Handboek Inrichting Openbare Ruimte HIOR gemeente Heumen1Inleiding 1.1Wat is het HIOR? Het HIOR is het Handboek Inrichting Openbare Ruimte van gemeente Heumen. Dit handboek geeft richtlijnen voor het inrichten van straten, pleinen en groen in de gemeente. Het handboek is bedoeld voor iedereen die aan projecten in de openbare ruimte werkt. Dit kan gaan om nieuwe bouwprojecten, onderhoud van bestaande straten en wegen of het herinrichten van een plein. 1.1.1 Waarom hebben we het HIOR? De gemeente Heumen heeft een Omgevingsvisie. In deze visie staat wat de gemeente in de toekomst wil bereiken. Het HIOR helpt deze visie werkelijk te maken. Het vertaalt ambities en doelen in praktische regels en richtlijnen. Op deze manier zorg je ervoor dat: De openbare ruimte overal in de gemeente goed en gelijk ingericht wordt; De inrichting aansluit bij wat de gemeente belangrijk vindt; Iedereen weet waar het om gaat en wat er moet gebeuren; Door een kwalitatief goede aanleg, hoge beheerskosten in de toekomst worden voorkomen als gevolg van inferieure bouwmaterialen. 1.1.2 Voor wie is het HIOR? Het HIOR is bestemd voor iedereen die betrokken is bij het ontwerpen, plannen en onderhouden van openbare ruimte in gemeente Heumen: planners, ontwerpers, projectleiders, bestuurders, beleidsmedewerkers, beheerders en uitvoeringsorganisaties. 1.1.3 Waar draagt het HIOR aan bij? Het HIOR draagt bij aan zes belangrijke doelen van gemeente Heumen: Klimaatbestendig en klimaatneutraal – De openbare ruimte is bestand tegen extreme weersomstandigheden en we gebruiken duurzame materialen. Gezonde, veilige en groene leefomgeving – Straten en pleinen zijn veilig, groen en aangenaam om in te verblijven. Circulaire economie – We gebruiken materialen en producten op een manier die hergebruik mogelijk maakt. Inclusieve samenleving – Iedereen kan goed gebruik maken van de openbare ruimte, ongeacht leeftijd of mogelijkheden. Natuurinclusief – We zetten in op natuur en biodiversiteit in de openbare ruimte. Zorgvuldig ruimtegebruik – We gaan verstandig en efficiënt om met ruimte en maken slimme keuzes. 1.1.4 Hoe werkt het HIOR? Het HIOR geeft twee soorten informatie: Technische eisen – Minimale eisen waaraan de openbare ruimte moet voldoen. Flexibiliteit – Voor elk gebied en elke locatie kunnen we de regels aanpassen aan bijzondere wensen en eigenschappen van dat gebied en die locatie. Dit maakt het HIOR praktisch: het geeft houvast, maar laat ook ruimte voor creativiteit en oplossingen die passen bij de buurt. 1.1.5 Grenzen van het HIOR Het HIOR geeft richtlijnen en eisen, maar kan niet alles regelen. De gemeente kan altijd besluiten om ervan af te wijken, bijvoorbeeld vanwege bijzondere omstandigheden. Voor vragen kun je contact opnemen met de gemeente Heumen. 1.1.6 HIOR als kader en ondergrens Wat is het HIOR niet? Het HIOR is geen beperkend product. Het schrijft niet voor: zo moet het, niet anders. Het is eerder een kompas: dit is waar we heen willen. Het HIOR schrijft ook niet voor: dit is alles wat je moet weten. Er is ook ander beleid, andere regelgeving en andere richtlijnen. Het HIOR verbindt deze. Het geeft aan welke onderdelen van welke regelgeving relevant zijn. Wat is het HIOR wel? Het HIOR is een systematiek. Het geeft aan: Wat zijn onze ambities voor gemeente Heumen? Hoe vertalen we die naar concrete eisen? Welke kwaliteit verwachten we? Hoe organiseren we het proces? Het HIOR stelt ondergrenzen vast. Dit is het minimum dat we eisen. Alles hoger dan dit minimum is welkom. De gestelde eisen geven gemeentelijke grip en sturing. Het HIOR beschrijft ook waar er ruimte is, zodat meerwaarde kan worden toegevoegd. Dat kan vaak zonder dat het meer geld kost. Die vrijheid geven we graag, als de eindkwaliteit maar goed is. Verantwoord afwijken mag Soms kan het niet zoals het moet. De bestaande omgeving stelt grenzen. Of een idee is beter dan wat in het HIOR staat. In die gevallen mag je afwijken. Maar je moet het dan verantwoorden en onderbouwen. Je moet kunnen zeggen: we doen het anders, en dit is waarom. Die afwijking moet in overleg met de gemeente en met instemming ervan gebeuren. Dit voorkomt dat het HIOR routinematig genegeerd wordt, maar het voorkomt ook verstikking. Er is ruimte voor lokale (situationele?) creativiteit, zolang het goed doordacht en verantwoord is. 1.2Leeswijzer Deze leeswijzer helpt u door het Handboek Inrichting Openbare Ruimte (HIOR) van de gemeente Heumen te navigeren. Afhankelijk van uw rol en doel kunt u hier zien welke hoofdstukken voor u relevant zijn. 1.2.1 Opbouw van het HIOR Het HIOR bestaat uit zes hoofdstukken die een logisch verband hebben: H1:Inleiding Start hier als u het HIOR voor het eerst gebruikt. Dit hoofdstuk legt uit wat het doel van het handboek is, hoe u het kunt gebruiken en wat de grenzen ervan zijn. H2:Proces en projectmatig werken Dit hoofdstuk beschrijft hoe u projecten stap voor stap aanpakt in Heumen. Het behandelt: Hoe plannen tot stand komen (plan- en besluitvormingsproces) Hoe inwoners betrokken worden Hoe u omgaat met grote en kleine initiatieven Praktische zaken rond werken in de openbare ruimte Lees dit hoofdstuk: Als u een project start of wilt weten hoe het proces verloopt. H3:Thematische ambities en randvoorwaarden Dit is het hart van het HIOR. Het beschrijft wat Heumen nastreeft op zes belangrijke thema's: Klimaatbestendig en klimaatneutraal Gezonde, veilige en groene leefomgeving Circulaire economie Inclusieve samenleving Natuurinclusief Zorgvuldig ruimtegebruik Voor elk thema geldt: hoe hoog wilt u de ambities leggen? Dit bepaalt wat u daarna concreet doet. Lees dit hoofdstuk: Voor het bepalen van de koers van uw project en het maken van beleidskeuzes. H4: Inrichtingseisen per onderdeel Dit hoofdstuk vertaalt de ambities uit H3 in concrete normen en richtlijnen. Per onderdeel (zoals riolering, verhardingen, groen) staat beschreven wat u moet doen. Dit is het "wat" van de inrichting. Onderdelen: Riolering en water Verhardingen Groenvoorzieningen Openbare verlichting Straatmeubilair Speelvoorzieningen Civiele kunstwerken Reiniging en afvalinzameling Lees dit hoofdstuk: Als u concrete ontwerpkeuzes moet maken. H5: Materialisatie en operationele eisen Dit hoofdstuk gaat dieper in op hoe dingen er uitzien en functioneren. Het beschrijft materiaalkeuzes, afmetingen, kwaliteitseisen en onderhoudsvereisten per onderdeel. Dit is het "hoe" van de inrichting. Lees dit hoofdstuk: Bij het detailontwerp en als u wilt weten welke materialen geschikt zijn. H6: Werkafspraken en richtlijnen per onderdeel Dit hoofdstuk beschrijft hoe u samenwerkt en welke plannen u wanneer moet indienen (zoals inrichtingsplan, waterhuishoudkundig- en rioleringsplan, afvalinzamelingsplan, mobiliteitsplan, groenplan e.d.). De werkafspraken zorgen ervoor dat alle betrokkenen op dezelfde golflengte zitten. Lees dit hoofdstuk: Doorlopend in uw project, vooral aan het begin en bij overgangen naar een volgende fase. 1.2.2 Leesroutes naar onderwerp Ik start een nieuw project H2 - Begrijp het proces H3 - Bepaal de ambities H6 - Zorg voor de juiste afspraken H4 en H5 - Werk uit en ontwerp Ik doe het ontwerp H3 - Wat zijn de ambities? H4 - Wat zijn de inrichtingseisen? H5 - Hoe materialiseer ik dit? OF Welke materialisatie en operationele eisen gelden? H6 - Welke plannen moet ik indienen? Ik ben bestuurder/beleidsmaker H3 - Wat zijn de thema's en ambities? H2 - Hoe verloopt het besluitvormingsproces? H6 - Welke afspraken zijn belangrijk? Ik leg openbare ruimte aan (het betreft aanbrengen van nieuwe inrichting of herinrichting) H4 - Wat zijn de inrichtingseisen? H5 - Welke materialisatie en operationele eisen gelden? H6 - Welke werkafspraken zijn relevant? Snelle vragen? Gebruik de index/inhoudsopgave Per onderdeel (riolering, groen, verlichting, etc.) zijn de hoofdstukken 4, 5 en 6 parallel opgebouwd. Dit maakt het gemakkelijk om snel het antwoord te vinden op vragen als: "Welke eisen gelden voor groenvoorzieningen?" → H4.3 "Welke materialen gebruiken we?" → H5.3 "Welke plannen moeten we indienen?" → H6.3 1.3Het HIOR in de omgevingswet 1.3.1 Omgevingswet en samenhang Om de zaken in de fysieke leefomgeving te regelen waren er tot 1 januari 2024 zo’n 40 wetten, 120 Algemene Maatregelen van Bestuur en een paar honderd ministeriële regelingen in werking. Om activiteiten in de fysieke leefomgeving te initiëren moest veel administratief geregeld worden, op diverse bureaus van diverse bestuursorganen. De omgevingswet is een bundeling van bestaande wet- en regelgeving, waardoor de processen efficiënter moeten verlopen en ruimte wordt geboden voor ontwikkeling en de kwaliteit van de leefomgeving. Binnen de omgevingswet zijn zo veel producten gebundeld, dat het overzicht soms verloren kan gaan. In figuur 1 is een diagram te zien van de samenhang van producten binnen de omgevingswet. Figuur 1: samenhang Omgevingswet en verdere uitwerkingen tot aan het HIOR als beleidsregel 1.3.2 Gemeentelijk beleid Het belangrijkste zijn de Omgevingsvisie en de programma’s die hieruit voortvloeien. De omgevingsvisie is een gemeentebreed document met daarin de strategische langetermijnvisie. Dit is de hoofdlijn voor het toekomstig beleid, waarin de kwaliteit van de fysieke leefomgeving en de voorgenomen ontwikkelingen in het gebruik, beheer, behoud en bescherming van de leefomgeving. Uit de Omgevingsvisie ontstaan programma’s. Dit is een breed scala aan documenten, wat veel verschillende kanten op kan gaan. Het voornaamste doel van de programma’s is invulling geven aan de uitwerking van de ambities, doelen en opgaven uit de visie. Figuur 2: Uitwerking Omgevingswet in gemeentelijk beleid - Omgevingsvisie en Omgevingsprogramma’s 1.3.3 Positie van een HIOR in de Omgevingsvisie en Programma’s Het HIOR wordt binnen de Omgevingswet vormgegeven als een beleidsregel, niet als een programma. Vaak wordt het HIOR omschreven als een instrument binnen een programma, waarbij de nadruk ligt op inrichtingseisen en operationele normen. In Heumen gaat het echter verder: naast deze technische eisen worden ook de wensen en waarden uit de Omgevingsvisie en het IBOR geïntegreerd. Figuur 3: Het HIOR als beleidsregel in het stelsel van Heumen Door deze verbreding sluit het HIOR direct aan bij de visie van de gemeente en geeft het invulling aan de hoofdambities en leidende principes. Het succes van het HIOR ligt in de combinatie van heldere technische kaders en flexibiliteit voor gebiedseigen kenmerken. De beleidsregel is daarom niet alleen normstellend, maar ook richtinggevend voor een duurzame en kwalitatieve inrichting van de openbare ruimte. 2Proces en Projectmatig werken De openbare ruimte in Heumen verandert voortdurend. Nieuwe woningen worden gebouwd, bestaande wijken worden vernieuwd en de gemeente onderhoud dagelijks haar straten, pleinen en groenstroken. Al deze veranderingen beginnen met ideeën en eindigen met nieuwe openbare ruimte die tientallen jaren wordt gebruikt én onderhouden. Dat moment waarop iets nieuws in gebruik wordt genomen, noemen we de Overdracht. Tussen het eerste idee en die oplevering liggen meerdere fasen. In elke fase worden keuzes gemaakt. Dit hoofdstuk geeft aan hoe we die keuzes willen organiseren in Heumen. Het planproces is daarvoor onze kapstok. Dat betekent dat op bepaalde momenten in het proces besluiten worden genomen. Deze besluiten geven richting aan de vervolguitwerking. Het HIOR biedt voor die momenten criteria en handvatten. Voor elk initiatief worden op maat afspraken gemaakt over wat nodig is om te komen tot een vastgesteld plan en een goede oplevering. 2.1Plan- en besluitvormingsproces 2.1.1 De fasen van het planproces Elk project volgt dezelfde basale fasering. Het begint met een idee en eindigt met oplevering en overdracht naar beheer: Fase 1:Initiatief Het idee ontstaat. Dit kan vanuit de gemeente zelf komen, van een projectontwikkelaar, of van inwoners. In deze fase verkennen we wat we willen bereiken. Fase 2:Definitie Wat is het doel? Welke opgaven moeten we aanpakken? En wat zijn daarvoor de eerste ruwe ideeën? Deze fase eindigt met een startbesluit. Dat is het moment waarop de gemeente zegt: we gaan ermee verder. Fase 3:Ontwerp en planvorming In deze fase werken we uit wat het idee concreet wordt. We maken ontwerpen, we rekenen na, we onderzoeken wat haalbaar is. Dit is de plaats waar het HIOR hard nodig is: nu bepalen we namelijk wat de inrichting wordt. Deze fase eindigt meestal met een ontwerp dat zo ver is uitgewerkt dat we ermee naar buiten kunnen gaan: naar inwoners, naar belanghebbenden, en naar andere afdelingen van de gemeente. Fase 4:Voorbereiding uitvoering Feedback van inwoners en belanghebbenden krijgen we nu mee. We passen aan waar nodig. Dan volgen de formele stappen: vergunningaanvragen, het bepalen wie wat gaat uitvoeren, het regelen van financiering. Deze fase eindigt met het moment dat we kunnen gaan realiseren. Fase 5:Uitvoering/realisatie De openbare ruimte wordt aangelegd of vernieuwd. Daarna volgt oplevering: de gemeente neemt het in beheer en onderhoud. Fase 6:Overdracht naar beheer Bij oplevering wordt het project officieel overgedragen van aannemer naar gemeente: na een gezamenlijke inspectie en herstel van eventuele gebreken levert de aannemer alle documenten (tekeningen, garanties, onderhoudsinstructies) aan. Vervolgens registreert de gemeente het werk in haar beheersystemen en neemt het formeel in beheer, waarna regulier onderhoud en nazorg starten. 2.1.2 Wie neemt de besluiten? We maken onderscheid in twee soorten projecten. Het soort project bepaalt wie de besluiten neemt: Bestuurlijke projecten worden rechtstreeks gestuurd door het college van B&W. Dit zijn vaak de grotere projecten met grote maatschappelijke betekenis, of projecten van externe initiatiefnemers. In deze projecten neemt het college de startbeslissing. Bij vaststelling van het ontwerp beslist het college opnieuw. Lijnprojecten zijn interne projecten van de gemeente, meestal ingepast in de begroting. Zij worden geleid door vakafdelingen. De vervolgbesluiten nemen afdelingshoofden. 2.2Waardengedachtegoed in plaats van alleen normen en eisen 2.2.1 De rol van ambities en waarden Tot nu toe hanteren veel handboeken vooral regels: zo moet het, niet anders. Dit kan knellend werken, vooral in de bestaande kernen waar vaak geldt: “Het kan niet zoals het moet, dus moet het zoals het kan”. Maar er is een ander risico: alleen normen vastleggen kan ervoor zorgen dat we net halen wat we moeten, maar dat we niet verder gaan dan dat minimum. We blijven binnen de lijntjes, in plaats van te streven naar beter. Daarom beginnen we in Heumen anders. We vragen initiatiefnemers niet alleen naar normen en eisen, maar eerst naar hun visie op waarden. Welke waarden willen jullie realiseren in dit gebied? Waar gaan jullie voor? We geven aan welke waarden de gemeente belangrijk vindt – klimaatbestendig, gezond, inclusief, groen – en vragen: hoe zien jullie dat voor dit project? Dit werkt twee kanten op. Aan de ene kant: het geeft ruimte. Een ontwikkelaar hoeft niet alles in normen in te passen, maar kan zeggen: we zien het anders, en dit is waarom. Dat kan leiden tot betere oplossingen. Aan de andere kant: deze benadering kan ook bestaande plannen aanscherpen. Als je een gebied hebt waar alles mag, en je vraagt: welke waarden willen we hier realiseren, kan dat bewoners en beleidsmakers motiveren om hoger in te zetten dan het minimum op bepaalde thema’s. 2.2.2 De genen in de organisatie Dit waardengedachtegoed moet in de genen van de organisatie zitten en worden uitgedragen naar externe initiatiefnemers. Dat betekent dat alle collega's – van beleidsmedewerkers tot beheerders – dit inzien en uitdragen. We moeten niet alleen normen toepassen, maar ook begrijpen waarom. Dat begint met kennisdeling en voortdurende gesprekken. Hoe zorgen we ervoor dat het denken over waarden echt landt, en niet alleen op papier blijft? Daarom bespreken we in dit handboek niet alleen wat, maar ook waarom. Voor elk onderdeel geven we aan wat onze ambities zijn. Die ambities zijn het waarom. Ze geven houvast aan iedereen die met dit handboek werkt. 2.3De anterieure overeenkomst: de kapstok voor samenwerking Wat is een anterieure overeenkomst? Wanneer een projectontwikkelaar een gebied ontwikkelt of er een gebiedsontwikkeling plaatsvindt, zijn veel partijen betrokken. De gemeente, de ontwikkelaar, mogelijk woningbouwcorporaties, nutsbedrijven, aanwonenden en latere eigenaren. Zonder duidelijke afspraken ontstaat verwarring over wie wat doet, wie wat betaalt, en welke kwaliteit verwacht wordt. De anterieure overeenkomst is het juridische document waarin we die afspraken vastleggen. Dit gebeurt vóórdat de omgevingsvergunning wordt aangevraagd. We leggen vast welke delen van het HIOR gelden, welke ambities we willen realiseren, en wat we van de initiatiefnemer verwachten. Wat staat erin? In de anterieure overeenkomst leggen we vast: Welke strategische keuzes gelden voor dit gebied (uit fase 1 van het planproces); Welke tactische eisen gelden voor inrichting, normen, en materialisatie; Welke plannen vooraf moeten worden gemaakt: inrichtingsplan met daarin verhardingen, water en riolering, afval en reiniging, mobiliteit, groen, verlichting etc.; Hoe de participatie eruitziet. Wie worden betrokken en hoe; Welke onderzoeken moeten plaatsvinden, bijvoorbeeld naar bodemgesteldheid, flora een fauna, ontplofbare oorlogsresten of archeologie; Hoe de overdracht plaatsvindt en welke kwaliteiten moeten behouden blijven. Per project bepalen we wat er nodig is en welke afspraken daarbij vastgelegd moeten worden in de anterieure overeenkomst. Timing: omgevingstafel en vergunning Er is nog een belangrijk punt: wanneer leggen we wat vast? We werken parallel aan twee processen. Het eerste is de omgevingstafel. Dit is waar gemeente, initiatiefnemer, en belanghebbenden samen de grote lijnen bepalen: welke ambities zijn er, wat willen we met dit gebied, welke functies moeten er landen? Uit die omgevingstafel rolt de strategie voor het project. Deze informatie gaat ook in de anterieure overeenkomst. Tegelijkertijd kunnen er onderzoeken worden gedaan en plannen worden opgesteld voor o.a. water, bodem, archeologie, etc. Deze kunnen niet wachten tot alles zeker is. Ze moeten daarom parallel lopen. Wanneer vervolgens de omgevingsvergunning wordt aangevraagd, staan strategische keuzes al vast. De vergunning rolt voort uit hetgeen is afgesproken. Dit maakt het proces sneller en transparanter. 2.4Grote en kleine initiatieven Niet elk initiatief is even groot. Een klein straatje waar bewoners bloembakken willen plaatsen is heel anders dan de aanleg van een nieuwe woonwijk. We onderscheiden daarom grote en kleine initiatieven. Grote initiatieven zijn inrichtingsprojecten waarbij de openbare ruimte substantieel verandert. Dit kan zijn: hele wijken, belangrijke verkeersroutes, grotere pleinen, grotere groengebieden, of infrastructurele werken. Bij grote initiatieven gaan we door alle fasen van het planproces heen. We betrekken stakeholders. We nemen formele besluiten. En we leggen afspraken vast in anterieure overeenkomsten of contracten. Kleine initiatieven zijn inrichtingsaanpassingen in delen van de openbare ruimte, vaak voortkomend uit gebiedsgericht werken of uit ideeën van bewoners. Dit kunnen zijn: het beter maken van een speelplekje, het versterken van groen in een straat, het plaatsen van bankjes, het aanpassen van een bushalte. Bij kleine initiatieven bewegen we sneller en lichter. Maar ook hier gelden ambities en kwaliteitseisen. 2.5Werken in de openbare ruimte "Werken in de openbare ruimte" klinkt simpel, maar het omvat veel. Het gaat om alles wat je doet in de straten, pleinen, parken en groengebieden van gemeente Heumen. Het kan gaan om ontwikkelingen, groot onderhoud, renovatie, maar ook om kleinere ingrepen. Belangrijk om te beseffen: werken in openbare ruimte vraagt actief nadenken over meer dan alleen de technische aspecten. Het gaat ook over hoe je het doet. Hoe zorg je dat buurtbewoners niet al weken zonder goed voetpad lopen? Hoe communiceer je wat je gaat doen en waarom? Hoe zorg je dat de werkzaamheden niet tot onnodige verkeershinder leiden? We willen dat elk project met dit gedachtegoed start. Het gaat niet alleen om "de gemeente doet dingen", maar om: "hoe doen we het goed?" Dat vraagt voorbereiding, communicatie en “samendenken” met inwoners en andere betrokkenen. Dit is een cruciaal moment, want het bepaalt hoe de openbare ruimte de komende decennia eruit ziet en hoe het wordt onderhouden. Vastleggen hoe beheer plaatsvindt In veel projecten stopt het nadenken over kwaliteit op het moment van oplevering. Dan is het: "voilà, hier is jullie nieuwe plein!" En vervolgens wordt het onderhouden op de standaardmanier. Dat kan ervoor zorgen dat de ambities die we hadden – meer groen bijvoorbeeld – langzaam verdwijnen. We willen dit voorkomen. Daarom leggen we vast: hoe gaat beheer plaatsvinden? Wat zijn de normen? Wat moet een beheerder doen als iets kapot is? Dit zijn geen bureaucratische vragen. Ze bepalen letterlijk wat de buurt ziet en ervaart. Te vaak zijn nieuwe bewoners het niet eens met de manier waarop wij een gebied in beheer hebben. Dit voorkomen we hiermee. Duidelijkheid over de grenzen In de initiatieffase dient expliciet opgenomen te worden dat wij openbaar toegankelijke gebieden in beheer en eigendom overnemen. Dit ter voorkoming van moeilijke kwesties rondom de openbaarheid en beheerkwesties zoals op de Promenade, de Herenhof, de Acaciahof en de Kruigang. Hiermee is duidelijk waar de grens ligt op het gebied van onderhoudsplicht en openbaarheid. Bij wie begint het? Het gedachtegoed over goed werken in de openbare ruimte begint dus niet pas bij de uitvoering. Het begint al in het planproces. Als je een plein gaat renoveren, dan denk je niet pas drie maanden voordat het begint aan communicatie. Je denkt erover na in de planfase. Met welke inwoners moet je zeker spreken? Hoe hou je ze op de hoogte? Hoe werken jullie samen? Dit gedachtegoed moet ook worden overgedragen aan wie het werk daadwerkelijk uitvoert. Of dat de gemeente zelf is, een aannemer, of een combinatie: iedereen moet begrijpen dat kwaliteit van uitvoering óók inhoudt: hoe je met de buurt omgaat, hoe je communiceert, hoe je zoveel mogelijk hindervrij werkt. 2.6Inwonersparticipatie Waarom participatie? De openbare ruimte is voor iedereen en wordt gebruikt door ouders, kinderen, scholieren, ouderen, mensen met beperkingen, fietsers, automobilisten en nog veel meer. Deze verschillende gebruikers hebben verschillende behoeften. Als we alleen als gemeente beslissen wat er in de openbare ruimte gebeurt, missen we belangrijke inzichten. Participatie – werkelijk samen bepalen hoe dingen gaan, niet alleen toestemming vragen – leidt tot beter passende oplossingen. Het leidt ook tot meer draagvlak. Mensen begrijpen beter waarom bepaalde keuzes gemaakt worden, als ze zelf daaraan hebben meegedaan. En participatie vergroot betrokkenheid: je hebt wat anders met de plek als je zelf hebt meegebouwd. Wat is participatie? We definiëren participatie als volgt: het is het proces waarbij gemeente en initiatiefnemer, samen met betrokken inwoners en soms externe deskundigen, via een open houding naar elkaar en een vooraf afgesproken aanpak, gezamenlijk vorm en inhoud geven aan plannen of beleid. Het doel is het benutten van elkaars deskundigheid en het verhogen van draagvlak. Belangrijk: participatie is niet hetzelfde als inspraak. Inspraak is een wettelijke procedure: je stelt een plan vast, je geeft inwoners twee weken om reacties te geven, je verwerkt die reacties in een eindverslag. Participatie gaat veel dieper. Je betrekt mensen vroeg. Je stelt vragen. Je luistert niet alleen, je werkt samen. Participatie kan inspraak bevatten, maar het gaat veel verder. HIOR in participatie In participatieprocessen halen we onderdelen uit het HIOR naar voren die relevant zijn. We vertellen inwoners niet alleen: het gaat zo gebeuren. We leggen ook uit: waarom? Dit is onze visie op een klimaatbestendige inrichting of op inclusiviteit. Wat denken jullie daarvan? Zo kunnen inwoners niet alleen reageren op concrete plannen, maar ook op de waarden eronder. Dit leidt tot betere gesprekken. 2.7Overdracht openbare ruimte Het moment van overdracht Als de bouw is voltooid, volgt overdracht. Het project gaat van de bouworganisatie naar de beheerorganisatie. Bij overdracht controleren we: klopt alles? Zijn alle afspraken nagekomen? Is de kwaliteit goed? Maar we doen nog meer. We overdragen ook het gedachtegoed: waarom hebben we dit zo gemaakt? De rode lijn van ambitie naar beheer We noemen dit: de rode lijn van ambitie naar beheer. De lijn start met onze ambities (klimaatbestendig, gezond, inclusief) in H3. Die ambities bepalen wat we in de inrichting van het gebied doen (H4 en H5). En ten slotte bepalen ze ook hoe we het onderhouden. Deze lijn moet van begin tot eind zichtbaar zijn. Niet als je de documenten doorleest, maar als je op het plein staat. Als we zeggen: dit is een gezonde, groene omgeving – en het plein ziet er verwaarloosd uit – dan klopt er iets niet. 2.8Werkafspraken tussen stakeholders Wie doet wat op welk moment? Al dit voorgaande kan alleen werken als duidelijk is: wie doet wat, op welk moment, en op welke plek? Dit geldt zowel voor gemeente, als voor initiatiefnemer, als voor externe partners. Dit werken we uit in werkafspraken. Die zijn per type plan en per discipline. Bijvoorbeeld: wanneer dient de initiatiefnemer een water- en rioleringsplan in? Met wie wordt het overlegt? Hoe ziet het eruit? Op basis van welke normen? Deze werkafspraken zijn praktisch. Ze voorkomen dat halftijds werk wordt opgeleverd, of dat iets dubbel wordt gedaan. Casemanager als coördinator Veel van deze coördinatie gaat via een casemanager. Dit is één persoon die als gemeentelijk contactpersoon optreedt voor de initiatiefnemer. De contactpersoon zorgt ervoor dat alle vakdisciplines betrokken zijn, dat timing klopt, en dat iedereen hetzelfde doel voor ogen heeft. De casemanager moet vroeg bij het traject betrokken zijn. Die zit aan tafel bij de omgevingstafel, zodat deze persoon weet waar het project heen gaat. De casemanager werkt parallel: terwijl de strategische keuzes lopen via de omgevingstafel en anterieure overeenkomst, zorgt de casemanager dat riolering, verkeer, groen en andere disciplines al aan de slag gaan. 3Thematische ambities en randvoorwaarden De openbare ruimte van Heumen is meer dan alleen wegen, groen en water. Het is de plek waar inwoners elkaar ontmoeten, kinderen spelen, ondernemers actief zijn en de toekomst vorm krijgt. De gemeente Heumen heeft hierover een duidelijke visie: de openbare ruimte moet heel, veilig en toegankelijk zijn ingericht voor iedereen. Deze ambities staan in de vastgestelde gemeentelijke kaders: de Strategische Visie 2030 én de Omgevingsvisie. Dit handboek (HIOR) zet deze ambities concreet om in eisen en randvoorwaarden voor onze openbare ruimte. Dit hoofdstuk beschrijft zes thematische ambities die voortkomen uit de gemeentelijke kaders. Elk verhaal begint met de vraag: Wat willen we bereiken? Het beantwoordt vervolgens: Waarom is dit belangrijk, wat zegt de gemeente er over? En sluit af met: Hoe ziet dat er in de praktijk uit? Dit is het hart van het HIOR. Het beschrijft wat gemeente Heumen nastreeft op zes belangrijke thema's: Klimaatbestendig en klimaatneutraal Gezonde, veilige en groene leefomgeving Circulaire economie Inclusieve samenleving Natuurinclusief Zorgvuldig ruimtegebruik Voor elk thema geldt: hoe hoog wilt u de ambities leggen? Dit bepaalt wat u daarna concreet doet. Dit is niet technisch beleid – het is leefkwaliteit. En dat is wat Heumen wil bereiken. 3.1Klimaatbestendig en klimaatneutraal Heumen ervaart steeds heftigere buien, langere perioden van droogte en warmtegolven. Dit raakt alle inwoners: weggespoeld fruit in tuinen, driekwart van het gras dat verdort, oudere mensen die niet meer naar buiten durven in vanwege de hitte. Tegelijkertijd moet de gemeente in 2050 volledig klimaatneutraal zijn – geen uitstoot van broeikasgassen, volledig gebruik van hernieuwbare energie. Dit is niet alleen een gemeentelijke ambitie – het is ook een regionale opgave (RES, Regionale Energiestrategie) en nationale verplichting. De Strategische Visie 2030 noemt dit "Natuurlijk duurzaam" en de Omgevingsvisie stelt: "De gemeente is in 2035 (uiterlijk 2050) een klimaatneutrale en klimaatbestendige samenleving." 3.1.1Hoe Heumen dit aanpakt De openbare ruimte speelt hier een belangrijke sleutelrol. Hemelwater moet op het eigen terrein worden opgeslagen en geïnfiltreerd, want het mag niet naar het gemeentelijk riool. Bomen geven schaduw en helpen tegen oververhitting. Hoe minder verhardingen, des te minder hittestress. En een grotere diversiteit aan beplanting helpt om de natuur in stand te houden en te versterken. Hemelwater lokaal opvangen en infiltreren. In plaats van al het regenwater meteen af te voeren naar de riolering, volgen we het principe van "op de plaats zelf infiltreren". Dit werkt met oppervlakkige waterberging en infiltratie in wadi's, en ondergrondse infiltratievoorzieningen. Het Beleidsplan water en riolering 2023-2027 schrijft dit voor: "Het bodem- en watersysteem zijn sturend in deze planvorming." Dit betekent dat we nieuwe ontwikkelingen ontwerpen rond de natuurlijke waterhuishouding, niet omgekeerd. De gemeente heeft een opgave om hemelwater bij hevige regenbuien te verwerken. Waar de waterbergingsopgave ter plaatse niet kan worden opgelost, realiseren we structureel "blauwgroene aders" – groenstroken met waterberging die water afvoert naar bergingslocaties aan de randen van kernen. Bomen geven schaduw en verkoeling. We streven naar minstens 20% boomkroonbedekking in de openbare ruimte van kernen. Dit is ambitieus, maar nodig om hittestress tegen te gaan. De Omgevingsvisie zegt expliciet: "De gemeente neemt een regisserende rol in het vergroenen van de openbare ruimte (minder stenen, meer bomen)." Bomen worden bij voorkeur geplant in groenstroken in plaats van los in bestrating, zodat ze goed kunnen groeien en dieren er gebruik van kunnen maken. Minder verhardingen. Verhardingen nemen warmte op en geven dit weer af waardoor extra opwarming ontstaat. Daardoor is het in bebouwd gebied warmer dan in het landelijk gebied. Door minder verharding toe te passen, vindt er minder opwarming plaats. Het kiezen voor lichtere kleuren verharding kan ook helpen voor minder opwarming. Ook het toepassen van één trottoir in plaats van twee trottoirs zorgt voor minder verharding en ruimte voor groenstroken. Bij aanleg van nieuwe openbare ruimte heeft dat onze voorkeur. Vergroten van biodiversiteit. Door het planten van meer verschillende inheemse bomen en planten is de natuur beter in staat om zichzelf te versterken. Dat is van levensbelang voor de insecten, vogels, vleermuizen, muizen én mensen, zoals ook beschreven in het Programma Landschap en groen. 3.2Gezonde, veilige en groene leefomgeving Een gezonde buurt is een plek waar je je veilig voelt en gelijk bent aan je buurman – ongeacht leeftijd, afkomst of fysieke beperking. Gezondheid begint op straat: voldoende ruimte om te bewegen, bomen voor schaduw, banken om uit te rusten, schoon water en schone lucht. De Strategische Visie 2030 noemde vier kernwaarden, waarvan twee hier direct relevant zijn: Natuurlijk met iedereen (inclusiviteit, iedereen voelt zich veilig) en Natuurlijk groen (Heumen behoud zijn groene karakter). De Omgevingsvisie stelt: "We richten onze openbare ruimte zo in, dat deze uitnodigt tot en ruimte biedt voor beweging en sport." 3.2.1Hoe Heumen dit aanpakt Banken elke 300 meter op drukke (hoofd)looproutes. Zitgelegenheden hebben armleuningen zodat ouderen makkelijk kunnen gaan zitten en opstaan. Bij voorkeur in de schaduw van bomen. Dit stimuleert beweging en sociale contacten – een cruciale factor voor gezondheid van ouderen. Speelplekken dichtbij voor kinderen. Kinderen moeten op loopafstand een speelplek kunnen bereiken. We zetten in op natuurlijk spelen (bomen, water, hoogteverschillen) volgens het Beleid speelvoorzieningen: "Heumen zet in op natuurlijk spelen. Dat brengt kinderen in contact met de natuurlijke omgeving." Verlichting geeft gevoel van veiligheid. Straten, fietspaden en voetpaden zijn verlicht conform NPR 13201. De Strategische Visie stelt: "De fysieke buitenruimte is veilig ingericht voor iedereen. Een veilige woon- en leefomgeving staat centraal." Bij nieuw te plaatsen verlichting wordt een verlichtingsplan opgesteld dat moet voldoen aan de NPR 13201. Dit plan wordt door de directe partner van de gemeente voorzien, op kosten van de initiator. Bereikbaarheid voor iedereen. Dit is geen toevalligheid maar beleid. Voetpaden minimaal 1.80 m breed, zoveel mogelijk vrij van obstakels. Bij kruisingen op hoofdlooprouten speciale geleide-tegels voor visueel beperkte gebruikers. Inritten met verlaagde trottoirbanden. Speelplekken via halfverharding bereikbaar. Groene karakter versterken. Heumen versterkt zijn groene karakter door groen functioneel en toegankelijk te maken. We richten openbare ruimte zo in dat groen uitnodigt tot bewegen, ontmoeten en ontspannen. Groene ontmoetingsplekken: Parkjes en plantsoenen worden ingericht als plekken waar mensen samenkomen en actief kunnen zijn. Groen in woonwijken: Inheemse beplanting in tuinen en openbare stroken vergroot biodiversiteit en maakt de omgeving aantrekkelijk. Groen voor klimaat en gezondheid: Groene zones zorgen voor verkoeling, schone lucht en een prettige leefomgeving. 3.3Circulaire economie Een circulaire economie is een systeem waarbij producten en materialen niet worden weggegooid, maar gedeeld, verhuurd, hergebruikt, gerepareerd, opgeknapt en gerecycled. Hierdoor hebben ze een langere levenscyclus en wordt zowel de hoeveelheid afval als de behoefte aan nieuwe goederen kleiner. Dit is duurzaam – en ook goedkoper op lange termijn. Recyclede materialen zijn minder duur dan nieuw, en afvalscheiding bespaart verwerkingskosten. De Omgevingsvisie gebruikt de term "verduurzamen": het gaat om het circulair maken van onze materiaalstromen. In het beleid staat: "Alle gebruikte materialen, zowel bij inrichting als onderhoud, zijn zoveel mogelijk recyclebaar zonder waardevermindering" en "Alle afvalstoffen (restproducten uit het onderhoud) uit de openbare ruimte worden gezien als grondstoffen en hebben waarde." 3.3.1Hoe Heumen dit aanpakt Materialen hebben een tweede leven. PVC-buizen voor riolering bevatten minimaal 40% recyclaat (voor vuilwaterriool) tot 20% voor hemelwater. Beton in rioleringen bevat minstens 10% gerecycled materiaal, conform gangbare normen en technische eisen. Verhardingen worden zoveel mogelijk met hergebruikt materiaal aangelegd. Het beleid stelt: "Het beheer van de openbare ruimte is gericht op levensduur verlengende maatregelen." Afval wordt gescheiden aan de bron. Het afval wordt gescheiden ingezameld. Bij flats staan verzamelcontainers voor gft, restafval en papier (één per 10 woningen). Op straat staan afvalbakken alleen waar nodig: bij zitbanken, speelplekken en winkelgebieden. Niet te veel bakken – dat trekt ongewenste rommel aan en verspeelt ruimte. Onderhoudsafval vermijden. Door slim te kiezen voor duurzame materialen en zelfonderhoudende systemen reduceren we de hoeveelheid vervangingsafval. 3.4Inclusieve samenleving Inclusief betekent: niemand wordt uitgesloten. Een ouder iemand met lage inkomens woont in dezelfde buurt als een jonge ondernemer. Beide voelen zich thuis. Er is plaats voor iedereen: ouders met kinderwagens, rolstoelgebruikers, mensen met visuele beperking, kinderen, ouderen, ondernemers die wat willen verkopen. Dit is meer dan fysieke toegankelijkheid – het is samenleving. De Strategische Visie stelt "Natuurlijk met iedereen" centraal: "Dit gaat over de gemeenschap, waarbij iedereen betrokken is en er een inclusieve samenleving ontstaat. Waar nodig fungeert de gemeente als vangnet." 3.4.1Hoe Heumen dit aanpakt Speelplekken samen ontwerpen. Voor nieuwe speelplaatsen voeren we onderzoek uit naar wie er spelen (welke leeftijdsgroepen, welke interesses) en laten bewoners zelf speeltoestellen voorstellen. Dit werkt beter dan besluiten maken uit een kantoorzitting. De speelpolitiek zegt: "Heumen zet in op natuurlijk spelen." Toegankelijkheid is standaard, niet uitzondering wetgeving. Voetpaden minimaal 1.80 meter breed. Parkeerplaatsen voor mensen met beperking op plaatsen met de kortste looproute naar de voorzieningen. Inritten altijd met verlaagde trottoirbanden uitvoeren. Dit zijn geen "extra's" – het is de norm. Verschillende gebruikers, één ruimte. Op een plein kunnen voetgangers, fietsers en auto's veilig samenleven door duidelijke scheiding en laag tempo. Van een langzaam-verkeer-route kunnen voetgangers en fietsers samen gebruikmaken. De inrichting moet duidelijk maken wat mag en wat niet. Participatie in de praktijk. Bij gemeentelijke initiatieven vragen we in het participatieproces aan bewoners, ondernemers en gebruikers van de openbare ruimte om hun reactie te geven op onze plannen. Zo betrekken we bij projecten in de openbare ruimte het lokale inclusiepanel en de burgeradviesraad als stakeholder om mee te denken over de openbare toegankelijkheid. 3.5Natuurinclusief Natuurinclusief betekent: je ontwerp laten leiden door de vraag "hoe helpen we de natuur?" in plaats van "hoe passen we natuur in ons plan in?" Dit is een fundamenteel ander uitgangspunt. De Omgevingsvisie stelt: "De gemeente neemt een regisserende rol in het vergroenen van de openbare ruimte. Buiten de natuurgebieden wil de gemeente de natuurwaarden versterken door de biodiversiteit te vergroten. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten daaraan aantoonbaar bijdragen." En: "Het natuurlijke bodem- en watersysteem is het uitgangspunt voor nieuwe ontwikkelingen." 3.5.1Hoe Heumen dit aanpakt Biodiverse plantkeuze. Planten worden gekozen op basis van
(1)klimaatbestendigheid (onderzoeken WUR),
(2)waarde voor insecten en vogels, en
(3)inheemse variatie. We streven naar rassen die al decennia in ons klimaat groeien, maar ook bestand zijn tegen de klimaatverandering. Het beleid zegt: "Het soortenbestand kent een grotere (inheemse) diversiteit. De aanwezigheid van invasieve exoten wordt zoveel mogelijk tegengegaan." Wadi's met biodiversiteit. Een wadi krijgt verschillende bodemniveaus (net als een natuurlijke poel), waterminnende plant/boomsoorten. Knikken en hellingen volgen natuurlijke vormen. Klinkt simpel, maar dit is anders dan een simpel gegraven verlaging in het maaiveld. Bomen in groepen. In plaats van losse bomen in bestrating planten we de bomen in groenstroken met voldoende ondergrondse groeiruimte en voeding. Dit zorgt voor robuuste groenvakken en bomenrijen die op hun beurt bijdragen aan een prettige leefomgeving voor insecten, vogels en kleine zoogdieren. Het beleid zegt: "Bomen kunnen tot hun volle wasdom komen. Oude bomen worden gekoesterd." Minimale verstoring van dieren. Verstrooiing van licht tegengaan. Dit betekent geen lichtvervuiling, want dit verstoort insecten en vogels. Ronde hoeken in verharding in plaats van scherpe hoeken– dit helpt kleine dieren veilig over te steken. Bij extreme droogte nemen we "actief maatregelen in de bescherming tegen droogte en extreme hitte" (volgens de Omgevingsvisie). Geen giftige bomen en struiken bij speelplekken. Bij speelplekken planten we geen soorten met giftige bessen of doornen. 3.6Zorgvuldig ruimtegebruik Ruimte is beperkt en elke keuze heeft gevolgen voor die ruimte. Een extra parkeerplaats betekent minder ruimte voor groen. Een brede weg betekent minder plaats voor bomen. Zorgvuldig ruimtegebruik betekent: weloverwogen keuzes maken, denken aan dubbelgebruik en ervoor zorgen dat iedere vierkante meter slim wordt ingezet. De Omgevingsvisie stelt: "Heumen is een landelijke gemeente met veel groen en ruimte, rust en een afwisselend landschap. De gemeente wil het groene karakter behouden en de rust, ruimte en de natuur van het buitengebied ontzien." Dit is niet alleen geldend voor het buitengebied – het geldt ook voor de kernen. 3.6.1Hoe Heumen dit aanpakt Grondwerk sluit aan. Rioleringen, kabels en wegen worden goed afgestemd zodat niet tweemaal wordt gegraven. Dit bespaart kosten en onrust. Het beleid zegt: "Kabels en leidingen worden ingericht op toekomstig gebruik." Bomen hebben ruimte. Een boom heeft minstens 1,5 × 1,5 m voor zijn spiegel. Ondergronds heeft hij tenminste 9m³ groeiruimte, afhankelijk van de toekomstige grootte van de boom. Dit voorkomt latere problemen en waarborgt een gezonde boom. Voetpaden niet nog smaller. Ook al willen we meer groen – een voetpad van 1.80 m is het minimum. Smalle paden passen niet bij een inclusieve buitenruimte Groen en water combineren. Groenstroken kunnen dienen als wateropvang. Door het oppervlakkig afvoeren van hemelwater op naastgelegen groene bermen, kan het water infiltreren en krijgt de beplanting meer water. Er stroomt minder water in het riool en voorkomt daarmee wateroverlast op de lagergelegen delen in de kern. Toekomst bestendig parkeren. In plaats van veel losse parkeerplaatsen concentreren we deze in parkeerterreinen. Het beleid zegt: "Er wordt rekening gehouden met elektrisch rijden" – wat betekent dat we parkeerplaatsen voorbereiden voor laadpalen. Ook kunnen we parkeerplaatsen gebruiken om ondergronds hemelwater op te vangen en te infiltreren. 3.7Hoe het samen werkt: integrale afwegingen Stel je voor: een dorpsplein moet groter worden voor meer voet- en fietsverkeer. Maar het plein is nu al vol. Wat doen we? Zonder integraal denken: We verwijderen bomen voor meer ruimte. Resultaat: meer plek, maar heter en minder groen. Slecht op alle fronten. Met integraal denken: We zorgen voor ondergrondse hemelwateropvang en -infiltratie. Regen infiltreert ter plaatse (klimaatbestendig, circulair). We verplaatsen bij nieuwbouw waar mogelijk parkeerplaatsen naar nabijgelegen parkings, met laadpalen voor elektrische auto's (duurzaam, zorgvuldig). We behouden en versterken bomen (gezond, natuurinclusief). We voegen zitbanken toe (inclusief, gezond). We ontwerpen samen met bewoners hoe het plein eruit komt te zien (participatie, veiligheid). Resultaat: meer bewegingsruimte, beter waterbeheer, meer groen, meer banken, meer veiligheid, meer betrokkenheid. Dit is waar dit handboek zich op richt én mogelijk maakt: geen enkele keuze past slechts één doelstelling. Alles hangt samen. 3.8Randvoorwaarden: wat altijd geldt Bij alle keuzes in de openbare ruimte gelden enkele randvoorwaarden die niet onderhandelbaar zijn: Gezondheid van mensen en omgeving. Bij werkzaamheden in de openbare ruimte wordt gedacht aan de gezondheid van omwonenden en van de mensen die het werk uitvoeren. Dit is beleid, niet toevalligheid. Materialen zijn veilig en gezond. Wat we gebruiken mag geen giftige stoffen bevatten of uitstoten. Toekomstig gebruik is mogelijk. De openbare ruimte wordt ingericht op toekomstig gebruik – niet alleen voor vandaag, maar voor de komende decenia. Werk en participatie gaan samen. Bij werkzaamheden in de openbare ruimte werken mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt (blijvend mee). Dit creëert kansen en betrokkenheid tegelijk. 3.9Samenvatting: De zes ambities en doelstellingen Ambitie Doelstellingen Gebaseerd op Leidt tot H4/H5 onderdelen Klimaatbestendig & klimaatneutraal Water ter plaatse infiltreren, bomen tegen hitte, minder verharding, zuinige LED-verlichting zonder lichtverstrooiing, biodiversiteit vergroten. Mobiliteitstransitie verminderen CO2 uitstoot Strategische Visie (Natuurlijk duurzaam), Omgevingsvisie, Beleidsplan water, Programma Landschap en Groen, routekaart Klimaat (of hoe dit beleidsplan tegenwoordig heet) Riolering, verhardingen, groen, verlichting Gezonde, veilige, groene leefomgeving Beweging stimuleren, veiligheid voelen, groen dichtbij Strategische Visie (Natuurlijk met iedereen, Natuurlijk groen), Omgevingsvisie, Coalitieakkoord, Programma Landschap en Groen, het nog op te stellen Programma Mobiliteit Speelplekken, voetpaden, banken, verlichting, kunstwerken Circulaire economie Materialen hergebruiken, afval scheiden aan bron, duurzame energie Omgevingsvisie (verduurzamen), Beleidsplan duurzaamheid Riolering, verhardingen, afvalinzameling Inclusieve samenleving Toegankelijkheid voor iedereen, samen ontwerpen, zeggenschap, werk en betrokkenheid Strategische Visie (Natuurlijk met iedereen), Coalitieakkoord (Inwoners centraal) Speelplekken, toegankelijkheid, participatie, werkgelegenheid Natuurinclusief Natuur integreert in ontwerp, niet omgekeerd; biodiversiteit versterken Omgevingsvisie (Landschap, natuur), Coalitieakkoord (biodiversiteit) Programma Landschap en Groen Groenvoorzieningen, wadi's, verlichting Zorgvuldig ruimtegebruik Geen verspilling, dubbelgebruik, integrale afwegingen, toekomstbestendigheid Omgevingsvisie (landschapskarakter), alle kaders (efficiëntie) Alle onderdelen, hoe ze samenhangen 4Tactische inrichtingseisen Dit hoofdstuk beschrijft de tactische inrichtingseisen die voor de verschillende disciplines gelden. Het betreft de functionele eisen en ontwerpuitgangspunten. De eisen en uitgangspunten staan in onderstaande tabellen, geordend naar de logische werkvolgorde in een project of initiatief. 4.1Grondwerk, archeologie en bodemkwaliteit Uitgangspunten inrichting Waarom Verwijzing ambities H3 Archeologisch onderzoek dient te worden verricht volgens het geldende Omgevingsplan en de Omgevingswet. Dit is wetgeving en beleid. Het archeologisch erfgoed dient zo veel mogelijk in situ te worden bewaart 3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik Milieukundig bodemonderzoek moet worden verricht ter bepaling van de geschiktheid van de bodem voor de beoogde functie. De lokale bodemkwaliteit niet mag verslechteren. Dit is wetgeving en beleid. 3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik De kwaliteit van de op te brengen grond en de ontvangende bodem moet zijn bepaald met analyses. Daarnaast mag voor werkzaamheden in gemeente Heumen de Regionale Bodemkwaliteitskaart gebruikt worden. Dit is wetgeving en beleid. 3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik (Geo-)hydrologisch onderzoek dient te worden verricht om de huidige en toekomstige waterhuishoudkundige situatie in beeld te brengen. Dit is wetgeving en beleid. 3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik Bij werken in de bodem gelden in ieder geval: Omgevingswet Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) Wet Basisregistratie Ondergrond (BRO), zie ook bijlage Werkprotocol BRO gemeente Heumen Standaard RAW Bepalingen Dit is wetgeving en beleid. 3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik 4.2Kabels en leidingen Uitgangspunten inrichting Waarom Verwijzing ambities H3 Werken met kabels en leidingen (elektriciteit, water, telecommunicatie en overige netwerken) dienen te worden verricht volgens de Algemene Verordening Ondergrondse Infra gemeente Heumen en het Handboek Kabels en Leidingen van gemeente Heumen. Dit voorkomt ongevallen, beschadiging van leidingen en zorgt voor veilige onderhoudsmogelijkheden. 3.2 Gezonde, veilige leefomgeving Beschikbare tracés voor nutsbedrijven aangeven op een tracétekening. - 3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik Rekening houden met een voorbereidingstijd van de nutsbedrijven van minimaal 16 weken (gaat in op het moment dat het Definitief Ontwerp is vastgesteld en ondertekend is aangeboden aan de nutsbedrijven). - - Geen kabels en leidingen situeren op locaties waar bomen staan of worden geplant. Volg hierbij het Handboek Bomen en HYPERLINK "https://www.cob.nl/wat-doet-het-cob/groeiboek/bomen-kabels-en-leidingen/"Groeiboek Bomen, kabels en leidingen - COB Dit voorkomt beschadiging van beide. 3.2 Gezonde, veilige leefomgeving Documenteer alle locaties van ondergrondse infrastructuur in het bouwplan en teken deze op ware grootte. Dit zorgt voor een toekomstbestendig beheer en onderhoud. 3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik 4.3Riolering en water 4.3.1 Algemeen Uitgangspunten inrichting Waarom Verwijzing ambities H3 Voor ruimtelijke ontwikkelingen moet een waterhuishoudkundig plan en rioleringsplan worden opgesteld conform Beleidsplan Water en Riolering, Kaderrichtlijn Water, Omgevingsweg en overige landelijke regelgeving en normen. Dit geeft aan hoe water zich gedraagt op de locatie en zorgt voor regelmatige naleving. 3.1 Klimaatbestendig en klimaatneutraal Bij het ontwerp van rioleringen gelden aanvullend de volgende richtlijnen: Leidraad Rioleringen (Rioned), Materiaallijst (rioleringen, pompen en gemalen), Machinerichtlijn (pompen en gemalen), VGRP 2018-2021. Dit zijn landelijke kwaliteitseisen waar u zich aan moet houden. 3.1 Klimaatbestendig en klimaatneutraal De richtlijnen uit de meest recente landelijke “Maatlat voor een groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving” moeten worden aangehouden bij nieuwe ontwikkelingen. Dit helpt de gemeente om beter bestand te zijn tegen extreem weer als gevolg van klimaatverandering. 3.1 Klimaatbestendig en klimaatneutraal In waterwingebieden gelden aanvullende regels. Het waterhuishoudkundig plan en rioleringsplan dienen te worden afgestemd met het bevoegd gezag. Dit zorgt voor behoud van schoon drinkwater. 3.2 Gezonde, veilige leefomgeving Rioolputten voorzien van gietijzeren putdeksels met gemeentelogo. - - 4.3.2 Vuilwaterafvoer (huishoudelijk afvalwater) Uitgangspunten inrichting Waarom Verwijzing ambities H3 Realiseer een rioolstelsel met voldoende aansluitleidingen voor zowel geplande als toekomstige panden. Dit zorgt dat afvalwater van alle huishoudens kan worden afgevoerd en maakt toekomstige uitbreiding mogelijk. 3.2 Gezonde, veilige leefomgeving Het afvalwater van een ontwikkeling moet worden aangesloten op het gemeentelijke rioolwaterzuiveringssysteem. Dit vergt aanleg van een vuilwaterriolering (DWA) die aansluit op het bestaande aangrenzende vrijvervalsysteem of drukrioleringsysteem. Dit zorgt voor centraal beheer en behandeling van afvalwater. 3.2 Gezonde, veilige leefomgeving Voor aansluiting op drukriolering is een berekening van het systeem noodzakelijk om de werking van het riool in de nieuwe situatie aan te tonen. Het aansluiten op het vrijvervalsysteem heeft de voorkeur boven aansluiting op de drukriolering of de uitbreiding middels een nieuw gemaal Vrijvervalriolering werkt energieloos, is minder storingsgevoelig en is eenvoudiger in onderhoud. 3.1 Klimaatbestendig en klimaatneutraal 4.3.3 Hemelwaterafvoer (regenwater) Uitgangspunten inrichting Waarom Verwijzing ambities H3 Bovengrondse infiltratiesystemen hebben voorkeur boven ondergrondse systemen. Realiseer deze middels (in volgorde van voorkeur):
(1)Wadi-systeem;
(2)Gecontroleerde oppervlakkige berging binnen plangebied;
(3)Vergroting oppervlakte openwater (alleen na toestemming Waterschap Rivierenland). Bovengrondse systemen zijn duurzamer, beter voor infiltratie en bieden mogelijkheden voor dubbel gebruik (groen, speelruimte, natuur). 3.1 Klimaatbestendig en klimaatneutraal Ondergrondse infiltratiesystemen worden gerealiseerd volgens deze technieken (in volgorde van voorkeur):
(1)Infiltratiebuizen;
(2)Infiltratiekelders;
(3)Infiltratieringen;
(4)Infiltratiekratten;
(5)Infiltratiekoffers gevuld met grind/lava/breuksteen. Wanneer bovengronds niet kan, zijn ondergrondse systemen volgende keuze. 3.1 Klimaatbestendig en klimaatneutraal Het infiltratiesysteem wordt bepaald op basis van de feitelijk blijkende infiltratiemogelijkheden, -capaciteiten en terreinsituatie. Per locatie dient onderzoek plaats te vinden naar grondsoort en ondergrondse omstandigheden waaronder de grondwaterstanden, waterdoorlatendheid, kwelgevoeligheid enz. Elke locatie is anders; één systeem past niet overal. 3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik Uitgangspunt (Beleidsplan Water en Riolering) bij nieuwe ontwikkelingen is dat al het hemelwater binnen het plangebied wordt opgevangen en geïnfiltreerd. Hiervoor geldt de bergingseis van 66,4 mm/m² verhard oppervlak. Hiervoor dient een waterhuishoudkundig plan te worden opgesteld. Het plan dient met gemeente Heumen te worden afgestemd. Bij ontwikkelingen die grenzen aan of aansluiten op het watersysteem van Waterschap Rivierenland dient ook het waterschap te worden betrokken. Dit voorkomt wateroverlast en zorgt voor aanvulling van het grondwater. 3.1 Klimaatbestendig en klimaatneutraal Bij combinatie van ondergrondse en bovengrondse infiltratiesystemen geldt in basis de volgende verdeling: berging ondergronds 20-30 mm per m² verhard oppervlak. Voor de overige 46,4-36,4 mm kan oppervlakkige berging worden toegepast. Bij oppervlakkige berging mag het systeem niet 'leeg' kunnen lopen naar de omgeving; een hoogteplan maakt hiervan onderdeel uit van het waterhuishoudkundig ontwerp. Dit verdelen zorgt voor optimaal beheer en ruimtegebruik en voorkomt wateroverlast in omgeving. 3.1 Klimaatbestendig en klimaatneutraal Ook bij sloop en herbouw spreken we van nieuw verhard oppervlak. Salderen is dan niet toegestaan. Ontwikkelingen dienen op eigen terrein voldoende infiltratievoorzieningen aan te leggen en mogen hemelwater niet op de openbare weg of aangrenzende percelen afwateren. Dit voorkomt overbelasting van openbare riolering en wateroverlast bij buren. 3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik De bodem van infiltratievoorzieningen dient minimaal 50 cm boven de Gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) te liggen. Dit garandeert een goede infiltratie en vervuiling van grondwater. 3.1 Klimaatbestendig en klimaatneutraal Bij berging kunnen bovengrondse en ondergrondse infiltratiesystemen in combinatie worden toegepast. Ondergronds wordt vaak voor berging en transport ingezet. Bovengrondse infiltratie is gunstig als landschapselement en voor dubbel ruimtegebruik. Dit geeft flexibiliteit per situatie. 3.1 Klimaatbestendig en klimaatneutraal In infiltratieputten in infiltratieriool een zandvang van minimaal 50 cm diep toepassen, onder de laagste aansluiting op de rioolput. Indien de rioolput niet of moeilijk toegankelijk is voor onderhoud en inspectie, dient een doorlopend stroomprofiel te worden toegepast in plaats van een zandvang. Dit zorgt voor een goede onderhoudbaarheid van het rioolstelsel en voorkomt verstoppingen. 3.2 Gezonde, veilige leefomgeving Infiltratiemogelijkheden van ondergronden onderzoeken en berekenen. Minimale infiltratiewaarde van 0,5m/dag in de ondergrond is benodigd om ter plaatse te kunnen infiltreren. Waar nodig infiltratiecapaciteit verbeteren of in directe omgeving infiltratie- of bergingscapaciteit zoeken en benutten. Uitgangspunt is dat al het water op het eigen perceel dient te worden opgevangen en verwerkt via infiltratie. Dit zorgt voor klimaat adaptieve waterhuishouding per perceel. 3.1 Klimaatbestendig en klimaatneutraal 4.3.4 Wadi's (Water-Afvoer-Drainage-Infiltratie-voorziening) Uitgangspunten inrichting Waarom Verwijzing ambities H3 Inpassing in de omgeving middels natuurlijke glooiingen zonder 'harde' knikken ter plaatse van voet- en kruintaluds. Wadi's worden komvormig of met een vlakke bodem afwerken. Taluds niet steiler dan 1:3 om machinaal te kunnen maaien. Dit past beter in het landschap en geeft natuurlijke uitstraling. 3.5 Natuurinclusief De voorkeur gaat uit naar mogelijk meervoudig gebruik van de wadi, bijvoorbeeld in combinatie met een speelveld of groenstrook. In de wadi mogen diverse bodemniveaus voorkomen, waarbij gebruik gemaakt kan worden van het natuurlijk bodemverloop. Wadi biodivers inrichten met kruidenrijke groenstroken en speelfuncties inrichten waar mogelijk. Dit geeft meerwaarde aan het terrein en verhoogt gebruiksmogelijkheden. 3.5 Natuurinclusief Bij opbouw en inrichting van wadi's dient rekening te worden gehouden met de aanwezige ondergrond. Een goede samenhang tussen inrichting en ondergrond draagt bij aan optimaal functioneren van de wadi en kan bijdragen aan toename van biodiversiteit. Dit verbetert infiltratie en ecologische waarde. 3.5 Natuurinclusief Lediging van de wadi binnen 48 uur. Dit voorkomt aantasting van gras en zorgt voor voldoende berging voor een volgende bui. 3.1 Klimaatbestendig en klimaatneutraal 4.3.5 Pompen en persleiding Uitgangspunten inrichting Waarom Verwijzing ambities H3 Aanbrengen ontluchtingstoestel op het hoogste punt in de persleiding voor de afdaling en/of na de stijging. Dit toestel moet aanwezig zijn daar waar de persleiding in een zinker of onder een watergang doorloopt. Dit voorkomt dat lucht in de buis vastzit wat de pompfunctie kan verstoren. 3.2 Gezonde, veilige leefomgeving Onder het toegangsluik of schachtafdekking dient per pomp een in twee delen deelbaar veiligheidsrooster te worden aangebracht in de gemalen Dit beschermt mensen tegen vallen en ongevallen. 3.2 Gezonde, veilige leefomgeving Per drukrioolpompput dienen maximaal 5 woningen te worden aangesloten. Dit houdt het systeem simpel en beheersbaar. 3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik Iedere installatiekast met inkomende voeding van het energiebedrijf dient voorzien te zijn van een afzonderlijke aarding. Dit is een veiligheidsvereiste. 3.2 Gezonde, veilige leefomgeving De afmeting van een gemaal pompput wordt bepaald aan de hand van de bediening van de pomp en de benodigde pendelberging. De put heeft minimaal een afmeting van 1,25m × 1,25m en 0,90m diepte onder b.o.b. De intredende buis wordt uitgevoerd in beton of PE. Dit geeft voldoende ruimte voor onderhoud en werking van de installatie. 3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik Afstand tussen pompput en schakelkast: bij plaatsing van een losse schakelkast met betonfundatie mag de afstand tot de pompput niet meer bedragen dan 3 meter. Dit is praktisch voor de werking van en onderhoud aan de installatie. 3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik Omgeving van het gemaal dient middels verharding om onkruidvorming tegen te gaan. Gemalen en drukriool putten en besturingskasten worden op gemeentelijk eigendom geplaatst. En zijn bereikbaar voor een reinigingsvoertuigen. 4.4Verhardingen 4.4.1 Algemeen Uitgangspunten verkeersstructuur, dimensionering en wegtypen Waarom Verwijzing ambities H3 Waarborg een duurzaam, veilig en toegankelijk verkeer- en vervoersysteem voor nu en in de toekomst Zorg daarbij voor een integrale afstemming tussen verkeersfuncties en ruimtelijke functies zoals water, groen, wonen, spelen en ondergrondse voorzieningen. Dit zorgt voor een leefbare omgeving. 3.2 Gezonde, veilige leefomgeving Verkeersstructuur Wandel- en fietsstructuren zijn fijnmaziger dan de autostructuur. Voor wandelen en fietsen vallen de kortste en veiligste route samen. Bij de keuze van de verhardingsconstructies dient uitgegaan te worden van de verkeersbelasting waarbij de verkeersintensiteit van het aantal (vracht)wagens dat per etmaal de zwaarst belaste rijstrook belast maatgevend is. De ontwerpen voor de wegenstructuur, de wegprofielen, de parkeervoorzieningen en de snelheidsremmende voorzieningen dienen in nauw overleg met de gemeente in de ontwerpfase van het bestemmingsplan tot stand te komen. In verband met het ophalen van huisvuil, het bezorgen van goederen, voor hulpdiensten en verhuizingen dient de bereikbaarheid van woningen te worden aangetoond met rijcurves van de betreffende normvoertuigen ASVV2012. Verhardingen, afmetingen en constructies naar functie dimensioneren conform CROW-richtlijnen, tenzij anders aangegeven. Voor het wegontwerp gelden in ieder geval: Wegenverkeerswet Wegenwet Reglement verkeersregels en verkeerstekens Regionale Nota Mobiliteit van de Groen Metropool Regio Algemene Plaatselijke Verordening (APV gemeente Heumen) Aanbevelingen voor Verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom (ASVV) CROW-publicatie 381: 'Toekomstbestendig parkeren. Van parkeerkencijfers naar parkeernormen' CROW-publicatie 328: Handboek wegontwerp: Basiscriteria CROW-publicatie 329: Handboek wegontwerp: Regionale stroomwegen CROW-publicatie 330: Handboek wegontwerp: Gebiedsontsluitingswegen CROW-publicatie 331: Handboek wegontwerp: Erftoegangswegen Dit zorgt voor een eenduidige en veilige verkeersstructuur. 3.2 Gezonde, veilige leefomgeving Hoofdwegen: Gebiedsontsluitingswegen, type II: bij dit type wegen staat de verkeersfunctie centraal. Dit zijn wijkontsluitingswegen (maximaal 60 vrachtwagens per etmaal per richting). Normvoertuig gebiedsontsluitingswegen t.b.v. van bereikbaarheid woningen: Trekker met oplegger (ASVV 2012). Wegen in verblijfsgebieden: Erftoegangswegen, type I: bij deze wegen staat de verkeersfunctie voorop en staat de verblijfsfunctie op de tweede plaats. Hiertoe worden gerekend wegen in het buitengebied, wijk ontsluitingswegen en wijkstraten met gering vrachtverkeer (maximaal 20 vrachtwagens per etmaal per richting). Standaard wordt in de gemeente voor deze wegen een gesloten verharding toegepast. Erftoegangswegen, type II: bij deze wegen staat de verblijfsfunctie centraal. Hiertoe worden gerekend woonerven, toegangswegen en woonstraten met nauwelijks of geen vrachtverkeer (maximaal 2 vrachtwagens per etmaal per richting). Standaard wordt in de gemeente een gebakken elementenverharding toegepast. Normvoertuig erftoegangswegen t.b.v. van bereikbaarheid woningen: Brandweer (ASVV 2012). Dit zijn landelijke kwaliteitseisen en garanderen een sterke verhardingsconstructie en veilige verkeerssituatie. 3.2 Gezonde, veilige leefomgeving Minimale breedte, maximale snelheid en verhardingstype per wegtype: Gebiedsontsluitingsweg type II, bubeko, max. 80 km/u, breedte volgens CROW-norm, uitvoeren in asfaltverharding; Gebiedsontsluitingsweg type II, bibeko, max. 50 km/u, breedte volgens CROW-norm, materialisatie in overleg met gemeente Heumen; Erftoegangsweg type I, bubeko, max. 60 km/u, minimale rijbaanbreedte 5,50m, uitvoeren in asfaltverharding; Erftoegangsweg type II, bubeko, max. 60 km/u, minimale rijbaanbreedte 4,50m met bermverharding aan beide zijden, uitvoeren in asfaltverharding; Erftoegangsweg type II, bibeko, max. 30 km/u, minimale rijbaanbreedte 5,00m, uitvoeren in elementenverharding; Erftoegangsweg type I en II, bedrijventerrein, max. 30 km/u, minimale breedte 6,00m, materialisatie in overleg met gemeente Heumen; Vrij-liggende (brom)fietspaden, bubeko, twee richtingen bereden, minimale breedte 3,50m, uitvoeren in asfaltverharding; Vrij-liggende (brom)fietspaden, bubeko, twee richtingen bereden met een spitsuurintensiteit > 300 fts/u , minimale breedte 5,00m, uitvoeren in asfaltverharding; Vrij-liggende fietspaden, bibeko, twee richtingen bereden, minimale breedte 3,50m, uitvoeren in asfaltverharding; Vrij-liggende fietspaden, bibeko, twee richtingen bereden met een spitsuurintensiteit > 350 fts/u , minimale breedte 4,50m, uitvoeren in asfaltverharding. Dit bevordert de verkeersveiligheid. 3.2 Gezonde, veilige leefomgeving Busroute op wegen: Minimale wegbreedte van ETW met busroute erop is 6,30m. Minimale bochtstralen van de rijbaan met busroute erop is R=8,00m. Dit zorgt doorstroming en verkeersveiligheid. 3.2 Gezonde, veilige leefomgeving Vlakheidseisen en stroefheidseisen verhardingen volgens vigerende standaardeisen RAW/CROW. Dit geeft veiligheid voor weggebruikers. 3.2 Gezonde, veilige leefomgeving Verharding fietspaden: Hoofdfietsroutes vormgeven in rode gesloten verharding (bibeko) en gesloten verharding (bubeko). Overige fietspaden vormgeven in rode dubbelklinkers. Indien kabels en leidingen onder het fietspad aanwezig zijn, mag geen gesloten verharding worden toegepast. Dit geeft duidelijkheid, comfort en veiligheid voor fietsers. 3.2 Gezonde, veilige leefomgeving Verkeersklasse: Voor de dimensionering van de wegconstructie dient te worden uitgegaan van een minimale verkeersklasse D400. Voor dimensionering van de wegconstructie op bedrijventerreinen dient te worden uitgegaan van verkeersklasse E600. Voor dimensionering van fietspaden dient te worden uitgegaan van verkeersklasse C250. Dit zorgt voor een goed onderhoudbare weg. 3.2 Gezonde, veilige leefomgeving 4.4.2 Parkeerplaatsen - auto’s en fietsen Uitgangspunten inrichting Waarom Verwijzing ambities H3 Het aantal parkeervakken bepalen via capaciteitsberekening. Inrichten van de nodige parkeerplaatsen voor mensen met beperking (miva). Minimaal 1 miva-pp per 50 parkeerplaatsen aanleggen. Aantal parkeerplaatsen voor elektrisch laden afstemmen op locatie en vraag. Laadplaatsen voorzien van afmetingen conform CROW en voorzien van bebording. Dit zorgt voor en toekomstbestendige en toegankelijke openbare ruimte. 3.4 Inclusieve samenleving Afmetingen conform CROW: haakse parkeervakken 5 × 2,5 m; langs parkeervakken 6 × 2,25 m; miva parkeervakken 3,5 m breed, lengte volgens CROW. Dit zijn standaard maten. 3.4 Inclusieve samenleving Groene parkeerplaatsen toepassen op locaties waar infiltratie in ondergrond mogelijk is. Uitvoeren met halfopen stenen, voorkeur gebakken materiaal. Locatie in overleg met gemeente Heumen. Dit is klimaat adaptief. 3.1 Klimaatbestendig en klimaatneutraal 3.2 Gezonde, veilige leefomgeving Het aantal fietsparkeervakken bepalen via capaciteitsberekening volgens leidraad CROW. Inrichten van de benodigde fietsparkeerplaatsen volgens leidraad CROW. Fietsen moeten aan de parkeervoorziening op slot gezet kunnen worden. Dit is een landelijk leidraad en stimuleert duurzaam vervoer. 3.2 Gezonde, veilige leefomgeving 4.4.3 Voetpaden en inritten Uitgangspunten inrichting Waarom Verwijzing ambities H3 Afmetingen conform uitgangspunten CROW met minimale breedte van aanliggende voetpaden van 1,80 m exclusief opsluitbanden. In centrumgebied een minimale breedte van aanliggende voetpaden van 2,10 exclusief opsluitbanden. Op voetpaden een aaneengesloten obstakelvrije doorgang creëren van minimaal 1,00m. Dit zorgt voor toegankelijke voetpaden. 3.2 Gezonde, veilige leefomgeving Bij haaks parkeren aansluitend op voetpad, dient het voetpad 0,5m breder te zijn in verband met de overstek van geparkeerde auto’s. Dit zorgt voor toegankelijke voetpaden. 3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik Bij voetpaden langs fietspaden of -stroken oploopbanden gebruiken tussen voetpad en fietspad. Dit verkleint risico op eenzijdige ongevallen. 3.2 Gezonde, veilige leefomgeving In woonstraten (max. 30km/
- u)volstaat een voetpad of loopstrook aan één zijde van de straat met een minimale breedte van 1,80m, mits deze goed bereikbaar is vanaf beide zijden van de straat. Dit zorgt voor minder verharding. 3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik Bij inritten dient het voetpad visueel door te lopen. Inrit naar woning dient 3,00m breed te zijn. Dit zorgt voor veilige voetpaden. 3.2 Gezonde, veilige leefomgeving Oversteekplaatsen voor (miva-) voetgangers op kruisingsvlakken en in bochten realiseren en voorzien van geleidetegels. Locaties en dimensionering in overleg met gemeente Heumen bepalen. Dit zorgt voor toegankelijke voetpaden. 3.2 Gezonde, veilige leefomgeving 4.4.4 Afwatering Uitgangspunten inrichting Waarom Verwijzing ambities H3 Afwateringssysteem ontwerpen zodat water goed afgevoerd wordt zonder stagnatie. Details over afschot, goten, kolken en afwateringsroutes zijn uitgewerkt in H5 (Materialisatie en operationele eisen). Dit zorgt voor goede afwatering. 3.1 Klimaatbestendig en klimaatneutraal Voldoende kolken plaatsen, rekening houdend met bereikbaarheid en locatie van inritten, parkeerplaatsen en overige elementen. Dit zorgt voor goede afwatering. 3.1 Klimaatbestendig en klimaatneutraal 4.4.5 Bermen Uitgangspunten inrichting Waarom Verwijzing ambities H3 Voor bermen buiten de bebouwde kom gelden de volgende obstakelvrije zones: Nieuwe erftoegangsweg 60 km/h, bubeko, een breedte van 2,5 m; Bestaande erftoegangsweg 60 km/h, bubeko, een breedte van 1,5 m; Nieuwe gebiedsontsluitingsweg 80 km/h, bubeko, een breedte van 6,0 m; Bestaande gebiedsontsluitingsweg 80 km/h, bubeko, een breedte van 4,5 m. Dit bevordert het rijzicht en de verkeersveiligheid. 3.2 Gezonde, veilige leefomgeving Bermen dienen draagkrachtig te zijn en afwaterend (5% afschot van de rijbaan
- af)Dit zorgt voor veilige bermen. 3.2 Gezonde, veilige leefomgeving Bermen verdichten en afwerken op 2 cm onder bovenkant aangrenzende verharding. Dit zorgt voor veilige bermen. 3.2 Gezonde, veilige leefomgeving 4.5Groenvoorzieningen 4.5.1 Algemeen Uitgangspunten en eisen Waarom Verwijzing ambities H3 Voor het opstellen van een inrichtingsplan gelden in ieder geval de uitgangspunten opgenomen in het Programma Landschap en Groen en het Beleidsplan IBOR gemeente Heumen. Dit zorgt voor meer natuur en gezondheid. 3.5 Natuurinclusief Bij ontwikkelingen dient in het ontwerp en bij de realisatie een duidelijke fysieke scheiding te bestaan tussen openbaar groen en particulier groen. Dit zorgt voor duidelijke eigendoms- en onderhoudsgrenzen. 3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik Het groenontwerp dient efficiënt en doelmatig beheer van de groenvoorzieningen mogelijk te maken. Werk met aaneengesloten plantvakken, waarin plantsoorten zijn afgestemd op de locatie en grootte van de plantvakken. Beplanting afstemmen op de plaatselijke aanwezige grondslag. Dit zorgt voor efficiënt onderhoud en beheer en het behoud van de gewenste kwaliteit. 3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik Beeldbepalende en toekomstbestendige bomen en waardevol bestaand groen worden zo veel mogelijk in het ontwerp opgenomen met groeiplaatsverbeteringen, zodat zij toekomstbestendig zijn. Dit zorgt voor karakter en meerwaarde in het (stedelijk) landschap. 3.5 Natuurinclusief Bij nieuwbouwplannen dienen groenvoorzieningen te worden gerealiseerd. Houdt daarbij de volgende percentages van de openbare ruimte aan: 20% boomkroonbedekking 15% struiken, heesters en overige middelhoge vegetatie 20% gras Plantkeuze in overleg met gemeente en streef naar basiskwaliteit natuur (Deltaplan biodiversiteit), biodiversiteit en klimaatbestendigheid van het toe te passen groen. Dit geeft meer biodiversiteit, balans en afwisseling. 3.5 Natuurinclusief Soort afstemmen op grondsoort en groeiomstandigheden. Voorafgaand aan opstellen plantplan dienen bodemgegevens worden verzameld. Dit zorgt voor efficiënt onderhoud en beheer en het behoud van de gewenste kwaliteit. 3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik 4.5.2 Bomen en kruinbedekking Uitgangspunten inrichting Waarom Verwijzing ambities H3 In het ontwerp dient gestreefd te worden naar minimale boomkroonbedekking van 20% van de openbare ruimte. Maak daarbij gebruik van bestaande bomen binnen het plangebied, indien mogelijk. Dit zorgt voor vermindering van hittestress. En het zorgt voor een toekomstbestendig beheer. 3.1 Klimaatbestendig en klimaatneutraal Bomen worden bij voorkeur geplant in aaneengesloten groenstroken, niet als losse vakken in bestrating. De bomen staan op voldoende afstand van verhardingen en hebben voldoende ondergrondse groeiruimte om wortelopdruk in de toekomst te voorkomen. Handboek Bomen Dit geeft betere groei en voorkomt later schade aan verhardingen. 3.1 Klimaatbestendig en klimaatneutraal Boomspiegels moeten minimaal 1,5 × 1,5 meter groot zijn met een ondergrondse groeiruimte van tenminste 9m³. Afhankelijk van boomsoort volgens Handboek Bomen. Boomspiegels inplanten met bodembedekkende begroeiing. Dit zorgt voor voldoende groeiruimte. 3.5 Natuurinclusief Bij te handhaven bomen mag de maximale maaiveldophoging binnen de kroonprojectie niet meer bedragen dan 0,05 m. Indien meer ophoging gewenst is, dienen in overleg met de gemeentelijke groenbeheerder maatregelen te worden getroffen ter behoud van de boom. Dit zorgt voor een toekomst bestendig bomenbestand. 3.1 Klimaatbestendig en klimaatneutraal Te handhaven bomen worden ingemeten en duidelijk in het ontwerp aangegeven op ware grootte. Dit zorgt voor een toekomst bestendig bomenbestand. 3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik Standplaatsen van bomen afstemmen met het verlichtingsplan. Dit zorgt voor toekomst bestendig beheer. 3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik Bomen van derde grootte niet langs doorgaande wegen (hoofdwegen) planten. Bomen van derde grootte kunnen onvoldoende worden opgekroond. Dit zorgt voor verkeersveiligheid. 3.2 Gezonde, veilige leefomgeving Bomen mogen niet op kabels, leidingen of riooltracés worden geplant. En andersom, bij bomen geen graafwerkzaamheden, alleen gestuurde boringen. Hierbij gelden regels uit de AVOI en Handboek Kabels en Leidingen. Dit zorgt voor toekomst bestendig beheer en voorkomt schade. 3.2 Gezonde, veilige leefomgeving Voorkom toekomstige wortelopdruk door bomen die naast verhardingen staan te voorzien van wortelschermen volgens Handboek Bomen. Stem boomsoort en de inrichting van boomplantvak af op de locatie om wortelopdruk te voorkomen. Dit zorgt voor toekomst bestendig beheer en voorkomt schade. 3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik Bomen op parkeerplaatsen voorzien van beschermende maatregelen tegen aanrijden, conform Handboek Bomen. Dit zorgt voor toekomst bestendig beheer en voorkomt schade. 3.2 Gezonde, veilige leefomgeving Zorg dat bomen in volgroeide toestand (kroonprojectie) niet boven ondergrondse containers en container-opstelplaatsen groeien om ledigen van de containers te garanderen. Dit zorgt voor toekomst bestendig beheer en voorkomt schade. 3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik Bij (her)ontwikkelingen worden bomen met te kleine groeiruimten vervangen door bomen met voldoende groeiruimte. Dit zorgt voor een toekomst bestendig bomenbestand. 3.1 Klimaatbestendig en klimaatneutraal In nieuwbouwplannen dienen de locaties van bomen en locaties van zonnepanelen op elkaar te worden afgestemd. Dit zorgt voor een toekomst bestendig bomenbestand. 3.1 Klimaatbestendig en klimaatneutraal 4.5.3 Plantvakken Uitgangspunten inrichting Waarom Verwijzing ambities H3 Voorkom in het ontwerp overrijdbare hoeken van (boom)plantvakken. Dit voorkomt beschadiging. 3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik Bij opstelling beplantingsplan rekening houden met voldoende variatie in bloeiperiode en plant- en bladkleur. De te kiezen soorten dien in overleg met de gemeente te worden bepaald. Dit zorgt voor biodiversiteit en vergroot de onderhoudbaarheid. 3.5 Natuurinclusief Bodem geheel bedekt met beplanting. Bij plantafstand aan randen rekening houden met overgroei randen; ongeveer 25 cm uit rand planten. Voorkom toekomstige overhang van groen langs paden en wegen. Dit zorgt voor toekomst bestendig beheer en beeldkwaliteit 3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik Minimale afmetingen van plantvakken zijn: Voor grove heesters, breedte minimaal 4,0m en oppervlakte minimaal 40,0m²; Voor fijne heesters, breedte minimaal 1,5m en oppervlakte minimaal 4,0 m². Beperk het aantal kleine heestervakken. Dit zorgt voor toekomst bestendig beheer. 3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik 4.5.4 Gras Uitgangspunten inrichting Waarom Verwijzing ambities H3 Taluds maximaal 1:3, dus niet steiler. Dit zorgt voor machinaal maaibare grasstroken en gazons. 3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik Streefdoel: maximale bloemrijkheid in gras, behalve waar functionele eisen gelden (spelen, recreatie). Dit zorgt voor versterking van de biodiversiteit. 3.5 Natuurinclusief Ontwerp grasstroken zodat een minimale maaibreedte van 2,5m beschikbaar is. Houdt rekening met de minimale maaibreedte van 2,5m rondom bomen en speeltoestellen. Dit zorgt voor toekomst bestendig en uitvoerbaar beheer. 3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik In het buitengebied dient naast de verharding een grasberm te worden aangebracht van minimaal 1,0m breed. Dit zorgt voor een landschappelijk karakter. 3.5 Natuurinclusief 4.5.5 Loopverbindingen en bescherming Uitgangspunten inrichting Waarom Verwijzing ambities H3 Bij ontwikkelingen dienen logische loopverbindingen te worden aangebracht om te voorkomen dat beplanting belopen wordt. Dit vergt extra aandacht bij speelvoorzieningen. Om plaatselijk platlopen van plantvakken te voorkomen dienen tijdelijke afrasteringen te worden aangebracht op plaatsen waar dit verwacht kan worden. Deze afrasteringen bestaan uit houten palen met frans schapenhekwerk. Het plaatsen van deze afrasteringen dient te gebeuren in overleg met gemeente Heumen. Dit beschermt jonge planten. 3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik 4.6Openbare verlichting Uitgangspunten en eisen Waarom Verwijzing ambities H3 De gemeente streeft naar een kwalitatief optimale openbare verlichting waarbij de energie-efficiëntie onderdeel uitmaakt van de totale kwaliteitsbeoordeling van de openbare verlichting. Dit is beleid. 3.2 Gezonde, veilige leefomgeving Verlichting aanbrengen volgens op te stellen verlichtingsplan, gebaseerd op Nederlandse Praktijk Richtlijn NPR 13201, Politiekeurmerk veilig wonen (PKVW), B2O2V, NPR 13201-1:2017, NEN 1010, NEN 3140. Dit zijn landelijke kwaliteitseisen. 3.2 Gezonde, veilige leefomgeving Gemeente Heumen hanteert als uitgangspunt dat alle openbare verlichting wordt ontworpen door de externe adviseur van gemeente Heumen (raamcontractant) en wordt geplaatst door de aannemer van gemeente Heumen (raamcontractant met licentie voor aansluiten op netwerk Liander). Het verlichtingsplan wordt opgesteld op basis van het door de initiatiefnemer aangeleverde definitief ontwerp. In onderling overleg worden de locaties van de lichtmasten bepaald. Initiatiefnemer is verantwoordelijk voor het verwerken van het verlichtingsplan in het definitieve inrichtingsplan van de openbare ruimte. Dit is efficiënt en zorgt voor een eenduidige werkwijze. 3.2 Gezonde, veilige leefomgeving Alle kosten, waaronder de kosten voor het ontwerp, de toetsing door de gemeente en de kosten voor het leveren en aanbrengen van de OV installatie en onderhoud gedurende periode tussen aanbrengen en overdracht zijn voor rekening van de initiatiefnemer, tenzij dit in de realiseringsovereenkomst anders is bepaald. Hieronder vallen ook de (aansluit)kosten die door netbeheerder rechtstreeks bij de gemeente in rekening gebracht worden. Deze worden 1 op 1 direct doorbelast naar de initiatiefnemer. Dit is efficiënt en zorgt voor een eenduidige werkwijze. 3.2 Gezonde, veilige leefomgeving 4.7Straatmeubilair 4.7.1 Zitbanken Uitgangspunten inrichting Waarom Verwijzing ambities H3 Plaats zitbanken op hoofdlooproutes en nabij openbare voorzieningen en openbare gebouwen met een onderlinge afstand van ca. 300m. Dit zorgt voor toegankelijkheid van de openbare ruimte. 3.2 Gezonde, veilige leefomgeving Zitbanken dienen bereikbaar te zijn via de looproute met voldoende ruimte voor een rolstoel of scootmobiel naast de zitgelegenheid. Dit zorgt voor een inclusieve openbare ruimte. 3.4 Inclusieve samenleving Zitbanken bij voorkeur plaatsen in een verharde ondergrond om de zitbank toegankelijk te houden. Zitbanken op hoofdlooprouten in elementenverharding plaatsen, gelijk aan het voetpad. Overige zitbanken in halfverharding plaatsen. Dit zorgt voor toegankelijkheid en onderhoudbaarheid van de openbare ruimte. 3.4 Inclusieve samenleving Zitbanken uitvoeren met armleuningen op routes waar ouderen lopen en rusten. Dit zorgt voor een inclusieve openbare ruimte. 3.2 Gezonde, veilige leefomgeving Zitbanken bij voorkeur op schaduwrijke locaties plaatsen. Dit zorgt voor een klimaat adaptieve openbare ruimte. 3.1 Klimaatbestendig en klimaatneutraal 4.7.2 Afvalbakken Uitgangspunten inrichting Waarom Verwijzing ambities H3 Plaats afvalbakken binnen de bebouwde kom bij zitbanken, speelplekken en andere locaties waar mensen afval kunnen achterlaten. Niet bij elke zitbank een afvalbak aanbrengen; dit leidt tot teveel bakken en is vaak onnodig. Locaties van afvalbakken bepalen in overleg met gemeente Heumen. Dit zorgt voor minder zwerfafval. 3.2 Gezonde, veilige leefomgeving Vermijd plaatsing van afvalbakken dichtbij woningen of andere gebouwen waar zij overlast kunnen veroorzaken. Dit voorkomt hinder. 3.4 Inclusieve samenleving 4.7.3 Afzetpalen Uitgangspunten inrichting Waarom Verwijzing ambities H3 Plaats afzetpalen (uitneembaar of vast) indien noodzakelijk ter geleiding van verkeer of om ongewenst gebruik tegen te gaan. Dit zorgt voor verkeersveiligheid. 3.2 Gezonde, veilige leefomgeving 4.8Speelvoorzieningen Uitgangspunten inrichting Waarom Verwijzing ambities H3 Bij herinrichting van speelplekken ligt de focus op transformatie naar natuurlijk spelen met speelaanleidingen. Naast natuurlijke speelaanleidingen worden ook speeltoestellen toegepast, zoals schommel, glijbaan en/of duikelrek. Dit biedt afwisseling en ontwikkelingskansen. 3.5 Natuurinclusief Bij ontwerp van nieuwe speelvoorziening dient eerst de doelgroep te worden bepaald middels onderzoeken. De speelvoorziening afstemmen op de doelgroep. Dit geeft passende voorzieningen. 3.2 Gezonde, veilige leefomgeving Inrichtingsplan voor speelvoorzieningen afstemmen met omwonenden en gemeente. Aanvullende eisen kunnen door beleidsmedewerker Spelen worden aangegeven. Dit vergroot betrokkenheid en bruikbaarheid. 3.4 Inclusieve samenleving Waar het kan wordt water geïntegreerd in speelplekken. Mogelijkheid onderzoeken voor pompput. Locaties in overleg met beleidsmedewerker Spelen bepalen. Dit biedt afwisseling en ontwikkelingskansen. 3.4 Inclusieve samenleving Per speelplek minimaal één zitbank en afvalbak plaatsen. Dit is beleid. 3.2 Gezonde, veilige leefomgeving Bij enkele speelvoorzieningen dienen speelaanleidingen toegankelijk te zijn voor mindervaliden. De locaties worden door gemeente Heumen aangewezen. Dit zorgt voor een inclusieve samenleving. 3.4 Inclusieve samenleving Bomen rondom speelvoorzieningen inpassen. Dit zorgt voor schaduw en landschappelijke inpassing. 3.1 Klimaatbestendig en klimaatneutraal Maaibreedte tussen obstakels minimaal 2,5 meter. Dit zorgt voor toekomstbestendig beheer. 3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik Beweegvoorzieningen voor jeugd en volwassenen dienen te worden geplaatst, indien gemeente Heumen de locatie daarvoor heeft aangemerkt. Dit zorgt voor een gezonde leefomgeving. 3.2 Gezonde, veilige leefomgeving 4.9Civiele kunstwerken 4.9.1 Algemeen Civiele kunstwerken Uitgangspunten inrichting Waarom Verwijzing ambities H3 Bij het ontwerp van civiele kunstwerken dienen de landelijke normen en richtlijnen te worden gehanteerd. Dit zijn landelijke normen. 3.2 Gezonde, veilige leefomgeving In het ontwerp dient het civiele kunstwerk in het omliggende landschap te worden ingepast. Dit zorgt voor landschappelijke inpassing. 3.5 Natuurinclusief In het ontwerp rekening houden met gebruik door mensen met beperkingen. Dit zorgt voor toegankelijkheid. 3.4 Inclusieve samenleving De inrichting van de openbare ruimte dient de sociale veiligheid te ondersteunen. Dit zorgt voor veiligheid. 3.2 Gezonde, veilige leefomgeving Bevordering onderhoudbaarheid: voorzieningen treffen tegen uitspoeling en verzakkingen. Overgangsconstructies toepassen tussen onderheide en niet-onderheide delen. Wanden voorzien van anti-graffiti coating. Dit zorgt voor lange levensduur en toekomstbestendig beheer, 3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik Kunstwerk minimaal dezelfde breedte als aangrenzende weg, vermeerderd met schrikruimte: Voor autoverkeer een schrikruimte van 0,75 m Voor fietsverkeer een schrikruimte van 0,50 m Voor voetgangers een schrikruimte van 0,00 m. Indien de regelgeving dat vereist worden leuningen toegepast. Dit zorgt voor veiligheid. 3.2 Gezonde, veilige leefomgeving In het ontwerp zorgen voor goed afwateringssysteem van rij- en loopvlakken. Dit voorkomt wateroverlast. 3.1 Klimaatbestendig en klimaatneutraal Houdt voor constructies de volgende minimale levensduur aan: Betonbruggen en viaducten 100 jaar; Staalconstructies vaste bruggen 100 jaar; Beweegbare bruggen 100 jaar; Stenen bruggen 100 jaar; Kunststof (composiet) bruggen 50 jaar; Houten bruggen 40 jaar. Bij ontwerp en detaillering aannemelijk maken dat deze levensduren haalbaar zijn. Dit zorgt voor lange gebruiksduur. 3.1 Klimaatbestendig en klimaatneutraal 4.9.2 Tunnels Uitgangspunten inrichting Waarom Verwijzing ambities H3 Houdt voor het ontwerp en berekenen van tunnels de landelijke normen en richtlijnen aan. Dit zorgt voor verkeersveiligheid. 3.2 Gezonde, veilige leefomgeving Ontwerp bij verkeerstunnels op hoofdwegen voldoende berging in waterkelder voor regenbuien die 1× per 50 jaar voorkomen. Dit voorkomt wateroverlast. 3.1 Klimaatbestendig en klimaatneutraal Houdt in het ontwerp rekening met de sociale veiligheid door te zorgen voor een gestrekt tracé zonder nissen. Pas lichte kleuren en anti-graffiti coatings toe. Maak de openbare verlichting in de tunnel 'hufterproof'. Dit zorgt voor sociale veiligheid. 3.2 Gezonde, veilige leefomgeving Zorg voor gladheidbestrijding op hellingen (evt. verwarmd). Dit is veilig in de winter. 3.2 Gezonde, veilige leefomgeving 4.9.3 Bruggen en viaducten Uitgangspunten inrichting Waarom Verwijzing ambities H3 Houdt voor het ontwerp en berekenen van bruggen en viaducten de landelijke normen en richtlijnen aan. Dit zorgt voor verkeersveiligheid. 3.2 Gezonde, veilige leefomgeving Bruggen en viaducten dienen watergangen in één keer te overspannen zonder tussensteunpunten in watergang conform vigerende CROW-richtlijnen. Dit helpt water stromen en doorgang van de scheepvaart. 3.1 Klimaatbestendig en klimaatneutraal 4.9.4 Duikers Uitgangspunten inrichting Waarom Verwijzing ambities H3 Inrichting conform vigerende CROW-richtlijnen en eisen van Waterschap Rivierenland. Dit zijn landelijke en regionale eisen. 3.1 Klimaatbestendig en klimaatneutraal Inspectie: Bij lengte meer dan 40 m inspectieput plaatsen. Afstand tussen inspectieputten maximaal 40 m; ook bij ieder knikpunt een inspectieput plaatsen. Dit zorgt voor toekomstbestendig beheer. 3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik Onderhoud: Vlakke frontmuren toepassen. Bereikbaar voor onderhoud. Minimaal 3,00 m werkruimte bij duikermond. Dit zorgt voor toekomstbestendig beheer. 3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik Erosiebestrijding: Blokkenmat aan beide zijden duiker toepassen over volledige breedte watergang, minimaal 3,00 m lengte. Dit voorkomt erosie. 3.1 Klimaatbestendig en klimaatneutraal 4.9.5 Steigers en vlonders Uitgangspunten inrichting Waarom Verwijzing ambities H3 Beperk de aanleg van steigers en vlonders. Voordat een steiger of vlonder wordt toegepast dienen nut en noodzaak te worden onderbouwd. Dit bespaart ruimte en kosten in aanleg en onderhoud. 3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik Houdt voor het ontwerp en berekenen van bruggen en viaducten de landelijke normen en richtlijnen aan. Dit zorgt voor verkeersveiligheid. 3.2 Gezonde, veilige leefomgeving Onkruidwerend systeem toepassen. Dit zorgt voor toekomstbestendig beheer. 3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik 4.10Reiniging en afvalinzameling 4.10.1 Inrichting openbare ruimte Uitgangspunten inrichting Waarom Verwijzing ambities H3 Verhardingen en inrichting dienen vlak en toegankelijk te zijn. Geen grotere hoogteverschillen in doorgaande verharding dan 2,0 cm. Dit zorgt voor onderhoudbaarheid en toegankelijkheid. 3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik Beperk obstakels in verhardingen. Dit zorgt voor onderhoudbaarheid en toegankelijkheid. 3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik Goten ontwerpen volgens CROW-norm: maximaal 5 cm diep en hol gestraat. Dit zorgt voor onderhoudbaarheid en toegankelijkheid. 3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik Ronde hoeken in plaats van scherpe hoeken in verhardingen en plantvakken toepassen. Dit zorgt voor onderhoudbaarheid en toegankelijkheid. 3.2 Gezonde, veilige leefomgeving Parkeerplaatsen moeten goed berijdbaar zijn voor reinigingsvoertuigen. Geen stootbanden voor trottoirbanden en geen scherpe hoeken in trottoirbanden toepassen. Dit zorgt voor goede onderhoudbaarheid. 3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik 4.10.2 Huisvuil inzamelpunten Uitgangspunten inrichting Waarom Verwijzing ambities H3 Huisvuil wordt als volgt ingezameld: Voor GFT-afval en oud papier/karton worden containers gebruikt. Voor PMD-afval en restafval worden zakken gebruikt. Dit is beleid. 3.3 Circulaire economie Afvalophaaldiensten moeten de inzamelpunten kunnen bereiken zonder achteruit te hoeven rijden met hun voertuigen. Dit is veilig en efficiënt. 3.2 Gezonde, veilige leefomgeving Inzamelplaats markeren met symbooltegel (bijv. bij hoogbouw of indien inzameling bij woning niet mogelijk). Dit geeft duidelijkheid. 3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik Afmetingen inzamelplaats afstemmen op aantal huisvuilcontainers dat ervan gebruik gaat maken. Dit zorgt voor duidelijkheid en toegankelijkheid. 3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik Huisvuil verzamelplaatsen opnemen in het inrichtingsplan van de openbare ruimte. Deze dienen langs de openbare weg te liggen en goed bereikbaar te zijn voor de vuilnisophaaldienst. Dit zorgt voor hygiëne en efficiënte afvalverwerking. 3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik Inzamelpunten van huishoudelijk en bedrijfsafval dienen altijd bereikbaar te zijn voor de ophaaldiensten. Bij wegopbrekingen of blokkades dient het afval op alternatieve bereikbare locaties te worden aangeboden. Dit zorgt dat afval wordt meegenomen. 3.2 Gezonde, veilige leefomgeving Boven inzamelplaatsen voor huis-aan-huisinzameling bij laagbouwwoningen geldt tot 5,0m hoogte geen begroeiing (bomen, struiken), uithangborden of zonweringen. Dit geeft ruimte voor machines en voorkomt schade aan beplanting. 3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik Bij bovengrondse en ondergrondse containers op wijkniveau geldt tot 10,0m hoogte geen obstakels boven de containers. Dit geeft ruimte voor machines en voorkomt schade. 3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik 4.10.3 Opstelplaatsen containers laagbouw Uitgangspunten inrichting Waarom Verwijzing ambities H3 Aanbiedplaatsen voor containers bij laagbouw dienen voldoende breed en diep te zijn. Aan achterzijde container circa 1,5 meter vrije ruimte voor zijwaartse beweging. Zorg voor schuttingen of hagen achterkant. Dit geeft ruimte voor verplaatsing. 3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik Aanbiedplaatsen mogen niet in brandgangen liggen en mogen de doorgang voor voetgangers niet belemmeren. Dit zorgt voor verkeersveiligheid en toegankelijkheid. 3.2 Gezonde, veilige leefomgeving Tussen opstelplaats inzamelvoertuig en te legen ondergrondse containers mogen geen parkeerplaatsen worden gesitueerd. Dit geeft ruimte voor machines en voorkomt schade. 3.2 Gezonde, veilige leefomgeving 4.10.4 Verzamelcontainers bij hoogbouw Uitgangspunten inrichting Waarom Verwijzing ambities H3 Bij hoogbouw verzamelcontainers gebruiken voor verschillende afvalstromen. Dit zorgt voor afval sortering. 3.3 Circulaire economie Plaats bij appartementengebouwen bovengrondse verzamelcontainers voor GFT-afval. Gemiddeld één verzamelcontainer per 10 woningen. Dit zorgt voor hygiëne en efficiënte afvalverwerking. 3.3 Circulaire economie Verzamelcontainers goed bereikbaar voor inzameldienst plaatsen. Dit is praktisch. 3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik Geen obstakels rondom verzamelcontainers plaatsen, zoals afzetpalen, hekwerken of parkeerplaatsen. Dit zorgt voor onderhoudbaarheid en toegankelijkheid. 3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik 5Operationele inrichtingseisen – materialisatie en specificatie Dit hoofdstuk beschrijft de operationele inrichtingseisen zoals de specifieke maten, materialen, uitvoeringsdetails en kwaliteitseisen voor de verschillende onderdelen van de openbare ruimte. 5.1Grondwerk Maten en materialen Voor grondwerken dienen de Standaard RAW Bepalingen te worden gehanteerd. 5.2Kabels en leidingen Maten en materialen In het nutstracé dient schoon zand te worden gebruikt of aanwezig te zijn, conform het standaard nutstracé. Zie AVOI en Handboek kabels en leidingen gemeente Heumen. 5.3Riolering en water 5.3.1 Algemeen Maten en materialen Minimale diameter van gesloten hoofdleidingen (HWA en DWA) is 250 mm Afstand tussen kruisende leidingen ter plaatse van de mof is minimaal 20 cm Tussen nabijgelegen putten (HWA-, DWA- of pompput) moet minimaal 1,00m tussen de putwanden worden aangehouden. Afstand van hoofdriool tot privaat terrein is minimaal 3 meter Dekking van gesloten leidingen is minimaal 1,30 m en maximaal 4,00 m. Afwijken kan, mits rioolbeheerder akkoord Dekking gesloten leiding bij voorkeur boven grondwaterspiegelniveau Aansluitleidingen haaks ontwerpen en realiseren op het hoofdriool Minimale diameter infiltratieleiding: 315 mm Funderingslaag rioolbuis of put: minimaal 20 cm zand Infiltratiesystemen toegankelijk en reinigbaar met vuil afvangende voorzieningen (bladscheiders, vuilkorven, zandvangers, ontluchting) Bovengronds ontwerp: beperking vervuilingen (blad, zand) meenemen in ontwerp Aansluitingen op hoofdriool uitvoeren d.m.v. 45-graden bochten; kolken en huisaansluitingen ook middels 45-graden bochtstukken 5.3.2 Vuilwaterafvoer (VWA) Maten en materialen Putten inwendig minimaal 100 × 100 cm² van beton of Ø 100 cm² van kunststof onder KOMO-keur; putafdekkingen bestand tegen zwaar verkeer Putrand en putdeksel voorzien van tekst 'vuilwater' of 'VW' PVC-buizen minimaal 40% recyclaat Buizen tot en met Ø 600 mm van PVC-klasse SN 8 (klasse 34) kleur roodbruin Buizen vanaf rond 500 mm in beton met minimaal 10% gerecycled materiaal Alle hulpstukken klasse SN 8 (klasse 34) Knevelinlaten Ø 125 mm, flexibele bochten 90°, flexibel stroom T-stukken 90°, ontstoppingsstukken rond 315 mm met klemdeksel Alle buizen voorzien van KOMO-keur Buiskleur VWA roodbruin 5.3.3 Hemelwaterafvoer (HWA) Maten en materialen Putten inwendig minimaal 100 × 100 cm² van beton of Ø 100 cm² kunststof onder KOMO-keur; putafdekkingen bestand tegen zwaar verkeer; voorzien van tekst 'Hemelwater' of 'Infiltratiewater' Afvoercapaciteit straatgoten minimaal 60 l/s/ha Buizen tot en met Ø 600 mm van PVC-klasse SN 8 (klasse 34) Buizen vanaf rond 500 mm in beton met minimaal 20% gerecycled materiaal; prefab inlaten onder KOMO-keur Alle hulpstukken klasse SN 8 (klasse 34) Knevelinlaat Ø 125 mm, flexibele bochten 90°, flexibel stroom T-stuk 90°, ontstoppingsstuk met klemdeksel PE-buizen en PVC-buizen voorzien van haaksgeslepen spie-einden; afgezaagde buiseinden haaks vijlen Van toepassing: NEN-7067, NEN-7068, NEN-EN-124 Straatkolken klasse Y, TBS Soest type STR 9737 of gelijkwaardig Trottoirkolken klasse Y, TBS Soest type TRK 4718 of gelijkwaardig Kolken aangesloten op IT-systeem voorzien van waaiersymbool en vuilfilter Diepte-infiltratie d.m.v. horizontale infiltratie (buizen dieper dan 1,00
- m)voorzien van vergrendelbare kop en vuilfilterkorf; bij infiltratie in grondwater reinigbare voorziening voor voorfiltering; aansluiten d.m.v. 45-gradenbochten Buiskleur HWA grijs of groen 5.3.4 Pompen en drukriolering Maten en materialen Pompput voor hoofdgemaal minimale afmeting 1,50 m × 1,50 m en 90 cm diepte onder b.o.b.; intredende buis in beton of PE Veiligheidsrooster onder toegangsluik in 2 delen deelbaar Alle bevestigingsmiddelen corrosiebestendig (RVS 316 of gelijkwaardig) Ontvangstkelder elk hoofdgemaal en lozingspunt standaard voorzien van geurfilter in RVS met uitneembare en vervangbare cassettes met actief koolfiltersysteem (bijv. Morselt OFK geurfilter RVS 316, conisch DIN 300) Rondom druk- of hoofdgemaal minimaal 50 cm straatwerk aanbrengen Besturing gemalen via telemetrie GPRS/4G modem aansluiting op gemeentelijke hoofdpost (H2GO); GPRS-abonnement/Simkaart als directielevering Aarding voeding: installatiekast met inkomende voeding voorzien van afzonderlijke aarding Maximaal 5 woningen per drukrioolpompput aansluiten Afstand pompput tot besturingskast maximaal 3 meter Besturingskast op eigen fundatie plaatsen Spindelsleutel in besturingskast van hoofdgemalen aanwezig Elke besturingskast extra 240 volt WCD Elke besturingskast voorzien van complete set met alle tekeningen Besturingskast van hoofdgemalen van RVS 316; LBH ter goedkeuring gemeente; kleur RAL 7034 geel/grijs gespoten; voorzien van anti-graffitibehandeling 5.3.5 Drukriool – Besturingskast minigemaal (moederkast) Maten en materialen Leverancier: STAKA type RH800-IP43 Buitenmaat ca. 1200 × 800 × 350 mm (h×b×d); nuttige montagebord ruimte 1090 × 660 mm (h×b); inbouwdiepte ca. 260 mm RVS schakelkast minimaal 2,0 mm Kleur RAL 7034 geel/grijs gespoten; inclusief losse RVS fundatie minimaal 25 cm, maximaal 30 cm hoog in dezelfde kleur Draaideur met zwenkhevel, driepuntsluiting, 1/2 euro profielcilinder, deuruitzetter en tekeninghouder 5.3.6 Drukriool – Besturingskast minigemaal (dochterkast) Maten en materialen Leverancier: STAKA type PSZ445 Buitenmaat ca. 590 × 425 × 270 mm (h×b×d); nuttige montagebord ruimte 570 × 410 mm (h×b); inbouwdiepte ca. 225 mm RVS schakelkast minimaal 1,5 mm Kleur RAL 7034 geel/grijs gespoten; inclusief losse RVS fundatie minimaal 25 cm, maximaal 30 cm hoog in dezelfde kleur Insteekdeur met schroefcilinder of zwenkhevel en tekeninghouder 5.3.7 Drukriool – Sloten en aanduidingen Maten en materialen Cilindersloten en hangsloten volgens gemeentelijk standaard (opvraagbaar bij rioolbeheerder) Objectnummer stickers op besturingskast bijv. 9900-01 drukriool en gemalen HMN-GEM-21; formaat 35 × 200 mm; achtergrond geel; letterkleur zwart; materiaal reflecterend Storing sticker, waarschuwingssticker elektrische spanning, spanning sticker aanleveren 5.3.8 Drukriool – Apparatuur en onderdelen Maten en materialen Alarmlamp rood, meerpuntsled slagvast (type Xylem) standaard op drukrioolbesturingskast Storingen drukriool middels rode lamp uitgemeld; meldingen: thermisch uit, hoogwater Drukrioolpompen versnijdend type Homa GRP 26 (1,9 kw), Homa GRP 36D (3,1
- kw)of Flygt MP3069 HT250 (3 fase, 2,4
- kw)Pompen in hoofdgemalen: geen voorkeur, echter merk en type ter goedkeuring gemeente met berekening en rendementcurve Hijskettingen en geleidestangen van RVS 316 Balkeerinrichting in gietijzer Persleidingen in HDPE met bruine streep (afvalwater); gekoppeld middels spiegellassen Persleidingen voorzien van doorspuitconstructie om de xx meter; constructie omhoog gewerkt net onder maaiveld; voorzien van standaard rioolinspectieputafdekking met passende tekst in rand en deksel Ontluchtingstoestel aanbrengen waar persleiding in zinker of onder watergang doorloopt; op hoogste punt voor afdaling en/of na stijging 5.3.9 Wadi's Maten en materialen In wadi's Cruydthoek G1/biodivers wadimengsel of vergelijkbaar toepassen afhankelijk van bodem, in overleg met gemeente Voorkeur taludhelling 1:6, daar waar mogelijk nog flauwer Bekleding taluds: Gras max. 1:5; Ruw gras max. 1:3; Vaste planten (mengsel in overleg gemeente) max. 1:1 Planten van waterminnende boomsoorten in wadi in mineraalrijke teelaarde; overige ontwerpeisen afhankelijk van locatie, in overleg met gemeente Bereikbaarheid ten behoeve van onderhoud gewaarborgd 5.4Verhardingen 5.4.1 Algemeen Maten en materialen Aanleg conform standaard eisen RAW en richtlijnen CROW Knipnaden zoveel mogelijk vermijden d.m.v. invlechten Straatwerk vlak en strak leggen met rechte doorgaande lintvoegen. Keperstenen en halve stenen bestellen of machinaal zagen Kwaliteit te leveren producten onder KOMO-certificaat; voor gebakken materialen A4-12; Duurzame betonproducten zoveel mogelijk met certificaat BRL K11002 Elementenverhardingen onkruidbeperkend: voegbreedte beperken; invoegen bij voorkeur met brekerzand. Een duurzame optie is invoegen met olivijn Elementenverhardingen onkruidwerend maar waterdoorlatend voegen met geschikt voegmateriaal; brekerzand voor alle wegtypes incl. invegen i.v.m. mieren en onkruid Ten behoeve van bouwverkeer tijdelijke bouwstraten met voldoende afwateringsmogelijkheden aanleggen; bouwstraten geschikt voor zwaar verkeer Bij elementverharding uitgaan van gebakken materialen Aansluitingen bestaande wegen uitvoeren met gelijke verharding als weg waarop wordt aangesloten, geschikt voor zwaarste verkeersbelasting De puinverharding aanbrengen met een overbreedte van 0.30m ten opzichte van kant verharding. Het zandbed aanbrengen met een overbreedte van 0.30m ten opzichte van het puinbed. Tussen rijbaan en verhoogd trottoir betonband aanbrengen bij voorkeur 180/200 × 250, aangebracht in stampbeton op funderingslaag; evt. voorzien van twee streklagen/gootklinkers van gebakken klinkers gesteld in beton Verkeersdrempels en plateaus conform afmetingen en maatvoering CROW-publicatie Drempels en overige inrichtingselementen met verkeersfunctie wit en zwart duurzaam reflecterend uitvoeren (incl. evt. betonbanden) met witte of zwarte reflecterende toplaag van natuurlijk kleurmineraal 5.4.2 Rijbanen asfalt Maten en materialen De onderstaande asfaltopbouw per wegtype kan als basis worden gebruikt, maar dient ter controle te worden onderbouwd met een constructieberekening waarbij de plaatselijke ondergrond en verkeersintensiteit zijn verdisconteerd. Wegtype Ondergrond Laagdikte (
- mm)Constructie laag Materiaal Gebiedsontsluitingsweg type II, 80km/u Zand 30 deklaag SMA-NL 8B Erftoegangsweg type I en II, bubeko, 60km/u 80 onderlaag AC 22 base OL-B Kruisingen en aansluitingen 300 fundering Menggranulaat 0/31,5 500 zandcunet Zand voor zandbed Gebiedsontsluitingsweg type II, 80km/u Zand 35 deklaag AC 11 surf DL-B Erftoegangsweg type I en II, bubeko, 60km/u 75 onderlaag AC 22 base OL-B Doorgaande wegvakken 300 fundering Menggranulaat 0/31,5 500 zandcunet Zand voor zandbed Gebiedsontsluitingsweg type II, 80km/u Klei/silt/leem 30 deklaag SMA-NL 8B Erftoegangsweg type I en II, bubeko, 60km/u 50 tussenlaag AC 16 bind TL-B Kruisingen en aansluitingen 60 onderlaag AC 22 base OL-B 300 fundering Menggranulaat 0/31,5 500 zandcunet Zand voor zandbed Gebiedsontsluitingsweg type II, 80km/u Klei/silt/leem 30 deklaag AC 11 surf DL-B Erftoegangsweg type I en II, bubeko, 60km/u 50 tussenlaag AC 16 bind TL-B Doorgaande wegvakken 60 onderlaag AC 22 base OL-B 300 fundering Menggranulaat 0/31,5 500 zandcunet Zand voor zandbed 5.4.3 Rijbanen – elementen Maten en materialen Standaard worden binnen gemeente Heumen straatbakstenen toegepast. Gebakken straatstenen (straatklinkers) die toegepast worden zijn: Dikformaatstenen, dikte 60mm, Kwaliteitsklasse A, sortering 4-12. Keiformaten, dikte 60mm, Kwaliteitsklasse A, sortering 4-12. Lingeformaten, dikte 60mm, Kwaliteitsklasse A, sortering 4-12. We kiezen, waar mogelijk, bewust voor dunnere stenen, omdat dit minder materiaal kost. Kleuren dienen te worden afgestemd met gemeente Heumen. De rijbaan uitvoeren in keperverband. Gebruik maken van fabrieksmatig gezaagde keperstenen bij straatbakstenen. De onderbouw van de verharding bestaat uit: uitgangspunt is gebakken elementenverharding 50mm straatlaag (split of brekerzand) 250mm menggranulaat 0/31,5 500mm zand in zandbed (minimaal) Invegen met split of brekerzand Wegen aanleggen tonrond, ook bij een hangend profiel (op 1 oor) , afschot minimaal 2,5 % maximaal 3,0 % 5.4.4 Fietspaden - asfalt Maten en materialen De afweging van het type verharding en kleur ligt bij de wegbeheerder van de gemeente Heumen. Het uitgangspunt is dat op de hoofdwegen en buiten de bebouwde kom fietspaden van asfalt worden toegepast. Fietspaden moeten zodanig geconstrueerd zijn dat zij met een lichte vrachtwagen te berijden zijn. De breedte moet in overleg met de gemeente worden bepaald. Fietspaden dienen minimaal 2,5 % afschot te hebben. Fietssuggestiestroken asfaltmengsels volgens de opbouw van de hoofdweg, zie 5.4.2 Rijbaan -asfalt. De rode deklaag voorzien van minimaal 3% rood pigment. De opbouw van de asfaltverharding volgens onderstaande tabel ontwerpen. Zorg voor voldoende stroef mineraal om de vereiste SRT-waarde te halen. Fietspad Ondergrond Laagdikte (
- mm)Constructie laag Materiaal Vrij liggende solitaire fietspaden Zand 30 deklaag AC 8 surf DL-A (rood) 30 tussenlaag AC 16 bind TL-A 60 onderlaag AC 16 base OL-B 300 fundering Menggranulaat 0/31,5 500 zandcunet Zand voor zandbed 5.4.5 Fietspaden - elementen Maten en materialen Fietspaden moeten zodanig geconstrueerd zijn dat zij met een lichte vrachtwagen te berijden zijn. De breedte moet in overleg met de gemeente worden bepaald. Materialen in fietspaden naast of nabij de rijbaan: Dubbelklinkers formaat 200x200x80mm, kleur rood (door-en-door) As-markering: 1-3 markering bestaande uit dubbelklinkers 200x200x80mm, kleur wit (door-en-door) 50mm straatlaag 250mm menggranulaat 0/31,5 (minimaal) 300mm zand in zandbed (minimaal) Fietspaden dienen minimaal 2,5 % afschot te hebben. De fietspaden dienen in halfsteensverband gelegd te worden. Gebruik maken van geprefabriceerde halve stenen bij betonstraatstenen (keiformaat klinkers). 5.4.6 Parkeerplaatsen Maten en materialen Haaksparkeren minimaal 2.50x5.00m, langs groenstroken dient het parkeervak 2.80m breed uitgevoerd te worden. Rijbaan breedte bij haaksparkeren minimaal 6.00m. Langsparkeren minimaal 2.00x6.00m, op kopse kant parkeervak afschuining van 135° aanbrengen. Deze afschuining valt buiten de minimale breedte van het langsparkeervak. Parkeervak scheiding aanbrengen van witte stenen of stenen met afwijkende kleur ten opzicht van de stenen in de parkeervakken. Deze inpassen in het verband. Standaard worden binnen gemeente Heumen straatbakstenen toegepast. Gebakken straatstenen (straatklinkers) die toegepast worden zijn: Dikformaatstenen, dikte 60mm, Kwaliteitsklasse A, sortering 4-12. Keiformaten, dikte 60mm, Kwaliteitsklasse A, sortering 4-12. Lingeformaten, dikte 60mm, Kwaliteitsklasse A, sortering 4-12. Grasstenen, zoals Greenflow. Steenkeuze en steenkleuren dienen in afstemming met gemeente Heumen te worden bepaald. Parkeerplaatsen uitvoeren in elleboogverband. Gebruik maken van fabrieksmatig gezaagde halve stenen bij straatbakstenen en geprefabriceerde halve stenen bij betonstraatstenen De onderbouw van de verharding bestaat uit: uitgangspunt is gebakken elementenverharding 50mm straatlaag (split of brekerzand) 300mm menggranulaat 0/31,5 500mm zand in zandbed (minimaal) Invegen met split of brekerzand Parkeerstroken en parkeerterreinen dienen minimaal 2,5 % afschot te hebben. 5.4.7 Voetpaden en inritten Maten en materialen Voetpaden en trottoirs uitvoeren in elementenverharding in overeen te komen materiaalsoorten en kwaliteiten, aansluitend bij materiaal in omgeving; uitvoering tegels (30×30 cm, dikte 60
- mm)of gebakken materiaal (klinkerverharding) Ter plaatse van inritten elementenverhardingen in stroomlagen minimaal 60 mm dik. Inritblokken 60 cm diep of verlaagde banden (afhankelijk beschikbare breedte trottoir). De onderbouw van de verharding bestaat uit: Uitgangspunt is gebakken elementenverharding of hergebruikte betontegels (30x30x6cm) 300mm zand in zandbed (minimaal) Invegen met split of brekerzand Voetpaden uitvoeren in halfsteensverband. In bochten in het voetpad in stroomlagen toepassen. Eventueel in halve betontegels. Ter plaatse van inritten naar woningen het voetpad in stroomlagen uitvoeren. In voetpaden nabij wegkruisingen oversteek mogelijkheden maken t.b.v. toegankelijkheid: verlaagde trottoirband of met perronbanden, voorzien van geleide- en waarschuwingsmarkeringen, goede vlakheid in aansluitende gootlagen; 6 gele noppentegels en 6 witte geleidetegels per oversteek. 5.4.8 Inritelementen Maten en materialen Bij inritten dient het trottoir visueel door te lopen. Inritten naar woonerven, verblijfsgebieden en zijwegen: minimaal inritbanden 600 x 500 x 200 mm. Indien banden 13/15 zijn toegepast, dan inritbanden 650 x 500 x 200 mm toepassen. Inritbanden stellen in beton met steunrug van betonspecie. Inritten bij trottoirs < 1,50m breed, trottoir uitvoeren met inritverloopbanden. Oversteekplaatsen in bochten realiseren met gezaagde bochtbanden welke naar maaiveld verlopen. Ter plaatse van inritten elementenverhardingen in stroomlagen minimaal 60 mm dik Inritten naar woonerven, verblijfsgebieden en zijwegen: Ter breedte van de inrit dubbelklinkers 80 mm toepassen, gefundeerd op 200 mm menggranulaat 0/31,5 mm en op 50 mm brekerzand gestraat. Bij inritten voor zware bedrijfswagens en vrachtauto's dubbelklinkers dik 80mm toepassen, gefundeerd op 300mm menggranulaat 0/31,5 5.4.9 Mindervalide oversteekplaatsen en geleidetegels Maten en materialen Mindervalide oversteekplaatsen worden toegepast op kruisingsvlakken, zodat men veilig de weg kan oversteken. “Klik” aan kantopsluitingen en gootlagen mag bij minder valide oversteekplaatsen maximaal 5mm bedragen. Bij het ontwerp van de wegen dient met de gemeente te worden overlegd waar de oversteekplaatsen worden aangelegd. Daar waar nodig dienen tegels voor visueel gehandicapten (geleidetegels) te worden aangebracht. Nabij openbare voorzieningen, winkels, woningen waar veel ouderen wonen en openbaarvervoer moeten voorzieningen voor mindervalide weggebruikers worden aangelegd. Uitvoering van de oversteekplaatsen is uitgewerkt in de Details nrs. 24, 25 en 26 in het Detailboek gemeente Nijmegen. 5.4.10 Gootconstructies Maten en materialen Gootlagen langs asfaltverhardingen van 2 strekse lagen stenen (keiformaat), te stellen op de fundering in betonspecie (minimaal 10cm dik). Steenkleur afstemmen op stenen in de omgeving of in het plan. Watervoerende laag langs bestratingen van straatklinkers in keiformaat aanbrengen. Steenkleur is dezelfde als in de rijbaan. Twee streklagen als goot toepassen op de fundering in betonspecie (minimaal 10cm dik). Molgoten langs bestratingen van elementenverharding dienen minimaal 500 mm breed te zijn, te stellen op de fundering in betonspecie (minimaal 10cm dik). Er dient een streklaag tussen de kolk en de bestrating van de rijbaan te worden aangebracht. Molgoten langs parkeervakken: indien een parkeerstrook langs de weg geprojecteerd is, dient de molgoot 500 mm breed te zijn en te worden aangebracht op de fundering in betonspecie (minimaal 10cm dik). Molgoten in het midden van de weg uitvoeren in dezelfde stenen als de rijbaan. Breedte van de molgoten afstemmen op de toe te passen straatkolken. Molgoten moet hol gestraat worden. Getrapte goten zijn niet toegestaan. “Klik” in molgoten maximaal 1 cm 5.4.11 Kantopsluitingen Maten en materialen Binnen de bebouwde kom worden de onderstaande kantopsluitingen toegepast: Langs gebiedsontsluitingswegen: trottoirbanden 180/200 x 250mm in stelbeton voorzien van steunrug. Langs erftoegangswegen type I of parkeervakken: trottoirbanden 130/150 x 250mm in stelbeton voorzien van steunrug. Langs erftoegangswegen type II of parkeervakken: geleidebanden 70/200 x 200mm of opsluitbanden 120 x 250mm in stelbeton voorzien van steunrug. Langs fietspaden (elementen): geleidebanden 70/200 x 200mm of opsluitbanden 120 x 250mm in stelbeton voorzien van steunrug. Langs fietspaden (vrij liggend in asfalt): geen kantopsluiting. Langs trottoirs vrij liggend: opsluitbanden 100 x 200 in stelbeton voorzien van steunrug. Langs graskanten: opsluitbanden 100 x 200 in stelbeton. Langs trottoirs aanliggend: opsluitbanden 100 x 200 langs erfgrenzen zonder stelbeton, langs groenstroken in stelbeton. Samenstelling stelbeton: cementloze stelbeton heeft de voorkeur boven cement houdende stelbeton. Kleur van de kantopsluitingen is standaard antraciet/donkergrijs. In overleg met gemeente Heumen kunnen langs asfaltverhardingen of betonnen elementenverhardingen lichtgrijze kantopsluitingen worden toegepast. 5.5Groenvoorzieningen 5.5.1 Bomen Maten en materialen Bomen toepassen die klimaatbestendig zijn en natuurwaarde hebben; Ontwerp met volwassen groeiruimte van bomen in de boven- en ondergrond. Groeiplaats ontwerpen volgens Handboek Bomen. Minimale te planten boommaat 16-18cm stamomtrek op 1,0m hoogte. Bomen met takvrije stam van 2,5m bij aanplant. Als de boom volledig vrij kan uitgroeien en geen zicht belemmerd kan een beveerde boom worden aangeplant. Bomen bij aanplant voorzien van 3 st. onbehandelde boompalen en boombanden aanbrengen voor voldoende verankering Bomen voorzien van herbruikbare gietranden; Gietranden en wortelschermen aanbrengen volgens leveranciersomschrijving. Bij nieuwe aanplant bodemverbetering toepassen conform Handboek Bomen. Bomen in verhardingen voorzien van ondergrondse voorzieningen volgens Handboek Bomen Voorkeur grondverbetering i.p.v. kunststof materialen in de bodem. Aantonen toegepaste materialen bij aanleg (certificaat). Bomen en groen aanplanten vanaf 1 november tot 1 maart. 5.5.2 Plantvakken Maten en materialen Grond ter plaatse groenvoorzieningen minimaal 40 cm diep loswerken en mengen met natuurcompost 0-15, afgestemd op de aan te brengen beplanting. Ter plaatse plantvakken en gazon grond vrij maken van onkruiden. Indien onkruidvrij maken niet lukt, dan dient minimaal 40 cm teelaarde met RAG-keurmerk aangebracht te worden. De plantvakken dienen vrij te zijn van puin. Indien puin in bovengrond aanwezig is, dient dit middels zeven (tot 2cm korrelgrootte) te worden verwijderd uit minimaal de bovenste 0,5m van de grond. Groenvakken afwerken 20 mm onder naastgelegen kantopsluiting. Bomen en groen aanplanten vanaf 1 november tot 1 maart. 5.5.3 Gazon Maten en materialen Terrein voor grasaanleg vlak en strak profileren en puinvrij afwerken en inzaaien met grasmengsel (samenstelling Gazon SV7, kruidenrijk gras inheems en in overleg met gemeente). Inzaaien tussen half maart en begin juni, maar voorkeur van september tot en met oktober. Graszaad kiemt doorgaans bij een bodemtemperatuur vanaf 10°C. 5.6Openbare verlichting Maten en materialen Staal verzinkte masten en gecoate masten (DCC-coating) in RAL 7032, hoogte 4 m of 6 m met losse uithouder 1,5 m Lichtbron: LED-lampen lichtkleur 3000K Standaard armaturen: Lightronics KFK RAL 7032 (16 led, klasse I, lens code 6, 3000K, 1600 lumen bruto, systeemvermogen 11,2 W, topmaat 60 mm, st 5,00 L) met geïntegreerde dimbare driver dimregime 3A, inclusief fabrieksmatig aansluitsnoer 3×1,5 mm² Alternatief: Schreder Axia 2.1 (16 led, klasse I, lens 5165, 3000K 830, 2528 lumen bruto, systeemvermogen 18,2 W, 350 mA, topmaat 60 mm, st 5,00 L) met geïntegreerde dimbare driver dimregime 3A, inclusief aansluitsnoer 3×1,5 mm² Spiegeloptiek conform bijbehorende straatprofiel en armatuurlocatie Masten voorzien van zwarte maaibescherming type HMR® Lichtberekening vooraf opstellen ter goedkeuring gemeente Onderhoud: bereikbaar, afstemming boomkroonvolume, staal gecoat kleur RAL 9032 / 7016, hoogtes 4 / 6 / 8 meter, LED, DIM 3a, Axia 2.1, KFK, Teceo's 5.7Straatmeubilair 5.7.1 Algemeen Maten en materialen Picknickset type in overleg met gemeente Heumen te bepalen. Fietsbeugels in centrumgebied van Malden – Velopa RVS fietsnietje, breedte 90cm, type Leon met betonblokken onder bestrating Fietsbeugels in overige gebieden – Velopa fietsnietje 90cm, kleur antracietgrijs poedercoating, type Leon met betonblokken onder bestrating Bij materiaalkeuze rekening houden met schoonhouden, vandalisme en verkeersveiligheid. Rondom straatmeubilair tot 0,50 m uit element bestrating aanbrengen i.v.m. bereikbaarheid onderhoudsvoertuigen en tegengaan onkruidgroei. Afwerking verharding rondom ronde elementen met koud asfalt of dichtknippen. 5.7.2 Banken Maten en materialen Banktype: Piano van Velopa RAL 7016 op betonplaat indien geen verharding aanwezig of zonder betonplaat indien zitbank in de verharding staat. Op hoofdlooproutes en looprouten nabij openbare voorzieningen dienen zitbanken met leuningen (ander type dan Piano van Velopa) te worden geplaatst. 5.7.3 Afvalbakken Maten en materialen Afvalbaktype Bammens Capitole Prestige RAL 7016 of nader overeen te komen. Bij hondenuitlaatplaatsen de afvalbak voorzien van klep en hondenpoepsymbool. 5.7.4 Verkeerspalen Maten en materialen Vaste palen kunststof recycle diamantkoppalen met reflecterende banden rood-wit. Niet in rijloper plaatsen. Uitneembare palen Falco type Bowler, diameter 90 mm met bolkop, poedercoating RAL 3020 rood, 2 witte reflecterende banden, lengte 82 cm, sluiting 3-kant snelsluitsysteem of cilinderslot; inclusief betonvoet en extra betonvoet t.b.v. tijdelijke plaatsing berm. Inclusief inleidende markering conform CROW Op hoofdfietsnet plaats X-Last® Fietspadpaal rood/wit 800
(985)× 150 mm Ø; inclusief inleidende markering 5.7.5 Bebording Maten en materialen Straatnaam- en verwijzingsborden retro-reflecterende uitvoering conform gemeentelijk model Huisnummerborden conform gemeentelijk model Verkeers-, straatnaam- en verwijzingsborden bevestigd aan verzinkte stalen flessenhalspalen, diameter 60 mm, 80 cm onder grond Bebording conform RVV (reflectienorm), dubbel omgerand (DOR) 20 jaar klasse 3 Hoogte onderkant onderste bord op/langs fiets-voetpad minimaal 2,20 m 5.8Speelvoorzieningen Maten en materialen Gemeente Heumen werkt volgens principes 'Natuurlijk spelen' met zoveel mogelijk natuurlijke materialen Robinia hout toepassen; FSC gekeurd en constructief goed Materialen duurzaam en toekomstbestendig (verdere specificatie volgt) Fabricaat en type speelvoorzieningen nader af te stemmen met gemeente Heumen. Speelvoorzieningen en ondergrond moeten voldoen aan Attractiebesluit. Zandondergrond (valzand); bij uitzondering fijn grind of boomschors. Trapvelden in gras uitvoeren met twee doelen; indien nodig hekwerk plaatsen. Bij speelplekken geen bomen/struiken met giftige bessen, vruchten of stekels toepassen. 5.9Civiele kunstwerken 5.9.1 Algemeen Maten en materialen Onderhoudsvriendelijke wandbekleding (voorbeeld volgt) Zichtvlakken voorzien van permanente anti-graffiticoating 5.9.2 Levensduur onderdelen kunstwerken Maten en materialen Kunststof dek (composiet) 50 jaar Houten dek 20 jaar Alle slijtlagen minimaal 10 jaar Voegovergangen rijweg 10 jaar Bij ontwerp en detaillering aannemelijk maken dat bovengenoemde levensduren haalbaar zijn 5.9.3 Bruggen en viaducten Maten en materialen Tegengaan vuilophoping tussen dek en houten of kunststof staanders d.m.v. afstandhouders tussen aansluiting staanders op dek Brugdek voorzien van (fabrieksmatig aangebrachte) anti-sliplaag ter voorkoming van uitglijden Bij vrije overspanning tot en met 10 meter: Verschijningsvorm en materiaal leuningen: verschillende basisvormen met variabel uiterlijk af te stemmen op omgeving; fundering op staal Bij vrije overspanning groter dan 10 meter: Brug uit één volcomposiet constructie of uit stalen liggers met composiet dek (voorkeursvariant); leuningen RVS; vaste basisvorm leuningen met variabel uiterlijk af te stemmen op omgeving; fundering op onderheide betonnen landhoofden Fiets- en voetgangersbruggen uitvoeren in composiet (kunststof) Alle bevestigingsmiddelen RVS (roestvast staal) 5.9.4 Duikers Maten en materialen Voorkeur doorsnede minimaal diameter 800 mm met 1/3 lucht; lengte zo kort mogelijk Ronde buizen: bij voorkeur HDPE (PE), Glasvezel Versterkt Kunststof (GVK), beton conform BRL 9201 en NEN-EN 1917, Spirosol (of gelijkwaardig) 5.9.5 Aanlegvoorzieningen/Vlonders/Steigers Maten en materialen Kunststof dek met epoxy-slijtlaag toepassen ter beperkingen onderhoudskosten Stroeve deklaag toepassen ter bevordering veiligheid gebruikers Hoogte steiger afstemmen op het gebruik Bij getijdenwater drijvende steigers toepassen 5.9.6 Trappen Maten en materialen Bij glad materiaal anti-sliplaag toepassen Bij hoogteverschillen meer dan 0,75 m leuningen aanbrengen op 1,00 m hoogte 5.10Reiniging en afvalinzameling Maten en materialen Geen gif gebruiken 6Werkafspraken en richtlijnen per onderdeel Dit hoofdstuk beschrijft de werkafspraken en richtlijnen voor het uitvoeren van projecten in de openbare ruimte van gemeente Heumen. Het legt vast wat de verantwoordelijkheden zijn van de initiator (projectontwikkelaar, aannemer of gemeente) en op welke momenten welke gegevens moeten worden aangeleverd. Per onderdeel is aangegeven op welke thema’s dit betrekking heeft. Legenda thematische ambities: H3.1 = Klimaatbestendig en klimaatneutraal H3.2 = Gezonde, veilige en groene leefomgeving H3.3 = Circulaire economie H3.4 = Inclusieve samenleving H3.5 = Natuurinclusief H3.6 = Zorgvuldig ruimtegebruik De onderstaande werkafspraken gelden voor de volgende fasen: Ontwerpfase: het maken van plannen en tekeningen Uitvoeringsfase: het bouwen en realiseren Revisiefase: het documenteren van de nieuwe situatie na afronding van de werkzaamheden Oplevering en overdracht: het overdragen van de openbare ruimte aan de gemeente inclusief de revisie- en inspectie-gegevens 6.1Algemene werkafspraken geldend voor alle onderdelen 6.1.1 Zekerheid (waarborgsom) Aspect Vereiste Minimumbedrag Doel Thema Zekerheid geven 5% van realisatiekosten € 10.000 Bescherming gemeente bij niet-nakoming H3.6 6.1.2 Afzetting werkterrein Regelgeving Verantwoordelijkheid Vereiste Opmerking Thema Werkterrein afzetten Initiator Voor aanvang werk met hekken Voorkoming ongecontroleerde toegang H3.2, H3.6 Opslag materiaal en grond Initiator Alleen op werkterrein Niet buiten werkterrein H3.3, H3.6 Opslag machines en materieel Initiator Alleen op werkterrein Voorkoming verstoring openbare ruimte H3.3, H3.6 6.1.3 Afste