← Nederland

Beleidsregels sociaal domein gemeente Overbetuwe 2026 (Overbetuwe)

Beleidsregels sociaal domein gemeente Overbetuwe 20260.Inleiding In dit document staan de aanvullende regels op de Verordening Sociaal Domein. Hierin wordt uitgelegd hoe aanvragen worden beoordeeld, voor wie de beleidsregel geldt en wat er van de inwoner wordt verwacht. Ook staat er uitleg over de soorten voorzieningen en welke stappen gezet worden voordat een beslissing wordt genomen Bij het toepassen van de beleidsregels houdt het college altijd rekening met de landelijk geldende wetten. Hierbij gaat het college niet alleen uit van de wet en de regels, maar ook van de bedoeling van de regels. Dit betekent dat niet alleen gekeken wordt naar de letterlijke bepalingen van de regels, maar ook naar wat deze regels beogen te bereiken. De regels zijn daarmee een aanvulling op de wet en de Verordening Sociaal Domein gemeente Overbetuwe. De gemeente Overbetuwe vindt het belangrijk dat ondersteuning beschikbaar blijft voor inwoners die dat echt nodig hebben. Steeds meer mensen vragen om zorg en ondersteuning, terwijl er (

  1. te)weinig personeel is en de kosten blijven stijgen. Daarom werken we aan manieren om ondersteuning bij opgroeien en opvoeden, zo lang mogelijk thuis kunnen blijven wonen, financiële bestaanszekerheid en andere vormen van ondersteuning goed, betaalbaar en dichtbij te organiseren. We geloven in een samenleving waar mensen elkaar helpen. Dat begint met zelfredzaamheid. We moedigen inwoners aan om tijdig maatregelen te nemen om problemen te voorkomen. De rol van het eigen netwerk is daarbij van groot belang, maar ook die van de omgeving: buurtbewoners, vrijwilligersorganisaties en lokale netwerken kunnen vaak ondersteuning bieden die dichtbij staat en goed aansluit op de persoonlijke situatie. Samen bouwen we aan een samenleving waarin mensen naar elkaar omkijken, ervaringen delen en gezamenlijk zoeken naar oplossingen. Deze sociale netwerken versterken de eigen kracht van mensen. Pas als deze oplossingen niet voldoende zijn, kijken we naar professionele ondersteuning. Het uitgangspunt is dat onze inwoners hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen inzetten. We normaliseren, dus zoeken eerst naar gewone oplossingen en zetten professionele zorg alleen in wanneer dat echt nodig is. Soms is lichte, algemeen toegankelijke ondersteuning genoeg en soms is specialistische ondersteuning nodig. Door zo te werken blijft er voldoende zorg beschikbaar voor inwoners met zwaardere of complexe problemen. We weten ook dat problemen bij het leven horen en dat er niet voor iedere vraag een antwoord (noodzakelijk) is. Met gezamenlijke betrokkenheid en ondersteuning willen we mensen helpen hier zo goed mogelijk mee om te gaan. We vinden het als gemeente belangrijk om nu en in de toekomst met elkaar zorg en ondersteuning te kunnen blijven bieden en een bijdrage te kunnen leveren aan het welzijn van alle inwoners van Overbetuwe. Dit document beschrijft de manier waarop de gemeente Overbetuwe werkt. De beleidsregels zijn een uitwerking op de Verordening Sociaal Domein. 1.Gebruikelijke hulp, eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen 1.1Gebruikelijke hulp We gaan uit van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van onze inwoners. Samen met de inwoner kijken we eerst naar oplossingen binnen het bereik van de inwoner. Professionele hulp zetten we alleen in als dat echt nodig is. Dit betekent dat partners, ouders, inwonende kinderen en andere huisgenoten elkaar waar nodig ondersteunen. Dit noemen we gebruikelijke hulp. Gebruikelijke hulp: is alle gewone (maatschappelijk aanvaarde) dagelijkse ondersteuning die huisgenoten (partners, ouders, inwonende kinderen en andere huisgenoten elkaar bieden). Voor gebruikelijke hulp wordt geen voorziening ingezet vanuit de Jeugdwet of de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Het is aan de inwoner zelf hoe deze de gebruikelijke hulp wil vormgeven. Dit kan ook met hulp van het netwerk of door particulier hulp in te kopen. Een huishouden kan verschillend van samenstelling zijn. Eén of meer ouders met minderjarige kinderen of juist met meerderjarige kinderen of samenwonende partners of huisgenoten die bij elkaar wonen om een andere reden. Vanzelfsprekend worden van ouders andere dingen verwacht dan van volwassen huisgenoten onderling. We gaan dan ook in op verschillende situaties: Gebruikelijke hulp van meerderjarige huisgenoten onderling (> 21 jaar); Gebruikelijke hulp in geval van jongvolwassenheid (18 – 21 jaar); Gebruikelijke hulp van kinderen op basis van hun (ontwikkelings)leeftijd; Gebruikelijke hulp van ouders voor hun minderjarige kinderen; 1.1.1Gebruikelijke hulp van meerderjarige huisgenoten onderling Van volwassen huisgenoten wordt verwacht dat zij de taken binnen een huishouden overnemen als een andere huisgenoot daar niet (meer) toe in staat is. Het kan gaan om de huishoudelijke taken, zoals het schoonmaken van het huis, de wasverzorging, de boodschappen en het verzorgen van de maaltijden. Het kan ook gaan over het overnemen van administratieve en -regeltaken. Ook het vergezellen van de inwoner naar (medische) afspraken is een vorm van gebruikelijke hulp. En wanneer dit nodig is, de omgeving uitleg geven en helpen met het omgaan met de beperking van de inwoner. Een huisgenoot die verder gezond is, maar de vaardigheden mist of de taken niet gewend is, moet ook de gebruikelijke hulp leveren. Of zorgen dat iemand anders dit doet, als hij of zij dat een betere oplossing vindt. Het hebben van een (drukke) baan ontslaat iemand niet van de plicht om gebruikelijke hulp te bieden. Dit geldt niet als degene tenminste 7 etmalen aaneengesloten van huis is voor werk en het werk een verplichtend karakter heeft. 1.1.2Gebruikelijke hulp van jongvolwassenen (18 – 23) Van jongvolwassenen wordt niet verwacht dat zij het volledige huishouden overnemen in het geval hun huisgenoot (vaak een ouder) niet (meer) in staat is om de taken uit te voeren. Het uitgangspunt is dat een jongvolwassene een éénpersoonshuishouden kan voeren. Dat wil dan zeggen: het schoonhouden van de sanitaire ruimte, keuken en één kamer, de eigen was doen, boodschappen doen, maaltijd verzorgen. Indien nodig kan ook de opvang en/of verzorging van jongere gezinsleden tot hun taken behoren. 1.1.3Gebruikelijke hulp van minderjarige kinderen op basis van hun (ontwikkelings)leeftijd Kinderen kunnen in beperkte mate bijdragen aan het huishouden . We houden daarom ook rekening met de (ontwikkelings)leeftijd van kinderen. Toch kunnen kinderen, zeker de wat oudere kinderen meehelpen in huis, waarbij we de volgende verwachting hebben: Kinderen tot 5 jaar leveren geen bijdrage aan het huishouden; Kinderen van 5 tot en met 12 jaar kunnen betrokken worden bij lichte huishoudelijke werkzaamheden, zoals: Huis opruimen; Tafeldekken/afruimen; Afwassen, de vaatwasser in- en uitpakken; De eigen kleding in de wasmand doen. Jongeren van 13 tot en met 17 jaar kunnen helpen bij lichte huishoudelijke werkzaamheden. Naast de hierboven genoemde taken kan dit gaan om: Hun eigen kamer op orde houden en schoonmaken; Bed verschonen. 1.1.4Gebruikelijke hulp van ouders voor hun minderjarige kinderen Ouders zijn primair zelf verantwoordelijk voor de basisbehoeften en persoonlijke ontwikkeling van hun kinderen. Om deze persoonlijke ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid van hun kind goed te laten verlopen zijn ouder(
  2. s)verantwoordelijk voor: een veilige en beschermde woonomgeving, zowel fysiek als sociaal; ouderlijke aanwezigheid; het bieden van ouderlijk toezicht; een veilige woonomgeving; een passend pedagogisch klimaat en stimulans in de ontwikkeling van hun kind; het bieden van structuur; het bieden van begeleiding bij de ontwikkeling; verzorging, begeleiding en opvoeding; voorzien in primaire levensbehoefte, zoals voeding en kleding; zorgdragen voor persoonlijke hygiëne; begeleiden in het maatschappelijk verkeer zoals naar school, sport, familie, vrienden etc.gaan; het begeleiden naar huisarts, ziekenhuis of therapie Minimaal noodzakelijke gebruikelijke hulp op basis van (ontwikkelings)leeftijd We gebruiken hieronder de term jeugdige voor het minderjarige kind, omdat dit de gebruikelijke term is, zoals de Jeugdwet die hanteert. Er zijn algemeen aanvaardbare kaders, wat jeugdigen gemiddeld zelf kunnen en waar zij (nog) hulp van hun ouders nodig hebben. Deze kaders geven richting aan wat in ieder geval onder gebruikelijke hulp wordt verstaan. Jeugdigen van 0 tot en met 4 jaar: kunnen niet zonder toezicht van volwassenen; hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling; moeten volledig verzorgd worden (aan- en uitkleden, eten, wassen); hoeven tot 4 jaar niet zindelijk te zijn; hebben begeleiding nodig bij hun sport-, spel- en vrijetijdsbesteding, doorgaans niet in verenigingsverband; zijn niet in staat zich zonder begeleiding in het verkeer te begeven. Jeugdigen van 5 tot en met 11 jaar: hebben een reguliere dagbesteding op school; kunnen niet zonder toezicht van volwassenen; hebben toezicht nodig bij hun persoonlijke verzorging; zijn zindelijk overdag en vaak ook ’s nachts; sporten of hebben hobby’s, vaak in verenigingsverband; hebben begeleiding nodig in het verkeer wanneer ze zelfstandig naar activiteiten gaan. Jeugdigen van 12 tot en met 17 jaar: hebben geen hulp bij persoonlijke verzorging nodig, maar soms wel toezicht; kunnen vanaf 12 jaar enkele uren alleen gelaten worden, vanaf 16 jaar kunnen zij zo nu en dan overdag en 's nachts alleen gelaten worden; hebben bij vrijetijdsbesteding (veelal) geen begeleiding nodig in het verkeer; hebben sport- en hobbyactiviteiten in verenigingsverband, waarvan de frequentie kan variëren; hebben een reguliere dagbesteding op school of in een opleiding; kunnen begeleiding nodig hebben bij ontplooiing, bijvoorbeeld bij huiswerk of bij hun sociale ontwikkeling. Niet ieder kind is hetzelfde De hierboven genoemde gebruikelijke hulp betreft een bandbreedte van wat in het algemeen aan gebruikelijke hulp van ouders voor hun kinderen verwacht wordt. Het gaat hier wel om kaders die aangeven wat in ieder geval onder gebruikelijke hulp wordt verstaan. Maar van ouders wordt verwacht dat zij hulp bieden aan hun kinderen, ook als er meer nodig is dan gemiddeld. Dit betekent dat ook in geval van specifieke hulpbehoeften van jeugdigen met beperkingen of (complexe) problematiek ouders binnen hun vermogen de noodzakelijke hulp en ondersteuning moeten bieden. Dus ook wanneer deze de bovenstaande kaders (ver) te boven gaan. Een uitzondering hierop vormt langdurige persoonlijke verzorging (douchen, wassen, lichamelijke verzorging). Wanneer deze langdurig noodzakelijk is (langer dan 3 maanden) en op basis van de (ontwikkelings)leeftijd (en de wensen van de ouder en/of de jeugdige) is het onwenselijk dat ouders deze verzorging bieden, kan persoonlijke verzorging in natura vanuit de Jeugdwet worden toegekend. Afzonderlijke verantwoordelijkheid van beide ouders Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder, al dan niet naast fulltime (vrijwilligers) werk of opleiding, de gebruikelijke hulp over. Deze zorgplicht vervalt niet bij echtscheiding of beëindiging van de relatie. Er wordt wel rekening gehouden met de eventueel door de rechtbank vastgelegde afspraken. 1.2Eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen Inwoners hebben zelf regie over hun eigen leven en een eigen verantwoordelijkheid hoe zij hun leven inrichten. De gemeente Overbetuwe vraagt van inwoners om de eigen kracht te benutten. Daarmee bedoelen we de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de inwoner (waaronder ouders en jeugdigen), waaronder hun sociaal netwerk om problematiek rond gezond en veilig opgroeien (Jeugdwet) en rond zelfredzaamheid en participatie (Wmo) zelf het hoofd te bieden. De inzet vanuit de wet is mede afhankelijk van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen. Voorbeelden van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen zijn (de voorbeelden gaan zowel over de Wmo, als de Jeugdwet- zie ook 1.6): Inschakelen van een vrijwilliger; Herinrichten van de woning of het verplaatsen van voorwerpen zodat de woning beter gebruikt kan worden; Relaties uit het sociaal netwerk inzetten; Deelnemen aan een opvoedcursus of psycho-educatie Een beroep doen op andere wet- en regelgeving. Het zelf aanschaffen van een voorziening. De gemeente mag vragen om een algemeen gebruikelijke voorziening zelf te financieren. Als een inwoner dit zelf kan organiseren, dan is dat ook een passende oplossing. Het zoeken naar voorliggende en eerstelijnsvoorzieningen om de inwoner fysiek sterker en mentaal weerbaarder te maken met de inzet van bijvoorbeeld fysio- of ergotherapie. 1.2.1Als het zwaar valt om de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen te benutten Het uitgangspunt is, dat voor gebruikelijke hulp geen voorziening ingezet wordt vanuit de Jeugdwet of de Wmo. Toch zijn er omstandigheden denkbaar waarin gebruikelijke hulp, hoe normaal ook, een huishouden zwaar valt. Wanneer dit het geval is kan de gemeente de inwoner ondersteunen bij het inzetten van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen om zo tot een oplossing te komen. Zo kan de gemeente wanneer de inwoner dit wenst ondersteunen bij het aanspreken van het eigen netwerk om te helpen bij de gebruikelijke hulp. Ook kan de gemeente wanneer de inwoner dit wenst de inwoner in contact brengen met voorzieningen in het voorliggend veld om mee te helpen naar het zoeken van een oplossing. De gemeente respecteert de wens van inwoners, wanneer zij geen gebruik willen maken van andere mogelijkheden of het zoeken naar deze mogelijkheden. Maar dit leidt niet tot het inzetten van een voorziening vanuit de Jeugdwet of de Wmo, wanneer het om gebruikelijke hulp gaat. 1.2.3Als het (tijdelijk) niet mogelijk om de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen te benutten Er zijn omstandigheden denkbaar waarbij ook met (en eventueel na inzet van) bovengenoemde hulp vanuit de gemeente geen oplossing gevonden wordt. In die gevallen kan binnen de kaders van de Jeugdwet of Wmo in uitzonderlijke situaties toch (tijdelijk) een voorziening ingezet worden. We onderscheiden hier twee situaties: de huisgenoot (waaronder ouder) lukt het niet, ook niet met hulp, om de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen in zetten de omstandigheden zijn zo ernstig en er is zoveel mantelzorg dat al gedaan wordt door de huisgenoot, dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen de grens hebben bereikt Het lukt niet om de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen in te zetten In sommige situaties is het systeem van het huishouden zo belast, dat het niet meer lukt om de gebruikelijke hulp te leveren. We spreken dan van (dreigende) overbelasting. Bij (dreigende) overbelasting is er medisch objectiveerbaar sprake van klachten die maken dat én de gebruikelijke hulp niet gegeven kan worden én dat het niet mogelijk is om zelf (of met hulp) te komen tot een oplossing, waardoor dit wel weer lukt. In deze situaties kunnen we tijdelijk een voorziening inzetten. De inzet van deze voorziening is tijdelijk en beperkt, omdat het uiteindelijke doel is dat huisgenoten (al dan niet met hulp uit het netwerk) de gebruikelijke hulp weer kunnen leveren. Aan de inzet van deze tijdelijke voorziening is de voorwaarde verbonden dat de inwoner en de huisgenoten meewerken aan ondersteuning die de mogelijkheden en het probleemoplossend vergroot. Er is sprake van een uitzonderlijk zware belastende situatie Het kan ook vóórkomen dat de situatie binnen het huishouden zo ernstig is, dat dit al het maximale beroep doet op de draagkracht en draaglast van de gezinsleden. In deze situaties wordt vaak al veel mantelzorg gegeven en kan er ook sprake zijn van overbelasting bij de mantelzorgers. Hier kan de gemeente een voorziening inzetten vanuit de Wmo of Jeugdwet om de situatie in het huishouden te ondersteunen en de mantelzorger te ontlasten. Deze voorziening kan ingezet worden zolang de omstandigheden niet wijzigen. Voorbeelden van een dergelijke situatie kunnen zijn: de aanwezigheid van een dementerende partner, een terminale ziekte, de verzorging van een ernstig zorgbehoevende inwoner of kind. 1.3Mantelzorg Veel inwoners bieden hulp en ondersteuning aan een inwoner uit hun sociale netwerk. Wanneer deze hulp langdurig (langer dan 3 maanden) en/of meer dan 8 uur per week is, spreken we over mantelzorg. Bij het overnemen van taken van een huisgenoot (gebruikelijke hulp) is er geen sprake van mantelzorg. Mantelzorg gaat verder dan gebruikelijke hulp. Daarnaast is mantelzorg niet afdwingbaar, waar gebruikelijke hulp dat wel is. Mantelzorg kan zeer intensief zijn. De hulp kan gaan om ondersteuning bij noodzakelijke dagelijkse activiteiten, maar ook om (persoonlijke) verzorging. (Dreigende) overbelasting bij mantelzorgers Mantelzorgers leveren een grote bijdrage aan onze samenleving. Daarom is het belangrijk dat mantelzorgers zo lang mogelijk in staat zijn hun zorg te leveren. In het geval van (dreigende) overbelasting kan een maatwerkvoorziening of pgb worden ingezet om de mantelzorger langdurig in staat te stellen de zorg uit te voeren. 2.Bestaanszekerheid en inburgering (Participatiewet in balans, IOAW, IOAZ, Wet Inburgering 2021, Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, Armoedebeleid) Werk 2.1Jobcoaching 2.1.1Wettelijke verplichting inzet jobcoaching Inwoners die behoren tot de doelgroep loonkostensubsidie hebben aanspraak op begeleiding op de werkvloer, zoals genoemd in artikel 10da van de Participatiewet. Het college bepaalt of de begeleiding op de werkplek ook nodig is. Het college is niet verplicht om altijd begeleiding op de werkvloer in te zetten wanneer er sprake is van loonkostensubsidie. 2.1.2Inzet van Jobcoaching Jobcoaching wordt ingezet wanneer een inwoner loonkostensubsidie ontvangt én begeleiding bij het werk noodzakelijk is. Hier kan in sommige situaties van afgeweken worden. In overleg met de werkgever beslist het college welke vorm van jobcoaching, zoals genoemd in artikel 2.1.3, wordt ingezet. Daarnaast beslist het college over de duur en de intensiteit van de jobcoaching die wordt ingezet. Algemene uitgangspunten Er wordt maatwerk geleverd en de jobcoaching wordt niet langer dan noodzakelijk ingezet. Het college bepaalt samen met de werkgever, inwoner en jobcoach hoe lang jobcoaching noodzakelijk is en is degene die dit proces bewaakt. Daarnaast bepaalt het college ook op welk moment in het proces de jobcoach wordt ingezet. 2.1.3verschillende vormen van Jobcoaching Er zijn verschillende vormen van Jobcoaching: de interne werkbegeleider, de jobcoach Overbetuwe, de interne jobcoach en de externe jobcoach. Om te bepalen welke vorm van jobcoaching wordt ingezet volgt het college de volgende stappen: Wanneer er geen begeleiding nodig is of er al voldoende begeleiding is vanuit de werkgever of vanuit het eigen netwerk dan zal er geen jobcoaching worden ingezet. Wanneer (extra) begeleiding wel nodig is wordt eerst gekeken of de inzet van een interne werkbegeleider voldoende is. Met een interne werkbegeleider wordt bedoeld dat iemand is opgeleid tot Harrie. Dit is een tweedaagse training waarin iemand wordt opgeleid in de begeleiding van iemand met een arbeidsbeperking. Hiervoor worden afspraken gemaakt met het Werkgeversservicepunt (WSP). Meer informatie is te vinden op: www.ikbenharrie.nl Wanneer een interne werkbegeleider niet passend is wordt de Jobcoach Overbetuwe ingezet. Dit is de jobcoach die in dienst is van de gemeente Overbetuwe. Als specialistische jobcoaching nodig is of wanneer het niet mogelijk is om de jobcoach Overbetuwe in te zetten, dan kan het college interne of externe jobcoaching inzetten. Interne jobcoaching is een jobcoach in dienst van de werkgever. Externe jobcoaching is een jobcoach van een gespecialiseerde externe organisatie die hiervoor wordt ingekocht. 2.1.4Budgetplafond externe jobcoaching Voor externe jobcoaching is er een budgetplafond van €50.000 per kalenderjaar. Als aan de voorwaarde hiervoor wordt voldaan (artikel 1.2.3, vierde lid), kan het college externe jobcoaching inzetten als budget beschikbaar is. Als het budgetplafond is bereikt of overschreden dreigt te worden, zet het college geen externe jobcoaching meer in. Externe jobcoaching die op dat moment al loopt zal doorlopen tot het einde van het kalenderjaar. 2.2Loonkostensubsidie Loonkostensubsidie is bedoeld voor werkgevers en compenseert in de loonkosten voor de verminderde productiviteit van de werknemer. De subsidie is een tegemoetkoming aan de werkgever in de loonkosten en compenseert het verschil tussen de verminderde productiviteit (de loonwaarde) en het minimumloon en vergoedt een percentage van de werkgeverslasten. 2.2.1forfaitaire loonkostensubsidie Bij indiensttreding kan forfaitaire loonkostensubsidie toegekend worden. De forfaitaire loonkostensubsidie bedraagt 50 procent van het referentiemaandloon en geldt voor een periode van maximaal 6 maanden. In de vierde maand van deze periode wordt de loonwaarde gemeten op de werkplek. Vanaf de 7e maand wordt de loonkostensubsidie betaald op basis van een loonwaardemeting. Forfaitaire loonkostensubsidie kan eenmalig worden ingezet voor inwoners bedoel in artikel 1.2.2, derde lid. Wanneer de Forfaitaire Loonkostensubsidie ingezet voor deze inwoners eindigt na maximaal 6 maanden gaat dit niet over in loonkostensubsidie op basis van een loonwaardemeting. 2.2.2voorwaarden loonkostensubsidie Er kan loonkostensubsidie worden ingezet voor een inwoner die aan het werk gaat én tot de gemeentelijke re-integratiedoelgroep behoort. De inwoner moet zicht hebben op een betaald contract én: is opgenomen in het landelijke Doelgroepregister Banenafspraak; of meer dan één jaar werkeloos is maar niet opgenomen bent in het Doelgroepregister Banenafspraak; of korter dan één jaar werkloos, is niet opgenomen in het Doelgroepregister Banenafspraak, maar er bestaat een onderbouwd vermoeden van verminderde loonwaarde op basis van tempo, kwaliteit en/of netto werktijd. Het is mogelijk voor een werkgever om loonkostensubsidie aan te vragen voor een werknemer die al aan het werk is bij het bedrijf is . Dit is mogelijk als blijkt dat de werknemer: Blijkt tijdens het dienstverband verminderd productief te zijn; én Behoorde in de zes maanden voorafgaand aan de indiensttreding tot de gemeentelijke re-integratie doelgroep of volgde VSO/PRO of entree onderwijs. In deze gevallen geldt dat de aanvraag voor loonkostensubsidie in de eerste 6 maanden van het dienstverband moet zijn ingediend bij het college. Er zal dan altijd een loonwaardemeting worden uitgevoerd. Forfaitaire loonkostensubsidie is bij werkenden niet van toepassing. 2.2.3Hoogte loonkostensubsidie Om loonkostensubsidie te verstrekken aan de werkgever dient de werkgever de werknemer volledig loon volgens de geldende CAO of ten minste het wettelijk minimumloon te betalen. De hoogte van de loonkostensubsidie is als volgt: De hoogte van de loonkostensubsidie is vastgelegd in artikel 10d, vierde lid, Participatiewet. Voor de loonkosten boven het wettelijk minimumloon ontvangt de werkgever geen loonkostensubsidie. 2.2.4loonwaarde bepalen De loonwaarde wordt bepaald op de werkplek van de werknemer. Bij de loonwaardebepaling wordt onderzocht wat de productiviteit van betrokken persoon is ten opzichte van werknemers zonder beperking. Het onderzoek wordt uitgevoerd door een loonwaarde-expert op basis van vragenlijsten en gesprekken met de werkgever en werknemer. Factoren die gemeten worden zijn onder meer tempo, inzetbaarheid, kwaliteit van het werk en de mate van begeleiding die noodzakelijk is. Een loonwaardemeting kan pas worden ingezet als er voldoende zicht is op de arbeids­prestatie. Dat betekent dat een medewerker minimaal twee maanden aan het werk is. Dat kan ook via bijvoorbeeld een werkervaringsplaats of een proefplaatsing. 2.2.5Duur loonkostensubsidie De duur van de loonkostensubsidie is afhankelijk van de ontwikkeling van de werknemer. Daarom wordt op afgesproken momenten opnieuw een meting uitgevoerd en de loonwaarde vastgesteld. Zodra de loonwaarde gelijk is aan 100% is, stopt de subsidie. 2.2.6verhuizing Als de werknemer verhuist naar een andere gemeente, draagt het college de loonkostensubsidie over naar de nieuwe gemeente, per de verhuisdatum. De werkgever hoeft hier geen aanvraag voor in te dienen. Dit regelen gemeenten onderling. De werkgever ontvangt een beëindiging van de oude gemeente en een toekenning van de nieuwe gemeente. 2.3Re-integratievoorzieningen 2.3.1.Werkervaringsplek 1.Het college kan een werkervaringsplek aanbieden als een inwoner nog niet actief is geweest op de arbeidsmarkt of langdurig werkloos is geweest. De werkervaringsplek wordt vastgelegd in een overeenkomst tussen de gemeente, de werkgever en de inwoner. 2.Een werkervaringsplek wordt uitgevoerd in de vorm van werken met behoud van uitkering. 3.Een werkervaringsplek kan worden aangeboden aan een persoon behorend tot de doelgroep als bedoeld in artikel 7, lid 1, sub a, van de Participatiewet, voor zover de desbetreffende persoon zonder die werkstage niet in staat is om in te stromen in algemeen geaccepteerde arbeid. 4.Een werkervaringsplek duurt 6 maanden en kan verlengd worden tot maximaal 6 maanden. Een werkervaringsplek kan in overleg mogelijk korter zijn. 5.Een werkervaringsplek in een bepaalde functie kan slechts eenmaal bij dezelfde werkgever worden verricht. 6.Bij het aangaan van een werkervaringsplek dient de werkgever een overeenkomst aan te gaan met de desbetreffende persoon en de gemeente. De overeenkomst bevat tenminste: Het doel van de werkervaringsplek; en De duur van de werkervaringsplek; en De wijze waarop de begeleiding door de werkgever plaatsvindt; en De wijze waarop de wettelijke aansprakelijkheidsverzekering is geregeld. 2.3.2.Scholing 1.Een scholingstraject kan worden aangeboden aan een inwoner behorend tot de doelgroep als bedoeld in artikel 7, lid 1, sub a, van de Participatiewet, indien de scholing noodzakelijk wordt geacht om instroom in algemeen geaccepteerde arbeid te realiserenwanneer dit samenhangt met een arbeidsovereenkomst voor minimale duur van zes maanden) 2.De noodzaak wordt alleen dan aanwezig geacht, als de inwoner voorafgaand aan de scholing aantoonbare inspanningen heeft verricht om instroom in algemeen geaccepteerde arbeid te realiseren. 3.De scholing moet aansluiten op de mogelijkheden van de inwoner. 4.De duur van het scholingstraject is maximaal 12 maanden. 5.De scholing leidt tot volledige instroom in algemeen geaccepteerde arbeid. Hiermee wordt bedoeld dat een inwoner na het scholingstraject een inkomen heeft wat hoger is dan de voor hen geldeden bijstandsnorm. 6.De kosten van de scholing of opleiding bedragen maximaal € 2.500,00. 7.De werkelijk noodzakelijke kosten van vervoer en kinderopvang die een directe relatie hebben met de scholing als bedoeld in het eerste lid, komen voor een aanvullende vergoeding in aanmerking overeenkomstig de bepalingen in artikel 1.4.10.1 en 3.2.7 van deze beleidsregels. 8.Indien het voor de kansen op werkaanvaarding noodzakelijk wordt geacht, kan in bijzondere individuele omstandigheden worden afgeweken van het bepaalde in het vierde en vijfde lid. 2.3.3.Participatieplaats 1.Er wordt geen gebruik gemaakt van participatieplaatsen in Overbetuwe. In plaats daarvan is een werkervaringsplek mogelijk. 2.3.4.Participatievoorziening beschut werk 1.Er zal zoveel mogelijk worden ingezet op plaatsing bij een reguliere werkgever. Wanneer dit niet mogelijk is en tijdelijk extra inzet noodzakelijk is, kan een persoon met de indicatie beschut werk worden geplaatst bij Scalabor. 2.Het college kan een ondersteuningsvergoeding verstrekken aan een werkgever die een inwoner met de indicatie beschut werk in dienst neemt voor een beschutte baan. 3.De hoogte van de ondersteuningsvergoeding is hetzelfde voor iedere gemeente binnen de arbeidsmarksregio Midden-Gelderland. De ondersteuningsvergoeding is een jaarlijks vast bedrag en is niet gerelateerd aan het aantal uren dat iemand werkzaam is. 4.De werkgever ontvangt geen compensatie voor de achterblijvende omzet. 2.3.5.Proefplaatsing 1.Een bijstandsgerechtigde kan een proefplaatsing bij een werkgever aangeboden krijgen als dit noodzakelijk is voor de inschakeling in de arbeid. 2.De proefplaatsing is gericht op het verkrijgen van een reguliere detacherings- of arbeidsovereenkomst bij een werkgever. De werkgever spreekt bij aanvang van de proefplaatsing de intentie uit om bij gebleken geschiktheid en voldoende werkzaamheden de bijstandsgerechtigde een detacherings- of arbeidsovereenkomst aan te bieden. 3.De proefplaatsing wordt aangeboden gedurende maximaal 40 uur per week. De bijstandsgerechtigde ontvangt geen beloning en er wordt geen arbeidsovereenkomst aangegaan met de bijstandsgerechtigde. 4.Er kan tijdens de proefplaatsing een loonwaardemeting worden uitgevoerd. 5.Een proefplaatsing kan niet worden ingezet wanneer voor dezelfde persoon bij dezelfde werkgever een werkervaringsplaats is ingezet. 2.3.6Ondersteuning bij het beter beheersen van de Nederlandse taal 1.Aan een bijstandsgerechtigde inwoner, die niet beschikt over de vaardigheden van de Nederlandse taal, of deze niet kan aantonen, kan een taaltraject aangeboden worden als deze het aantal plekken dat de gemeente heeft toegekend heeft gekregen bij ROC Rijn IJssel niet overschrijdt. 2.Het taaltraject kan als bereidverklaring van artikel 18b, zesde lid, onderdeel a van de Participatiewet worden beschouwd. 3.Een taaltraject houdt rekening met de vermogens en beperkingen van de inwoner en bevat in ieder geval de volgende onderdelen: Ingangsdatum van de taalscholing; Vorm van de taalscholing; en Einddatum waarop de vaardigheden Nederlandse taal moeten zijn behaald. 4.Het college draagt zorg voor de betaling van de directe kosten van de opleiding van het taaltraject (cursusgeld en boekengeld). De inwoner draagt zorg voor de betaling van de overige kosten die gemoeid zijn met het taaltraject (schriften, schrijfgerei, en dergelijke). 5.Een taaltraject zal niet worden aangeboden aan een inwoner die volledig en duurzaam is ontheven van de arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel a van de Participatiewet, inburgeraars of indien er sprake is van een gediagnostiseerd leerprobleem waardoor de belanghebbende niet in staat is om zich de vaardigheden van de Nederlandse taal eigen te maken. 6.Onverminderd de bepalingen van artikel 18b van de wet kan het college een taaltoets bij de inwoner afnemen wanneer het vermoeden bestaat dat de inwoner niet voldoet aan de voortgang die van hem verwacht mag worden bij het verwerven van de vaardigheden van de Nederlandse taal. 2.3.7Kinderopvang Aan personen uit de doelgroep van artikel 7, lid 1, sub a, van de participatiewet die vanwege het volgen van een re-integratietraject gericht op uitstroom naar algemeen geaccepteerde arbeid, kinderopvang nodig hebben, worden de hieraan verbonden kosten vergoed voor zover zolang zij voldoen aan de voorwaarden genoemd in artikel 3.6.3 van de Verordening sociaal domein gemeente Overbetuwe 2024. 2.3.8Andere voorzieningen en vergoedingen 2.3.8.1Reiskosten 1.Belanghebbende heeft geen recht op een reiskostenvergoeding als de enkele reisafstand korter is dan 10 kilometer en in staat is om deze afstand lopend en/of fietsend af te leggen. 2.Het college vergoedt de eerste 10 kilometer wel als de enkele reisafstand langer is dan 10 kilometer. 3.Het college bepaalt de reiskostenvergoeding op basis van het goedkoopste tarief openbaar vervoer. 4.Reist belanghebbende een of twee keer per week naar een re-integratietraject, dan is de maximale vergoeding € 187 per maand. 5.Reist belanghebbende drie keer per week of meer naar een re-integratietraject, dan is de maximale vergoeding € 271 per maand. 6.Het college betaalt de reiskostenvergoeding maandelijks. 7.Het college betaalt de reiskostenvergoeding over de periode die met de belanghebbende is afgesproken (duur van re-integratietraject) 8.Het college betaalt geen reiskostenvergoeding als de belanghebbende niet deelneemt aan het re-integratietraject. 9.Het college betaalt geen reiskostenvergoeding meer als de inwoner niet langer valt onder artikel 7, lid 1, sub a, van de participatiewet 10.Het college vordert de reiskostenvergoeding geheel of gedeeltelijk terug als de belanghebbende onjuiste of onvolledige inlichtingen heeft gegeven. 2.3.8.2Noodzakelijke werkplekaanpassingen 1.De werkplekaanpassing voorziet in de verstrekking van een vergoeding voor de (eenmalige) noodzakelijke kosten van aanpassingen van de omstandigheden waaronder arbeid wordt verricht. 2.De kosten worden alleen vergoed voor zover zij niet behoren tot de normale kosten van inrichting van een werkplek en er geen sprake is van een voorliggende voorziening. 3.De vergoeding voor de werkplekaanpassing beperkt zich tot de goedkoopste adequate voorziening. 4.Het college kan een voorziening werkplekaanpassing aanbieden aan een persoon uit de doelgroep loonkostensubsidie en/of een persoon met een structurele functionele beperking, die aan de volgende criteria voldoet: de persoon verricht arbeid in een dienstbetrekking of werkt als zelfstandige; de handicap duurt naar verwachting tenminste een jaar. 5.Het college kan de volgende voorzieningen werkplekaanpassing aanbieden: aanpassingen aan vervoersvoorzieningen; meeneembare voorzieningen; dienstverlening voor blinden, doven of motorisch gehandicapten (intermediaire diensten); aanpassingen op de werkplek bij de werkgever. 6.Een vergoeding voor een aanpassing aan fiets of auto bedraagt maximaal € 2.500,00 en wordt alleen verstrekt bij een dienstverband van minimaal 24 uur per week voor een periode van tenminste 6 maanden. 7.Indien sprake is van beschut werk kan de vergoeding als bedoeld in het vorige lid worden verstrekt bij een dienstverband van minimaal 12 uur per week gedurende tenminste 6 maanden. 8.Een vergoeding voor een werkplekaanpassing bij een werkgever bedraagt maximaal € 2.500,00 en wordt alleen verstrekt bij een dienstverband van minimaal 24 uur per week voor een periode van tenminste 6 maanden. 9.Indien sprake is van beschut werk kan de vergoeding als bedoeld in het vorige lid worden verstrekt bij een dienstverband van minimaal 12 uur per week gedurende tenminste 6 maanden. 2.3.8.3Kosten werkaanvaarding 1.Aan personen uit de doelgroep van artikel 7, lid 1, sub a, Participatiewet, die uitstromen naar algemeen geaccepteerde arbeid voor een periode van tenminste 6 maanden, kan in bijzondere gevallen het college besluiten een vergoeding te geven voor de kosten welke direct samenhangen met deze werkaanvaarding. 2.Aannemelijk moet worden gemaakt, dat niet op een andere wijze in de financiering van deze kosten kan worden voorzien. 3.De éénmalige vergoeding bedraagt maximaal € 500,00 Inburgering 2.4.1Informatieverstrekking 1.Het college informeert inburgeringsplichtigen over: hun rechten en plichten op grond van de inburgeringswetgeving; de MAP; het PVT; de leerroutes. 2.Het college informeert statushouders over de maatschappelijke begeleiding. 2.4.2Brede intake inburgeringsplichtigen 1.Het college neemt de brede intake af zo snel mogelijk nadat de inburgeringsplichtige in de BRP van de gemeente is ingeschreven. 2.Het college vermeldt in de uitnodigingsbrief: wat de brede intake inhoudt; waar en wanneer precies de inburgeringsplichtige voor de brede intake moet verschijnen; dat de inburgeringsplichtige er recht op heeft om de gesprekken in het kader van de brede intake te voeren zonder dat daarbij andere mensen (bijvoorbeeld familieleden) aanwezig zijn dan onafhankelijke professionals; wat de gevolgen zijn als de inburgeringplichtige niet op de brede intake verschijnt of niet aan de brede intake meewerkt. 3.Tussen de datum van de uitnodigingsbrief en de brede intake liggen minimaal vijf werkdagen. 4.Het college legt de relevante informatie die wordt verkregen in verband met de afname van de brede intake schriftelijk vast. 2.4.3.Passende leerroute inburgeringsplichtigen en aanbod leerrroute asielstatushouders 1.Het college beoordeelt op basis van de gegevens die het COA bij de eventuele voorinburgering heeft verkregen en op basis van de uitkomsten van de brede intake en de leerbaarheidstoets welke leerroute voor de inburgeringsplichtige passend is. 2.Bij de vaststelling van de leerroute en, voor zover het gaat om asielstatushouders, de intensiteit van de taallessen houdt het college in ieder geval rekening met de arbeidsplicht uit de Participatiewet, de re-integratieplicht uit de Participatiewet en de ondersteuning bij arbeidsinschakeling uit de Participatiewet. 3.Het college stemt de keuze voor een leerroute in ieder geval af op de MAP, het PVT, de (eventuele) maatschappelijke begeleiding en het (eventuele) schuldhulpverleningsplan van aanpak. 4.Het college neemt de leerroute op in het PIP. 5.Het college registreert de leerroute en, voor zover het gaat om asielstatushouders, de intensiteit van de taallessen in het ISI. 6.Het college verstrekt de cursusinstelling en de taalschakeltrajectinstelling de NAW-gegevens en de gegevens over de leerroute, waaronder de intensiteit en de termijn van de leerroute. 7.Het college biedt asielstatushouders zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen drie maanden na de verzending van het PIP een cursus of opleiding aan waarmee zij aan de vastgestelde leerroute kunnen voldoen. 8.Als het aanbod uitblijft, dan registreert het college dat in het ISI. 9.Het college registreert de deelname en afronding van de leerroute en het taalniveau in het ISI. 2.4.4.PVT inburgeringsplichtigen 1.Het PVT bestaat in ieder geval uit: een wekelijkse workshop van twee uren, gedurende zes weken en een bezoek aan een vrijheidsmonument; of een wekelijkse workshop van twee uren, gedurende zes weken en een bezoek aan een vrijwilligerscentrale of een buurthuis. 2.De frequentie en duur als bedoeld in het eerste lid, kan in het PIP worden afgestemd op de individuele omstandigheden van de inburgeringsplichtige, met dien verstande dat het aantal uren voor het volgen van de workshops minimaal twaalf bedraagt. 3.Het college neemt het PVT op in het PIP. 4.Het college biedt inburgeringsplichtigen binnen maximaal drie maanden na de verzending van het PIP het PVT aan. 5.Bij afronding van de in het eerste lid bedoelde activiteiten ontvangt de inburgeringsplichtige een uitnodiging voor de ondertekening van de participatieverklaring. 6.Het college vermeldt in de uitnodigingsbrief: wat de ondertekening van de participatieverklaring inhoudt; waar en wanneer precies de inburgeringsplichtige voor ondertekening moet verschijnen; wat de gevolgen zijn als de inburgeringplichtige niet voor de ondertekening verschijnt. 7.Tussen de datum van de uitnodigingsbrief en de ondertekening van de participatieverklaring liggen minimaal vijf werkdagen. 8.Het college registreert de deelname aan en de ondertekende participatieverklaring in het ISI. 2.4.5.MAP Inburgeringsplichtigen 1.De MAP bestaat in ieder geval uit: minimaal twintig en maximaal veertig uren kennismaking met, en voorbereiding op de Nederlandse arbeidsmarkt in klassikale vorm; en veertig uren stage. 2.Het college beoordeelt op basis van de uitkomsten van de brede intake hoeveel klassikale uren en welke stage voor de inburgeringsplichtige passend zijn. 3.Als de inburgeringsplichtige in het kader van de brede intake, MAP-activiteiten heeft verricht, brengt het college deze bestede uren in mindering op de urennorm van veertig uren als bedoeld in het eerste lid, onder b. 4.Bij de vaststelling van de MAP houdt het college in ieder geval rekening met de arbeidsplicht uit de Participatiewet, de re-integratieplicht uit de Participatiewet en de ondersteuning bij arbeidsinschakeling uit de Participatiewet. 5.Het college neemt de MAP op in het PIP. 6.Het college biedt inburgeringsplichtigen binnen maximaal drie maanden na de verzending van het PIP de MAP aan. 7.Na afronding van de klassikale uren en de stage nodigt het college de inburgeringsplichtige uit voor het eindgesprek ter afronding van de MAP. 8.Het college vermeldt in de uitnodigingsbrief: wat het eindgesprek inhoudt; waar en wanneer precies de inburgeringsplichtige voor het eindgesprek moet verschijnen; wat de gevolgen zijn als de inburgeringplichtige niet voor het eindgesprek verschijnt. 9.Tussen de datum van de uitnodigingsbrief en het eindgesprek liggen minimaal vijf werkdagen. 10.Het college doet verslag van het eindgesprek en stelt dat zo spoedig mogelijk ter beschikking aan de inburgeringsplichtige. 11.Het college registreert de deelname aan en de afronding van de MAP in het ISI. 2.4.6.Voortgangsgesprekken 1.De frequentie van de voortgangsgesprekken wordt vastgesteld op basis van de uitkomsten van de brede intake en afgestemd op de inburgeringsplichtige. In het eerste jaar zijn er minimaal vier voortgangsgesprekken voor asielmigranten en twee voor gezinsmigranten. 2.Het college neemt de frequentie van de voortgangsgesprekken op in het PIP. 3.Het college vermeldt in de uitnodigingsbrief: wat het voortgangsgesprek inhoudt; waar en wanneer precies de inburgeringsplichtige voor het voortgangsgesprek moet verschijnen; wat de gevolgen zijn als de inburgeringplichtige niet voor het voortgangsgesprek verschijnt. 4.Tussen de datum van de uitnodigingsbrief en het voortgangsgesprek liggen minimaal vijf werkdagen. 5.Ter voorbereiding op de voortgangsgesprekken gebruikt het college de gegevens van de cursusinstelling of de taalschakeltrajectinstelling over de voortgang van de leerroute, en de aanwezigheid, inspanningen en resultaten van de inburgeringsplichtige. 6.Het college maakt een verslag van het voortgangsgesprek en stelt dat zo spoedig mogelijk ter beschikking aan de inburgeringsplichtige. 2.4.7.Maatschappelijke begeleiding Asielstatushouders 1.De maatschappelijke begeleiding voor statushouders bevat in ieder geval: ondersteuning en begeleiding bij het regelen van praktische zaken zoals wonen, zorg, participatie, inkomen, verzekeringen, onderwijs en kennismaking met de lokale woonomgeving; voorlichting over basisvoorzieningen en thema’s zoals wonen, inkomen, werk, zorg, onderwijs, opvoeding en kennismaking met maatschappelijke organisaties. 2.De maatschappelijke begeleiding wordt gegeven door medewerkers van Vluchtelingenwerk. De inburgeringsplichtige krijgt zo mogelijk een vaste begeleider toegewezen. 3.De maatschappelijke begeleiding begint zo snel mogelijk nadat de statushouder in de BRP van de gemeente is ingeschreven. 2.4.8.PIP inburgeringsplichtigen 1.In het PIP worden vastgesteld: de te volgen leerroute; de daarvoor nodige ondersteuning en begeleiding (voortgangsgesprekken); de intensiteit van het PVT en de MAP; voor zover van toepassing: de mogelijkheden van voor- of vroegschoolse educatie; en indien het gaat om een asielstatushouder: de intensiteit van de leerroute. 2.Het PIP voor bijstandsuitkeringsgerechtigde inburgeringsplichtigen bevat, naast het bepaalde in het eerste lid, de beschikkingen op grond van de Participatiewet over opgelegde arbeids- en re-integratieverplichtingen (en/of ontheffingen) en over toegekende re-integratievoorzieningen. 3.Het PIP voor bijstandsuitkeringsgerechtigde inburgeringsplichtigen met een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd bevat, naast het bepaalde in het eerste en het tweede lid, de ‘ontzorgingsbeschikking’ op grond van artikel 56a Participatiewet. 4.Zo snel mogelijk na de afname van de brede intake stelt het college de inburgeringsplichtige in de gelegenheid tot samenspraak over de manier waarop de inburgeringsplichtige aan zijn inburgeringsplicht moet voldoen. 5.Het college verzendt het PIP zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen 10 weken na inschrijving in de basisregistratie personen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aan de inburgeringsplichtige. 6.Het college registreert de datum van vaststelling van het PIP in het ISI. 2.4.9.Overschakelen naar een andere leerroute 1.De termijn om over te schakelen van de ene naar de andere leerroute is, bijzondere gevallen daargelaten, maximaal anderhalf jaar vanaf de dag na dagtekening van het PIP met dien verstande dat gedurende het gehele inburgeringstraject de onderwijsroute kan worden gewijzigd in de B1-route. 2.De beoordeling van het college of er onvoldoende voortgang of een grotere voortgang is dan op grond van het PIP was te verwachten, gebeurtaan de hand van de voortgangsgesprekken en/of de gegevens van de cursusinstelling of de taalschakeltrajectinstelling over de voortgang van de leerroute, en de aanwezigheid, inspanningen en resultaten van de inburgeringsplichtige. 3.Als de beoordeling bedoeld in het tweede lid daartoe aanleiding geeft, schakelt de inburgeringsplichtige over naar een andere leerroute en past het college het PIP aan. 4.Het college registreert de wijziging van de leerroute en, voor zover het gaat om asielstatushouders, de intensiteit van de taallessen in het ISI. 5.Het college verstrekt de cursusinstelling en de taalschakeltrajectinstelling de NAW-gegevens en de gegevens over de nieuwe leerroute, waaronder de intensiteit en de termijn van de leerroute. 6.Het college biedt asielstatushouders binnen maximaal drie maanden na de verzending van het PIP een cursus of opleiding aan waarmee zij aan de nieuwe vastgestelde leerroute kunnen voldoen. In de tussentijd worden zij geplaatst in een opstartklas. 7.Het college registreert de deelname en afronding van de nieuwe leerroute en het taalniveau in het ISI. 2.4.10.Afschalen 1.Afschalen van niveau B1 naar niveau A2 in de B1-route is mogelijk na in totaal 600 cursusuren Nederlands als tweede taal wanneer uit de feiten en omstandigheden blijkt dat de inburgeringsplichtige zich gedurende deze taallessen voldoende heeft ingespannen. 2.Als de inburgeringsplichtige in het kader van de brede cursusuren Nederlands als tweede taal heeft gevolgd, waarvan alfabetiseringsonderwijs onderdeel kan zijn, brengt het college deze bestede uren in mindering op de urennorm van 600 uren. 3.De beoordeling of niveau B1 niet (op alle onderdelen) haalbaar is, geschiedt aan de hand van de voortgangsgesprekken en/of de gegevens van de cursusinstelling en/of de taalschakeltrajectinstelling over de voortgang van de leerroute, de aanwezigheid, inspanningen en de resultaten van de inburgeringsplichtige. 4.Als de beoordeling bedoeld in het derde lid daartoe aanleiding geeft, schaalt het college (onderdelen van) de B1-route af naar A2-niveau en past het college het PIP aan. 2.4.11.Boete niet verschijnen brede intake en meewerkplicht 1.Wanneer de inburgeringsplichtige niet verschijnt voor de brede intake of onvoldoende meewerkt aan de brede intake, geeft het college hem een schriftelijke waarschuwing. In de schriftelijke waarschuwing vermeldt het college: een nieuwe datum en tijdstip voor de brede intake; wat de gevolgen zijn als de inburgeringsplichtige niet op de brede intake verschijnt of niet aan de brede intake meewerkt. 2.Tussen de datum van de waarschuwing en de brede intake liggen minimaal vijf werkdagen. 3.Wanneer de inburgeringsplichtige na de waarschuwing niet verschijnt voor de brede intake of onvoldoende meewerkt aan de brede intake legt het college hem een wettelijk bepaalde geldboete op. Het college stelt de inburgeringsplichtige in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen over het voornemen tot het opleggen van een boete. Het college volgt daarbij de procedure van artikel 5:50 Awb. In de boetebeschikking vermeldt het college: een nieuwe datum en tijdstip voor de brede intake; wat de gevolgen zijn als de inburgeringplichtige niet op de brede intake verschijnt of niet aan de brede intake meewerkt. 4.Tussen de datum van het boetebesluit en de brede intake liggen minimaal vijf werkdagen en maximaal twee maanden. 5.Wanneer de inburgeringsplichtige na de boete niet verschijnt voor de brede intake of onvoldoende meewerkt aan de brede intake legt het college hem nogmaals een boete op en voltooit het college de brede intake in afwezigheid van de inburgeringsplichtige. Het college stelt de inburgeringsplichtige in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen over het voornemen tot het opleggen van een boete. Het college volgt daarbij de procedure van artikel 5:50 Awb. 6.Het college registreert de boete in het ISI. 2.4.12.Boete tijdens het inburgeringstraject 1.Wanneer de inburgeringsplichtige de verplichtingen uit het PIP niet of onvoldoende nakomt, legt het college hem een geldboete op. 2.Voor inburgeringsplichtigen gaat het om de volgende verplichtingen: deelnemen aan de voortgangsgesprekken; deelnemen aan activiteiten in het kader van de MAP en het PVT. 3.Voor asielstatushouders gaat het daarnaast om de verplichting om deel te nemen aan de taallessen. 4.Het college stelt de inburgeringsplichtige in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen over het voornemen tot het opleggen van een boete. Het college volgt daarbij de procedure van artikel 5:50 Awb. 5.Het college registreert de boete in het ISI. 2.4.13.Samenloop boete en maatregel Participatiewet Indien het college voor dezelfde gedraging een boete op grond van de Wet inburgering 2021 kan opleggen en de bijstand op grond van artikel 9, 18 of 18b Participatiewet kan verlagen, dan legt het college geen boete op grond van de Wet inburgering op, maar verlaagt de bijstand. Inkomen en bijzondere bijstand (Participatiewet) 2.5Aanvraag van bijstand 2.5.1In aanmerking te nemen middelen: vermogen algemene en bijzondere bijstand) 1.Voor de vaststelling van de draagkracht uit vermogen is artikel 34 van de Participatiewet van overeenkomstige toepassing. 2.Voor de vaststelling van de waarde van een voertuig (bijvoorbeeld: motoren, 3.Caravans, campers, boten, aanhangers, brommer/scooters etc.) als vermogensbestandsdeel geldt het volgende: Voertuigen ouder dan 12 jaar worden, ongeacht de waarde, in beginsel niet meegenomen bij de vaststelling van het vermogen, tenzij het gaat om exclusieve voertuigen of oldtimers; Als een voertuig jonger is dan 12 jaar, dan wordt de waarde, voor zover mogelijk, vastgesteld volgens de ANWB-koerslijst waarbij wordt uitgegaan van: Voertuig met de laagste cataloguswaarde; en De verkoopwaarde bij een bedrijf met BOVAG-garantie. De waarde van een voertuig wordt niet meegenomen als vermogensbestanddeel voor zover de waarde van het voertuig lager is dan € 4.500. Als er geen exacte kilometerstand bepaald kan worden, dan wordt er een schatting gemaakt op basis van de laatst bekende kilometerstand en CBS-cijfers over het gemiddelde jaarkilometrage Nederlandse motorvoertuigen. Als blijkt dat de totale waarde van de vervoermiddelen meer is dan € 4.500, dan wordt enkel het meerdere boven deze grens in aanmerking genomen bij het vaststellen van het vermogen. 4.Als er vermogen in de woning met bijbehorend erf aanwezig is dat hoger ligt dan de grens uit artikel 34, lid 2, onder d van de Participatiewetwet, dan kan bijzondere bijstand in beginsel niet worden verstrekt, tenzij tegeldemaking, bezwaring, of verdere bezwaring van het in de woning met bijbehorend erf gebonden vermogen in redelijkheid niet kan worden verlangd, zoals gesteld in artikel 50, lid 1 van de Participatiewet. 5.Voor zelfstandig ondernemers geldt de vermogensvrijlating genoemd in artikel 3 lid 1 van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004. 2.5.2.Schadevergoeding 1.Schadevergoeding die belanghebbende ontvangt voor materiële schade wordt niet tot de middelen gerekend, tenzij de schadevergoeding niet wordt gebruikt voor het wegnemen van de schade. 2.De schadevergoeding die is bedoeld ter compensatie van het verlies van arbeidsvermogen, wordt aangemerkt als inkomen voor de periode waarop de vergoeding betrekking heeft. 3.Bij het vaststellen van het vermogen na de ontvangst van een immateriële schadevergoeding wordt 2/3 deel van het bedrag van de immateriële schadevergoeding in aanmerking genomen als vermogen. Tenzij op grond van individuele omstandigheden tot een andere vrijlating moet worden gekomen. 2.5.3Vierweken zoektermijn niet van toepassing Jongeren die zich melden voor bijstand, moeten eerst vier weken zoeken naar werk en opleidingsmogelijkheden. Deze zoektermijn is geregeld in artikel 41 lid 4 van de Participatiewet en geldt voor alle jongeren van 18 tot 27 jaar. De gedachte achter deze zoektermijn is dat een jongere aan het begin van diens loopbaan staat en de verantwoordelijkheid moet nemen om deze mogelijkheden te verkennen. Dit is ook in het belang van de jongere omdat het hebben van werk en/of het volgen van een (nieuwe) opleiding diens kansen op de arbeidsmarkt en de mogelijkheid om in het eigen inkomen te kunnen voorzien vergroten. In deze beleidsregel wordt aangegeven hoe er wordt omgegaan met bepaalde bepalingen van deze zoektermijn, en waar de jongere die zich meldt voor algemene bijstand rekening mee moet houden. In de volgende situaties is een zoektermijn niet van toepassing. De jongere heeft een indicatie beschut werk. De jongere heeft dusdanige problematische sociale of medische problematiek dat het niet wenselijk is om de zoektermijn op te leggen. Hieronder valt in ieder geval: Jongeren die in een inrichting verblijven of recht op opvang hebben op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo); Jongeren die uiterlijk een jaar voorafgaand aan de melding in een inrichting verbleven of recht hadden op opvang op grond van de Wmo; Jongeren die uiterlijk een jaar voorafgaand aan de melding bij een pleegouder of in een gezinshuis verbleven op grond van de Jeugdwet; Jongeren voor wie uiterlijk een jaar voorafgaand aan de melding een kinderbeschermingsmaatregel gold, uitgevoerd door een gecertificeerde instelling op grond van de Jeugdwet; Jongeren die niet zijn ingeschreven als ingezetene in de basisregistratie personen of die zonder woonadres, maar met een briefadres zijn ingeschreven in de basisregistratie personen. De jongere heeft (problematische) schulden en wordt hierin ondersteund door een passend schuldhulpverleningstraject of ondersteuning bij thuisadministratie. 2.5.4Terugwerkende kracht 1.In sommige situaties kan het college bijstand toekennen vanaf een eerdere datum dan de datum waarop de inwoner zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen. Dit kan als er omstandigheden zijn die maakten dat de inwoner zich niet eerder heeft gemeld, zoals: de inwoner was niet in staat om bijstand aan te vragen; een aanvraag voor een passende en toereikende voorliggende voorziening is afgewezen; een eerdere bijstandsaanvraag is buiten behandeling gesteld of afgewezen omdat de aanvrager niet tijdig alle benodigde gegevens aan het college heeft verstrekt; de inwoner had onvoldoende zicht op de hoogte van zijn inkomen of vermogen, bijvoorbeeld als gevolg van een flexibel arbeidscontract, een echtscheiding, een erfenis of detentie; de inwoner heeft met terugwerkende kracht een verblijfsvergunning gekregen. 2.Het college kent de bijstand toe vanaf de dag waarop het recht op bijstand is ontstaan. Deze dag ligt maximaal drie maanden vóór de dag waarop de inwoner zich heeft gemeld. 3.Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de toekenning van een uitkering, bedoeld in artikel 16a, vierde lid, van de Ioaw. 2.5.5Vereenvoudigde aanvraag Wanneer de inwoner binnen 12 maanden na beëindiging van de uitkering opnieuw een uitkering wil aanvragen, in elk geval in verband met einde werk of detentie, kan dit door middel van een verkorte aanvraag. Een verkorte aanvraag betekent in elk geval dat het college: Een aanvraagformulier “verkorte aanvraag” gebruikt alleen de gewijzigde gegevens opvraagt die na beëindiging van de vorige bijstandsperiode zijn ontstaan, zoals bewijsstukken rondom middelen en bijvoorbeeld einde arbeidscontract Let op: De leefsituatie van de inwoner mag niet gewijzigd zijn om voor de verkorte aanvraag in aanmerking te komen. Denk aan een alleenstaande die in de periode na einde van de vorige bijstandsperiode is gaan samenwonen. In dat geval blijft de gewone aanvraagprocedure van kracht. 2.6.1Levensonderhoud jongmeerderjarigen in een inrichting 1.In het geval dat een jongmeerderjarige in een inrichting verblijft kan recht op bijzondere bijstand voor de kosten van levensonderhoud bestaan. 2.Het college past voor een jongmeerderjarige de norm toe die op grond van de wet van toepassing is op personen van 21 jaar en ouder die in een inrichting verblijven. 2.6.2Wonen met zorg 1.Een inwoner die gebruik maakt van wonen met zorg en die zelf verantwoordelijk is voor betaling van huur en levensonderhoud wordt gezien als zelfstandig wonend. 2.In geval een inwoner woont met zorg past het college de norm toe als bedoeld in artikel 21 van de Participatiewet. 2.6.3Onderhoudsplicht ouders De aanvraag van een jongmeerderjarige wordt afgewezen indien niet aannemelijk is gemaakt dan wel aantoonbaar dat de hulp is ingeroepen van ouders om bij te dragen aan het levensonderhoud. 2.6.4Afwezigheid van draagkracht bij ouders Van ouders van jongmeerderjarigen wordt verwacht dat zij naar vermogen een bijdrage leveren aan het levensonderhoud van jongmeerderjarigen. Het college gaat voor onderstaande categorieën personen uit van de afwezigheid van de mogelijkheid om bij te dragen aan het levensonderhoud omdat er geen draagkracht uit inkomen aanwezig is: personen met een uitkering op grond van de wet; personen met een IOAW- of IOAZ-uitkering; personen met een inkomen van maximaal de van toepassing zijnde bijstandsnorm uit een andere inkomstenbron, inclusief vakantietoeslag. 2.6.5Draagkrachtberekening 1.Bij ouders met een meerinkomen boven 120% van de bijstandsnorm worden de volgende componenten in mindering gebracht op het meer inkomen 10% van de norm voor elk ander kind waarvoor de ouder zorg draagt; woonkosten boven de normhuur plus de huurtoeslag, zoals bepaald in de Wet op de huurtoeslag; woonkosten bij hypotheek: woonkosten boven de normhuur plus de hypotheekrenteaftrek van de belastingdienst; de ziektekostenpremie boven de zorgtoeslag 2.Van het meer inkomen dat resteert na toepassing van het eerste lid wordt 35% in aanmerking genomen als beschikbare draagkracht waarmee in het levensonderhoud van de jongmeerderjarige kan worden voorzien. 3.Het bedrag dat door toepassing van het tweede lid als draagkracht wordt aangemerkt wordt in mindering gebracht op te verstrekken bijzondere bijstand aan de jongmeerderjarige. 4.Bij een draagkracht uit inkomen van minder dan € 25 per maand wordt geen bedrag in mindering gebracht op te verstrekken bijzondere bijstand aan de jongmeerderjarige. 5.Draagkracht wordt eenmalig vastgesteld. De periode van geldigheid eindigt van rechtswege bij het beëindigen van de bijzondere bijstand of het bereiken van de 21-jarige leeftijd van de jongmeerderjarige. 2.6.6Afzien van draagkrachtberekening In de onderstaande situaties wordt afgezien van een draagkrachtberekening van ouders om de hoogte van bijzondere bijstand te bepalen: Als naar het oordeel van het college aannemelijk is gemaakt door de aanvrager dat er sprake is van een verstoorde verhouding; Als de jongmeerderjarige naar het oordeel van het college niet meer thuis kan wonen; Als de jongmeerderjarige langer dan 2 jaar zelfstandig woont; Als de jongmeerderjarige in het kader van de Jeugdwet buiten het gezin is geplaatst; Als de aanvraag wordt ingediend door een jongmeerderjarige die binnen 6 maanden vanaf datum van de aanvraag 21 jaar oud is; 2.6.7Ouders die wel kunnen maar niet willen bijdragen aan levensonderhoud Het college verhaalt de bijzondere bijstand of een deel ervan bij de ouders indien: na toepassing van de draagkrachtberekening blijkt dat er draagkracht bij ouders aanwezig is en; de ouder(
  3. s)naar oordeel van het college onwillig zijn om deze bijdrage te leveren. Het geven van informatie en advies en/of een doorverwijzing naar andere hulpverlening is altijd mogelijk. 2.7.Mantelzorg Mantelzorg wordt vanuit de Participatiewet gezien als bestaand uit de volgende onderdelen: onbetaalde, niet-professionele zorg die langdurig en intensief wordt verleend aan een hulpbehoevende door iemand uit diens sociale omgeving (familie, vriend, buur); zorg die rechtstreeks voortvloeit uit een bestaande sociale relatie en de gebruikelijke zorg overstijgt; zorg waarbij zonder deze mantelzorg sprake is van opname in een Wlz-instelling of vergelijkbare intramurale voorziening. Om mantelzorg te verlenen kan een belanghebbende tijdelijk elders verblijven, hiervoor gelden de volgende voorwaarden: De belanghebbende tijdelijk verblijft op een ander adres dan het hoofdverblijf (BRP-adres) met een maximale duur van 6 maanden. Het tijdelijk verblijf elders moet uitsluitend verband houden met het verlenen van mantelzorg. De belanghebbende gedurende het tijdelijk verblijf elders wel het eigen hoofdverblijf moet aanhouden. De belanghebbende meldt het tijdelijk verblijf zo spoedig mogelijk bij het college De belanghebbende maakt aannemelijk dat er sprake is van mantelzorg bij een intensieve zorgbehoefte door het aanleveren van: Een schriftelijke verklaring van de zorgvrager of zorgverlener, waarin de aard en duur van de intensieve zorgbehoefte wordt beschreven; Eventueel aanvullende bewijsstukken, zoals: een indicatie voor intensieve zorg op grond van de Wmo of WLZ of een zorgplan; een deskundigenverklaring, niet zijnde de eigen behandelaar, waaruit de intensieve zorgbehoefte blijkt waardoor de mantelzorg noodzakelijk is. Wanneer door belanghebbende is voldaan aan de genoemde voorwaarden van lid 2 en 3 van dit artikel heeft het verlenen of ontvangen van mantelzorg de volgende gevolgen: Het tijdelijk ergens anders verblijven door mantelzorg wordt niet gezien als wijziging van het hoofdverblijf De kostendelersnorm wordt niet toegepast bij tijdelijk verblijf van het verlenen van mantelzorg. Onbetaalde mantelzorg wordt niet gezien als werk en heeft daarmee geen invloed op de hoogte van de uitkering. 2.8.Vrij te laten giften Voor wat betreft giften genoemd in art 31 lid 2 onder m: Tot het in artikel 31 lid 2 genoemde bedrag per kalenderjaar is er geen meldingsplicht voor belanghebbenden Voor het meerdere dan het bedrag onder artikel 31 lid 2, maken we onderscheid tussen incidentele giften en periodieke giften. Incidentele giften: het meerdere wordt gezien als vermogen. Periodieke giften: het meerdere wordt gezien als inkomen 2.8.1Giften in natura 1.Giften in de vorm van verstrekkingen van de voedselbank, kledingbank en andere soortgelijke instellingen worden niet tot de middelen gerekend. Hiervoor geldt geen meldingsplicht. 2.Overige giften in natura die per kalenderjaar niet boven een waarde van € 1.500,- komen worden niet tot de middelen gerekend. Overige giften in natura dienen gemeld te worden door de belanghebbende. 3.De waarde van de giften in natura die in een kalenderjaar boven het vrij te laten bedrag van € 1.200,- uitkomt wordt aangemerkt als vermogen. Dit wordt meegeteld met het maximaal vrij te laten vermogen. 4.De aanmerking als vermogen blijft achterwege als dit uit oogpunt van bijstandsverlening verantwoord is. Dit is bijvoorbeeld het geval als een gift in natura wordt gedaan in de vorm van een medisch hulpmiddel dat noodzakelijk is voor het functioneren van belanghebbende (of één van zijn gezinsleden) of als sprake is van noodzakelijke duurzame gebruiksartikelen. 2.8.2.giften in afwachting van de afhandeling van de bijstandsaanvraag 1.Giften die worden verstrekt in afwachting van de afhandeling van de bijstandsaanvraag en die niet meer bedragen dan de voor belanghebbende geldende bijstandsnorm per maand, worden niet tot de middelen gerekend. 2.Het meerdere boven de bijstandsnorm per maand voor belanghebbende wordt tot de middelen gerekend. 2.8.3Giften in verband met schulden 1.Een gift die aantoonbaar en onherroepelijk wordt besteed aan de afbetaling van een problematische schuld, die is ontstaan in een periode voor aanvang van de bijstandsverlening, wordt niet tot de middelen gerekend. Een schuld is problematisch als deze niet binnen 36 maanden terugbetaald kan worden of als deze ontstaan is door een acute noodsituatie. 2.8.4.Giften van werkgevers Giften van werkgevers worden niet tot de middelen gerekend, als deze onbelast voor belanghebbende zijn. 2.9Bijzondere 9ijstand 2.9.1Geen bijzondere bijstand bij een voorliggende voorziening 1.Het college kent geen bijzondere bijstand toe als er een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die gezien haar aard en doel passend en toereikend is. 2.Er is geen recht op bijzondere bijstand als de kosten door de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt. 2.9.2De vorm en de hoogte van de bijstand 1.Het college geeft in het besluit aan in welke vorm de bijzondere bijstand wordt verleend, te weten: om niet (zonder terugbetalingsverplichting), een geldlening, suppletie of borgstelling. 2.Het college stelt de hoogte van de bijzondere bijstand vast op individuele basis of op basis van normbedragen. Het college sluit aan bij de vastgestelde (geïndexeerde) (norm)bedragen zoals vastgelegd in de Nibud-Prijzengids, tenzij anders is bepaald in deze beleidsregels. 3.Het college kan alsnog meerkosten ten opzichte van de richtprijzen vergoeden, wanneer deze aantoonbaar noodzakelijk zijn. 4.In gevallen waarin de Nibud-prijzengids niet voorziet, gaat het college uit van de goedkoopste, meest adequate voorziening. 2.9.3Bestedingsverplichting 1.De bijzondere bijstand moet worden besteed aan het doel waarvoor het wordt verstrekt. 2.Het college kan alle verstrekte bijzondere bijstand steekproefsgewijs controleren. 3.Bewijzen van de besteding van de bijzondere bijstand dienen minimaal zes maanden bewaard te worden. 2.9.4Wijze van indiening aanvraag 1.Het college stelt het recht op bijzondere bijstand door middel van een aanvraag vast. 2.De aanvraag wordt schriftelijk ingediend via een daarvoor bestemd aanvraagformulier. 3.Het uitgangspunt is dat de aanvraag wordt ingediend door belanghebbende die een beroep doet op bijzondere bijstand. 2.9.5Moment van indiening aanvraag 1.Een aanvraag voor bijzondere bijstand moet in beginsel zijn ingediend voordat de kosten worden gemaakt. 2.In afwijking van het eerste lid is bijzondere bijstand met terugwerkende kracht mogelijk als aantoonbaar gemaakte kosten niet langer dan 3 maanden voor de aanvraag zijn opgekomen. 2.9.6Draagkrachtperiode 1.De draagkracht wordt in beginsel vastgesteld voor de periode van 12 maanden, beginnend op de eerste dag van de maand waarop de daadwerkelijke kosten zijn opgekomen. 2.Als binnen de vastgestelde periode van 12 maanden een nieuwe aanvraag bijzondere bijstand wordt ingediend, blijft de al eerdere vastgestelde draagkracht voor die periode gelden, tenzij er sprake is van een wijziging genoemd in artikel 1.4.7 lid 2 van deze beleidsregels. 3.De draagkracht kan over een afwijkende periode, genoemd in het eerste lid worden vastgesteld als hiervoor aanleiding is. 4.In afwijking op het eerste lid kan de draagkracht voor belanghebbende die algemene bijstand ontvangt, worden vastgesteld voor de duur van de algemene bijstandsperiode. De draagkrachtperiode loopt af op de dag waarop de bijstandsuitkering wordt beëindigd. 5.In afwijking van het eerste lid wordt de draagkracht voor belanghebbenden, die de AOW-leeftijd hebben, voor drie jaar vastgesteld. Voorwaarde is dat wijzigingen in het inkomen en vermogen aan het college worden doorgegeven. 6.In afwijking van het eerste lid wordt de draagkracht voor belanghebbenden, die een Wajong-uitkering, WIA-uitkering of WAO-uitkering hebben en 80% tot 100% arbeidsongeschikt zijn, voor drie jaar vastgesteld. Voorwaarde is dat wijzigingen in het inkomen en vermogen aan het college worden doorgegeven. 7.In afwijking van het eerste lid heeft belanghebbende die is toegelaten tot de wettelijke schuldsanering (Wsnp) dan wel een minnelijke regeling (Msnp) is overeengekomen, geen draagkracht gedurende de looptijd van de sanering respectievelijk minnelijke regeling. 2.9.7Wijziging draagkracht tijdens draagkrachtperiode 1.Een eenmaal vastgestelde draagkracht voor de duur van één jaar wordt in beginsel niet meer aangepast. 2.In afwijking van het eerste lid kan de draagkracht enkel worden aangepast als er sprake is van een stijging in het (netto) inkomen van 15% of meer, een wijziging in het vermogen waardoor het vermogen boven de van toepassing zijnde vermogensgrens is uitgekomen, of een daling van het inkomen naar 110% van de bijstandsnorm of lager. Dit vindt plaats op initiatief van het college of nadat belanghebbende feiten en omstandigheden heeft gemeld die van invloed zijn op het recht op of de hoogte van de bijzondere bijstand. 2.9.8Draagkrachtpercentage 1.Voor de vaststelling van de draagkracht uit inkomen geldt het volgende: Een belanghebbende met een inkomen tot 110% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm (exclusief vakantiegeld) wordt verondersteld geen draagkracht uit inkomen te hebben. Bij een inkomen dat hoger is dan 110% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm (exclusief vakantiegeld) wordt 35% van het netto meerinkomen boven de 110% als draagkracht uit inkomen in aanmerking genomen. Onder de van toepassing zijnde bijstandsnorm (exclusief vakantiegeld) worden de bijstandsnormen verstaan zoals bedoeld in de artikelen 20 tot en met 23 van de Participatiewet, met toepassing van de kostendelersnorm. 2.In uitzondering op lid 1 wordt er voor een aantal kostensoorten uitgegaan van 100% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm en wordt ook de volledige draagkracht gebruikt. Het gaat om kostensoorten die weliswaar worden verstrekt als bijzondere bijstand, maar die naar hun aard behoren tot de algemene noodzakelijke kosten of te maken hebben met het betalen van algemene noodzakelijk kosten van bestaan. Voor deze kostensoorten geldt het volgende: 0% van het in aanmerking te nemen inkomen, wanneer het inkomen (exclusief vakantietoeslag) lager of gelijk is dan de van toepassing zijnde bijstandsnorm. 100% van het in aanmerking te nemen inkomen boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm (exclusief vakantietoeslag). 3.De uitzondering benoemd in het vorige lid geldt voor de volgende kostensoorten: Levensonderhoud jongmeerderjarigen; Aanschaf en vervanging van duurzame gebruiksgoederen; Bewindvoering, budgetbeheer, curatele en mentorschap; Woonkostentoeslag; Verhuis- en inrichtingskosten; Doorbetaling van huur bij verblijf in inrichting of detentie. 4.Voor de vaststelling van de draagkracht uit vermogen geldt er een vermogensvrijlating gelijk aan het bedrag genoemd in artikel 34, lid 3 van de Participatiewet. Het vermogen boven dit bedrag wordt voor 100% in aanmerking genomen als draagkracht. 2.9.9In aanmerking te nemen middelen: inkomen 1.Het inkomen dat voor de vaststelling van de draagkracht in aanmerking wordt genomen, wordt over de in artikel 1.4.6 eerste lid aangegeven periode, op maandbasis vastgesteld. 2.Bij de vaststelling van het maandinkomen wordt ten aanzien van constante inkomsten uitgegaan van de hoogte van deze inkomsten over de maand voorafgaand aan het tijdstip waarop de in artikel 1.4.6 aangegeven periode van één jaar aanvangt. 3.Bij de vaststelling van het maandinkomen wordt ten aanzien van wisselende inkomsten uitgegaan van het gemiddelde van deze inkomsten over een termijn van ten minste drie maanden voorafgaand aan het tijdstip waarop de in artikel 1.4.6 aangegeven periode van één jaar aanvangt. 4.Niet tot het inkomen (vrijlatingen) van belanghebbende wordt gerekend hetgeen vermeld staat onder artikel 31, lid 2 van de Participatiewet, met inachtneming van artikel 31, lid 5 van deze wet. 5.Een toegekende individuele inkomenstoeslag (Persoonlijk Minimabudget) en studietoeslag worden bij de berekening van de draagkracht van belanghebbende buiten beschouwing gelaten. Een uitzondering wordt gemaakt bij de aanschaf of vervanging van duurzame gebruiksgoederen. In dat geval wordt de individuele inkomenstoeslag wel meegenomen bij de vaststelling van de draagkracht. 6.Het deel van het inkomen van belanghebbende waarop beslag ligt, behoort niet tot de in aanmerking te nemen middelen. 2.9.10Drempelbedrag Het college hanteert geen drempelbedrag voor de kosten van bijzondere bijstand. 2.9.11Vorm van bijzondere bijstand 1.Tenzij een van de artikelen anders bepaalt wordt de bijzondere bijstand verstrekt om niet. 2.Bijzondere bijstand kan in de vorm van een geldlening verstrekt worden wanneer: redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de belanghebbende op korte termijn over voldoende middelen zal beschikken om over de betreffende periode in de bijzondere noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien; de noodzaak tot bijstandsverlening het gevolg is van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan; de aanvraag betrekking heeft op de betaling van een waarborgsom; de aanvraag betrekking heeft op de betaling van schulden; de aanvraag betrekking heeft op de betaling van duurzame gebruiksgoederen; 2.9.12Bijzondere bijstand voor medische kosten 1.In beginsel komen medische kosten niet in aanmerking voor bijzondere bijstand, omdat de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de Wet langdurige zorg (Wlz) in het algemeen alle noodzakelijke kosten vergoeden die verband houden met (para)medische behandeling, intensieve zorg en toezicht. Beide regelingen gelden samen als voorliggende voorzieningen die passend en toereikend zijn. 2.Voorzieningen die niet op grond van de Zvw of Wlz worden vergoed, worden beschouwd als niet noodzakelijk. Er is geen bijzondere bijstand mogelijk voor dergelijke kosten. 3.Voorzieningen kunnen in een aanvullende verzekering worden opgenomen. Als een aanvrager bijzondere bijstand aanvraagt voor voorzieningen waarvoor hij verzekerd had kunnen zijn maar dit niet het geval is, dan wordt dit gezien als een bewust genomen risico van de aanvrager zelf. Er is in beginsel geen bijzondere bijstand mogelijk voor dergelijke kosten. 4.Alleen bij zeer dringende redenen kan er bijzondere bijstand voor medische kosten worden verstrekt. Er wordt geen bijzondere bijstand verstrekt voor het bedrag dat ontvangen zou zijn wanneer aanvrager wel aanvullend verzekerd was geweest, tenzij van belanghebbende redelijkerwijs niet kon worden verlangd dat hij voor deze kosten een aanvullende verzekering heeft afgesloten. Op het bedrag waarvoor bijzondere bijstand wordt aangevraagd, wordt de hoogte van de vergoeding vanuit de aanvullende zorgverzekering van de aanvrager in mindering gebracht. 5.Bij het verlenen van bijzondere bijstand voor medische kosten wordt gekeken naar de goedkoopste en meest adequate (noodzakelijke) oplossing en niet naar de gewenste (duurdere) oplossing. 6.Er wordt geen bijzondere bijstand verstrekt voor het verschuldigde wettelijke eigen risico en het vrijwillig afgesloten eigen risico. 2.9.13Reiskosten in verband met Inburgering 1.Reiskosten in verband met een inburgeringstraject op grond van de Wet inburgering 2013 of 2021 zijn algemene noodzakelijke kosten van het bestaan, die in beginsel uit het eigen inkomen voldaan dienen te worden. Bijzondere omstandigheden kunnen echter met zich meebrengen dat toch bijzondere bijstand verleend dient te worden. 2.Voor deze kosten kan bijzondere bijstand worden verstrekt als er sprake is van: een inburgeringstraject op grond van de Wet inburgering 2013 of 2021 met een enkele reisafstand van meer dan 3 kilometer. Een verplicht inburgeringsexamen op een DUO-examenlocatie op grond van de Wet Inburgering 2013 en 2021. 3.De hoogte van de bijzondere bijstand wordt als volgt vastgesteld: Er wordt uitgegaan van de kosten op basis van de goedkoopste tarieven met openbaar vervoer. Hiervoor wordt www.9292.nl (OV) gebruikt. Een enkele reisafstand van minder dan 3 kilometer komt niet in aanmerking voor een vergoeding, de afstand is acceptabel te voet af te leggen. Bij een enkele reisafstand van meer dan 3 kilometer maar minder dan 10 kilometer: er kan een eenmalige fietsvergoeding voor een tweedehands fiets verstrekt van maximaal € 300. Voorafgaand aan het verstrekken van de fietsvergoeding dient er een aankoopnota te worden overlegd. In dit geval vervalt de verstrekking onder 3a. Bij gebruik van een WMO-vervoersvoorziening wordt een vergoeding verstrekt voor de eigen bijdrage. 4.De bijzondere bijstand wordt toegekend voor de duur van het traject. 2.10Studietoeslag 2.10.1Voorwaarden Er bestaat recht op studietoeslag als belanghebbende: als rechtstreeks gevolg van een structurele medische beperking niet in staat is naast de studie inkomsten te verwerven; studiefinanciering ontvangt op grond van de WSF of een tegemoetkoming krijgt op grond van de WTOS. Het levenlanglerenkrediet van de WSF valt niet hieronder; geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wajong. 2.10.2Structurele medische beperking 1.Structurele medische beperking: een fysieke en/of psychische beperking die voortkomt uit een in de persoon gelegen ziekte of medisch gebrek die voldoende ernstig is dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen het gebrek en het structureel niet in staat zijn van het verdienen van inkomsten door belanghebbende naast de studie. 2.Structureel: als er binnen een periode van 12 maanden na de aanvraag geen herstel of verbetering is te verwachten in de medische beperking, zodanig dat belanghebbende wel in staat is om naast de studie te werken en daar inkomen mee te verdienen. 3.Er is in ieder geval, maar niet limitatief, geen sprake van een structurele medische beperking bij: mantelzorg; een gebroken arm of been; kortdurende beperkingen; beperkingen die niet dusdanig ernstig zijn dat iemand naast de studie niet meer kan werken. 2.10.3.Aanvraag 1.De aanvraag voor studietoeslag wordt schriftelijk ingediend via het aanvraagformulier studietoeslag. 2.Belanghebbende verstrekt bij de aanvraag de volgende stukken: een bewijs van het ontvangen van studiefinanciering op grond van de WSF op een tegemoetkoming op grond van de WTOS; bij stage: een kopie van de stageovereenkomst waaruit de hoogte van de stagevergoeding blijkt. 3.Belanghebbende kan bij de aanvraag een deskundigenverklaring, niet zijnde de eigen behandelaar, verstrekken waarin staat waarom belanghebbende niet kan werken naast de studie. 2.10.4.Toekennen en uitbetalen 1.Als door het college is vastgesteld dat recht op studietoeslag bestaat, wordt de studietoeslag toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende de aanvraag om studietoeslag heeft ingediend. 2.In afwijking van lid 1 wordt studietoeslag met terugwerkende kracht ook toegekend over een periode die is gelegen voor de dag waarop belanghebbende de aanvraag om studietoeslag heeft ingediend als: belanghebbende daarom verzoekt; en belanghebbende over deze periode voldoet aan de voorwaarden voor het recht op studietoeslag. 3.In afwijking van lid 2 wordt studietoeslag niet met terugwerkende kracht toegekend over een periode die is gelegen: voor 1 april 2022; dan wel 5 jaar voorafgaand aan de dag waarop de belanghebbende de aanvraag om studietoeslag heeft ingediend. 4.De studietoeslag wordt maandelijks uitbetaald. 5.De studietoeslag die met terugwerkende kracht wordt toegekend, wordt na toekenning als een bedrag ineens uitbetaald. 2.10.5.Hoogte studietoeslag 1.De hoogte van de studietoeslag is gelijk aan de bedragen genoemd in artikel 7a van het Besluit loonkostensubsidie en minimumbedragen studietoeslag Participatiewet 2021. 2.Het recht op een hogere studietoeslag op grond van leeftijd ontstaat op de dag waarop de belanghebbende jarig is. 2.10.6.Medisch advies 1.Het college is verplicht een medisch advies te vragen aan een onafhankelijke deskundige voor de beoordeling of er sprake is van een structurele medische beperking. 2.In afwijking van lid 1 kan het college alleen een medisch advies achterwege laten als direct duidelijk is dat er recht bestaat op studietoeslag gelet op de ernst/aard van de structurele medische beperking; 2.10.7.Nieuw medisch advies bij zicht op verbetering Wanneer het eerste medisch advies of deskundigenverklaring daartoe aanleiding geeft, bepaalt het college dat binnen een bepaalde periode een nieuw advies zal worden gevraagd om te beoordelen of belanghebbende nog steeds niet in staat is om naast de studie te werken. 2.11Armoedebeleid 2.11.1Meedoenregeling De Meedoenregeling in Overbetuwe werkt met punten. Ieder thuiswonend kind (4-17 jaar) en meerderjarige (18 jaar en ouder) ontvangt punten waarmee gebruik gemaakt kan worden van producten en diensten die via www.meedoeninoverbetuwe.nl kunnen worden aangeschaft. Punten worden beschikbaar gesteld aan personen die voldoen aan de voorwaarden die in artikel 1.5.1 worden beschreven. 2.11.2Recht op de meedoenregeling 1.Een alleenstaande of een gezin heeft recht op de toegang tot de Meedoenregeling: voor zover het inkomen niet meer bedraagt dan 120% van de op de belanghebbende(
  4. n)van toepassing zijnde bijstandsnorm als bedoeld in hoofdstuk 3, paragraaf 2 van de Participatiewet, inclusief eventuele toeslagen en verlagingen op grond van hoofdstuk 3, paragraaf 3 van de Participatiewet; Als zij op het moment van aanvraag, Nederlander zijn of hieraan gelijkgesteld zijn op grond van de wet; én ingeschreven is in het Basisregister Personen van de gemeente Overbetuwe 2.Bij vaststelling van het inkomen wordt de vermogenstoets, zoals omschreven in artikel 31 van de Participatiewet, toegepast met uitzondering op het vermogen in de vorm van een woning. Deze wordt niet meegerekend; 3.De kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a van de Participatiewet is niet van toepassing bij de bepaling van het recht op de Meedoenregeling. 4.Deelnemers aan het wettelijk traject van het Wsnp of aan minnelijke regelingen overeenkomstig de Wsnp (schuldbemiddeling en saneringskredieten van kredietbanken) worden geacht te voldoen aan de inkomenseis als bedoel in het eerste lid onderdeel a. 5.Studenten komen niet in aanmerking voor de Meedoenregeling tenzij zij alleenstaande ouder zijn. 2.11.3Wijze van aanvragen 1.Een aanvraag om toegang tot de meedoenregeling wordt ingediend via www.meedoeninoverbetuwe.nl 2.11.4Punten Aan belanghebbenden wordt via het account punten toegekend. Toegekende punten zijn; tot een vooraf aangegeven datum in december van een kalenderjaar te besteden; niet uitkeerbaar in geld; niet te sparen of over te hevelen naar een opvolgend jaar Het college kan periodiek het aantal punten en het bedrag dat deze vertegenwoordigen wijzigen. Het recht op de Meedoenregeling eindigt aan het einde van het kalenderjaar als houder van een account op enig moment in dat jaar niet meer voldoet aan de voorwaarden zoals genoemd in artikel 1.5.1, eerste lid. 2.11.5Zorgkostenregeling eigen risico 1.Een persoon heeft recht op de tegemoetkoming eigen risico: voor zover het inkomen niet meer bedraagt dan 120% van de op de belanghebbende(
  5. n)van toepassing zijnde bijstandsnorm als bedoeld in hoofdstuk 3, paragraaf 2 van de Participatiewet, inclusief eventuele toeslagen en verlagingen op grond van hoofdstuk 3, paragraaf 3 van de Participatiewet; Wanneer het jaarlijks wettelijk eigen risico, zoals omschreven in artikel 19 van de Zorgverzekeringswet, heeft voldaan. als deze op het moment van aanvraag, Nederlander is of hieraan gelijkgesteld is op grond van de wet; én ingeschreven is in het Basisregister Personen van de gemeente Overbetuwe 2.Bij vaststelling van het inkomen wordt de vermogenstoets, zoals omschreven in artikel 31 van de Participatiewet, toegepast met uitzondering op het vermogen in de vorm van een woning. Deze wordt niet meegerekend. 3.De kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a van de Participatiewet is niet van toepassing bij de bepaling van het recht op de tegemoetkoming eigen risico. 4.Deelnemers aan het wettelijk traject van het Wsnp of aan minnelijke regelingen overeenkomstig de Wsnp (schuldbemiddeling en saneringskredieten van kredietbanken) worden geacht te voldoen aan de inkomenseis als bedoel in het eerste lid onderdeel a. 2.11.6Hoogte van de vergoeding 1.Voor de tegemoetkoming eigen risico wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende groepen; Personen die in het kalenderjaar 2025 een zorgverzekering had bij Menzis via de collectieve zorgverzekering van de gemeente Overbetuwe. Personen die in het kalenderjaar 2025 geen zorgverzekering had bij Menzis via de collectieve zorgverzekering van de gemeente Overbetuwe. 2.Voor de groep bedoeld in het eerste lid onderdeel a is er een vergoeding van €385. 3.Wanneer een persoon in de groep bedoeld in het eerste lid onderdeel a een eigen bijdrage betaalt voor de WMO is een additionele verhoging van €150 mogelijk. 4.Voor de groep bedoeld in het eerste lid onderdeel b is er een vergoeding van €165. 5.De compensatie is niet overdraagbaar en wordt verstrekt om niet. 2.11.7Aanvraag 1.Personen die behoren tot de in artikel 1 omschreven doelgroep moeten een aanvraag indienen via het daarvoor bestemde aanvraagformulier te vinden op de site van het sociaal team Overbetuwe. 2.Een aanvraag heeft betrekking op de gemaakte kosten binnen één kalenderjaar (1 januari tot 31 december) 3.Per kalenderjaar kan éénmaal een aanvraag worden ingediend 4.De aanvraag dient vóór 1 april van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarop de aanvraag betrekking heeft, ingediend zijn. 5.De aanvrager moet aantonen dat is voldaan aan artikel 1, lid 1b, door het overleggen van een betalingsoverzicht van het wettelijk verplichte eigen risico van de betreffende zorgverzekeraar. 2.12Schuldhulpverlening 2.12.1Doelgroep gemeentelijke schuldhulpverlening 1.Iedere inwoner van de gemeente Overbetuwe kan zich tot het college wenden voor schuldhulpverlening. 2.Alleen in bijzondere omstandigheden kan het college, op grond van artikel 3, vijfde lid van de wet, besluiten ook schuldhulpverlening te geven aan een persoon die (tijdelijk) geen inwoner is. Voor de toepassing van deze beleidsregel wordt deze persoon dan gelijkgesteld met een inwoner. 2.12.2Aanbod schuldhulpverlening 1.Het college laat verzoeker tot de schuldhulpverlening toe indien het college dit noodzakelijk acht. 2.Het eerste gesprek waarin de schriftelijke of mondeling hulpvraag wordt vastgesteld, vindt plaats binnen 4 weken nadat: een inwoner zich tot het college wendt voor schuldhulpverlening; of het college een signaal als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b van de wet heeft ontvangen, in het geval de inwoner het aanbod heeft geaccepteerd. 3.Als er sprake is van een crisissituatie vindt binnen 3 werkdagen het eerste gesprek plaats, waarin de hulpvraag wordt vastgesteld. 4.De vorm waarin schuldhulpverlening aangeboden wordt, is van meerdere factoren afhankelijk en kan per situatie verschillen. De factoren die een rol kunnen spelen zijn: aard, zwaarte en/of omvang van de schulden; inkomsten, uitgaven en woonsituatie van verzoeker; of een verzoeker in het kader van vroegsignalering een hulpaanbod heeft geaccepteerd; de psychosociale situatie van verzoeker; houding en gedrag van verzoeker (motivatie) en de mate van zelfredzaamheid; de (financiële) vaardigheden van de verzoeker; een eerder gebruik van schuldhulpverlening; of verzoeker een zelfstandig ondernemer is. 5.Toelating, weigering of (voortijdige) beëindiging van schuldhulpverlening vindt altijd plaats met een beschikking. Dit geldt ook bij een (tussentijdse) wijziging van het plan van aanpak. 6.In afwijking van het vijfde lid kan een beschikking achterwege blijven als in het eerste gesprek verzoeker aangeeft af te zien van verdere schuldhulpverlening. 7.In de toelating tot schuldhulpverlening wordt een plan van aanpak opgenomen waarin het aanbod schuldhulpverlening en de daarbij behorende voorwaarden in concrete stappen zijn uitgewerkt. 8.Het plan van aanpak zoals bedoeld in het zevende lid bevat ten minste het beoogde doel van schuldhulpverlening en welk(
  6. e)product(
  7. en)daartoe worden ingezet. Ook wordt in het plan van aanpak de beslagvrije voet in acht genomen. 2.12.3Verplichtingen van de verzoeker Verzoeker moet zich houden aan de inlichtingenplicht, zoals omschreven in artikel 4:2 van de Awb. 2.12.4Verplichtingen van de cliënt De cliënt moet zich houden aan de inlichtingen- en medewerkingsplicht, zoals omschreven in artikel 6 en 7 van de Wet Gemeentelijke Schuldhulpverlening, Dit bestaat onder andere uit: het nakomen van gemaakte afspraken in het kader van de schuldhulpverlening; het tijdig verschijnen op afspraken; geen nieuwe schulden en/of financiële verplichtingen aangaan, tenzij hiervoor schriftelijk door het college toestemming is gegeven; het zich houden aan de bepalingen zoals overeengekomen in een overeenkomst tot schuldregeling; deelnemen en meewerken aan alle activiteiten en/of vormen van begeleiding die noodzakelijk worden geacht; zoveel mogelijk afloscapaciteit creëren door het verruimen van het inkomen, het inzetten van beschikbaar vermogen en het minimaliseren van uitgaven, en deze afloscapaciteit te gebruiken ter afbetaling van de schulden; inkomsten verwerven naar volledige arbeidscapaciteit, passende arbeid aanvaarden of passende arbeid proberen te verkrijgen in de mate die redelijkerwijs van verzoeker gevraagd kan worden en dit aantoonbaar te maken; het hebben van een (Nederlandse) bankrekening op eigen naam. 2.12.5Weigeringsgronden: algemeen 1.Het college weigert schuldhulpverlening in ieder geval als: de verzoeker niet tot de doelgroep behoort zoals bedoeld in artikel 2 van deze beleidsregels; de verzoeker geen rechtmatig verblijf houdt in Nederland in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000; het gaat om een rechtspersoon. 2.Het college kan schuldhulpverlening weigeren als schuldhulpverlening niet noodzakelijk wordt geacht. 3.Het geven van informatie en advies en/of een doorverwijzing naar andere hulpverlening is altijd mogelijk hierbij wordt een beschikking gegeven en geldt als een vorm van ondersteuning. 2.12.6Weigeringsgronden: recidive 1.Het college kan een verzoek tot schuldhulpverlening weigeren als: Binnen 2 jaar na succesvolle afronding van schuldhulpverlening een verzoek wordt ingediend; of Binnen 2 jaar na het afbreken of beëindigen van schuldhulpverlening of WSNP-traject opnieuw een verzoek wordt ingediend, waarbij het college rekening houdt met de mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke omstandigheden van de verzoeker; of Binnen 1 jaar nadat een verzoek voor schuldhulpverlening meer dan eenmaal is ingetrokken een nieuw verzoek wordt ingediend. 2.Een eerder gebruik van informatie en advies of een doorverwijzing gelden niet als een eerdere schuldhulpverlening of wsnp. 2.12.7Weigeringsgronden: fraude 1.Het college kan een verzoek tot schuldhulpverlening weigeren voor de duur van maximaal 3 jaar na onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling of onherroepelijke oplegging van een bestuurlijke sanctie voor het plegen van fraude die financiële benadeling van een bestuursorgaan tot gevolg heeft. 2.Het college houdt bij het bepalen van de uitsluitingstermijn, bedoeld in het eerste lid, rekening met de ontstaansdatum van de fraude, de mate van opzet, de mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke omstandigheden van verzoeker. 2.12.8 Beëindigingsgronden 1.De schuldhulpverlening eindigt van rechtswege bij het overlijden van de cliënt. 2.Het college besluit tot beëindiging van de schuldhulpverlening: bij het succesvol afronden van de schuldhulpverlening; als cliënt zelf verzoekt om beëindiging van de schuldhulpverlening. 3.Daarnaast, kan het college besluiten tot beëindiging van de schuldhulpverlening als: cliënt niet langer behoort tot de doelgroep zoals bepaald in artikel 2 van deze beleidsregels; cliënt verhuist naar buiten de gemeente en er nog geen sprake is van een lopende schuldregeling; cliënt verhuist naar het buitenland; cliënt zich niet naar vermogen inzet om de onderliggende oorzaak van de schuldenproblematiek op te lossen; de voorwaarden uit één van de overeenkomsten, gesloten in het kader van schuldhulpverlening, niet zijn nagekomen; cliënt zich misdraagt tegenover medewerkers van of namens de gemeente die betrokken zijn bij het verlenen van schuldhulpverlening; cliënt op grond van – naar later is gebleken – onjuiste gegevens schuldhulpverlening ontvangt en hem dit te verwijten valt, terwijl, als dit ten tijde van de besluitvorming bekend was geweest bij het college, een andere beslissing zou zijn genomen; cliënt na aanvang van de schuldhulpverlening in staat blijkt om zijn schulden zelf te regelen dan wel in staat is de schulden zelfstandig te beheren; de geboden hulpverlening, gelet op de persoonlijke omstandigheden van cliënt, niet (langer) passend is; tijdens de schuldhulpverlening een strafrechtelijke veroordeling voor een vermogensdelict wordt opgelegd of een fraudevordering is ontstaan waarvan het college heeft vastgesteld dat belanghebbende opzettelijk heeft gefraudeerd; 4.Het college stelt, voordat tot beëindiging wordt overgegaan zoals bedoeld in lid 3 van dit artikel, cliënt in de gelegenheid om binnen een redelijke termijn te reageren op hetgeen door het college is geconstateerd en alsnog de gevraagde gegevens aan te leveren. 5.Het college kan schuldhulpverlening beëindigen als de cliënt zich niet houdt aan de inlichtingen- en medewerkingsplicht. 6.Voordat het college besluit om de geboden schuldhulpverlening te beëindigen, krijgt de cliënt een redelijke termijn van 25 dagen om alsnog de ontbrekende informatie of medewerking te verlenen. 7.Het niet nakomen van de inlichtingen en meldingplicht opgesomd in artikel 5. 3Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) Om vanuit de Wmo voor de inwoner tot de meest passende oplossing te komen is een afwegingskader nodig. Deze beschrijven we in deze beleidsregels. Elke ondersteuningsbehoefte wordt vanuit dezelfde invalshoek benaderd. Deze invalshoek is beschreven in deze beleidsregels. Voor een passende oplossing spelen de persoonskenmerken, behoeften en voorkeuren van de inwoner altijd een nadrukkelijke rol. Zie hiervoor ook Hoofdstuk 1 “Gebruikelijke hulp, eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen”. 3.1.1Algemene gebruikelijke en algemene voorzieningen Bepaalde voorzieningen en diensten zijn ook voor een inwoner zonder ondersteuningsvraag vaak gewoon beschikbaar. Als dat zo is, dan worden deze niet vanuit de Wmo verstrekt. Algemeen gebruikelijk Een voorziening kan als algemeen gebruikelijk gezien worden als deze niet speciaal is bedoeld voor mensen met een beperking, algemeen verkrijgbaar is en niet of niet veel duurder is dan vergelijkbare producten. Het dient een passende bijdrage te leveren aan het opheffen van de ervaren beperkingen en moeten ook financieel gedragen kunnen worden voor iemand met een inkomen op minimumniveau. Van dit laatste is sprake wanneer de kosten van het hulpmiddel binnen 36 maanden kunnen worden terugbetaald bij een aflossing van 5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm per maand. Voorbeelden van algemeen gebruikelijke voorzieningen en diensten zijn (niet uitputtend): Boodschappenservice van supermarkten; Maaltijdvoorziening zoals tafeltje-dek-je; Openbaar vervoer; Wasmachine Wasdroger Eenhendelmengkranen Thermostatische mengkranen Centrale verwarming Verhoogd toilet Douchekop op glijstang Handgrepen/wandbeugels bij douche en toilet Douchekruk/badplank Toiletverhoger Fiets met trapondersteuning Drempelhulpen Algemene voorziening Een algemene voorziening is het aanbod van diensten of activiteiten door of via de gemeente zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, vrij toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning. Algemene voorzieningen zijn dus voorzieningen die niet speciaal bedoeld zijn voor mensen met een beperking. Deze voorzieningen kunnen wel een oplossing zijn. Voorbeelden van een algemene voorziening zijn een klussendienst, was- en strijkservice, maaltijdvoorziening, scootmobielpool, maar ook het algemeen maatschappelijk werk, bibliotheek of buurthuis. Algemene voorzieningen zijn toegankelijk voor alle ingezetenen van een gemeente. Wel moet een algemene voorziening: daadwerkelijk beschikbaar zijn; door de inwoner financieel gedragen kunnen worden; adequate compensatie bieden. 3.1.1.2Aanspraak op grond van een andere wet is voorliggend Is de inwoner voor zorg aangewezen op een andere wet dan gaat deze voor en hoeft de gemeente geen Wmo-voorziening te verstrekken. 3.1.2.3Wet langdurige zorg (Wlz) Voor de Wlz komt iemand in aanmerking als degene blijvend is aangewezen op permanent toezicht of 24-uurs zorg of zorg in de nabijheid. Weigert een inwoner mee te werken aan een aanvraag voor een Wlz-voorziening, als hij daar mogelijk recht op heeft, dan is de gemeente niet verplicht een Wmo-voorziening te verstrekken. De gemeente moet dan wel kunnen aantonen dat de inwoner, ondanks voorlichting over de mogelijke gevolgen, weigerachtig blijft en de gemeente, binnen zijn bevoegdheden, alles heeft gedaan om de behoefte aan zorg en ondersteuning in kaart te brengen. De gemeente kan wel een maatwerkvoorziening vanuit de Wmo verstrekken als overbrugging tot de Wlz-indicatie ingaat. Het aanvragen van een Wlz-indicatie kan namelijk enige tijd duren. De gemeente kan dan voor een tijdelijke oplossing zorgen door een korte indicatie af te geven. Goed motiveren De gemeente moet goed kunnen motiveren dat zij denkt dat de inwoner een indicatie op grond van de Wlz zou kunnen krijgen. Bij dit vermoeden legt de gemeente de situatie van de inwoner anoniem voor bij het CIZ (Centrum Indicatiestelling Zorg). Het CIZ maakt dan een inschatting of deze situatie mogelijk reden is voor een Wlz-indicatie. Wanneer het CIZ denkt dat er inderdaad reden is voor een Wlz-indicatie, heeft het college voldoende reden om aan te nemen dat de inwoner aanspraak kan maken op deze Wlz-indicatie. Uitzonderingen: Vervoer, hulpmiddel en woningaanpassing De gemeente is wel verplicht een hulpmiddel te verstrekken en een woning aan te passen voor inwoners met een Wlz-indicatie die thuis wonen. Dit geldt ook voor sociaal recreatief vervoer. Bezoekbaar maken van een woning Wanneer de inwoner in een Wlz-instelling woont kan één woning waar hij regelmatig op bezoek komt (bijvoorbeeld van ouders) bezoekbaar gemaakt worden. Bezoekbaar houdt in dat de inwoner toegang tot de woning, één verblijfsruimte (bijvoorbeeld de woonkamer) en het toilet heeft. Er worden geen aanpassingen vergoed om logeren mogelijk te maken. 3.1.2.4Zorgverzekeringswet (Zvw) De Zvw regelt het recht op medisch noodzakelijke (psychische, verslavings)zorg. In welke mate en waarvoor iemand precies verzekerd is, staat in de verzekeringspolis van degene. Het gaat dan om behandeling. Dit is zorg zoals huisartsen, medisch-specialisten en klinisch-psychologen plegen te bieden. Soms kan begeleiding vanuit de gemeente aanvullend zijn. De begeleiding is dan gericht op het bevorderen van de zelfredzaamheid en participatie, zodat de inwoner zo lang mogelijk in de eigen omgeving kan blijven. Daarbij zal het vaak gaan om het ondersteunen bij het laten uitvoeren van algemeen dagelijkse levensverrichtingen door de inwoner zelf, zoals omschreven in artikel 2.3.4. 3.1.2.5Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) Wanneer iemand op school of op het werk alleen kan functioneren met behulp van een voorziening en deze voorziening is alleen noodzakelijk voor school of werk, dan biedt de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen een passende oplossing. Het college ziet dit als een passende oplossing vanuit de eigen kracht. 3.1.3Maatwerkvoorziening Een maatwerkvoorziening is een voorziening of dienst die zoveel mogelijk is afgestemd op de persoonskenmerken en behoeften van de inwoner. Maatwerkvoorzieningen zijn alleen beschikbaar via een besluit vanuit het college. In 2.6 staat meer uitleg over de maatwerkvoorziening. 3.2Vervoer 3.2.1Algemene en voorliggende voorzieningen Vrijwillige chauffeurs Als voorliggende voorziening in Overbetuwe is de Algemene Hulpdienst beschikbaar. Dit is een vervoersregeling waarbij vrijwilligers met hun eigen auto tegen een onkostenvergoeding andere inwoners vervoeren. Het vervoer is bedoeld voor iedereen in Overbetuwe die niet of moeilijk gebruik kan maken van openbaar vervoer en ook niet beschikt over andere mogelijkheden van vervoer. Er wordt ook begeleiding en ondersteuning geboden. Het vervoer is onder andere om boodschappen te doen, van en naar medische afspraken, of naar andere locaties te gaan. Collectief taxivervoer Collectief taxivervoer is een algemene voorziening waarbij meerdere mensen tegelijkertijd worden vervoerd. De inwoner betaalt een ritbijdrage en wordt er van deur tot deur vervoerd. Zorgverzekering In sommige gevallen vergoedt de zorgverzekeraar uit het basispakket het vervoer van en naar een ziekenhuis, zorgverlener of instelling. Dat hangt onder meer af van de aandoening (bijv nierdialyse, oncologische behandelingen etc) die iemand heeft. Het vervoer kan per ambulance plaatsvinden of met (eigen) auto, taxi of openbaar vervoer. 3.2.2 Maatwerkvoorzieningen Wmo-vervoerspas Reizigers die vanwege een handicap, beperking of psychische aandoening niet meer zelfstandig kunnen reizen ontvangen een Wmo-vervoerspas. Men kan dan tegen reductie gebruik maken van het collectief vervoer. De inwoner reist binnen de regio (25 kilometer enkele reis) van deur tot deur, van en naar een opstapplaats of een halte van het openbaar vervoer. Dit vervoer is toegankelijk voor iedereen die zelfstandig of met begeleiding kan reizen, bijvoorbeeld omdat de inwoner niet goed mobiel is of omdat de gewone bus ’s-avonds niet rijdt. Het gaat hierbij om sociaal vervoer, bijvoorbeeld familiebezoek, het onderhouden van sociale contacten en deelnemen aan (sociale) activiteiten. Voor reizen van meer dan 25 km (enkele reis) kan men gebruik maken van Valys. Begeleiding bij vervoer Soms is het nodig, op grond van de ernst van iemands beperking, dat een medisch of sociaal begeleider meegaat. Dat is vaak iemand uit het sociaal netwerk. De medische begeleiding is verplicht. Degene betaalt daarvoor geen ritbijdrage. Sociaal begeleider is niet verplicht, maar kan gewenst zijn. Degene betaalt dan 50% van de Wmo-ritbijdrage. Andere vervoersvoorzieningen Collectief vervoer is niet altijd een passende oplossing. Alleen als collectief vervoer geen passende oplossing biedt zijn er andere mogelijkheden, voorbeelden hiervan zijn: 3.2.2.1Door spierkracht voortbewogen vervoermiddel Als de inwoner zijn of haar vervoersbehoefte op korte en middellange afstanden niet kan invullen met bijvoorbeeld een fiets, kan het college een maatwerkvoorziening verstrekken voor een door spierkracht voortbewogen vervoermiddel. Het gaat dan bijvoorbeeld om een driewielfiets of een handbike. 3.2.2.2Scootmobiel Een scootmobiel kan een oplossing zijn voor vervoersbehoeften op korte en middellange afstanden. Voor een scootmobiel moet de inwoner de rijvaardigheid van een beginnend bestuurder hebben. Het college onderzoekt voor verstrekking de rijvaardigheid van de inwoner. Ook na verstrekking kan het college in het kader van een heronderzoek de rijvaardigheid onderzoeken. Wanneer de inwoner niet de rijvaardigheid heeft die nodig is, trekt het college de indicatie in en moet degene het voertuig inleveren. Wanneer een inwoner niet de nodige rijvaardigheid bezit, maar wel in staat is dit te leren wordt de inwoner erop gewezen dat men gebruik kan maken van de 1e lijns ergotherapie. De ergotherapeut is voorliggend aan de Wmo. Het initiatief ligt dan vervolgens bij de inwoner of men hier gebruik van maakt. Heeft het college tijdens de Wmo-onderzoeksfase behoefte aan advies van een ergotherapeut, dan ligt het initiatief bij gemeente en zijn de kosten voor de gemeente. De leverancier verzorgt een eerste toets/ gewenningles en eventueel een extra les. Stalling Voor het gebruik van een vervoersvoorziening met elektrische ondersteuning (zoals bijvoorbeeld een scootmobiel) of driewielfiets, moet de inwoner geschikte stallingsruimte of mogelijkheden hebben om deze te realiseren. Een geschikte stallingsruimte is droog en afgesloten. Dit kan bijvoorbeeld een schuur zijn. Een hal of parkeergarage van een appartementencomplex kan ook een geschikte stallingsruimte zijn. De veiligheid van het complex mag niet in gevaar worden gebracht door het parkeren van de vervoersvoorziening. Het college kan de kosten voor het realiseren van een geschikte stallingsruimte betalen. 3.2.2.3Aanpassingen en meerkosten van een auto Wanneer een inwoner een eigen auto heeft, maar deze vanwege zijn of haar beperkingen niet kan gebruiken, kan een aanpassing van de auto een passende oplossing zijn. Het college kan een maatwerkvoorziening toekennen voor de noodzakelijke aanpassingen. Het college kent alleen een maatwerkvoorziening toe voor aanpassingen die niet standaard door de fabriek meegeleverd kunnen worden. Voor aanpassingen en vergoeden van meerkosten van auto’s geldt een aantal afwegingskaders: Het college kent geen maatwerkvoorziening voor een autoaanpassing toe wanneer de inwoner een adequate auto had, maar deze heeft ingeruild voor een inadequate auto. Het college onderzoekt of er sprake is van aantoonbare meerkosten als gevolg van de beperkingen van de inwoner. Als dat zo is, kan de inwoner een maatwerkvoorziening ontvangen. Het college kent geen vergoeding toe voor aanpassingen die algemeen gebruikelijk zijn. Of en in hoeverre er sprake is van meerkosten beoordeelt het college aan de hand van de situatie van de inwoner en de hoeveelheid extra verplaatsingen op de korte afstand die de inwoner als gevolg van zijn of haar beperking met de auto moet maken. Het college onderzoekt daarbij of deze extra verplaatsingen op een andere manier, bijvoorbeeld met het collectief vervoer, gemaakt kunnen worden. Zolang de maatwerkvoorziening of de auto technisch voldoet kent het college geen nieuwe maatwerkvoorziening toe. 3.2.2.4Sportvoorzieningen Met het verstrekken van een sportvoorziening kan het college bereiken dat een inwoner in staat wordt gesteld om in redelijke mate mensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale contacten aan te gaan. Voorwaarden Wanneer een sportvoorziening voor topsport wordt aangevraagd, wordt dit gecompenseerd tot het niveau van het kunnen uitoefenen van de sport. Er wordt dan uitgegaan van de goedkoopst adequate voorziening om de betreffende sport uit te kunnen oefenen. Specifieke eisen en extra’s aan een voorziening voor gebruik voor topsport worden hierin niet meegenomen. Sportvoorzieningen kunnen algemeen gebruikelijk zijn. Wanneer een inwoner meerkosten heeft door zijn of haar beperkingen verstrekt het college alleen een maatwerkvoorziening voor de meerkosten. Het college verstrekt pas een nieuwe sportvoorziening wanneer de oude technisch is afgeschreven. Hierop is een uitzondering: wanneer er veranderingen zijn in het functioneren van de inwoner. 3.3Individuele begeleiding en groepsbegeleiding Begeleiding aan de inwoner kan individueel verstrekt worden of in een groep. Bij de afweging welke vorm geschikt is, kijken we naar de meest passende goedkoopste oplossing. Dit betekent dat bij gelijke geschiktheid de voorkeur uitgaat naar begeleiding in een groep. Begeleiding in het algemeen gericht op ondersteuning zodat de inwoner: Voor zichzelf kan zorgen c.q. de regie voeren over de zelfzorghandelingen; Het vermogen heeft tot sociaal functioneren in de dagelijkse leefsituaties, zoals thuis en in relatie met vrienden en familie; Het vermogen heeft om zelf structuur in de dag aan te brengen; Zelf besluiten kan nemen en hierin regie kan voeren; Een evenwichtig dag- en nachtritme heeft; Ontlasten van de mantelzorger. Het ontlasten van mantelzorgers heeft als beoogd resultaat dat de mantelzorger de ondersteuning thuis kan volhouden en intensievere maatwerkondersteuning of opname in een intramurale instelling wordt voorkomen, of op zijn minst uitgesteld. Het ontlasten kan door middel van kortdurend verblijf, maar ook door begeleiding in de thuissituatie of groepsbegeleiding 3.3.1Individuele begeleiding Individuele begeleiding is een vorm van ondersteuning voor mensen die moeite hebben met het uitvoeren van normale dagelijkse handelingen en activiteiten. Dit kan worden ingezet om een inwoner te ondersteunen bij het aanbrengen van structuur of het voeren van regie. Individuele begeleiding kan ook verstrekt worden voor het oefenen van vaardigheden of handelingen. 3.3.1.1Begeleiding basis Deze vorm van ondersteuning is bedoeld voor: Inwoners met een verstandelijke, lichamelijk/somatische of geriatrische beperking of een combinatie daarvan; En sprake is van: redelijk constant gedrag. beperkt regieverlies en/of beperkte gevolgen voor het dagelijks leven. voorspelbare situaties. een nog redelijk actieve inwoner. dat de inwoner redelijk inzicht heeft in eigen beperking/ziekte. stabiel medicatiegebruik. 3.3.1.2Begeleiding specialistisch Deze vorm van ondersteuning is bedoeld voor: Inwoners met alleen een verstandelijke, lichamelijk/somatische of geriatrische of psychiatrische beperking, of een combinatie van beide. waarbij sprake is van: zeer regelmatig onvoorspelbaar gedrag. zeer snel (psychisch) uit balans (met bijvoorbeeld psychoses tot gevolg). ernstig regieverlies en grote gevolgen voor het dagelijks leven. als inwoner veelal passief/ zeer beperkt actief is. als inwoner geen of beperkt ziekte-inzicht heeft. Begeleiding naast behandeling Behandeling is voorliggend op begeleiding op grond van de Wmo. Begeleiding die tot de behandeling behoort valt onder de Zvw, zoals begeleiding die door een behandelend specialist moet worden geboden. Begeleiding waarvoor geen deskundigheid op niveau van een behandelaar vereist is en die gericht is op het bevorderen van voldoende regie om zichzelf te kunnen redden en meedoen aan de samenleving, opdat de inwoner zo lang mogelijk in de eigen omgeving kan blijven, valt wel onder de Wmo. Het kan daarbij bijvoorbeeld gaan om het motiveren tot behandeling, het stimuleren tot zelfzorg en het stimuleren tot medicatie-inname. 3.3.2Groepsbegeleiding Groepsbegeleiding is begeleiding in groepsverband die overdag plaatsvindt, op een locatie buiten de woonsituatie. Groepsbegeleiding bestaat uit activiteiten waarbij de vaardigheden van een inwoner worden getraind of onderhouden zodat degene zo lang mogelijk zelfstandig thuis kan blijven wonen. Het gaat hierbij om vaardigheden met betrekking tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden. Een belangrijke afweging om voor groepsbegeleiding te kiezen is dat ingeschat wordt dat begeleiding van de inwoner in een groep passender is dan individuele begeleiding. We kennen 2 vormen van groepsbegeleiding: Stabiel, hier ligt de focus op het stabiel houden van de situatie van de inwoner. Er is geen concreet ontwikkeldoel geformuleerd. Ontwikkeling, nadruk ligt op het actief verbeteren of voorkomen van verslechtering van de zelfredzaamheid van de inwoner. Er zijn concrete ontwikkeldoelen geformuleerd voor de inwoner. Een voorwaarde hiervoor is dat de degene leerbaar/stuurbaar is. Bij inwoners met beginnende dementie kan Groepsbegeleiding Ontwikkeling alleen worden ingezet met de doelstelling voorkomen van verslechtering. Voor inwoners met dementie is groepsbegeleiding ontwikkeling passend. Vervoer Er wordt altijd eerst gekeken naar vervoersmogelijkheden die voorliggend zijn op het maatwerkvervoer. Het lokale team onderzoekt of de inwoner zelfstandig, met behulp van het netwerk of met behulp van een voorliggende voorziening zich naar de groepsbegeleidingslocatie reizen. Als dat niet zo is, dan kan vervoer worden geïndiceerd. Gecombineerd aanbod Op basis van het zorgdoel van de inwoner kunnen individuele begeleiding en begeleiding in groepsverband gecombineerd worden aangeboden. Ook als er medische contra-indicaties zijn voor begeleiding groep, kunnen de activiteiten in de vorm van begeleiding individueel worden geïndiceerd. Het gaat dan om personen voor wie op medische gronden een contra-indicatie geldt voor deelname aan een groep, zoals infectiegevaar of ernstige energetische beperkingen. 3.3.3Activerend werk Bij a Activerend werk staat het bieden van zinvolle arbeid en ontwikkeling van arbeidsvaardigheden centraal. Het doel is om mensen te laten meedoen aan de samenleving en een gevoel van eigenwaarde te geven. Activiteiten zijn gericht op het ontwikkelen van vaardigheden die nodig zijn voor het verrichten van arbeid, zoals samenwerken, plannen en organiseren, en het uitvoeren van taken en waar mogelijk - en indien relevant - doorstromen naar vormen van betaalde arbeid. 3.3.4Persoonlijke verzorging Persoonlijke verzorging wordt geïndiceerd wanneer de behoefte aan persoonlijke verzorging samenhangt met de behoefte aan begeleiding en alleen voor het gedeelte dat niet onder voorliggende wetgeving zoals de Zvw of Wlz valt. Dit laatste is het geval als er een “behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop” is. Verzekerden hebben recht op verpleging en verzorging via de Zvw als ze geneeskundige zorg nodig hebben. De zorg hangt dan samen met geneeskundige zorg in de eerste lijn (huisartsgeneeskundige zorg) of in de tweede lijn (medisch-specialistische zorg). De ondersteuning via de Wmo bestaat uit hulp bij de algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL), persoonlijke hygiëne en lichamelijke basiszorg, waaronder: in en uit bed komen; aan- en uitkleden: persoonlijke zorg voor tanden, haren, nagels, huid; toiletbezoek; eten en drinken. Het gaat niet om het daadwerkelijk wassen en aankleden van de inwoner, maar om degene aan te sporen en te ondersteunen deze handelingen zelf te uit te voeren. Dit geldt veelal voor inwoners die over weinig tot geen regie beschikken. De aanspraak op persoonlijke verzorging houdt verband met de zelfredzaamheid van de inwoner en ligt zodoende in het verlengde van begeleiding. Bij twijfel kan altijd overlegd worden met de wijkverpleging. 3.4Veilig en zelfstandig wonen Inwoners met een beperking kunnen problemen hebben bij het gebruik van hun woning of bij het voeren van het huishouden. Als degene zulke problemen ervaart en niet zelf kan oplossen, kan de gemeente ondersteuning bieden. 3.4.1Wonen Wanneer een inwoner belemmeringen ervaart in het normale gebruik van zijn of haar woning zijn er twee typen maatwerkvoorzieningen die een passende oplossing kunnen bieden: verhuizen; woonvoorzieningen. 3.4.1.1Verhuizen Verhuizen naar een andere woning kan een passende oplossing zijn voor de ondersteuningsbehoefte van de inwoner. De gemeente zoekt hierbij samen met de inwoner wat mogelijk is en gaat hierbij uit van de goedkoopst adequate oplossing. Wanneer verhuizen een passende oplossing is en het goedkoper is dan het aanpassen van de huidige woning van de inwoner kan het college in overleg met de inwoner ervoor kiezen om een pgb voor verhuizen te verstrekken. Voor de verhuiswagen en manuren kan de inwoner offertes opvragen. 3.4.1.2Woonvoorzieningen Woonvoorzieningen zijn de andere maatwerkvoorzieningen voor het oplossen van ervaren belemmeringen bij het normale gebruik van de woning. Daarbij maken we onderscheid tussen de losse woonvoorzieningen zoals douchestoelen, tilliften en losse woonunits en de zogenaamde woningaanpassingen. Woningaanpassingen zijn bouwkundige en woon-technische woonvoorzieningen zoals trapliften, creëren van een doucheruimte of een aanbouw. Resultaat Bij de toekenning van een woonvoorziening in de vorm van een maatwerkvoorziening is het college erop gericht dat een inwoner normaal gebruik kan maken van de woning waar hij zijn hoofdverblijf heeft. De inwoner heeft daarbij de mogelijkheid om de elementaire woonfuncties te kunnen verrichten met onder andere de volgende resultaten: Het kunnen slapen, eten en verrichten van lichaamsreiniging; Het verrichten van belangrijke huishoudelijke werkzaamheden; Het kunnen koken en het gebruiken van de keuken; Het kunnen maken van horizontale en verticale verplaatsingen in en om de woning; Het hebben van toegang tot de woning. Toestemming Voor een woonvoorziening van bouwkundige of woon-technische aard hoeft geen toestemming te worden gevraagd aan de eigenaar van de woning, wanneer de inwoner niet zelf de eigenaar is. Dit is een woningcorporatie. Wel is het verstandig afstemming te zoeken en moet de eigenaar gehoord worden over een aanpassing. Een woonvoorziening van bouwkundige of woon-technische aard hoeft niet te worden verwijderd door de inwoner of de gemeente wanneer degene uit de woning vertrekt. Alleen bij bruikleen van een voorziening wordt deze bij een verhuizing verwijderd. 3.4.1.3Afwegingskader wonen en verhuizen Hieronder wordt beschreven hoe het college afwegingen maakt rondom woonvoorzieningen. Wanneer een inwoner langdurig een hulpmiddel nodig heeft om zich binnen de woning te verplaatsen, kan deze mogelijk vanuit de Wmo verstrekt worden. Wanneer er sprake is van zorg voor een beperkte of onzekere duur of wanneer een transferhulpmiddel gericht is op het verplaatsen in bed, kan degene gebruik maken van de Zvw. Als uitbreiding van de woning de goedkoopst passende oplossing is voor de ondersteuningsbehoefte onderzoekt het college als eerste of een woonunit een passende oplossing is. Is dit niet het geval dan wordt een aanbouw of verbouwing onderzocht. Wanneer de inwoner is verhuisd vanuit een geschikte woning naar een ongeschikte woning, zet het college hier in principe geen nieuwe maatwerkvoorziening in op het gebied van wonen, tenzij er een belangrijke reden voor verhuizing aanwezig is en er geen andere geschikte woning beschikbaar is. Een belangrijke reden kan zijn: een echtscheiding; een huwelijk. Wanneer een inwoner een aanpassing van een woonwagen of woonschip aanvraagt, onderzoekt het college altijd hoelang de standplaats of ligplaats nog ter beschikking blijft voor de inwoner. Hiermee wordt een afweging gemaakt of een aanpassing van een woonwagen of woonschip een langdurig passende oplossing biedt. Wanneer een inwoner in een wooncomplex dat specifiek bedoeld is voor ouderen of personen met een lichamelijke beperking woont, dan verwacht het college dat dit wooncomplex voldoet aan de basiseisen van toegankelijkheid voor deze doelgroepen. De eigenaar van de woning is in deze gevallen ook verantwoordelijk voor woonvoorzieningen in de gemeenschappelijke ruimte. Hier kent het college geen woonvoorzieningen van bouwkundige of woon-technische aard voor toe. 3.4.1.4Sanering van een woning Bij een woningsanering gaat het om het vervangen van stoffering in de woning. Voor een vergoeding vanuit de Wmo moet de sanering medisch noodzakelijk zijn om beperkingen in het normale gebruik van de woning te compenseren. Alleen de meest gebruikte ruimten komen hiervoor in aanmerking: woonkamer en slaapkamer. Voor eventuele stofferingskosten (hieronder valt: vloerbekleding, raambekleding en muurbekleding) gaat het college uit van de Prijzengids van het NIBUD. Redenen om een aanvraag af te wijzen kunnen liggen in de aard van het materiaal, achterstallig onderhoud, voorzieningen die algemeen gebruikelijk zijn of als inwoner bij de aanschaf van de stoffering onvoldoende rekening heeft gehouden met de beperkingen. 3.4.1.5Mantelzorgwoning Van een mantelzorgwoning spreken we als een zorgvrager bij de mantelzorger gaat wonen of andersom en voor de zorgvrager of mantelzorger: Een aan- of bijgebouw van de woning geschikt wordt gemaakt, of; Een tijdelijke mantelzorgunit aan de woning wordt gekoppeld, of; Een aparte woning of woonunit op het erf van de mantelzorger wordt gerealiseerd. Inwoners die een mantelzorgwoning willen bouwen of huren, moeten hiervoor zelf in de kosten voorzien. Dit zijn namelijk de normale kosten voor wonen. 3.4.2Maatschappelijke opvang en beschermd wonen Maatschappelijke opvang is het bieden van een tijdelijk verblijf aan mensen zonder dak boven hun hoofd. Dit kan worden aangeboden bij zorg, begeleiding en/of het

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.