Beleidsregel Tijdelijke regeling alleenverdienersproblematiek Zandvoort 2025, 2026 en 2027 Het college van de gemeente Zandvoort Gelet op artikel 78gg van de Participatiewet en artikel 1:4 lid 4 Awb en titel 4.3 Awb [De grondslag artikel 1:4 lid 4 Awb bevat een kennelijke verschrijving. Hier wordt bedoeld: artikel 1:3 lid 4 Awb] overwegende, dat het college van burgemeester en wethouders (hierna het college): het wenselijk vindt om aan te geven in welke situaties en onder welke voorwaarden een huishouden een vaste tegemoetkoming kan worden verstrekt of geweigerd en daartoe een beleidsregel wenst vast te stellen; Besluit vast te stellen de Beleidsregel Tijdelijke regeling alleenverdienersproblematiek Zandvoort 2025, 2026 en 2027 Artikel1.Begripsbepalingen 1.Alle begrippen die worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet (Pw) en de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 2.In deze beleidsregel wordt verstaan onder College: het college van burgemeester en wethouders. Huishouden: twee personen die fiscaal partner en toeslagpartner van elkaar zijn voor het jaar waarop de tegemoetkoming betrekking heeft. Vaste tegemoetkoming: het bedrag dat over de kalenderjaren 2025, 2026 en 2027 per jaar wordt vastgesteld bij ministeriële regeling in het kader van artikel 78gg, Participatiewet. Alleenverdiener: een huishouden zoals bedoeld in artikel 78gg, Participatiewet. Artikel2.Ambtshalve toekenning 1.Het college kent aan ieder huishouden waarvan voor het betreffende kalenderjaar het Burgerservicenummer van de meestverdienende partner is verstrekt aan het college op grond van artikel 78gg, vijfde lid, Participatiewet, ambtshalve de vaste tegemoetkoming alleenverdienersproblematiek voor dat kalenderjaar toe. 2.Het college kent verder de vaste tegemoetkoming over 2025, 2026 en/of 2027 ambtshalve toe aan het huishouden, indien: het huishouden in het voorgaande jaar een compensatie heeft gekregen in de vorm van bijzondere bijstand of een vaste tegemoetkoming; het huishouden voor desbetreffende jaar nog geen vaste tegemoetkoming toegekend heeft gekregen; op basis van de bij het college bekende gegevens het college vermoedt dat het huishouden aanspraak kan maken op de vaste tegemoetkoming; er zich tussentijds geen relevante wijzigingen hebben voorgedaan in de situatie van het huishouden of de achterliggende wetten; en de meestverdienende partner ingeschreven staat in de gemeente. 3.Indien het huishouden geen bijstandsuitkering ontvangt, voert het college voorafgaand aan de ambtshalve toekenning een lichte toets uit op basis van de ministeriële regeling in het kader van artikel 78gg van de Participatiewet, om te beoordelen of het huishouden naar verwachting voldoet aan de voorwaarden voor de vaste tegemoetkoming. Artikel3.Aanvraag op uitnodiging 1.Het college nodigt een huishouden uit om over het kalenderjaar 2025, 2026 en 2027 een aanvraag voor de vaste tegemoetkoming in te dienen, uitsluitend indien op basis van actuele signalen wordt vermoed dat het huishouden aanspraak kan maken op de vaste tegemoetkoming. Deze signalen kunnen voortkomen uit: gemeentelijke bestandsanalyses óf; een nieuwe aanvraag voor een bijstandsuitkering, bijzondere bijstand, minimaregelingen of schulddienstverlening óf; hulpverlening of maatschappelijke partners. Artikel4.Aanvraag zelfmelder 1.Het huishouden kan een aanvraag voor een vaste tegemoetkoming alleenverdienersproblematiek indienen bij het college. 2.De aanvraag om een vaste tegemoetkoming alleenverdienersproblematiek kan vormvrij worden ingediend bij het college. 3.Het college beoordeelt of de aanvrager een alleenverdiener is, als bedoeld in artikel 1 lid 2 onder d. 4.Het college beoordeelt of de meestverdienende partner in het huishouden op de datum van aanvraag ingeschreven staat in de gemeente en het huishouden voor het betreffende jaar nog geen vaste tegemoetkoming alleenverdienersproblematiek heeft ontvangen. 5.Bij de vaststelling van het inkomen om te bepalen of het huishouden tot de doelgroep van alleenverdieners behoort, telt alleen het inkomen van beide fiscale en toeslagpartners mee. 6.Als er sprake is van een vast maandinkomen, toetst het college het inkomen van de meest recente maand van het jaar voorafgaand aan de datum van aanvraag. Het college rekent dit maandinkomen om naar een verwacht jaarinkomen. 7.Als er sprake is van een variabel maandinkomen, toetst het college het inkomen van de meest recente drie achtereenvolgende maanden voorafgaand aan de datum van aanvraag. Het college rekent deze maandinkomens om naar een verwacht jaarinkomen. 8.Als de definitieve aanslag inkomstenbelasting of definitieve beschikking voor toeslagen over het kalenderjaar waarover de vaste tegemoetkoming wordt aangevraagd al bekend is, dan gebruikt het college het belastbaar jaarinkomen waar deze aanslag of beschikking op is gebaseerd. 9.Bij de vaststelling van het vermogen hanteert het college de vermogensgrens van de zorgtoeslag zoals die geldt voor het kalenderjaar waarover de vaste tegemoetkoming wordt aangevraagd. Het peilmoment van het vermogen is 1 januari 00:00 van het kalenderjaar waarover de vaste tegemoetkoming wordt aangevraagd. 10.De vaste tegemoetkoming over de kalenderjaren 2025, 2026 en 2027 wordt uiterlijk 31 december 2028 aangevraagd. Artikel5.Toekenning Het college kent de vaste tegemoetkoming eenmaal voor het betreffende kalenderjaar toe en voor het gehele bedrag. Artikel6.Verstrekking Het college verstrekt de vaste tegemoetkoming in één keer. De verstrekking voor het betreffende kalenderjaar loopt door als het huishouden uit de gemeente verhuist. SLOTBEPALINGEN Artikel7.Inwerkingtreding Deze beleidsregel treedt met terugwerkende kracht in werking met ingang van 1 januari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.