Reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de gemeenteraad van MoerdijkDe raad van de gemeente Moerdijk, in zijn vergadering van 12 maart 2026; gelezen het voorstel van de vo
orzitter van het presidium; gelet op artikel 16 van de Gemeentewet; BESLUIT vast te stellen de volgende regeling: REGLEMENT VAN ORDE VOOR DE VERGADERINGEN EN ANDERE WERKZAAMHEDEN VAN DE GEMEENTERAAD VAN MOERDIJK Hoofdstuk1Algemene bepalingen Artikel1Begripsbepalingen In dit reglement wordt verstaan onder: Amendement: voorstel van een raadslid tot wijziging van een ontwerpverordening of ontwerpbeslissing; Commissieronde: de cyclus van commissievergaderingen; Griffier: de griffier van de raad of diens plaatsvervanger; Initiatiefvoorstel: voorstel van een raadslid voor een verordening of ander voorstel; Motie: verklaring waardoor een oordeel, wens of verzoek wordt uitgesproken; Subamendement: voorstel van een raadslid tot wijziging van een aanhangig amendement; Voorzitter: de voorzitter van de raad of diens plaatsvervanger. Artikel2De voorzitter De voorzitter is belast met: Het leiden van de vergadering; Het handhaven van de orde tijdens de vergaderingen van de raad; Het doen naleven van het reglement van orde. Artikel3De griffier 1.De griffier is in elke vergadering van de raad aanwezig. 2.Bij afwezigheid wordt de griffier vervangen door een door de raad aangewezen plaatsvervanger. 3.Indien de griffier en de plaatsvervangend griffier afwezig zijn, kan de voorzitter een medewerker van de griffie als plaatsvervanger aanwijzen. 4.De griffier kan op uitnodiging van de voorzitter aan de beraadslagingen in raadsvergaderingen deelnemen. Artikel4Het presidium 1.Er is een presidium dat bestaat uit de voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter en de fractievoorzitters. 2.Fractievoorzitters wijzen elk een raadslid aan dat hen bij afwezigheid in het presidium vervangt. 3.Het presidium kan anderen uitnodigen deel te nemen aan zijn vergaderingen. 4.Het presidium doet aanbevelingen aan de raad inzake de organisatie en het functioneren van de raad en de raadscommissies. 5.Het presidium fungeert tevens als agendacommissie. 6.Als agendacommissie heeft het presidium de volgende taken: Het voorbereiden en vaststellen van voorlopige agenda’s voor raadsvergaderingen; Het vaststellen van de vergadercyclus van de raad en van de raadscommissies; Het vaststellen van vergaderingen als bedoeld in artikel 17 van de Gemeentewet. 7.De vergaderingen van het presidium zijn openbaar. Artikel5Het seniorenconvent 1.De raad heeft een seniorenconvent. 2.Het seniorenconvent bestaat uit de voorzitter en de fractievoorzitters. 3.De voorzitter kan voorstellen de secretaris en/of wethouder(
- s)uit te nodigen voor het seniorenconvent. 4.Het seniorenconvent heeft de volgende taken: Vervult een klankbordfunctie in die gevallen waarin de voorzitter het nodig oordeelt nadere informatie uit te wisselen welke ter bescherming van persoonlijke belangen, bedrijfsbelangen of om financiële of andere reden het belang van de gemeente, andere overheidsinstanties, bedrijven, verenigingen, stichtingen of van natuurlijke personen kunnen schaden als deze in het openbaar aan de orde komen; Beslist, op voordracht van de werkgeverscommissie, over de rechtspositionele aspecten van de griffier; Is, door tussenkomst van de werkgeverscommissie, belast met het toezicht op de uitvoering van het takenpakket en de werkzaamheden van de griffier. 5.Fractievoorzitters wijzen elk een raadslid aan dat hen bij afwezigheid in het seniorenconvent vervangt. 6.De vergaderingen van het seniorenconvent zijn niet openbaar. Artikel6Onderzoek geloofsbrieven en beëdiging raadsleden 1.De raad stelt een commissie in bestaande uit drie raadsleden. Tevens benoemt de raad een of meer plaatsvervangende leden. 2.Deze commissie onderzoekt de geloofsbrieven en de daarop betrekking hebbende stukken van de nieuwbenoemde raadsleden en brengt vervolgens advies uit aan de raad over de toelating van de nieuwbenoemde raadsleden tot de raad. Indien van toepassing, wordt van een minderheids-standpunt melding gemaakt in dit advies. 3.Het onderzoek van het proces-verbaal van het centraal stembureau gebeurt in de laatste raadsvergadering in oude samenstelling na de raadsverkiezingen. 4.Na een raadsverkiezing roept de voorzitter de toegelaten raadsleden op om in de eerste raadsvergadering in nieuwe samenstelling, de voorgeschreven eed of verklaring en belofte af te leggen. 5.In geval van een tussentijdse vacaturevervulling roept de voorzitter een nieuwbenoemd raadslid op voor de raadsvergadering waarin over diens toelating wordt beslist om de voorgeschreven eed of verklaring en belofte af te leggen. Artikel7Benoeming wethouders 1.Bij de benoeming van een wethouder stelt de raad een commissie in bestaande uit drie raadsleden. 2.Deze onderzoekt of benoeming van de kandidaat voldoet aan de vereisten van de artikelen 36a, 36b, 41b, eerste, derde en vierde lid, en 41c, eerste lid, van de Gemeentewet. 3.De commissie brengt vervolgens advies uit aan de raad over de benoeming tot wethouder. 4.De burgemeester geeft voor de aanvang van iedere ambtstermijn opdracht om de kandidaat-wethouders aan een risicoanalyse integriteit te onderwerpen. De burgemeester brengt over het eindresultaat daarvan verslag uit aan de raad. Artikel8Fracties 1.Raadsleden die door het centraal stembureau op dezelfde kandidatenlijst verkozen zijn verklaard, worden bij de aanvang van de zitting als één fractie beschouwd. 2.Als boven de kandidatenlijst een aanduiding was geplaatst, voert de fractie in de raad deze aanduiding als naam. Als daar geen aanduiding was geplaatst, deelt de fractie in de eerste raadsvergadering aan de voorzitter mee welke naam deze fractie in de raad zal voeren. 3.De namen van de fractievoorzitter en diens plaatsvervanger worden zo spoedig mogelijk doorgegeven aan de voorzitter. 4.Als één of meer raadsleden van één of meer fracties als zelfstandige fractie gaan optreden of als één of meer raadsleden van een fractie zich aansluiten bij een andere fractie, wordt hiervan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling gedaan aan de voorzitter. 5.Een nieuwe naam van een fractie voldoet aan de eisen uit artikel G 3 van de Kieswet en wordt gebruikt met ingang van de eerstvolgende raadsvergadering na naamswijziging. Hoofdstuk2Raadsvergaderingen Paragraaf1Voorbereiding Artikel9Vergaderfrequentie 1.De raadsvergaderingen vinden in de regel plaats eenmaal in de vijf weken op de donderdag volgens een door het presidium vastgesteld vergaderschema, beginnen om 19.30 uur en worden gehouden in het gemeentehuis. 2.De voorzitter kan in bijzondere gevallen een andere dag en een ander aanvangstijdstip bepalen of een andere vergaderlocatie aanwijzen. Hij voert hierover, tenzij er sprake is van een spoedeisende situatie, overleg in het presidium. Artikel10Voorlopige agenda 1.De voorzitter stelt ten minste zeven werkdagen voor een raadsvergadering de raadsleden digitaal de voorlopige agenda met de daarbij behorende stukken beschikbaar, met uitzondering van de in artikel 87 van de Gemeentewet bedoelde stukken. 2.Als een aanvullende agenda als bedoeld in artikel 11, tweede lid, wordt vastgesteld, wordt deze met de daarbij behorende stukken zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk twee werkdagen voor aanvang van de raadsvergadering digitaal aan de leden beschikbaar gesteld. Artikel11Aanvullende agenda, vaststellen agenda 1.Voordat de stukken digitaal beschikbaar worden gesteld, stelt het presidium de voorlopige agenda van de vergadering op. 2.In spoedeisende gevallen kan de voorzitter na het beschikbaar stellen van de voorlopige agenda een aanvullende voorlopige agenda opstellen. De daarbij behorende stukken worden openbaar gemaakt, uiterlijk twee werkdagen voor aanvang van de vergadering. 3.Als omtrent de inhoud van stukken op grond van artikel 87 van de Gemeentewet geheimhouding is opgelegd, blijven deze stukken in afwijking van het tweede lid onder berusting van de griffier en verleent deze de raadsleden op verzoek inzage. 4.De agenda wordt bij aanvang van een raadsvergadering door de raad vastgesteld. Artikel12Ter inzage leggen van stukken 1.Stukken die ter toelichting van de onderwerpen of voorstellen op een voorlopige agenda dienen, worden gelijktijdig met het digitaal beschikbaar stellen op het gemeentehuis ter inzage gelegd. Als na het digitaal beschikbaar stellen van de oproep stukken ter inzage worden gelegd, wordt hiervan mededeling gedaan aan de leden van de raad en zo mogelijk door middel van openbare kennisgeving. 2.Elektronisch beschikbare stukken worden op de voor de raadsvergaderingen bestemde website van de gemeenteraad geplaatst. 3.Als omtrent stukken op grond van hoofdstuk Va van de Gemeentewet geheimhouding is opgelegd, blijven deze stukken in afwijking van het eerste en tweede lid onder berusting van de griffier. Artikel13Openbare kennisgeving 1.Raadsvergaderingen worden openbaar bekend gemaakt door aankondiging in de Moerdijkse Bode en op de website van de gemeente. 2.In spoedeisende gevallen kan de openbare kennisgeving uitsluitend langs elektronische weg plaatsvinden. Paragraaf2Ter vergadering Artikel14Presentielijst 1.De griffier draagt zorg voor het bijhouden van presentielijsten van raadsvergaderingen. 2.Bij binnenkomst in de vergaderzaal tekenen raadsleden de presentielijst. Aan het einde van elke raadsvergadering wordt die lijst door de voorzitter en de griffier door ondertekening vastgesteld. Artikel15Aantal spreektermijnen 1.Beraadslaging over onderwerpen of voorstellen geschiedt in ten hoogste twee termijnen, tenzij de raad anders beslist. 2.Elke fractie heeft één woordvoerder per agendapunt, tenzij de voorzitter anders beslist. 3.Spreektermijnen worden door de voorzitter afgesloten. 4.Raadsleden voeren in een termijn niet meer dan éénmaal het woord over hetzelfde onderwerp of voorstel. 5.Een raadslid mag bij voorkeur niet geïnterrumpeerd worden tijdens zijn betoog in eerste termijn, tenzij het een korte, verduidelijkende vraag betreft. 6.Het vierde lid is niet van toepassing op een raadslid dat een amendement, een subamendement, een motie of een initiatiefvoorstel heeft ingediend, ten aanzien van de beraadslaging daarover. 7.Bij de bepaling hoeveel keer een raadslid over hetzelfde onderwerp of voorstel het woord heeft gevoerd, wordt niet meegerekend het spreken over een voorstel van orde. Artikel16Deelname aan de beraadslaging door anderen Onverminderd artikel 21, eerste en tweede lid, van de Gemeentewet kan de raad op enig moment besluiten dat anderen mogen deelnemen aan de beraadslaging. Artikel17Voorstellen van orde Raadsleden kunnen tijdens een raadsvergadering mondeling een voorstel van orde betreffende de vergadering doen. De raad beslist hier terstond over. Artikel18Spreekrecht voor burgers 1.Bij aanvang van de raadsvergadering kunnen aanwezige burgers gezamenlijk gedurende maximaal vijftien minuten het woord voeren over niet geagendeerde onderwerpen. 2.Het woord kan niet gevoerd worden: Over een besluit van het gemeentebestuur waartegen bezwaar of beroep op de rechter open staat of heeft opengestaan; Over benoemingen, keuzen, voordrachten of aanbevelingen van personen; Indien een klacht op grond van artikel 9:1 van de Algemene wet bestuursrecht kan of kon worden ingediend. 3.Degene die van het spreekrecht gebruik wil maken, meldt dit uiterlijk voor 12 uur op de dag van de vergadering aan de griffier. Hij vermeldt daarbij zijn naam, adres en telefoonnummer en het onderwerp waarover hij het woord wenst te voeren. 4.De voorzitter geeft het woord op volgorde van aanmelding, tenzij afwijking van die volgorde in het belang is van de orde van de vergadering. 5.Elke inspreker krijgt maximaal vijf minuten het woord. De voorzitter verdeelt de spreektijd evenredig als er meer dan drie sprekers zijn. De voorzitter kan tevens in bijzondere gevallen afwijken van de maximale lengte van de spreektijd. 6.De inspreker voert het woord, nadat de voorzitter hem dit heeft verleend. De voorzitter kan de deelnemers aan de vergadering toestaan aan insprekers een korte, verhelderende vraag te stellen. Er vindt geen discussie plaats tussen een inspreker en deelnemers aan de vergadering. Paragraaf3Stemmingen Artikel19Stemverklaring Na het sluiten van de beraadslaging en voordat de raad tot stemming overgaat, kunnen raadsleden hun voorgenomen stemgedrag kort toelichten. Het raadslid beperkt zich hierbij tot de overwegingen die doorslaggevend zijn voor het stemgedrag. Artikel20Beslissing 1.De voorzitter sluit de beraadslaging als hij vaststelt dat een onderwerp of voorstel voldoende is toegelicht, tenzij de raad anders beslist. 2.Voordat de stemming over het voorstel in zijn geheel plaatsvindt, formuleert de voorzitter het voorstel voor de te nemen beslissing. Artikel21Stemming; procedure hoofdelijke stemming 1.De voorzitter vraagt de raadsleden of zij stemming verlangen. Is dit niet het geval dan stelt de voorzitter vast dat het voorstel zonder stemming is aangenomen. 2.Als een voorstel zonder stemming wordt aangenomen kunnen de in de raadsvergadering aanwezige raadsleden aantekening in het verslag vragen, dat zij geacht willen worden te hebben tegengestemd of overeenkomstig artikel 28 van de Gemeentewet niet aan de stemming te hebben deelgenomen. 3.Als een raadslid om stemming of hoofdelijke stemming vraagt, doet de voorzitter daarvan mededeling aan de raad. 4.Bij hoofdelijke stemming roept de voorzitter de raadsleden bij naam op hun stem uit te brengen. De stemming begint bij het daarvoor bij loting aangewezen raadslid. Vervolgens geschiedt de oproeping op alfabetische volgorde. 5.Bij hoofdelijke stemming brengen ter vergadering aanwezige raadsleden die zich niet ingevolge artikel 28 van de Gemeentewet van deelneming aan de stemming moeten onthouden, hun stem uit door 'voor' of 'tegen' te verklaren, zonder enige toevoeging. 6.Een raadslid dat zich bij het uitbrengen van zijn stem vergist, kan deze vergissing herstellen totdat het volgende raadslid heeft gestemd. Bemerkt het raadslid zijn vergissing pas later, dan kan deze nadat de voorzitter de uitslag van de stemming bekend heeft gemaakt aantekening vragen van zijn vergissing. Dit brengt geen verandering in de uitslag van de stemming. 7.De voorzitter deelt de uitslag na afloop van de stemming mee en doet daarbij mededeling van het genomen besluit. Artikel22Volgorde stemming over amendementen en moties 1.Als op een aanhangig voorstel amendementen zijn ingediend, wordt eerst over die amendementen gestemd en vervolgens over het voorstel zoals het dan luidt in zijn geheel. 2.Als een subamendement is ingediend, wordt eerst over het subamendement gestemd en vervolgens over het amendement waarop dat betrekking heeft. 3.Als meerdere amendementen of subamendementen op eenzelfde gedeelte van een aanhangig voorstel zijn ingediend, wordt, onverminderd het eerste en tweede lid, eerst over het meest verstrekkende amendement of subamendement gestemd. 4.Als aangaande een aanhangig voorstel een motie is ingediend, wordt eerst over het voorstel gestemd en vervolgens over de motie. De raad kan besluiten van deze volgorde af te wijken. Artikel23Stemming over personen 1.Bij stemming over personen voor voordrachten of het opstellen van voordrachten of aanbevelingen, benoemt de voorzitter twee raadsleden tot stembureau. 2.Een persoon op wie gestemd kan worden, kan bindend of niet-bindend worden voorgedragen. Bij een bindende voordracht heeft de raad keuze tussen de personen die op het stembriefje vermeld zijn. Bij een niet-bindende voordracht (aanbeveling) mag de raad afwijken van een voorstel. 3.Aanwezige raadsleden die zich niet ingevolge artikel 28 van de wet van deelneming aan de stemming moeten onthouden, zijn verplicht een door het stembureau verstrekt stembriefje in te leveren. 4.Er hebben zoveel stemmingen plaats als er personen zijn te benoemen, voor te dragen of aan te bevelen. De raad kan op voorstel van het stembureau beslissen dat bepaalde stemmingen worden samengevat op één briefje. 5.In geval van twijfel over de inhoud van een stembriefje beslist de raad op voorstel van de voorzitter. 6.Onder de zorg van de griffier worden de stembriefjes na de vergadering vernietigd. Paragraaf4Verslaglegging; ingekomen stukken Artikel24Besluitenlijst 1.De griffier draagt zorg voor besluitenlijsten van raadsvergaderingen. 2.Een besluitenlijst bevat in ieder geval: De namen van de voorzitter, de griffier, de wethouders en de raadsleden, allen voor zover aanwezig, alsmede van de overige personen die het woord gevoerd hebben; Een aantekening van welke raadsleden afwezig waren; Een vermelding van de zaken die aan de orde zijn geweest; Een korte weergave van het genomen besluit; Een overzicht van het verloop van elke stemming, met vermelding bij hoofdelijke stemming van de namen van de raadsleden die voor of tegen stemden, onder aantekening van de namen van de raadsleden die zich overeenkomstig de Gemeentewet van stemming hebben onthouden of zich bij het uitbrengen van hun stem hebben vergist; De tekst van de ter vergadering ingediende (burger)initiatiefvoorstellen, voorstellen van orde, moties, amendementen en subamendementen (deze worden als bijlage bij de besluitenlijst gevoegd); Bij het desbetreffende agendapunt de naam en de hoedanigheid van die personen aan wie het op grond van het bepaalde in artikel 16 door de raad is toegestaan deel te nemen aan de beraadslagingen. 3.De leden, de voorzitter en de overige deelnemers aan de beraadslagingen hebben het recht een voorstel tot wijziging aan de raad te doen, indien de concept besluitenlijst onjuistheden bevat. Een voorstel tot wijziging dient uiterlijk twee werkdagen voor aanvang van de raadsvergadering schriftelijk bij de griffie te worden ingediend. 4.Een concept besluitenlijst wordt gelijktijdig met de beschikbaarstelling voor de raadsleden, beschikbaar gesteld aan de overige personen die het woord hebben gevoerd in de raadsvergadering waarop het betrekking heeft. 5.Vastgestelde besluitenlijsten worden ondertekend door de voorzitter en de griffier. 6.Voor zover de aard en de inhoud van de besluitvorming zich daartegen niet verzet, wordt de besluitenlijst zo spoedig mogelijk na de raadsvergadering openbaar gemaakt op de in de gemeente gebruikelijke wijze. 7.Als besluitenlijsten elektronisch beschikbaar zijn, worden ze op de website van de gemeente geplaatst. Artikel25Raadsinformatiebrieven, ingekomen stukken 1.Raadsinformatiebrieven van het college aan de raad worden direct na binnenkomst via de website beschikbaar gesteld. 2.Bij de raad ingekomen stukken worden direct na binnenkomst via de website beschikbaar gesteld met daarbij een voorstel van de griffier met betrekking tot de afdoening: A-stuk, behandelen bij het desbetreffende agendapunt van de raadsvergadering; B-stuk, in afwachting van een concept antwoord in handen van het college stellen; C-stuk, ter afdoening in handen van het college stellen; D-stuk, hierover (zonder raadsvoorstel) direct een besluit nemen; E-stuk, voor kennisgeving aannemen. 3.Een raadslid kan tot twee werkdagen voorafgaand aan de eerstvolgende raadsvergadering bij de griffier gemotiveerd een gewijzigd afdoeningsvoorstel indienen. De raad stelt in de raadsvergadering de afdoeningswijze van de ingekomen stukken vast en beslist over de ingediende wijzigingsvoorstellen. 4.Tot het moment van vaststelling van de concept-agenda’s door de commissievoorzitters heeft elk raadslid het recht om aan de griffier kenbaar te maken dat behandeling van een ingekomen stuk of raadsinformatiebrief in één van de raadscommissies gewenst is. 5.Na afloop van elke commissieronde worden alle ingekomen brieven en raadsinformatiebrieven waarop niet door één van de raadsleden is gereageerd, conform het afdoeningsvoorstel als bedoeld in lid 2 afgehandeld. Behandeling van deze brieven in een commissievergadering is in dat geval niet meer aan de orde. 6.Het opstellen van een concept-antwoordbrief op een ingekomen stuk (B-stuk) vindt zo spoedig mogelijk plaats, maar in elk geval binnen 30 werkdagen nadat de brief is ontvangen. Als het opstellen van een concept-antwoordbrief binnen deze termijn niet kan plaatsvinden, stelt het verantwoordelijk lid van het college of de griffier, de raad hiervan gemotiveerd in kennis. Hierbij wordt de termijn aangegeven waarbinnen het opstellen van de concept-beantwoording zal plaatsvinden. 7.De concept-antwoordbrief wordt direct na ontvangst door de griffie beschikbaar gesteld aan de raadsleden. Als binnen twee weken na plaatsing door geen van de raadsleden kenbaar wordt gemaakt dat behandeling in de commissievergadering gewenst is, wordt de brief ondertekend en verzonden. Paragraaf5Besloten vergaderingen Artikel26Toepassing reglement op besloten vergaderingen Op besloten raadsvergaderingen is dit reglement van overeenkomstige toepassing voor zover dat niet strijdig is met het besloten karakter van de vergadering. Artikel27Besluitenlijst besloten vergadering 1.Concept-besluitenlijsten van besloten raadsvergaderingen worden uitsluitend voor de raadsleden en overige deelnemers aan de betreffende vergadering beschikbaar gesteld op het besloten gedeelte van de website. 2.Deze besluitenlijsten worden zo spoedig mogelijk in een besloten vergadering ter vaststelling aangeboden. Tijdens deze vergadering neemt de raad een besluit over het al dan niet opheffen van de geheimhouding op deze vastgestelde besluitenlijst. 3.De vastgestelde besluitenlijsten worden door de griffier en de voorzitter ondertekend. Artikel28Opheffing geheimhouding Als de raad op grond van artikel 89, vierde lid, van de Gemeentewet voornemens is de geheimhouding van aan de raad verstrekte informatie op te heffen wordt, als het orgaan dat geheimhouding heeft opgelegd daarom verzoekt, daarover in een besloten raadsvergadering met het desbetreffende orgaan overleg gevoerd. Paragraaf6Toehoorders en pers Artikel29Toehoorders en pers 1.Toehoorders en vertegenwoordigers van de pers wonen openbare raadsvergaderingen uitsluitend bij op de voor hen bestemde plaatsen. 2.Het blijkgeven van tekenen van goed- of afkeuring of het op andere wijze verstoren van de orde is hen verboden. Artikel30Geluid- en beeldregistraties 1.Elke raadsvergadering wordt in beginsel rechtstreeks via het internet uitgezonden in beeld en geluid. Deze opname blijft na de raadsvergadering voor een periode van tenminste vier jaar beschikbaar. 2.Degenen die van een openbare raadsvergadering geluid- of beeldregistraties willen maken, doen hiervan mededeling aan de voorzitter en gedragen zich naar diens aanwijzingen. Hoofdstuk3Bevoegdheden, instrumenten raadsleden Artikel31Amendementen en subamendementen 1.Raadsleden dienen amendementen en subamendementen voor het sluiten van de beraadslaging van het onderwerp waarop deze betrekking hebben, in bij de voorzitter. Dit gebeurt schriftelijk, tenzij de voorzitter oordeelt dat mondelinge indiening volstaat. 2.Er wordt alleen beraadslaagd over amendementen en subamendementen die ingediend zijn door raadsleden die de presentielijst getekend hebben. 3.Intrekking door de indiener van een amendement of subamendement is mogelijk totdat de besluitvorming daarover door de raad is afgerond. 4.Op het moment van indienen van een amendement of subamendement wordt aangegeven wie de indieners zijn. Na indiening kunnen geen indieners meer worden toegevoegd. Artikel32Moties 1.Raadsleden dienen moties schriftelijk in bij de voorzitter. 2.De behandeling van een motie vindt gelijktijdig plaats met de beraadslaging over het onderwerp of voorstel waarop het betrekking heeft. 3.De behandeling van een motie over een niet op de agenda opgenomen onderwerp vindt plaats nadat alle op de agenda opgenomen onderwerpen zijn behandeld, tenzij de raad anders bepaalt. 4.Intrekking door de indiener van een motie is mogelijk totdat de besluitvorming daarover door de raad is afgerond. 5.Op het moment van indienen van een motie wordt aangegeven wie de indieners zijn. Na indiening kunnen geen indieners meer worden toegevoegd. Artikel33Initiatiefvoorstellen 1.Raadsleden dienen initiatiefvoorstellen schriftelijk in bij de voorzitter. Deze brengt een ingediend voorstel zo spoedig mogelijk ter kennis van het college. 2.Het college kan binnen twintig werkdagen nadat het in kennis is gesteld van een voorstel, schriftelijk wensen en bedenkingen met betrekking tot het voorstel ter kennis van de raad brengen. 3.Nadat het college schriftelijk wensen of bedenkingen ter kennis van de raad heeft gebracht of kenbaar heeft gemaakt hiertoe niet te zullen overgaan, dan wel nadat de in het tweede lid gestelde termijn is verlopen, wordt het voorstel op de agenda van de eerstvolgende raadsvergadering geplaatst. Als de concept agenda hiervoor reeds verzonden is wordt het voorstel op de agenda van de daaropvolgende raadsvergadering geplaatst. 4.Op het moment van indienen van een initiatiefvoorstel wordt aangegeven wie de indieners zijn. Na indiening kunnen geen indieners meer worden toegevoegd. 5.Bij de behandeling van een initiatiefvoorstel wordt de (woordvoerder van
- de)indiener(
- s)beschouwd als de portefeuillehouder vanuit de raad. Het college kan door de voorzitter gevraagd worden te reflecteren op de termijnen in aanvulling op de uitgebrachte wensen en bedenkingen. Artikel34Raadsvoorstel 1.Een voorstel van het college aan de raad dat vermeld staat op de voorlopige agenda van de raadsvergadering, kan niet worden ingetrokken zonder toestemming van de raad. 2.Als de raad van oordeel is dat het nodig is een voorstel als bedoeld in het eerste lid voor advies terug te zenden aan het college, bepaalt de raad binnen welke termijn het voorstel opnieuw geagendeerd wordt. Artikel35Interpellatie 1.Raadsleden dienen verzoeken tot het houden van een interpellatie schriftelijk in bij de voorzitter. Het verzoek bevat in ieder geval de te stellen vragen. 2.De voorzitter brengt de inhoud van het verzoek zo spoedig mogelijk ter kennis van de overige raadsleden en de wethouders. 3.Over verzoeken die ten minste twee werkdagen voor aanvang van een raadsvergadering zijn ingediend of in naar het oordeel van de voorzitter spoedeisende gevallen, wordt tijdens de eerstvolgende raadsvergadering gestemd. In andere gevallen tijdens de daaropvolgende raadsvergadering. 4.De interpellant voert niet vaker dan tweemaal het woord. De overige raadsleden, de burgemeester en de wethouders niet vaker dan eenmaal, tenzij de raad hen hiertoe verlof geeft. Artikel36Schriftelijke vragen 1.Raadsleden dienen schriftelijke vragen aan het college of de burgemeester in bij de griffier. 2.De griffier brengt de vragen zo spoedig mogelijk ter kennis van de overige raadsleden en het college of de burgemeester. 3.Schriftelijke beantwoording vindt zo spoedig mogelijk plaats, in ieder geval binnen dertig werkdagen nadat de vragen zijn ingediend. Indien beantwoording niet binnen deze termijn kan plaatsvinden, stelt het verantwoordelijk lid van het college of de burgemeester de vragensteller hiervan gemotiveerd in kennis. Daarbij wordt ook de termijn aangegeven waarbinnen beantwoording zal plaatsvinden. Dit bericht wordt behandeld als een antwoord. 4.Schriftelijke antwoorden van het college of de burgemeester worden door tussenkomst van de griffier digitaal aan de raadsleden beschikbaar gesteld. 5.De vragensteller kan bij schriftelijke beantwoording in de eerstvolgende commissievergadering nadere inlichtingen vragen over het door de burgemeester of door het college gegeven antwoord. Artikel37Inlichtingen 1.Raadsleden dienen verzoeken tot inlichtingen als bedoeld in de artikelen 169, derde lid en 180, derde lid, van de Gemeentewet schriftelijk in bij de griffier. 2.De griffier brengt de inhoud van dit verzoek zo spoedig mogelijk ter kennis van de overige raadsleden en het college of de burgemeester. 3.De verlangde inlichtingen worden zo spoedig mogelijk aan de raad verschaft, in ieder geval binnen tien werkdagen nadat het verzoek is ingediend. Artikel38Uitleg reglement In gevallen waarin dit reglement niet voorziet of bij twijfel over de toepassing van het reglement, beslist de raad op voorstel van de voorzitter. Artikel39Intrekken oude reglement Het Reglement van Orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de gemeenteraad van Moerdijk, vastgesteld bij raadsbesluit van 22 april 2021, wordt ingetrokken. Artikel40Inwerkingtreding en citeertitel 1.Dit reglement treedt in werking op 1 april 2026. 2.Dit reglement wordt aangehaald als: Reglement van Orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad van de gemeente Moerdijk. Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad, gehouden op 12 maart 2026,De griffier, H.M. Vonk-SchenkelDe voorzitter, A.J. MoerkerkeToelichting (artikelsgewijs) Artikel 1 Begripsbepalingen Om te voorkomen dat de omschrijving van terugkerende begrippen in het reglement herhaald moet worden, zijn in deze bepaling begrippen eenmalig gedefinieerd. De omschrijving van de termen amendement en initiatiefvoorstel luiden hetzelfde als in de artikelen 147a en 147b van de Gemeentewet. Artikel 2 De voorzitter De burgemeester is voorzitter van de raad. Artikel 9 van de Gemeentewet schrijft dit dwingend voor. In artikel 77, eerste lid van de Gemeentewet is bepaald dat het langstzittende raadslid het voorzitterschap van de raad waarneemt bij verhindering of ontstentenis van de burgemeester. Als twee raadsleden even lang zitting hebben, is het oudste lid in jaren degene die het voorzitterschap van de raad waarneemt. Daarnaast heeft de raad altijd de mogelijkheid zelf te kiezen voor een andere plaatsvervangend voorzitter. De burgemeester heeft het recht op grond van artikel 21 van de Gemeentewet in de vergadering aan de beraadslaging deel te nemen. Als voorzitter zorgt hij onder andere voor de handhaving van de orde in de vergadering. Artikel 3 De griffier De raad is verplicht een griffier te benoemen (artikel 100 Gemeentewet). De griffier is in eerste instantie verantwoordelijk voor de bijstand aan de raad. Hij is in principe in elke vergadering van de raad aanwezig. De Gemeentewet eist dat de raad de vervanging van de griffier regelt (artikel 107d, eerste lid). In het tweede lid is daarover een bepaling opgenomen. Wanneer zowel de griffier als de plaatsvervangend griffier verhinderd zijn, kan de voorzitter een medewerker van de griffie aanwijzen als vervanger. In het derde lid is daarover een bepaling opgenomen. In verband met artikel 22 Gemeentewet (verschoningsrecht) is in het vierde lid een bepaling opgenomen met betrekking tot het deelnemen van de griffier aan de beraadslaging. Rechtspositionele bepalingen zijn niet in dit reglement opgenomen, aangezien dat geregeld is in de ambtsinstructie voor de griffier, die de raad vaststelt. In de instructie voor de griffier zijn de taken van de griffier uitgewerkt. Artikel 4 Het presidium Het presidium heeft voornamelijk een procedurele en algemeen adviserende rol. Het presidium stelt de voorlopige agenda voor de raadsvergadering op, benoemt de onderwerpen voor raadsbijeenkomsten etc. In het artikel is als aanvullende taak opgenomen dat het presidium aanbevelingen doet aan de raad en besluiten neemt over de organisatie van de werkzaamheden van de raad en de commissies. Hieronder vallen taken zoals het initiëren van een aanpassing van het reglement van orde, het wijzigen van het vergaderstelsel, aanbevelingen doen aan de raad ter verbetering van het functioneren van de raad enzovoort. Tenslotte bepaalt het presidium welke fasen van besluitvorming een onderwerp of voorstel doorloopt. Het is van belang dat in het presidium elke partij een stem heeft die even zwaar weegt. Op deze wijze wordt de positie van minderheidsfracties in een dualistisch stelsel versterkt. Tevens kan dit de betrokkenheid van alle fracties bij de raadsvergaderingen vergroten. De griffier is bij elke vergadering van het presidium aanwezig omdat de griffier voor de ondersteuning van de raad zorgt. Hij moet weten hoe de agenda eruit komt te zien en welke punten besproken gaan worden. De aanwezigheid van de gemeentesecretaris kan ook gewenst zijn, omdat de gemeentesecretaris aandacht moet kunnen vragen voor of een toelichting kan geven op onderwerpen die worden voorbereid door de ambtelijke organisatie. Overeenkomstig het derde lid kan de secretaris worden uitgenodigd. Artikel 5 Het seniorenconvent Het seniorenconvent vergadert in beslotenheid. Dat is van belang omdat hier zaken aan de orde gesteld kunnen worden die hetzij privacy-gevoelig, hetzij nog niet rijp voor besluitvorming zijn. De griffier is bij elke vergadering van het seniorenconvent aanwezig omdat hij voor de ondersteuning van de raad zorgt. Hij moet op de hoogte zijn van de agenda en de punten die besproken gaan worden. Op voorstel van de voorzitter kan het seniorenconvent besluiten de gemeentesecretaris en/of wethouder(
- s)uit te nodigen. Het is van belang dat in het seniorenconvent elke partij een stem heeft die even zwaar weegt. Op deze wijze wordt de positie van minderheidsfracties in een dualistisch stelsel versterkt. Tevens kan dit de betrokkenheid van alle fracties bij de raadsvergaderingen vergroten. Artikel 6 Onderzoek geloofsbrieven en beëdiging raadsleden Met de geloofsbrief stelt de voorzitter van het centraal stembureau de benoemde in kennis van zijn benoeming (artikel V 1 van de Kieswet). Voor dit benoemingsbesluit is bij ministeriële regeling een model vastgesteld. De benoemde geeft schriftelijk aan of hij de benoeming aanneemt (artikel V 2 van de Kieswet). Tegelijk met de mededeling dat hij zijn benoeming aanneemt worden aan de raad stukken overlegd waaruit blijkt dat de benoemde voldoet aan de eisen om als lid van de raad toegelaten te worden. Dit omvat de volgende stukken: een ondertekende verklaring met de openbare betrekkingen die hij bekleedt, een uittreksel uit de basisregistratie personen met zijn woonplaats, geboorteplaats en -datum, en (indien niet-Nederlander) stukken waaruit blijkt dat hij voldoet aan de vereisten van artikel 10, tweede lid, van de Gemeentewet (artikel V 3 van de Kieswet). Het onderzoek van de geloofsbrieven moet in een openbare vergadering gebeuren. Bij het onderzoek zal ook de gedragscode (artikel 15, derde lid, van de Gemeentewet) betrokken worden. In deze code zijn onder meer bepalingen opgenomen over al dan niet toegestane nevenfuncties. De commissie die de geloofsbrieven onderzoekt brengt verslag uit. Dit kan zowel mondeling als schriftelijk. Eerste en tweede lid De formulering van het eerste lid benadrukt dat de raad en niet de voorzitter een commissie instelt, die het zogenaamde geloofsbrievenonderzoek verricht nadat de voorzitter van het centraal stembureau nieuwe leden heeft benoemd. De raad benoemt ook plaatsvervangende leden voor deze commissie. De benoeming van deze commissie vindt plaats aan het begin van elke raadsperiode. De commissie kan dan het onderzoek voorbereiden en in de openbare vergadering kan in dat geval direct worden overgegaan tot het verslag van bevindingen van de commissie. Derde lid Het onderzoek van het proces verbaal (onderzoek naar het verloop van de verkiezing of de vaststelling van de uitslag) gebeurt door de oude raad vlak voor de eerste samenkomst van de nieuwe raad na de gemeenteraadsverkiezingen. Het onderzoek van het proces-verbaal strekt zich niet uit tot de geldigheid van de kandidatenlijsten en van de lijstverbindingen. Het derde lid ziet toe op de specifieke taak die de raad heeft na de raadsverkiezingen. Na de gemeenteraadsverkiezingen heeft de commissie voor het geloofsbrievenonderzoek een extra taak, zij adviseert de raad ook over het verloop van de verkiezingen (of dit op wettige wijze is gebeurd) en het vaststellen van de uitslag (is deze juist vastgesteld). Zij doet dit op basis van het proces-verbaal van het centraal stembureau. De raad dient op basis van dit advies een besluit te nemen over het verloop van de verkiezingen en de vaststelling van de uitslag. Dit besluit is van belang om dat de raad de bevoegdheid heeft om te besluiten tot het hertellen van de stemmen en zelfs de bevoegdheid om te besluiten tot een herstemming, beide eventueel in een deel van de gemeente bij een aantal specifieke stembureaus. Het proces-verbaal vormt de aanleiding tot een besluit tot hertelling of herstemming. Dit dient concrete aanwijzingen te bevatten waarop de raad een dergelijk besluit kan baseren. Op 28 februari 2014 heeft de minister van BZK een circulaire uitgebracht waarin toegelicht wordt wanneer de raad gebruik kan maken van deze bevoegdheid (Gemeenteraadverkiezingen: hertellingen, kenmerk 2014-0000116196, 28 februari 2014, Ministerie van BZK. Zie:https://vng.nl/files/vng/publicatie_bijlagen/2014/20140319-hertelling-gemraadsverk-bzk2014-0000116196.pdf). Deze circulaire was ook bij de raadsverkiezingen in 2018 en 2022 van toepassing. In deze circulaire wordt onder meer uiteengezet wanneer de raad tot hertelling kan besluiten. Het ligt niet voor de hand dat besloten wordt tot een hertelling waarvan tevoren duidelijk is dat deze niet tot een andere samenstelling in de raad kan leiden. Ook een verschil in zetels tussen de voorlopige uitslag en de definitieve uitslag is geen reden om over te gaan tot hertelling. Vierde en vijfde lid Na een raadsverkiezing kunnen de toegelaten raadsleden op de eerste vergadering van de raad in nieuwe samenstelling als bedoeld in artikel 18 van de wet de eed of verklaring en belofte afleggen. De voorzitter zal hen hiervoor oproepen (vierde lid). Bij tussentijdse vacaturevervulling kan de eed of verklaring en belofte aansluitend aan de beslissing van de raad over de toelating van het betrokken raadslid plaatsvinden (vijfde lid). De tekst van de eed of verklaring en belofte die een raadslid bij het aanvaarden van het raadslidmaatschap moet afleggen, is in artikel 14 van de wet vastgelegd. Artikel 7 Benoeming wethouders Dit artikel geeft invulling aan een leemte in de Gemeentewet. Uit de Kieswet vloeit het geloofsbrievenonderzoek van raadsleden voort. Aangezien de wethouder geen gekozen volksvertegenwoordiger is, is hierover niets in de Kieswet geregeld. De Gemeentewet geeft wel aan welke formele eisen gesteld worden aan een wethouder maar niet op welk moment deze getoetst worden. Het ligt voor de hand om voor het benoemen van wethouders ook een commissie voor het onderzoek naar de geloofsbrieven in te stellen. De formele eisen voor het wethouderschap zijn grotendeels vergelijkbaar met de vereisten voor het raadslidmaatschap (Gemeentewet artikelen 36a, 36b, 41b en 41c). Voor wethouders is er de aanvullende verplichting om een verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) te kunnen overleggen (artikel 36a, tweede lid, van de wet). De VOG kent een screeningsprofiel voor politieke ambtsdragers. Bij dit profiel staat de integriteit van de aspirant bestuurder centraal. Het is mogelijk om deze VOG via een spoedprocedure uit te laten voeren. De kandidaat-wethouders worden in opdracht van de burgemeester voor aanvang van iedere ambtstermijn aan een integriteitstoets onderworpen. De burgemeester krijgt zicht op de volledige rapportage van de risicoanalyse. Zo heeft hij een goed beeld van de kandidaat en kan hij met de kandidaat een gesprek voeren over de uitkomsten. De burgemeester kan ten aanzien van de risicoanalyse en de conclusies geheimhouding opleggen aan de raad. Met de Wet bevorderen integriteit en functioneren decentraal bestuur (artikel 87 van de wet) is de burgemeester hiertoe expliciet bevoegd gemaakt. Artikel 7 is ook van toepassing als er geen wethouder van buiten maar uit de raad wordt benoemd. De incompatibiliteiten en nevenfuncties dienen dan immers opnieuw beoordeeld te worden. Een raadslid dat benoemd wordt tot wethouder mag raadslid blijven totdat de geloofsbrieven van zijn opvolger zijn goedgekeurd (artikel 36b, tweede lid, van de wet). Artikel 8 Fracties Eerste en tweede lid De Kieswet en de Gemeentewet kennen het begrip fractie niet. In artikel 33, tweede lid, van de Gemeentewet wordt wel uitgegaan van het bestaan van in de raad vertegenwoordigde groeperingen (recht op fractieondersteuning). Vanaf de aanvang van de eerste zitting van de nieuwe raad na de verkiezingen, worden de leden die op dezelfde lijst hebben gestaan als één fractie beschouwd. Is onder een lijstnummer slechts één lid verkozen, dan wordt dit lid als een afzonderlijke fractie beschouwd (eerste lid). De fractie gebruikt in de vergadering van de raad de aanduiding die zij boven de kandidatenlijst had staan. Op deze wijze is de relatie tussen de fractie in de raad en de fractie op de kandidatenlijst voor de burger duidelijk. Het kan echter voorkomen dat een fractie geen aanduiding boven de kandidatenlijst heeft staan. In een dergelijk geval deelt de fractie in de eerste vergadering de aanduiding mee (tweede lid). Vierde lid In de loop van een zittingsperiode kan het voorkomen dat leden de raad verlaten. In een dergelijk geval vindt er een verandering in de samenstelling van de fractie plaats. Als dit het geval is, deelt de fractie dit aan de voorzitter mede. Het is ook mogelijk dat een raadslid zijn lidmaatschap niet opzegt maar uit een fractie stapt. Hij kan als zelfstandige fractie verdergaan of zich aansluiten bij een bestaande fractie. Ook andere wijzigingen zijn mogelijk, bijvoorbeeld een fusie van twee fracties. Een andere (tijdelijke) wisseling in een fractie kan het gevolg zijn van ziekte of zwangerschap van een raadslid. Voor deze gevallen is in de Kieswet een vervangingsregeling opgenomen. Uitgangspunt van ons kiesstelsel is dat volksvertegenwoordigers op persoonlijke titel worden verkozen en benoemd (dit laatste door de voorzitter van het stembureau). Dit uitgangspunt is gebaseerd op artikel 27 van de Gemeentewet en artikel 129 van de Grondwet, waarin is bepaald dat elk bindend mandaat van een lid van de raad nietig is. De volksvertegenwoordiger handelt naar eigen overtuiging en is bij stemmingen niet gebonden aan een lastgeving. Geen andere persoon of instantie kan hem rechtens bindende instructies opleggen met betrekking tot zijn stemgedrag. Het is de individuele volksvertegenwoordiger die een mandaat van de kiezer heeft gekregen. De volksvertegenwoordiger heeft daardoor ook de mogelijkheid om tussentijds van fractie te veranderen of zelfstandig verder te gaan. Ook de Kieswet gaat niet uit van politieke partijen, een zetel 'hoort' dan ook niet bij een partij maar is verbonden aan de volksvertegenwoordiger die daardoor ook de mogelijkheid heeft om tussentijds van fractie te veranderen of zelfstandig verder te gaan. Ook kan een fractie besluiten om haar naam te veranderen. Dit staat de fractie vrij om te doen. Op grond van deze bepalingen heeft de raad geen zeggenschap over wijzigingen in de samenstelling, fusies en splitsingen van fracties en de naamvoering. De raad kan hier dus geen besluit over nemen. Een mededeling aan de voorzitter van de raad is voldoende. De raad is gehouden met ingang van de eerstvolgende vergadering nadat hiervan mededeling is gedaan rekening te houden met de nieuwe situatie. Dit betekent ook dat: kandidaten die van een kandidatenlijst deel uitmaken en binnen die lijst/partij een onderlinge schriftelijke (en soms notariële) afspraak maken, bijvoorbeeld dat men onder bepaalde voorwaarden zal afzien van aanvaarding van het raadslidmaatschap, zich dienen te realiseren dat dergelijke afspraken nietig zijn, vanwege strijd met de Gemeentewet en de Kieswet; personen die tussentijds van partij veranderen hun raadslidmaatschap niet verliezen; als men uit een partij stapt en als eigen partij verder gaat, de verlatende partij geen middelen heeft om het raadslid uit de raad te weren. Fractie-afsplitsing en het ontstaan van een nieuwe fractie kan diverse praktische gevolgen hebben, te denken valt aan: fractievergoedingen en –faciliteiten, fractievoorzitterschap dan wel vertegenwoordiging in het presidium, zo nodig andere zitplaatsen in de raadszaal, bezetting in raadscommissies en eventueel de bezetting in raadscommissies door burgerleden. Als moet worden voorzien in de vacature van een raadslid dat zich heeft afgesplitst, wordt teruggegrepen op de lijst waarop betrokkene oorspronkelijk was gekozen (artikel P 19 van de Kieswet). Vijfde lid De naam van de fractie dient getoetst te worden aan de afwijzingsgronden uit artikel G 3 van de Kieswet. Dit is een logische voorwaarde, deze toetsing vindt immers ook plaats wanneer een politieke groepering zich voor het eerst wil laten registreren. Op grond van artikel G 3, vierde lid, van de Kieswet wordt de naam van de nieuwe fractie onder meer geweigerd als deze in strijd is met de openbare orde of als deze overeenkomt met of erg lijkt op de naam van een politieke groepering die al geregistreerd is voor de Tweede Kamer- of Statenverkiezingen, én daardoor verwarring te duchten is. Voor het overige is de nieuwe fractie vrij in het kiezen van een naam. Artikel 9 Vergaderfrequentie Ingevolge artikel 17 van de Gemeentewet vergadert de raad zo vaak als hij daartoe besloten heeft en voorts indien de burgemeester het nodig oordeelt of indien tenminste een vijfde van het aantal leden van de raad schriftelijk met opgave van redenen daarom vraagt. Tweede lid Dit lid brengt tot uitdrukking dat de voorzitter bij het bepalen van een andere dag en een ander aanvangsuur zoveel mogelijk overleg pleegt met het presidium. Op deze wijze houdt het presidium ook bij vergaderingen die niet op het gebruikelijke tijdstip plaatsvinden, invloed op de datum, het tijdstip en de plaats van de vergadering. Het wijzigen van het aanvangsuur is van gemeenschappelijk belang, omdat het merendeel van de raadsleden het raadslidmaatschap combineert met een andere (on)betaalde functie. Artikel 10 Voorlopige agenda In artikel 19, eerste lid, van de Gemeentewet is bepaald dat de burgemeester de leden van de raad schriftelijk uitnodigt voor de vergadering. In aanvulling op deze bepaling wordt in dit reglement vastgesteld dat de voorlopige agenda langs digitale weg beschikbaar wordt gesteld. Deze wordt gepubliceerd in de daarvoor in gebruik zijnde vergaderapplicatie. In de vergaderapplicatie zijn opgenomen de dag, het tijdstip en de plaats van de vergadering. Het eerste lid stelt verplicht dat de voorlopige agenda en de daarbij behorende stukken tenminste zeven werkdagen voor de raadsvergadering in de vergaderapplicatie zijn opgenomen. Artikel 11 Aanvullende agenda, vaststellen agenda Het presidium bepaalt in zijn vergadering door tussenkomst van de griffier hoe de agenda eruit komt te zien. Dit is echter een voorlopige vaststelling van de agenda. In de dagelijkse praktijk van de gemeente zal het niet altijd mogelijk zijn om ruim voor de vergadering een agenda op te stellen, die ook zicht heeft op de actualiteiten. In een dergelijke situatie kan de voorzitter na het beschikbaar stellen van de digitale oproep zo nodig een aanvullende agenda en stukken rondsturen. Bij de Wet bevorderen integriteit en functioneren decentraal bestuur is de mogelijkheid vervallen om individuele raadsleden te informeren. Als omtrent informatie van de raad of aan de raad verstrekte informatie op grond van hoofdstuk Va van de wet geheimhouding is opgelegd, blijft deze informatie in afwijking van het eerste en tweede lid onder berusting van de griffier. Raadsleden kunnen deze informatie inzien (derde lid juncto artikel 9, derde lid). Van geheimhouding wordt melding gemaakt op de stukken. Indien de geheimhouding op informatie anders dan in schríftelijke vorm rust, moet de verplichting op een passende wijze kenbaar worden gemaakt (artikel 89, eerste lid, van de wet). Het vierde lid heeft tot doel om de raad een actievere rol te geven in de opstelling van de raadsagenda. Enerzijds kunnen individuele raadsleden via hun fractievoorzitter in het presidium onderwerpen voor de agenda voordragen. Anderzijds kunnen zij echter ook bij aanvang van de raadsvergadering een voorstel doen om onderwerpen aan de agenda toe te voegen of van de agenda af te voeren. Daarmee kan het individuele raadslid in ieder geval op twee momenten invloed uitoefenen op de vaststelling van de agenda. Indien er een voorstel wordt gedaan om de agenda aan te passen, bijvoorbeeld het doorschuiven van een agendapunt naar de volgende raadsvergadering, en de stemmen staken, is artikel 32, vierde lid, van de Gemeentewet niet van toepassing. Artikel 12 Ter inzage leggen van stukken Geïnteresseerden moeten de mogelijkheid hebben om stukken in te zien. Daarom worden alle stukken gelijktijdig met het beschikbaar stellen van de agenda en bijbehorende stukken ter inzage aangeboden (eerste lid). Naast de fysieke terinzagelegging op het gemeentehuis en enkele andere openbare gelegenheden in de verschillende kernen van de gemeente, zullen de stukken op elektronische wijze worden aangeboden. Hiervoor kunnen belangstellenden via de gemeentelijke website het daarvoor ingerichte raadsinformatiesysteem raadplegen. Een stuk is een ‘document’ in de zin van de Wet open overheid (Woo). Een document houdt in: een door een orgaan, persoon of college als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, opgemaakt of ontvangen schriftelijk stuk of ander geheel van vastgelegde gegevens dat naar zijn aard verband houdt met de publieke taak van dat orgaan, die persoon of dat college. Onder documenten vallen niet alleen de door de overheidsorganen gecreëerde stukken of ander materiaal. Ook alle van buiten komende stukken en ander voor overheidsorganen bestemd materiaal zoals agenda’s, verslag, (concept)adviezen, al dan niet in elektronische vorm, verkrijgen de status van document in de zin van de Woo. Bij de Wet bevorderen integriteit en functioneren decentraal bestuur is de reikwijdte van de Gemeentewet uitgebreid van ‘stukken’ naar ‘informatie’ (artikel 19, tweede lid, van de wet). Verder hoeft de raad de geheimhouding niet meer te bekrachtigen (artikel 89, vierde lid, van de wet). College, burgemeester en commissies mogen voortaan zelf geheimhouding opleggen (artikel 87 van de wet). Onder de ‘informatie’ als bedoeld in het derde lid wordt verstaan: informatie van de raad en aan de raad verstrekte informatie, waaronder de zogeheten ‘achterliggende’ stukken waarvan in raadsvoorstellen melding wordt gemaakt (ambtelijke adviezen, toelichtende nota’s, etc.) waarop geheimhouding is gelegd. Indien het gaat om geheime of vertrouwelijke stukken, waarop geheimhouding is gelegd door het bestuursorgaan dat het document aanbiedt aan de raad, dient dit duidelijk op het stuk te zijn aangegeven. Ook kan worden overwogen hiervan geen kopieën te laten maken, omdat het gevaar bestaat dat vaak gekopieerde stukken toch in de openbaarheid komen. Indien de geheimhouding op informatie anders dan in schríftelijke vorm rust, moet de verplichting op een passende wijze kenbaar worden gemaakt (artikel 89, eerste lid, van de wet). De griffier vervult de secretariaatsfunctie ten dienste van de raad. Daarom worden stukken die betrekking hebben op de agenda en de voorstellen van de raadsvergadering en die geheim moeten blijven bij hem ter inzage gelegd voor raadsleden (derde lid). Artikel 13 Openbare kennisgeving Met dit artikel wordt invulling gegeven aan het voorschrift van artikel 19, tweede lid, van de Gemeentewet. In artikel 10 is vastgelegd op welke wijze de raadsvergaderingen worden aangekondigd. Indien de kennisgeving uitsluitend elektronisch plaatsvindt, dan dient er een grondslag in een verordening te zijn. In het tweede lid wordt deze grondslag gecreëerd om ook in spoedeisende gevallen een openbare kennisgeving uit te kunnen doen gaan. Artikel 14 Presentielijst De verplichting tot het hebben van een presentielijst vloeit voort uit artikel 20 van de Gemeentewet. In dit artikel wordt de procedure vastgelegd. De handtekeningen op de presentielijst zijn bedoeld om formeel vast te stellen dat het vergaderquorum bereikt is. De lijst kan niet dienen om het stemquorum vast te stellen; daarvoor geldt artikel 29 van de Gemeentewet. De griffier geeft de ambtelijke ondersteuning die de raad nodig heeft. Daarom zorgt hij voor het bijhouden van de presentielijst en stelt hij deze samen met de voorzitter vast en ondertekent deze. Deze ondertekening dient te waarborgen dat de lijst volledig is en het quorum aanwezig was. Artikel 15 Aantal spreektermijnen Als de raad van mening is dat na de tweede termijn verdere beraadslaging nodig is, kan hij daartoe uitdrukkelijk besluiten. Het tweede lid benadrukt dat de voorzitter elke spreektermijn afsluit. Dit behoeft overigens niets te veranderen aan de praktijk dat een portefeuillehouder antwoordt na de inbreng van de raadsleden in de eerste en tweede termijn. Het stellen van vragen dient ook als een spreektermijn beschouwd te worden. Een verzoek van een raadslid na afloop van de tweede termijn om nog een korte reactie te geven, dient de voorzitter niet te honoreren. De beraadslaging over een motie vindt niet plaats in afzonderlijke termijnen, maar gelijktijdig met de beraadslaging over het betreffende, aan de orde zijnde onderwerp (artikel 32). De raad kan een indiener van een motie, amendement of initiatiefvoorstel voor aanvang van de discussie over het voorstel een extra termijn geven om de motie, het amendement of het voorstel toe te lichten. Dit kan ook gelden voor een rapporteur van een commissie of raadswerkgroep. Een rapporteur kan een raadslid zijn die de resultaten van een onderzoek dat een commissie of raadswerkgroep in opdracht van de raad heeft uitgevoerd, toelicht. Artikel 16 Deelname aan de beraadslaging door anderen Deze bepaling is noodzakelijk in verband met de in artikel 22 van de Gemeentewet geregelde immuniteit. Het is uiteraard ook mogelijk dat de raad bepaalt dat een bepaalde functionaris in bepaalde gevallen altijd aan de beraadslaging mag deelnemen. De raad kan op grond van artikel 3, vierde lid, bepalen dat de griffier deelneemt aan de beraadslagingen. De burgemeester en de wethouder(
- s)hebben het recht (het woord te voeren
- en)deel te nemen aan de beraadslagingen op grond van artikel 21, eerste en tweede, lid van de Gemeentewet. Artikel 17 Voorstellen van orde De voorzitter legt aan de raad ter beslissing voor of er inderdaad sprake is van een voorstel van orde. Over een voorstel van orde wordt direct, zonder beraadslaging, besloten door de raad. Bij het staken van stemmen is het voorstel niet aangenomen (omdat het ordevoorstel betrekking heeft op de lopende vergadering is artikel 32, vierde lid, van de Gemeentewet hierop logischerwijs niet van toepassing). Een voorstel van orde betreft bijvoorbeeld het schorsen van de vergadering voor een pauze. Indien het gaat om een niet geagendeerd voorstel, dient de procedure van een initiatiefvoorstel gevolgd te worden (artikel 33). Artikel 18 Spreekrecht voor burgers Het spreekrecht voor burgers is een mogelijkheid om burgers meer te betrekken bij de gemeenteraad. Om in te kunnen spelen op de actualiteit, wordt ook bij raadsvergaderingen de mogelijkheid tot inspreken geboden. Dit gebeurt aan het begin van de raadsvergadering. In tegenstelling tot de commissievergaderingen, kan in raadsvergaderingen worden ingesproken over onderwerpen die niet geagendeerd zijn. In het tweede lid zijn de onderwerpen opgenomen, waarover het woord niet gevoerd kan worden. Als een besluit van de raad of het college vatbaar is voor bezwaar en de burger belanghebbende is, kan de burger een bezwaarschrift indienen. Ook kan een burger beroep instellen bij de rechtbank. Omdat inspraak over benoemingen, keuzes voordrachten of aanbevelingen van personen (de belangen van) kandidaten in de uitoefening van hun functie kunnen schaden, kunnen burgers hierover ook geen uitlatingen doen. Tenslotte kunnen burgers zich ook niet uitlaten over onderwerpen waarover zij op grond van artikel 9:1 van de Algemene wet bestuursrecht een klacht kunnen indienen. Dit artikel uit de Awb gaat voor het spreekrecht van burgers. De burgers die wensen in te spreken moeten zich uiterlijk voor 12.00 uur op de dag van de raadsvergadering melden bij de griffier. Vermelding van het onderwerp is extra van belang, omdat het onderwerpen betreft die niet geagendeerd zijn. De voorzitter verdeelt de spreektijd over degenen die zich hebben aangemeld en heeft op basis van het vierde en vijfde lid de mogelijkheid om de volgorde van inspreken aan te passen evenals de lengte van de spreektijd. Op basis van artikel 24, vierde lid, wordt de besluitenlijst toegezonden aan de burgers die hebben ingesproken. Artikel 19 Stemverklaring Stemverklaringen zullen zo kort mogelijk moeten zijn en mogen niet het karakter krijgen van een derde termijn, als laatste reactie op de vorige spreker. De stemverklaringen worden gegeven vóór de hoofdelijke oproep aan de leden dat de stemming begint. Artikel 20 Beslissing De voorzitter kan de beraadslaging sluiten als hij vaststelt dat een onderwerp voldoende is toegelicht, tenzij de raad anders beslist (eerste lid). De voorzitter formuleert daarna de te nemen eindbeslissing (tweede lid). Indien geen stemming wordt gevraagd, is het voorstel aangenomen op grond van artikel 32, derde lid, van de Gemeentewet. Artikel 21 Stemming; procedure hoofdelijke stemming Indien een lid te kennen geeft een hoofdelijke stemming te wensen, moet de stemming plaatsvinden (eerste lid). De raad heeft niet de bevoegdheid om van deze bepaling van artikel 32 van de Gemeentewet af te wijken. Vraagt niemand stemming, dan wordt het voorstel geacht te zijn aangenomen. Wellicht ten overvloede wordt hierbij nog gewezen op artikel 209, tweede lid, van de Gemeentewet, dat tot hoofdelijke stemming verplicht bij het aangaan van een verplichting voordat de begroting is goedgekeurd. De regeling in het eerste deel van het tweede lid kan toepassing krijgen, indien de uitkomst van de stemming tevoren duidelijk is en slechts enkele leden zouden tegenstemmen. Een raadslid kan zich alleen onthouden van stemming op grond van artikel 28 van de Gemeentewet. In alle andere gevallen is een raadslid verplicht stelling in te nemen en te stemmen. Stemmingen zijn in principe ook openbaar. Een volksvertegenwoordiger dient duidelijk te zijn in zijn of haar rol. Door de openbaarheid is het voor de achterban (kiezers) duidelijk hoe ze vertegenwoordigd worden. Bij staking van stemmen is het bepaalde in artikel 32 van de Gemeentewet van toepassing. Indien de vergadering voltallig is, wordt het voorstel geacht te zijn verworpen. Is de vergadering niet voltallig, dan wordt het nemen van het besluit tot een volgende vergadering uitgesteld. Als ook dan de stemmen staken, wordt het voorstel geacht niet te zijn aangenomen. In gemeenten kan een elektronisch stemsysteem gebruikt worden waarbij de openbaarheid gewaarborgd wordt doordat de naam van het raadslid gekoppeld wordt aan het voor of tegen. Dit is te lezen op een scherm, de afdruk ervan wordt meegenomen in de verslaglegging. Deze manier van stemmen is mogelijk op grond van de Gemeentewet. In het vijfde lid is de term verklaren opgenomen, waarmee buiten twijfel staat dat dit artikellid ook van toepassing is op digitale stemmingen. Artikel 22 Volgorde stemming over amendementen en moties Voor alle duidelijkheid wordt hier een verschil in procedure aangegeven tussen een motie en een amendement. Een amendement strekt tot wijziging van een voorstel en komt daarom in stemming voorafgaand aan de stemming over dat voorstel. Een motie strekt niet tot wijziging van een voorgesteld besluit; over een motie wordt een apart besluit genomen, nadat de besluitvorming over het aanhangige voorstel is afgerond. Bij een motie over een afzonderlijk onderwerp geldt dit uiteraard niet en is het vierde lid niet van toepassing. Bovendien kan de raad besluiten af te wijken van deze stemvolgorde. Artikel 23 Stemming over personen Artikel 31, eerste lid, van de Gemeentewet geeft aan dat de stemming over personen geheim dient te zijn. Artikel 31 van de Gemeentewet is ook van toepassing op de stemming over de benoeming van een wethouder (artikel 35, eerste lid, van de Gemeentewet). Datzelfde geldt voor de stemming over het ontslag van een wethouder in het geval een motie van wantrouwen niet tot onmiddellijk aftreden leidt (artikel 49 van de Gemeentewet). Ook dat gebeurt schriftelijk en is daarmee geheim. Het is mogelijk om met elektronische stemsystemen te werken, maar het Reglement van Orde gaat vooralsnog uit van een stemming door middel van behoorlijk ingevulde stembriefjes. Een blanco stembriefje wordt niet aangemerkt als een behoorlijk ingevuld stembriefje (Kamerstukken II 1985/86, 19 403, nr. 3, blz. 86). In geval van een schriftelijke stemming wordt dan ook geen rekening gehouden met blanco stembriefjes. Een blanco of verkeerd ingevuld stembriefje telt wel mee bij de bepaling van het quorum. De raad oordeelt of een stembriefje behoorlijk is ingevuld. Wat onder een (niet) behoorlijk ingevuld stembriefje moet worden verstaan, is in de wet niet geregeld. Onder een niet behoorlijk ingevuld stembriefje wordt verstaan: Een blanco ingevuld stembriefje; Een ondertekend stembriefje; Een stembriefje waarop meer dan één naam is vermeld, tenzij de stemming verschillende vacatures betreft; Een stembriefje waarbij, indien het een benoeming op bindende voordracht betreft, op een persoon wordt gestemd die niet is voorgedragen; Een stembriefje waarbij op een andere persoon wordt gestemd dan die waartoe de stemming is beperkt. Een voordracht is voor de raad bindend; de raad heeft slechts keus tussen degenen die op de voordracht zijn vermeld. Op de stembiljetten dienen de namen van de voorgedragen perso(o)n(
- en)te worden vermeld met daarachter de opties ‘voor’ en ‘tegen’. Voorbeeld van een uitslag van een stemming bij bindende voordracht: Een mogelijke uitslag van een stemming bij een bindende voordracht en een stemquorum van 25 leden zou kunnen zijn: 15 blanco stemmen, 1 stem op een persoon niet vermeld op het stembriefje, 5 stemmen voor en 4 stemmen tegen de kandidaat. De stemming is geldig. De kandidaat wordt met 5 stemmen voor, 4 stemmen tegen en 16 stemmen die niet geacht worden te zijn uitgebracht voor het bepalen van de volstrekte meerderheid, benoemd. Bij een aanbeveling wordt een voorstel gedaan voor een kandidaat, die in aanmerking zou kunnen komen voor een bepaalde functie respectievelijk ambt. De raad mag afwijken van het voorstel en een andere kandidaat benoemen. Op het stembiljet noteert het raadslid de naam van de kandidaat, die hij wil benoemen. Voorbeeld van een uitslag van een stemming bij aanbeveling: Een mogelijke uitslag van een stemming bij een aanbeveling (is een niet-bindende voordracht) en een stemquorum van 25 leden zou kunnen zijn: 5 blanco stemmen, 1 ondertekend stembriefje, 5 stemmen op de voorgestelde kandidaat en 14 stemmen op één naam die niet in het voorstel is genoemd. De stemming is geldig. De persoon die niet in voorstel is genoemd wordt met 14 stemmen benoemd. In totaal zijn er in dit voorbeeld 6 stemmen die niet geacht worden te zijn uitgebracht voor het bepalen van de volstrekte meerderheid. Wanneer er veel benoemingen te doen zijn (bij voorbeeld aan het begin van een nieuwe zittingsperiode) zou een gecombineerd stembiljet kunnen worden ontworpen. Bij de benoeming van wethouders is er sprake van een vrije stemming. Dat is dus anders dan bij een voordracht, waarbij de keus beperkt is tot twee of meer kandidaten. Bij een vrije stemming is artikel 28, eerste lid, onder a, en derde lid, van de Gemeentewet niet van toepassing. Daarin is bepaald dat een raadslid zich van stemming onthoudt wanneer hij “behoort tot de personen tot wie de keuze door een voordracht of bij een herstemming is beperkt". Zoals vermeld is dat bij de benoeming van wethouders niet aan de orde. Een raadslid kan op het stembriefje de naam van elke kandidaat die zijn voorkeur heeft invullen: die van de voorgestelde perso(o)n(en), of die van een ander. Dat geldt dus ook voor raadsleden die zelf genomineerd zijn; die kunnen op zichzelf stemmen als ze dat willen. De wetgever heeft nooit de bedoeling gehad de politieke verhoudingen in de raad te beïnvloeden door middel van een verbod op het meestemmen van de kandidaat-wethouder. Los van de formeel-juridische context pleiten de volgende argumenten nog voor bovenstaande zienswijze: Een democratisch gekozen vertegenwoordiger mag niet te snel het recht op stemming worden ontnomen. Stel: partij X beveelt meneer Jansen en mevrouw Pieterse aan als wethouders. Als deze personen in de raad zitting hebben en niet mee mogen stemmen houdt dit in, dat de partij ineens twee stemmen in de raad minder heeft. Dat is onaanvaardbaar in het licht van de politieke verhoudingen; Een aanbeveling is geen voordracht. Het spraakgebruik heeft het vaak over voordracht, maar een persoon nomineren als wethouder staat niet gelijk aan een voordracht; Het is denkbaar dat een kandidaat-wethouder die voor benoeming wordt aanbevolen, uit moreel-politieke overwegingen en om iedere schijn van belangenverstrengeling te vermijden op eigen initiatief afziet van het meestemmen over de benoeming. Alhoewel het uitgangspunt is dat zeer terughoudend moet worden omgegaan met het inperken van het stemrecht van gekozen volksvertegenwoordigers, laat de wet de betrokkenen de ruimte daarin een eigen afweging te maken. Artikel 24 Besluitenlijst Dit artikel regelt de taak van verslaglegging van de griffier en de wijze waarop het verslag wordt vastgesteld. Het maken van een verslag is niet verplicht. In de Gemeentewet wordt alleen gesproken over de verplichting een besluitenlijst openbaar te maken (artikel 23, zesde lid, van de Gemeentewet). De besluitenlijst wordt tegelijkertijd met de voorlopige agenda beschikbaar gesteld aan de leden van de raad. Raadsleden, de burgemeester en de overige deelnemers aan de beraadslagingen kunnen een voorstel tot wijziging van de besluitenlijst aan de raad doen. Een voorstel tot wijziging dient twee werkdagen voor aanvang van de vergadering schriftelijk bij de griffier te worden ingediend. Het is aan de raad om te beslissen of een voorgestelde wijziging of aanvulling geaccepteerd wordt. Een afwijzing van een dergelijk voorstel is niet vatbaar voor beroep (aldus de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State). De griffier verleent de ambtelijke bijstand aan de raad. Daarom is de griffier aangewezen om de besluitenlijst op te stellen en deze, tezamen met de voorzitter, te ondertekenen (vijfde lid). De besluitenlijst dient op zo kort mogelijke termijn te worden gepubliceerd (zesde lid). Dit kan voordat het verslag is vastgesteld aangezien de besluitenlijst 'slechts' een overzicht geeft van (alle) door de raad genomen beslissingen (dus niet alleen besluiten in de zin van de Awb maar ook bijvoorbeeld een afspraak om een werkbezoek af te leggen). Het ligt voor de hand dat de besluitenlijst ook op de gemeentelijke website toegankelijk wordt gemaakt. Dit wordt weergeven in het zevende lid. Artikel 25 Raadsinformatiebrieven, ingekomen stukken De raad ontvangt raadsinformatiebrieven van het college. Het is belangrijk dat deze raadsinformatiebrieven zo snel mogelijk aan de raad beschikbaar worden gesteld, dit gebeurt via de website van de gemeenteraad waarop alle informatie omtrent stukken en agenda’s wordt gepubliceerd. Ingekomen stukken komen van externen. Ook hierbij geldt dat het belangrijk is dat raadsleden hier zo snel mogelijk kennis van kunnen nemen. Voor beide soorten stukken geldt, dat deze in een commissievergadering behandeld kunnen worden. Dit gebeurt alleen als een of meer raadsleden dit wensen. Raadsleden hebben op deze wijze de mogelijkheid hun mening over de ingekomen stukken en raadsinformatiebrieven kenbaar te maken en het college een advies mee te geven bij de verdere behandeling van het betreffende onderwerp of bij het maken van een concept antwoordbrief. In het tweede lid worden de verschillende soorten afdoeningsvoorstellen voor de duidelijkheid benoemd. De griffier voorziet elk ingekomen stuk van één van deze categorieën en vermeldt dit bij de publicatie van het stuk op de website. De beantwoording van ingekomen stukken, waarop een antwoord van de raad gevraagd wordt, wordt in principe door het college voorbereid en door middel van een concept antwoordbrief ter goedkeuring aan de raad voorgelegd via het raadsinformatiesysteem. Wanneer raadsleden wensen te reageren op zo’n concept antwoordbrief, kunnen zij aangeven dat zij deze willen behandelen in een commissievergadering. Tussentijds worden briefschrijvers geïnformeerd over de afdoeningswijze van hun brief. Het kan ook voorkomen dat een ingekomen brief die afgedaan wordt met een concept antwoord, onderdeel uitmaakt van een nog op te stellen raadsvoorstel. Dat betekent dat een concept antwoordbrief vanuit de raad niet aan de orde is. Met het behandelen en vaststellen van het raadsvoorstel kan de brief dan als afgehandeld worden beschouwd. Ook hierover worden briefschrijvers geïnformeerd. In de raadsvergadering staat het agendapunt ‘lijst ingekomen stukken’ standaard op de agenda. Bij dit agendapunt wordt de gehele lijst van stukken, die na de laatste vaststelling van de lijst zijn binnengekomen, met het bijbehorende afdoeningsvoorstel door de raad vastgesteld. Hiermee ligt de voorgestelde afdoeningswijze vast. Wanneer raadsleden een andere afdoening van een ingekomen stuk wensen, kunnen zij dit uiterlijk 48 uur voor de raadsvergadering kenbaar maken aan de griffier, onder vermelding van de reden en de gewenste wijze van afdoening. Bij het vaststellen van de lijst van ingekomen stukken in de raadsvergadering beslist de raad over de definitieve afdoeningswijze van de brief. Artikel 26 Toepassing reglement op besloten vergaderingen Dit artikel bepaalt dat de bepalingen van dit reglement van overeenkomstige toepassing zijn op een raadsvergadering achter gesloten deuren. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan de bepalingen omtrent het tijdig verzenden van stukken, het recht van amendement, het recht van motie en het maken van het verslag. De bepalingen van het reglement zijn echter niet van toepassing, voor zover het toepassen van die bepalingen strijdig is met het besloten karakter van de vergadering. Zo zullen er bijvoorbeeld geen beeld- en geluidsregistraties voor openbaar gebruik gemaakt kunnen worden. Ten aanzien van de stukken die betrekking hebben op een besloten vergadering en het behandelde zal de raad moeten besluiten of geheimhouding als bedoeld in artikel 23, vierde lid van de Gemeentewet wordt opgeheven. Artikel 27 Besluitenlijst besloten vergadering In dit artikel wordt uitwerking gegeven aan artikel 23, vierde lid, van de Gemeentewet. In overeenstemming met de bepaling over de besluitenlijst van de raadsvergadering is de griffier ook verantwoordelijk voor de besluitenlijst van een besloten vergadering. Concept-besluitenlijsten van besloten raadsvergaderingen worden uitsluitend voor raadsleden en overige deelnemers aan de betreffende vergadering beschikbaar gesteld op het besloten gedeelte van de website (eerste lid). Artikel 28 Opheffing geheimhouding Op grond van artikel 87 van de Gemeentewetwet, kan geheimhouding op informatie worden opgelegd door de raad, het college, de burgemeester en een commissie. De opgelegde geheimhouding met betrekking tot aan de raad verstrekte informatie vervalt, indien de raad de verplichting tot geheimhouding opheft (artikel 89, vierde lid, van de Gemeentewet). Wel bestaat er een overlegverplichting, waarmee recht wordt gedaan aan het principe van hoor en wederhoor. Als de raad een opgelegde geheimhouding opheft, wil dat niet zeggen dat de desbetreffende informatie dan actief openbaar gemaakt moet worden. De Wet open overheid (Woo) is nog steeds op deze informatie van toepassing. Wanneer om openbaarmaking wordt verzocht moet dat verzoek dus aan de uitzonderingsgronden in de Woo worden getoetst om tot een besluit te komen over het al dan niet openbaar maken van de betreffende informatie. Dan kan uiteraard blijken dat er inmiddels geen grond meer is om openbaarmaking te weigeren. Artikel 29 Toehoorders en pers De hier aangegeven bepalingen worden wat betreft het handhaven van de orde aangevuld door artikel 26 van de Gemeentewet. De voorzitter heeft de bevoegdheid om toehoorders die de orde verstoren, te doen vertrekken en bij volharding in hun gedrag de toegang te ontzeggen. Artikel 30 Geluid- en beeldregistraties Raadsvergaderingen worden via internet in beeld en geluid uitgezonden. De opname van deze uitzending blijft gedurende de in de verordening vastgestelde periode via internet te beluisteren. De wijze waarop de opnames worden gearchiveerd is nog punt van een landelijk lopende discussie met de leveranciers van de betreffende programmatuur. Met name het eigendom van de geïndexeerde bestanden speelt hierbij een rol. Zolang gebruik gemaakt wordt van de diensten van de huidige aanbieder blijven de bestanden als archiefstuk beschikbaar. Aangezien de vergaderingen van de raad in principe openbaar zijn, kunnen radio- en tv-stations geluid- en beeldregistraties maken (tweede lid). Dit is uiteraard niet het geval als het een besloten vergadering betreft. Artikel 31 Amendementen en subamendementen Elk lid van de raad kan wijzigingen op het voorstel van het college of op initiatiefvoorstellen indienen ter behandeling in de raad, de zogenaamde amendementen. Wanneer een amendement is ingediend, kan dit voor een ander raadslid aanleiding zijn, op dit amendement nog weer een wijziging voor te stellen, het subamendement. Een (sub)amendement kan ingediend worden op een voorgesteld besluit, dat aanhangig is. De beraadslaging over het (sub)amendement vindt plaats in ten hoogste twee termijnen. Indien (in uitzonderlijke situaties) een ingediend amendement verdere beraadslaging noodzakelijk maakt, kan de raad besluiten tot een derde termijn (artikel 15). Het recht van amendement is neergelegd in artikel 147b van de Gemeentewet. Dit artikel verplicht de raad nadere regels te stellen. Deze nadere regels staan in artikel 31 van dit reglement. Op basis van artikel 147b, tweede lid, juncto artikel 147a, tweede lid, van de Gemeentewet is de raad verplicht een amendement te behandelen, overeenkomstig de door de raad vastgestelde regels. Uit de bewoordingen van artikel 147b, tweede lid, van de Gemeentewet blijkt dat het recht om amendementen in te dienen aan elk individueel raadslid toekomt; drempelsteun is derhalve niet vereist (MvT, Kamerstukken II 2000/01, 27751, 3, p. 109). Het is praktisch dat een raadslid aanwezig is voor de behandeling van zijn (sub)amendement. Dit omdat doorgaans een (sub)amendement toegelicht wordt door de indiener. Daarom is bepaald dat er alleen wordt beraadslaagd over amendementen en subamendementen die ingediend zijn door raadsleden die de presentielijst getekend hebben (tweede lid). Artikel 32 Moties In het eerste artikel van dit reglement is de definitie van het begrip motie gegeven. Een motie is een voorstel tot het doen van een uitspraak. Het kan gaan om het uitspreken van een wens (van inhoudelijke, politieke, procedurele aard), het uitspreken van instemming dan wel afkeuring over bepaalde ontwikkelingen of om het doen van een verzoek. Een motie betreft dus niet een concreet besluit dat op rechtsgevolg is gericht; een motie heeft geen juridische, maar een politieke betekenis. Daarom zijn burgemeester en wethouders formeel niet aan een motie gebonden of tot uitvoering ervan verplicht. Wel kan het naast zich neerleggen van een motie door het college leiden tot een vertrouwensbreuk tussen raad en college en hieruit kan het college dan zijn consequentie trekken. Voor wat betreft de besluitvormingsprocedure omtrent een motie wordt opgemerkt dat over een motie een apart besluit wordt genomen. Voor de beraadslaging over een motie over een aanhangig onderwerp geldt dat deze niet plaatsvindt in afzonderlijke termijnen, maar gelijktijdig met de beraadslaging over het onderwerp waarop de motie betrekking heeft (tweede lid). Een besluit over een motie over een niet op de agenda opgenomen onderwerp vindt aan het einde van de vergadering plaats (derde lid). Dualisering veronderstelt versterking van de vertegenwoordigende en controlerende functie van de raadsleden. Hiervoor dienen ook individuele raadsleden en kleine fracties te beschikken over adequate instrumenten. Dat wil zeggen dat het voor een effectief gebruik van deze instrumenten wenselijk is dat ook het individuele raadslid zonder belemmeringen toegang tot het gebruik daarvan heeft. De mogelijkheid om zonder drempelsteun een motie in te dienen staat dan ook ten dienste van een effectieve uitoefening van de inkadering en controle door de raad. In de Gemeentewet wordt één specifieke motie uitgewerkt, namelijk in artikel 49. Dit betreft de motie van wantrouwen waarbij de raad aangeeft het vertrouwen in een wethouder te hebben verloren. Het is een wethouder niet toegestaan om na een aangenomen motie van wantrouwen aan te blijven. Als hij zelf niet opstapt, dient de raad actie te ondernemen. Artikel 33 Initiatiefvoorstellen Primair is het de taak van het college aan de raad de nodige voorstellen te doen. Maar raadsleden kunnen ook zelf een voorstel voor een verordening of beslissing ter behandeling bij de raad indienen. Hiervoor is het recht van initiatief toegekend. In artikel 147a, eerste lid, van de Gemeentewet is dit uitgewerkt. Hier is bepaald dat een lid van de raad een initiatiefvoorstel kan indienen; met deze formulering wordt tot uitdrukking gebracht dat dit recht aan elk individueel raadslid toekomt, drempelsteun is dus niet vereist (MvT, Kamerstukken II 2000/01, 27751, 3, p. 109). Het tweede en derde lid van artikel 147a van de wet bepalen dat de raad regelt op welke wijze een initiatiefvoorstel voor een verordening of beslissing wordt ingediend en behandeld. Algemeen uitgangspunt is dat dualisering de versterking van de vertegenwoordigende en controlerende functie van de raadsleden inhoudt. Hiervoor dienen ook individuele raadsleden en kleine fracties te beschikken over adequate instrumenten. Voor een effectief gebruik van deze instrumenten is het wenselijk dat ook het individuele raadslid zonder belemmeringen toegang tot het gebruik daarvan heeft. Het ontbreken van de eis van drempelsteun bij het recht van initiatief staat ten dienste van een effectieve uitoefening van de inkadering en controle door de raad. Ook kleine fracties en individuele raadsleden worden zo in staat gesteld actief deel te nemen aan de controlerende, vertegenwoordigende en budgettaire functie. De wet maakt onderscheid tussen initiatiefvoorstellen voor verordeningen en overige initiatiefvoorstellen. Ieder raadslid kan een initiatiefvoorstel voor een verordening indienen. Een dergelijk voorstel moet aanhangig worden gemaakt door het schriftelijk en ondertekend aan de voorzitter te zenden (eerste lid). De verdere wijze van behandeling moet de raad zelf regelen. De raad moet ook regelen op welke wijze en onder welke voorwaarden overige initiatiefvoorstellen (voorstellen die betrekking hebben op iets anders dan een verordening) in behandeling worden genomen. Ook dit initiatiefrecht komt toe aan individuele raadsleden, hetgeen inhoudt dat geen drempels mogen worden opgeworpen. In het tweede lid is een termijn gesteld van twintig werkdagen om het college in de gelegenheid te stellen zijn wensen en bedenkingen ter kennis van de raad te brengen. In het vierde lid van artikel 147a van de wet is sinds 1 februari 2016 bepaald dat het college de gelegenheid moet krijgen om wensen en bedenkingen naar voren te brengen. Het college moet immers de besluiten van de raad uitvoeren (artikel 160, eerste lid, onder b, van de wet). Deze zogenaamde voorhangregeling is uitgewerkt in het tweede lid van dit artikel. Het is in eerste instantie aan de indiener om te beslissen wat hij met die inbreng doet en uiteindelijk beslist de raad over het al dan niet gewijzigde voorstel (MvT, Kamerstukken II 2012/13, 33691, 3, p. 2-3). Het derde lid houdt in dat de voorzitter het initiatiefvoorstel zo spoedig mogelijk op de agenda plaatst nadat het college in de gelegenheid is gesteld om zijn wensen en bedenkingen ter kennis van de raad te brengen. Het presidium kan besluiten om het voorstel alsnog eerst in één van de commissies te bespreken. Als de voorlopige agenda voor de raadsvergadering echter al verzonden is, dan plaatst de voorzitter het niet op de agenda van eerstvolgende, maar van de daaropvolgende raadsvergadering. Dit laat de mogelijkheid onverlet voor het individuele raadslid om op grond van artikel 11, vierde lid, voor te stellen het initiatiefvoorstel toch aan de agenda toe te voegen. Voor zover de in het tweede lid gestelde termijn dan nog niet verlopen is zal er echter niet over het voorstel besloten kunnen worden (artikel 147a, van de Gemeentewet, juncto tweede lid van artikel 34). Dit staat er weliswaar niet aan in de weg dat er al over wordt beraadslaagd in de raadsvergadering, maar de voorzitter van de raad zal dan vervolgens de stemming over het voorstel aan moeten houden totdat het college in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis van de raad te brengen. Ook kan nadere beraadslaging op dat moment wenselijk worden geacht. Voor het overige is het aan de raad om vervolgens te bepalen hoe het initiatiefvoorstel verder wordt behandeld als het op de agenda staat. Indien de wensen of bedenkingen van het college daar aanleiding toe geven kan de indiener van het voorstel eventuele wijzigingen doorvoeren. Hij of zij is daartoe echter niet verplicht, omdat de wet alleen aangeeft dat het college de mogelijkheid moet hebben om een visie op het initiatiefvoorstel te hebben. Er is geen verplichting om de wensen of bedenkingen ook daadwerkelijk in het voorstel te verwerken. Bij de behandeling in de raadsvergadering treedt de (woordvoerder van
- de)indiener(
- s)op als portefeuillehouder vanuit de raad en kan hij vragen over het voorstel beantwoorden. Uiteraard is ook inhoudelijke beantwoording vanuit het college mogelijk, indien gewenst. Artikel 34 Raadsvoorstel Dit artikel heeft betrekking op het agenderingsrecht van de raad. De raad is de enige die een voorstel voor een verordening of een ander voorstel dat het college heeft voorbereid kan agenderen. Als het college het voorstel heeft voorbereid, betekent dit niet dat het college het door hen voorbereide voorstel kan intrekken indien het college van oordeel is dat verdere behandeling van het voorstel niet wenselijk is (bijvoorbeeld omdat zij een voorstel willen wijzigen). De raad moet hier toestemming voor geven (eerste lid). Als de raad van oordeel is dat een voorstel voor een verordening of een ander voorstel niet voldoende is voorbereid, kan de raad het voorstel voor een verordening of een ander voorstel op grond van het tweede lid nogmaals voor advies aan het college zenden. De raad kan het college bijvoorbeeld verzoeken het voorstel voor een verordening of ander voorstel nader te onderbouwen. De raad bepaalt echter wanneer het voorstel voor een verordening of ander voorstel, dat door het college verder voorbereid is, opnieuw behandeld wordt. De raad kan dit in dezelfde raadsvergadering regelen, maar de raad kan dit ook aan het presidium overlaten. Artikel 35 Interpellatie Artikel 35 stelt nadere regels bij artikel 155, tweede lid, van de Gemeentewet. Het interpellatierecht ligt in het verlengde van het mondelinge vragenrecht en is een zwaarder instrument. Het gaat om het recht van een volksvertegenwoordiger om tijdens een vergadering over een niet geagendeerd onderwerp inlichtingen aan het college of de burgemeester te vragen. Daarvoor is verlof van de raad nodig, omdat de vergaderorde wordt doorbroken. Artikel 36 Schriftelijke vragen Het vragenrecht vindt zijn basis in artikel 155 eerste lid van de Gemeentewet. Het stelt de leden van de raad in staat informatie te vragen over aangelegenheden die tot de bevoegdheid van het college of de burgemeester behoren. Het karakter van deze vragen is primair van informatieve strekking. Op grond van deze bepaling kan een raadslid schriftelijke vragen stellen aan het college of de burgemeester, al naar gelang wie verantwoordelijk is. Deze dient de vragensteller gemotiveerd in kennis te stellen indien de beantwoording niet binnen de gestelde termijnen kan plaatsvinden. Niet de voorzitter, maar het college of de burgemeester geeft daarom het schriftelijke antwoord. In de praktijk zal een schriftelijk antwoord van het college vaak door de desbetreffende portefeuillehouder gegeven worden (artikel 168 van de wet). De verantwoordelijke portefeuillehouder dient de vragensteller gemotiveerd in kennis te stellen, als de beantwoording niet binnen de gestelde termijnen kan plaatsvinden. Niet de voorzitter, maar het verantwoordelijk collegelid of de burgemeester geeft dit antwoord, omdat de portefeuillehouder primair verantwoordelijk is voor het te geven antwoord. In de hier aangegeven procedure wordt de vragensteller in de gelegenheid gesteld nadere inlichtingen over het antwoord te vragen aan degene die het antwoord heeft gegeven. Indien de vragensteller van mening is dat de beantwoording van de vragen tot een besluit van de raad moet leiden, kan hij het recht van initiatief of het interpellatierecht benutten om het onderwerp of het voorstel op de agenda van de raad te krijgen. Artikel 37 Inlichtingen In dit artikel wordt een procedurele uitwerking gegeven van de inlichtingenplicht die het college en de burgemeester hebben ten opzichte van de raad. De passieve inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 169, derde lid, van de Gemeentewet is de klassieke informatieplicht die het college opdraagt de door de raad gevraagde inlichtingen te verstrekken, tenzij het openbare belang zich daartegen verzet. Dit recht om inlichtingen te vragen komt eveneens toe aan individuele raadsleden. Daarmee wordt voorkomen dat een raadsmeerderheid om (partij)politieke redenen belemmeringen opwerpt tegen het vragen van inlichtingen door een raadslid of raadsminderheid. Wel kan de raad via het reglement van orde op grond van doelmatigheidsoverwegingen een zekere ordening aanbrengen in de wijze waarop het inlichtingenrecht wordt uitgeoefend. De raad gaat immers over de agenda en de vergaderorde. De weigeringsgrond ‘strijd met het openbaar belang’ is, zo blijkt uit de bewoordingen van artikel 169 van de Gemeentewet, wettelijk objectief en algemeen omschreven. Het moet dan gaan om zwaarwegende belangen. Dezelfde risico’s doen zich voor met betrekking tot een tweede actieve, meer specifieke inlichtingenplicht. Artikel 169, vierde lid, van de Gemeentewet verplicht het college de raad vooraf te informeren over de voorgenomen uitoefening van een gemeentewettelijke bestuursbevoegdheid als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder d, e, f en g, van de Gemeentewet indien de toepassing daarvan ingrijpende gevolgen kan hebben voor de gemeente of indien de raad daarom verzoekt. Het college mag dan niet eerder een besluit nemen dan nadat de raad in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen naar voren te brengen. De term ‘ingrijpend’ is in de wet niet nader omschreven. De raad en het college dienen, op basis van de situatie in de eigen gemeente, tot een afbakening te komen. De wetgever heeft destijds het oog gehad op substantiële financiële gevolgen van privaatrechtelijke overeenkomsten. De raad en het college moeten hier daarom zelf een modus in vinden. In de praktijk bestaan verschillende wettelijke en politieke figuren om als de raad en het college met elkaar te communiceren buiten de openbaarheid. De openbaarheid van stukken en vergaderingen bijvoorbeeld kan al dan niet tijdelijk worden opgeheven. Vervolgens kent de wet een algemene actieve inlichtingenplicht. Artikel 169, tweede lid, van de Gemeentewet verplicht het college uit eigen beweging de raad alle inlichtingen te verstrekken die de raad nodig heeft voor de uitoefening van zijn taak. Het college moet permanent nagaan welke informatie de raad behoeft voor een goede taakvervulling. Hier liggen grote politieke risico’s als de raad het college in het ongewisse laat over de aard en omvang van de gewenste informatie. In het geval dat raad en college daarover geen afspraken maken is de kans groot dat het college de raad veiligheidshalve overstelpt met papier. Van controleren komt dan weinig terecht. Artikel 38 Uitleg reglement Dit artikel behoeft geen toelichting. Artikel 39 Intrekken oude reglement Dit artikel behoeft geen toelichting. Artikel 40 Inwerkingtreding en citeertitel Dit artikel behoeft geen toelichting. Behoort bij besluit van de gemeenteraad van Moerdijk d.d. 12 maart 2026, De raadsgriffier, H.M. Vonk-Schenkel