Verordening fysieke leefomgeving Baarn, eerste wijziging Intitulé Verordening fysieke leefomgeving Baarn, eerste wijziging De raad van de gemeente Baarn gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 13 januari 2026 behandeld in het debat in de raad d.d. 11 februari 2026 gelet op artikel 147 en 149 van de Gemeentewet besluit: De Verordening fysieke leefomgeving Baarn, eerste wijziging vast te stellen. HOOFDSTUK I: ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1:1 Begripsbepalingen Bijlage 1 van deze verordening bevat begripsbepalingen voor de toepassing van deze verordening en de daarop berustende bepalingen. Begripsbepalingen die zijn opgenomen in aanwijzingsbesluiten, beleidsregels of andere op deze verordening gebaseerde regelingen, kunnen aanvullend van toepassing zijn, mits zij niet in strijd zijn met de begripsbepalingen van deze verordening en de reikwijdte daarvan niet beperken. In geval van strijdigheid prevaleren de begripsbepalingen van deze verordening. Artikel 1:2 Werkingsgebied Deze verordening is van toepassing op het grondgebied van de gemeente Baarn. Artikel 1:3 Beslistermijnrtikel Het bevoegd gezag beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing, anders dan een omgevingsvergunning, binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. Het bevoegd gezag kan de beslistermijn voor ten hoogste acht weken verlengen, tenzij het de beslistermijn bij een aanvraag omgevingsvergunning betreft. Op een aanvraag om een vergunning of ontheffing, die als omgevingsvergunning moet worden aangevraagd, zijn de procedurele bepalingen van de Omgevingswet van toepassing. Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen Aan een vergunning of ontheffing, anders dan een omgevingsvergunning, kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. Degene aan wie een vergunning of ontheffing, anders dan een omgevingsvergunning, is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. Op een omgevingsvergunning zijn de bepalingen van de Omgevingswet van overeenkomstige toepassing. Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing Een vergunning of ontheffing op grond van deze verordening geldt voor de vergunninghouder en/of degene die de vergunde activiteit verricht. Indien de vergunning of ontheffing voor een ander gaat gelden dan de in het eerste lid bedoelde persoon of personen, wordt het bevoegd gezag daarover onverwijld geïnformeerd, met uitzondering van vergunningen die als omgevingsvergunning zijn verleend. In afwijking van het eerste en tweede lid is op een vergunning of ontheffing die als omgevingsvergunning wordt verleend artikel 5.37 (normadressaat omgevingsvergunning en aanwijzing vergunninghouder) van de Omgevingswet van toepassing. Artikel 1:6 Intrekken of wijziging van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing, anders dan een omgevingsvergunning, kan worden ingetrokken of gewijzigd als: ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of de vergunninghouder dit verzoekt. Op het intrekken of wijzigen van een omgevingsvergunning zijn de bepalingen van de Omgevingswet van overeenkomstige toepassing. Artikel 1:7 Termijnen De vergunning of ontheffing, anders dan een omgevingsvergunning, geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. De aard van de vergunning verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd indien het aantal vergunningen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen overtreft. Op een vergunning of ontheffing die als omgevingsvergunning wordt verleend, zijn de bepalingen van de Omgevingswet van overeenkomstige toepassing. Artikel 1:8 Weigeringsgronden Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van: de openbare orde; de openbare veiligheid; de volksgezondheid; de bescherming van het milieu. Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is. Op een omgevingsvergunning zijn de bepalingen van de Omgevingswet van overeenkomstige toepassing. HOOFDSTUK II: BRUIKBAARHEID, UITERLIJK AANZIEN EN VEILIG GEBRUIK VAN OPENBARE PLAATSEN Artikel 2:1 Voorwerpen op of aan openbare plaatsen; algemene regel met ontheffingsmogelijkheid Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als dat gebruik: a. schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de weg; of b. niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. Van een belemmering voor de bruikbaarheid van de weg is in ieder geval sprake wanneer niet ten minste een vrije doorgang wordt gelaten van 3,5 strekkende meter op de rijbaan ten behoeve van hulpdiensten, 2 strekkende meter op fietspaden en 1,2 strekkende meter wordt gelaten op voetpaden. Het bevoegd gezag kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen voor uitstallingen, reclameborden en spandoeken. Het bevoegde gezag kan ontheffing verlenen van het verbod. De ontheffing wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag voor zover dit een activiteit betreft als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet. In afwijking van het vierde lid is geen ontheffing nodig: a. voor de bij uitvoeringsbesluit van het college aangewezen voorwerpen, onder de voorwaarden dat deze voorwerpen maximaal 6 maanden worden geplaatst en minimaal 4 weken voor de plaatsing melding is gedaan middels een door het college vastgesteld meldingsformulier en aan alle gestelde voorwaarden voor plaatsing van objecten wordt voldaan, en; b. indien op basis van de ‘Baarnse richtlijn voor tijdelijke verkeersmaatregelen’ toestemming is verleend door de wegbeheerder, ook de daarbij gestelde voorwaarden worden nageleefd. Het verbod is niet van toepassing op: a. evenementen als bedoeld in artikel 2:24 APV; b. standplaatsen als bedoeld in artikel 1:1 van deze verordening; c. terrassen binnen openbare inrichtingen als bedoeld in artikel 2:27 van APV; d. door het bevoegd gezag aan te wijzen categorieën van voorwerpen voor zover voldaan wordt aan de door het bevoegd gezag vastgestelde nadere regels; e. uitstallingen van goederen of voorwerpen behorende bij winkels op door het bevoegd gezag aangewezen gedeelten van de weg, mits wordt voldaan aan de door het bevoegd gezag vastgestelde nadere regels; f. kabels of snoeren ten behoeve van het opladen van elektrische voertuigen, uitsluitend voor zover deze zijn geplaatst in door de gemeente aangelegde kabelgoottegels. Het bevoegd gezag kan nadere regels vaststellen over de aanleg en ingebruikname van de kabelgoottegels; en g. overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend. Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingswet, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, of de omgevingsverordening. Artikel 2:2 Omgevingsvergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. De vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, als de activiteiten zijn verboden bij artikel 5.1 van de Omgevingswet. Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht. Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wegenwet, de Omgevingswet, de omgevingsverordening, Waterschapsverordening waterschap Vallei en Veluwe, de Telecommunicatiewet of hoofdstuk 7 van deze verordening. Artikel 2:3 Omgevingsvergunning voor het maken of veranderen van een uitweg 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. 2. Het bevoegd gezag kan nadere regels vaststellen waarin onder andere nadere beoordelingscriteria worden vastgelegd. 3. Onverminderd artikel 1:8 lid 1 van deze verordening kan een vergunning als bedoeld in het eerste lid van dit artikel worden geweigerd: a. ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg; b. als de uitweg naar het oordeel van het bevoegd gezag zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; c. als door de uitweg naar het oordeel van het bevoegd gezag het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast, of d. als er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten en de noodzaak van een tweede uitweg onvoldoende is gemotiveerd naar oordeel van het bevoegd gezag. 4. Het bevoegd gezag kan het maken of veranderen van de uitweg verbieden indien: a. het gebruik van de uitweg tot doel heeft dat zal of kan worden geparkeerd op gronden voor de voorgevel van een hoofdgebouw, dit geldt niet voor naast en in het verlengde van de voorgevel; b. de afmeting van de parkeerplaats niet zal of kan voldoen aan de minimale afmetingen van 2,5 meter breedte en 5 meter diepte volgens de richtlijnen van de CROW; c. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente dat vereist. 5. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingswet, de Waterschapsverordening waterschap Vallei en Veluwe of de omgevingsverordening. Artikel 2:4 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat. Artikel 2:5 Openen straatkolken en dergelijke Het is voor degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken. Artikel 2:6 Kelderingangen en dergelijke Kelderingangen en andere lager dan de aangrenzende weg gelegen betreedbare delen van een bouwwerk mogen geen gevaar voor de veiligheid van de weggebruikers opleveren. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 427, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht. Artikel 2:7 Rookverbod in bossen en natuurterreinen Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan: a. te roken gedurende een door het bevoegd gezag aangewezen periode; b. voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen ofte laten liggen. De verboden uit het eerste lid zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht. Het verbod in het eerste lid, onder a, is voorts niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven. Artikel 2:8 Voorzieningen voor verkeer en verlichting De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet of de Omgevingswet. Artikel 2:9 Objecten onder hoogspanningslijn Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen voorwerpen, opgaand houtgewas of andere objecten, die niet zijn aan te merken als bouwwerken, hoger dan twee meter te plaatsen of te hebben. Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het verbod als de elektrische spanning van de bovengrondse hoogspanningslijn dat toelaat. Het verbod is niet van toepassing op objecten die deel uitmaken van de hoogspanningslijn. Artikel 2:10 Veiligheid op het ijs Het is verboden: a. voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen; b. bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de onder a. bedoelde ijsvlakten te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de omgevingsverordening. Artikel 2:11 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame Het is verboden op of aan een onroerende zaak of roerende zaak, niet zijnde voertuigen als bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994, handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving. Het verbod is niet van toepassing indien een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 2:12 van deze verordening, is verleend en het gevaar en de hinder zijn betrokken bij de afweging. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 2:12 Omgevingsvergunning voor (handels)reclame-uiting Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag op, aan of in een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding, in welke vorm dan ook, die zichtbaar is vanaf een voor het publiek toegankelijke plaats. Het verbod geldt niet voor onverlichte: a. opschriften, aankondigingen of afbeeldingen in het inwendig gedeelte van een onroerende zaak, die niet kennelijk gericht zijn op zichtbaarheid vanaf de weg; b. opschriften, aankondigingen of afbeeldingen op of aan onroerende zaken, daartoe aangewezen door de overheid; c. opschriften, aankondigingen of afbeeldingen kleiner dan 0,50 m2 en de langste zijde korter dan 1 meter die betrekking hebben op: - een openbare verkoping of een aanbieding ter verkoop, verhuur of verpachting van een onroerende zaak, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis hebben; - het beroep, de dienst of het bedrijf dat in of op de onroerende zaak wordt uitgeoefend of waarvoor die zaak is bestemd; d. opschriften die betrekking hebben op de naam of aard van in uitvoering zijnde bouwwerken of op de namen van degenen die bij het ontwerp of de uitvoering van het bouwwerk betrokken zijn, mits deze opschriften zijn aangebracht op borden bij of op de in uitvoering zijnde bouwwerken zelf, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis hebben; e. opschriften, aankondigingen of afbeeldingen op of aan onroerende zaken dienstbaar aan het openbaar vervoer, indien deze zijn aangebracht ten dienste van dat vervoer. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan een vergunning als bedoeld in het eerste lid worden geweigerd: a. indien de handelsreclame, op zichzelf of in verband met de omgeving niet voldoet aan de regels in het omgevingsplan over het uiterlijk van bouwwerken als bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet; b. in het belang van de verkeersveiligheid; c. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak, tenzij in dit onderwerp wordt voorzien door de bepalingen bij of krachtens de Omgevingswet. Het bevoegd gezag kan ten aanzien van het bepaalde in het eerste lid nadere regels stellen. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de omgevingsverordening of de Omgevingswet. Artikel 2:13 Bewegwijzering Het is verboden op of aan een de openbare plaats een verwijzingsbord naar openbare instellingen, hotels, pensions, restaurants, campings en overige bedrijven of instellingen te plaatsen of te doen plaatsen waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving. Het verbod is niet van toepassing indien een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 2:12 van deze verordening, is verleend en het gevaar en de hinder zijn betrokken bij de afweging. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Besluit activiteiten leefomgeving. HOOFDSTUK III: VOORKOMEN OF BEPERKEN VAN GELUIDHINDER Artikel 3:1 Aanwijzing collectieve festiviteiten De geluidswaarden als bedoeld in artikel 22.63, eerste en derde lid, van het omgevingsplan en artikel 3:3 van deze verordening zijn niet van toepassing op door het bevoegd gezag per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 22.239, eerste lid, van het omgevingsplan, zijn niet van toepassing op door het bevoegd gezag per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid, kan het bevoegd gezag bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een of meer gedeelten van de gemeente. Het bevoegd gezag maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een nieuwkalenderjaar bekend. Als een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, kan het bevoegd gezag een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen. Bij de aangewezen collectieve festiviteiten mag (tussen 07:00 – 24:00 uur) het Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT, met een middelingstijd van 1 minuut gemeten in de meterstand Fast veroorzaakt door een bedrijf/evenement organisatie, op de gevel(
- s)van geluidgevoelige gebouwen of op 50 meter afstand van de erfgrens van de muziekinstallatie, indien er geen woning binnen genoemde afstand aanwezig is, 80 dB(A) en 93 dB(C) zijn. Bij de beoordeling van muziekgeluiden wordt er geen straffactor (10 dB(A)) voor muziekgeluid en geen bedrijfsduurcorrectie toegepast. Stemgeluiden worden conform de milieuregelgeving buiten beschouwing gehouden. Op de dagen, als bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de geluidswaarden, bedoeld in artikel 22.63, eerste en derde lid, van het omgevingsplan, uiterlijk om 24.00 uur beëindigd. Artikel 3:2 Kennisgeving incidentele festiviteiten Het is een bedrijf toegestaan: op maximaal drie dagen of dagdelen per kalenderjaar incidentele festiviteiten te houden waarbij de geluidswaarden als bedoeld in artikel 22.63, eerste en derde lid, van het omgevingsplan en artikel 3:3 van deze verordening niet van toepassing zijn, mits de beheerder of eigenaar van het bedrijf ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het bevoegd gezag; in afwijking van het bepaalde onder a, op maximaal 12 dagen of dagdelen per kalenderhaar incidentele festiviteiten te houden, waarbij de geluidswaarden als bedoeld in artikel 22.63, eerste en derde lid, van het omgevingsplan en artikel 3:3 van deze verordening niet van toepassing zijn, mits: de beheerder of eigenaar van het bedrijf ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het bevoegd gezag en; het gaat om bedrijven die geheel of gedeeltelijk gelegen zijn in een strook van 400 meter aan de westzijde van de Amsterdamsestraatweg. Het is een bedrijf toegestaan om tijdens maximaal drie dagen of dagdelen per kalenderjaar in verband met de viering van incidentele festiviteiten de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 22.239, eerste lid, van het omgevingsplan niet van toepassing is, mits beheerder of eigenaar van het bedrijf ten minste tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag stelt een formulier vast voor het doen van de melding. De melding is gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld. De melding wordt geacht te zijn gedaan wanneer het bevoegd gezag op verzoek van de beheerder of eigenaar van een bedrijf een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat. Bij een incidentele festiviteit zijn de geluidswaarden, met de daarbij behorende bedrijfstijden voor het gebruik van elektronische verstrekte muziek in een bedrijfsgebouw of op het buitenterrein van een bedrijf, in tabel 1 en tabel 2 weergegeven. Tabel 1. Geluidswaarden bij geluidgevoelige gebouwen, bij incidentele festiviteiten gehouden binnen in het bedrijfsgebouw. Geluidswaarden Van 07.00 tot 23.00 uur voor alle dagen, in het weekend (vrijdag /zaterdag) toegestaan tot 01.00 uur Geluidswaarden 23.00 uur tot 7.00 uur voor alle dagen en op vrijdag & zaterdagnacht na 01.00 uur LAr,LT *1 LCeq *2 LAr,LT *1 LCeq *2 Op de gevel geluidgevoelige bestemming 70 dB(A) 83 dB(C) 40 dB(A) 53 dB(C) in- aanpandig geluidgevoelige bestemming 55 dB(A) 68 dB(C) 25 dB(A) 38 dB(C) Tabel 2. Geluidswaarden voor geluidgevoelige gebouwen, bij incidentele festiviteiten gehouden in de openlucht op het buitenterrein van een bedrijfslocatie. Geluidswaarden Van 07.00 tot 23.00 uur! Geluidswaarden 23.00 uur tot 7.00 uur (de hieronder genoemde geluidswaarden zijn gelijk aan die van de reguliere geluidswaarden, hetgeen inhoudt dat er na 23:00 uur geen muzikale activiteiten buiten zijn toegestaan). LAr,LT *1 LCeq *2 LAr,LT *1 LCeq *2 Op de gevel geluidgevoelige bestemming 70 dB(A) 83 dB(C) 40 dB(A) 53 dB(C) *1 Het toelaatbare geluidniveau LAr,LT op de gevel(
- s)van de dichtstbijzijnde en relevante woning(
- en)of op 50 meter afstand van de erfgrens van een bedrijf indien er geen woning binnen genoemde afstand aanwezig is, veroorzaakt door muziekgeluiden door een festiviteit vanuit het bedrijf. *2 Het toelaatbare geluidniveau LCeq (bastonen) op de gevel(
- s)van de dichtstbijzijnde en relevante woning(
- en)of op 50 meter afstand van de erfgrens van een bedrijf indien er geen woning binnen genoemde afstand aanwezig is, veroorzaakt door muziekgeluiden door een festiviteit vanuit het bedrijf. a. het LAr,LT en LCeq wordt met een middelingstijd van één minuut gemeten in de meterstand Fast. b. de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige geluidgevoelige gebouwen gelden niet als de gebruiker van deze geluidgevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen; c. de in de tabel aangegeven geluidswaarden op de gevel ook gelden op de grens van geluidgevoelige terreinen Bij de beoordeling van muziekgeluiden bedoeld in het zesde lid wordt er geen straffactor (10 dB(A)) voor muziekgeluid en geen bedrijfsduurcorrectie toegepast. Stemgeluiden worden conform de milieuregelgeving buiten beschouwing gehouden. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid in een gebouw blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen. Met uitzondering van bedrijven buiten de bebouwde kom mogen in de buitenruimte van een bedrijf tijdens incidentele festiviteiten muzikale activiteiten worden gehouden, mits: de dichtstbijzijnde woningen ten opzichte van de erfgrens van het bedrijf, of de opstelling van de muziekbron op het terrein van het bedrijf, op minimaal 50 meter afstand liggen; en de incidentele festiviteit plaatsvindt in de dag- en/of avondperiode (tussen 7.00 en 23.00 uur). Artikel 3:3 Onversterkte muziek Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek gelden de geluidswaarden onder artikel 22.63, eerste en derde lid, van het omgevingsplan, zie tabel 3: a. de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige geluidgevoelige gebouwen niet gelden als de gebruiker van deze geluidgevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen; b. de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij geluidgevoelige terreinen op de grens van het terrein; c. de waarden in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten en verblijfsruimten; d. bij het bepalen van de geluidsniveaus als vermeld in de tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast. Tabel 3. Geluidswaarden voor geluidgevoelige gebouwen, bij het gebruik van onversterkte muziek in en buiten een gebouw. Locatie Binnen/buiten een gebouw Geluidswaarden van 7:00 tot 19:00 uur Geluidswaarden van 19:00 tot 23:00 uur Geluidswaarden van 23:00 tot 07:00 uur Op de gevel geluidgevoelige bestemming 50 dB(A) 45 dB(A) 40 dB(A) in- aanpandig geluidgevoelige bestemming 35 dB(A) 30 dB(A) 25 dB(A) Voor de duur van twintig uur in de week is onversterkte muziek, vanwege het oefenen door muziekgezelschappen, zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, in een gebouw gedurende de dag- en avondperiode uitgezonderd van de genoemde geluidswaarden in het eerste lid. Voor de duur van twintig uur in de week is onversterkte muziek, vanwege het oefenen doormuziekgezelschappen, zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, in een clubgebouw gedurende de dag- en avondperiode uitgezonderd van de genoemde geluidsniveaus in het eerste lid. Als versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is het omgevingsplan van toepassing. Het eerste lid is niet van toepassing op collectieve en incidentele festiviteiten als bedoeld in artikel 3:1 en 3:2 van deze verordening. Artikel 3:3a Geluidhinder in de openlucht Het is verboden, met uitzondering bij bedrijven, in de openlucht een geluidsapparaat, toestel of machine in werking te hebben op een zodanige wijze dat voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het verbod. Het bevoegd gezag kan terreinen of wateren aanwijzen waar het verbod uit het eerste lid niet van toepassing is op het in werking hebben van bepaalde in de aanwijzing aangewezen categorieën van geluidsapparaten, toestellen of machines, voor zover wordt voldaan aan de door het bevoegd gezag vast te stellen voorschriften ter voorkoming of beperking van geluidhinder. De in het derde lid bedoelde voorschriften kunnen onder meer betrekking hebben op: a. het maximale geluidsniveau; b. de situering van geluidsbronnen; c. de frequentie en tijden van gebruik. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, het Besluit bouwwerken leefomgeving of de omgevingsverordening. Artikel 3:3b Geluidhinder door motorvoertuigen en bromfietsen Het is verboden, met uitzondering van bedrijven (automobiel), zich met een motorvoertuig of een bromfiets zodanig te gedragen, dat daardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder ontstaat. Artikel 3:3c Geluidhinder door vrachtauto’s Het is verboden, met uitzondering van bedrijven, een vrachtauto als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 op zodanige wijze te laden of te lossen dat daardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het verbod. Artikel 3:3d Routering Het is verboden, met uitzondering van bedrijven, met een vrachtauto(‘
- s)als bedoeld in artikel 3:3c, waarvan het ledig gewicht vermeerderd met het laadvermogen meer bedraagt dan 3.500 kilogram of die met inbegrip van de lading een lengte heeft van meer dan zes meter of een hoogte van meer dan twee meter, tussen 23.00 en 07.00 uur op een andere dan door het bevoegd gezag aangewezen weg te rijden. Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het verbod. Artikel 3:4 Overige geluidhinder Het is verboden, met uitzondering van bedrijven, op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het verbod uit het eerste lid. Het bevoegd gezag kan ten aanzien van het bepaalde in het eerste lid nadere regels stellen. Het verbod uit het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, het Besluit Activiteiten Leefomgeving, Besluit kwaliteit leefomgeving, Besluit bouwwerken leefomgeving of de omgevingsverordening. Artikel 3:4a Mosquito Onder een mosquito wordt verstaan een apparaat dat een slechts voor jongeren hoorbare, hinderlijke hoge pieptoon produceert, met als doel groepen jongeren weg te houden van plaatsen waar zij overlast veroorzaken. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde besluiten op een openbare plaats een mosquito aan te brengen bij gebleken ernstige overlast door jongeren op die plaats. De aanwezigheid van een mosquito wordt duidelijk kenbaar gemaakt op de plaats waar deze is aangebracht. Een mosquito is alleen in werking op die tijdstippen dat overlast redelijkerwijs valt te verwachten. Een mosquito wordt aangebracht voor een periode van ten hoogste drie maanden. De burgemeester kan die periode telkens met een periode van ten hoogste een maand verlengen. HOOFDSTUK IV: BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE PARAGRAAF 1: MAATREGELEN TEGEN ONTSIERING EN STANKOVERLAST Artikel 4:1 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke Het is verboden op door het bevoegd gezag in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een bedrijf, in de openlucht of buiten op de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben: a. onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan; b. bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan; c. kampeermiddelen als bedoeld in artikel 1:1 of onderdelen daarvan, voor zover het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; of d. mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen. Het bevoegd gezag kan bij de aanwijzing nadere regels stellen. Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door of krachtens de omgevingsverordening of Waterschapsverordening waterschap Vallei en Veluwe. PARAGRAAF 2: KAMPEREN BUITEN KAMPEERTERREINEN Artikel 4:2 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan is bestemd of mede bestemd. Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende opeen terrein. Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het verbod. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van de bescherming van: a. natuur en landschap; of b. een stadsgezicht. Artikel 4:3 Aanwijzing kampeerplaatsen Artikel 4.2, eerste lid is niet van toepassing op door het bevoegd gezag aangewezen plaatsen. Het bevoegd gezag kan daarbij nadere regels stellen ter bescherming van de belangengenoemd artikel 4.2, vierde lid. Artikel 4:4 Verbod gebruik openbare plaats als slaapplaats Het is verboden een openbare plaats als slaapplaats te gebruiken of op een openbare plaats een voertuig, vaartuig, woonwagen, tent of een andere vorm van beschutting als slaapplaats te gebruiken, daarin te overnachten of daartoe gelegenheid te bieden: a. tussen zonsondergang en zonsopgang op andere plaatsen dan de op grond van artikel 4:3 aangewezen plaatsen; b. in andere gevallen dan onder a voor zover: I. sprake is van overlast of hinder voor de omgeving; II. er gevaar is of dreigt voor de omgeving; of III. het woon- of leefklimaat wordt aangetast. Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het verbod. Het verbod geldt niet: a. voor vaartuigen en woonboten die een ligplaats innemen waar dit op een plaats die bij of krachtens artikel 6:2 is aangewezen; b. voor woonwagens met een woonbestemming; c. op een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan is bestemd of mede bestemd; d. op kampeerplaatsen die op grond van artikel 4:3 van deze verordening zijn aangewezen. PARAGRAAF 3: BESCHERMING VAN FLORA EN FAUNA Artikel 4:5 Bescherming gemeentegroen Het is verboden op een voor het publiek toegankelijke plaats enige schade toe te brengen aan bomen, heesters, planten of bloemen. Artikel 4:6 Beschermde planten: paddenstoelen plukken Het is ter bescherming van natuur en landschap verboden om in alle gemeentelijke bossen, plantsoenen, parken, (natuurlijke) bermen, het Baarns bos en het bosgebied tussen de Zandheuvelweg, Amsterdamsestraatweg, Biltseweg en de gemeentegrens paddenstoelen (fungi) te plukken, te vervoeren of bij zich te hebben. Het in het eerste lid bedoelde verbod geldt niet: als de handelingen worden verricht in het kader van normale onderhoudswerkzaamheden door of in opdracht van het bevoegd gezag of; voor zover de bepalingen van de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing zijn. Artikel 4:7 Beschermde planten: bloemen, planten, hout, mos sprokkelen of meenemen Het is ter bescherming van natuur en landschap verboden om in alle gemeentelijke bossen, plantsoenen, parken, (natuurlijke) bermen, het Baarns bos en het bosgebied tussen de Zandheuvelweg, Amsterdamsestraatweg, Biltseweg en de gemeentegrens daar van nature voorkomende bloemen, planten, hout en mos te plukken, sprokkelen, te vervoeren of bij zich te hebben. Het in het eerste lid bedoelde verbod geldt niet: als de in dit artikel bedoelde handelingen worden verricht in het kader van normale onderhoudswerkzaamheden door of in opdracht van het bevoegd gezag of; voor zover de bepalingen van de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing zijn en; voor zover de persoon beschikt over direct aantoonbare schriftelijke toestemming van de rechthebbende en er geen negatieve gevolgen kunnen ontstaan voor de natuur en het landschap. HOOFDSTUK V: STANDPLAATSEN Artikel 5:1 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag een standplaats in te nemen of te hebben. Het bevoegd gezag weigert de vergunning wegens strijd met het omgevingsplan dan wel als een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is geweigerd. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:7 van deze verordening kan de vergunning worden geweigerd als: a. de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; of b. een kwantitatieve of territoriale beperking als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente noodzakelijk is in verband met een dwingende reden van algemeen belang. Het bevoegd gezag kan nadere regels stellen ten aanzien van de dagen, aantallen en locaties van de standplaatsen. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingswet of de omgevingsverordening. De weigeringsgrond van het derde lid, onder a, is niet van toepassing op bouwwerken. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 5:2 Toestemming rechthebbende Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het bevoegd gezag een standplaats wordt of is ingenomen. HOOFDSTUK VI: OPENBAAR WATER EN WATERSTAATSWERKEN Artikel 6:1 Voorwerpen op, in of boven openbaar water Het is verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, als dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water. Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren een melding aan het bevoegd gezag. De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens van de melder, en een beschrijving van de aard en omvang van het voorwerp. Van de melding wordt kennis gegeven op de in de gemeente gebruikelijke wijze van bekendmaking. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet, de omgevingsverordening, het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet of hoofdstuk 7 van deze verordening. Artikel 6:2 Ligplaats vaartuigen Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op door het bevoegd gezag aangewezen gedeelten van openbaar water. Het bevoegd gezag kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water: a. nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente; b. beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet, de omgevingsverordening. Het bevoegd gezag kan aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente. De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door het bevoegd gezag gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen. HOOFDSTUK VII: ONDERGRONDSE INFRASTRUCTUREN PARAGRAAF 1: INLEIDENDE BEPALING Artikel 7:1 Toepasselijkheid De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op werkzaamheden door of namens de netbeheerder in of op openbare gronden binnen de gemeente Baarn. Het bepaalde in dit hoofdstuk geldt niet indien en voor zover hierin reeds is voorzien in de Telecommunicatiewet. Artikel 7:2 Nadere regels Het bevoegd gezag kan ter uitvoering van het bepaalde in dit hoofdstuk nadere regels vaststellen. Deze nadere regels kunnen in ieder geval betrekking hebben op: a. openbare orde en veiligheid; b. het tijdstip, de plaats en de wijze van uitvoering van werkzaamheden; c. het bevorderen van het medegebruik van voorzieningen; d. ondergrondse ordening, planning en coördinatie van werkzaamheden; e. de te verstrekken gegevens alsmede over de wijze waarop die dienen te worden verstrekt. PARAGRAAF 2: AANVRAGEN EN MELDEN VAN WERKZAAMHEDEN Artikel 7:3 Aanvragen en melden Voor het uitvoeren van de werkzaamheden dient een instemmingsbesluit, als bedoeld in artikel 7:4, bij het bevoegd gezag te worden aangevraagd. De aanvraag tot instemming van voorgenomen werkzaamheden ten behoeve van een openbaar elektronisch communicatienetwerk geldt als melding als bedoeld in artikel 5.4, eerste lid, onderdeel a van de Telecommunicatiewet. In verband met de voorgenomen werkzaamheden kan vooroverleg plaatsvinden met het bevoegd gezag teneinde de aanvraag, als bedoeld in het eerste lid, voor te bereiden. Als de werkzaamheden ook betrekking hebben op openbare gronden van een andere gedoogplichtige dan de gemeente en/of als er tevens een aanvraag voor een vergunning al dan niet bij een ander bestuursorgaan op grond van een andere wet is ingediend, dan stelt de aanvrager het bevoegd gezag hiervan op de hoogte. Werkzaamheden van niet ingrijpende aard dienen drie
(3)werkdagen voorafgaand aan de start van de werkzaamheden gemeld te worden bij het bevoegd gezag. Spoedeisende werkzaamheden dienen voorafgaand aan de start van de werkzaamheden gemeld te worden bij de burgemeester van de gemeente Baarn of bij een daartoe door hem gemachtigd ambtenaar. Als een melding vooraf niet mogelijk is, moet de melding uiterlijk binnen één werkdag na de start van de uitvoering gemotiveerd worden gedaan bij het bevoegd gezag. Artikel 7:4 Instemmingsvereiste Het is verboden werkzaamheden te verrichten zonder of in afwijking van een door het bevoegd gezag genomen instemmingsbesluit. Voor het verrichten van spoedeisende werkzaamheden of werkzaamheden van niet ingrijpende aard is geen instemmingsbesluit, als bedoeld in het eerste lid, noodzakelijk, maar kan worden volstaan met een melding vooraf aan het bevoegd gezag. De gemeenteraad is bevoegd om redenen van veiligheid delen van het grondgebied aan te wijzen waarvoor het voorgaande niet van toepassing is. De werkzaamheden dienen binnen één jaar na de datum waarop het instemmingsbesluit onherroepelijk is geworden te zijn voltooid. Het in het eerste lid opgenomen verbod is niet van toepassing op werkzaamheden van de gemeente. Behoudens in geval van spoedeisende werkzaamheden is bij extreme weersomstandigheden en/of evenementen kan een bevoegd gezag een breekverbod in te stellen. De vaststelling dat er sprake is van extreme weersomstandigheden berust bij het bevoegd gezag. De termijn zoals bedoeld in het derde lid wordt automatisch verlengd met de periode van het breekverbod. Uiterlijk één dag voor beëindiging van het breekverbod, zal het bevoegd gezag de betrokken uitvoerende partij(
- en)hierover informeren. Artikel 7:5 Gegevensverstrekking Voor het aanvragen van een instemmingsbesluit, als bedoeld in artikel 7:3, eerste lid, dient gebruik te worden gemaakt van de daartoe door het bevoegd gezag vastgestelde (digitale) formulieren of registratiesysteem. Bij een aanvraag voor een instemmingsbesluit, als bedoeld in artikel 7:3, eerste lid, dienen in ieder geval de volgende gegevens te worden verstrekt: a. naam-, adres- en woonplaatsgegevens van de netbeheerder; b. als het een aanvraag betreft voor het verrichten van werkzaamheden voor of namens een netbeheerder de naam-, adres- en woonplaatsgegeven van de gemachtigde en een schriftelijke machtiging bij de eerste aanvraag van enig kalenderjaar; c. een opgave van het aantal, de soort, de aard en het beoogde gebruik van de kabels en/of leidingen; d. de vereiste vergunning(en), ontheffing(
- en)of toestemming(
- en)op grond van overige wetgeving, als mede informatie over de afstemming met andere gedoogplichtigen; e. een digitale GBKN tekening (PDF-formaat) met legenda en eenduidige en volledige maatvoering (RD-coördinaten) met daarop aangegeven: I. een opgave van het gewenste tracé; II. een opgave van de tijdelijke en permanente voorzieningen; f. overtuigende gegevens en inzicht van een ter zake deskundige omtrent de uitvoerbaarheid van de voorgenomen werkzaamheden binnen de beschikbare ruimte, waaruit ook blijkt dat de bereikbaarheid van de overige kabels en/of leidingen blijft gewaarborgd; g. de tracélengte en de lengte en breedte van de te graven sleuf, alsmede de aard van de sleufbedekking; h. de voorgenomen datum van aanvang en beëindiging van de werkzaamheden; i. een opgave van het aantal kabels en/of leidingen dat direct in gebruik wordt genomen en het aantal kabels en/of leidingen dat niet direct in gebruik wordt genomen. Voor een melding, als bedoeld in artikel 7:4, tweede lid, dient gebruik te worden gemaakt van de daartoe door het bevoegd gezag vastgestelde (digitale) formulieren of registratiesysteem. De volgende gegevens dienen daarbij in ieder geval te worden verstrekt: a. naam-, adres- en woonplaatsgegevens van de netbeheerder; b. als het een aanvraag betreft voor het verrichten van werkzaamheden voor of namens een netbeheerder de naam-, adres- en woonplaatsgegeven van de gemachtigde en een schriftelijke machtiging bij de eerste aanvraag van enig kalenderjaar; c. de uitvoerende partij, het adres van de graaflocatie(s), inclusief een situatieschets; d. de lengte en breedte van de sleuf of montage gat(en), alsmede de aard van de sleufbedekking die wordt opengebroken; e. de daadwerkelijke startdatum van de werkzaamheden. Artikel 7:6 Voorschriften bij instemmingsbesluit Het bevoegd gezag kan in het instemmingsbesluit voorschriften opnemen in het belang van: a. de openbare orde; b. de veiligheid, waaronder mede verstaan wordt de verkeersveiligheid; c. het voorkomen of beperken van overlast, waaronder mede verstaan wordt het afstemmen met andere werkzaamheden, een goede doorstroming van het verkeer en de bescherming van groenvoorzieningen, bomen en beplantingen en van het uiterlijke aanzien van de omgeving; d. de bereikbaarheid van gronden of gebouwen, waaronder mede verstaan wordt het veilig en doelmatig gebruik, beheer, en onderhoud van openbare gronden en gebouwen en het belang van evenementen; e. de ondergrondse ordening, waaronder mede verstaan wordt het beschermen van reeds in de grondaanwezige werken en eventuele in de grond aanwezige objecten zoals archeologische vondsten. De voorschriften, genoemd in het eerste lid, kunnen slechts betrekking hebben op: a. het tijdstip, de plaats en wijze van uitvoering van werkzaamheden; b. het bevorderen van medegebruik van voorzieningen die door derden of de gemeente Baarn tegenmarktconforme kosten ter beschikking worden gesteld; c. afstemming met betrekking tot overige in de grond aanwezige werken. De belanghebbenden ter plaatse van de uit te voeren werkzaamheden dienen schriftelijk te worden geïnformeerd over aanvang, duur, aard en plaats van de werkzaamheden. Het is verplicht na het einde van de werkzaamheden de grond, eventuele verhardingen en beplanting terug te brengen in de oude staat, tenzij het bevoegd gezag vooraf hebben aangegeven hier (gedeeltelijk) zelf zorg voor te willen dragen. Artikel 7:7 (Mede)gebruik van voorzieningen Op verzoek van het bevoegd gezag wordt bij de werkzaamheden zoveel mogelijk (mede)gebruikgemaakt van bestaande, hetzij door overige netbeheerders dan wel door of in opdracht van het bevoegd gezag aangelegde, voorzieningen indien dit technisch en economisch haalbaar is en medegebruik geen belemmering vormt voor de veiligheid, toegankelijkheid en leveringszekerheid. In het vooroverleg als bedoeld in artikel 7:3, tweede lid, wordt mede bepaald of en, zo ja, langs welke delen van het tracé gebruik kan worden gemaakt van bestaande voorzieningen als bedoeld in het eerste lid. PARAGRAAF 3: OVERIGE BEPALINGEN Artikel 7:8 Het nemen van maatregelen en nadeelcompensatie Het bepaalde in dit artikel geldt niet indien en voor zover hierin reeds is voorzien in (privaatrechtelijke) schriftelijke afspraken tussen partijen. De netbeheerder is verplicht op aanwijzing van het bevoegd gezag over te gaan tot het nemen van maatregelen met betrekking tot zijn netwerk, zoals het verplaatsen van kabels en/of leidingen. Eventuele nadeelcompensatie in verband met het bepaalde in het tweede lid wordt verleend op basis vaneen publiekrechtelijke regeling. Het bevoegd gezag en de netbeheerder zullen bij het nemen van maatregelen als bedoeld in het tweede lid van dit artikel, elkaars schade zoveel mogelijk beperken. Artikel 7:9 Overleg Het bevoegd gezag organiseren periodiek een overleg, waarvoor in elk geval de bij de gemeente Baarn bekende netbeheerders en andere betrokken partijen of belanghebbenden worden uitgenodigd. In dit overleg worden de plannen van de gemeente Baarn en van de diverse netbeheerders en andere betrokken partijen of belanghebbenden besproken en eventueel afgestemd in het kader van de bepalingen van dit hoofdstuk. Artikel 7:10 Niet-openbare kabels en/of leidingen Bij werkzaamheden aan niet-openbare kabels en/of leidingen is het bepaalde in dit hoofdstuk van overeenkomstige toepassing. Het eerste lid van dit artikel in dit hoofdstuk houdt geen gedoogplicht in voor de gemeente Baarn met betrekking tot niet-openbare kabels en/of leidingen. Artikel 7:11 Informatieplicht De netbeheerder stelt het bevoegd gezag onverwijld en schriftelijk in kennis van het in of uitgebruik nemen van een kabel en/of leiding dan wel dat een kabel en/of leiding niet langer ten dienste staat van een netwerk in of op openbare gronden. Het bevoegd gezag kan hiervoor een overzicht van alle (niet) in gebruik zijnde kabels en/of leidingen verlangen. De netbeheerder stelt het bevoegd gezag in kennis van het feit dat het eigendom, de exploitatie of het beheer van de kabel of leiding verandert. Artikel 7:12 Hardheidsclausule Het bevoegd gezag kan op grond van afweging van de te behartigen belangen en met in acht name van de redelijkheid en billijkheid in incidentele en te motiveren gevallen af te wijken van de bepalingen van dit hoofdstuk. Artikel 7:13 Termijnen Een beslissing op een aanvraag voor een instemmingsbesluit wordt genomen uiterlijk acht weken na de dag van ontvangst van de aanvraag. Indien een beschikking niet binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn kan worden gegeven, deelt het bevoegd gezag dit aan de aanvrager mede en noemt daarbij een zo kort mogelijke termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien. Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing. HOOFDSTUK VIII: BOMEN Artikel 8:1 Kapverbod Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag, houtopstanden te vellen of doen vellen. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor: a. een houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantengezondheidswet of krachtens een aanschrijving van het bevoegd gezag; b. het periodiek scheren, knotten of kandelaberen als noodzakelijke beheermaatregel bij vormbomen ter uitvoering van het reguliere onderhoud; c. het verrichten van snoeiwerkzaamheden aan een houtopstand. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor: a. schubconiferen behorend tot de soort: - Chamaecyparis (schijncypres); - xCupressocyparis (leylandcypres); - Platycladus (Japanse levensboom); - Thuja (levensboom); - Thujopsis (Hiba cypres). b. houtopstanden die staan op percelen kleiner dan 200 m2, mits het perceel niet is gelegen in een beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet. c. De stam van de boom, gemeten op 1,30 m hoogte vanaf de grond, heeft een omtrek kleiner dan 78 cm (= kleiner dan 25 cm diameter). d. Wegbeplanting en eenrijige beplanting op of langs landbouwgronden, bestaande uit populieren of wilgen, tenzij deze zijn geknot. De in het derde lid gestelde uitzonderingen gelden niet voor een beschermd stads- of dorpsgezicht. In afwijking van het tweede en derde lid kan het bevoegd gezag bepalen dat voor bij of krachtens deze verordening aangewezen categorieën houtopstanden de daarin genoemde uitzonderingen geheel of gedeeltelijk niet van toepassing zijn. Het bevoegd gezag kan indien een houtopstand direct gevaar oplevert die noodkap noodzakelijk maakt, besluiten dat de omgevingsvergunning voor het vellen direct in werking treedt. Het besluit wordt daarna zo spoedig mogelijk schriftelijk bekend gemaakt. Artikel 8:2 Criteria omgevingsvergunning Het bevoegd gezag kan schriftelijk de omgevingsvergunning om te vellen als bedoeld in artikel 8:1, eerste lid, weigeren, verlenen of onder voorschriften of beperkingen verlenen. De omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand als bedoeld in artikel 8:1 eerste lid, kan worden geweigerd op grond van: a. de natuurwaarde van de houtopstand; b. de landschappelijke waarde van de houtopstand; c. de waarde van de houtopstand voor stads- of dorpsschoon; d. de beeldbepalende waarde van de houtopstand; e. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand. Het bevoegd gezag stelt nadere regels of beleidsregels vast voor: de aanvulling van de in het tweede lid genoemde waarden; en de aanwijzing van categorieën houtopstanden waarvoor een verhoogd beschermingsniveau geldt. Artikel 8:3 Aanvraag De omgevingsvergunning moet schriftelijk en gemotiveerd worden aangevraagd, door of namens dan wel met toestemming van degene, die krachtens zakelijk recht of door degene die krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd is over de houtopstand te beschikken. Het bevoegd gezag kan bepalen dat een compensatieplan en een overzicht van de overige vergunningen, ontheffingen of toestemmingen die nodig zijn voor de realisatie van een project worden overgelegd. In geval van een bouwwerk of technische ingrepen in het terrein binnen de invloedssfeer van de houtopstand kan het bevoegd gezag bepalen dat een Bomeneffect-analyse van alle houtopstand die staat binnen de invloedssfeer van de te vellen houtopstand wordt overgelegd.v Artikel 8:4 Intrekking of wijziging De ontheffing, vergunning of de omgevingsvergunning kan worden ingetrokken of gewijzigd: indien ter verkrijging onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; indien op grond van een verandering van omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is verleend, is vereist; indien de aan de ontheffing, of vergunning verbonden voorschriften en beperkingen niet worden nagekomen; indien de houder dit verzoekt. Artikel 8:5 Beperking geldigheidsduur De omgevingsvergunning tot vellen als bedoeld in dit hoofdstuk kan worden ingetrokken, indien daarvan niet binnen drie jaar na het onherroepelijk worden daarvan gebruik is gemaakt. Het eerste lid is ook van toepassing op een omgevingsvergunning voor het vellen van meer dan één houtopstand, ook als in fasen geveld wordt of één of meerdere houtopstanden al geveld zijn. Artikel 8:6 Bijzondere voorschriften Aan de omgevingsvergunning kan het voorschrift worden verbonden dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door bevoegd gezag te geven aanwijzingen moet worden herplant. In het voorschrift als bedoeld in het eerste lid wordt bepaald binnen welke termijn na de herplant en op welke wijze niet aangeslagen herplant moet worden vervangen. Indien waarden genoemd in artikel 8:2, tweede lid van toepassing zijn, kan aan de omgevingsvergunning tot vellen het voorschrift behoren dat pas tot vellen van de beschermde houtopstand op en bij bouw- en aanlegwerken of andere ruimtelijke herinrichting of reconstructie mag worden overgegaan indien andere ontheffingen, vergunningen, toestemmingen of ruimtelijke ordeningsprocedures onherroepelijk geworden zijn en de feitelijke en financiële voortgang van de werken voldoende gewaarborgd is. Indien niet ter plaatse kan worden herplant, kan aan de omgevingsvergunning het voorschrift worden verbonden dat een geldelijke bijdrage gestort dient te worden in het Bomenfonds. De verplichting als bedoeld in het vierde lid, betreft een geldelijke bijdrage van € 350,00 per gevelde houtopstand voor particuliere eigenaren. De verplichting als bedoeld in het vierde lid, betreft een geldelijke bijdrage tussen € 1000,00 en € 1500,00 per gevelde houtopstand voor niet particuliere eigenaren. Het bevoegd gezag stelt beleid vast, voor vaststelling van de in het vierde lid genoemde verplichting. Degene aan wie de verplichting als bedoeld in het eerste tot het derde lid is opgelegd, alsmede zijn rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen. Bij het verbinden van voorschriften als bedoeld in dit artikel kan het bevoegd gezag onderscheid maken naar categorie houtopstand en beschermingsniveau. Artikel 8:7 Herplant-/instandhoudingsplicht bij illegale velling Indien een houtopstand waarop het verbod tot vellen van toepassing is, zonder vergunning van het bevoegd gezag is geveld, dan wel op andere wijze teniet is gegaan, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde tot de grond waarop zich de houtopstand bevond dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen te herplanten overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn. Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na herplant en op welke wijze niet aangeslagen herplant moet worden vervangen. Indien niet ter plaatse kan worden herplant, kan de verplichting worden opgelegd dat een geldelijke bijdrage dient te worden gestort, in het Bomenfonds. De verplichting als bedoeld in het derde lid, betreft een geldelijke bijdrage van € 350,00 per gevelde houtopstand. Het bevoegd gezag stelt beleid vast, voor oplegging van de in het derde lid genoemde verplichting. Indien een houtopstand waarop het verbod tot vellen van toepassing is in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde tot de grond waarop zich de houtopstand bevindt dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om: a. overeenkomstig de door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen en binnen een door het bevoegd gezag te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen; b. een bomeneffect-analyse op te stellen en aan te bieden aan het bevoegd gezag. Degene aan wie de verplichting als bedoeld in het eerste tot het vierde lid is opgelegd, alsmede zijn rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen. Artikel 8:8 Schadevergoeding [vervallen] Artikel 8:9 Afstand tot de erfgrenslijn De afstand als bedoeld in artikel 5:42 Burgerlijk Wetboek is vastgesteld op 0,5 meter voor bomen en nihil voor heggen en heesters, voor zover het bomen heesters en heggen betreffen die eigendom zijn van de gemeente. Artikel 8:10 Bestrijding van boomziekten Indien zich op een terrein één of meer houtachtigen bevinden die naar het oordeel van het bevoegd gezag gevaar opleveren van verspreiding van een boomziekte of voor vermeerdering van de ziekteverspreiders zoals insecten, is de rechthebbende, indien hij daartoe door het bevoegd gezag is aangeschreven, verplicht binnen de bij aanschrijving vast te stellen termijn: a. de houtachtige te vellen; b. conform richtlijnen van de gemeente de gevelde houtachtige direct zodanig te behandelen dat verspreiding van de boomziekte wordt voorkomen. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag gevelde houtachtige of delen daarvan voor handen of in voorraad te hebben of te vervoeren, indien het een boomsoort betreft die de desbetreffende boomziekte kan verspreiden. Het niet voldoen aan de in het eerste lid bedoelde aanschrijving biedt een basis voor de toepassing van bestuursdwang, waarbij de noodzakelijke werkzaamheden, voor risico en voor rekening van aangeschrevene, door of namens de gemeente kunnen worden verricht. Artikel 8:11 Bescherming publieke houtachtigen Het is verboden om houtachtigen, die eigendom van de gemeente Baarn zijn te beschadigen, te bekladden of te beplakken of daaraan snoeiwerk te verrichten behoudens door ambtenaren of anderen ter uitoefening van de hun opgedragen boomverzorgende taak. Het is verboden om één of meer voorwerpen in of aan een houtachtige als in het eerste lid aan te brengen of anderszins te bevestigen. Het bevoegd gezag kan van het verbod van het tweede lid, ontheffing verlenen. HOOFDSTUK IX: BODEM Artikel 9:1 Bodemonderzoek [vervallen] Artikel 9:2 Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem [vervallen] Artikel 9:3 Voorwaarden omgevingsvergunning [vervallen] Artikel 9:4 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere voorschriften [vervallen] HOOFDSTUK X: ERFGOED PARAGRAAF 1: ERFGOEDREGISTER Artikel 10:1 Gemeentelijk erfgoedregister [vervallen; opgenomen in Erfgoedverordening gemeente Baarn 2026] PARAGRAAF 2: AANWIJZING VAN BESCHERMDE GEMEENTELIJKE CULTUURGOEDEREN EN VERZAMELINGEN Artikel 10:2 Aanwijzing als beschermd gemeentelijke cultuurgoeder of beschermde gemeentelijke verzameling [vervallen; opgenomen in Erfgoed verordening gemeente Baarn 2026] Artikel 10:3 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als beschermd gemeentelijke cultuurgoed of beschermde gemeentelijke verzameling [vervallen; opgenomen in Erfgoedverordening gemeente Baarn 2026] PARAGRAAF 3: AANWIJZING GEMEENTELIJK MONUMENT Artikel 10:4 Aanwijzing als gemeentelijk monument Het bevoegd gezag kan besluiten een monument of archeologisch monument dat van bijzonder belang is voor de gemeente vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde aan te wijzen als gemeentelijk monument. Indien een deel van een onroerende zaak beschermingswaardig is, beperkt de bescherming zich tot dat specifieke deel. In het aanwijzingsbesluit dient dit tot uitdrukking te komen. Dit artikel is niet van toepassing op: a. rijksmonumenten, en b. monumenten en archeologische monumenten die zijn aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet of een omgevingsverordening. Artikel 10:5 Voornemen tot aanwijzing Een voornemen om toepassing te geven aan artikel 10.4 wordt door het bevoegd gezag schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet. Voordat een kerkelijk monument, als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet, wordt aangewezen, voert het bevoegd gezag overleg over het voornemen met de eigenaar. Artikel 10:6 Voorbescherming De bescherming van paragraaf 4 is van overeenkomstige toepassing op het monument of archeologisch monument ten aanzien waarvan een voornemen als bedoeld in artikel 10.5 is bekendgemaakt. De voorbescherming, bedoeld in het eerste lid, vervalt op het moment van inschrijving van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister of op het moment waarop het aanwijzingsbesluit wordt herroepen of door de bestuursrechter wordt vernietigd. Artikel 10:7 Advies gemeentelijke adviescommissie Het bevoegd gezag vraagt over het voornemen om toepassing te geven aan artikel 10:4 advies aan een gemeentelijke commissie ruimtelijke kwaliteit. Artikel 10:8 Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit Op een aanvraag om aanwijzing dient te worden besloten binnen 26 weken na ontvangst van de aanvraag. De aanwijzing bevat in ieder geval de plaatselijke aanduiding van het gemeentelijke monument, de datum van aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een beschrijving van het gemeentelijke monument. Artikel 10:9 Bekendmaking aanwijzingsbesluit aan rechthebbenden en inschrijving De aanwijzing wordt schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet. Zodra een aanwijzing onherroepelijk is geworden wordt deze onverwijld opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister. Artikel 10:10 Wijziging gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing monument Het bevoegd gezag kan ten aanzien van gemeentelijke monumenten ambtshalve wijzigingenaanbrengen in het gemeentelijk erfgoedregister. Als de wijziging ziet op het schrappen uit het register is paragraaf 3 van overeenkomstige toepassing, tenzij het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft, is ingeschreven in het rijksmonumentenregister of een provinciaal erfgoedregister als bedoeld in artikel 3.17, derde lid, van de Erfgoedwet of een omgevingsverordening. Het vervallen van de aanwijzing wordt onverwijld bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister. PARAGRAAF 4: BESCHERMING GEMEENTELIJK MONUMENT Artikel 10:11 Instandhoudingsplicht gemeentelijk monument Het is verboden een gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen, of daaraan onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is. Artikel 10:12 Omgevingsvergunning gemeentelijk monument Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een gemeentelijk monument: a. te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen, of b. te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. de uitvoering van normaal onderhoud, voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur van het monument niet wijzigen, en voor zover de aanleg van een tuin, park of andere aanleg, niet wijzigt, of b. alleen inpandige veranderingen van een onderdeel van het monument dat vanuit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft. Het bevoegd gezag kan in het belang van de monumentenzorg nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden aan een gemeentelijk monument. Deze regels kunnen mede inhouden een vrijstelling van het verbod, bedoeld in het eerste lid, of een plicht tot het melden van handelingen bedoeld in het tweede lid. Artikel 10:13 Intrekken van de omgevingsvergunning [vervallen] Artikel 10:14 Weigeringsgronden De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend als het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Een omgevingsvergunning voor een kerkelijk monument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet wordt niet verleend zonder overeenstemming met de eigenaar. PARAGRAAF 5: RIJKSMONUMENTEN Artikel 10:15 Advies omgevingsvergunning rijksmonumentenactiviteit Het bevoegd gezag zendt onverwijld een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit voor advies aan de gemeentelijke commissie ruimtelijke kwaliteit als bedoeld in artikel 4.22, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingsbesluit. PARAGRAAF 6: AANWIJZING GEMEENTELIJKE STADS- OF DORPSGEZICHTEN Artikel 10:16 Aanwijzing als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht De gemeenteraad kan, op voorstel van het bevoegd gezag, stads- of dorpsgezichten aanwijzen als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht. Het bevoegd gezag zendt het voorstel voor advies aan de gemeentelijke commissie ruimtelijk kwaliteit. De gemeenteraad beslist binnen 26 weken na verzending van het voorstel, bedoeld in het tweede lid. Een aangewezen gemeentelijk stads- of dorpsgezicht wordt onverwijld opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister. De gemeenteraad stelt ter bescherming van een op grond van het eerste lid aangewezen gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht regels vast in het omgevingsplan. Bij het besluit tot aanwijzing van een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht kan hiertoe een termijn worden gesteld. Bij het besluit tot aanwijzing van een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht wordt bepaald of en in hoeverre bestaande regels uit het omgevingsplan als beschermend in de zin van het vorige lid kunnen worden aangemerkt, dan wel of nieuwe beschermde regels kunnen worden vastgesteld. Dit artikel is niet van toepassing op een beschermde stads- of dorpsgezicht dat via instructies de functie-aanduiding rijksbeschermd of provinciaal beschermd stads- of dorpsgezicht heeft, of dat is aangewezen op grond van een omgevingsverordening. Artikel 10.17 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht De gemeenteraad kan, op voorstel van het bevoegd gezag, een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 10:16, eerste lid, wijzigen of intrekken. Artikel 10:16, tweede en derde lid, is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het stads- of dorpsgezicht waarop aanwijzing betrekking heeft, als zodanig is tenietgegaan. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het stads- of dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft, wordt aangewezen als beschermd stads- of dorpsgezicht op grond van een instructie als bedoeld in artikel 2.33, eerste lid, of artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet. Het bevoegd gezag verwerkt de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing direct in het gemeentelijk erfgoedregister. Artikel 10:18 Verbodsbepaling en aanvraag vergunning Het is in een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht verboden om zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te slopen. De omgevingsvergunning kan in ieder geval worden geweigerd als naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd. De artikelen 10:14 is van overeenkomstige toepassing. Het eerste lid is niet van toepassing op het slopen ingevolge een verplichting als bedoeld in de artikel 4.3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet of zoals gesteld in een maatwerkvoorschrift op grond van artikel 3.5 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. PARAGRAAF 7: VANGNET ARCHEOLOGIE Artikel 10:19 Vangnet archeologie Het is verboden de bodem te verstoren in een archeologisch monument of een gebied waar archeologische vondsten worden verwacht als in het daar vigerende bestemmingsplan niet is voldaan aan artikel 3.1.6, vijfde lid, van het Besluit ruimtelijke ordening, tenzij: a. voor de activiteit een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste of tweede lid, van de Wabo is verleend; b. het de verstoring betreft van een archeologisch monument of verwachtingsgebied dat is aangegeven op de provinciale archeologische monumentenkaart of de landelijke indicatieve kaart van archeologische waarden en het verrichten van de activiteiten geen strijd oplevert met door burgemeester en wethouders vastgestelde regels over de toegestane mate van verstoring; c. de activiteit plaatsvindt op basis van een deugdelijke beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening wordt gehouden en onevenredige schade voor archeologische waarden wordt voorkomen, of d. met een vooronderzoek is aangetoond dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn. Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen over het verrichten van archeologisch onderzoek. HOOFDSTUK XI: MARKT Artikel 11:1 Grenzen van de markt Het bevoegd gezag bepaalt ten aanzien van de markt: a. een kaart van de markt. Op de kaart van de markt zijn aangegeven: a. de grenzen van de markt; b. de vaste standplaatsen. Artikel 11:2 Nadere regels Het bevoegd gezag zijn bevoegd nadere regels te stellen betreffende het bepaalde in dit hoofdstuk. Artikel 11:3 Standplaatsvergunning [vervallen; opgenomen in Marktverordening gemeente Baarn 2024] Artikel 11:4 Vereisten [vervallen; opgenomen in Marktverordening gemeente Baarn 2024] Artikel 11:5 Intrekking vaste standplaatsvergunning [vervallen; opgenomen in Marktverordening gemeente Baarn 2024] Artikel 11:6 Intrekking en schorsing vaste standplaatsvergunning [vervallen; opgenomen in Marktverordening gemeente Baarn 2024] Artikel 11:7 Uitsluiting dagplaatshouder of standwerker [vervallen; opgenomen in Marktverordening gemeente Baarn 2024] Artikel 11:8 Onmiddellijke verwijdering [vervallen; opgenomen in Marktverordening gemeente Baarn 2024] HOOFDSTUK XII: AFVOER HEMELWATER EN GRONDWATER Artikel 12:1 Verbod op aankoppelen in geval van nieuwbouw Het is verboden om bij nieuwbouw in een gebied, aangewezen door middel van een besluit van burgemeester en wethouders en vastgelegd in een gebiedsaanwijzing, op een openbaar vuilwaterriool hemelwater aan te koppelen of grondwater aan te koppelen dat vrijkomt bij drainage, oppompen of andere vormen van onttrekkingen. De gebiedsaanwijzing treedt in werking een dag na de bekendmaking ervan. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod bedoeld in het eerste lid, indien van de eigenaar van het bouwwerk, open erf of terrein redelijkerwijs geen andere wijze van afvoer van het hemelwater en grondwater kan worden gevergd, omdat het tot onredelijke hoge kosten voor de perceeleigenaar leidt. Een ontheffing wordt aangevraagd middels een door burgemeester en wethouders vastgesteld formulier. Op de voorbereiding van de gebiedsaanwijzing is afdeling 3.4 van de Awb van toepassing. Artikel 12:2 Plicht tot afkoppelen in geval van bestaande bouw Het is verboden om bij bestaande bouw in een gebied, aangewezen door middel van een besluit van burgemeester en wethouders en vastgelegd in een gebiedsaanwijzing, in een openbaar vuilwaterriool hemelwater te lozen of grondwater te lozen dat vrijkomt bij drainage, oppompen of andere vormen van onttrekkingen. Burgemeester en wethouders kunnen de wijze bepalen waarop het afkoppelen moet plaatsvinden. Dit kan: op initiatief van de gemeente, waarbij het hemelwater van het openbaar vuilwaterriool wordt afgekoppeld op het terrein van de eigenaar op kosten van de gemeente. op initiatief van de gemeente, waarbij de eigenaar van het terrein zelf op eigen kosten het hemelwater van het openbaar vuilwaterriool afkoppelt. De gebiedsaanwijzing treedt in werking een dag na de bekendmaking ervan. Binnen twaalf maanden na de inwerkingtreding van het besluit dient de afkoppeling te zijn gerealiseerd. Burgemeester en wethouders kunnen deze termijn met ten hoogte twaalf maanden verlengen. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van de verplichting tot afkoppelen als bedoeld in het eerste lid, indien van de eigenaar van het bouwwerk, open erf of terrein redelijkerwijs geen andere wijze van afvoer van het hemelwater en grondwater kan worden gevergd, omdat het tot onredelijke hoge kosten voor de perceeleigenaar leidt. Een ontheffing wordt aangevraagd middels een door burgemeester en wethouders vastgesteld formulier. Op de voorbereiding van de gebiedsaanwijzing is afdeling 3.4 van de Awb van toepassing. HOOFDSTUK XIII: SLOTBEPALINGEN Artikel 13:1 Strafbepaling Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde en de daarbij op grond van artikel 1:4 gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. In afwijking van het eerste lid is artikel 1a van de Wet op de economische delicten van toepassing op overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2:1, vijfde juncto eerste lid, 2:2, tweede lid, 2:3, eerste lid en 2:13, eerste lid. In afwijking van het eerste lid wordt overtreding van artikel 8:10, tweede lid en artikel 8:11 eerste en tweede lid gestraft met een hechtenis van ten hoogste twee maanden of een geldboete van de tweede categorie. In afwijking van het eerste lid wordt overtreding van artikel 12:1 en 12.2 gestraft met een hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie. Dit artikel is niet van toepassing op de hoofdstukken VII en IX. Artikel 13:2 Toezicht en handhaving Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze verordening bepaalde zijn belast de ambtenaren als bedoeld in de artikelen 141 en 142 van het Wetboek van Strafvordering. Het bevoegd gezag dan wel de burgemeester kan daarnaast andere personen met dit toezicht belasten. In afwijking van het eerste en tweede lid zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk VII de bij besluit van het bevoegd gezag aangewezen personen. Indien het bevoegd gezag vaststelt dat de verplichtingen van hoofdstuk VII niet zijn nagekomen, kan het bevoegd gezag besluiten handhavend op te treden dan wel legalisatie achteraf van de ontstane situatie verlangen met inachtneming van de bepalingen zoals vastgelegd in de Algemene wet bestuursrecht. Indien blijkt dat de uitgevoerde werkzaamheden zijn gemeld maar dat hiervoor een instemmingsbesluit is vereist, is dit artikel van overeenkomstige toepassing. Onverminderd het bepaalde in het vierde lid en haar overige wettelijke bevoegdheden is het college bevoegd het instemmingsbesluit in te trekken, dan wel de werkzaamheden stil te leggen indien er wordt gewerkt: a. zonder instemmingsbesluit of zonder melding; b. in afwijking van de voorschriften van het instemmingsbesluit; c. in afwijking van de nadere regels; d. in strijd met het geldende breekverbod. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk X is de door het bevoegd gezag aan te wijzen personen belast. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk XI is de marktmeester belast. Dit artikel is niet van toepassing op hoofdstuk IX. Artikel 13:3 Binnentreden woningen Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens de hoofdstukken II, III, IV, V en VI gegeven voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner. Artikel 13:4 Inwerkingtreding en intrekking Deze verordening treedt in werking een dag na die waarop zij is bekendgemaakt. Overeenkomstig het eerste lid treden in werking op hetzelfde moment als deze verordening: de Erfgoedverordening gemeente Baarn 2026; Artikel 13:5 Overgangsbepaling Hoofdstuk VII is van toepassing op de kabels en leidingen die aanwezig zijn op het moment dat deze verordening in werking treedt, ongeacht op welke grondslag deze zijn aangelegd. Op aanvragen en meldingen waarop bij de inwerkingtreding van deze verordening nog niet is beslist, wordt met toepassing van deze verordening een beslissing genomen. Bezwaarprocedures tegen besluiten die zijn gebaseerd op de Verordening fysieke leefomgeving Baarn, zoals deze luidde voor inwerkingtreding van deze verordening en waarop nog niet onherroepelijk is beslist, worden afgehandeld volgens de regels zoals deze golden voor inwerkingtreding van deze verordening. Artikel 13:6 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening fysieke leefomgeving gemeente Baarn, eerste wijziging. Aldus vastgesteld in de openbare raadvergadering van 25 februari 2026. De voorzitter, De griffier, TOELICHTING Hoofdstuk 1: Algemene toelichting 1:1 Aanleiding Met het oog op de invoering van de Omgevingswet zijn de regels uit diverse gemeentelijke verordeningen die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving gebundeld in de Verordening fysieke leefomgeving van de gemeente Baarn, vastgesteld op 25 november 2020 en in werking getreden op 1 januari 2021. Deze verordening was opgesteld in de verwachting dat de Omgevingswet per 1 januari 2022 zou gaan gelden. De Omgevingswet is uiteindelijk op 1 januari 2024 in werking getreden. Sindsdien hebben zich zowel in wet- en regelgeving als in de toepassing van de Omgevingswet nieuwe inzichten en ontwikkelingen voorgedaan. Tegen deze achtergrond heeft de gemeente Baarn in 2025 de behoefte geconstateerd om de Verordening fysieke leefomgeving inhoudelijk te actualiseren. De aangepaste Verordening fysieke leefomgeving die hier voorligt, betreft een actualisatie van de bestaande verordening uit 2021. Met deze actualisatie wordt de verordening beter in lijn gebracht met de geldende systematiek van de Omgevingswet en de daarop gebaseerde regelgeving. De verordening vormt daarmee een actuele en juridisch consistente basis voor de verdere uitwerking en uiteindelijke opname van gemeentelijke regels in het toekomstige omgevingsplan van de gemeente Baarn. Met deze actualisatie wordt geen nieuw inhoudelijk beleid vastgesteld, maar bestaande regels worden geactualiseerd en, waar nodig, opnieuw afzonderlijk vastgesteld, waaronder de regels inzake erfgoed. 1:2 Inleiding Onder de fysieke leefomgeving wordt verstaan: bouwwerken, infrastructuur, watersystemen, water, bodem, lucht, landschappen, natuur en cultureel erfgoed. De gemeente Baarn gaat de invoering van de Omgevingswet – in navolging van de meeste gemeenten – vormgeven langs vier (samenhangende) sporen: Organisatievisie en participatie; kerninstrumenten; veranderopgave; informatievoorziening en processen. Het spoor kerninstrumenten, heeft betrekking op de zes instrumenten uit de Omgevingswet, waarmee de gemeente de fysieke leefomgeving kan benutten en beschermen. Een van die instrumenten is het omgevingsplan. Het omgevingsplan zal alle regels over de fysieke leefomgeving bevatten die de gemeente binnen haar grondgebied stelt, waaronder de regels die voorheen waren opgenomen in afzonderlijke verordeningen. Gemeenten hebben tot 2032 de tijd om deze regels in het omgevingsplan op te nemen. Bij de vaststelling van de Verordening fysieke leefomgeving in 2021 zijn, vooruitlopend op de invoering van de Omgevingswet, regels uit bestaande gemeentelijke verordeningen en uit delen van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) samengebracht in één integrale verordening voor de fysieke leefomgeving. In dat kader zijn de onderstaande (delen van) verordeningen en delen van de APV ingetrokken en per december 2020 van inwerkingtreding opgenomen in deze verordening: a. Hoofdstuk 2, afdeling 2 met uitzondering van artikel 2:14 van APV Baarn; b. Hoofdstuk 4, afdeling 1 APV Baarn; c. Hoofdstuk 4, afdeling 4, 5 en 6 van APV Baarn met uitzondering van artikel 4:13, 4:18, 4:19, 4:20 en 4:21; d. Hoofdstuk 5, afdeling 4 van APV Baarn; e. Hoofdstuk 5, afdeling 6 van APV Baarn; f. Algemene verordening ondergrondse infrastructuren 2015 gemeente Baarn; g. Bomenverordening gemeente Baarn 2016; h. Bouwverordening Baarn 2012, artikel 9.1, 2.4.1, 2.4.2 en 10.6; i. Erfgoedverordening 2010 gemeente Baarn; j. Marktverordening gemeente Baarn 2011; k. Verordening afvoer hemelwater en grondwater gemeente Baarn. 1:3 Doel en aanpak inventarisatie verordeningen De Verordening fysieke leefomgeving vormde bij de eerste vaststelling een belangrijke bouwsteen voor het toekomstige omgevingsplan. Met het oog op de toen beoogde inwerkingtreding van de Omgevingswet in 2022 had de gemeente Baarn hiermee een eerste inhoudelijke voorbereiding getroffen voor het opstellen van een omgevingsplan. Bij die voorbereiding heeft de gemeente geïnventariseerd welke onderwerpen betrekking hadden op de fysieke leefomgeving. Op basis daarvan is destijds een driedeling aangebracht: Onderwerpen over de fysieke leefomgeving die plaatsgebonden activiteiten betreffen, moeten worden opgenomen. Dit zijn bijvoorbeeld onderwerpen zoals welstand, bouwverordening, Erfgoedverordening, Bomenverordening en nog een aantal onderdelen uit de APV. Regels over onderwerpen die de (fysieke) leefomgeving betreffen, maar ook een ander motief kennen, kunnen worden opgenomen, maar dat is niet verplicht en waar dit inbreuk zou maken op de taken en bevoegdheden van de burgemeester zelfs niet toegestaan. Andere regels over de (fysieke) leefomgeving die geen plaatsgebonden karakter hebben of regels met een persoonsgebonden of (persoonlijk) gedrag gerelateerd karakter worden evenmin verplicht opgenomen. Voorbeeld is een hondenuitlaatplek: de plek is een onderwerp dat de fysieke leefomgeving betreft en zou opgenomen kunnen worden maar het opruimen van het achtergebleven rommel en het aanlijnen van de honden zijn gedragsregels en zijn niet gericht op de fysieke leegomgeving. verordeningen die niet mogen worden opgenomen: Dit zijn regels waar de beoogde fysieke leefomgeving niet het motief is. Bijvoorbeeld omdat er sprake is van openbare orde (burgemeestersbevoegdheid), feitelijke handelingen, persoonsgebonden regels, gedragsregels en legesbepalingen. De gemeente Baarn heeft uit de driedeling gekozen om de minimale omzetting te hanteren. Dit betekent dat de onderwerpen die moeten worden meegenomen daadwerkelijk zijn meegenomen. In het kader van de actualisatie is beoordeeld of de bestaande regels in de Verordening fysieke leefomgeving inhoudelijk nog in lijn zijn met de Omgevingswet. Daarbij is tevens gekeken naar de noodzaak van technische aanpassingen, onder meer in verband met verwijzingen naar vervallen verordeningen en gewijzigde wet- en regelgeving. Daarnaast zijn documenten betrokken die samenhangen met onderwerpen waarop de verordening betrekking heeft, zoals uitvoeringsbeleid, uitvoeringsplannen en beleidsplannen. Op basis van deze beoordeling is de Verordening fysieke leefomgeving geactualiseerd. 1:3 Opzet Verordening fysieke leefomgeving Baarn De Verordening fysieke leefomgeving Baarn is ingedeeld in 13 hoofdstukken. Het eerste hoofdstuk bevat inleidende bepalingen. Hoofdstuk 2 tot en met 12 bevatten regelingen voor diverse onderwerpen, die eerder in de toelichting zijn genoemd. Hoofdstuk 13 is een slotbepaling met onder andere procedureregels als straf-, overgangs- en slotregels. Hierbij is rekening gehouden met uitzonderingen uit de geïntegreerde regels. Hoofdstuk 2: Toelichting per artikelHoofdstuk I: Algemene bepalingen Algemeen De gebruikte begrippen zijn ongewijzigd geïntegreerd in de Verordening fysieke leefomgeving of aangepast om aan te sluiten bij de Omgevingswet. Beslistermijn Omgevingsvergunningen op basis van overgangsrecht (OPA's zoals kappen van bomen, uitweg, monument, archeologie, enz.): reguliere procedure 8 weken, eenmalig verlengen met max. 6 weken (art. 16.64 Ow). Dit betreft de vergunningplichten uit de VFLOB die via art. 22.8 Ow en art. 2.1a Omgevingsbesluit als omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit gelden (o.a. uitweg, alarminstallatie, vellen houtopstand, handelsreclame, opslaan roerende zaken, gemeentelijk monument/ beschermd gezicht). Overige vergunningen of ontheffingen vallen onder Afdeling 4.1.3 Awb: Voor overige VFLOB-vergunningen/ontheffingen (niet-OPA): beslistermijn 8 weken, verlenging met een redelijke termijn op grond van de Awb (Titel 4.1, Afdeling 4.1.3). Er geldt géén vaste verlengtermijn zoals bij de Omgevingswet. Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing Inhoudelijke wijziging: Onder de Omgevingswet geldt als uitgangspunt dat vergunningen voor activiteiten in de fysieke leefomgeving in beginsel zaak- of locatiegebonden zijn. Artikel 5.37, eerste lid, van de Omgevingswet bepaalt dat een omgevingsvergunning geldt voor degene die de activiteit verricht waarop de vergunning betrekking heeft. Deze persoon is daarmee vergunninghouder en verantwoordelijk voor de naleving van de vergunningvoorschriften. Wanneer een andere persoon de activiteit voortzet, is geen nieuwe vergunning vereist, maar geldt op grond van artikel 5.37, tweede lid, Ow wél een informatieplicht richting het bevoegd gezag. Er is daarmee sprake van een functioneel persoonskarakter, in die zin dat de vergunning de persoon volgt die de activiteit uitvoert, maar dit is niet hetzelfde als een klassiek persoonsgebonden vergunning zoals bedoeld in de APV. Begripsbepalingen behorende tot de ondergrondse infrastructuren (hoofdstuk VII) Aansluiting Aansluitingen worden door de relatief beperkte omvang van de werkzaamheden uitgezonderd van een aantal algemene regels van hoofdstuk 7 van deze verordening. Daarvoor is een lichter formeel regime van toepassing waarvoor nadere kaders zijn gesteld. Een fysiek punt zoals bedoeld in de definitie is bijvoorbeeld een netwerkaansluitpunt, gasmeter, watermeter of ISRA-punt. Dit betekent dat onder andere huisaansluitingen, zoals bedoeld in de WIBON, aansluitingen voor bedrijfspanden of windmolens ook onder deze definitie vallen. Breekverbod In dit hoofdstuk zijn bepalingen over het breekverbod opgenomen die het bevoegd gezag de bevoegdheid geeft een verbod op te leggen tot uitvoering van werkzaamheden bij extreme weersomstandigheden (bijvoorbeeld wateroverlast, zware sneeuwval of ijzel, strenge vorst) of tijdens evenementen. Dat wil zeggen dat er niet in de grond gegraven mag worden zolang het breekverbod geldt. Een nadere omschrijving van het breekverbod is opgenomen in het Handboek Kabels & Leidingen. Gedoogplichtige De gemeentelijke betrokkenheid is vooral gericht op haar rol als beheerder van de openbare gronden. In deze hoedanigheid is de gemeente in het kader van de Telecommunicatiewet gedoogplichtige als het gaat om openbare elektronische communicatienetwerken. Het begrip gedoogplichtige ziet in deze verordening ook op de gemeente indien zij gedoogplichtig is krachtens de Omgevingswet dan wel anderszins leidingen (impliciet) moet gedogen. Te denken valt aan privaatrechtelijk afspraken tussen gemeente en een kabel- en/of leidingeigenaar of indien voor deze een aansluitplicht geldt. Gedoogplichtigen moeten de aanleg, instandhouding en opruiming van kabels en/of leidingen toestaan in en op hun gronden. Onder instandhouding van de kabels en/of leidingen wordt verstaan het hebben, houden en onderhouden van de kabels en/of leidingen. Het gaat daarbij dus niet alleen om het verrichten van onderhouds- en exploitatiewerkzaamheden. Ook het enkel hebben en houden van de kabels en/of leidingen, zonder dat daaraan werkzaamheden worden verricht, geldt als instandhouding. Instemmingsbesluit Werkzaamheden als bedoeld in hoofdstuk 7 van deze verordening moeten vooraf (digitaal) gemeld worden, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen: reguliere werkzaamheden; werkzaamheden van niet ingrijpende aard; spoedeisende werkzaamheden ten gevolge van een ernstige belemmering of storing. Voor de reguliere werkzaamheden geldt dat pas gestart mag worden met die werkzaamheden als op basis van een aanvraag een instemmingsbesluit is verleend. De gemeente hanteert in het algemeen een doorlooptijd van acht weken voor het geven van een besluit op aanvragen voor reguliere werkzaamheden. Voor werkzaamheden van niet ingrijpende aard is geen instemmingsbesluit noodzakelijk maar kan worden volstaan met een (digitale) melding vooraf. Na melding kan in het algemeen binnen een termijn van enkele werkdagen met de werkzaamheden gestart worden. Voor spoedeisende werkzaamheden kan het zijn dat schriftelijk of digitaal melden vooraf onmogelijk is. Alleen in dit uitzonderingsgeval is het toegestaan het werk achteraf te melden. In de praktijk dient altijd in ieder geval telefonisch vooraf gemeld te worden. Indien blijkt dat de uitgevoerde werkzaamheden omvangrijk zijn geweest of bijvoorbeeld een waterweg hebben gekruist, dient alsnog een instemmingsbesluit te worden aangevraagd volgens de gebruikelijke procedure. Zo kan de gemeente alsnog de aan haar verstrekte relevante informatie verwerken. Kabels en/of leidingen Kabels en/of leidingen zijn onderdeel van een openbaar netwerk, daaronder ook begrepen de daarmee verbonden transformator-, schakel-, verdeel- en onderstations, distributie- en/of mutatiepunten. Voorbeelden van kabels en leidingen zijn telecommunicatie- en omroepkabels, elektriciteitskabels (koppel-, transport- en distributiekabels), gasleidingen, waterleidingen en leidingen ten behoeve van stadsverwarming (transport-, distributie- en dienstleidingen) en kabels en leidingen voor industriële netwerken. Voorbeelden van distributie of mutatiepunten zijn handholes, afsluiters, brandkranen, lassen, enzovoort. Het begrip kabels en/of leidingen omvat ook lege buizen, ondergrondse ondersteuningswerken (zoals mantelbuizen, kabelgoten, duikers) en beschermingswerken. Het gaat om kabels en/of leidingen die onderdeel uitmaken van openbare netwerken, dus niet om verbindingen die liggen binnen de installatie c.q. het domein van een (eind)gebruiker (producent of een afnemer), of uit gebruik genomen kabels en/of leidingen. Marktconforme kosten De gemeente streeft ernaar om het medegebruik van bestaande voorzieningen (van de gemeente zelf of van andere betrokken partijen) te stimuleren. Partijen kunnen worden verplicht daarvan gebruik te maken, met dien verstande dat de te betalen vergoeding marktconform dient te zijn. Hierbij is aansluiting gezocht bij de definitie zoals die in de Telecommunicatiewet wordt gebruikt. Netwerk De omschrijving maakt met name duidelijk dat het gaat om het geheel van kabels of leidingen die bestemd zijn voor transport van vaste, vloeibare of gasvormige stoffen, van energie of van informatie, bijvoorbeeld de distributie- en transportnetten voor energie (gas, water, elektriciteit) en de elektronische communicatienetwerken (zoals geregeld in en krachtens de Telecommunicatiewet, artikel 1.1. onderdelen e en h). Netbeheerder Netbeheerders zijn de beheerders van (niet-)openbare netwerken bestemd voor het transport van water, energie en informatie. Dat zijn dus ook de aanbieders van (niet-) openbare elektronische communicatienetwerken. Vaak zal de netbeheerder in het geval van voorgenomen werkzaamheden de rol van opdrachtgever op zich nemen. Onder een netbeheerder wordt tevens verstaan degene die in eigen naam en voor eigen rekening kabels en/of leidingen ten dienste van een dergelijk netwerk aanlegt, in stand houdt en opruimt, ook indien hij niet zelf dit netwerk of de diensten via dit netwerk dan wel de bijbehorende faciliteiten aanbiedt. Openbare gronden Hiertoe worden, conform het in de begripsbepalingen genoemde wetsartikel, gerekend de openbare wegen inclusief trottoirs/voetpaden, glooiingen, bermen, sloten, bruggen, viaducten, duikers, tunnels, beschoeiingen en andere werken, evenals wateren inclusief bruggen, plantsoenen, pleinen en andere plaatsen die voor eenieder toegankelijk zijn (ook wel openbare ruimte genoemd). Spoedeisende werkzaamheden Hiervoor geldt een lichter procedureel regime. De netbeheerder moet duidelijk maken dat dit werk redelijkerwijs geen uitstel kan dulden op grond van de aangegeven belangen. Werkzaamheden (Graaf)werkzaamheden in de openbare grond, inclusief het opbreken en herstel van de sleufverharding en sleufloze technieken in verband met de aanleg, instandhouding en opruiming van kabels en/of leidingen. Onder instandhouding in de zin van hoofdstuk 7 van deze verordening wordt mede begrepen het nemen van maatregelen, waaronder verplaatsen van de kabels en/of leidingen zoals bedoeld in artikel 7:8 van hoofdstuk 7 van deze verordening en in de Telecommunicatiewet. Onder sleufloze technieken wordt verstaan het maken van een holle ruimte in de grond, met behulp van een (gestuurde) boring of persing, zonder daarbij de omringende grondslag te verwijderen. De regels van hoofdstuk 7 van deze verordening hebben betrekking op mechanische werkzaamheden en handmatige werkzaamheden. Deze laatste zijn vooral van toepassing op werken nabij bomen en andere groenvoorzieningen en bij spoedeisende werkzaamheden of niet ingrijpende werkzaamheden. Hoofdstuk 7 van deze verordening ziet voorts op werkzaamheden in verband met het bevorderen van medegebruik van voorzieningen, zoals mantelbuizen, kabelgoten of geleidingen. Werkzaamheden van niet ingrijpende aard Het onderscheid tussen werkzaamheden van al dan niet ingrijpende aard vloeit voort uit artikel 5.4, vijfde lid, van de Telecommunicatiewet. De definitie geeft op hoofdlijnen aan voor welke situaties deze lichtere procedure van toepassing kan zijn. Vaak gaat het om werkzaamheden aan reeds bestaande kabels en/of leidingen en betreft het een beperkte lengte of oppervlakte die niet of nauwelijks het normale gebruik van de openbare gronden beperkt. Daarbij wordt ook mede in de beoordeling betrokken of er rijbanen en andere verhardingen, wateren of groenvoorzieningen gekruist worden of dat boringen noodzakelijk zijn. Naast aansluitingen tot een bepaalde lengte worden andere niet ingrijpende werkzaamheden aan een lichter regime onderworpen. Te denken valt aan werkzaamheden die slechts gedurende relatief korte tijd in een beperkt gedeelte van het netwerk worden verricht en waarvan de impact relatief beperkt en kortstondig is. Voor deze niet ingrijpende werkzaamheden geldt een verkorte procedure. Onder deze werkzaamheden vallen ook: het aanbrengen of verwijderen van kabels en/of leidingen in reeds aangebrachte voorzieningen, zoals buizen ten behoeve van glasvezelkabels (bijvoorbeeld HDPE-buizen) en mantelbuizen; het maken van maximaal twee opbrekingen met elk een afmeting van maximaal 2 m². Een opbreking kan zijn het maken van een montagegat c.q. lasgat ten behoeve van de toegang tot een distributie- of mutatiepunt, het plaatsen van afsluiters, het opgraven van een kabelrol ten behoeve van aansluitingen, het herstellen van kabel- c.q. leidingstoringen of voor inspectiedoeleinden. Het maken van twee montagegaten c.q. lasgaten tegelijk kan onder andere aan de orde zijn bij het inblazen van glasvezelkabels in bestaande HDPE-buizen. Begripsbepalingen die behoren bij erfgoed (hoofdstuk X) De wettelijke definities uit artikel 1.1 van de Erfgoedwet gelden onverkort voor de begrippen die gebruikt worden in deze verordening, nu deze verordening berust op artikel 3.16 van de Erfgoedwet en derhalve in samenhang met de Erfgoedwet moet worden gelezen. Artikel 1:1 van deze verordening bevat daarom uitsluitend de begrippen “gemeentelijk monument” en “stads- of dorpsgezichten” waarvan de definitie moet worden omschreven of die kortheidshalve zijn gegeven en die niet reeds (in deze vorm) in artikel 1.1 van de Erfgoedwet zijn gegeven. De voor deze verordening relevante begrippen uit de Erfgoedwet zijn: - archeologisch monument: terrein dat deel uitmaakt van cultureel erfgoed vanwege de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen; - archeologische vondst: overblijfsel, voorwerp of ander spoor van menselijke aanwezigheid in het verleden afkomstig van een archeologisch monument; - beschermd cultuurgoed: cultuurgoed dat: a. als zodanig is aangewezen op grond van artikel 3.7, eerste lid, van de Erfgoedwet; b. voorkomt in een opsomming als bedoeld in artikel 3.7, derde lid, van de Erfgoedwet; of c. in geval van de aanwijzing van een beschermde verzameling op grond van artikel 3.8, eerste lid, van de Erfgoedwet, zolang nog geen opsomming voor die verzameling is vastgesteld, redelijkerwijs onder de algemene omschrijving van die beschermde verzameling valt; - beschermde verzameling: verzameling die is aangewezen op grond van artikel 3.7, tweede lid, van de Erfgoedwet; - cultureel erfgoed: uit het verleden geërfde materiële en immateriële bronnen, in de loop van de tijd tot stand gebracht door de mens of ontstaan uit de wisselwerking tussen mens en omgeving, die mensen, onafhankelijk van het bezit ervan, identificeren als een weerspiegeling en uitdrukking van zich voortdurend ontwikkelende waarden, overtuigingen, kennis en tradities, en die aan hen en toekomstige generaties een referentiekader bieden; - cultuurgoed: roerende zaak die deel uitmaakt van cultureel erfgoed; - kerkelijk monument: monument dat eigendom is van een kerkgenootschap, een zelfstandig onderdeel daarvan, een lichaam waarin kerkgenootschappen zijn verenigd, of van een ander genootschap op geestelijke grondslag en dat uitsluitend of voor een overwegend deel wordt gebruikt voor het gezamenlijk belijden van de godsdienst of levensovertuiging; - monument: onroerende zaak die deel uitmaakt van cultureel erfgoed; - normaal onderhoud: noodzakelijke reguliere werkzaamheden die gericht zijn op het behoud van monumentale waarde; - rijksmonument: monument of archeologisch monument dat is ingeschreven in het rijksmonumentenregister; - rijksmonumentenregister: register als bedoeld in artikel 3.3, van de Erfgoedwet; - verzameling: cultuurgoederen die uit cultuurhistorisch of wetenschappelijk oogpunt bij elkaar horen. Hoofdstuk II: Bruikbaarheid en aanzien van de weg Hoofdstuk 2, afdeling 2 ´bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen´, artikel 2:10, 2:11, 2:12, 2:15, 2:16, 2:17, 2:18, 2:21, 2:22 en 2:23 uit de APV Baarn is geheel geïntegreerd in de Verordening fysieke leefomgeving Baarn. Zij behoeven daarom geen verdere toelichting. Artikelen 2:11, 2:12 en 2:13 van deze verordening Op grond van artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet geldt dat het verrichten van een omgevingsplanactiviteit vergunningplichtig kan worden gesteld. Het plaatsen of voeren van handelsreclame is een dergelijke activiteit, voor zover het gaat om een uiting die zichtbaar is vanaf een voor publiek toegankelijke plaats. Onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht was deze vergunningplicht geregeld in artikel 2.2, eerste lid, onderdelen h en i. De gemeente Baarn had destijds uitvoering gegeven aan deze bepaling in APV waarin artikel 4:15 zag op hinderlijke of gevaarlijke reclame en artikel 4:16 op vergunningplichtige lichtreclame. Bij de herziening van de APV in 2018 is artikel 4:16 komen te vervallen, vanuit het oogpunt van deregulering en vermindering van administratieve lasten. Daarbij werd aangenomen dat grote reclameobjecten reeds aan de bouwregelgeving en welstandstoets zouden worden onderworpen, en dat de resterende gevallen beperkt in aantal waren. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de grondslag voor gemeentelijke regels over handelsreclame verschoven naar het omgevingsplan (en voor dit opgave de VFL). De gemeente Baarn kiest er daarom voor om de vergunningplicht opnieuw te verankeren in de VFL, zodat toetsing aan ruimtelijke en veiligheidsaspecten kan plaatsvinden en een grondslag bestaat voor legesheffing. De hierna volgende artikelen voorzien in: Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame (artikel 2:11); Omgevingsvergunning voor (handels)reclame-uiting (artikel 2:12); Bewegwijzering (artikel 2:13). Hoofdstuk III: Geluidhinder Hoofdstuk 4, afdeling 1, ‘voorkomen of beperken geluidhinder en hinder door verlichting’ uit de APV Baarn is geheel geïntegreerd in de Verordening fysieke leefomgeving Baarn. Door de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn deze regels herzien. Geluidhinder is een thema dat onder de Omgevingswet op meerdere punten is gewijzigd. De regelgeving is niet langer gebaseerd op het begrip ‘inrichting’ uit de Wet milieubeheer, maar sluit nu aan op het nieuwe systeem van milieubelastende activiteiten. Dit betekent dat niet alleen bedrijven, maar ook andere bronnen van geluid zoals muziekinstallaties en installaties in de openbare ruimte als milieubelastende activiteit gereguleerd kunnen zijn. Hierdoor is het nodig om de bestaande regels juridisch en inhoudelijk aan te passen aan de nieuwe systematiek. Daarnaast is het Activiteitenbesluit milieubeheer vervallen. Veel van de normen en voorwaarden uit dat besluit zijn nu opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en het omgevingsplan. In het hoofdstuk zijn daarom verwijzingen opgenomen naar het omgevingsplan, waar regels uit het Bal zijn overgenomen. De eerder gebruikte term ‘inrichting’ is in dit kader vervallen en vervangen door een benadering die uitgaat van concrete activiteiten. Deze verschuiving vraagt niet alleen om een technische actualisatie van terminologie, maar ook om herijking van inhoudelijke begrippen zoals doelgroepen, toepassingsbereik en uitzonderingen. Hierdoor is er een nieuwe begrip opgenomen voor bedrijf: ‘natuurlijke persoon of rechtspersoon die een inrichting, milieubelastende activiteit of andere bedrijfsmatige activiteit uitvoert als bedoeld in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) of het Omgevingsbesluit’. Onder “bedrijven” worden uitsluitend professionele of commerciële partijen verstaan die activiteiten verrichten niet primair ten behoeve van eigen huishoudelijk gebruik, maar in het kader van een onderneming of organisatie. Particulieren die uitsluitend handelen ten behoeve van hun privégebruik worden niet als bedrijf aangemerkt. De aangepaste hoofdstuktekst is hierop afgestemd en bevat de noodzakelijke wijzigingen om aan te sluiten bij het nieuwe wettelijke kader, inclusief het correct doorverwijzen naar het omgevingsplan voor de actuele normstelling. Hoofdstuk IV: Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente Hoofdstuk 4, afdeling 4, 5 en 6, artikel 4:13, 4:18, 4:19, 4:20 en 4:21 uit de APV Baarn is geheel geïntegreerd in de Verordening fysieke leefomgeving Baarn. Wel is er een splitsing in enerzijds een verbod op paddenstoelenpluk (artikel 4:5 VFL) en anderzijds een verbod op sprokkelen of meenemen van andere van nature voorkomende bloemen, planten, hout en mos (artikel 4:6 VFL). In de artikelen zijn duidelijke locatieaanduidingen opgenomen. Daarmee is geen apart aanwijzingsbesluit meer nodig en wordt het toezicht en de handhaving vereenvoudigd. Hoofdstuk V: Standplaatsen Hoofdstuk 5, afdeling 4 ‘Standplaatsen’ uit de APV Baarn is geheel geïntegreerd in de Verordening fysieke leefomgeving Baarn. Het toepassingsbereik van de regels voor standplaatsen blijft ongewijzigd ten opzichte van de geldende regelgeving. Zij behoeven daarom geen verdere toelichting. Hoofdstuk VI: Openbaar water en waterstaatswerken Hoofdstuk 5, afdeling 6 ‘openbaar water en waterstaatswerken,’ artikel 5:24 en 5:25 zijn geheel geïntegreerd uit de APV Baarn. Het toepassingsbereik van de regels voor openbaar water en waterstaatswerken blijft ongewijzigd ten opzichte van de geldende regelgeving. Zij behoeven daarom geen verdere toelichting. Hoofdstuk VII: Ondergrondse infrastructuren Algemeen De Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuren (AVOI) is in zijn geheel geïntegreerd in de Verordening fysieke leefomgeving. Het doel van deze toelichting is om informatie, aanvulling en nadere uitleg te verstrekken met betrekking tot hoofdstuk 7 van deze verordening, zowel voor gebruik binnen de gemeente als voor de netbeheerders. De actuele versie van de toelichting is steeds bepalend. Hoofdstuk 7 van deze verordening heeft als doel de regie en coördinatie uniform te regelen met betrekking tot werkzaamheden die nodig zijn voor de aanleg, instandhouding en opruiming van alle kabels en/of leidingen in openbare gronden binnen de gemeentegrenzen. Hoofdstuk 7 van deze verordening reguleert de werkzaamheden in de openbare ruimte, waarbij onder andere de (weg)verharding, maar ook bermen en andere groenvoorzieningen worden opgebroken. Hoofdstuk 7 van deze verordening is ook gericht op minimalisatie van overlast en maatschappelijke kosten ten gevolge van werkzaamheden in de openbare ruimte: proactieve regie, meer grip en sturing op werkzaamheden, het waarborgen van bereikbaarheid, leefbaarheid, veiligheid en communicatie tijdens werkzaamheden; uniforme regels en sanctiemogelijkheden en een efficiënt gebruik van de openbare ruimte. Volgens hoofdstuk 7 van deze verordening wordt iedere aanvraag van elke netbeheerder eenduidig behandeld. Het verschil in wettelijke grondslag voor de diverse kabel- en leidingeigenaren (Telecommunicatiewet e.a.) is geen reden om de aanvragen verschillend te behandelen. Immers, in de praktijk gaat het om dezelfde werkzaamheden. Belangrijk uitgangspunt is dat werkzaamheden alleen in en op de openbare ondergrond mogen worden uitgevoerd na voorafgaande instemming van de gemeente. Voor de aanvraag van een instemmingsbesluit zijn aan de gemeente leges verschuldigd, aangezien de instemming als een dienst van de gemeente aan de netbeheerder is te beschouwen. Voor meldingen in het kader van in en uit gebruik nemen van kabels, niet ingrijpende en spoedeisende werkzaamheden kunnen eveneens leges worden geheven. Aangezien in deze gevallen in de praktijk ook een dienst door de gemeente wordt geleverd, maar een lichtere procedure geldt, zal dit invloed hebben op de hoogte van de legestarieven. Dit leidt op dit punt tot minder leges voor de netbeheerder. Via nadere regels of beleidsregels (bijvoorbeeld een Handboek Kabels & Leidingen, regeling voor de te hanteren tarieven voor onder andere herstel-, beheer- en degeneratiekosten en een Nadeelcompensatieregeling) kunnen aanvullende voorwaarden, eisen en regels voor de werkzaamheden van de netbeheerder door en het bevoegd gezag worden vastgesteld. Kaders voor de gemeentelijke bevoegdheden en rollen De gemeentelijke bevoegdheden vloeien voort uit de Gemeentewet, de Omgevingswet, de Awb, de APV, de WIBON, de Telecommunicatiewet en uit contractuele afspraken met netbeheerders. De gemeente is in vele rollen betrokken bij werkzaamheden in de openbare ruimte, onder andere als grondeigenaar, ruimtelijk planner, aanlegger van infrastructuur, verkeersregelaar, bodembeschermer, enzovoorts. In het belang van de gemeente, burgers, bedrijven en netbeheerders moet een zorgvuldig, uniform en integraal beleid gevoerd worden bij voorbereiding, uitvoering en nazorg van werkzaamheden in openbare gronden. De gemeente heeft hierin een coördinerende rol voor een goed verloop van het integrale proces met betrekking tot de werkzaamheden van alle netbeheerders. Mede doordat de fysieke ondergrond vol raakt met een groot aantal kabels en leidingen, is goede afstemming van werkzaamheden en belangen noodzakelijk. De coördinerende rol van de gemeente is bijvoorbeeld terug te vinden in de artikelen 7:3, 7:4 en 7:5 van deze verordening. Ondanks de verschillende uitgangsposities van partijen wordt door de gemeente efficiëntie, harmonisering en uniformering van de uitvoering van werkzaamheden nagestreefd. Het opbreken van de openbare ruimte dient tot zo min mogelijk overlast te leiden, met waarborging van veiligheid en bereikbaarheid en voorkoming van verstoring van openbare orde en ondergrondse ordening. Ten aanzien van het ontwerp, voorbereiding, uitvoering en beheer van de werkzaamheden dient voldaan te worden aan de uniforme (uitvoerings-)eisen die door de gemeente zijn vastgelegd in het Handboek Kabels & Leidingen. Voor de te hanteren tarieven voor onder andere herstel-, beheer- en degeneratiekosten kan het bevoegd gezag tevens beleidsregels vaststellen. Artikel 7:2 Nadere regels Het bevoegd gezag krijgt de mogelijkheid toegekend door de raad om in voorkomende gevallen nadere regels ter uitvoering van deze verordening vast te stellen. Deze nadere regels kunnen worden opgenomen in onder meer een Nadeelcompensatieregeling, regeling voor de te hanteren tarieven voor onder andere herstel-,beheer- en degeneratiekosten en Handboek Kabels & Leidingen. In bijvoorbeeld het Handboek Kabels & Leidingen kunnen voorwaarden worden opgenomen in verband met onder andere: feest- of gedenkdagen en/of beperking van overlast voor belanghebbenden, bijvoorbeeld een winkelier; het opstellen van voorschriften op het gebied van markering en afzetting; het maken van proefsleuven; opruimen van buiten gebruik zijnde kabels en/of leidingen. Artikel 7:3 Aanvragen en melden In het artikel wordt aangegeven dat de aanvraag van de voorgenomen werkzaamheden bij het bevoegd gezag moet worden gedaan. Dat kan bij het bevoegd gezag of bij de daarvoor gemandateerde ambtenaren. Voor spoedeisende werkzaamheden, zoals ingeval van storingen, wordt een uitzondering gemaakt. Deze moeten zoveel mogelijk voor aanvang van de werkzaamheden gemeld worden, als dit niet mogelijk is moet dit in ieder geval binnen één werkdag na uitvoering van de werkzaamheden zijn gedaan. Spoedeisende werkzaamheden dienen bij de burgemeester te worden gemeld dan wel bij een daartoe door hem gemachtigd ambtenaar. In de praktijk zal de melding veelal plaatsvinden bij de calamiteiten- of piketdienst. De burgemeester kan besluiten dat de werkzaamheden op een ander dan het voorgenomen tijdstip plaatsvinden als de openbare orde zich verzet tegen de uitvoering van bovengenoemde werkzaamheden. Dit geldt ook als er gevaar dan wel de vrees voor het ontstaan van gevaar is. In dit artikel wordt beschreven dat de voorgenomen werkzaamheden ook betrekking kunnen hebben op openbare gronden van andere gedoogplichtigen dan de gemeente. Omdat de gemeente een coördinerende rol heeft over alle openbare gronden binnen de gemeentelijke grenzen moet voor alle voorgenomen werkzaamheden in openbare grond een aanvraag voor een instemmingsbesluit worden gedaan. Dit geldt dus ook in het geval dat voorgenomen werkzaamheden zich beperken tot bijvoorbeeld openbare gronden van de provincie of het waterschap. Wellicht ten overvloede wordt erop gewezen dat naast het instemmingsbesluit mogelijk ook vergunningen aangevraagd moeten worden voor de voorgenomen werkzaamheden. In het geval zowel een instemmingsbesluit als een vergunning van een al dan niet ander bestuursorgaan dan de gemeente nodig is, heeft de gemeente hierin een coördinerende rol om afstemming te bevorderen. Als de aanvrager daar om verzoekt kan de gemeente inhoudelijke afstemming van de beoordeling van de aanvragen bij andere bestuursorganen nastreven. De aanvrager blijft echter zelf verantwoordelijk voor de afstemming en toestemming van alle betrokken gedoogplichtigen en het aanvragen en verkrijgen van de benodigde vergunningen. Het is belangrijk dat aanvragers zelf bij het aanvragen van een instemmingsbesluit rekening houden met een eventueel vergunning traject waarop de aanvraag voor het instemmingsbesluit betrekking heeft. Dit kan onnodige vertraging voorkomen bij het afgeven van het instemmingsbesluit omdat het verlenen van een benodigde vergunning eerst afgewacht dient te worden voordat er instemming kan worden verleend. Artikel 7:4 Instemmingsvereiste Uitgangspunt is dat werkzaamheden in de openbare ruimte verboden zijn, tenzij men beschikt over een instemmingsbesluit. De in de Telecommunicatiewet neergelegde verplichting dat instemming van het bevoegd gezag is vereist, is opgenomen in hoofdstuk 7 van deze verordening en is van toepassing op de werkzaamheden van alle netbeheerders. Daarmee wordt ook voorzien in de toestemming of vergunning die andere kabel- en leidingeigenaren voorheen dienden te hebben voor voorgenomen werkzaamheden in gemeentegrond. Conform het bepaalde in de Telecommunicatiewet geldt dat die instemming betrekking heeft op de plaats, het tijdstip en de wijze van uitvoering van de werkzaamheden. In dit artikel wordt voor de instemmingsprocedure onderscheid gemaakt tussen reguliere werkzaamheden, werkzaamheden van niet ingrijpende aard en spoedeisende werkzaamheden. Niet ingrijpende werkzaamheden zijn werkzaamheden waarvoor gedurende niet meer dan een korte tijd in een beperkt gedeelte van het netwerk werkzaamheden worden verricht en waarvan de impact voor de omgeving relatief beperkt en kortstondig is. Er wordt als norm een lengte van de kabels en/of leidingen korter of gelijk aan 25 meter gehanteerd en daarbij mogen geen verhardingen of groenvoorzieningen worden gekruist. Bij spoedeisende werkzaamheden kan het voorkomen dat, juist vanwege de urgentie, schriftelijk of digitaal melden vooraf onmogelijk is. De uitzonderingsbepaling voor spoedeisende werkzaamheden geldt niet als werkzaamheden moeten worden verricht in gebieden die door de gemeenteraad op een vooraf bekend gemaakte kaart zijn aangegeven. Dit betekent dat in gebieden die op deze kaart staan geen spoedeisende werkzaamheden uitgevoerd mogen worden zonder voorafgaand instemmingsbesluit. Voorbeelden van dergelijke gebieden die op de kaart kunnen staan zijn: Risicogebieden als industriegebieden met buisleidingen voor transport met gevaarlijke stoffen; Historische stadskernen of historische straten of natuurgebieden; Toegangswegen van en naar gebouwen van hulpdiensten, brandweerkazernes, politie, en gemeentelijke gebouwen. De gemeente kan voor toegangswegen naar zulke gebouwen de doorgang altijd vereisen. In bovenstaande gevallen is het niet aanvaardbaar dat zonder specifiek toezicht van de gemeente wordt gegraven. Voor werkzaamheden rond de kabels en/of leidingen van de gemeente zelf, zoals de riolering, is om praktische redenen de verordening (en het daarin opgenomen graafverbod) niet van toepassing. Om redenen van effectiviteit en kwaliteit is het wel zeer wenselijk dat waar mogelijk binnen de gemeente afspraken en procedures worden gemaakt om de doelen van deze verordening ook intern zoveel mogelijk na te leven. Het bevoegd gezag is bevoegd een breekverbod in te stellen tijdens door de gemeente vergunde evenementen of als er naar haar oordeel sprake is van extreme weersomstandigheden. Een afweging die hierbij gemaakt wordt is de kans op schade en de omvang hiervan aan de openbare gronden als er gegraven wordt. Het breekverbod wordt op de dag dat dit ingaat, gecommuniceerd naar de betrokken uitvoerende partijen. In ieder geval één dag voor het beëindigen van het breekverbod wordt dit meegedeeld aan de betrokken uitvoerende partijen. Gedurende het breekverbod mogen er op geen enkele wijze werkzaamheden plaatsvinden in de openbare grond en/of bestrating. In het geval van spoedeisende werkzaamheden is het breekverbod niet van toepassing. Overtreding van het breekverbod leidt tot geheel of gedeeltelijke stillegging van het werk. Een nadere omschrijving van het breekverbod is opgenomen in het Handboek Kabels & Leidingen. Artikel 7:5 Gegevensverstrekking In dit artikel is verduidelijkt op welke wijze een aanvraag moet worden gedaan en welke gegevens daarbij verstrekt moeten worden. Het betreft informatie die de gemeente als beheerder van de openbare gronden nodig heeft om een juiste beoordeling te maken en inzicht te krijgen in de belangen die door de voorgenomen werkzaamheden worden geraakt. Zo dienen in het geval dat een netbeheerder opdracht geeft om de werkzaamheden te laten verrichten en daartoe een externe uitvoerder machtigt, behalve de gegevens van de externe partij ook die van de netbeheerder te worden verstrekt. De aanvraag moet (digitaal) gebeuren door middel van de door het bevoegd gezag vastgestelde formulieren en/of registratiesysteem. Voor aanvragen voor werkzaamheden van niet ingrijpende aard behoeft slechts een beperkt aantal gegevens verstrekt te worden. Voor reguliere aanvragen dienen meer gegevens verstrekt te worden. Het bevoegd gezag kan besluiten de aanvraag niet in behandeling te nemen in overeenstemming met het bepaalde in artikel 4:5 lid 1 Awb. Bij de aard van de kabels en/of leidingen gaat het erom of het openbare of niet-openbare kabels en/of leidingen betreft. Het waarborgen van de blijvende bereikbaarheid van de kabels en/of leidingen kan bijvoorbeeld worden aangetoond door een opgave van de doorsnede van de kabel- en/of leidingsleuf of -goot waarin het ruimtebeslag van de aanwezige en de aan te brengen kabels en/of leidingen gezamenlijk is aangegeven. Indien de aanleg van kabels en/of leidingen (mogelijk) hinderlijke ligging teweeg zal brengen moet aan de gemeente overlegd worden wat de uitkomst is van overleg met andere netbeheerders en welke afspraken inzake de hinderlijke ligging er zijn gemaakt tussen netbeheerders. Indien het beoogde tracé geen ruimte biedt voor de aanleg van nieuwe kabels en/of leidingen dient een alternatief tracé te worden gekozen. Op grond van de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken (WIBON) is er een elektronisch informatiesysteem waarmee informatie tussen beheerders enerzijds en opdrachtgevers, grondroerders en bestuursorganen anderzijds wordt uitgewisseld. Van de netbeheerders wordt verwacht dat zij hun k