← Nederland

Protocol vermoedens schendingen politieke ambtsdragers gemeente Landgraaf 2026 (Landgraaf)

Protocol vermoedens schendingen politieke ambtsdragers gemeente Landgraaf 2026De raad van de gemeente Landgraaf; Gehoord het Seniorenconvent; Besluit: Vast te stellen het Protocol vermoedens schendingen politieke ambtsdragers gemeente Landgraaf 2026; Onder gelijktijdige intrekking van Protocol vermoedens integriteitsschendingen politieke ambtsdragers gemeente Landgraaf 2019. I ALGEMENE BEPALINGEN PROTOCOL Artikel1.Algemeen 1.Onder politieke ambtsdrager worden verstaan: de burgemeester, de leden van het college, de raadsleden en de burgercommissieleden. 2.In gevallen waarin dit protocol niet voorziet of waarbij de toepassing niet eenduidig is, wordt de handelwijze bepaald door het seniorenconvent als het gaat om een melding over de burgemeester en door de burgemeester in alle overige gevallen. Artikel 13 leden 5 t/m 7 zijn hierop van overeenkomstige toepassing. 3.Bij het gebruik van dit protocol zijn de gedragscodes voor de raads- en burgercommissieleden, collegeleden en de burgemeester het uitgangspunt. 4.Onder externe integriteitsdeskundige wordt verstaan de onderzoeker of het onderzoeksbureau die in opdracht van de burgemeester onderzoek doet naar aanleiding van een melding van schending of een incident. 5.Onder een schending wordt verstaan een gedraging van een politieke ambtsdrager die in strijd is met het handelen als ‘goed bestuurder’ of ‘goed volksvertegenwoordiger’. Het kan gaan om feiten die in strijd zijn met de wet, dan wel om handelingen die in strijd zijn met geldende regels, waaronder de reglementen, verordeningen en gedragscodes van de gemeente Landgraaf. Om te weten of sprake is van een schending is het goed om te weten wat als schending wordt gezien. Voorbeelden van schendingen zijn: Kader: Voorbeelden van schendingen Financiële schendingen, zoals diefstal; verduistering; fraude en onrechtmatige declaraties. Misbruik van positie en belangenverstrengeling, zoals ongeoorloofde nevenactiviteiten; ongeoorloofde financiële belangen; omkoping; vragen van giften, geschenken, uitnodigingen e.d.; ongewenste contacten; meestemmen over een onderwerp uit persoonlijk belang; cliëntelisme of andere vormen van ongeoorloofde bevoordeling. Lekken en misbruik van informatie, zoals politieke of bestuurlijke informatie die geheim of vertrouwelijk is (doen) lekken; persoonsgebonden gegevens (doen) lekken; informatie over aanbestedingen, offertes, e.d. openbaar maken; diefstal of verduistering van informatiedragers; onzorgvuldige omgang met informatiedragers. Misbruik van bevoegdheden, zoals misbruik van dwangmiddelen; meineed; valsheid in geschrifte; Oneigenlijk verlenen of onthouden van vergunningen, subsidies, e.d. Misbruik van bedrijfsmiddelen, zoals ongewenst gebruik van e-mail of internet; misbruik van (mobiele) telefoon; privégebruik van bedrijfsmiddelen. Ongewenste omgangsvormen, zoals discriminatie; seksuele intimidatie; pesten, treiteren; andere vormen van verbale intimidatie, zoals grof taalgebruik of bedreiging; fysieke bedreiging of geweld. Bovenstaand overzicht is niet uitputtend en ook wordt uiteraard niet aan elke schending eenzelfde gewicht toegekend. Ook de context en de intentie van het gedrag is verschillend. Er kan sprake zijn van een opzettelijke schending, maar ook van een schending uit onbekendheid of naïviteit. Het kan gaan om een eenmalige misser of om stelselmatig laakbaar gedrag. II VOORFASE Artikel2.Doel en reikwijdte van voorfase 1.Deze fase van het meldprotocol ziet op het vroegtijdig bespreken van aarzelingen, twijfels, vragen of vermoedens met betrekking tot mogelijke schending of (voorgenomen) handelen. 2.Fase 1 is gericht op advisering, verduidelijking en het voorkomen van schendingen en strekt niet tot oordeelsvorming of sanctionering. Artikel3.Aarzelingen, twijfel en integriteitsdilemma’s 1.Indien een politieke ambtsdrager twijfels of vragen heeft over de integriteit van het eigen (voorgenomen) handelen of dat van een ander, bespreekt hij of zij deze zo vroeg mogelijk. 2.Een integriteitsdilemma, waarbij nog geen sprake is van een schending, kan ter advisering worden voorgelegd aan de griffier of de gemeentesecretaris. 3.Indien advisering niet tot duidelijkheid leidt, kan de kwestie worden voorgelegd aan de burgemeester. Het advies van de burgemeester kan schriftelijk worden vastgelegd. 4.Het is aan de politieke ambtsdrager om het uitgebrachte advies al dan niet op te volgen en hierover transparant te zijn. 5.Ook personen die geen politieke ambtsdrager zijn, kunnen zich bij een integriteitsdilemma wenden tot de griffier of de gemeentesecretaris. 6.In deze fase wordt geen inhoudelijk oordeel gegeven over gedragingen; de advisering is gericht op duiding en procedurele ondersteuning. Artikel4.Vermoeden van een schending 1.Indien sprake is van een vermoeden van een schending door een politieke ambtsdrager, spreekt degene die dit vermoeden heeft de betreffende ambtsdrager in beginsel eerst zelf aan. 2.Dit gesprek is gericht op het verkrijgen van duidelijkheid, het bespreken van de kwestie en het – indien mogelijk – gezamenlijk vinden van een oplossing. 3.Het gesprek wordt op open en respectvolle wijze gevoerd, waarbij voorbarige oordelen worden vermeden en bereidheid bestaat om elkaar aan te spreken. 4.Afhankelijk van de uitkomst van het gesprek kunnen resterende twijfels of vragen ter advisering worden voorgelegd aan de griffier of de gemeentesecretaris. Artikel5.Afzien van een gesprek en vervolg 1.Van het voeren van een gesprek als bedoeld in artikel 3 kan worden afgezien indien zwaarwegende redenen daartoe bestaan, zoals een hiërarchische of afhankelijke relatie, ernstig verstoorde verhoudingen of het risico dat de opvolging van een melding wordt geschaad. 2.Over de wenselijkheid van het voeren van een gesprek kan advies worden ingewonnen bij de burgemeester, de griffier of de gemeentesecretaris. 3.Een gesprek kan leiden tot het wegnemen van het vermoeden, het constateren van een misverstand of het maken van afspraken die voor betrokkenen afdoende zijn. 4.Indien een gesprek niet mogelijk is of niet tot een gezamenlijke oplossing leidt, kan worden overgegaan tot het doen van een formele melding overeenkomstig de volgende fasen van dit protocol. III REGIEROL BURGEMEESTER Artikel6Regierol burgemeester 1.Op grond van artikel 170 lid 2 van de Gemeentewet bevordert de burgemeester de bestuurlijke integriteit van de eigen gemeente. Vanuit deze verantwoordelijkheid vervult de burgemeester een belangrijke rol bij de behandeling van vermeende schendingen in de gemeente. De burgemeester geeft regie aan het proces dat volgt op een melding. Ongeacht de aard van de melding, de persoon van de melder of de ambtsdrager waarop de melding betrekking heeft, handhaaft burgemeester de toepassing van dit protocol. Kader: Ondersteuning burgemeester bij zijn regierol De burgemeester kan zich laten bijstaan door de griffier, de gemeentesecretaris, een andere ambtenaar of externe integriteitsdeskundige. Als dit het geval is verlenen zij die bijstand elk vanuit hun eigen rol en verantwoordelijkheid binnen de gemeente. Bij de omgang met een melding van een (vermeende) schending kan de burgemeester te rade gaan bij de commissaris van de Koning of diens Kabinetschef. De commissaris van de Koning kan bij een (vermeende) schending te rade gaan bij de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties of diens hoofd Politieke Ambtsdragers en Weerbaarheid. 1.Terughoudendheid bij communicatie Het is van belang dat betrokkenen bij een schending terughoudend zijn met het doen van publieke uitspraken voordat feiten zijn vastgesteld. Voorkomen moet worden dat vermoedens afkomstig uit de media en/of van social media als vaststaande feiten worden gepresenteerd voordat aan waarheidsvinding is gedaan. Dit betekent ook dat tijdens het proces dat wordt doorlopen om die feiten vast te stellen centrale regie wordt gevoerd op de te voeren communicatie. De burgemeester draagt in voorkomend geval zorg voor interne en externe communicatie over een melding, een onderzoek en de uitkomsten daarvan. De kring van geïnformeerde personen wordt zo klein als mogelijk gehouden. Alleen (een woordvoerder van) de burgemeester spreekt zo nodig met de pers tijdens het doorlopen van het proces. Indien er een melding is gedaan over of onderzoek plaatsvindt naar de burgemeester, wordt deze rol vervuld door de 1e locoburgemeester. 2.Aangifte is soms een keuze, soms verplicht Als er in enige fase van de behandeling van de melding een redelijk vermoeden is dat een strafbaar feit is begaan, kan de burgemeester hiervan aangifte doen. Gaat het om een redelijk vermoeden van een ambtsmisdrijf, dan is de burgemeester hiertoe verplicht. 3.Werkingssfeer van dit protocol Iedereen die in een relatie staat tot gemeente kan twijfel hebben over het waargenomen gedrag van een politieke ambtsdrager. Of het nu gaat om inwoners, ondernemers, ambtenaren en andere medewerkers, leveranciers of politieke ambtsdragers, elk van hen kan twijfel over een vermoeden van een schending bespreken met de burgemeester, de gemeentesecretaris of de griffier. Het melden van een vermoeden van een schending gebeurt bij de burgemeester. Dit protocol biedt houvast en richting voor het handelen bij vermoedens van schendingen door volksvertegenwoordigers, dagelijkse bestuurders en burgemeester. Het protocol wordt niet toegepast bij vermoedens van schendingen door functionarissen die in een arbeidsverhouding staan tot gemeente, zoals de gemeentesecretaris, de griffier of andere ambtenaren. 4.Afwijken van het protocol kan Dit protocol biedt inzicht in de omgang met een vermoeden van een schending. Het protocol vormt een basis voor het handelen van functionarissen bij de omgang met een vermoeden van een schending. Hoewel het protocol richting geeft, vormt het geen vrijbrief om tijdens het te volgen proces niet zelf te reflecteren op wat nodig is. Als dat in het belang is van de gemeente of van een of meer van de betrokkenen, kan de burgemeester dan ook besluiten af te wijken van het protocol. De burgemeester is duidelijk over de argumenten daarvoor en licht hierover het seniorenconvent in. IV. PROCEDURELE BEPALINGEN Artikel7.Melding 1.Een melding van een vermoeden van een schending door een politieke ambtsdrager kan door een ieder worden gedaan. Dit gebeurt vertrouwelijk. Bij meldingen over zowel volksvertegenwoordigers als wethouders ondersteunt de gemeentesecretaris, griffier of een andere daartoe aangewezen ambtelijke functionaris de burgemeester. 2.De burgemeester kan ook zelf op basis van eigen waarnemingen of externe berichtgeving een vermoeden van een schending hebben. De burgemeester doet dan eigenstandig melding van het vermoeden. Dit doet hij/zij dan door tussenkomst van de 1e locoburgemeester bij zichzelf. 3.Meldingen over de burgemeester worden gedaan bij de 1e locoburgemeester, deze treedt bij de behandeling van de melding in de plaats van de burgemeester. 4.Anonieme meldingen worden niet in behandeling genomen. 5.De betrokken politieke ambtsdrager wordt in beginsel op de hoogte gesteld van de melding, tenzij sprake is van een situatie zoals beschreven in het kader bij dit artikel. 6.Na ontvangst van de melding wordt deze door de burgemeester beoordeeld. De burgemeester kan zich bij deze beoordeling laten bijstaan door gemeentesecretaris, griffier, een daartoe aangewezen ambtelijke functionaris of externe integriteitsdeskundige. Bij de beoordeling van de melding kijkt de burgemeester naar de volgende toetsingscriteria: Aard van het feit: wat is er aan de hand? Is er wellicht sprake van een schending, en zo ja, wat voor soort schending is het? Is het een strafbaar feit, is er een geschonden norm aan te wijzen? Is de melding voldoende concreet? Ontvankelijkheid: valt de gedraging binnen de (invloeds-)sfeer van het bestuursorgaan? Is het bestuursorgaan in staat om hier een oordeel over te geven of onderzoek naar uit te voeren? Ernst van de zaak: hoe ernstig is het voorval? Hierbij wordt gelet op het feit zelf, de omstandigheden, de (functie van

  1. de)persoon op wie de melding betrekking heeft en op eventueel acuut gevaar of de maatschappelijke en/of politieke gevoeligheid. Hoe valt de weging van een onderzoek uit tegenover de eventuele gevolgen ervan? Is het op een andere manier op te lossen om daarmee de schade zoveel mogelijk te beperken? Valideerbaarheid: zijn de feiten en omstandigheden goed controleerbaar? Zijn er voldoende aanknopingspunten en is de informatie voldoende gedetailleerd? Zijn er bijvoorbeeld nog interne mogelijkheden om meer zicht te krijgen op de relevante feiten? Positie of persoon van de bron: heeft de melder voldoende kennis over het gebeurde? Hoe betrouwbaar is de bron? Spelen er politieke belangen mee? Positie of persoon van de ambtsdrager op wie de melding betrekking heeft: kan de eventuele schending zijn gepleegd door de politieke ambtsdrager in kwestie? Waarschijnlijkheid: is er een logisch verband tussen de feiten uit de melding en andere bekende feiten? Actualiteit: hoe spoedeisend is de melding? Betreft het een zittende politieke ambtsdrager of een voormalig ambtsdrager? Kader: Wel of niet informeren politieke ambtsdrager bij melding? In sommige situaties is het beter de persoon in kwestie niet onmiddellijk te informeren over de melding, bijvoorbeeld als diegene dan mogelijk bewijsmateriaal kan of zal vernietigen. In een dergelijk geval worden eerst maatregelen genomen zodat mogelijk relevant bewijs niet verdwijnt. Deze beschermingsmaatregelen zijn het veiligstellen van dossiers, bestanden, stukken etc. Bij het veiligstellen hiervan draagt de burgemeester er zorg voor dat de informatie beschikbaar blijft voor de beschuldigde zodat deze er desgewenst gebruik van kan maken bij diens verweer. Artikel8.Afhandeling melding 1.Op basis van de toets zoals opgenomen in artikel 7.6 besluit de burgemeester: De melding krijgt geen vervolg, bijvoorbeeld omdat de melding niet over integriteit gaat of er overduidelijk geen sprake is van een schending. De melder alsmede de politieke ambtsdrager over wie de melding is gedaan krijgen dan een gemotiveerd bericht dat de melding geen verdere opvolging krijgt. De melder kan het seniorenconvent verzoeken te besluiten dat wel een vooronderzoek noodzakelijk is. Indien het seniorenconvent aanleiding ziet voor een vooronderzoek draagt ze de burgemeester op om een vooronderzoek te doen. Artikel 13 leden 5 t/m 7 zijn hierop van overeenkomstige toepassing. De feiten zijn voldoende helder en eenduidig vast te stellen. Bezien wordt of en op welke wijze opvolging wordt gegeven aan de melding. Er is een vooronderzoek nodig om de melding verder te beoordelen. De burgemeester gaat met ambtelijke en/of externe ondersteuning na of er redenen zijn om aan te nemen dat de melding gegrond is. Op basis van de uitkomst van het vooronderzoek besluit de burgemeester vervolgens tot conclusie
  2. a)-geen opvolging- of conclusie
  3. b)–feitenonderzoek-. Het vooronderzoek wordt vertrouwelijk uitgevoerd en er wordt niet over gecommuniceerd met betrokkenen. Er is een feitenonderzoek nodig. De burgemeester besluit hiertoe. Artikel9.Vooronderzoek 1. Het vooronderzoek vindt plaats op een door de burgemeester te bepalen wijze, waarbij voor de betreffende melding de meest geëigende onderzoeksmethode wordt gekozen. 2.Van het vooronderzoek wordt een rapport van bevindingen opgemaakt. 3.De burgemeester doet vertrouwelijk mededeling van de resultaten van het vooronderzoek aan het Seniorenconvent. Artikel 13 leden 5 t/m 7 zijn hierop van overeenkomstige toepassing. 4.Als het vooronderzoek geen aanleiding geeft voor het instellen van een nader feitelijk onderzoek, besluit de burgemeester het onderzoek niet verder voort te zetten. Van deze beslissing worden de melder alsmede de politieke ambtsdrager over wie de melding is gedaan schriftelijk in kennis gesteld. 5.Indien op grond van de bevindingen uit het vooronderzoek als bedoeld in dit artikel de noodzaak blijkt tot het verrichten van een nader onderzoek, besluit de burgemeester een feitenonderzoek als bedoeld in artikel 5 in te stellen. 6.In het geval van een vermoeden van schending van de burgemeester wordt, indien op grond van de bevindingen uit het vooronderzoek besloten wordt tot het instellen van een feitenonderzoek, de Commissaris van de Koning in kennis gesteld. Artikel10.Feitenonderzoek 1.Van de beslissing een feitenonderzoek in te stellen wordt de betrokken politieke ambtsdrager in kennis gesteld. Tevens wordt het Seniorenconvent en de melder in kennis gesteld. Artikel 13 leden 5 t/m 7 zijn hierop van overeenkomstige toepassing. 2.De betrokkenen zoals genoemd in het eerste lid worden niet geïnformeerd over het feitenonderzoek indien infomeren van de betrokkenen niet in het belang van het onderzoek is (zie kader onder dit artikel). In dat geval worden de betrokkenen geïnformeerd zodra het onderzoeksbelang niet meer kan worden geschaad. 3.De burgemeester kan een schriftelijke opdracht voor het feitenonderzoek aan een onafhankelijke externe onderzoeker verstrekken. 4.In de opdracht is in ieder geval opgenomen: de aanleiding van het feitenonderzoek; de onderzoeksopdracht met duidelijk omschreven onderzoeksvragen en -methoden; de verwachte duur van het feitenonderzoek; de overeengekomen kosten van het feitenonderzoek; van welke bevoegdheden de externe partij gebruik mag maken; dat de externe partij werkt met inachtneming van dit Protocol. 5.De bevindingen uit het feitenonderzoek worden vastgelegd in een onderzoekrapportage. Artikel11.Kennisgeving aan betrokkene 1.De betrokken politieke ambtsdrager wordt, met inachtneming van artikel 7 leden 1 en 2, over het instellen van het feitenonderzoek onmiddellijk schriftelijk geïnformeerd. 2.In de brief is in ieder geval opgenomen: een omschrijving van het handelen of nalaten dat aanleiding is tot het instellen van het onderzoek; de melding dat betrokkene en getuigen kunnen worden gehoord; de melding dat de betrokken politieke ambtsdrager zich kan laten bijstaan door een advocaat; de melding dat als andere feiten en omstandigheden bekend worden die van belang zijn voor het bepalen van de omvang, aard en ernst van de schending, het onderzoek zich kan uitstrekken tot die feiten en omstandigheden; 3.De betrokken politieke ambtsdrager ontvangt bij de brief zoals genoemd in het vorige lid als bijlage: Dit Protocol de vigerende gedragscode. Artikel12.Horen van betrokkene en getuigen 1.De betrokken politieke ambtsdrager en getuigen kunnen worden gehoord. 2.De betrokken politieke ambtsdrager en getuigen worden vooraf op de hoogte gesteld van de aard en de mogelijke duur van het gesprek. Hen wordt meegedeeld dat zij zich kunnen laten bijstaan door een raadsman. 3.In het geval van een feitenonderzoek wordt er een gespreksverslag opgemaakt en ondertekend door de onderzoekers en de getuigen/ betrokken politieke ambtsdrager. 4.Degene die is gehoord krijgt de mogelijkheid om binnen vijf werkdagen schriftelijk te reageren op het betreffende gespreksverslag. 5.Als degene die is gehoord weigert het gespreksverslag te ondertekenen wordt daarvan melding gemaakt in het verslag. Als degene die is gehoord dat wilt, wordt er een schriftelijke weergave van diens afwijkende mening bij het gespreksverslag gevoegd. Artikel13.Onderzoekrapportage 1.De onderzoekrapportage wordt door de burgemeester vertrouwelijk aangeboden aan het Seniorenconvent. 2.Het rapport wordt gelijktijdig aan de betrokken ambtsdrager aangeboden. 3.De onderzoekrapportage bevat alle informatie die nodig is om een oordeel te kunnen vormen over de aannemelijkheid en mate van verwijtbaarheid van het vermoeden van de schending. 4.Het seniorenconvent oordeelt of het onderzoeksrapport in de raadsvergadering wordt behandeld en kan bepalen dat het rapport wordt behandeld in een besloten raadsvergadering. In deze bijeenkomst wordt door de gemeenteraad besloten over de consequenties die aan de uitkomst van het onderzoek worden verbonden en wordt eventueel besloten over geheimhouding/openbaarmaking ervan. 5.Indien de melder of de politieke ambtsdrager over wie een melding is gedaan zitting heeft in het seniorenconvent, neemt hij of zij geen deel aan de beraadslagingen en besluitvorming van het seniorenconvent die betrekking hebben op die melding. 6.De betreffende persoon is niet aanwezig bij de behandeling van de melding en ontvangt geen informatie die verband houdt met de beraadslagingen en besluitvorming, voor zover deze niet reeds uit hoofde van het ambt of de procedure moet worden verstrekt. 7.Deze uitsluiting strekt ter voorkoming van (de schijn van) belangenverstrengeling en ter waarborging van een zorgvuldige en onafhankelijke behandeling van de melding. Artikel14.Besluitvorming Bij een vastgestelde schending kan tegen de betreffende politieke ambtsdrager of over de schending een motie worden aangenomen in de raadsvergadering of kunnen besluiten genomen worden en aanbevelingen gedaan worden. Artikel15.Aangifte 1.Als er op enig moment een vermoeden is van een strafbaar feit kan de burgemeester aangifte bij de politie. 2.Vanaf dat moment wordt alle beschikbare informatie voorgelegd aan de politie, eventueel na overleg met de officier van justitie. 3.Het bestaan van een strafrechtelijk onderzoek naar een strafbaar feit laat onverlet dat de burgemeester een feitenonderzoek, zoals bedoeld in artikel 4, kan instellen of een civielrechtelijke procedure tegen de betrokken politieke ambtsdrager kan instellen. Artikel16.Communicatie 1.De burgemeester zorgt voor de interne- en externe communicatie. 2.Voor de interne- en externe communicatie worden de verschillende belangen, voornamelijk het belang van het onderzoek, het belang van het beschermen van de persoonlijke levenssfeer van de betrokken politieke ambtsdrager en het belang van transparantie nauwkeurig afgewogen. Artikel17.Vermoeden van een opzettelijke valse beschuldiging Als de burgemeester het vermoeden heeft dat er sprake is geweest van een opzettelijk valse melding, kan de burgemeester een onderzoek instellen naar de melder. Indien naar oordeel van de burgemeester sprake is van een strafbaar feit, kan hij aangifte doen bij de politie. Aldus besloten in de openbare raadsvergadering, gehouden op 5 februari 2026.De griffier, De voorzitterBIJLAGEI – SANCTIELADDER EN MOGELIJKE MAATREGELEN BIJ SCHENDINGEN 1. Algemeen uitgangspunt Indien wordt vastgesteld dat een politieke ambtsdrager handelt in strijd met de Gedragscode, kunnen maatregelen worden getroffen die proportioneel zijn aan: de aard en ernst van de gedraging; de mate van verwijtbaarheid; eventuele herhaling; de gevolgen voor het openbaar bestuur en het vertrouwen daarin. De maatregelen zijn primair gericht op normhandhaving, herstel van vertrouwen en het voorkomen van herhaling. De geldende gedragscodes en dit protocol kennen geen tuchtrecht in formele zin; maatregelen vloeien voort uit bestuurlijke, politieke en morele verantwoordelijkheid. 2. Informele maatregelen (laagste trede) Afhankelijk van de omstandigheden kan worden volstaan met één of meer van de volgende maatregelen: een informerend of corrigerend gesprek; een waarschuwend gesprek; een bemiddelingsgesprek; het geven van een schriftelijk of mondeling advies; het maken van afspraken over toekomstig handelen; het volgen van een integriteitstraining of -coaching. 3. Formele bestuurlijke maatregelen Indien de aard of ernst van de gedraging daartoe aanleiding geeft, kunnen de volgende maatregelen worden overwogen: een schriftelijke waarschuwing; een schriftelijke berisping; het openbaar maken van een oordeel over de gedraging; het vastleggen van het oordeel in bestuurlijke stukken of verslaglegging. 4. Politieke maatregelen Onverminderd de eigen verantwoordelijkheid van de politieke ambtsdrager kunnen politieke consequenties aan een schending worden verbonden, zoals: het ontnemen van specifieke taken of portefeuilles (voor zover van toepassing); het verzoek om terugtreden uit een functie of nevenfunctie; het terugtreden uit een raadscommissie of andere vertegenwoordigende rol; het uitspreken van een motie van treurnis, afkeuring of wantrouwen; het verzoek tot ontslag of aftreden, voor zover wettelijk mogelijk; het nemen van een raadsbesluit strekkende tot ontslag van een burgercommissielid; het nemen van een raadsbesluit strekkende tot ontslag van een wethouder. 5. Juridische of wettelijke maatregelen Indien sprake is van een mogelijke overtreding van wettelijke voorschriften kan: aangifte worden gedaan; de kwestie worden voorgelegd aan een bevoegde toezichthouder of rechterlijke instantie. Toepassing van wettelijke maatregelen staat los van, en onverlet, de toepassing van maatregelen op grond van deze Gedragscode. 6. Afweging en maatwerk Het toepassen van maatregelen is maatwerk; niet elke overtreding leidt automatisch tot dezelfde sanctie. In voorkomende gevallen kan worden afgezien van het treffen van maatregelen indien: de gedraging van geringe aard is; sprake is van een verschoonbare fout of misverstand; herstel heeft plaatsgevonden en herhaling niet te verwachten is.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.