← Nederland

Beleidsregels lijkbezorging van gemeentewege Stichtse Vecht (Stichtse Vecht)

Beleidsregels lijkbezorging van gemeentewege Stichtse VechtHet college van burgemeester en wethouders en de burgemeester van Stichtse Vecht, ieder voor zover het zijn bevoegdheden betreft; overwegende dat: de burgemeester zorg dient te dragen voor de lijkbezorging indien niemand daarin voorziet; de kosten voor de lijkbezorging voor rekening van de gemeente zijn en het de bevoegdheid van het college van B&W is om de kosten van de lijkbezorging te verhalen; het wenselijk is deze beleidsregels vast te stellen. gelet op de artikelen 20, 21 en 22 van de Wet op de lijkbezorging en 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht; besluiten om vast te stellen: De Beleidsregels lijkbezorging van gemeentewege Stichtse Vecht. Artikel1Begrippen In deze beleidsregels wordt verstaan onder: burgemeester: de burgemeester van de gemeente Stichtse Vecht; gemeente: de gemeente Stichtse Vecht nabestaande: bloed- of aanverwanten in de eerste of tweede graad; lijkbezorging: het verzorgen van een uitvaart; de wet: de Wet op de lijkbezorging Artikel2Opdracht geven tot de uitvaart 1.De burgemeester geeft opdracht tot uitvaart van een binnen de gemeentegrenzen van de gemeente aangetroffen overledene waarvoor een opdracht tot uitvaart door een nabestaande van die overledene achterwege blijft. De uitvaart vindt plaats ongeacht de woonplaats van de overledene. 2.Als nog niet duidelijk is wie opdracht geeft tot de uitvaart maakt de burgemeester met een uitvaartondernemer de afspraak zorg te dragen voor het verplaatsen van de overledene naar een mortuarium en de eerste strikt noodzakelijke verzorging, maar nog niet voor de uitvaart. Artikel3Nabestaanden of erfgenamen 1.Als er een nabestaande en/of erfgenaam bekend is, verzoekt de burgemeester deze de uitvaart te verzorgen. De nabestaande en/of erfgenaam krijgt hiervoor bedenktijd. De burgemeester stelt deze op 24 uur na het eerste contact met de nabestaande of erfgenaam. 2.De burgemeester doet onderzoek naar het bestaan van een nabestaande en/of erfgenaam als deze/dit niet bekend is. 3.De burgemeester verricht geen bovenmatige inspanningen om de nabestaanden op te sporen. 4.Het onderzoek naar de eventuele nabestaande(

  1. n)strekt niet verder dan tot en met de 2e graad van bloed- en aanverwantschap. Artikel4Wilsbeschikking 1.De burgemeester doet onderzoek naar de wil van de overledene met betrekking tot de aard van de uitvaart (begraven of cremeren), bijvoorbeeld door te onderzoeken of er een testament, wilsverklaring of uitvaartpolis is. 2.De uitvaart geschiedt zoveel als redelijkerwijs mogelijk overeenkomstig de wens of de vermoedelijke wens van de overledene. Artikel5Invulling van de uitvaart 1.De burgemeester houdt zoveel als redelijkerwijs mogelijk rekening met de door de overledene vastgelegde wens over de wijze van uitvaart voor zover dit begraven, cremeren of ter beschikking stellen van de wetenschap omvat. 2.De uitvaart vindt plaats op een sobere, maar respectvolle wijze, tenzij uit de polis van een uitvaartverzekering blijkt dat een minder sobere uitvaart mogelijk is 3.De burgemeester gaat bij het ontbreken van concrete aanwijzingen over de wens van de overledene over tot begraven in een algemeen graf op een gemeentelijke begraafplaats. 4.De burgemeester houdt alleen rekening met wensen van nabestaanden of naasten voor zover dat passend is bij een sobere maar respectvolle uitvaart en niet op gespannen voet staat met de wens of vermoedelijke wens van de overledene. Artikel6Criteria voor een sobere uitvaart van gemeentewege 1.De burgemeester geeft opdracht aan een uitvaartondernemer de uitvaart namens de gemeente te verzorgen op basis van de volgende criteria: Het overbrengen van de overledene van de plaats van overlijden naar het mortuarium; De verzorging van de overledene Huur ‘bewaarplaats’ in het mortuarium; Verzorgen noodzakelijke formaliteiten zoals verklaring van overlijden, verkrijgen van een verlof tot begraven of cremeren en akte van overlijden Aanschaf kist tegen de laagst mogelijke kosten; Het kisten van de overledene Rouwvervoer van de overledene naar de begraafplaats of het crematorium op de dag van de uitvaart; Begraven van de overledene in een algemeen graf op een gemeentelijke begraafplaats zonder grafmonument, dan wel cremeren tegen de laagst mogelijke kosten indien dat aantoonbaar de wens van de overledene was; De uitvaart kan plaatsvinden in aanwezigheid van nabestaanden en naasten; De uitvaartondernemer verzorgt een korte mogelijkheid tot afscheid nemen bij het graf, gedurende maximaal 15 minuten; De uitvaartondernemer heeft uitsluitend telefonisch contact met eventuele nabestaanden; De burgemeester bepaalt in overleg met de uitvaartondernemer de datum en het tijdstip van de uitvaart; Bij het ontbreken van nabestaanden die afscheid nemen zijn er twee gemeenteambtenaren bij de uitvaart aanwezig. Artikel7Verhalen van kosten 1.De gemeente kan de kosten van de uitvaart verhalen op de nalatenschap en/of op één of meerdere nabestaande(
  2. n)en een eventuele uitvaartverzekering. 2.Indien er een testament is van de overledene verzoekt de gemeente de betreffende notaris de nalatenschap af te handelen. De gemeente dient de gemaakte kosten voor de uitvaart in bij de notaris. 3.Als de opdracht, om de overledene over te brengen van de plaats van overlijden naar het mortuarium, wordt verstrekt door een ander dan door de burgemeester, dan is de opdrachtgever verantwoordelijk voor de volledige kosten van de verplaatsing. Artikel8Onbeheerde nalatenschap 1.Indien op grond van de in artikel 3 en 4.1 bedoelde onderzoek geen nabestaande(
  3. n)of andere partij(
  4. en)zijn aangetroffen die afwikkeling van een nalatenschap op zich kunnen of willen nemen wordt de nalatenschap aangemeld bij het Rijksvastgoedbedrijf. 2.Het Rijksvastgoedbedrijf verricht alle werkzaamheden ten aanzien van de afwikkeling van de onbeheerde nalatenschap. 3.Uitgangspunt is dat, indien de nalatenschap toereikend is, het Rijksvastgoedbedrijf de kosten aan de gemeente vergoedt. Artikel9Slotbepaling 1.Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels lijkbezorging van gemeentewege Stichtse Vecht. 2.Deze beleidsregels treden in werking op de dag na bekendmaking. Aldus besloten in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Stichtse Vecht, gehouden op 10 maart 2026.De gemeente secretaris, Dhr R.C. L. Heijdrade burgemeester,Drs. A.J.H.T.H. ReindersDe burgemeester van Stichtse Vecht,Drs. A.J.H.T.H. ReindersToelichting op de Beleidsregels lijkbezorging van gemeentewege Stichtse Vecht Algemene toelichting In de artikel 21 en 22 Wet op de lijkbezorging (hierna: Wlb) is vastgelegd dat als niemand maatregelen neemt om de lijkbezorging van een overledene te realiseren, de burgemeester daarvoor verantwoordelijk is. De daaraan verbonden kosten zijn in beginsel voor de rekening van de gemeente. De gemeente kan de kosten daarvan verhalen op de nalatenschap en op bloed en aanverwanten. Omdat in de Wlb relatief weinig is geregeld, heeft de gemeente zelf de vrijheid om invulling te geven aan het werkproces rondom de lijkbezorging. De gemeente zal daarbij moeten bepalen welke inspanningen worden verricht om nabestaanden op te sporen, op welke wijze de uitvaart wordt gerealiseerd en in hoeverre de gemeente maatregelen neemt om de bezittingen van de overledene te beheren, de belangen van nabestaanden te behartigen en de kosten te verhalen. In de Wlb is hierover weinig geregeld en daarom is het noodzakelijk dat er eigen beleid wordt vastgesteld. Uitgangspunten lijkbezorging van gemeentewege Het uitgangspunt van de Wlb is dat de lijkbezorging geen primaire taak van de overheid is. Het is een taak van de burgers om die zorg voor elkaar te dragen. Daarom zijn de nabestaanden van de overledene in de eerste plaats verantwoordelijk voor het (laten) verzorgen van een uitvaart. De opdrachtgevers kunnen ook anderen, niet zijnde nabestaanden zijn. Hierom noemt de wetgever nadrukkelijk geen specifieke persoon die aansprakelijk en verantwoordelijk is voor de lijkbezorging en bepaalt daarom ook niet wie de meest betrokken persoon zou zijn. Zodra werkelijk niemand in de lijkbezorging voorziet of geen initiatief wordt ondernomen, moet de burgemeester daarvoor zorg dragen. Zijn er wel nabestaanden, dan moet nagegaan worden of de nabestaanden bereid zijn om opdracht te geven voor de lijkbezorging. Wanneer dit niet het geval is, dan is de burgemeester verantwoordelijk. De kosten komen ten laste van de gemeente, die het wettelijke recht heeft om de kosten te verhalen op de nalatenschap en de nabestaanden. Het leidende principe van de Wlb is dat de gemeente in het belang van de volksgezondheid en openbare orde voor de lijkbezorging zorgdraagt en dat nabestaanden of erfgenamen de kosten voor hun rekening nemen. Proces Hoe verloopt het proces van uitvaart, welke stappen moet de burgemeester zetten en welke keuzes moeten worden gemaakt? Het gaat van start met een melding dat er op een locatie in Stichtse Vecht een overledene is, waarover niemand zich ontfermt. De melding kan door eenieder worden gedaan, maar zal in de praktijk hoogstwaarschijnlijk afkomstig zijn van hulpverleners, zoals huisarts, verpleeg- of verzorgingshuis, ziekenhuis, politie, uitvaartondernemers e.d. Volgens artikel 20 Wlb moet de melding uiterlijk op de derde dag na het overlijden worden gedaan. Hierna volgen de volgende stappen: Vaststellen identiteit overledene (2.1); Overbrengen overledene naar mortuarium (2.2); Nabestaanden verzoeken de uitvaart te regelen (3.1); Onderzoek nabestaanden (3.2); Onderzoek naar testament of codicil (4.1); Buurtonderzoek, eventueel huisbezoek en beheersmaatregelen (7.1). De uitvaart dient uiterlijk op de zesde werkdag na het overlijden plaatsvinden (artikel 16 Wlb). De opdracht tot uitvaart wordt doorgaans uiterlijk op de vierde werkdag na het overlijden gegeven. De beschreven werkzaamheden worden binnen die termijn verricht. Hoe bindend is de termijn? In artikel 16 Wlb is de maximale termijn van zes werkdagen gesteld. Onder bijzondere omstandigheden is het mogelijk om daarvan af te wijken. De burgemeester heeft de bevoegdheid om een andere termijn te stellen na het raadplegen van een arts. Deze situatie kan aan de orde komen wanneer er bijvoorbeeld een vermoeden is van een niet-natuurlijke dood of bij het ontbreken van duidelijkheid over de identiteit van de overledene. Deze mogelijkheid om van de wettelijke termijn af te wijken is niet bedoeld voor de gevallen waarbij het onderzoek naar mogelijke nabestaanden nog niet is afgerond binnen de termijn. Mandaat Formeel gezien is de burgemeester verantwoordelijk voor de uitvoering van artikel 21 Wlb. Deze uitvoering is gemandateerd aan de manager van Bedrijfsvoering Leefomgeving, met ondermandaat aan de coördinatoren begraafplaatsen’. Het college is verantwoordelijk voor de uitvoering van artikel 22 Wlb. Ook hiervoor is mandaat verleend aan de manager van Bedrijfsvoering Leefomgeving, met ondermandaat aan de coördinatoren begraafplaatsen’. Artikelsgewijze toelichting 1 Begrippen Spreekt voor zich. 2 Opdracht geven tot de uitvaart Een melding van een overledene waarover niemand zich ontfermt komt binnen bij de gemeente. Een dergelijke melding is in de praktijk meestal afkomstig van hulpverleners, zoals verpleeg- of verzorgingstehuis, politie, uitvaartondernemer. 2.1 Welke gemeente is verplicht de uitvaart te regelen? Uitgangspunt van de Wlb is dat de burgemeester van de gemeente, waar de overledene zich bevindt op het moment van overlijden als niemand opdracht geeft tot het verzorgen van de uitvaart, de verantwoordelijkheid heeft voor de uitvaart. Het is mogelijk dat de overledene niet staat ingeschreven in de gemeente van overlijden. Voor de uitvoering heeft dit wel gevolgen met name als een bezoek aan de woonruimte van de overledene nodig wordt geacht om te achterhalen of er nabestaanden zijn, of wanneer het lijk zich nog in de woning bevindt. Voor het binnentreden van een woning moet men zich houden aan de vormvoorschriften van de Algemene wet op het binnentreden. De burgemeester van de gemeente, waar de overledene woonachtig was, moet een machtiging verlenen voor het bezoek aan de woonruimte aldaar. De machtiging wordt per geval door de betreffende burgemeester verleend. 2.2 Vaststellen identiteit overledene In de meeste gevallen is de identiteit van de overledene bekend. Stel dat dit niet het geval is, dan wordt dit onderzocht. Aanwijzingen worden gevonden in documenten of papieren die de overledene bij zich draagt, getuigenverklaringen, vermissingsberichten, e.d. Wanneer er na een globaal onderzoek nog niet is achterhaald wat de identiteit is van de overledene, wordt er celmateriaal afgenomen door een arts (artikel 21 lid 3 Wlb). De gemeente blijft verantwoordelijk voor de lijkbezorging, ook al kan de identiteit van de overledene niet worden vastgesteld. In dit geval wordt het lijk op grond van artikel 21 lid 6 Wlb begraven. 2.3 Betreden van de woning (overleden bevindt zich binnen) Het kan voorkomen dat de overledene zich in een afgesloten ruimte bevindt waar geen toegang toe bestaat. Hierdoor wordt de burgemeester verhinderd om uitvoering te geven aan de lijkbezorging. Volgens artikel 21, tweede lid Wlb mag de burgemeester of ambtenaar van politie zonder toestemming van de bewoner de woning betreden. De formulering van artikel 21, tweede lid Wlb is in overeenstemming met de Algemene wet op het binnentreden. De weigering tot afgifte van een stoffelijk overschot is strafbaar ingevolge artikel 81, aanhef en onderdeel 2 Wlb. Het verhinderen of belemmeren van een lijkschouwing, dan wel een poging daartoe, is strafbaar ingevolge artikel 80, aanhef en onderdeel 8 Wlb. 2.4 Overbrengen overledene naar mortuarium Als na de melding van overlijden niet duidelijk is of en zo ja, wie opdracht geeft tot uitvaart, maakt de gemeente met de uitvaartverzorger de afspraak zorg te dragen voor het verplaatsen van de overledene naar een mortuarium en alleen de eerste verzorging te realiseren en nog niet de volledige uitvaart. Het is niet wenselijk om de overledene voor lange tijd op de plek van overlijden te laten liggen. Zeker bij bepaalde weeromstandigheden en bij overlijden in de openbare ruimte is het gewenst om het lichaam zo spoedig mogelijk te verplaatsen naar een discrete locatie. Vervolgens zal er onderzoek gedaan worden naar de nabestaanden van de overledene. Wanneer er nabestaanden zijn kan er overlegd worden met hen over de uitvaart. 3 Nabestaanden Er wordt een onderzoek gestart naar eventuele nabestaanden. Hierbij wordt in beginsel gebruik gemaakt van de basisregistratie personen (BRP). 3.1 Nabestaanden verzoeken tot het regelen van de uitvaart Nabestaanden tot en met de 2e graad van bloed- en aanverwantschap worden benaderd met het verzoek zorg te dragen voor de uitvaart. Dit moet aan hen worden voorgelegd vanuit het uitgangspunt dat uitvaart primair géén taak is van de overheid, maar een zaak van burgers, die zorg dragen voor elkaar. Hoewel de nabestaanden hiertoe niet verplicht zijn, mag de gemeente hen wijzen op hun morele verplichting en hen met nadruk verzoeken de uitvaart te regelen zodat de kosten van de uitvaart niet voor rekening van de gemeenschap komen. Ook is het belangrijk om in het voortraject te wijzen op het sobere karakter van de uitvaart van gemeentewege en om aan te geven dat de overledene begraven wordt in een algemeen graf waarin ook anderen begraven worden en dat dit graf tien jaar na de laatste begraving in dit graf geruimd kan worden. Voor nabestaanden kan dit een reden zijn om alsnog als opdrachtgever van de uitvaart op te treden. Door deze werkwijze worden de meest directe familieleden als eerste benaderd. In beginsel gaan deze beleidsregels uit van bloed- en/of aanverwanten, maar uiteindelijk hoeft degene die de opdracht tot een uitvaart op zich neemt niet een familielid te zijn. Het belangrijkste is dat er een opdrachtgever gevonden wordt ongeacht uit welke geleding hij of zij afkomstig is. Nabestaanden die vanwege een beperkte draagkracht niet in staat zijn om de kosten van de uitvaart te voldoen, kunnen bijzondere bijstand aanvragen bij hun gemeente. Het is per gemeente verschillend hoe hiermee wordt omgegaan en of vergoeding vanuit de bijzondere bijstand mogelijk is en welke voorwaarden worden gesteld. Wanneer nabestaande(
  5. n)zijn gedetineerd, worden deze in beginsel niet benaderd, tenzij daartoe naar het oordeel van de burgemeester c.q. gemandateerde ambtenaar een bijzondere aanleiding bestaat. Het is niet realistisch om deze persoon te verzoeken om de uitvaart te verzorgen. Hetzelfde geldt voor nabestaanden die in het buitenland wonen. Daarnaast moeten de nabestaanden zo snel mogelijk beslissen of ze de uitvaart willen verzorgen. De reactie moet uiterlijk binnen 24 uur worden bevestigd en bij voorkeur schriftelijk of via de e-mail. Deze korte termijn wordt er gesteld omdat de overledene in beginsel uiterlijk op de zesde werkdag na overlijden begraven of gecremeerd moet zijn. Zodra de nabestaanden aangeven niet de verantwoordelijkheid op zich te willen nemen om de uitvaart te verzorgen, zal de burgemeester de taak op zich nemen. Wel bestaat er de mogelijkheid om de kosten later toch nog te verhalen op de nabestaanden. Bij artikel 7 ‘Verhaal van kosten’ komt dit ter sprake. 3.2 Onderzoek nabestaanden Het uitgangspunt van de Wlb is dat nabestaanden zorgdragen voor de uitvaart. Artikel 21 Wlb is alleen bedoeld als vangnet voor het geval er geen opdracht wordt gegeven tot uitvaart of omdat er geen nabestaanden zijn of dat deze weigeren de uitvaart te regelen. Onderzoek naar nabestaanden kan een tijdrovende klus zijn. De gemeente dient per situatie te bepalen welke inspanningen daarvoor geleverd moeten worden en binnen welk tijdbestek. In ieder geval verricht de gemeente daartoe geen bovenmatige inspanningen. De gemeente zal het onderzoek uitvoeren met gebruik van de basisregistratie personen (BRP) en contact moeten zoeken met eventuele nabestaanden. Daarnaast wordt er onderzocht of de overledene een uitkering ontvangt van de gemeente of andere voorzieningen. De coördinatoren zoeken daarvoor contact met collega’s die hen van die informatie kunnen voorzien en eventuele extra informatie. Ook kan er contact opgenomen worden met een aantal andere bronnen, zoals politie, maatschappelijk werk, Centraal testamentenregister, andere uitkeringsinstanties, werkgever, etc. In principe hoort buurtonderzoek ook tot het standaardonderzoek. Het huisbezoek (binnentreding) is een optioneel onderzoek in Stichtse Vecht. Uitgangspunt van het huisbezoek is om te onderzoeken of er nabestaanden zijn en of er een uitvaartverzekering is en of er een wilsbeschikking is. In de Wlb staan geen regels over het bezoek aan de woonruimte van de overledene. In principe kan het worden beschouwd als ‘huisvredebreuk’ in de zin van artikel 138 Wetboek van Strafrecht. Op grond van het strafrecht geldt namelijk, dat als de woonruimte zich nog in ongeschonden staat bevindt, zij bij de overleden bewoner nog ‘in gebruik’ is (HR 14 april 1981, NJ 1982, 421). Vaak wordt als grondslag voor binnentreden in de woonruimte aangevoerd dat de burgemeester verantwoordelijk is voor de openbare orde, veiligheid en volksgezondheid en daarom noodmaatregelen kan treffen, zoals sluiting van een woning en afsluiten van de gastoevoer. Het binnentreden van de woonruimte wordt dan wel als een dergelijke ‘noodmaatregel’ aangemerkt, gebaseerd op artikel 172 Gemeentewet. Er vindt een belangenafweging plaats tussen enerzijds de openbare orde en de verantwoordelijkheid voor de uitvaart en anderzijds het respect voor de overledene en de nabestaanden. Het plegen van een huisbezoek wordt als middel aangehouden als het andere onderzoek geen bereikbare nabestaande, geen testament, geen (ongeregistreerde) wilsbeschikking ten aanzien van de wijze van uitvaart heeft opgeleverd. De genoemde belangenafweging is al bij voorbaat gemaakt. De Algemene wet op het binnentreden blijft onverkort van toepassing als in een concreet geval tot binnentreden van een woning wordt overgegaan. In die wet zijn de vormvoorschriften geregeld die in acht moeten worden genomen bij het binnentreden van een woonruimte. Dit betekent onder andere dat: een schriftelijke machtiging door de burgemeester moet zijn afgegeven; (Dat is niet vereist bij voorkoming of bij bestrijding van ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van personen en/of goederen); terstond in de woning moet worden binnengetreden; enkel kan worden binnengetreden door personen die bevoegd zijn verklaard; binnentreden gebeurt met inachtneming van de overige ter zake geldende regels, zoals de legitimatieplicht en de verplichting om van het binnentreden een verslag op te maken. De woonruimte van de overledene wordt betreden door twee daartoe gemachtigde ambtenaren van de gemeente, een en ander in overleg met de eventuele verhuurder. Hierbij worden de beginselen van zorgvuldigheid en proportionaliteit in acht genomen. Beheersmaatregelen De gemeente beperkt de beheersmaatregelen bij een huisbezoek tot het veiligstellen van bezittingen, waaruit de uitvaart kan worden bekostigd. Bezittingen zoals belangrijke documenten uit de administratie (uitvaartverzekering, bankafschriften, verzekeringspolissen e.d.) worden meegenomen en veilig opgeslagen. Andere waardevolle spullen worden gefotografeerd en opgenomen in het verslag van het huisbezoek, zoals: waardepapieren; sieraden; kostbare verzameling (munten, postzegels e.d.); antiek; contant geld; alles van enige waarde. 3.3 – 3.4 Geen bovenmatige inspanningen De gemeente verricht geen bovenmatige inspanningen om nabestaanden op te sporen. De inspanningen die worden geleverd voor het opsporen en benaderen van nabestaanden worden geregistreerd, zodat het mogelijk is achteraf verantwoording af te leggen aan bijvoorbeeld alsnog opgespoorde nabestaanden over de geleverde inspanningen. Het onderzoek naar de nabestaanden strekt bij de gemeente niet verder dan tot en met de 2e graad van bloed- en aanverwantschap, tenzij daartoe naar het oordeel van de burgemeester c.q. gemandateerde ambtenaar een bijzondere aanleiding bestaat. De wettelijke termijn waarbinnen begraven of gecremeerd moet worden is uiterlijk zes werkdagen. In de wet zijn geen voorschriften vastgelegd voor het opsporen en benaderen van nabestaanden. De gemeente dient zich bij het onderzoek te houden aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waarbij met name het zorgvuldigheidsbeginsel in dit verband van belang is. 4Wilsbeschikking 4.1 Onderzoek testament of codicil. Door middel van een codicil, testament of anderszins opgestelde wilsbeschikking kan de overledene aangegeven hebben welke vorm van uitvaart hij/zij wenst. De burgemeester onderzoekt of er sprake is van een testament. Het Centraal Testamentenregister (CTR) te Den Haag wordt geraadpleegd om na te gaan of de overledene een testament heeft laten opmaken. Het kan ook voorkomen dat er een codicil is opgemaakt door de overledene. Hieruit kan ook nuttige informatie gevonden worden om nabestaanden te achterhalen. Desondanks komt het vaak voor dat een codicil onvindbaar is. Maar ook als de overledene zich hierover niet expliciet heeft uitgelaten kan een wens soms blijken uit het feit dat de overledene aanhanger was van een bepaalde godsdienst of levensovertuiging die verplicht tot crematie of juist tot begraven. 4.2 Rekening houden met de wensen van de overledene De burgemeester dient de wens van de overledene te respecteren voor wat betreft de wijze waarop de uitvaart plaatsvindt. Het gaat daarbij met name om de keuze voor begraven, cremeren of ter beschikking stellen van de wetenschap. In artikel 18, lid 1 van de Wet staat hierover het volgende: ‘De uitvaart geschiedt overeenkomstig de wens of de vermoedelijke wens van de overledene, tenzij dat redelijkerwijs niet gevergd kan worden’. 5Invulling van de uitvaart 5.1– 5.4 De uitvaart Deze artikelen zijn van toepassing op de situatie dat nog niemand opdracht heeft gegeven voor de uitvaart en de gemeente dient te zorgen voor de uitvaart. Er wordt een uitvaartondernemer benadert en verzocht om deze taak uit te voeren. De burgemeester geeft aan op welke wijze de uitvaart zal plaatvinden. Uitvaartondernemer De burgemeester kan onderhands aanbesteden bij de keuze van een uitvaartondernemer. Voor de keuze van een uitvaartondernemer kan een onderhandse aanbesteding vooraf gaan. De hoogte van de kosten vallen onder de toets van het inkoopbeleid van de gemeente. Uitvaartverzekering De burgemeester geeft de uitvaartondernemer de opdracht te onderzoeken of er sprake is van een naturaverzekering en deze gelden, indien van toepassing, te innen en te verrekenen met de uitvaartfactuur. Het is mogelijk dat uit de administratie van de overledene, bijv. bij een huisbezoek in het kader van het veiligstellen van de nalatenschap (zie punt 4.1), blijkt dat de overledene een uitvaartverzekering heeft afgesloten. Is dit een naturaverzekering, dan vraagt de gemeente de uitvaartonderneming deze gelden te innen. Dit doet overigens niets af aan de toepasselijkheid van de Wlb en de mogelijkheden om kosten te verhalen op hetzij de nalatenschap hetzij de nabestaanden. De uitvaartondernemer heeft via het Register Uitvaartverzekeringen inzicht in het gegeven of iemand een uitvaartverzekering heeft. Het is dan ook de taak van de uitvaartondernemer de kosten van de uitvaart eerst uit deze verzekering te vergoeden. De gemeente of de nabestaanden ontvangen in dat geval alleen een restnota indien de verzekering de uitvaartkosten niet geheel dekt. Begraven, cremeren of ter beschikking stellen van de wetenschap? De burgemeester houdt alleen rekening met de door de overledene vastgelegde wens over de wijze van uitvaart voor zover dit begraven, cremeren of ter beschikking stellen van de wetenschap omvat. De gemeente gaat bij het ontbreken van concrete aanwijzingen van de wens van de overledene over tot begraven in een algemeen graf op een gemeentelijke begraafplaats. De burgemeester houdt alleen rekening met wensen van nabestaanden of naasten voor zover dat passend is bij een sobere maar respectvolle uitvaart en niet op gespannen voet staat van de wens of vermoedelijke wens van de overledene. Een afweging tussen begraven en cremeren vervalt als de identiteit van een overledene niet vastgesteld kan worden. In dergelijke gevallen schrijft de Wet een begrafenis voor. 6Criteria voor een sobere uitvaart van gemeentewege De kosten in geval van uitvaart van gemeentewege worden zo laag mogelijk gehouden en er is sprake van een sobere, maar respectvolle invulling van de uitvaart. 6.1Criteria voor een sobere uitvaart De burgemeester hanteert het uitgangspunt van de Wet op de Lijkbezorging inzake een sobere maar respectvolle uitvaart. Bij het regelen van de uitvaart worden de criteria genoemd in dit artikel in acht genomen. Nabestaanden of naasten hebben de gelegenheid om afscheid te nemen en aanwezig te zijn bij de uitvaart. Er wordt echter geen afscheidsdienst gehouden. Als blijkt dat er geen nabestaanden gevonden kunnen worden of dat er geen mensen bij de uitvaart aanwezig zullen zijn, bezoeken twee gemeenteambtenaren uit respect voor de overledene de uitvaart. Begraven zal plaatsvinden op een gemeentelijke begraafplaats binnen de gemeente Stichtse Vecht. Bij crematie, conform de wens van de overledene, wordt de as van de overledene uitgestrooid bij het crematorium en de asbus wordt niet bijgezet. Wel wordt de as 6 maanden bewaard (artikel 59, eerste lid Wlb) voor het geval er wel nabestaanden zijn die zich melden. In overleg kan de as dan worden opgehaald. De gemeente vergoedt in beginsel de volgende kosten: overbrengen overledene van plaats van overlijden naar mortuarium; huur ‘bewaarplaats’ in mortuarium; ‘kisten’ overledene; aanschaf eenvoudige kist; verzorgen noodzakelijke formaliteiten (zoals verklaring van overlijden); indien nodig rouwauto op de dag van de uitvaart; begraven in algemeen graf, zonder grafmonument; bij crematie: bewaren as in asbus gedurende 6 maanden en as-verstrooiing op het strooiveld van het crematorium. koffie/thee voor nabestaanden en/of eventuele andere personen (totaal aantal personen maximaal 10) 7Verhalen van kosten 7.1 Mogelijkheden van verhaal De gemeente kan gebruik maken van de bevoegdheid de kosten van de uitvaart te verhalen op de nalatenschap of op de nabestaanden. Is de nalatenschap niet voldoende dan heeft de gemeente een verhaalsrecht op de bloed- en aanverwanten die tot het verstrekken van levensonderhoud aan de overledene verplicht zouden zijn geweest. Dit volgt uit artikel 22 van de Wet op de Lijkbezorging en titel 17 Boek 1 BW. De verhaalsparagraaf 6.5 van de Participatiewet (Pw) is van overeenkomstige toepassing. Welke kosten kunnen naast de uitvaartkosten worden verhaald Naast de uitvaartkosten kunnen ook andere kosten die redelijkerwijs zijn gemaakt worden verhaald. Bijvoorbeeld kosten die gemaakt worden voor het veiligstellen van de nalatenschap. Kosten i.v.m. uitvaart Kosten, die moeten worden gemaakt om een sobere uitvaart, te realiseren, komen voor verhaal in aanmerking. Over de vraag welke kosten exact op grond van artikel 22 Wlb verhaald kunnen worden, zijn vrijwel geen aanknopingspunten beschikbaar in de wetsgeschiedenis of de jurisprudentie. Vanuit het beginsel dat de uitvaart in eerste aanleg een particuliere verantwoordelijkheid is, wordt er in zijn algemeenheid van uitgegaan dat allerlei bijkomende kosten ook kunnen worden verhaald, voor zover deze, naar aard en omvang genomen, ‘redelijkerwijs’ zijn gemaakt. Daaronder kunnen ook allerlei ‘regelkosten’ en/of administratieve kosten worden gebracht, zoals kosten om nabestaanden te vinden, om de woning van de overledene te kunnen betreden, etc. Uitvoeringskosten worden niet in rekening gebracht. Dit zijn immers kosten die samenhangen met de uitvoering van een wettelijke taak, waarvoor de gemeente gecompenseerd wordt via een algemene uitkering uit het Gemeentefonds. Verhaal op geld en goederen Indien de zoektocht naar een nabestaande, erfgenaam of executeur (administratief of via een huisbezoek) niet heeft geleid tot de opdracht voor de uitvaart en de afhandeling van de nalatenschap niet op zich wil nemen, dan is er sprake van een onbeheerde nalatenschap. Indien daarvan sprake is geeft de burgemeester opdracht voor de uitvaart en wordt de nalatenschap ter afhandeling aangeboden aan het Rijksvastgoedbedrijf. Zie ook onder hoofdstuk 8. In principe gaat de gemeente dus niet zelf over tot het verhalen van kosten op geld en goederen in geval van een onbeheerde nalatenschap. De kosten worden door de gemeente ingediend bij het Rijksvastgoedbedrijf. Verhaal nalatenschap indien deze is aanvaard De gemeente verhaalt de kosten van de uitvaart op de nalatenschap indien er geen sprake is van een onbeheerde nalatenschap. Onder nalatenschap wordt verstaan het geheel van bezittingen en schulden dat de overledene nalaat. Onder bezittingen vallen ook uitkeringen, die bijvoorbeeld nog worden verstrekt na het overlijden. De schulden, die de overledene nalaat, vallen in beginsel in de nalatenschap (zoals belastingschulden en vorderingen van de gemeente ter zake van teveel verstrekte bijstand). Deze schulden dienen als eerste, naar gelang hun preferentie, uit de nalatenschap te worden voldaan. Vervolgens worden bijvoorbeeld de uitvaartkosten uit de resterende nalatenschap betaald (zie artikel 4:7 eerste lid BW). De nalatenschap vormt, zolang deze niet is aanvaard, een van de erfgenamen afgescheiden vermogen. Na zuivere aanvaarding vloeit de nalatenschap, inclusief de schulden, samen met het vermogen van de betreffende erfgenaam. Ook is het denkbaar dat de nalatenschap beneficiair is aanvaard of dat er een onbeheerde nalatenschap is. Of er sprake is van een beneficiair aanvaarde of van een verworpen nalatenschap, kan worden nagevraagd bij de griffie van de rechtbank. Een beneficiair aanvaarde nalatenschap brengt met zich mee dat de erfgenamen niet persoonlijk aansprakelijk zijn voor schulden van de overledene als blijkt dat de nalatenschap ontoereikend is om de schulden te voldoen. Is een nalatenschap beneficiair aanvaard of is er een onbeheerde nalatenschap (bijvoorbeeld omdat deze verworpen is door alle erfgenamen), dan wordt er vaak een vereffenaar benoemd. Deze is verantwoordelijk voor het voldoen van de schulden van de nalatenschap, waaronder ook de kosten van uitvaart. Bij een (beneficiair) aanvaarde nalatenschap, wordt deze taak ook wel uitgevoerd door een executeur testamentair (als er een testament
  6. is)of een erfgenaam. Is de nalatenschap (eventueel beneficiair) aanvaard, dan worden de kosten van de uitvaart in rekening gebracht bij de betreffende erfgena(a)m(
  7. en)c.q. de executeur testamentair of de notaris. Als er een vereffenaar is benoemd kunnen de kosten bij hem worden ingediend. Deze kosten zijn schulden van de nalatenschap die daaruit met voorrang moeten worden voldaan (conform artikel 4:7 en artikel 4:184 BW). Er wordt schriftelijk een verhaal beslissing opgesteld, met daarin een kostenopgaaf, die wordt verstuurd naar de nabestaande(n). Is iemand anders vereffenaar of executeur of is de afwikkeling in handen van een notaris gesteld, dan vindt toezending van de factuur aan hem plaats, met het verzoek tot uitbetaling over te gaan. Evenals voor verhaal van bijstand geldt dat de verhaal beslissing niet geëxecuteerd kan worden op geld en goederen van de nalatenschap, tenzij de rechtbank de verhaalsvordering heeft vastgesteld. In de Wlb is geen bijzonder voorrecht of titel vastgelegd ten aanzien van verhaal van kosten lijkbezorging. De toepassing van paragraaf 6.5 Pw ‘voor zover mogelijk’ brengt onder andere met zich mee dat artikel 62g, tweede lid Pw van toepassing is. De gemeente gaat over tot verhaal in rechte, als de vordering door de nabestaanden, de executeur-testamentair of door de notaris bestreden wordt. Artikel 62h Pw, dat de verzoekschriftprocedure regelt, is eveneens van toepassing. Verhaal op de nabestaanden Als er na verhaal op de nalatenschap nog kosten voor uitvaart voor rekening van de gemeente blijven, worden deze kosten volgens artikel 22 van de Wlb verhaald op bloed- en aanverwanten tot in de tweede graad, die krachtens de artikelen 1:392, 1:394-396 BW tot onderhoud van de overledene verplicht zouden zijn geweest. Niet van belang is dat de nalatenschap eventueel beneficiair is aanvaard of verworpen. Bloed- en aanverwanten zijn volgens artikel 1: 392 BW: de ouders; de kinderen; behuwd kinderen, schoonouders en stiefouders. De gemeente maakt geen gebruik van de bevoegdheid om te verhalen op schoonouders, stiefouders, schoonzonen, schoondochters. De gemeente beschouwt deze familieleden niet als direct nabestaanden en ziet de gemeente het dan ook niet als hun burgerplicht, het grondbeginsel zoals verwoord in de Wlb, om de kosten van de uitvaart te betalen. Paragraaf 6.5 Pw is ‘voor zover mogelijk’ van overeenkomstige toepassing. Zie hetgeen daarover bij ‘Verhaal op de nalatenschap’ reeds is gesteld. In aanvulling daarop is nog van belang dat verhaal op bloed- en aanverwanten, anders dan bij verhaal van bijstand op onderhoudsplichtigen, niet plaatsvindt volgens de normen, die de burgerlijke rechter hanteert voor verplichting tot het verstrekken van alimentatie (TREMA-normen). Aansluiting moet worden gezocht bij verhaal van bijstand op de nalatenschap (artikel 62f onderdeel b Pw), waarbij dit geen rol speelt. Zie ook Rechtbank Alkmaar 28 mei 2008, LJN: BD 3885. De gemeente kan de kosten van lijkbezorging verhalen op de bloed- en aanverwanten naar de mate van hun erfrechtelijk aandeel. Dat betekent dat als er drie kinderen zijn, ieder kind voor een derde deel van de kosten verbonden is. Er geldt geen hoofdelijke aansprakelijkheid. Ieder is voor zijn deel verbonden. Zie uitspraak LJN: BD 3885. Voor dat deel kan evenwel bijzondere bijstand worden aangevraagd, als de erfgenaam over onvoldoende middelen beschikt. 7.2 Als er een testament is Als er een testament is verzoekt de gemeente de betreffende notaris om de nalatenschap af te wikkelen. De gemaakte kosten voor de uitvaart en het onderzoek worden bij de notaris ingebracht. 8Een onbeheerde nalatenschap Van een onbeheerde nalatenschap is sprake als er na het overlijden geen erfgenamen zijn, of als niet bekend is of er erfgenamen zijn, of als de nalatenschap verworpen is, of als de wel bekende erfgenamen de nalatenschap onbeheerd laten en een executeur, die de nalatenschap wel beheert, ontbreekt. 8.1 Overdracht aan het Rijksvastgoedbedrijf Als er sprake is van een onbeheerde nalatenschap, dan draagt de gemeente de afhandeling ervan over aan het Rijksvastgoedbedrijf. 9Slotbepaling Deze bepalingen spreken voor zich

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.