Beleidsregels handhaving mobiele drugsdealers 2026Juridisch kader De handel in verdovende middelen wordt beschouwd als een ernstige verstoring van de openbare orde (zie ECLI:NL:RBDHA:2023:16019), zodat hiervoor een gebiedsverbod kan worden opgelegd. Op basis van artikel 172a, lid 1, aanhef en onder a van de Gemeentewet kan de burgemeester aan een persoon die individueel of in groepsverband de openbare orde ernstig heeft verstoord of bij groepsgewijze ernstige verstoring van de openbare orde een leidende rol heeft gehad, dan wel herhaaldelijk individueel of in groepsverband de openbare orde heeft verstoord of bij groepsgewijze verstoring van de openbare orde een leidende rol heeft gehad, bij ernstige vrees voor verdere verstoring van de openbare orde een bevel geven zich niet te bevinden in of in de omgeving van een of meer bepaalde objecten binnen de gemeente, dan wel in een of meer bepaalde delen van de gemeente. Op grond van artikel 2:74 van de Algemene Plaatselijke Verordening Katwijk (hierna APV) is het onverminderd het bepaalde in de Opiumwet verboden zich op een openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om, al dan niet tegen betaling, middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen. Op basis van artikel 125, lid 3 van de Gemeentewet in samenhang met artikel 5:32, lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna Awb) is de burgemeester bevoegd tot het opleggen van een last onder dwangsom wanneer een overtreding is vastgesteld van artikel 2:74 van de APV. Door vaststelling van beleidsregels kan op een actieve, structurele en transparante wijze invulling worden gegeven aan deze bevoegdheden. Artikel 4:81 van de Awb bepaalt dat een bestuursorgaan beleidsregels kan vaststellen met betrekking tot een hem toekomende of onder zijn verantwoordelijkheid uitgeoefende, dan wel door hem gedelegeerde bevoegdheid. Gelet hierop zijn de volgende “Beleidsregels handhaving mobiele drugsdealers 2026” vastgesteld. Artikel1Gebiedsverbod 1.Als aannemelijk is dat een persoon drugs heeft gedeald c.q. bezorgd in de gemeente, dan wordt aangenomen dat de openbare orde ernstig is verstoord. Aan deze persoon wordt dan een gebiedsverbod opgelegd voor een periode van 3 maanden. 2.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor personen die feitelijk in Katwijk woonachtig zijn, tenzij vaststaat dat het dealen c.q. bezorgen in een zeer beperkt gebied heeft plaatsgevonden. Artikel2Last onder dwangsom 1.Als aannemelijk is dat een persoon drugs heeft gedeald c.q. bezorgd in de gemeente, dan wordt aangenomen dat artikel 2:74 van de APV is overtreden. Aan deze persoon wordt dan een last onder dwangsom opgelegd waarbij de hoogte van de dwangsom is bepaald op € 5.000,- per geconstateerde overtreding, met een maximum van € 20.000,-. 2.De last wordt opgelegd voor onbepaalde tijd. Artikel3Begunstigingstermijn De inwerkingtreding van een gebiedsverbod en de begunstigingstermijn van een last onder dwangsom bedragen 24 uur nadat het besluit is toegestuurd. Artikel4Bekendmaking van de besluiten 1.Een gebiedsverbod wordt aan de overtreder toegezonden. Daarnaast wordt deze door de politie op de persoon uitgereikt. 2.Een last onder dwangsom wordt aan de overtreder toegezonden. Artikel5Inherente afwijkingsbevoegdheid Conform artikel 4:84 van de Awb handelt de burgemeester overeenkomstig deze beleidsregels, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen. Artikel6Inwerkingtreding Deze beleidsregels treden in werking op de dag na die van bekendmaking. Artikel7Citeertitel Deze beleidsregels kunnen worden aangehaald als “Beleidsregels handhaving mobiele drugsdealers 2026”. Aldus besloten door de burgemeester van de gemeente Katwijk op 4 maart 2026De burgemeester van de gemeente Katwijk,P.N. Middelkoop.Toelichting Veiligheidsagenda Katwijk 2024-2027 Binnen de gemeente Katwijk is het middelengebruik toegenomen, met name bij jongeren, zo blijkt uit cijfers van de GGD. Drugsgebruik zorgt onder andere voor norm overschrijdend gedrag in en rond bijvoorbeeld de horeca, tijdens evenementen en voetbalwedstrijden. Het gebruik van drugs werkt ook criminaliteit in de hand zoals woninginbraken en straatroven. De gebruiker heeft geld nodig om de drugs te kunnen kopen. Verschillende drugs gerelateerde incidenten in 2023 maakten zichtbaar dat de aanpak van middelengebruik nodig is om de drugscriminaliteit aan te pakken. Middelengebruik is een voedingsbodem voor georganiseerde en ondermijnende criminaliteit. Jonge aanwas en middelengebruik hebben de meeste impact op de veiligheid en het veiligheidsgevoel in Katwijk. Daarom is in de Veiligheidsagenda Katwijk 2024-2027 onder andere vastgelegd dat er wordt opgetreden tegen drugshandel en de productie van drugs. Het gaat hierbij om het sluiten van woningen en het opleggen van een gebiedsverbod en/of een last onder dwangsom. Lange tijd werden drugs vooral verkocht vanuit woningen. Nadat er tussen 2011 en 2024 ruim 70 drugspanden werden gesloten, bestaat thans de indruk dat de handel in drugs zich hierdoor meer naar de straat heeft verplaatst. Verstoring openbare orde De handel in drugs op straat kan overlast veroorzaken en de openbare orde verstoren. Onder handel moet ook worden verstaan het thuis afleveren van drugs. Bij buurtbewoners kan dit voor een gevoel van onveiligheid zorgen. Het voorkomen en bestrijden van de ondermijnende en ontwrichtende effecten van drugshandel is van zeer groot belang. In de Opiumwet wordt geen aandacht besteed aan overlast als gevolg van drugshandel op straat. Wel bevat artikel 172a van de Gemeentewet een mogelijkheid een gebiedsverbod op te leggen aan een persoon die de openbare orde verstoort. Daarnaast bevat artikel 2:74 van de APV het verbod om zich op een openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in de Opiumwet af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen. Door oplegging van een last onder dwangsom wordt overtreding van dit laatste artikel bestreden. Gebiedsverbod Een gebiedsverbod wordt opgelegd om de openbare orde te waarborgen en herhaling van verstoringen te voorkomen. Het is een middel om de veiligheid te beschermen en is gebaseerd op ernstige of herhaaldelijke ordeverstoringen, waarbij een ernstige vrees bestaat voor verdere verstoringen. Het doel is om verstoorders te weren uit een specifiek gebied, waardoor hun gedrag de openbare orde daar niet langer kan verstoren. Een gebiedsverbod geldt in beginsel voor de duur van drie maanden, met de mogelijkheid om dit drie keer te verlengen, telkens met een periode van drie maanden. Het overtreden van een gebiedsverbod is strafbaar gesteld in artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht. Handhaving van een gebiedsverbod geschiedt strafrechtelijk. Last onder dwangsom Een last onder dwangsom is naar nationaal recht geclassificeerd als een herstelsanctie. Het doel van de last onder dwangsom is het voorkomen van een herhaling van de overtreding van artikel 2:74 van de APV. Dit artikel beoogt te voorkomen dat de openbare orde (opnieuw) wordt verstoord. De last onder dwangsom is niet strafrechtelijk van aard. Als een overtreder niet opnieuw een overtreding begaat, verbeurt hij geen dwangsom. De zwaarte van de last is in die zin beperkt. De dwangsom is ook niet zodanig hoog dat dit zou maken dat de last als een “criminal charge” moet worden aangemerkt. Als een bestuurlijke sanctie als een criminal charge wordt aangemerkt, dan wordt deze beschouwd als strafvervolging in de zin van artikel 6 van het EVRM. In artikel 5:32b, derde lid van de Awb is bepaald dat de vast te stellen dwangsom in redelijke verhouding moet staan tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom. Hoogte van de last onder dwangsom Thans wordt in een last de hoogte van de dwangsom bepaald op een bedrag van € 1.000,- per geconstateerde overtreding, met een maximum van € 5.000,-. In den lande worden voor dezelfde overtredingen veelal hogere dwangsommen opgelegd, waarbij een bedrag van € 5.000,- per geconstateerde overtreding met een maximum van € 20.000,- vaak wordt gehanteerd. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna ABRS) acht deze bedragen in een redelijke verhouding staan tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsom (zie de uitspraak van 30 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1963). Daarom zal vanaf het moment van inwerkingtreding van dit nieuwe beleid de hoogte van de dwangsom worden bepaald op € 5.000,- per geconstateerde overtreding met een maximum van € 20.000,--. Wanneer het maximale dwangsombedrag is verbeurd, kan de burgemeester een nieuwe, hogere last onder dwangsom opleggen. Een last onder dwangsom wordt in beginsel opgelegd voor onbepaalde tijd, met dien verstande dat de burgemeester op verzoek van de overtreder de last kan opheffen als het dwangsombesluit een jaar van kracht is geweest zonder dat de dwangsom is verbeurd. Beleidsregels ex artikel 172a Gemeentewet ter handhaving van de openbare orde door bestrijding van drugshandel op de openbare weg Op 11 april 2013 heeft de burgemeester de “Beleidsregels ex artikel 172a Gemeentewet ter handhaving van de openbare orde door bestrijding van drugshandel op de openbare weg” vastgesteld. De directe aanleiding tot vaststelling van dit beleid werd gevormd door de inwerkingtreding per 1 september 2010 van artikel 172a van de Gemeentewet, waardoor de mogelijkheid was gecreëerd om een gebiedsverbod op te leggen aan verstoorders van de openbare orde. De handel in drugs wordt als een verstoring van de openbare orde beschouwd. Ook was er uiteraard in algemene zin een wens om op te treden tegen drugsdealers. Vanaf het moment van inwerkingtreding van deze beleidsregels tot 1 november 2025 is ter uitvoering van dit beleid aan 65 personen voor een periode van 3 maanden een gebiedsverbod opgelegd, vanwege de handel in verdovende middelen. In geen van de gevallen was er aanleiding het gebiedsverbod te verlengen omdat de overtreders in deze 3 maanden niet opnieuw werden betrapt op het dealen van drugs in de gemeente. Daarnaast kregen 24 personen in dit verband een schriftelijke waarschuwing. Volstaan wordt met een waarschuwing in de gevallen dat het dealen van drugs niet concreet is vastgesteld, maar er wel (heel) sterke aanwijzingen zijn dat een persoon zich hieraan schuldig heeft gemaakt. In dezelfde periode is aan 95 personen op grond van artikel 125, lid 3 van de Gemeentewet in samenhang met artikel 5:32, lid 1 van de Awb een last onder dwangsom opgelegd vanwege overtreding van artikel 2:74 van de APV. In deze periode kregen 34 personen onder verwijzing naar artikel 2:74 van de APV een schriftelijke waarschuwing. Op dit moment gelden er in Katwijk nog geen beleidsregels die betrekking hebben op de toepassing van artikel 2:74 van de APV. Wel is er sprake van een bestendige gedragslijn, wat ook mag blijken uit het grote aantal dealers van verdovende middelen aan wie een last onder dwangsom werd opgelegd. Het onderhavige beleid heeft onder andere ten doel deze bestendige gedragslijn te verankeren. Veelal worden een gebiedsverbod en een last onder dwangsom in combinatie met elkaar opgelegd. Een verschil tussen deze besluiten is dat een gebiedsverbod in beginsel geldt voor een periode van 3 maanden, met een mogelijkheid om dit nog drie keer te verlengen met een periode van telkens 3 maanden, en een last onder dwangsom voor onbepaalde tijd wordt opgelegd. Op verzoek van de overtreder kan de burgemeester de last onder dwangsom opheffen als het dwangsombesluit een jaar van kracht is geweest zonder dat de dwangsom is verbeurd (artikel 5:34, lid 2 van de Awb). Om die reden hoeft er in een last onder dwangsom geen einddatum te worden opgenomen. Zie de uitspraak op 9 februari 2022 van de ABRS, ECL:NL:RVS:2022:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.