Verordening bekostiging leerlingenvervoer Vlieland 2026De raad van de gemeente Vlieland; heeft het voorstel van burgemeester en wethouders van 27 januari 2026 gelezen; heeft rekening gehouden met artikel 149 van de Gemeentewet, artikel 4 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 4 van de Wet op de expertisecentra en artikel 8.29 van de Wet voortgezet onderwijs 2020; besluit vast te stellen de volgende verordening: Verordening bekostiging leerlingenvervoer Vlieland 2026 Hoofdstuk1.Definities Artikel1.Definities In deze verordening wordt verstaan onder: aangepast vervoer: door het college georganiseerd vervoer; afstand: afstand, overeenkomstig artikel 4, zesde lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 8.29, vierde lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 en artikel 4, vijfde lid, van de Wet op de expertisecentra, gemeten met de in het aanvraagformulier genoemde routeplanner langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg; begeleider: ouder of persoon die door de ouders wordt ingezet om de leerling tijdens het vervoer te begeleiden; deskundige: onafhankelijk medisch, psychiatrisch, psychologisch, pedagogisch of verkeerskundig deskundige; college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vlieland; eigen vervoer: vervoer per eigen motorvoertuig of fiets dat onder eigen verantwoordelijkheid plaatsvindt; gehandicapte leerling: een leerling, die door een structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische handicap niet, of niet zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik kan maken; inkomen: inkomensgegeven als bedoeld in artikel 21, aanhef en onder e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, in het peiljaar, bedoeld in artikel 4, zevende lid, van de Wet op het primair onderwijs; leerling: de leerling die is ingeschreven bij een school; openbaar vervoer: personenvervoer dat openbaar toegankelijk is en waarvan iedereen al dan niet tegen betaling gebruik van kan maken, waaronder het vervoer tussen Oost Vlieland en West-Terschelling; opstapplaats: de opstapplaats bedoeld in artikel 11, eerste lid; ouders: met gezag over de leerling belaste ouders, pleegouders, voogden of verzorgers van de leerling; persoonlijk vervoersontwikkelingsplan: een schriftelijk plan waarin de activiteiten worden beschreven door middel waarvan de leerling de vaardigheden kan aanleren die nodig zijn om zoveel mogelijk zelfstandig en met het openbaar vervoer of de fiets te reizen; samenwerkingsverband: Samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 18a van de Wet op het primair onderwijs; Samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 28a van de Wet op de expertisecentra; of Samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 2.47 van de Wet voortgezet onderwijs 2020; school: Basisschool of speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs; School voor speciaal onderwijs, voor voortgezet speciaal onderwijs of voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra; of School voor regulier voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs 2020; Praktijkonderwijs als bedoeld in artikel 2.8 van de Wet voortgezet onderwijs 2020; schoolvakantie: vakantie waarvan de datum is opgenomen in de schoolgids; structureel: onder structureel wordt verstaan een aaneengesloten periode van minimaal 3 maanden. toegankelijke school: toegankelijke school als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onder a, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 8.29, vierde lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 en artikel 4, vijfde lid, van de Wet op de expertisecentra, waar plaats is en waarbij de op godsdienst of levensbeschouwing van de ouders of de meerderjarige leerling berustende keuze van een school geëerbiedigd wordt; vervoersvoorziening: Vergoeding van fietsvervoer voor de leerling en zo nodig van diens begeleider; Vergoeding van openbaar vervoer voor de leerling en zo nodig van diens begeleider; Aanbieding van aangepast vervoer voor de leerling en zo nodig voor diens begeleider; of Gehele of gedeeltelijke vergoeding van de vervoerkosten van de leerling en zo nodig van diens begeleider; woning: woning waar de leerling feitelijk en structureel verblijft. Hoofdstuk2.Aanvraagprocedure van de vervoersvoorziening Artikel2.Aanvraag 1.Een aanvraag voor een vervoersvoorziening kan worden ingediend voor een leerling die zijn woning in de gemeente heeft, door indiening bij het college van een volledig ingevuld en door de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling ondertekend papieren of digitaal formulier, voorzien van de op het formulier vermelde gegevens. 2.Als dit voor een juiste beoordeling van de aanvraag noodzakelijk is, kan het college verzoeken aanvullende gegevens te verstrekken. Artikel3.Onderzoek 1.Bij de beoordeling van de aanvraag voor een vervoersvoorziening voor de leerling en eventueel een begeleider, onderzoekt het college in elk geval de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de leerling en die van het gezin, en de afstand en route tot de dichtstbijzijnde toegankelijke school. 2.Het college kan in een gesprek met de ouders en desgewenst de leerling, de noodzakelijk te achten vervoersvoorziening onderzoeken. Bij dit gesprek kan, als het college dat noodzakelijk acht, ook een medewerker van een andere afdeling binnen de gemeentelijke organisatie of een deskundige aansluiten en andere relevante informatie worden betrokken. 3.Bij gewijzigde omstandigheden kan het gesprek als bedoeld in het tweede lid opnieuw plaatsvinden. 4.Wanneer de leerling de leeftijd van negen jaar bereikt, kan het college, in overleg met de ouders en desgewenst de leerling, gelet op het ontwikkelingsperspectief van de leerling, een persoonlijk vervoersontwikkelingsplan opstellen. Artikel4.Inzet deskundige 1.Het college betrekt een deskundige bij het onderzoek en verzoekt deze advies uit te brengen, ter beoordeling van de individuele situatie van de leerling, op het moment dat hij specifieke deskundigheid noodzakelijk acht. 2.De ouders en de leerling verlenen medewerking aan het onderzoek van de deskundige. Artikel5.Beslistermijn 1.Het college besluit binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag voor een vervoersvoorziening. 2.Het college kan de in het vorige lid bedoelde besluitvormingstermijn met ten hoogste vier weken verlengen. Het college stelt de aanvrager hiervan schriftelijk in kennis. Artikel6.Ingangsdatum voorziening Als een vervoersvoorziening wordt toegekend geldt deze: wanneer het een vergoeding betreft, met ingang van de verzochte datum, waarbij de datum niet ligt vóór de datum van ontvangst van de aanvraag; wanneer het aanbieding van aangepast vervoer betreft, met ingang van de eerste schooldag van een maand volgend op de datum van de beschikking of zoveel eerder als mogelijk is met dien verstande dat de datum niet ligt vóór de datum van ontvangst van de aanvraag. Artikel7.Besluit 1.Het college bepaalt bij de toekenning van de vervoersvoorziening de wijze en het tijdstip van de verstrekking, de uitbetaling, en de tijdsduur van de toegekende vervoersvoorziening. 2.Het college kent, als zij dat noodzakelijk acht, een vervoerstraining toe en voegt als bijlage bij het besluit het vervoersontwikkelingsplan toe. 3.Het college kan aan de toekenning van een vervoersvoorziening nadere voorwaarden verbinden. Hoofdstuk3.Beoordelingscriteria Artikel8.Algemene bepalingen 1.De bepalingen in deze verordening laten onverlet de verantwoordelijkheid van de ouders voor het schoolbezoek van hun kinderen. 2.Ten behoeve van het schoolbezoek van een leerling die zijn woning heeft in de gemeente, kent het college aan de ouders of de meerderjarige leerling op aanvraag een vervoersvoorziening toe met inachtneming van het bepaalde in deze verordening. Hierbij vormt de goedkoopst passende vervoersvoorziening het uitgangspunt. 3.De verantwoordelijkheid om als dat nodig is te zorgen voor een begeleider berust bij ouders, tenzij naar het oordeel van het college voldoende is aangetoond dat begeleiding van de leerling door de ouders of anderen uit hun netwerk onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden. 4.De verantwoordelijkheid voor het gedrag van de minderjarige leerling gedurende het verblijf van de leerling in het aangepast vervoer berust bij de ouders. 5.Bij de keuze voor de te verstrekken vervoersvoorziening wordt achtereenvolgens beoordeeld of vervoer, al dan niet met begeleiding, mogelijk is: per fiets; per openbaar vervoer; met eigen vervoer; met aangepast vervoer. Artikel9.Afstandsgrens 1.Een vervoersvoorziening wordt slechts toegekend als de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor: basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs meer bedraagt dan zes kilometer; speciaal basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs meer bedraagt dan zes kilometer; of speciaal onderwijs meer bedraagt dan zes kilometer; of voortgezet speciaal onderwijs meer bedraagt dan zes kilometer; of praktijkonderwijs meer bedraagt dan zes kilometer. 2.In afwijking van het eerste lid wordt geen afstandsgrens gehanteerd wanneer aan burgemeester en wethouders genoegzaam is aangetoond dat het een gehandicapte leerling betreft. Zo nodig kunnen burgemeester en wethouders hierover advies vragen aan een onafhankelijk medisch deskundige. De deskundige betrekt in zijn advies de mogelijkheden van de leerling om zelfstandig, al dan niet met begeleiding, met de fiets of het openbaar vervoer te reizen. Artikel10.Andere oplossing 1.Als de leerling aanspraak kan maken op een passende voorziening of vergoeding voor de reiskosten op basis van een andere regeling, komt de leerling niet in aanmerking voor een vervoersvoorziening op grond van deze verordening. 2.Als de leerling aanspraak kan maken op een gedeeltelijke vergoeding voor de reiskosten op basis van een andere regeling betrekt het college deze vergoeding bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding op grond van deze verordening of brengt hij dit bedrag als eigen bijdrage in rekening. Artikel11.Aanwijzing opstapplaats 1.Het college kan bij het verstrekken van aangepast vervoer een opstapplaats aanwijzen van waaruit de leerling gebruik maakt van het aangepast vervoer. 2.De opstapplaats bevindt zich op een veilige en beschutte locatie en op een redelijke loopafstand van de woning van de leerling en biedt voldoende ruimte voor een eventuele begeleider. 3.De ouders dragen er zorg voor dat de leerling naar en op de opstapplaats wordt begeleid als dit noodzakelijk is. 4.Het college wijst geen opstapplaats aan als naar het oordeel van het college voldoende is aangetoond dat begeleiding van de leerling door de ouders of anderen uit hun netwerk onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden. Artikel12.Vervoersvoorziening naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school 1.In overeenstemming met artikel 4, vijfde lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 4, vijfde lid, van de Wet op de expertisecentra en artikel 8.29, vierde lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020, wordt een vervoersvoorziening toegekend over de afstand tussen de woning dan wel de opstapplaats en de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school, tenzij vervoer naar een verder weggelegen school voor de gemeente minder kosten met zich mee brengt en de ouders of de meerderjarige leerling als aanvrager met het vervoer naar die school schriftelijk instemt. 2.Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, ontstaat niet eerder een aanspraak op een vervoersvoorziening dan nadat de aanvrager de keuze voor de toegankelijke school schriftelijk heeft gemeld. 3.Er wordt, overeenkomstig artikel 4, vijfde lid, aanhef en onder c en d, van de Wet op het primair onderwijs, eveneens een vervoersvoorziening verstrekt over de afstand tussen de woning of de opstapplaats en: de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke speciale school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband van de basisschool waarvan de leerling afkomstig is, als ouders daar schriftelijk mee instemmen; of een andere speciale school voor basisonderwijs in het onder a bedoelde samenwerkingsverband, als het vervoer naar die school voor de gemeente minder kosten met zich mee zou brengen dan het vervoer naar de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke speciale school voor basisonderwijs als bedoeld onder a en ouders daar schriftelijk mee instemmen. 4.Als de ouders of de meerderjarige leerling vanwege een specifieke onderwijskundige behoefte van de leerling een vervoersvoorziening aanvragen naar een school op een grotere afstand, dan de dichtstbijzijnde toegankelijke school van de onderwijssoort waarop de leerling is aangewezen, wordt deze al dan niet tijdelijk slechts toegekend als is voldaan aan de volgende voorwaarden: aan het college is door de ouders of de meerderjarige leerling naar het oordeel van het college voldoende aangetoond wat de specifieke en noodzakelijke onderwijskundige onderwijsbehoefte is van de leerling; en aan het college is door de ouders of de meerderjarig leerling naar het oordeel van het college voldoende aangetoond dat de dichtstbijzijnde school van de onderwijssoort waarop de leerling is aangewezen niet toegankelijk is vanwege het niet kunnen bieden van het noodzakelijke specifieke onderwijsaanbod; en in het OOGO is overleg gevoerd over het onderwijsaanbod bij de dichtstbijzijnde toegankelijke school van de onderwijssoort, waarop de leerling is aangewezen met als doel om het passend onderwijs op korte termijn zo dicht mogelijk bij huis te realiseren. Artikel13.Schooltijden en wachttijden 1.Het aangepast vervoer vindt plaats in aansluiting op de schooldagen en schooltijden, zoals deze zijn opgenomen in de schoolgids van de school die de leerling bezoekt. 2.Als er binnen een school sprake is van verschillende lesroosters binnen de vaste schooltijden, kan het college besluiten een wachttijd in stellen, om het aangepast vervoer zo efficiënt mogelijk in te zetten. 3.Het aangepast vervoer op schooldagen en schooltijden die afwijken van de in de schoolgids genoemde dagen en tijden wordt niet georganiseerd, tenzij de ouders of de meerderjarige leerling als aanvrager naar het oordeel van het college toereikend bewijs overlegt waaruit blijkt dat de structurele handicap van een leerling de aansluiting op de standaard schooltijden onmogelijk maakt. Artikel14.Tijdelijk verblijf buiten de gemeente 1.Het college kan een tijdelijke vervoersvoorziening voor een periode van maximaal zes weken toekennen aan de ouders van een leerling, die als gevolg van een crisissituatie tijdelijk buiten de gemeente verblijft, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan: de leerling blijft zijn eigen school bezoeken en in de periode, voorafgaand aan het tijdelijke verblijf buiten de gemeente, is een vervoersvoorziening toegekend op grond van deze verordening en de intentie bestaat dat de leerling terugkeert naar de oorspronkelijke gemeente. 2.Het besluit waarin de vervoersvoorziening is toegekend voorafgaand aan een tijdelijke vervoersvoorziening wordt opgeschort met ingang van de datum van het tijdelijk verblijf buiten de gemeente en herleeft weer zodra de leerling terugkeert in de gemeente, tenzij de geldigheidsduur van dit besluit is verstreken. 3.Als de vervoersvoorziening bestaat uit aangepast vervoer kan het college, in overleg en overeenstemming met de gemeente waarin de leerling tijdelijk verblijft, besluiten dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente van het tijdelijk verblijf het vervoer uitvoert. Artikel15.Vervoersvoorziening voor weekeinde en vakantie bij verblijf in pleeggezin of internaat 1.Met inachtneming van de artikelen 8 en 10 kent het college op aanvraag een vervoersvergoeding voor het weekeinde en de schoolvakantie toe aan de in de gemeente wonende ouders van de leerling die, met het oog op het volgen van voor hem passend speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs in een internaat of pleeggezin verblijft. 2.Het college kent aan de ouders een vervoersvergoeding toe voor het weekeindevervoer van de leerling voor de eenmaal per weekeinde gemaakte reis van het internaat of het pleeggezin waar de leerling verblijft, naar de woning van de ouders en terug, voor zover de weekenden niet vallen binnen de in het eerste lid genoemde schoolvakanties. 3.Het college kent aan de ouders een vervoersvergoeding toe voor het vervoer van de leerling tijdens de schoolvakanties. De voorziening betreft de reis van het internaat of het adres van het pleeggezin naar de ouders eenmaal aan het begin van de vakantie en eenmaal aan het einde van de vakantie. 4.Voor de toekenning is een vergoeding van de kosten van openbaar vervoer het uitgangspunt. Het college vergoedt ook de kosten van het openbaar vervoer voor een begeleider, als de leerling wegens zijn structurele handicap of leeftijd niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik te maken.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.