uitvoeren die passen bij de hulpvraag waarvoor de jeugdige en/of ouder(
- s)het pgb krijgen. De zzp’er staat voor deze werkzaamheden ingeschreven in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007). Ook beschikt de zzp’er over de relevante diploma’s of werkervaring die nodig zijn voor uitoefening van deze werkzaamheden, of; personen die ingeschreven staan in het register, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG-registratie) en/of artikel 5.2.1 van het Besluit Jeugdwet, voor het uitoefenen van een beroep voor het verlenen van jeugdhulp (SKJ-registratie). 2.Als de hulp wordt verleend door een andere persoon dan beschreven in lid 1 onder a, b of c gaat het altijd om informele hulp. Artikel23:Informele hulp vanuit een pgb 1.Als de jeugdhulp geboden wordt door een persoon uit het sociaal netwerk van de budgethouder, is altijd sprake van informele hulp omdat zij in een sociale relatie tot elkaar staan. 2.De jeugdige kan jeugdhulp betrekken van een persoon uit het sociaal netwerk zoals genoemd in lid 1. Het college kan via een onafhankelijke en daartoe deskundige derde laten toetsen of deze persoon verantwoorde ondersteuning kan leveren en daadwerkelijk levert. 3.Bij de beoordeling van de mogelijkheid tot het inzetten van informele hulp met een pgb wordt het volgende bij de afweging betrokken: is de informele hulp in staat de hulp te bieden die conform de beoogde doelstellingen in het gezinsplan benodigd is; de belastbaarheid van de mantelzorger en/of informele hulp. Er mag geen sprake zijn van (dreigende) overbelasting. de jeugdige, de wettelijke vertegenwoordiger of de budgetbeheerder, kan instaan voor de kwaliteit van de geboden hulp; het type hulp, de frequentie van de geboden hulp, de duur van de hulp (tijdelijk of langere periode) en de benodigde continuïteit; de mogelijkheid om vervangende ondersteuning in te kopen of passende ondersteuning in natura in te zetten. Artikel24.Kwaliteitseisen individuele voorziening in de vorm van een pgb 1.De kwaliteit van de met het pgb ingekochte formele hulp voldoet minimaal aan de eisen die het college stelt aan de gecontracteerde zorgaanbieders die vergelijkbare jeugdhulp leveren. Dit betekent dat de pgb-aanbieder in ieder geval: beschikt over een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) die niet ouder is dan drie maanden bij aanvang van de zorgovereenkomst en gedurende de hulpverlening niet ouder dan drie jaar, waaruit blijkt dat er geen bezwaren zijn voor de uitoefening van diens functie. Ouder(
- s)zijn uitgesloten van deze eis; beschikt over de juiste vaardigheden en deskundigheid om verantwoorde jeugdhulp te bieden; een deugdelijke administratie bijhoudt met een registratie van de geleverde jeugdhulp; voldoende vaardig is om in de Nederlandse taal te communiceren; werkt volgens een plan waarin activiteiten en doelen zijn vastgelegd; de jeugdhulp uitvoert in overeenstemming met de beschikking van het college; de jeugdhulp afstemt op de persoonlijke situatie van de jeugdige en/of zijn ouder(s); de jeugdhulp afstemt op andere voorzieningen, overige voorzieningen en individuele voorzieningen waar de jeugdige en/of zijn ouder(
- s)gebruik van maken; de privacy respecteert van de jeugdige en/of zijn ouder(
- s)en vertrouwelijk om gaat met informatie over de persoonlijke situatie; contact opneemt met Veilig Thuis bij vermoedens van huiselijk geweld of kindermishandeling in het huishouden van de jeugdige en/of zijn ouder(
- s)voor advies of het doen van een melding; calamiteiten en geweldsincidenten bij de verlening van jeugdhulp meldt aan het college; meewerkt aan toezicht en aangekondigd en onaangekondigd onderzoek door het college of daartoe aangewezen derden op inhoudelijke kwaliteit en op rechtmatigheid; en niet overbelast is of raakt door verlening van de jeugdhulp naar het oordeel van het college. 2.Ter waarborging van de kwaliteit van de met een pgb in te kopen individuele voorziening voldoet de uitvoerder van formele jeugdhulp aan de volgende aanvullende eisen: hetgeen is bepaald in artikel 22; handelt in overeenstemming met de professionele standaard; werkt met een systeem voor kwaliteitsbewaking; en stelt een vertrouwenspersoon in staat zijn taak uit te voeren. Artikel25.Hoogte pgb 1.De hoogte van het pgb voor formele hulp bedraagt 85% van het tarief voor de goedkoopste passende voorziening in de gecontracteerde jeugdhulp in natura, tenzij op basis van het door de jeugdige en/of ouder(
- s)ingediende budgetplan passende en toereikende jeugdhulp voor een lager tarief kan worden ingekocht. 2.Als het op basis van lid 1 vastgestelde pgb in een individueel geval onvoldoende is om de passende jeugdhulp te kunnen inkopen, wordt het tarief zodanig aangepast dat de jeugdhulp hiermee bij tenminste één jeugdhulpaanbieder kan worden ingekocht. 3.De hoogte van het pgb voor informele hulp: is bij het bestaan van een arbeidsovereenkomst of overeenkomst van opdracht gelijk aan het minimum uurloon, inclusief vakantiebijslag, zoals bedoeld in de Wet minimumvakantiebijslag voor een persoon van 21 jaar of ouder met 36 urige werkweek; is voor een informele hulp jonger dan 21 jaar gelijk aan het wettelijk minimumjeugdloon inclusief vakantietoeslag; bedraagt indien er geen sprake is van een dienstbetrekking, oftewel een overeenkomst van opdracht, maximaal de hoogte van de tegemoetkoming per kalendermaand voor ondersteuning en/of hulp uit het sociaal netwerk zoals opgenomen in artikel 8ab, eerste lid van de Regeling Jeugdwet, ongeacht de feitelijke omvang van de voorziening; of bedraagt de tegemoetkoming per kalendermaand voor schoonmaakmiddelen, levensmiddelen, kleding of reiskosten zoals bedoeld in artikel 8ab, eerste lid van de Regeling Jeugdwet. De tegemoetkoming wordt berekend aan de hand van de door het college vastgestelde vergoedingenlijst die waar mogelijk gebaseerd is op richtbedragen van het Nibud. 4.Het tarief is lager als op basis van het door de jeugdige of zijn ouder(
- s)dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger ingediende pgb-plan passende en toereikende jeugdhulp voor een lager tarief kan worden ingekocht. 5.Het pgb wordt uitbetaald per feitelijk geleverde uren, niet zijnde maandloon. Artikel26.Uitgesloten van pgb 1.Het pgb heeft geen vrij besteedbaar bedrag. 2.De volgende kosten zijn uitgesloten van vergoeding vanuit een pgb: kosten voor bemiddeling; kosten voor tussenpersonen of belangenbehartigers; kosten voor het voeren van een pgb-administratie; kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb; kosten die worden gemaakt voor zover het pgb is bestemd voor besteding in het buitenland, tenzij hiervoor expliciet vooraf toestemming is gegeven door het college. kosten voor hulp die direct ingezet moet worden (crisishulp); kosten voor een aanvraag van een Verklaring Omtrent het Gedrag; kosten voor een feestdagenuitkering en een eenmalige uitkering; reiskosten van de hulpverlener; bijkomende (zorg)kosten; overlijdensuitkering. HOOFDSTUK6.HERZIENING, INTREKKING, TERUGVORDERING EN BESTRIJDING MISBRUIK Artikel27.Inlichtingen 1.Het college informeert de jeugdige of zijn ouder(
- s)dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. 2.Mede overeenkomstig het bepaalde in artikel 8.1.2, eerste lid, van de wet doen de jeugdige of zijn ouder(
- s)dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb. Artikel28.Niet meewerken ouder(
- s)1.De jeugdige en zijn ouder(
- s)is (zijn) verplicht om, binnen de eigen mogelijkheden, mee te werken aan onderzoek gericht op besluitvorming over en de doelmatige inzet van jeugdhulp. 2.Als de jeugdige en/of zijn ouder(
- s)naar het oordeel van het college niet of onvoldoende meewerkt/meewerken, kan de omvang van de benodigde jeugdhulp niet worden vastgesteld of is de jeugdhulp niet effectief en kan door het college worden besloten geen individuele voorziening te verstrekken, een lagere omvang vast te stellen of een eerder toegekende individuele voorziening in te trekken. Artikel29.Intrekking, herziening, opschorting en terugvordering 1.Het college onderzoekt periodiek of er aanleiding is een beslissing aangaande een verstrekking van een individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb te heroverwegen en kan hierover nadere regels stellen. 2.Onverminderd artikel 8.1.4, van de wet kan het college een beslissing aangaande een individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb herzien of intrekken als het college vaststelt dat: de jeugdige of zijn ouder(
- s)dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; de jeugdige of zijn ouder(
- s)niet langer op de individuele voorziening of het daarmee samenhangende pgb zijn aangewezen; de individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb niet meer toereikend is te achten; de jeugdige of zijn ouder(
- s)niet voldoen aan de voorwaarden die zijn verbonden aan de individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb; de jeugdige of zijn ouder(
- s)het pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het bestemd is; de jeugdige of zijn ouder(
- s)dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger met het pgb jeugdhulp betrekken van een jeugdhulpaanbieder tegen wie bezwaren zijn ontstaan, als bedoeld in artikel 22, tweede lid; of de jeugdige langer dan 6 weken verblijft in een instelling. 3.Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen drie maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. 4.Een beslissing tot toekenning van een voorziening in natura kan worden ingetrokken als blijkt dat de jeugdige of zijn ouder(
- s)dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger zich niet binnen drie maanden na de besluitdatum hebben gemeld bij een jeugdhulpaanbieder. 5.Als het college een beslissing heeft herzien of ingetrokken op grond van het tweede lid onder a, dan kan het college de geldschade vorderen van de te veel of ten onrechte genoten individuele voorziening in natura of het te veel of ten onrechte genoten pgb. 6.Als het college een beslissing op grond van het tweede lid, onder a, heeft ingetrokken, kan het college bij dwangbevel geheel of gedeeltelijk het ten onrechte genoten pgb invorderen. 7.Het college kan, bij een gegrond vermoeden van een omstandigheid als bedoeld in het tweede lid, onder a, d, e of f, de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een geheel of gedeeltelijke onderbreking van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken. Het college kan de SVB gemotiveerd verzoeken deze termijn te verlengen. 8.Het college kan tot terugvordering van het pgb bij de pgb-aanbieder overgaan indien een individuele voorziening zonder toestemming van het college in het buitenland is ingezet. 9.In geval van terugvordering stuurt het college een factuur naar de pgb-aanbieder, die binnen 4 weken moet worden voldaan. 10.De pgb-aanbieder kosten declareert voor zorg die (gedeeltelijk) niet is verleend of niet (geheel) conform de gestelde voorwaarden is verleend en hij niet binnen 72 uur aanvraag heeft gedaan bij de pgb-beheerder om dit te crediteren. Artikel30.Onderzoek naar recht- en doelmatigheid individuele voorzieningen in natura en in de vorm van pgb’s 1.Het college wijst een toezichthouder aan die belast is met het toezicht op de naleving van de rechtmatige uitvoering van de wet, waaronder de bestrijding van misbruik, oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van deze wet. 2.Het college onderzoekt met inachtneming van de paragrafen 6a en 6b, van de Regeling Jeugdwet de rechtmatigheid en doelmatigheid van individuele voorzieningen. 3.Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van pgb’s met het oog op de beoordeling van de recht- en doelmatigheid daarvan. 4.Het college kan toezichthoudende ambtenaren aanwijzen die belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.9 van de Jeugdwet. 5.De aangewezen toezichthouder is belast met: de bevoegdheid van het inzien van dossiers; de bevoegdheid om inlichtingen te vorderen; de bevoegdheid om de (cliënten)administratie/dossiers te vorderen bij de (pgb-)aanbieder; de bevoegdheid om de administratie te vorderen van de cliënt of de pgb-beheerder; het vorderen van inzage in een identificatiebewijs; inzage van documenten en toegang tot gegevens; het betreden van plaatsen (met uitzondering van privéwoningen); controleren of de (pgb-)aanbieder de verplichtingen uit de toekenningsbeschikking of de overeenkomst met het college naleeft; ondersteuningsinhoudelijk controleren van de overeenkomsten die de jeugdige en/of ouders of de pgb-beheerder heeft gesloten; voldoen deze aan bij de aanvraag geleverde gegevens en informatie; controleren of de individuele voorziening veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt uitgevoerd; de bevoegdheid om (pgb-)aanbieders te screenen. 6.Eenieder is verplicht om mee te werken aan het onderzoek van de toezichthouder. 7.Het college kan nadere regels vaststellen over de bevoegdheden van de toezichthouder. Artikel31.Overige maatregelen ter voorkoming oneigenlijk gebruik, misbruik en niet gebruik 1.Het college maakt met de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde jeugdhulpaanbieders afspraken over de facturatie, resultaatsturing en accountantscontroles, zodat declaraties en uitbetalingen in overeenstemming zijn met de contractuele afspraken, de leveringsopdracht, de prestatieafspraken en de feitelijk geleverde prestaties. 2.Het college maakt met de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde jeugdhulpaanbieders afspraken over het monitoren van de gemiddelde trajectduur tijdens de looptijd van een contract. HOOFDSTUK7.AFSTEMMING MET ANDERE VOORZIENINGEN Artikel32.Voorliggende voorzieningen 1.Het college verstrekt geen voorziening voor jeugdhulp als er: met betrekking tot de problematiek een recht bestaat op zorg als bedoeld bij of krachtens de Wet langdurige zorg, de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen of de Zorgverzekeringswet; naar het oordeel van het college met betrekking tot de problematiek een aanspraak bestaat op een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling, met uitzondering van een maatwerkvoorziening inhoudende begeleiding als bedoeld in artikel 1.1.1, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; of gegronde redenen zijn voor het college om aan te nemen dat de jeugdige in aanmerking kan komen voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg en de jeugdige en/of zijn wettelijke vertegenwoordiger weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit daartoe. 2.Als er meerdere oorzaken ten grondslag liggen aan de betreffende problematiek en daardoor zowel een vorm van zorg, op grond van een recht op zorg als bedoeld bij of krachtens de Wet langdurige zorg of een zorgverzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, als een soortgelijke voorziening op grond van de wet kan worden verkregen, is het college gehouden deze voorziening op grond van de wet te treffen. 3.De jeugdige of zijn ouder(
- s)dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger die een aanvraag voor jeugdhulp doen, worden verwezen naar de instantie waar een aanvraag voor een voorziening op basis van de voornoemde wetten kan worden behandeld. 4.Bij een verwijzing als bedoeld in het vorige lid naar Wet langdurige zorg kan cliëntondersteuning worden ingeschakeld. Artikel33.Afstemming met voorliggende voorzieningen en andere vormen van hulp en ondersteuning 1.Het college stemt de jeugdhulp waaraan een jeugdige of een ouder behoefte heeft, ten minste af op het aanbod van activiteiten, diensten of middelen op grond van: de Leerplichtwet; de Participatiewet; de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening; de Wet Inburgering 2021; de Wet kinderopvang; de Wet langdurige zorg; de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; de Wet passend onderwijs; de Wet publieke gezondheid; de Wet tijdelijk huisverbod; de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg; en de Zorgverzekeringswet, zodat deze zoveel mogelijk op elkaar aansluiten en ondersteunt de jeugdige en zijn ouder(
- s)actief bij het verkrijgen van toegang tot de andere voorziening(
- en)of bij behoud van de continuïteit van de zorg op grond van de benodigde zorg. 2.De afgestemde jeugdhulp wordt zodanig ingezet dat dit leidt tot: het opheffen van een situatie die voor een jeugdige of een ouder of diens omgeving levensbedreigend is, of met grote waarschijnlijkheid leidt tot ernstige gezondheidsschade; stabilisatie van een crisissituatie, anders dan bedoeld onder a; een voldoende mate van duurzame zelfredzaamheid van een jeugdige of een ouder, voor zover dat binnen het vermogen ligt. 3.Het college weegt bij de afstemming van de jeugdhulp de volgende aspecten mee: de behoefte aan hulp en ondersteuning van een jeugdige of een ouder; de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van een jeugdige of een ouder zoals bedoeld in artikel 12 en de mogelijkheden van het sociale netwerk; welke volgorde van inzet van hulp en ondersteuning naar verwachting het meeste effect sorteert en in hoeverre hulp en ondersteuning gelijktijdig kan of moet worden ingezet; welke hulp en ondersteuning leidt tot de minste maatschappelijke kosten op lange termijn. 4.Als een jeugdige of een ouder of wettelijk vertegenwoordiger weigert mee te werken aan ondersteuning als bedoeld in het eerste lid, kan het college het onderzoek beëindigen en een individuele voorziening weigeren. Artikel34.Overgang 18- naar 18+ 1.Als een jeugdige van 16 jaar of ouder die jeugdhulp op grond van de wet ontvangt naar alle waarschijnlijkheid na het achttiende levensjaar hulp of ondersteuning nodig heeft vanuit de wet, is het college gehouden om: voor het achttiende levensjaar zodanige jeugdhulp en ondersteuning te bieden dat de benodigde hulp en ondersteuning vanaf het achttiende jaar zo beperkt mogelijk kan zijn; en de continuïteit van hulp en ondersteuning te waarborgen voor zover dat nodig is. 2.Ter uitvoering van het eerste lid, onderzoekt het college samen met de jeugdhulpaanbieder tijdig welke andere voorziening nodig is vanaf de achttiende verjaardag en op welke wijze en vanuit welke andere voorzieningen (Wet maatschappelijke ondersteuning, Wet langdurige zorg, of de Zorgverzekeringswet) deze ondersteuning vanaf het achttiende levensjaar wordt ingezet. 3.Het college en de jeugdhulpaanbieder nemen de resultaten van lid 2 op in een ‘perspectiefplan’. HOOFDSTUK8.WAARBORGEN VERHOUDING PRIJS EN KWALITEIT Artikel35.Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering 1.Het college baseert in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, op ten minste de volgende kostprijselementen: cliëntgebonden en niet-cliëntgebonden kosten van beroepskrachten; cliëntgebonden kosten anders dan van beroepskrachten; overheadkosten; kosten voor indexering. 2.Het college bedingt bij de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde aanbieders van preventie, jeugdhulpaanbieders of gecertificeerde instellingen dat zij het verlenen van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering alleen aan derden uitbesteden als zij die derden daarvoor een reële prijs betalen, die tot stand is gekomen met gebruikmaking van de kostprijselementen bedoeld in het eerste lid. 3.Het eerste en tweede lid gelden voor subsidies slechts voor zover zij worden verstrekt voor de daadwerkelijke verlening van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering aan jeugdigen of hun ouders en de omvang van de subsidie direct of indirect wordt gebaseerd op de hoeveelheid verrichte diensten. HOOFDSTUK9.KLACHTEN EN MEDEZEGGENSCHAP Artikel36.Vertrouwenspersoon 1.Het college zorgt ervoor dat jeugdigen of hun ouders een beroep kunnen doen op een kosteloze onafhankelijke vertrouwenspersoon conform artikel 2.5, tweede lid van de wet. 2.Het college wijst jeugdigen of hun ouders op de mogelijkheid gebruik te maken van de inzet van een vertrouwenspersoon. Artikel37.Klachtregeling 1.Het college behandelt klachten die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van meldingen en aanvragen als bedoeld in deze verordening overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk 9 (klachtbehandeling) van de Algemene wet bestuursrecht. 2.Jeugdhulpaanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van jeugdigen ten aanzien van alle door hen aangeboden voorzieningen. 3.Het college ziet toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek. Artikel38.Betrekken van ingezetenen bij het beleid 1.Het college stelt jeugdigen en hun ouders en vertegenwoordigers van cliëntgroepen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende jeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. 2.Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning. 3.In de Verordening Cliëntenparticipatie Sociaal Domein Apeldoorn zijn regels opgenomen ten aanzien van het eerste en tweede lid. HOOFDSTUK10.SLOTBEPALINGEN Artikel39.Overgangsrecht, intrekking oude verordening 1.Een jeugdige en/of zijn ouder(
- s)houdt recht op een lopende voorziening, verstrekt op grond van de Verordening Zorg voor Jeugd 2023 totdat het college een nieuw besluit heeft genomen ten aanzien van die voorziening. 2.Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening Zorg voor Jeugd 2023 waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening. 3.Op bezwaarschriften tegen een besluit dat op grond van de Verordening Zorg voor Jeugd 2023 van de gemeente Apeldoorn is genomen, wordt beslist op basis van de Verordening Jeugdhulp gemeente Apeldoorn 2026, in zoverre de belanghebbende hierdoor niet materieel wordt benadeeld. 4.Het college is bevoegd een besluit, dat is genomen op grond van Verordening Zorg voor Jeugd 2023 te herzien: op de gronden vermeld in de Verordening Zorg voor Jeugd 2023; indien uit een door het college uitgevoerd heronderzoek blijkt dat er met toepassing van de ten tijde van het onderzoek geldende verordening een afwijkend besluit zou zijn genomen; indien de cliënt wenst te veranderen van aanbieder of van verstrekkingsvorm. 5.Het college heeft de bevoegdheid om een pgb dat is verstrekt onder Verordening Zorg voor Jeugd 2023 terug te vorderen op de in deze verordening genoemde gronden. 6.De Verordening Zorg voor Jeugd 2023 wordt ingetrokken. Artikel40.Geen bepalingen In gevallen de uitvoering van deze verordening betreffend, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college. Artikel41.Hardheidsclausule Het college kan een of meer artikelen buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang van de jeugdige en zijn ouders leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Artikel42.Inwerkingtreding en citeertitel 1.Deze verordening treedt in werking op 1 maart 2026. 2.Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Jeugdhulp gemeente Apeldoorn 2026. Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 26 februari 2026De voorzitter,De griffier,TOELICHTING ALGEMEEN Opbouw van de verordening Deze verordening begint in hoofdstuk 1 met een begrippenlijst. In hoofdstuk 2 leest u welke vormen van jeugdhulp de gemeente kan bieden. Hoofdstuk 3 behandelt de verschillende wegen die leiden naar toegang tot jeugdhulp. Hoofdstuk 4 gaat over de manier waarop een verzoek om jeugdhulp wordt beoordeeld en hoe een besluit daarover wordt voorbereid. Hoofdstuk 5 bevat aanvullende regels voor het bieden van jeugdhulp in de vorm van een persoonsgebonden budget. De hoofdstukken 6 tot en met 10 bevatten overige (algemene) regels, onder meer over rechten, (medewerkings)plichten en de herziening van besluiten. De opdracht van de wetgever: wat moet de Verordening regelen? Sinds 1 januari 2015 zijn gemeenten verantwoordelijk voor alle jeugdhulp. De taken van de gemeenten zijn geregeld in de Jeugdwet (hierna: de wet). Gemeenten moeten ervoor zorgen dat jongeren met een beperking, stoornis of aandoening de jeugdhulp en ondersteuning krijgen die nodig is. Eén van de doelen van de wet is om gebruik te maken van de eigen kracht van jongeren, ouders en hun sociale netwerk, zodat jeugdhulp wordt geboden aan jeugdigen en gezinnen in de meest kwetsbare situaties, waarbij de inzet van jeugdhulp noodzakelijk is gezien de aard en ernst van de hulpvraag. Deze verordening geeft uitvoering aan de wet die de gemeenteraad opdraagt om bij verordening regels vast te stellen over: de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige voorzieningen, met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening; de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen; de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld; en de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Daarnaast regelt deze verordening, overeenkomstig de wet, op welke wijze ingezetenen, waaronder in ieder geval jeugdigen of hun vertegenwoordigers, worden betrokken bij de uitvoering van de wet, waarbij wordt geregeld de wijze waarop zij: in de gelegenheid worden gesteld voorstellen voor het beleid te doen; vroegtijdig in staat worden gesteld gevraagd en ongevraagd advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen; worden voorzien van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen, deel kunnen nemen aan periodiek overleg; onderwerpen voor de agenda van dit overleg kunnen aanmelden; en worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie. De verordening bevat ook regels ter waarborging van: een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van diensten door derden en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan; en de continuïteit van de jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering. Tot slot wordt in deze verordening bepaald onder welke voorwaarden de persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk. Achtergronden De wet maakt deel uit van de in 2015 ingezette bestuurlijke en financiële decentralisatie naar gemeenten van de jeugdzorg, de jeugd-ggz, de zorg voor verstandelijk beperkte jeugdigen en de begeleiding en persoonlijke verzorging van jeugdigen. Eén van de uitgangspunten hierbij was dat een omslag gemaakt zou worden van een stelsel gebaseerd op een wettelijk recht op zorg (aanspraak) naar een stelsel op basis van een voorzieningenplicht voor gemeenten (voorziening), op een wijze zoals eerder is gebeurd met de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015). Het wettelijke recht op jeugdzorg en individuele aanspraken op jeugdzorg zijn vervangen door een voorzieningenplicht, waarvan de aard en omvang in beginsel door de gemeente worden bepaald (maatwerk). Het doel van het jeugdzorgstelsel blijft echter onverminderd het waar nodig tijdig bieden aan jeugdigen en ouders van bij hun situatie passende hulp, met als beoogd doel ervoor te zorgen dat de eigen kracht van de jongere en het zorgend en probleemoplossend vermogen van het gezin worden versterkt. Vrij toegankelijk en niet vrij toegankelijk Ouders en verzorgers zijn als eerste verantwoordelijk voor het gezond en veilig opvoeden en opgroeien van hun kind(eren). Maar de opvoeding gaat niet altijd vanzelf. Dan kunnen ze hulp vragen aan familie, vrienden of buren. Ook zijn er Apeldoornse vrijwilligers die steun kunnen bieden aan opvoeders o.a. als luisterend oor, om wegwijs te worden in Apeldoorn of een netwerk op te bouwen. Al vroeg in het leven zijn er professionals waarmee ouders en kinderen te maken krijgen. De jeugdgezondheidszorg volgt de lichamelijke en mentale ontwikkeling en de kinderopvang en het onderwijs dragen bij aan de motorische en cognitieve ontwikkeling van kinderen. Ook de huisarts ziet en spreekt veel ouders en kinderen. Met deze voorzieningen en de professionals die daarin werkzaam zijn, kunnen de uitdagingen van het leven eerder worden gezien. En zij kunnen ouders daarbij ondersteunen. Zo nodig kan de hulp van andere professionals worden ingeroepen om de problemen het hoofd te bieden. Voor deze hulp en ondersteuning is geen beschikking nodig. Ze zijn vrij toegankelijk. Om de samenwerking tussen de verschillende professionals te optimaliseren, werkt Samen055, de vraagbaak bij alle vragen op de diverse levensgebieden, met vaste contactpersonen voor bepaalde beroepsgroepen zoals huisartsen en verloskundigen. Ook kan iedere professional veilig gegevens uitwisselen met het wijkteam via de site van Samen055. Het onderwijs heeft vaste contactpersonen binnen het CJG en er is regelmatig overleg tussen het samenwerkingsverband passend onderwijs, de gemeente en het CJG om vraagstukken rond leerlingen te bespreken. Is inzet van meer specialistische hulp nodig dan komt het wijkteam Samen055 in beeld. De consulenten van het wijkteam beoordelen of de problematiek zodanig is dat een niet vrij toegankelijke voorziening nodig is. In de verordening maken we daarom onderscheid tussen overige (vrij-toegankelijke) en individuele (niet vrij-toegankelijke) voorzieningen op het gebied van jeugdhulp. Voor een deel van de hulpvragen volstaat een vrij-toegankelijke, overige voorziening. Hier kunnen de jeugdige en/of zijn ouders dus gebruik van maken zonder dat zij daarvoor een verwijzing of een besluit van de gemeente nodig hebben. De jeugdige en zijn ouders kunnen zich voor deze jeugdhulp rechtstreeks tot de aanbieder wenden. In deze verordening richten we ons verder op de individuele, dus niet-vrij toegankelijke voorzieningen waarvoor dus wel een verwijzing nodig is. Toegang jeugdhulp via de gemeente Een hulpvraag van een jeugdige of zijn ouder kan binnenkomen bij de gemeente (in sommige gevallen nadat zij naar de gemeente zijn doorverwezen door het Advies- en Meldpunt Huiselijk Geweld en Kindermishandeling). De beslissing door de gemeente welke ondersteuning een jeugdige of zijn ouder precies nodig heeft, komt vervolgens tot stand op basis van het onderzoek dat namens het college met die jeugdige en/of zijn ouders wordt uitgevoerd. Veelal zal op basis van één of meerdere gesprekken tussen een door de gemeente ingezette deskundige en de jeugdige en zijn ouders gekeken worden wat de jeugdige en/of zijn ouders eventueel zelf of met behulp van hun netwerk kunnen doen aan het probleem. Als aanvullend daarop een voorziening op het gebied van jeugdhulp nodig is, dan zal eerst gekeken worden of dit een vrij-toegankelijke overige voorziening is of een niet vrij-toegankelijke individuele voorziening. Is het laatste het geval, dan neemt het college een besluit tot verstrekking van de voorziening en worden de jeugdige en zijn ouders doorverwezen naar een jeugdhulpaanbieder die in staat is om de betreffende problematiek aan te pakken. Dit proces is in deze verordening nader ingekaderd. Toegang via de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist De wet regelt daarnaast dat de jeugdhulp toegankelijk is na een verwijzing door de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist. Na een dergelijke verwijzing staat echter nog niet vast welke specifieke behandelvorm van jeugdhulp (dus bijvoorbeeld welke therapie) een jeugdige of zijn ouder precies nodig heeft. Een jeugdige kan op dat moment terecht bij de jeugdhulpaanbieders die de gemeente heeft gecontracteerd. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder zelf zijn die op basis van zijn professionele autonomie na de verwijzing beoordeelt welke voorziening precies nodig is (de behandelvorm), hoe vaak iemand moet komen (de omvang) en hoe lang (de duur). Bij deze beoordeling dient de jeugdhulpaanbieder zich te houden aan de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie. Onderdeel daarvan is dat de jeugdhulpaanbieder bij de genoemde beoordeling en bepaling van de inhoud van de voorziening de werkwijze zoals de gemeentelijke toegang toepast, en in haar oordeel de eigen kracht, het sociale netwerk, overige (voorliggende) voorzieningen en de goedkoopst passende individuele voorziening betrekt. Daarnaast zal de jeugdhulpaanbieder rekening moeten houden met de regels die in deze verordening zijn gesteld. Deze verordening regelt welk aanbod van de gemeente alleen via verwijzing of met een besluit van de gemeente toegankelijk is (zie artikel 5). De bepalingen in de verordening over het onderzoek naar de hulpvraag, artikel 8, zijn onverkort op jeugdhulpaanbieders van toepassing, ook bij de toegang via de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist (zie artikel 6). Toegang via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter, het Openbaar Ministerie en justitiële jeugdinrichting in het kader van het jeugdstrafrecht Een andere ingang tot de jeugdhulp is via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter (via een kinderbeschermingsmaatregel of een maatregel tot jeugdreclassering), het Openbaar Ministerie en de justitiële jeugdinrichting. De gecertificeerde instelling is verplicht om bij de bepaling van de in te zetten jeugdhulp in het kader van een door de rechter opgelegde kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering te overleggen met de gemeente. Uiteraard kan bij dit overleg een kostenafweging plaatsvinden. De gemeente is op haar beurt vervolgens gehouden de jeugdhulp in te zetten die deze partijen nodig achten ter uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel of de jeugdreclassering. Deze leveringsplicht van de gemeente vloeit voort uit het feit dat uitspraken van rechters te allen tijde moeten worden uitgevoerd om rechtsgelijkheid en rechtszekerheid te kunnen garanderen. Ook hier geldt dat de gecertificeerde instelling in beginsel gebonden is aan de jeugdhulp die de gemeente heeft ingekocht. Als de kinderrechter een ondertoezichtstelling of beëindiging van het gezag uitspreekt, wijst hij gelijktijdig in de beschikking de gecertificeerde instelling aan die de maatregel gaat uitvoeren. Dit kan de rechter juist omdat de raad voor de kinderbescherming in zijn verzoekschrift een concreet advies geeft over welke gecertificeerde instelling de maatregel zou moeten uitvoeren. De raad voor de kinderbescherming neemt een gecertificeerde instelling in zijn verzoekschrift op die na overleg met de gemeente en gezien de concrete omstandigheden van het geval hiervoor het meest geschikt lijkt. De raad voor de kinderbescherming is verplicht om hierover met de gemeente te overleggen. ARTIKELSGEWIJS In deze artikelsgewijze toelichting worden enkel die (onderdelen) van bepalingen behandeld die nadere toelichting behoeven. HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1. Definities Het aantal definities in artikel 1 is beperkt aangezien de wet al een flink aantal definities kent die ook bindend zijn voor deze verordening. Deze wettelijke definities zijn dan ook niet nogmaals opgenomen in de verordening. Het betreft onder meer definities van centrale begrippen als ‘jeugdhulp’, ‘jeugdige’ en ‘ouder’. In de verordening worden de begrippen jeugdige en ouder overeenkomstig de wet gebruikt. Indien mogelijk aangeduid algemeen als ‘jeugdigen en/of ouders’ en specifiek veelal als ‘de jeugdige of zijn ouder(s)’. Gebruik van ‘of’ impliceert hier ook de betekenis ‘en’. Met de aanduiding ‘de jeugdige of zijn ouder(s)’ bedoelen we dus: de jeugdige (van bijvoorbeeld 16 jaar of ouder) zelfstandig, de jeugdige met een of beide ouders (in de definitie van artikel 1 van de wet: de gezaghebbend ouder, adoptiefouder, stiefouder of een ander die een jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, niet zijnde een pleegouder) (bij een jeugdige tussen de 12 en de 16 jaar), of de ouders namens de jeugdige (bij een jeugdige jonger dan 12 jaar). In artikel 1.1 van de wet is jeugdhulp als volgt gedefinieerd: ‘1°. ondersteuning van en hulp en zorg, niet zijnde preventie, aan jeugdigen en hun ouders bij het verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen van of omgaan met de gevolgen van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptiegerelateerde problemen; 2°. het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren van jeugdigen met een somatische, verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking, een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem en die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, en 3°. het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging gericht op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij jeugdigen met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking of een somatische of psychiatrische aandoening of beperking, die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, met dien verstande dat de leeftijdgrens van achttien jaar niet geldt voor jeugdhulp in het kader van jeugdstrafrecht’. Ook de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kent een aantal definitiebepalingen die voor deze verordening van belang zijn, zoals: ‘aanvraag’ (artikel 1:3, derde lid, van de Awb) en ‘beschikking’ (artikel1:3, tweede lid, van de Awb). ‘Andere voorziening’: onder het begrip ‘andere voorziening’ wordt in deze verordening verstaan een voorziening die niet op grond van de wet wordt getroffen, maar in het kader van maatschappelijke ondersteuning, onderwijs, werk en inkomen of zorg. Zie ook artikel 2.9, onder b, van de wet. De verschillende beschikbare vormen van jeugdhulp zijn opgenomen in artikel 4. Hoe individuele voorzieningen verkregen kunnen worden, is nader geregeld in artikel 5 en verder. ‘Pgb’: De definitie van ‘pgb’ is opgenomen omdat de afkorting pgb in het spraakgebruik inmiddels meer is ingeburgerd dan voluit ‘persoonsgebonden budget’. Artikel 2: Mandaat CJG De gemeenteraad heeft bij besluit van 17 juli 2014 de Stichting Centrum voor Jeugd en Gezin Apeldoorn (hierna: CJG) het alleenrecht verleend om namens de gemeente te beslissen over de toegang tot jeugdhulp en de toeleiding naar de jeugdbescherming en jeugdreclassering (toeleiding naar het justitiële kader). De stichting voert haar werkzaamheden uitsluitend uit ten behoeve van de Gemeente Apeldoorn en ten behoeve van jeugdigen tot 23 jaar die conform de Jeugdwet onder verantwoordelijkheid van de Gemeente Apeldoorn vallen. Het CJG voert deze toegangstaak uit binnen het wijkteam als onderdeel van Samen055. HOOFDSTUK 2. VORMEN VAN JEUGDHULP Artikel 3 en 4 geven uitvoering aan artikel 2.9, onder a, van de wet, op grond waarvan de gemeente verplicht is bij verordening regels te stellen over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige voorzieningen. Daarnaast beoogt deze verordening voor iedereen duidelijk te maken wat het gemeentelijke aanbod aan jeugdhulpvoorzieningen is. Ook vindt de gemeente het belangrijk dat op voorhand duidelijk is – uitgaande van toegang tot de jeugdhulp via de gemeente (zie artikel 5) – welke vormen van voorzieningen alleen toegankelijk zijn na een besluit van de gemeente (de ‘individuele voorzieningen’) en welke in beginsel vrij toegankelijk zijn voor iedereen waarvoor ze bedoeld zijn (de overige voorzieningen’). Gelet op het voornoemde belang bevat dit artikel een opsomming van vormen van jeugdhulp die de gemeente biedt. Van verschillende van de hier genoemde vormen van jeugdhulp bestaan diverse varianten, dat geldt met name voor de individuele voorzieningen. Welke variant wordt ingezet zal steeds afhankelijk zijn van de uitkomst van het onderzoek en de betreffende situatie en de specifieke behoeften van de jeugdige en zijn ouders. Artikel 3. Beschikbare overige voorzieningen In artikel 3 zijn de overige voorzieningen beschreven. Dit is jeugdhulp waarvan gebruik kan worden gemaakt met een lichte toets vooraf. Dagelijkse opvoedvragen lossen ouders zelf op samen met hun netwerk. Ontbreekt een netwerk dan kan een vrijwilliger van bv. Ouders Dichtbij iets betekenen. Komen ouders er met hun netwerk niet uit en maken zij zich zorgen dan kunnen zij bij het CJG terecht voor lichte opvoed- en opgroeiondersteuning. Dreigen ouders overbelast te raken en kunnen ze dit met hun netwerk niet oplossen dan kan een steungezin verlichting bieden. Is ondersteuning nodig voor maximaal 1 jaar, dan kan het CJG een gezin ondersteunen in de thuissituatie. Met behulp van video interactie begeleiding en/of met de aangereikte handvatten kunnen ouders dan aan de slag om sterker te worden in hun ouderrol. Met een vooruitgeschoven post op een groot deel van de huisartsenpraktijken in Apeldoorn is opvoed- en opgroeiondersteuning laagdrempelig aanwezig in alle stadsdelen. Huisartsen die signaleren dat ouders vragen hebben over de opvoeding kunnen direct verwijzen naar ondersteuning die op de huisartsenpraktijk aanwezig is in de persoon van de praktijkondersteuner huisartsen jeugd. Artikel 4 Beschikbare individuele voorzieningen Eerste lid Artikel 4 geeft een overzicht van de vormen van individuele voorzieningen die door de gemeente zijn ingekocht. De gemeente koopt deze voorzieningen in als ‘producten’, bijv. begeleiding individueel of pleegzorg. Het aanbod van individuele voorzieningen dat beschikbaar is, staat inclusief voorwaarden en eisen in het zorgproductenboek. Het college bepaalt door onderzoek samen met de jeugdige en/of zijn ouders welke jeugdhulp, dus welk product precies nodig is binnen de daarvoor door de gemeente gestelde kaders. Tweede lid Sinds 2025 kopen we in Gelders verband de Essentiële Functies in. Bij de Essentiële Functies gaat het om hoog specialistische zorg. De bedoeling is om hiermee te voorkomen dat jeugdigen met een complexe hulpvraag vastlopen in het systeem. Dat wil zeggen dat ze gelijk de zorg krijgen die nodig is, ook al zijn er meerdere zorgaanbieders nodig om die zorg te leveren. De noodzakelijk jeugdhulp wordt geboden door een alliantie die bestaat uit samenwerkende jeugdhulporganisaties met verschillende expertises: jeugd- en opvoedhulp, LVB (Licht Verstandelijk Beperkt), GGZ, forensische zorg en verslavingszorg. Derde lid Op grond van artikel 2.6, eerste lid, onder a, van de wet is het aan het college om zorg te dragen voor een kwalitatief en kwantitatief aanbod. Het derde lid geeft het college de mogelijkheid de beschikbare zorgproducten nader te omschrijven. Dat heeft het college gedaan in 2 zorgproductenboeken: een voor de individuele voorzieningen jeugdhulp en een voor de producten jeugdbescherming. Beide zorgproductenboeken zijn te vinden op: https://www.zorgregiomijov.nl/aanbieders/104-documenten-en-downloads). De kwaliteitseisen waaraan jeugdhulpaanbieders moeten voldoen die onder verantwoordelijkheid van het college werkzaamheden uitvoeren, vloeien rechtstreeks voort uit de wet. Deze zijn daarom niet in de verordening opgenomen, maar zijn uiteraard wel in de contractuele afspraken opgenomen. HOOFDSTUK 3. TOEGANG TOT JEUGDHULPVOORZIENINGEN In het voorgaande hoofdstuk zijn de beschikbare vormen van jeugdhulp geregeld. In dit hoofdstuk worden de toegangsmogelijkheden tot jeugdhulp geregeld. Artikel 5. Toegang jeugdhulp via de gemeente Deze en volgende bepalingen regelen de toegang tot jeugdhulp via de gemeente. Dit artikel regelt in algemene zin het toegangs- en besluitvormingsproces en de daaraan verbonden beslistermijnen. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft geoordeeld dat de toegang tot jeugdhulp via de gemeente onderverdeeld kan worden in verschillende “stappen” (CRvB 1 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1477). Die stappen zijn in dit artikel en in artikel 8 verdisconteerd en zijn opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen. Het college is daarbij verantwoordelijk voor de inzet van de noodzakelijke voorzieningen op het gebied van jeugdhulp en bevoegd om de toegang tot jeugdhulp te verlenen op grond van de wet. Tweede lid Jeugdigen en ouders kunnen telefonisch of via het contactformulier van Samen055 een hulpvraag stellen. Zij kunnen gebruik maken van onafhankelijke cliëntondersteuning van bv. MEE Samen om geholpen te worden bij stellen van hun vraag en ook tijdens het onderzoek mogen zij altijd iemand meenemen (zie artikel 8). Vierde tot en met zesde lid Als na ontvangst van de hulpvraag, en mogelijk na telefonisch contact, de verwachting is dat een overige voorziening voldoende is, dan zorgt de professional van Samen055 dat ouders weten waar ze terecht kunnen. Zij kunnen zichzelf rechtstreeks melden. Is er een gesprek nodig dan bevestigt Samen055 de ontvangst van de aanvraag voor jeugdhulp schriftelijk. Jeugdige en/of ouders sturen deze aanvraag binnen 10 werkdagen ondertekend terug. Deze ondertekende bevestiging geldt als de aanvraag jeugdhulp zoals ook in de Awb benoemd is. De datum waarop jeugdige en/of ouders de bevestiging van de aanvraag om jeugdhulp ondertekenen, geldt als de datum van aanvraag. Zevende lid Ouders hebben het recht een zelf (al dan niet met ondersteuning) opgesteld familiegroepsplan in te dienen. Het college betrekt dit plan bij zijn onderzoek. Om dit mogelijk te maken is er een termijn van twee weken gesteld om een familiegroepsplan in te dienen bij het college. Achtste lid Deze bepaling regelt de toeleiding naar jeugdhulp in spoedsituaties of crisissituaties. In gevallen waar onmiddellijke start van de hulp nodig is (en het besluit niet kan worden afgewacht) kan het besluit tot inzet van een individuele voorziening genomen worden na de daadwerkelijke start van de hulp. Het besluit tot inzetten van de hulp moet vervolgens binnen 4 weken na de start van de hulp zijn vastgelegd in een beschikking. Zolang geen onderzoek conform artikel 8 heeft plaatsgevonden, terwijl de hulp al wel is gestart, is nog geen sprake van geïndiceerde jeugdhulp en kan daarom geen pgb worden gevraagd. Artikel 6. Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts Eerste lid Naast de gemeentelijk georganiseerde toegang tot jeugdhulp (zie hierboven), bestaat ook de directe verwijzingsmogelijkheid door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar de jeugdhulp (artikel 2.6, eerste lid, onder e, van de wet). Dit laatste geldt zowel voor de vrij-toegankelijke (overige) voorzieningen als de niet vrij-toegankelijke (individuele) voorzieningen. Met een dergelijke verwijzing kan de jeugdige rechtstreeks aankloppen bij de jeugdhulpaanbieder. In veel huisartsenpraktijken verwijst de huisarts met vragen rond opvoeden en opgroeien direct naar de POH-jeugd binnen zijn praktijk. Deze bepaalt op basis van het gesprek of een overige voorziening volstaat of dat een collega van Samen055 verder met het gezin in gesprek moet om te beoordelen of een individuele voorziening noodzakelijk is. Tweede lid De huisarts, medisch specialist en jeugdarts moeten in beginsel verwijzen naar een door de gemeente gecontracteerde jeugdhulpaanbieder. Als de jeugdige of zijn ouders na een verwijzing door de huisarts kiezen voor een aanbieder van jeugdhulp die geen contract of subsidierelatie met de gemeente heeft, en de gemeente soortgelijke jeugdhulp wel kan laten leveren door een jeugdhulpaanbieder waarmee zij een contract of subsidierelatie heeft, is de gemeente niet gehouden de andere keuze te vergoeden (Kamerstukken II 2013/14, 33 684, nr. 3, p. 149). De gemeente bepaalt bij de medische verwijsroute niet welke jeugdhulp moet worden geleverd, maar heeft wel de regie over wie de jeugdhulp verleent (Rb. Oost-Brabant 26 maart 2020, ECLI:NL:RBOBR:2020:1761). De verordening sluit vergoeding van deze kosten in een dergelijke situatie dan ook uit. De jeugdige of zijn ouders kunnen in een situatie als deze wel een pgb aanvragen. Het college zal deze aanvraag dan beoordelen op basis van de aan de verkrijging van een pgb gestelde voorwaarden (zie hoofdstuk 5). Van dit uitgangspunt kan enkel worden afgeweken als het college heeft ingestemd met de levering van de jeugdhulp door een aanbieder die niet is gecontracteerd of gesubsidieerd. Deze instemming dient voorafgaand aan de zorgverlening schriftelijk te worden verkregen. De gemeente betaalt dan de aanbieder. De instemming van het college is geen automatisme. Er zal sprake moeten zijn van een bijzondere situatie die dit rechtvaardigt en waarbij de jeugdige of zijn ouders geen gebruik kunnen maken van een pgb. Derde lid In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder (bijvoorbeeld de jeugdpsychiater, de gezinswerker of de orthopedagoog) zijn die na de verwijzing (stap 1) beoordeelt welke jeugdhulp precies nodig is. Deze bepaalt in overleg met de jeugdige of zijn ouders daadwerkelijk de concrete inhoud, vorm, omvang en duur van de benodigde jeugdhulp. Deze aanbieder stelt dus feitelijk vast wat naar zijn oordeel de inhoud van de benodigde voorziening dient te zijn en hij zal zijn oordeel mede baseren op de protocollen en richtlijnen die voor een professional de basis van zijn handelen vormen (stap 2). Op grond van het eerste lid zorgt het college voor de inzet van deze jeugdhulp. Het derde lid bepaalt dat de jeugdhulpaanbieder daarbij wel gehouden is aan hetgeen volgt uit de contract- of subsidierelatie met de gemeente. Ook is hij gehouden aan hetgeen volgt uit deze verordening. Dit betekent concreet dat hij zich onder meer houdt aan het beoordelingskader dat in artikel 8 is voorgeschreven en dat hij het stappenplan van de Centrale Raad van Beroep volgt. Ook dient hij zich in beginsel te beperken tot de inzet van individuele voorzieningen die in artikel 4 zijn opgesomd. Aldus legt de verordening een koppeling tussen de beschikbare vormen van individuele voorzieningen en de toegang via de medische verwijsroute. Artikel 7. Toegang jeugdhulp via de GI, de rechter, het openbaar ministerie en de justitiële jeugdinrichting in het kader van het jeugdstrafrecht In het kader van de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering kan de gecertificeerde instelling zelfstandig bepalen dat jeugdhulp nodig is (artikel 3.5 lid 1 van de Jeugdwet). In het kader van een strafrechtelijke beslissing in het jeugdstrafrecht kunnen ook andere instanties besluiten dat jeugdhulp nodig is. Deze andere instanties zijn de rechter, de officier van justitie, de directeur, en de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting. Eerste en tweede lid De gemeente is er verantwoordelijk voor dat de jeugdhulp wordt ingezet die deze instanties nodig vinden ter uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel, jeugdreclassering of een strafrechtelijke beslissing. Hier geldt dus een leveringsplicht van de gemeente (zie artikel 2.4 lid 2 onderdeel b van de Jeugdwet). Omdat de jeugdhulp door de kinderrechter is opgelegd, krijg(t)(
- en)de jeugdige en/of ouders geen beschikking van de gemeente. Derde lid Het derde lid bepaalt dat de gecertificeerde instelling, de rechter, openbaar ministerie en justitiële inrichting daarbij wel gehouden is aan hetgeen volgt uit de contract- of subsidierelatie met de gemeente. Ook is hij gehouden aan hetgeen volgt uit deze verordening. HOOFDSTUK 4. BEHANDELING VAN EEN AANVRAAG OM EEN INDIVIDUELE VOORZIENING; ONDERZOEK EN BESLUITVORMING VIA DE GEMEENTE Artikel 8. Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren Eerste lid Voor een zorgvuldig te nemen besluit is het van belang dat alle relevante feiten en omstandigheden van de specifieke hulpvraag worden onderzocht. Daarbij is het van belang dat het onderzoek met de jeugdige en zijn ouders dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger wordt verricht. Voor een zorgvuldig onderzoek is veelal persoonlijk contact nodig om een goed beeld van de jeugdige en zijn ouders en de gezinssituatie te krijgen. Het ligt daarom ook voor de hand dat er één of meerdere gesprekken gevoerd worden met de jeugdige en zijn ouders dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger. Tweede lid Het is mogelijk dat een jeugdige of zijn ouders, na het indienen van de aanvraag tot de conclusie komt dat een (verder) onderzoek niet nodig is. Bijvoorbeeld omdat de jeugdige of zijn ouders zelf een oplossing heeft gevonden, of geholpen is met een overige voorziening. Zij kunnen in dat geval hun aanvraag intrekken, waardoor het college geen besluit meer hoeft te nemen. Om misverstanden te voorkomen wordt dit schriftelijk bevestigd door het college. Derde lid De wet schept een jeugdhulpplicht voor gemeenten, maar die geldt alleen als de jeugdige en zijn ouders er zelf niet uitkomen. De jeugdhulp is bedoeld om de eigen kracht van de jeugdige en zijn ouders te versterken en om het gezin en andere mensen die dichtbij de jeugdige staan te leren om de jeugdige (nog) beter te helpen en te verzorgen, zodat de jeugdige gezond en veilig op kan groeien en zo goed mogelijk mee kan doen in de maatschappij (CRvB 1 mei 2017, ECLI:NL:2017:1477, rov. 4.3.1.). Een zorgvuldig onderzoek vereist het achtereenvolgens doorlopen van de volgende stappen: Stap 1 - inventariseer de vraag. Wat is de jeugdhulpvraag van de jeugdige of zijn ouders? In dit verband moet opgemerkt worden dat uit artikel 1.1, van de wet voortvloeit dat jeugdhulp niet alleen de hulp aan de jeugdige is, maar ook dat de ouder zelf in aanmerking kan komen voor jeugdhulp. Hierbij wordt ook nadrukkelijk gekeken naar hoe de situatie is ontstaan waarom de jeugdige of zijn ouders nu een beroep doen op de gemeente. Stap 2 - breng de onderliggende problematiek minutieus in kaart leg dat vast. Welke opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen zijn er? Bij deze stap in het onderzoek wordt nadrukkelijk ook beoogd om de oorzaken van de waargenomen problematiek in de context van de systeem- en gezinsdynamiek in kaart te brengen. Stap 3 - stel de aard en de omvang van de noodzakelijke hulp vast. De vraag of hulp noodzakelijk is en zo ja, met welke omvang moet, met inachtneming van de bevindingen uit de eerste twee stappen, worden beantwoord op een wijze die rekening houdt met de leeftijd en het ontwikkelingsniveau van de jeugdige, alsmede (zoveel mogelijk) met de godsdienstige gezindheid, levensovertuiging en culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders, met als doelstelling dat de jeugdige gezond en veilig kan opgroeien, dat hij kan groeien naar zelfstandigheid en dat hij voldoende zelfredzaam kan zijn en maatschappelijk kan participeren. Stap 4 - kijk wat de discrepantie tussen noodzaak en eigen kracht is. Onderzoek naar de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(
- s)en van het sociale netwerk en of de op basis van de eerste drie stappen als noodzakelijk bepaalde hulp hiermee al dan niet volledig kan worden ondervangen. Anders gezegd: het bepalen van de mate waarin de eigen kracht toereikend is. De stappen 1 tot en met 3 bouwen als het ware de jeugdhulpplicht eerst op tot een bepaald maximum. Stap 4 verkleint deze vervolgens weer, eventueel zelfs tot nul. Stap 5 - stel vast welke voorziening de geconstateerde discrepantie adequaat oplost. Het is deze discrepantie tussen zorgvuldig geïnventariseerde noodzaak en eigen kracht die uiteindelijk de jeugdhulpplicht concretiseert, welke op het college rust. Vierde lid Ouders hebben het recht een zelf (al dan niet met ondersteuning) opgesteld familiegroepsplan in te dienen. Het college betrekt dit plan bij zijn onderzoek. Om dit mogelijk te maken is er een termijn van twee weken gesteld om een familiegroepsplan in te dienen bij het college. Ouders kunnen om een langere termijn verzoeken als zij instemmen met het aanhouden van de beslistermijn gedurende de extra tijd die zij nodig hebben om het familiegroepsplan bij het college in te dienen. Vijfde lid Het college wijst de jeugdige en/of de ouder(
- s)op de mogelijkheid een pgb aan te vragen. Het college moet hen dan volledig, objectief en in begrijpelijke woorden inlichten over de gevolgen van de keuze voor een pgb in plaats van zorg in natura (artikel 8.1.6 Jeugdwet). De jeugdige en/of ouder(
- s)moet bij het maken van de keuze voor een pgb de relevante informatie van het college hebben gekregen. Alleen dan kan hij een verantwoorde keuze maken en instemmen met de verplichtingen bij een pgb. De jeugdige en/of ouder(
- s)moeten volledig en correct geïnformeerd zijn over alle gevolgen en risico’s van een pgb. Het college kan zelf bepalen hoe het invulling wil geven aan deze informatieplicht (zie TK 2012-2013, 33 684, nr. 3, p.233). Zesde lid De jeugdige en/of ouder(
- s)hebben een medewerkingsplicht. Dit houdt in dat de benodigde informatie om een besluit te kunnen nemen op de hulpvraag op verzoek van het college verstrekt moet worden. Welke informatie noodzakelijk is voor het onderzoek bepaalt het college. Als de jeugdige en/of ouder(
- s)medewerking (deels) weigeren, moet het college een besluit nemen op basis van de informatie die er is. Dit kan dan betekenen dat de aanvraag wordt afgewezen. Zevende lid Uit het gesprek tussen de jeugdige en/of ouder(
- s)en de gemandateerde namens het college kan naar voren komen dat er al professionals betrokken zijn. In dat geval kan de toegangsmedewerker ervoor kiezen informatie op te vragen namens en met instemming van de jeugdige en/of ouder(s). Ook kan ervoor gekozen worden dat gezamenlijk het gesprek aangegaan wordt met deze andere professional(s). Achtste en negende lid Het college is verplicht de identiteit vast te stellen van de jeugdige en zijn ouders. Dit kan door het ter inzage verstrekken van een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. Dit is noodzakelijk ten behoeve van het vaststellen van de rechtmatigheid: komt de eventuele inzet van jeugdhulp bij de juiste persoon terecht. Tiende lid Deze bepaling geeft het college de ruimte nadere regels vast te stellen over de inhoud van het onderzoek en de daarbij te volgen werkwijze. Artikel 9. Deskundig oordeel en advies en voorbereiding van de besluitvorming Eerste lid Het college is op grond van artikel, 2.3 eerste lid, van de wet verantwoordelijk voor het waarborgen van een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen jeugdhulpvoorziening. Voor iedere stap in artikel 8 geldt dat het college de deskundigheid inzet die nodig is om de stap goed af te kunnen ronden. Ook kan (medisch) advies worden ingezet om bepaalde medische stukken te laten beoordelen. Als dit noodzakelijk is voor het onderzoek, zal de jeugdige of zijn ouder(
- s)hier aan mee moeten werken, omdat anders niet vastgesteld kan worden hoe een hulpvraag opgelost kan worden. De verschillende stadia van onderzoek vragen op die stadia aangepaste deskundigheid. In artikel 2.1, van het Besluit Jeugdwet is nader uitgewerkt dat het gaat om relevante deskundigheid met betrekking tot: opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen; opvoedingssituaties waardoor jeugdigen mogelijk in hun ontwikkeling worden bedreigd; taal- en leerproblemen; somatische aandoeningen; lichamelijke of verstandelijke beperkingen; en kindermishandeling en huiselijk geweld. Tweede lid Het college moet ervoor zorgen dat die deskundigheid gewaarborgd is en dat deze naar discipline van deskundigheid concreet kenbaar is voor de hulpvrager. De rechtspraak over de wet vereist dat adviseurs beschikken over de voor het uitbrengen van hun adviezen noodzakelijke deskundigheid en dat dit vereiste wordt vastgelegd in de verordening (CRvB 29 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1097, rov. 4.9 (slot)). Daartoe bepaalt artikel 9, tweede lid, van de verordening dat adviezen worden uitgebracht door of onder verantwoordelijkheid van een adviseur die beschikt over een registratie bij Stichting Kwaliteitsregister Jeugd in het kwaliteitsregister jeugd, een registratie bij het Nederlands Instituut van Psychologen in het register Kinder- en Jeugdpsychologen, of een registratie op grond van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in het BIG-register. Daarmee is vastgesteld welke vakbekwaamheid van hen verwacht mag worden en is gezekerd dat de (eindverantwoordelijke) adviseur zich toetsbaar opstelt. Geregistreerden in de betreffende registers vallen namelijk onder het tuchtrecht. Derde lid Het derde lid waarborgt de zorgvuldige voorbereiding van besluiten over de toekenning of afwijzing van jeugdhulp, door te bepalen dat (medewerkers van) de organisatie die de jeugdhulp uitvoert, niet ook adviseert en/of besluit over het al dan niet toekennen van jeugdhulp (vergelijk CRvB 29 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1096, rov. 4.11). Daarnaast blijft het college – in het kader van een zorgvuldige voorbereiding van het besluit – ook altijd verplicht om zich ervan te vergewissen of inzichtelijk is op grond van welke vormen van onderzoek en op basis van welke gegevens de adviseur tot zijn bevindingen is gekomen, of de gegevens actueel en betrouwbaar zijn, of het onderzoek volledig is geweest en met de juiste deskundigheid is uitgevoerd en of de uit het onderzoek getrokken conclusies logisch voortvloeien uit het onderzoek. Artikel 10. Verslag In het kader van het onderzoek naar aanleiding van een hulpvraag, vindt een gesprek plaats. De bevindingen van het onderzoek en hetgeen in het gesprek aan de orde is gekomen, worden vastgelegd in een verslag. De jeugdige en zijn ouders krijgen daarbij de gelegenheid om eventuele opmerkingen of aanvullingen aan het verslag toe te voegen, voordat het college dit verslag gebruikt als basis voor haar besluitvorming. Vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid vergewist het college zich ervan dat de jeugdige en zijn ouders de uitleg over de uitkomsten van het onderzoek, zoals neergelegd in het verslag, hebben begrepen. Artikel 11. Criteria voor toekenning van een individuele voorziening In artikel 2.9, aanhef en onder a, van de wet is onder meer bepaald dat de raad bij verordening regels moet stellen over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige voorzieningen, met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening. Daaraan is onder andere in dit artikel uitvoering gegeven, met de kanttekening dat het bij het verstrekken van een individuele voorziening altijd op maatwerk aankomt. Eerste lid Jeugdhulp is in artikel 1.1, van de wet gedefinieerd. Met deze definitie wordt de taak van de gemeente in algemene zin afgebakend. Niet alle hulp en zorg, bevordering van deelname aan het maatschappelijk verkeer en ondersteuning bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging ten behoeve van een jeugdige valt onder de definitie van jeugdhulp. Om onder jeugdhulp te vallen moet er een psychisch probleem of stoornis, psychosociaal probleem, gedragsprobleem of beperking aan de behoefte ten grondslag liggen. Deze bepaling maakt duidelijk dat de gemeente niet verantwoordelijk is voor het bieden van hulp en ondersteuning op grond van de wet als de noodzaak van die hulp en ondersteuning van de jeugdige past bij het normale ontwikkelingspatroon van die jeugdige, gezien zijn leeftijd. Dit betekent dat er bijvoorbeeld geen individuele voorziening voor het voeden van een baby wordt verstrekt. Om te bepalen welke hulp en ondersteuning niet geboden hoeft te worden, vindt een beoordeling plaats onder andere op basis van de uitgangspunten in artikel 11. Tweede lid Inzet van een individuele voorziening vormt een laatste vangnet. Eerst wordt gekeken naar de mogelijkheid om de noodzaak voor de inzet van jeugdhulp te verminderen of weg te nemen met een andere of overige voorziening. Voorwaarde is wel dat deze voorziening daadwerkelijk beschikbaar is en passend en toereikend is voor de hulpvraag. Een andere of overige voorziening waarvoor bijvoorbeeld een wachtlijst geldt terwijl de hulp aan de jeugdige niet kan wachten, is geen voorziening die aan deze criteria voldoet. Omgekeerd, als de jeugdige wel even kan wachten voordat hij daadwerkelijk van de voorziening gebruik kan maken, dan voldoet de voorziening wel aan deze criteria. Derde lid Als er wel een individuele voorziening nodig is, dan kiest het college de goedkoopst passende voorziening. Dit betreft een individuele beoordeling van de situatie van de jeugdige en het gezin. Vierde en vijfde lid Het vierde en vijfde lid sluiten aan bij de rechtspraak waarin is geoordeeld dat een individuele voorziening waarvan de effectiviteit niet wetenschappelijk is bewezen, door het college geweigerd kan worden indien deze geen toegevoegde waarde heeft ten opzichte van beschikbare voorzieningen (bijv. CRvB 12 september 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2785 en CRvB 26 januari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:254). Het college zal bij de weigering van een individuele voorziening waarvan de effectiviteit niet wetenschappelijk is bewezen, moeten motiveren waarom in die specifieke situatie een andere oplossing passender of eveneens passend is. Bij toepassing van deze bepaling kan het college gebruik maken van de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut (https://www.nji.nl/interventies), de zorgstandaarden van de GGZ Standaarden (https://www.ggzstandaarden.nl/), en de databank voor interventies gericht op jeugdigen met een beperking (databank interventies gehandicaptenzorg). Het college kan in beleid regelen welke vormen van jeugdhulp zij aantoonbaar niet effectief acht. Zesde lid In deze bepaling wordt als uitgangspunt genomen dat de gemeente op basis van de wet louter aan zet is als er sprake is van een hulpvraag als bedoeld in de wet. Als er problemen zijn binnen een gezin, die met name bij de ouders liggen, zonder dat er een hulpvraag is vanuit het kind, is er geen verplichting om jeugdhulp te verstrekken. Hierbij kan worden gedacht aan de situatie waarin ouders zich in een vechtscheiding bevinden en niet bereid zijn het gedrag aan te passen ten behoeve van de jeugdige, of geldproblemen binnen het gezin die direct effect hebben op de jeugdige en waar ouders via een andere weg dan de jeugdhulp een oplossing voor kunnen vinden. In die situatie is jeugdhulp mogelijk minder doelmatig dan een alternatieve optie zoals lotgenotencontact (bij een vechtscheiding) of schuldhulpverlening bij geldproblemen. Deze bepaling dwingt het college om bij problemen in de context van het gezin niet als automatisme jeugdhulp te verstrekken, maar om zich goed af te vragen of er daadwerkelijk sprake is van een hulpvraag en er sprake is van een jeugdhulpplicht. Zevende en achtste lid Uitgangspunt is dat alleen jeugdhulp wordt ingezet nadat onderzoek heeft plaatsgevonden naar de hulpvraag en de noodzaak van een individuele voorziening. Alleen als de problemen zich nog steeds voordoen en achteraf nog te toetsen is of de jeugdhulp passend en noodzakelijk is, kan het college besluiten deze alsnog te vergoeden. Het college vergoedt geen jeugdhulp die meer dan 3 maanden voor de datum van aanvraag, is ingezet. Artikel 12. Beoordeling (boven) gebruikelijke hulp en eigen kracht Artikel 2.3, van de wet legt als uitgangspunt vast dat het college op grond van de wet alleen een voorziening moet treffen als de jeugdige en zijn ouders er op eigen kracht niet uitkomen. De eigen kracht van de jeugdige en zijn ouders staat voorop. Pas als zij zelf – zo nodig met ondersteuning van het sociale netwerk en/of andere hulpverlenende instellingen – niet in staat zijn de noodzakelijke ondersteuning te bieden, moet de gemeente hulp bieden. Dit uitgangspunt wordt in artikel 12 geconcretiseerd. De verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen ligt allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf. Van ouders mag worden verwacht dat zij de nodige aanpassingen doen om de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen te realiseren. Dat kan betekenen dat zij hun eigen loopbaanplannen, de wijze waarop zij hun betaalde arbeid hebben georganiseerd of hun financiële situatie moeten bijstellen om voor het kind beschikbaar te zijn en de noodzakelijke ondersteuning te bieden. Als uit zorgvuldig uitgevoerd onderzoek blijkt dat de noodzakelijke ondersteuning met eigen mogelijkheden en het eigen probleemoplossend vermogen kan worden geboden, hoeft het college geen voorziening te treffen. Ouders behoren de tot hun gezin behorende minderjarige kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht op hen te houden, ook als het kind een ziekte, aandoening of beperking heeft. Ook bovengebruikelijke hulp kan in beginsel van ouders worden verwacht, zo blijkt uit rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep. Deze oordeelde dat de ouder, die haar baan had opgezegd in verband met de zorg voor haar kind, de zorg aankon en verleende en het dus van haar mocht worden verwacht. Er was sprake van voldoende eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (CRvB 17 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2362). In de wetgeving is niet bepaald wat precies onder eigen kracht moet worden verstaan. Het begrip komt op verschillende plekken terug in de parlementaire geschiedenis. Daaruit blijkt dat de kern is dat ouders op de eerste plaats zelf verantwoordelijk zijn voor het gezond en veilig opgroeien van hun kinderen. Hebben zij zelf mogelijkheden om de problemen het hoofd te bieden, dan is een voorziening niet nodig (zie bv. TK 2012-2013, 33684, nr. 3, p. 135 e.v.). Het is aan gemeenten overgelaten om dit begrip verder in te vullen. Conform rechtspraak van de CRvB (CRVB 29-5-2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1095, CRVB 29-5-2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1096 en CRVB 29-5-2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1097) moet dit in de verordening. De gemeenteraad moet in de verordening uitleggen wat eigen kracht is, welke voorwaarden daarbij gelden en wat de afwegingsfactoren zijn om dit vast te stellen. Met artikel 12 geeft het college uitleg over wanneer sprake is van eigen kracht en biedt een duidelijk (afwegings)kader. In dit artikel geeft het college aan wanneer sprake is van eigen kracht, welke voorwaarden ze daaraan stelt en welke afweging gemaakt moet worden om eigen kracht vast te stellen. Elfde lid Het elfde lid bevat een concrete plicht van ouders om hun eigen mogelijkheden eerst te benutten. Op het moment dat ouders een aanvullende verzekering hebben afgesloten op basis waarvan zij (al dan niet gedeeltelijk) recht hebben op zorg (gefinancierd) vanuit de verzekeraar, dan moeten zij daar eerst gebruik van maken. Het gaat hierbij om een al afgesloten verzekering. Het elfde lid verplicht ouders niet tot het afsluiten van een aanvullende verzekering, zodat zij daar vervolgens een beroep op zouden kunnen doen. Artikel 13. Vervoer Vervoer van en naar een locatie waar een jeugdige jeugdhulp krijgt, kan jeugdhulp zijn. Dit volgt uit artikel 2.3 lid 2 Jeugdwet. Jeugdigen die jeugdhulp ontvangen en niet zelfstandig kunnen reizen door een medische noodzaak of gebrek aan zelfredzaamheid kunnen hier gebruik van maken. Het college verstrekt dan een vervoersvoorziening in natura. Ook hier geldt dat geen jeugdhulp ingezet hoeft te worden als jeugdige of zijn ouder(
- s)dit, met ondersteuning van het sociaal netwerk, zelf kunnen regelen. Ook hoeft het college geen vervoersvoorziening in te zetten als er sprake is van beschikbare vergelijkbare jeugdhulp dichterbij, waarvoor geen vervoersvoorziening nodig is. Maar, er kan bij ouders sprake zijn van zodanige beperkingen dat zij niet instaat zijn hun kind de jeugdhulp te laten bezoeken. Het college geeft dan een vervoersvoorziening in natura af. Artikel 14. Vaktherapie Er is een aantal vaktherapieën waarvan het effect (nog) niet wetenschappelijk is aangetoond. De therapieën worden meestal niet door de zorgverzekeraar vergoed. In die situaties geldt het uitgangspunt dat de voorziening in beginsel ook niet vanuit de wet wordt verstrekt. Inzet van vaktherapie is op grond van deze verordening alleen mogelijk als onderdeel van een brede systemische aanpak in het gezin. In uitzonderlijke situaties, wanneer er geen passend alternatief beschikbaar is, kan vaktherapie separaat worden ingezet. Eerste lid Het eerste lid geeft een opsomming van de beschikbare vaktherapeutische disciplines. Tweede tot en met vijfde lid Met het oog op de kwaliteitsborging en artikel 5.1.1, tweede lid, van het Besluit Jeugdwet zijn aan de inzet van vaktherapie een aantal voorwaarden gesteld. Zo moet de vaktherapie worden uitgevoerd door een professional die beschikt over een adequate opleiding. Ook beoordeelt het college of de inzet van vaktherapie een noodzakelijke bijdrage levert aan de geboden jeugdhulp en wint zij daartoe advies in bij de behandelaar of medewerker met het oog op de totale behandeling die wordt geboden. Aanvullend is als voorwaarde gesteld dat de vaktherapeut (die in beginsel niet SKJ-geregistreerd
- is)geregistreerd moet zijn in het Register Vaktherapie. Zesde lid Soms vergoedt een aanvullende zorgverzekering vaktherapie. In dat geval wordt dit als eigen mogelijkheden beschouwd als bedoeld in artikel 2.3 eerste lid van de wet die de ouders eerst moeten aanspreken voordat het college aan zet is (zie ook artikel 12, elfde lid). Het aantal behandelingen vaktherapie dat in de beschikking is opgenomen als vergoed door het college, wordt in dat geval verminderd met het aantal sessies dat door de zorgverzekeraar wordt vergoed. Artikel 15. Weigeringsgronden individuele voorzieningen Als niet voldaan wordt aan de voorwaarden en criteria gesteld in deze verordening wordt de aanvraag om een individuele voorziening geweigerd. Ook als jeugdige en ouders weigeren om de gevraagde medewerking te verlenen kan dit een weigeringsgrond zijn. Voor de duidelijkheid hebben we een aantal weigeringsgronden, buiten die van de Awb, in dit artikel opgenomen. In artikel 19 staan aanvullend nog een aantal weigeringsronden die van toepassing zijn bij het verzoek tot het verstrekken van de individuele voorziening in de vorm van een pgb. Artikel 16. Kinderopvang en buitenschoolse opvang In deze bepaling wordt geëxpliciteerd dat reguliere kinderopvang en buitenschoolse opvang geen jeugdhulp is waarvoor het college verantwoordelijk is. Kinderopvang en buitenschoolse opvang is de verantwoordelijkheid van ouder(s), werkgever en overheid. Het leren omgaan van leidsters van de kinderopvang met kinderen met een beperking is de verantwoordelijkheid van ouder(
- s)en de kinderopvang/buitenschoolse opvang. Kinderen die extra ondersteuning nodig hebben, kunnen ook terecht op een kinderdagverblijf. Dit is geregeld in de Wet op de kinderopvang. Alleen indien er ten gevolge van een hulpvraag aanvullende begeleiding vereist is die niet door pedagogische professionals kan worden geboden en niet van ouders kan worden verwacht, kan jeugdhulp worden ingezet. Dit kan alleen in de situaties waarbij opvang niet het doel is, maar er sprake is van ontwikkelingsdoelstellingen. Artikel 17. Ouders hebben een onderhoudsplicht (artikel 1:392 BW). Zij blijven verantwoordelijk voor de kosten van hun kind, zelfs als het niet meer thuis woont of on