Participatieverordening gemeente Heeze-Leende 2026De gemeenteraad van de gemeente Heeze-Leende; na het lezen van het voorstel van het college d.d. 27 januari 2026/ nummer: 454513; met inachtneming van artikelen 149 en 150 van de Gemeentewet, de artikelen 3.1, 2.4 en 3.4 van de Omgevingswet en de artikelen 10.7, 10.2 en 10.8 van het Omgevingsbesluit; gelet op de Wet versterking participatie op decentraal niveau; gezien de ‘Beleidsnota Participatie Omgevingswet gemeente Heeze-Leende 2023’; gezien de inspraakreacties en de Nota van Zienswijzen; overwegende dat: meer invloed van (meer) inwoners op - het voorbereiden, uitvoeren en evalueren van -beleid en het gebruikmaken van hun kennis en kunde, ertoe bijdraagt dat het beleid beter aansluit op hun leefwereld; en door de samenwerking tussen gemeente en inwoners, ondernemers, maatschappelijke partijen en andere belanghebbenden te versterken en duidelijkheid te geven over hoe de participatie werkt, het draagvlak voor beleid wordt vergroot; en de participatieve democratie wordt versterkt door inwoners te laten meedoen en inwoners- en maatschappelijk initiatief - binnen de mogelijkheden van de gemeente - te ondersteunen; het in deze verordening regelen van de participatie bij wijziging of vaststelling van gemeentelijke kerninstrumenten van de Omgevingswet - omgevingsvisie, omgevingsplan of programma’s - bijdraagt aan een overzichtelijke en eenduidig geregelde participatie; besluit vast te stellen, de volgende verordening: Participatieverordening gemeente Heeze-Leende 2026. Hoofdstuk1- Inleidende bepalingen Artikel1.Begripsomschrijvingen In deze verordening wordt verstaan onder: beleid: gedragslijn, project, programma of plan van de gemeente om een bepaald doel te realiseren; bestuursorgaan: bestuursorgaan zoals beschreven in artikel 1:1 lid 1 van de algemene wet bestuursrecht. Voor de gemeente Heeze-Leende zijn de bestuursorganen: de gemeenteraad, het college en de burgemeester; beleidsvoornemen: voornemen van een bestuursorgaan tot het vaststellen of wijzigen van beleid; college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heeze-Leende; inspraak: de mogelijkheid die een bestuursorgaan biedt aan inwoners, bedrijven en maatschappelijke organisaties om hun zienswijze naar voren te brengen (mening te geven) over beleidsvoornemens voordat een definitief besluit wordt genomen, volgens artikel 150 lid 2 van de gemeentewet; inwoners: ingezetenen van de gemeente Heeze-Leende, volgens artikel 2 van de gemeentewet; inwonersparticipatie: het op initiatief van de gemeente betrekken van inwoners, inwonerscollectieven, dorps/en kernraden, adviesraden, (sociaal)ondernemers en andere maatschappelijke partijen bij de voorbereiding, uitvoering of evaluatie van beleid. Dit kan in de vorm van informeren, raadplegen, advies vragen en coproduceren /co-creëren (samendoen). Net als het initiatief, ligt ook de besluitvorming over het meewegen van de uitkomst van inwonersparticipatie bij de gemeente. inwonerscollectief: een groep van inwoners die gezamenlijk optreedt om een gemeenschappelijk lokaal maatschappelijk doel te bereiken en/of de eigen participatie- en organisatiegraad te versterken; inwoners-initiatiefvoorstel: een initiatiefvoorstel van inwoners vanaf 12 jaar en inwonerscollectieven, met het doel impact te hebben op de samenleving en/of de leefwereld inwoners. Voorstellen kunnen ook gericht zijn op het bevorderen van de participatie van inwoners of bijdragen aan het de beleidsdoelen of beleidsthema’s van de gemeente. maatschappelijke partijen: organisaties in gemeente Heeze-Leende zonder winstoogmerk, die tot doel hebben een actieve bijdrage te leveren aan de samenleving en/of impact hebben op de samenleving en/of de leefwereld van inwoners en/of bijdragen aan het versterken of realiseren van beleidsdoelen en beleidsthema’s of taken van de gemeente; maatschappelijk-initiatiefvoorstel: initiatiefvoorstel van maatschappelijke partijen met het doel impact te hebben op de samenleving of op de leefwereld inwoners. Het initiatief kan ook gericht zijn op het bevorderen van inwonersparticipatie, het bijdragen aan de beleidsdoelen of beleidsthema’s van de gemeente en/of gericht zijn op het versterken van de eigen participatie- en organisatiegraad; ondernemers: bedrijven, (maatschappelijke) instellingen en lokale ondernemers die statutair binnen de gemeente zijn gevestigd of in hoofdzaak binnen de gemeente hun activiteiten verrichten; sociale onderneming: onderneming van een sociaal ondernemer, zonder winstoogmerk. Een maatschappelijke partij die specifiek gericht is op het leveren van een sociaal en/of duurzame bijdrage aan de samenleving. Sociaal en/of duurzaam door toegankelijkere arbeidsmarkt; aanpakken van sociale problematiek; het versterken van gemeenschappen; maatschappelijke oplossingen gericht op het bevorderen van duurzaamheid of verduurzaming; overheidsparticipatie: de manier waarop de gemeente ondersteuning geeft of een bijdrage levert aan initiatieven van inwoners(-collectieven), sociaal ondernemers en organisaties met impact op de lokale samenleving; participatieve democratie en doe-democratie: de participatieve democratie en de doe-democratie zijn vormen van participatie waarbij er sprake is van meebeslissen en/of zelforganisatie: de vierde en vijfde trede van de participatieladder. Het initiatief, het organiseren daarvan en het (mee)beslissen over het initiatief ligt bij de inwonerscollectieven en/of -samenwerkingsverbanden; participatieve democratie: het in collectief georganiseerd verband beïnvloeden van beleid of besluitvorming via officiële kanalen zoals: inspraak, referenda, het geven van advies via raden of het indienen van petities en handtekeningenacties; doe-democratie: een vernieuwing van de participatieve democratie waarbij inwoners niet alleen via inspraak invloed uitoefenen op beleid of besluitvorming, maar zich vooral ook richten op het versterken van de organisatie- en inwonerskracht. Inwoners organiseren zich, zijn zelf direct actief en nemen initiatief, zoals het oprichten van een energie- of zorgcoöperatie. Door het zelf te ‘doen’ krijgen zij invloed op beleid of kan een behoefte direct worden vervuld. participatieladder: de participatieladder is een model dat verschillende niveaus of “treden” beschrijft waarin inwoners, ondernemers en maatschappelijke partijen worden betrokken bij het maken, uitvoeren of evalueren van beleid of bij besluitvormingsprocessen. participatieplan: een document dat bij een participatieverordening hoort en beschrijft hoe de gemeente inwoners, ondernemers en maatschappelijke partijen betrekt bij het maken van nieuw beleid, project of plan. Het plan bevat onder andere het doel van de participatie, wie er betrokken wordt, op welke manier en met welke deadlines, en hoe de resultaten worden teruggekoppeld. De verordening en het bijbehorende plan zorgen voor een transparant en duidelijk proces van participatie. versterking van de participatiegraad: het verhogen van de mate waarin inwoners en divers georganiseerde inwonerscollectieven, (sociaal) ondernemers en maatschappelijke organisaties meedoen en invloed uitoefenen op lokale plannen en/of door zelf initiatieven te ontplooien; uitdaagrecht: het recht van maatschappelijke partijen en sociaal ondernemers - zoals genoemd in artikel 1 lid j en m - om de feitelijke uitvoering van een gemeentelijke taak als bedoeld in artikel 150, lid 3 van de Gemeentewet over te nemen, onderbouwd met argumenten. Dit zijn geen taken waarvoor het wettelijk verplicht is dat de gemeente deze zelf uitvoert. Artikel2.Onderwerp en doelstelling participatieverordening 1.Deze verordening heeft als doel de participatie te regelen en daarmee: de kwaliteit van lokale democratische processen te vergroten; de besluitvorming en het eindresultaat van beleid te verbeteren; de samenwerking tussen gemeente en inwoners, ondernemers, maatschappelijke partijen en andere belanghebbenden te versterken; helderheid te scheppen over het participatieproces; de rol van het college van burgemeester en wethouders, de gemeenteraad en de burgemeester bij het participatieproces vast te leggen. 2.Deze verordening regelt verschillende vormen van participatie in de gemeente Heeze-Leende en maakt daarbij onderscheid tussen: inwonersparticipatie: de manier waarop het bestuursorgaan de inwoners- en inwonerscollectieven, ondernemers en maatschappelijke partijen betrekt bij de voorbereiding, uitvoering of evaluatie van gemeentelijk beleid; overheidsparticipatie: de manier waarop het bestuursorgaan de initiatieven van inwoners of maatschappelijke partijen faciliteert, ondersteunt of daaraan deelneemt; uitdaag mogelijkheid: de manier waarop maatschappelijke partijen zoals omschreven in artikel 1 lid j en m, gebruik kunnen maken van het uitdaagrecht en bepaalde taken van de gemeente kunnen overnemen; participatie bij de gemeentelijke kern-instrumenten van de Omgevingswet waarbij de gemeente als initiatiefnemer verantwoordelijk is voor de participatie. 3.Het bestuursorgaan past participatie volgens deze verordening toe in alle beleidsdomeinen van gemeentelijk handelen; 4.Elk bestuursorgaan besluit: ten aanzien van zijn eigen beleid, bevoegdheden en taken of inwonersparticipatie plaatsvindt en op welke wijze en in welke mate dat gebeurt; ten aanzien van zijn eigen beleid, bevoegdheden en taken of overheidsparticipatie wordt toegepast in de vorm van facilitering en ondersteuning van inwoners- of maatschappelijke initiatieven; ten aanzien van zijn eigen taken of om toepassing van het uitdaagrecht kan worden verzocht; ten aanzien van zijn eigen bevoegdheden, op welke wijze en in welke mate, participatie plaatsvindt bij de voorbereiding van het vaststellen of wijzigen van de gemeentelijke omgevingswet-instrumenten: omgevingsvisie, omgevingsplan en programma’s. 5.Het bestuursorgaan past de participatie toe volgens het vastgestelde participatiebeleid bij de voorbereiding van het wijzigen of vaststellen van de kern-instrumenten van de Omgevingswet: de omgevingsvisie als bedoeld in artikel 3.1 van de Omgevingswet; het omgevingsplan als bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet; een programma als bedoeld in artikel 3.4 van de Omgevingswet. 6.Bij het toepassen van lid 5, neemt het bestuursorgaan de motiveringsplicht als bedoeld in de artikelen 10.7, 10.2 en 10.8 van het Omgevingsbesluit in acht. Hoofdstuk2- Inwonersparticipatie Artikel3.Reikwijdte inwonersparticipatie 1.Het bestuursorgaan kan bij zijn besluit of inwonersparticipatie plaatsvindt, meewegen of het beleid(s)onderwerp, plan of besluit van directe invloed is op inwoners, maatschappelijke partijen en (lokale) ondernemers. 2.Er vindt geen inwonersparticipatie plaats als: het om een lopend uitvoerings- of evaluatietraject gaat, of als het gaat om kleine veranderingen aan eerder vastgesteld beleid; participatie bij wet is uitgesloten; het bestuursorgaan nauwelijks of geen beleidsvrijheid heeft omdat er sprake is van uitvoering van hogere regelgeving; het gaat om de begroting, de tarieven voor gemeentelijke dienstverlening en belastingen bedoeld in hoofdstuk XV van de Gemeentewet; het gaat om interne - organisatorische - aangelegenheden van de gemeente; het gaat om spoedeisende beleidsvoornemens en de uitkomst van de inwonersparticipatie niet kan worden afgewacht; of het belang van participatie naar oordeel van het bestuursorgaan niet opweegt tegen het belang van de verantwoordelijkheid van de gemeente voor kwetsbare groepen in de samenleving. Artikel4.Participatieproces 1.Het bestuursorgaan stelt bij de start van elk participatieproces vast of inwonersparticipatie wordt toegepast op grond van artikel 3 en maakt daarbij afwegingen op grond van artikel 2. 2.Als inwonersparticipatie wordt toegepast, neemt het bestuursorgaan in beginsel over de volgende punten een besluit: het doel en de intentie van de participatie; de groepen die deel kunnen nemen, waarbij bij voorkeur concrete onderwerpen aan inwoners en ondernemers worden voorgelegd en abstracte onderwerpen aan (maatschappelijke) organisaties en/of verenigingen; het niveau van de participatie, waarbij een keuze wordt gemaakt volgens de treden van de participatieladder volgens artikel 5 lid 3 d; het soort vraagstelling, waarbij een keuze wordt gemaakt uit de fundamentele- of kernvraag, de keuzevraag, de uitwerkingsvraag en/of de borgingsvraag; de beïnvloedingsruimte en/of de inhoudelijke, financiële, procedurele en overige kaders voor de participatie; en de wijze waarop deze kaders vooraf met de deelnemers worden gecommuniceerd; 3.Het bestuursorgaan informeert tijdig waarover en wanneer de participatie, zoals bepaald onder lid 2 van start gaat en eindigt, zodat inwoners, (lokale) ondernemers en maatschappelijke partijen tijdig invloed kunnen uitoefenen. 4.Als er op basis van voortschrijdend inzicht blijkt dat het wenselijk is om de kaders onder lid 2 e, om de inrichting van het proces aan te passen, zorgt het bestuursorgaan ervoor dat deelnemers hierover zo snel mogelijk worden geïnformeerd. Artikel5.Plan voor inwonersparticipatie 1.Het bestuursorgaan stelt voorafgaand aan de voorbereiding, uitvoering of evaluatie van beleid een plan op. 2.Het bestuursorgaan maakt dit plan via de gebruikelijke kanalen openbaar. 3.Het plan bevat in elk geval: een omschrijving van het beleid dat voorbereid, uitgevoerd of geëvalueerd wordt; informatie over het doel van de inwonersparticipatie en maakt een keuze uit: kwaliteit of effectiviteit van het beleid verbeteren; draagvlak voor het beleid vergroten; zorgen voor betere besluiten, vaardigheden of financiële voordelen; actief burgerschap bevorderen; samenwerking bevorderen door coproductie van het beleid; democratisch ideaal, legitimiteit of meer zeggenschap nastreven; een combinatie van deze beoogde doelstellingen; en informatie op welke onderdelen van beleid of op welke delen van het proces participatie mogelijk is; de mate waarin inwoners invloed kunnen uitoefenen door aan te geven op welke niveaus van de participatieladder participatie mogelijk is: Informeren: inwoners krijgen informatie over beleid en projecten of horen het besluit, het bestuursorgaan beslist; Raadplegen/inspraak: bestuursorgaan luistert naar de signalen en zienswijzen die inwoners inbrengen of naar hun reactie op beleid en neemt daarna een besluit; Adviseren: bestuursorgaan gaat in gesprek met inwoners en maatschappelijke organisaties en neemt hun adviezen mee bij het nemen van het besluit; Coproduceren: het bestuursorgaan maakt samen met inwoners en maatschappelijke partijen een plan en besluit daarover; het plan kan gaan over (onderdelen van) beleid, project of uitvoering; of Een combinatie van de 4 niveaus. informatie over de procedure en de planning van het proces waarbij in elk geval aandacht is voor: de te betrekken doelgroepen en hoe die benaderd worden; de informatievoorziening aan die doelgroepen gedurende en na afloop van het proces; de ambtelijke en bestuurlijke besluitvorming over het beleid. 4.Bij het voorbereiden van de besluitvorming over beleid voor de gemeenteraad, stelt het college het participatieplan op en informeert de gemeenteraad over de inhoud. 5.Het bestuursorgaan kan ervoor kiezen om nadere beleidsregels en/of (subsidie)regelingen op te stellen voor inwonersparticipatie. Artikel6.Zorgplicht bestuursorgaan Het bestuursorgaan zorgt ervoor dat: de start van het participatieproces tijdig wordt aangekondigd en bij voorkeur als alle opties nog open staan; informatie over gemeentelijke projecten tijdig wordt verstrekt, zodat belanghebbenden daadwerkelijk invloed kunnen uitoefenen; inwoners/-collectieven, dorps-, kern- en adviesraden, lokale (sociaal) ondernemers en organisaties en die zich inzetten voor maatschappelijke doelen, tijdig worden betrokken en als alle opties nog open staan; zoveel mogelijk vooraf in het participatieplan, inzichtelijk is hoe het proces van participatie eruitziet en welke vormen van participatie tijdens het proces mogelijk zijn; de stukken die nodig zijn voor het proces van participatie, openbaar zijn; tijdens het proces van participatie inzichtelijk is wat de stand van zaken is; het proces van participatie zorgvuldig verloopt; voorafgaand aan de besluitvorming helder wordt gemaakt hoe het bestuursorgaan met de uitkomsten van het participatieproces omgaat; duidelijk is hoe de besluitvorming zal plaatsvinden; duidelijk is waar inwoners en maatschappelijke partijen en ondernemers terecht kunnen met vragen of klachten over het proces van participatie. Artikel7.Eindverslag participatieproces 1.Aan het einde van het participatieproces maakt het bestuursorgaan een eindverslag van de inwonersparticipatie. 2.Het eindverslag bevat in elk geval: een beschrijving van het proces dat is gevolgd; de uitkomsten van het proces en de argumenten die naar voren zijn gebracht; een onderbouwde reactie op die uitkomsten en argumenten waarbij is aangegeven: hoe het beleid naar aanleiding daarvan is aangepast; of als het beleid niet is aangepast, wat de reden daarvan is; een evaluatie van het proces dat is gevolgd. 3.Het eindverslag wordt na de participatie openbaar gemaakt op de gebruikelijke kanalen van de gemeente en wordt gedeeld met de participanten. 4.Het college stuurt het eindverslag naar de raad als het om participatie bij een raadsvoorstel gaat. Hoofdstuk3- Inspraak Artikel8.Inspraak en -procedure 1.Elk bestuursorgaan besluit ten aanzien van zijn eigen bevoegdheden of inspraak als bedoeld in artikel 150, tweede lid van de Gemeentewet wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. 2.Het bestuursorgaan verleent belanghebbenden inspraak als de wet daartoe verplicht. 3.Geen inspraak wordt verleend: ten aanzien van ondergeschikte herzieningen van een eerder vastgesteld beleidsvoornemen; wanneer inspraak bij of op grond van wettelijk voorschrift is uitgesloten; wanneer sprake is van uitvoering van hogere regelgeving waarbij het bestuursorgaan geen of nauwelijks beleidsvrijheid heeft; over de begroting, de tarieven voor gemeentelijke dienstverlening en belastingen bedoeld in hoofdstuk XV van de Gemeentewet; als de uitvoering van een beleidsvoornemen dermate spoedeisend is dat inspraak niet kan worden afgewacht; als het belang van inspraak niet opweegt tegen het belang van de verantwoordelijkheid van de gemeente voor kwetsbare groepen in de samenleving. als volgens een wettelijke procedure in een zienswijzemogelijkheid is voorzien. 4.Op inspraak is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. 5.Het bestuursorgaan kan per beleidsvoornemen gemotiveerd bepalen dat een andere inspraakprocedure geldt. Dit besluit wordt vooraf gepubliceerd. 6.Het bestuursorgaan publiceert dat er inspraak mogelijk is en legt stukken ter inzage en biedt participanten de mogelijkheid om binnen 6 weken te reageren met een zienswijze. 7.Het bestuursorgaan kan ook voor het verlenen van inspraak in het proces van participatie kiezen, bijvoorbeeld als op voorhand niet duidelijk is of de belangen van betrokkenen voldoende in beeld gebracht kunnen worden of als sprake is van een op voorhand onbepaalde doelgroep. 8.Aan het einde van de inspraak maakt het bestuursorgaan een eindverslag, met: een overzicht van de gevolgde inspraakprocedure; een weergave van inspraakreacties en zienswijzen die tijdens de inspraak mondeling of schriftelijk naar voren zijn gebracht; een reactie op deze reacties en zienswijzen, waarbij wordt aangegeven: op welke punten wel of niet tot aanpassing van het beleid(s)voornemen) wordt overgegaan; als niet tot aanpassingen wordt overgegaan, wat hiervoor de redenen zijn. 9.Het eindverslag wordt na afloop van de inspraakprocedure, openbaar gemaakt via de gebruikelijke gemeentelijke kanalen. Hoofdstuk4- Overheidsparticipatie Artikel9.Toepassen Overheidsparticipatie 1.Overheidsparticipatie kan worden toegepast als een inwoners- of maatschappelijk initiatief of -initiatiefvoorstel, bijdraagt aan de doelen van het gemeentelijk beleid en/of een positieve bijdrage levert aan de lokale samenleving. 2.Het doel is om een oplossingsgerichte en positieve benadering te bieden en duidelijkheid te geven over de mogelijkheden en voorwaarden. 3.De gemeenteraad kan jaarlijks - binnen de financiële mogelijkheden van de gemeente - een budget beschikbaar stellen voor ideeën en initiatieven uit de samenleving. 4.Het bestuursorgaan kan overheidsparticipatie in ieder geval weigeren als of bij: er onvoldoende steun is bij omwonenden, belanghebbenden of betrokken inwoners; het financieel, juridisch of praktisch niet haalbaar is; er een lopende bezwaar- of beroepsprocedure is of een rechterlijke uitspraak wordt verwacht; het initiatief vooral het privébelang van de indiener dient, of op het maken van winst gericht is; een klacht over het gedrag van de raad, het college of de burgemeester; een bezwaar tegen een besluit van de raad, het college of de burgemeester; gemeentelijke organisatie en procedures; belastingen en tarieven; geldelijke voorzieningen van ambtsdragers; benoemingen en functioneren van personen. 5.Bij goedkeuring kan het bestuursorgaan ondersteuning bieden door: ruimtes of huisvesting beschikbaar te stellen; een budget of subsidie beschikbaar te stellen; ambtelijke expertise en netwerken in te zetten; andere vormen van ondersteuning. 6.Het bestuursorgaan informeert de indieners van het inwoners- of maatschappelijk initiatief over het besluit om wel of niet overheidsparticipatie toe te passen. Artikel10.Indienen inwoners- of maatschappelijk initiatiefvoorstel 1.Initiatiefgerechtigd zijn: inwoners van 12 jaar en ouder; begeleiders of penvoerders van initiatieven van jeugdigen die zijn gericht op het versterken van kinderparticipatie; maatschappelijke partijen zoals gedefinieerd in artikel 1 lid j en m. 2.Alleen een initiatiefgerechtigde kan een geldig verzoek indienen bij het bestuursorgaan. 3.Het voorstel van initiatief wordt schriftelijk ingediend en bevat: een omschrijving van het initiatiefvoorstel; de beoogde doelgroepen van het initiatief; het doel van het initiatief en het resultaat dat de indiener met het initiatief wil bereiken; een overzicht van de belanghebbenden bij het initiatief; een toelichting van de aanpak van de uitvoering van het initiatief; de gewenste ondersteuning van het bestuursorgaan; de verwachte kosten; en de verwachte benodigde middelen. 4.De indiener van het initiatief geeft daarnaast aan of toont aan: wat de relevante betrokkenheid, kennis en ervaring van de indiener is; dat er draagvlak is voor het initiatiefvoorstel bij inwoners en belanghebbenden: participatie heeft aantoonbaar plaatsgevonden; en/of minimaal 20 handtekeningen voor steun van het initiatief zijn opgehaald. 5.Het initiatiefvoorstel moet betrekking hebben op (een deel van) gemeente Heeze-Leende. 6.Het initiatiefvoorstel heeft geen betrekking op onderwerpen genoemd in artikel 9, lid 4. 7.Het inwoners- of maatschappelijk initiatiefvoorstel mag gericht zijn op: Het realiseren van de eigen of gemeentelijke participatie versterkende doelstellingen of draagt bij aan het versterken van jeugdparticipatie, de participatieve- of doe-democratie. Het versterken van en/of aansluiting hebben op gemeentelijk beleidsdoelen en -thema’s binnen een van de beleidsdomeinen. Samenwerkingen met een integrale en domein overstijgende aanpak om complexe problemen op te lossen. 8.Het initiatiefvoorstel wordt ambtelijk beoordeeld aan de hand van alle gestelde voorwaarden en eisen genoemd in artikel 10. Het bestuursorgaan ontvangt een advies en neemt een besluit. 9.Het bestuursorgaan kan ervoor kiezen om nadere beleidsregels en/of (subsidie)regelingen op te stellen voor overheidsparticipatie en/of inwoners- en maatschappelijke initiatiefvoorstellen en (jaarlijks) een budget beschikbaar stellen. Artikel11.Versterking participatiegraad in dorpen en buurten 1.De gemeente werkt - binnen de kaders van haar financiële mogelijkheden - samen met dorps- en kernraden, buurtcomités en buurtschappen en andere inwonerscollectieven uit Heeze-Leende. 2.De gemeente biedt inwonersverbanden zoals genoemd in lid 1, de mogelijkheid om zelf plannen voor hun dorp of kern te maken en ondersteunt deze, binnen de kaders van haar mogelijkheden en als zij deze plannen (financieel) haalbaar acht. De plannen mogen niet gaan over onderwerpen uit artikel 9 lid 4. 3.Bij afwezigheid van georganiseerde inwonersverbanden uit lid 1, kan de gemeente met ambassadeurs of andere geïnteresseerden samenwerken. Het doel is het in collectief verband organiseren van dorps-, kern- of buurtbelangen en de participatie daarbij te bevorderen. 4.De gemeente kan per dorp, kern of buurt een budget toekennen, dat door de inwoners zelf wordt besteed. Dit kan gefaseerd worden ingevoerd en binnen de financiële mogelijkheden van de gemeente. Hoofdstuk5- Uitdaagrecht Artikel12.Toepassen Uitdaagrecht 1.Maatschappelijke partijen zoals gedefinieerd in artikel 1 lid j en m kunnen een verzoek indienen voor de toepassing van het uitdaagrecht. 2.Elk bestuursorgaan besluit ten aanzien van zijn eigen gemeentelijke taken of het uitdaagrecht hierop wordt toegepast. 3.Het bestuursorgaan kan ervoor kiezen om geen uitdaagrecht toe te passen: bij lopende uitvoeringstrajecten of kleine herzieningen; als het uitdaagrecht bij of volgens wettelijk voorschrift is uitgesloten; als sprake is van uitvoering van hogere regelgeving waarbij het bestuursorgaan geen of nauwelijks beleidsvrijheid heeft; als het om een taak gaat die naar zijn aard een gemeentezaak is, waaronder begrepen de begroting, de tarieven voor gemeentelijke dienstverlening en belastingen bedoeld in hoofdstuk XV van de Gemeentewet; een voorstel wordt afgewezen als het niet voldoet aan de voorwaarden - zoals genoemd in de artikelen 12 en 13 - niet haalbaar is, of als overname onwenselijk is. als de waarde die aan de uitvoering is gekoppeld, afwijkt van en/of in strijd is met: het geldende inkoop- en aanbestedingsbeleid van de gemeente Heeze-Leende; of met de geldende wet- en regelgeving op het gebied van inkoop en aanbesteding; als de financiële waarde van de over te nemen taak boven de Europese drempelwaarde uitkomt; als de uitvoering van een beleidsvoornemen zodanig spoedeisend is dat het benutten van het uitdaagrecht niet kan worden afgewacht. als het belang van het uitdaagrecht niet opweegt tegen het belang van de verantwoordelijkheid van de gemeente voor kwetsbare groepen in de samenleving. Artikel13.Procedure van Uitdaagrecht 1.Een verzoek voor toepassing van het uitdaagrecht wordt ingediend bij het bestuursorgaan bij wie de bevoegdheid ligt van de taak waarvoor hij wordt uitgedaagd. 2.Het ingediende verzoek voor toepassing van het uitdaagrecht omvat in ieder geval de volgende onderdelen: omschrijving van de gemeentelijke taak die de verzoeker wil overnemen; uitleg waarom of hoe de verzoeker dat beter en/of goedkoper kan; duidelijkheid over de betrokkenheid, kennis en/of ervaring van de indiener; indicatie van het draagvlak onder belanghebbenden; raming van de kosten die aan de uitvoering van de taak verbonden zijn; omschrijving van de manier waarop de verzoeker met de gemeente wil samenwerken of ondersteuning nodig heeft; inzicht in hoe de kwaliteit en de uitvoering van de taak op de langere termijn kan worden gewaarborgd ondertekening door tenminste vijf inwoners, en/of van bestuur en leden van een coöperatief verband of ander inwonerscollectief, of uit het netwerk van een sociaal ondernemer, allen ingeschreven staande op een ander adres in de gemeente Heeze-Leende. 3.Het bestuursorgaan kan naar aanleiding van het verzoek aanvullende informatie opvragen om de aanvraag op basis van volledige informatie in behandeling te kunnen nemen. 4.Het bestuursorgaan beslist binnen dertien weken nadat alle relevante informatie is ontvangen. De beslistermijn kan met vier weken worden verlengd. 5.Als het voorstel wordt overgenomen, voorziet het bestuursorgaan de indiener - binnen de mogelijkheden van de gemeente - van gepaste ondersteuning. 6.Het bestuursorgaan legt gemaakte afspraken over o.a. de taken, het resultaat, het budget en de looptijd vast, in een overeenkomst. Daarin kunnen ook zaken als rechtspersoonlijkheid en aansprakelijkheid worden vastgelegd. 7.Het bestuursorgaan wijst een voorstel gemotiveerd af, indien onvoldoende aannemelijk wordt gemaakt dat het initiatief voldoet aan de in artikel 12 lid 3, en/of artikel 13 lid 2, genoemde voorwaarden of als het bestuursorgaan de overname van de gemeentelijke taak om andere financiële, juridische en/of praktische gronden niet haalbaar acht. 8.Het bestuursorgaan maakt het besluit ten aanzien van een binnengekomen verzoek binnen veertien dagen openbaar. 9.Het bestuursorgaan kan ervoor kiezen om nadere beleidsregels en regelingen op te stellen voor het uitdaagrecht. Hoofdstuk6– Omgevingswet Artikel14.Reikwijdte participatie Omgevingswet 1.Deze verordening is van toepassing op participatie bij de voorbereiding op het wijzigen of vaststellen van de van gemeentelijke instrumenten onder de Omgevingswet, waaronder in ieder geval: omgevingsvisie of onderdelen daarvan, als bedoeld in artikel 3.1 van de Omgevingswet; programma’s, als bedoeld in artikel 3.4 van de Omgevingswet; omgevingsplan of onderdelen daarvan, als bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet. 2.Het bestuursorgaan neemt de motiveringsplicht zoals bedoeld in de artikelen 10.7, 10.8 en 10.2 van het Omgevingsbesluit in acht bij het toepassen van participatie onder lid 1. 3.Participatie en/of inspraak wordt verleend aan inwoners, ondernemers, maatschappelijke instellingen en andere belanghebbenden in de gemeente Heeze-Leende; 4.Deze verordening is niet van toepassing door initiatiefnemers te organiseren op participatie bij aanvragen van een omgevingsvergunning; 5.Het bestuursorgaan stelt een handreiking voor het organiseren van participatie beschikbaar voor initiatiefnemers die een omgevingsvergunning aanvragen. Artikel15.Toepassen participatie bij kerninstrumenten Omgevingswet 1.Het bestuursorgaan volgt de ‘Beleidsnota Participatie Omgevingswet Heeze-Leende 2023’ bij participatie voor de kerninstrumenten van de Omgevingswet, waarvoor de gemeente de participatieplicht draagt: omgevingsvisie, omgevingsplan en programma’s. 2.Voor ieder besluit tot vaststelling of wijziging van een omgevingsvisie, omgevingsplan of programma bepaalt het bestuursorgaan: het doel van participatie; de betrokken doelgroepen; de participatievorm(en); de wijze van terugkoppeling. 3.Het participatieniveau wordt afgestemd op: de aard van de opgave en/of de impact op de fysieke leefomgeving; de mate van maatschappelijke gevoeligheid; de beschikbare tijd en wettelijke procedure; de mate waarin keuzes nog beïnvloedbaar zijn. 4.In het vaststellings- of wijzigingsbesluit legt het bestuursorgaan vast: hoe inwoners, ondernemers, maatschappelijke organisaties en andere bestuursorganen zijn betrokken bij de voorbereiding; wat de resultaten van deze betrokkenheid zijn; hoe de gekozen participatie aansluit bij het geldende participatiebeleid. Hoofdstuk7- Evaluatie en Monitoring Artikel16.Evaluatie en monitoring 1.De uitvoering van deze verordening wordt periodiek geëvalueerd, met het doel daaruit te leren en te verbeteren. 2.De evaluatie heeft betrekking op alle vormen van participatie binnen de reikwijdte van deze verordening: Inwonersparticipatie bij het maken, uitvoeren en evalueren van beleid; het initiatief voor participatie ligt bij de gemeente. Opgenomen in hoofdstuk 2, artikel 3 t/m 7; Participatie bij de vaststelling en/of wijziging van gemeentelijke kerninstrumenten van de Omgevingswet; het initiatief voor participatie ligt bij de gemeente. Opgenomen in hoofdstuk 6 artikel 14 en 15; Overheidsparticipatie, bij het ondersteunen van inwoners-, maatschappelijk en uitdaaginitiatieven; het versterken van de participatiegraad en de doe-democratie in dorpen en buurten. Opgenomen in hoofdstuk 4, artikelen 9, 10 en 11 en in hoofdstuk 5 (uitdaagrecht), artikel 12 en 13. 3.De uitvoering van participatie binnen deze verordening wordt jaarlijks (tussentijds) geëvalueerd. Van de evaluatie-uitkomsten doet het college jaarlijks een verslag aan de gemeenteraad. 4.Evaluatie van initiatief- of uitdaagvoorstellen vindt tweejaarlijks plaats of eerder na 5 gehonoreerde voorstellen. Daarnaast vindt na afloop van iedere raadsperiode een evaluatie plaats. Het gaat om ingediende voorstellen van: Inwoners- en maatschappelijk initiatief; Uitdaag voorstellen; Versterking van de participatiegraad in dorpen (kernen) en buurten. De evaluatie bevat: het aantal ingediende voorstellen; het bereik en onderwerp van de voorstellen; de behandeling en eventuele beleidswijzigingen als gevolg van de voorstellen; de tussentijdse of behaalde resultaten die zijn behaald op basis van de voorstellen. 5.Het college stuurt jaarlijks een verslag over participatie naar de raad. 6.Dit verslag beschrijft de organisatie van participatieprocessen, de rol van de raad en van het college, de kosten, de resultaten en ervaringen. Hoofdstuk8- Overgangs- en slotbepalingen Artikel17.Intrekking vorige verordening en overgangsbepaling 1.De ‘Inspraakverordening gemeente Heeze-Leende 2010’ wordt ingetrokken. 2.De ‘Inspraakverordening gemeente Heeze-Leende 2010’ blijft van toepassing op beleid waarvoor ten tijde van de inwerkingtreding van deze verordening er al een inspraakprocedure op grond van die verordening was gestart. Artikel18.Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na die van de bekendmaking. Artikel19.Hardheidsclausule Het bestuursorgaan kan in bijzonder gevallen afwijken van de bepalingen in deze verordening. Het bestuursorgaan onderbouwt waarom het afwijkt. Artikel20.Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Participatieverordening gemeente Heeze-Leende 2026. Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 9 maart 2026,De griffierDe voorzitterToelichting op de participatieverordening Algemeen deel Aanleiding: Wet versterking participatie op decentraal niveau Per 1 januari 2025 is de Wet versterking participatie op decentraal niveau in werking getreden (Stb. 2024, 203). Deze wet heeft tot doel het draagvlak voor gemeentelijk beleid te vergroten door inwoners, bedrijven en maatschappelijke organisaties een grotere rol te geven bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid. De wet breidt de verplichtingen van gemeenten uit. Gemeenten moeten inwoners voortaan niet alleen betrekken bij de voorbereiding van beleid, maar ook bij de uitvoering en evaluatie daarvan (artikel 150, eerste lid, Gemeentewet). Daarnaast vervangt de wet de traditionele inspraakverordening door een participatieverordening, die meer recht doet aan de verschillende vormen van participatie die gemeenten kunnen inzetten. Doelstelling van de participatieverordening Deze verordening regelt de betrokkenheid van inwoners, (sociaal) ondernemers, maatschappelijke organisaties en/of verenigingen bij het opstellen, uitvoeren en evalueren van gemeentelijk beleid van gemeente Heeze-Leende. Daarnaast beschrijft de verordening de rol van de bestuursorganen binnen deze participatieprocessen en maakt het duidelijk hoe de participatie werkt (het proces van de stappen die leiden naar het en de stappen hoe dat moet gebeuren (procedure). Afhankelijk van de bevoegdheid en de taken kan het gaan om een van de bestuursorganen: de gemeenteraad, het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester. De verordening is ook van toepassing op de wijze waarop de gemeente omgaat met inwoners- en maatschappelijk initiatief en met de vraag van initiatiefnemers om ondersteuning voor de uitvoering van hun plannen of voorstellen. In de participatieverordening is geregeld hoe de participatie waartoe de gemeente verplicht is binnen de (instrumenten van
- de)Omgevingswet vorm te geven. De intentie van de participatieverordening De gemeente heeft met de participatieverordening de intentie om: De kennis en ervaring van inwoners en organisaties te benutten in alle fasen van het beleidsproces (van agendavorming tot uitvoering en evaluatie); Duidelijke spelregels te hanteren voor inwonersparticipatie; Ruimte te bieden voor overheidsparticipatie, waarbij de gemeente aansluit bij initiatieven van inwoners of maatschappelijke partijen; Het uitdaagrecht te faciliteren, met heldere voorwaarden en een transparante procedure. De burgemeester heeft hierbij op grond van artikel 170, eerste lid, onderdelen a en c, van de Gemeentewet een zorgplicht. Hij ziet erop toe dat het beleid tijdig wordt voorbereid, vastgesteld, uitgevoerd en geëvalueerd, en dat de kwaliteit en afstemming van participatieprocessen wordt gewaarborgd. De invulling van participatie door de gemeente Met de participatieverordening krijgt de gemeente de mogelijkheid om - samen met haar inwoners - nieuwe vormen participatie te beoefenen. En bij de verschillende participatievormen zien we ook waar en bij wie het initiatiefrecht ligt. Inwonersparticipatie en niveaus van participeren: Bij inwonersparticipatie ligt het initiatief en verantwoordelijkheid voor participatie bij de gemeente die inwoners betrekt bij het maken, het uitvoeren en evalueren van beleid. Het doel is dat inwoners meer invloed krijgen op beleid en dat er gebruik wordt gemaakt van de kennis en kunde van inwoners. Hierdoor kan het beleid beter worden afgestemd op de leefwereld van inwoners. De gemeente bepaalt op welk beleidsonderdeel of in welke fase en op welk niveau van de participatieladder, zal worden geparticipeerd. De gemeente maakt bij inwonersparticipatie de keus tussen een of meer van de 4 treden van de participatieladder: Informeren, Raadplegen, Adviseren en Co-creëren/ Coproduceren. Bron: Participatieladder Platform 31 Het gaat bij inwonersparticipatie erom dat inwoners, inwonerscollectieven, dorps/en kernraden, adviesraden, (sociaal)ondernemers en andere maatschappelijke partijen meer invloed krijgen op het beleid, projecten en de besluiten daarover. Het gaat in principe om alle fasen van beleid: van het maken en het uitvoeren daarvan, tot het evalueren van het beleid. Door gebruik te maken van hun kennis en ervaring sluit het beleid beter aan op hun leefwereld. Participatie is niet mogelijk bij onderwerpen die verplicht zijn door landelijke wetgeving, bij spoedeisende besluiten of bij zaken die privacygevoelig zijn. Bij inwonersparticipatie is de gemeente initiatiefnemer en worden inwoners uitgenodigd tot participatie. De gemeente geeft per traject duidelijk aan waar inwoners kunnen meedenken en waar niet. Net als het initiatief, ligt ook de besluitvorming over het meewegen van de uitkomst van inwonersparticipatie bij de gemeente. Zo is er binnen het sociaal domein ervaring opgedaan met participatie door advies te vragen aan de Adviesraad Sociaal Domein (ASD). Ook kan de ASD ongevraagd advies geven over beleid, de uitvoering daarvan en de kwaliteit van voorzieningen binnen het sociaal domein. Overheidsparticipatie Bij overheidsparticipatie zijn het de initiatiefnemende inwoners(collectieven), of sociaal ondernemers of maatschappelijke organisaties die de gemeente vragen om bij hun initiatief te participeren. De gemeente faciliteert en ondersteunt inwoners- en/of maatschappelijk initiatief en uitdagers. Het participatieniveau is afhankelijk van het soort initiatief: co-creëren, meebeslissen en/of zelforganisatie. Door gebruik te maken van het uitdaagrecht, krijgen initiatiefnemers de mogelijkheid om, onder voorwaarden, taken van de gemeente over te nemen als zij kunnen aantonen dat deze beter of anders kunnen worden uitgevoerd. De gemeente legt voor alle vormen van participatie in participatieverordening vast, onder welke voorwaarden en via welke procedure participatie mogelijk is. Vertrekpunten bij de totstandkoming van de participatieverordening Deze participatieverordening is gebaseerd op de gesprekken in 2025 met verschillende groepen en input van inwoners, ambtenaren, het college en de gemeenteraad. De verordening bouwt voort op eerder vastgesteld beleid zoals de ‘Inspraakverordening 2010’, de ‘Bestuurlijke Visie op inwonersparticipatie Heeze-Leende 2030’, het ‘Beleidsplan Sociaal Domein’ en andere relevante onderzoeken en plannen binnen alle domeinen. De ‘Beleidsnota Participatie Omgevingswet gemeente Heeze-Leende 2023’ blijft als decentraal vastgesteld beleidskader geldig. Dit, vanwege de koppeling van deze participatieverordening met de drie omgevingswet-instrumenten waarbij de gemeente verantwoordelijk is voor het regelen van de participatie (zie artikel 2 lid 5 en 6 en artikel 14 en 15). Overwegingen en uitgangspunten voor visie en ambitie participatieverordening In aansluiting op de doelstellingen die de wetgever voor ogen heeft met de participatieverordening, staan bij het vormen van de visie en het stellen van de ambities daarvoor, een aantal uitgangspunten centraal: De gemeente vindt het belangrijk om meer inwoners meer invloed te doen krijgen op beleid, plannen, programma’s en projecten en op de besluitvorming daarover; Door gebruik te maken van de kennis en kunde van inwoners kan het beleid beter aansluiten op hun leefwereld; De gemeente wil de samenwerking tussen inwoners en gemeente versterken om beleid inhoudelijk te verbeteren en zo meer draagvlak voor beleid te creëren; De participatieve democratie te versterken door inwoners te laten meedoen en door inwoners- en maatschappelijk initiatief te ondersteunen binnen de mogelijkheden van de gemeente; De gemeente wil duidelijkheid geven over hoe de participatie werkt en waar welke vormen en niveaus van participatie mogelijk zijn; De gemeente wil een overzichtelijke, eenduidige en vernieuwende participatieaanpak realiseren die bijdraagt aan de missie en visie van de gemeente Heeze-Leende: ‘Natuurlijk Samen’ en ‘Inwonersparticipatie - we doen het sámen’; De beoogde vernieuwing komt zowel de interne organisatie, als participanten uit de samenleving van Heeze-Leende ten goede; Het realiseren van een vernieuwende participatieaanpak vraagt om investering in het beoefenen, het leren-leren en het verbeteren; zowel binnen de gemeentelijke organisatie als bij participerende inwoners, maatschappelijke partijen en andere belanghebbenden. Afwegingen – wat kan op kort termijn en wat kan pas later De wet schrijft niet voor welke middelen of vormen van participatie gemeenten precies moeten gebruiken. Gemeenten hebben hierin beleidsruimte. Dat betekent dat elke gemeente een eigen afweging kan maken, passend bij hun visie op participatie en afgestemd op de lokale context, beschikbare middelen en ambtelijke capaciteit. Ondanks de goede intentie om ruimte te creëren voor inwonersparticipatie, overheidsparticipatie en het uitdaagrecht, zijn er factoren die van invloed zijn op de mogelijkheden en/of het tempo zullen bepalen. De manier waarop participatie wordt ingericht heeft direct invloed op de verwachtingen én de mogelijkheden van inwoners. Door transparant te zijn over wat nu, volgend jaar of pas later kan, wil de gemeente het vertrouwen van haar inwoners in het ‘toewerken naar het nieuwe samen’ krijgen en vasthouden. Vanaf 2026: een gefaseerd groeiende en integrale aanpak van leren en verbeteren De gemeentelijke organisatie is op korte termijn nog onvoldoende toegerust om (volledig) uitvoering te kunnen geven aan de participatieverordening met al haar verschillende participatievormen en -niveaus. De organisatie gaat in 2026 van start met het verder ontwikkelen van de organisatie. In dit ontwikkeltraject zal worden gewerkt aan het versterken van de ambtelijke capaciteit, het toerusten van de teams in het werken met en vanuit de verordening. Daarnaast heeft het mogelijk maken van meer en verschillende vormen van participatie ook invloed op de inrichting van werkprocessen en de planning van besluitvormingsprocessen. Dit vraagt dan ook om het (her)inrichten van deze processen. De participatieverordening biedt de kans om verder te oefenen en te verbeteren, in een pilotperiode van één tot twee jaar. In aansluiting op het nodige organisatieontwikkelproces, is alleen een gefaseerd groeiende uitvoeringsaanpak realistisch. Dat betekent dat er in 2026 en 2027 pilotprojecten zullen worden benoemd waarin er volop kan worden geoefend met, en geleerd van participatie. Het doel is hieruit te leren en te verbeteren terwijl er simultaan wordt gewerkt aan de voorwaarden om participatie volgens ‘de geest van de participatieverordening’ uit te gaan voeren en/of vorm te geven; zowel aan de kant van de gemeente (inwonersparticipatie), als aan de kant van inwoners- en maatschappelijk-initiatief (Overheidsparticipatie). Gedurende de pilotperiode willen we verschillende manieren van participatie uitproberen en hiervan leren en steeds beter worden. Dit willen we – waar mogelijk en haalbaar - ook doen bij de voorbereiding van het vaststellen en (niet technisch) wijzigen van de instrumenten van de omgevingswet waarbij de gemeente verantwoordelijk is voor de participatie. Aansprakelijkheid en aanbesteding bij het uitdaagrecht Bij de toepassing van het uitdaagrecht gelden enkele juridische aandachtspunten. Aanbestedingsrecht: Bij het uitdaagrecht moeten ook de regels van het aanbestedingsrecht worden gevolgd. Het uitdaagrecht vervangt deze regels niet, maar kan daar wel binnen worden vormgegeven. Gemeenten kunnen bij aanbestedingen rekening houden met inwonersinitiatieven door de aanbesteding op het uitdaagrecht af te stemmen. De precieze invulling hiervan verschilt per geval. Aansprakelijkheidsrecht: In sommige gevallen blijft de gemeente risicoaansprakelijk, ook als een taak wordt uitgevoerd door inwoners of organisaties. Dit geldt bijvoorbeeld bij werkzaamheden in de openbare ruimte of bij het gebruik van gemeentelijke gebouwen. De gemeente moet dan afspraken maken over verantwoordelijkheden, veiligheid en risico’s. In de verordening is vastgelegd dat dergelijke afspraken verplicht zijn, inclusief bepalingen over de gevolgen bij het niet nakomen daarvan. Kosten participatie Het is belangrijk dat er mogelijkheden zijn ter dekking van de kosten van participatie. Bij grote projecten maken deze kosten deel uit van het projectbudget. Kleine initiatieven van inwoners kunnen ondersteund worden vanuit subsidieregelingen. Voor grotere budgetaanvragen is aparte besluitvorming door het college of de gemeenteraad nodig. Voor kleine initiatieven is jaarlijks een klein budget beschikbaar. Het college kan besluiten aanvullende nadere subsidieregels vast te stellen om duidelijkheid te geven over subsidiabele (participatie-)activiteiten, doelen, subsidiegrondslag, voorwaarden, procedures en subsidiebudgetten. Het college van B en W stelt een subsidieregeling vast en de gemeenteraad stelt het subsidiebudget (subsidieplafond = maximale subsidiebudget) vast. Artikelsgewijze toelichting Artikel 1. Begripsomschrijvingen De begrippen zijn al duidelijk omschreven in artikel 1. Hier vindt alleen een verdiepende uitwerking van een aantal begrippen plaats. Beleidsvoornemen en inspraak Een beleidsvoornemen is het voornemen van een bestuursorgaan om beleid vast te stellen of te wijzigen. Het gaat hierbij niet om concrete besluiten of maatregelen, maar om de vorming van beleid. Inspraak is een vorm van participatie bij het van voorgenomen beleid. Bestuursorgaan Wanneer in deze verordening wordt gesproken over het bestuursorgaan, wordt daarmee verwezen naar het bestuursorgaan dat binnen de gemeente bevoegd is voor het betreffende onderwerp. De gemeente kent drie bestuursorganen: de gemeenteraad, het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester. Als er een specifiek bestuursorgaan wordt bedoeld, is dit in de tekst expliciet vermeld. Voorbeeld: In artikel 5 is bepaald dat het college een participatieplan opstelt bij de voorbereiding van beleid voor de gemeenteraad en de gemeenteraad hierover informeert. Het is afhankelijk van de inhoud van het beleid of de taak wie van de drie bevoegd is en welke van de drie in dat geval bedoeld wordt. De gemeenteraad De gemeenteraad is verantwoordelijk voor de vaststelling van de participatieverordening en van eventuele budgetten om de participatie mogelijk te maken. Het college van B en W Het college van burgemeester en wethouders is verantwoordelijk voor de uitvoering van de participatieverordening (en zorgt ervoor dat de ambtelijke organisatie het daadwerkelijk uitvoert). De burgemeester De burgemeester heeft een zorgplicht (artikel 170, eerste lid, onderdeel a en c, van de Gemeentewet). De zorgplicht van de burgemeester houdt in dat hij erop toeziet dat: Er op tijd wordt begonnen met de processen van gemeentelijk beleid en van de besluiten die daarover worden genomen. Dit geldt voor alle soorten, onderdelen en fasen van beleid en voor de besluiten die daarover zijn genomen, bij: De voorbereiding van beleid; De vaststelling van beleid; De uitvoering van beleid; De evaluatie van beleid. Er een goede afstemming is tussen degenen die bij die voorbereiding, vaststelling, uitvoering en evaluatie zijn betrokken. De kwaliteit van procedures op het vlak van participatie wordt gewaarborgd. Denk hierbij aan: Een transparant en inclusief proces; Eerlijke en open informatie en terugkoppeling; Een onafhankelijke procesbegeleider; Brede vertegenwoordiging van belanghebbenden; Een heldere uitleg van de besluitvorming en de kaders waarbinnen invloed mogelijk is; Duidelijk maken wat de ruimte is van participatie en welke vormen van participatie mogelijk zijn; Registratie van alle participatieactiviteiten en reacties in een participatieverslag. Artikel 2 Onderwerp en doelstelling participatieverordening Artikel 2 lid 1 Deze verordening biedt kaders en voorwaarden voor samenwerking tussen de gemeente en inwoners, ondernemers, maatschappelijke partijen (en andere bestuursorganen). Een belangrijke voorwaarde voor een goede samenwerking is dat duidelijk is wat partijen over en weer van elkaar mogen verwachten en dat dus bewuste keuzes worden gemaakt in het doel en de vorm van participatie. Het doel van de verordening is het bieden van een kader bij het maken van die keuzes. Het uiteindelijk doel is dat het eindresultaat van beleid en projecten wordt verbeterd en dat de samenwerking tussen gemeente en inwoners, ondernemers en maatschappelijke partijen wordt versterkt. Artikel 2 lid 2 Artikel 2- lid 2, geeft de verschillende participatie vormen en hun doelstellingen weer, zoals geregeld in de verordening: inwonersparticipatie: de manier waarop het bestuursorgaan de inwoners- en inwonerscollectieven, ondernemers en maatschappelijke partijen betrekt bij de voorbereiding, uitvoering of evaluatie van gemeentelijk beleid; overheidsparticipatie: de manier waarop de gemeente ondersteuning biedt of een bijdrage levert aan initiatiefvoorstellen van inwoners en maatschappelijke partijen met het doel, impact te hebben op de samenleving of op de leefwereld inwoners. Hieronder valt ook het versterken van de participatiegraad ten behoeve van de samenlevingsopbouw van dorpen en kernen; uitdaag mogelijkheid: de manier waarop maatschappelijke partijen zoals omschreven in artikel 1- lid j en m, gebruik kunnen maken van het uitdaagrecht en bepaalde taken van de gemeente kunnen overnemen; participatie bij de gemeentelijke kern-instrumenten van de Omgevingswet: de gemeente is als initiatiefnemer verantwoordelijk voor de participatie. Artikel 2 lid 3 In artikel 2 lid 3 staat dat het bestuursorgaan participatie volgens deze verordening toepast in alle beleidsdomeinen van gemeentelijk handelen Artikel 2 lid 4 In lid 4 staat dat elk bestuursorgaan besluit ten aanzien van zijn eigen bevoegdheden, dan wel beleid en/of taken (of een combinatie daarvan), welke vorm van participatie plaatsvindt. In deze verordening geldt dat elk bestuursorgaan van de gemeente zelf bepaalt of en hoe participatie wordt toegepast binnen zijn eigen beleid, taken of bevoegdheden. En wanneer het gaat om het wel of niet toepassen van het uitdaagrecht, zal het bestuursorgaan moeten afwegen of dat mogelijk bij de (eigen) taken waarvoor zij wordt uitgedaagd. Het bestuursorgaan kan de gemeenteraad, het college van burgemeester & wethouders of de burgemeester zijn. Artikel 2 lid 5 In artikel 2 - lid 5 wordt de verordening van toepassing verklaard op de participatie bij de voorbereiding van besluiten tot wijziging en vaststelling van gemeentelijke instrumenten onder de Omgevingswet: omgevingsvisie (artikel 3.1 Omgevingswet); programma’s (artikel 3.4 Omgevingswet); omgevingsplan (artikel 2.4 Omgevingswet). De verantwoordelijkheid voor de participatie bij het (betreffende) bestuursorgaan. Zo is het voor iedereen duidelijk dat deze verordening leidend is, behalve in de gevallen waarin de Omgevingswet zelf beperkingen stelt en de gemeente niet de initiatiefnemer is, zoals bij omgevingsvergunningen. Artikel 2 lid 6 Bij het toepassen van de participatie volgens deze verordening bij de instrumenten van de Omgevingswet, moet het bestuursorgaan rekening houden met wat er staat in de artikelen 10.7, 10.2 en 10.8 van het Omgevingsbesluit over vroegtijdige participatie. Artikel 10.7 – Motiveringsplicht vroegtijdige publieksparticipatie bij de Omgevingsvisie Bij het vaststellen van een omgevingsvisie moet worden aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen zijn betrokken bij de voorbereiding en wat de resultaten daarvan zijn. Als de visie wordt vastgesteld door de gemeenteraad, moet ook worden vermeld op welke wijze is voldaan aan het decentrale (lees gemeentelijke) participatiebeleid dat van toepassing is. Artikel 10.2 – Motiveringsplicht vroegtijdige publieksparticipatie bij het Omgevingsplan Bij het bekendmaken van het voornemen om een omgevingsplan vast te stellen, moet worden aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen zullen worden betrokken. Wanneer het omgevingsplan uiteindelijk wordt vastgesteld, moet worden aangegeven hoe die betrokkenheid is geweest én wat de resultaten daarvan zijn. Ook moet worden aangegeven in hoeverre het decentrale (lees gemeentelijke) participatiebeleid is gevolgd. Artikel 10.8 – Motiveringsplicht vroegtijdige publieksparticipatie bij programma’s Bij het vaststellen van een programma moet worden aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen zijn betrokken bij de voorbereiding én wat de resultaten zijn. Als het programma wordt vastgesteld door het college van B en W, dan moet worden aangegeven op welke manier het decentrale (gemeentelijke) participatiebeleid is toegepast. Aanvullend geldt bij het voornemen om een omgevingsplan vast te stellen ook de eis dat het bestuursorgaan (in deze de raad) - vooraf in de wettelijke kennisgeving - moet aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere bestuursorganen bij de voorbereiding zullen worden betrokken (art. 10.2 lid 1 Omgevingsbesluit). Zie ook artikel 14en 15. Artikel 3. Reikwijdte Inwonersparticipatie Artikel 3 lid 1 In aanvulling op artikel 2 lid 3 kan het bestuursorgaan bij zijn besluit of inwonersparticipatie plaatsvindt, meewegen of het beleid(s)onderwerp, plan of besluit van directe invloed is op inwoners, maatschappelijke partijen en (lokale) ondernemers. De mate waarin het onderwerp van beleid, plan of besluit van invloed is op inwoners bepaalt (mede) dat inwonersparticipatie echt nodig is. Artikel 3 lid 2 Hier worden alle redenen genoemd wanneer en waarom er geen inwonersparticipatie zal plaatsvinden. Artikel 4. Participatieproces – inwonersparticipatie Artikel 4 lid 1 en 2 In dit artikel wordt in lid 1 en 2 bepaald dat het bestuursorgaan bij de start van elk participatieproces, eerst vaststelt of inwonersparticipatie wordt toegepast en zo ja, wat wordt beoogd hiermee. Daarnaast wordt bij de start van de participatieprocedure bekendgemaakt, wie de participanten zijn en welke groepen bij welke onderwerpen zullen worden betrokken. Ook regelt lid 2 dat het bestuursorgaan inzichtelijk moet maken welk type vraag of vragen voorgelegd zullen worden inwoners. Ook gaat dit artikel in op hoe de participatie wordt vormgegeven (hoe het werkt). Hierbij moet een keuze worden gemaakt voor het niveau van participatie volgens welke trede van de participatieladder volgens artikel 5 lid 3 d. Dit komt overeen met wat hieronder de keuzevraag wordt besproken. In het gehele proces gaat het vier soorten vragen die de invulling van inwonersparticipatie bepalen: De fundamentele vraag: De fundamentele vraag is de grondvraag of kernvraag die onderliggend is aan het participatieproces of het beleidsvoorstel: wat is het raads-/college-vraagstuk dat opgelost moet worden? Het gaat hier om de grote, strategische of maatschappelijke vraag waarop het participatieproces een bijdrage kan leveren. Bijvoorbeeld: “Welke rol wil de gemeente spelen in de versterking van inwonersparticipatie?” of “Wat betekent het voor de leefbaarheid van onze dorpen als inwoners meer zeggenschap krijgen?” Dekeuzevraag: De keuzevraag volgt op de fundamentele vraag en richt zich op de te maken keuze(
- s)binnen het proces: welke alternatieven of varianten zijn er, en welke keuze moet gemaakt worden? Bij participatie betekent dit dat de betrokkenen of het bestuursorgaan keuzes krijgen voorgelegd waarop zij invloed kunnen uitoefenen. Bijvoorbeeld: “Kiezen we voor een participatieaanpak waarbij inwoners coproduceren (cocreatie) of voor het raadplegen zoals dat bij de klassieke inspraakprocedure al mogelijk was of blijft het bij informeren? Deuitwerkingsvraag: De uitwerkingsvraag zoomt in op de inrichting of praktische uitvoering van de gekozen koers: hoe wordt de gekozen variant concreet vormgegeven? Welke stappen volgen, welke middelen zijn nodig, welke groepen worden betrokken? Bijvoorbeeld: “Hoe concretiseren we de co-creatie-fase? Welke groepen nodigen we uit? Welke middelen (budget, tijd, communicatie) zetten we in?” Deborgingsvraag: De borgingsvraag richt zich op de duurzaamheid, verankering en verantwoording van het participatieproces en het gekozen beleid: hoe wordt gegarandeerd dat de gemaakte keuzes blijven werken, worden geborgd in organisatie, besluitvorming en uitvoering, en hoe monitoren we of het effect heeft? Bijvoorbeeld: “Op welke wijze zorgen we dat de betrokken inwoners ook na het proces actief blijven? Hoe rapporteren we over de uitkomsten? Welke monitoring- en evaluatiemomenten zijn er?” Ook maakt dit artikel maakt duidelijk dat het bestuursorgaan inzichtelijk moet maken hoe het proces eruitziet, welke kaders er gelden, hoe hierover wordt gecommuniceerd. Artikel 4 lid 3 In het derde lid staat dat het bestuursorgaan op tijd inzicht geeft in de gemeentelijke plannen, zodat inwoners, al dan niet in georganiseerd verband, op tijd invloed kunnen uitoefenen. Dit artikel verplicht tot actieve openbaarheid, zodat inwoners goed kunnen deelnemen aan participatieprocessen. De uitwerking hiervan gebeurt in beleidsregels en procesafspraken. Artikel 4 lid 4 Als er op basis van voortschrijdend inzicht blijkt dat het wenselijk is om de kaders onder lid 2 e, of de inrichting van het proces aan te passen, zorgt het bestuursorgaan ervoor dat deelnemers hierover zo snel mogelijk worden geïnformeerd. Artikel 5. Plan voor inwonersparticipatie Artikel 5 lid 1 In dit artikel is vastgelegd dat het bestuursorgaan een participatieplan opstelt voordat beleid – in alle beleidsdomeinen - wordt voorbereid, uitgevoerd of geëvalueerd. Het initiatief voor participatie ligt bij de gemeente. Artikel 5 lid 2 Geeft een totaaloverzicht van de inhoud van het participatieplan. Artikel 5 lid 3 Als participatie mogelijk is, is de volgende stap dat het bestuursorgaan besluit welke vorm of niveau van participatie van de participatieladder mogelijk is. De gemeente is aan zet om participatie te regelen. Zie ook inleidende toelichting hierboven. Treden Participatieladder: Trede 1: Informeren: het gaat hier om het overdragen van informatie aan bewoners/burgers: zij worden op de hoogte gebracht, bijvoorbeeld via een informatiebrief of -bijeenkomst. De invloed van inwoners is hier doorgaans minimaal of niet mogelijk. Dat kan het geval zijn bij situaties waarbij participatie niet mogelijk is bij de wet, een eigen taak is van de gemeente, of omdat de gemeente bijvoorbeeld een verzakking in wegen moet repareren. Trede 2: Raadplegen of consulteren: inwoners(organisaties) worden gevraagd om hun mening te geven. Bij deze vorm van participatie kan ruimte voor samen signaleren worden gemaakt. Inwoners(organisaties) kunnen problemen en kansen in hun omgeving herkennen en aangeven, zoals verpaupering of een tekort aan groen. Consultatie kan gebeuren via (online) enquêtes of via een of meer consultatiebijeenkomst(en). Het bestuursorgaan luistert en neemt hun inbreng mee - als dat haalbaar is - bij het nemen van een besluit. Trede 3: Adviseren: vanuit het principe van samen weten maakt het bestuursorgaan het mogelijk dat - op basis van kennis, deskundigheid, ervaringen en inzichten - inwoners(organisaties) adviezen kunnen geven. Deze adviezen kunnen worden meegenomen in beleid, projecten of besluitvorming. Bestuursorgaan gaat in gesprek met inwoners en neemt het advies of de uitkomst van meedenkproces van inwoners mee in het besluit. In het sociale domein wordt bijvoorbeeld de Adviesraad Sociaal Domein betrokken. In het fysieke domein is er geëxperimenteerd met Omgevingstafels voor advies; de aanpak wordt verbeterd. Ook Dorps- en Kernraden kunnen worden gevraagd om advies. Trede 4: Samenwerken of co-creëren of coproduceren: vanuit de principes van samen weten, samen denken en/of samen leren maakt de gemeente gebruik van de creativiteit, denkkracht, kennis en kunde van de inwoners. Dit proces wordt ook cocreatie genoemd en wordt ingezet om samen: mogelijke oplossingen en ideeën te bedenken; beleid, beleidsmaatregelen, plannen en projecten te ontwikkelen en/of deze uit te voeren of te voeren. Ook is het mogelijk dat er samen wordt geleerd: te leren van elkaar tijdens het hele participatieproces en daarmee; continu verbetering van het proces, de beleidsmaatregelen en de samenwerking zelf. Trede 5: (mee)beslissen Geldt bij zelforganisatie; in principe geen gebruikelijk participatieniveau binnen deze verordening. Artikel 5 lid 4 In lid 4 van artikel 5 wordt duidelijk gemaakt dat het hier gaat om een bevoegdheid van de gemeenteraad: de besluitvorming. Het college is verantwoordelijk is voor het voorbereiden van de besluitvorming over het beleid en ook voor het opstellen van het participatieplan. Artikel 5 lid 5 Het bestuursorgaan kan ervoor kiezen om nadere beleidsregels en subsidieregelingen vast te stellen voor inwonersparticipatie. Artikel 6. Zorgplicht bestuursorgaan Op het bestuursorgaan rust de taak om participatie zoveel mogelijk te faciliteren en ook de juiste verwachtingen over het doel en de vorm van de participatie te scheppen. Daarom is in de verordening expliciet een zorgplicht voor bestuursorganen opgenomen. Zo moeten bestuursorganen ervoor zorgen dat inwoners en maatschappelijke partijen tijdig worden betrokken als de meeste opties nog openstaan en dat inzichtelijk is hoe een proces van participatie verloopt. Verder moet alle benodigde informatie openbaar zijn en moet steeds kenbaar zijn wat de stand van zaken is. Het bestuursorgaan is verplicht om duidelijk te maken waar inwoners en maatschappelijke partijen met vragen en klachten terecht kunnen. Het ligt voor de hand daarvoor een ambtelijk contactpersoon aan te wijzen. Toegankelijkheid van informatie en processen is een belangrijke kernwaarde. Zo moeten informatie en processen toegankelijk zijn ongeacht achtergrond of beperking. Er zijn verschillende manieren van openbaarmaking mogelijk, zowel via de gebruikelijke online als offline-kanalen. Artikel 7. Eindverslag participatieproces Een verslag van alle inwonersparticipatie trajecten waarbij de gemeente initiatiefnemer van participatie is. Artikel 8. Inspraak en -procedure Lid1 bepaalt: Elk bestuursorgaan besluit ten aanzien van zijn eigen bevoegdheden of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. Bij inspraak is er sprake van een concreet voornemen, zoals het vaststellen van een vergunning, omgevingsplan of projectbesluit, waarbij als verplicht onderdeel in de procedure, iedereen kan reageren (inspraakprocedure of zienswijzeprocedure genaamd). Het begrip ‘gemeentelijk beleid’ dient hierbij breed geïnterpreteerd te worden. Het kan ook gaan om inspraak over de uitvoering van gemeentelijk beleid. Denk aan het ontwerp van een fietsverbinding of de herinrichting van de openbare ruimte. Inspraak wordt altijd verleend als de wet dat verplicht. Elk bestuursorgaan besluit of inspraak wordt verleend als het gaat over eigen bevoegdheden, beleid of taken. Het bestuursorgaan kan voor een of meer beleidsvoornemens een andere inspraakprocedure vaststellen. Er moet geen onnodige dubbele inspraak zijn. Juist wanneer participatie volgens deze verordening is geregeld en heeft plaatsgevonden. Inspraak wordt verleend aan inwoners, organisaties, bedrijven en andere belanghebbenden. Het verslag van de inspraak voldoet aan de AVG. Op inspraak is de procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, tenzij het bestuursorgaan een andere inspraakprocedure vaststelt of een wettelijke regeling een andere procedure voorschrijft. Het bestuursorgaan maakt het eindverslag via de gebruikelijke gemeentelijke kanalen openbaar. Participatie in relatie tot inspraak Participatie is vaak breder en informeler dan inspraak. Inspraak verwijst naar formele inspraakmomenten in wettelijke procedures. Bij het gebruikmaken van het inspraakrecht kunnen bedrijven, instellingen, maatschappelijke partijen, inwoners en hun organisaties worden geraadpleegd (tweede trede van de participatieladder). Zij kunnen hun zienswijze over het beleid dat wordt voorbereid schriftelijk geven of daarover inspreken bij de gemeenteraad. Bij inwonersparticipatie (volgens deze participatieverordening), kunnen inwoners en georganiseerde inwoners, inwonerscollectieven, advies-, kern- en dorpsraden, maatschappelijke partijen, ondernemers en sociaal ondernemers, zowel bij het voorbereiden van beleid als bij het uitvoeren en evalueren van beleid worden betrokken. De mogelijkheid bestaat dat participatie, behalve door raadpleging, ook door advies en/of cocreatie wordt ingevuld (derde en vierde trede van de participatieladder). Als het beleidsvoorstel klaar is - bij de voorbereiding van beleid - is er in een aantal gevallen ook nog formeel inspraak op dit voorstel mogelijk. Artikel 9. Toepassen overheidsparticipatie Overheidsparticipatie is wanneer een initiatief uit de samenleving komt en de overheid daarin participeert en/of deze faciliteert/ondersteunt. Het college van burgemeester en wethouders of de burgemeester reageert op deze initiatieven en neemt een besluit of en op welke manier de gemeente meedoet aan het initiatief en/of hoe het initiatief kan worden ondersteund. Er zijn in de gemeente Heeze-Leende en haar dorpen, kernen en buurten al diverse vormen van Overheidsparticipatie zoals: CPO - initiatieven (Collectief Particulier Opdrachtgeverschap) voor nieuwbouw; Een initiatief gericht op het realiseren van de energietransitie in Leenderstrijp zonder het stroomnet verder te belasten. Een voorbeeld in de energietransitie waarin gestreefd wordt in het zelfstandig voorzien in de energiebehoefte. Samenlevingsopbouw Leende: twee initiatieven in het sociaal domein: Inwonersinitiatief gericht op het versterken van de onderlinge betrokkenheid in buurten tussen jong en oud; Inwonersinitiatief bewegen in de openbare ruimte voor jeugd; Een jongereninitiatief ondersteund door ouders, een welzijn organisatie en de gemeente Heeze-Leende. Incidentele budgetten voor buurtontmoetingen. Artikel 10. Indienen inwoners- of maatschappelijk initiatiefvoorstel Andere zaken die van invloed zijn op het geven van ruimte aan initiatief In de algemene toelichting is al gezegd dat de gemeente (de komende twee jaar) gaat werken aan het verder versterken van de ambtelijke capaciteit en het toerusten van de teams om te het werken met en vanuit de verordening. De gemeente zal dit realistisch, in fasen en stapsgewijs moeten aanpakken zodat er ook echt kan worden geoefend met participatie en er kan worden geleerd en verbeterd. Maar het vraagt ook tijd en geld om te investeren in de ambtelijke organisatie. Dit betekent dat de gemeente de afweging moet maken of, hoeveel en wanneer zijn de financiële middelen en ambtelijke capaciteit beschikbaar heeft om initiatieven de juiste ondersteuning te kunnen geven. Artikel 10 lid 1 Alleen initiatiefgerechtigden kunnen een initiatiefvoorstel indienen. Initiatiefgerechtigd zijn: inwoners van 12 jaar en ouder; penvoerders of vertegenwoordigers van jeugdige participanten of van deelnemers aan projecten voor kinderparticipatie (jonger dan 12); inwonerscollectieven - zoals genoemd in artikel 1 lid h - zoals buurtschappen en raden van kernen, dorpen, buurten; inwonerscollectieven (zonder rechtspersoon); maatschappelijke partijen - genoemd in artikel 1 lid j en m - zoals: maatschappelijke organisaties en sociale ondernemingen, maar ook andere rechtspersonen zoals: verenigingen en stichtingen, coöperaties, inwonerscollectieven en buurtschappen (rechtspersonen: georganiseerd in een stichting, vereniging of coöperatie). Deze partijen hebben tot doel een actieve bijdrage te leveren aan, en/of impact te hebben op de samenleving en/of dragen bij aan realisatie van beleidsdoelen, beleidsthema’s of taken van de gemeente. Artikel 10 lid 2, 3, 4, 5 en 6 De aanvraag is gericht aan het college van B en W. Het voorstel van initiatief wordt schriftelijk ingediend en is geschreven volgens de punten a t/m h van lid 3. In het voorstel moet ook aangetoond worden dat er behoefte is aan het initiatief en de indiener moet kunnen aantonen dat hij/zij het initiatief ook kan uitvoeren omdat de kennis en ervaring daarvoor aanwezig is. De initiatiefnemer is maatschappelijk betrokken en kan aantonen dat er steun is voor het initiatiefvoorstel bij inwoners of doelgroepen (draagvlak). Draagvlak kan worden aangetoond: door een verslag (in beeld mag ook) van de participatie die is georganiseerd; en/of minstens 20 handtekeningen voor steun van het initiatief die zijn opgehaald. Het initiatief gaat over een (of meer) van de dorpen/kernen, buitengebieden van gemeente Heeze-Leende. En, het initiatiefvoorstel mag echt niet gaan over de onderwerpen die zijn genoemd in artikel 9 lid 4. Artikel 10 lid 7 a - 7b - 7 c De gemeente faciliteert - binnen de kaders van haar mogelijkheden - inwoners- of maatschappelijke initiatieven die gericht zijn op: Het realiseren van de eigen of gemeentelijke participatie versterkende doelstellingen, zoals: Het versterken van de participatie van jeugdigen via een kinderraad van 12 tot 16 kinderen van diverse scholen: kinderen van groep 7/8 van basisscholen praten over beleidsthema’s en onderwerpen die voor hen belangrijk zijn; geven advies op beleidsthema’s/-onderwerpen, bijvoorbeeld door middel van een kinderconferentie; en/of leren over burgerschap en de verbinding leren maken met gemeentebeleid. Het versterken van de participatieve (of doe-) democratie in eigen dorp, kern of buurt; en/of Het versterken van de organisatiegraad van de eigen organisatie; Het versterken van participatie van inwoners binnen een of meer domeinen en/of beleidsvelden van de gemeente. Het versterken van en/of aansluiting hebben op gemeentelijk beleidsdoelen en -thema’s binnen een van de beleidsdomeinen: fysiek, sociaal, economisch, bijvoorbeeld: Sociaal domein: activiteiten sluiten aan op een of meer (beleids-)thema’s, zoals: ‘Samen sociaal sterk’; ‘De beweging van Positieve gezondheid’, ‘Samen kansen creëren’. ruimte voor inwonerscollectieven die bijdragen aan een sterke en verbonden samenleving en/of het versterken van informele zorgstructuren en positieve gezondheid zoals zorgcoöperaties; aansluiting bij doelen uit Strategisch beleidsplan en Uitvoeringsplan Sociaal Domein. Fysiek domein: vernieuwing van het beheer: zelf- of mede beheer van de openbare ruimte, fysieke (en sociale) veiligheid; mobiliteit, verkeer kunst in de openbare ruimte: Beleidsplan Wegen en Civiele Kunstwerken Heeze-Leende; Mobiliteitsplan Heeze-Leende, duurzaamheidsbeleid: Duurzaamheidsbeleid Heeze-Leende; beleid accommodaties: Accommodatiebeleid Heeze - Leende collectieven die bijdragen aan de doelen met energietransitie en verduurzaming, duurzaamheid/milieu of bijdragen aan woningbouw zoals energiecoöperaties, samenbouw initiatieven (CPO). Het gericht zijn op samenwerkingen met een integrale en domein overstijgende aanpak om complexe problemen op te lossen. Integraal en/of domein overstijgend, bijvoorbeeld: vanuit de fysieke leefomgeving omgeving gericht zijn op het bereiken van sociale doelen, bijvoorbeeld via ontmoetingsplekken die bijdragen het versterken van een veilige en sociaal duurzaam verbonden samenleving; sociaaleconomische doelen als oplossing voor maatschappelijke uitdagingen, bijvoorbeeld door sociale ondernemingen die bijdragen aan de versterking van de lokale economie door arbeidsparticipatie kansarme groepen te bewerkstellingen (social impact). Artikel 10 lid 8 Het initiatiefvoorstel dat is gericht aan het college wordt ambtelijk beoordeeld aan de hand van alle gestelde voorwaarden en eisen genoemd in artikel 10. Het bestuursorgaan ontvangt een advies en neemt op basis van het advies een besluit. Daarnaast wordt bij de afweging meegenomen of de gemeente op het moment van de aanvraag beschikt over de financiële middelen en ambtelijke capaciteit om het initiatief de juiste ondersteuning te kunnen geven. Artikel 10 lid 9 Het bestuursorgaan kan ervoor kiezen om nadere beleidsregels en (subsidie)regelingen vast te stellen voor overheidsparticipatie en/of inwoners- en maatschappelijke initiatiefvoorstellen en jaarlijks een budget beschikbaar stellen. Het college van B en W stelt nadere regels vast en de gemeenteraad stelt budgetten vast. Artikel 11. Versterking Participatiegraad in dorpen en buurten De gemeente waardeert de inbreng en betrokkenheid van dorpen en buurten en vindt het belangrijk dat meer inwoners uit kernen, dorpen en buurten meedoen (=versterken participatiegraad). Het versterken van de participatie vraagt om samenwerking en organisatie rondom vraagstukken of thema’s die belangrijk zijn voor de leefbaarheid van het dorp, de kern of de buurt en/of voor haar inwoners. De gemeente wil daarom ondersteuning bieden bij het in collectief verband organiseren van dorps-, kern- of buurtbelangen en de participatie daarbij te bevorderen. De gemeente kan per dorp, kern of buurt een budget toekennen, dat door de inwoners zelf wordt besteed. Dit kan gefaseerd en binnen de mogelijkheden van de gemeente worden ingevoerd. Bestuursorgaan kan besluiten budget toe te kennen aan het versterken van de organisatiegraad van collectieve verbanden in dorpen, kernen en buurten en/of voor het versterken van de participatie. De werkwijzen en/of toewijzing van budgetten kunnen worden vastgelegd in nadere kaders en/of regels. Artikel 12. Toepassen Uitdaagrecht Elk bestuursorgaan besluit zelf of het uitdaagrecht mogelijk is binnen zijn taken. Dit gaat meestal om taken van burgemeester en wethouders (artikel 150 lid 3 Gemeentewet).Er zijn aanvullende uitsluitingsgronden voor het uitdaagrecht, zoals lopende uitvoeringstrajecten en aanbestedingen boven de Europese drempelwaarde. Het initiatief komt van inwonerscollectieven of maatschappelijke partijen (en dus niet van de gemeente) en is bedoeld voor mede-inwoners. Het is dus geen persoonlijk plan of hobby en heeft geen commerciële doelen. Het gaat om een huidige taak (of een deel daarvan), waarvoor de gemeente een budget heeft. Artikel 13. Procedure van Uitdaagrecht Dit artikel gaat over de procedure van indiening van, het toetsen tot aan het nemen van besluit voor, een uitdaagverzoek. Afhankelijk van de taak waarvoor aanvrager uitdaagt kan uitdaagvoorstel kan worden ingediend bij de gemeenteraad of het college van B en W. Het bestuursorgaan kan nadere kaders of regels met randvoorwaarden stellen. Artikel 14 en 15 Participatie-instrumenten Omgevingswet Vroegtijdige participatie De Omgevingswet benadrukt het belang van vroegtijdige participatie. Dit betekent dat belanghebbenden zoals inwoners, ondernemers, maatschappelijke partijen en andere overheden, al in een vroeg stadium betrokken moeten worden bij de voorbereiding van een besluit tot wijzigen en/of vaststellen van een omgevingsvisie, omgevingsplan of programma’s. Omgevingswet en participatie bij de kerninstrumenten De gemeente is verantwoordelijk voor het regelen van de participatie bij de voorbereiding van het besluit tot vaststelling of wijziging van de kerninstrumenten van de Omgevingswet: omgevingsvisie, omgevingsplan en programma’s. Voor al deze drie omgevingswet-instrumenten heeft de gemeente, voor de wijze waarop invulling is gegeven aan participatie, een motiveringsplicht. Dit is geregeld in de artikelen 10.7 lid 2, 10.8 lid 2 en 10.2 lid 2 van het Omgevingsbesluit. Hierin wordt gesteld dat bij het vaststellen (en ook wijzigen) van een omgevingsvisie, een programma of een omgevingsplan, de gemeente (achteraf) aan moet geven (motiveren) hoe invulling is gegeven aan het decentrale participatiebeleid over het betrekken van burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties (en andere bestuursorganen). Aanvullend geldt bij het voornemen om een omgevingsplan vast te stellen ook de eis dat het bestuursorgaan (in deze de raad) - vooraf in de wettelijke kennisgeving - moet aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere bestuursorganen bij de voorbereiding zullen worden betrokken (art. 10.2 lid 1 Omgevingsbesluit). Deze motiveringsplicht geldt overigens ook als het participatiebeleid voor de Omgevingswet-instrumenten in een beleidsregel wordt neergelegd. Het van toepassing verklaren van de participatieverordening op de Omgevingswet In deze verordening wordt geregeld dat deze van toepassing wordt verklaard op de drie omgevingswet-instrumenten waarbij de gemeente verantwoordelijk is voor de participatie. Een voordeel van het van toepassing verklaren van de Participatieverordening op de Omgevingswet-instrumenten is dat alles is opgenomen in één document. Dit draagt bij aan de overzichtelijkheid en duidelijkheid van de participatie waarbij de gemeente aan zet is om die te regelen. Deze koppeling met (de omgevingswet-instrumenten van) de Omgevingswet is vastgelegd in de doelstelling van de verordening, artikel 2 lid 5 en lid 6 en wordt concreet geregeld in artikel 14 en 15 van hoofdstuk 6: Omgevingswet. Participatie verantwoordelijkheid bestuursorganen gemeente Het Omgevingsbesluit geeft aan dat de gemeenteraad verantwoordelijk is voor het organiseren van participatie bij de omgevingsvisie en het omgevingsplan. Het college is verantwoordelijk voor participatie bij de programma’s. In bijlage I is deze verantwoordelijkheid voor participatie van deze gemeentelijke bestuursorganen opgenomen. Decentraal Participatiebeleid Omgevingswet De gemeente moet voor verschillende instrumenten een decentraal participatiebeleid vaststellen. Dit beleid moet ervoor zorgen dat participatie daadwerkelijk plaatsvindt. Dit beleid heeft de gemeente al in 2023 vastgelegd in de Beleidsnota Participatie Omgevingswet Heeze-Leende 2023. Dit wettelijk kader is geldend van 01-01-2024 t/m heden. In dit beleidskader geeft de gemeente (bevoegd gezag) aan dat zij wettelijk aan zet is voor het regelen van de participatie voor de Omgevingswet-instrumenten en geeft daarvoor beleidslijnen. Beleidslijn 1: de gemeente als initiatiefnemer - regelt de participatie en motiveert achteraf Bij start van het proces om te komen tot vaststelling van een omgevingsplan of een nieuw deel daarvan of wijziging van een deel van een omgevingsplan wordt een zgn. participatieplan opgesteld. De impact van het initiatief bepaalt de vorm van het participatieproces en wie worden betrokken. Bij de start van het proces van een omgevingsvisie en omgevingsprogramma, wordt aan participatie aandacht geschonken. De impact bepaalt de vorm van het participatieproces en wie worden betrokken. Als een omgevingsvisie, omgevingsprogramma en omgevingsplan worden vastgesteld, wordt altijd gemotiveerd hoe participatie is toegepast en wat met de opgehaalde resultaten is gedaan. Als de gemeente initiatiefnemer is voor een omgevingsvergunning, wordt altijd gemotiveerd hoe participatie is toegepast en wat er met de opgehaalde resultaten is gedaan. Beleidslijn 2: de gemeente als initiatiefnemer - bepaalt participatievorm - participatie niveau De Omgevingswet laat ook - de gemeente als - initiatiefnemer vrij om een participatievorm te kiezen. Vanwege de noodzaak om integraal af te wegen en om een langdurige beroepsprocedure te voorkomen, is het in zijn/haar eigen belang om adequate en tijdige participatie te voeren. Voorafgaand aan een participatietraject wordt beoordeeld welke participatievorm en niveau van participatie het beste aansluit bij het voorliggende plan of programma. Het participatieniveau wordt bepaald aan de hand van een van de vijf participatietreden van de participatieladder, te weten: informeren, raadplegen, adviseren, coproduceren en (in mindere mate) meebeslissen. Het niveau/ de mate van participatie kan binnen een plan of project veranderen, afhankelijk van de fase waarin het plan of project zich bevindt. Vanuit de gemeente is ervaring opgedaan met de omgevingstafel als vorm voor het regelen van de participatie: een georganiseerde (reeks van) participatiesessie(
- s)met inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties om invulling geven aan participatie bij de voorbereiding van de vaststelling of wijziging van de kerninstrumenten van de omgevingswet: de omgevingsvisie, het omgevingsplan, de omgevingsprogramma’s. De aanpak bleek na evaluatie verbetering te behoeven. Een verbeterde aanpak kan worden overwogen bij het vormgeven van de participatie. En het niveau waarop de participatie plaatsvindt kan worden ingevuld de beleidslijnen zoals vastgelegd in de beleidsnota. Artikel 14. Reikwijdte Participatie Omgevingswet Deze verordening is van toepassing op de participatie bij de voorbereiding van het wijzigen en vaststellen van gemeentelijke instrumenten onder de Omgevingswet, waaronder in ieder geval: omgevingsvisie of onderdelen daarvan, als bedoeld in artikel 3.1 van de Omgevingswet; programma’s, als bedoeld in artikel 3.4 van de Omgevingswet; omgevingsplan of onderdelen daarvan, als bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet. Het bestuursorgaan neemt de motiveringsplicht zoals bedoeld in de artikelen 10.7, 10.8 en 10.2 van het Omgevingsbesluit in acht bij het toepassen van participatie onder lid 1. Participatie en/of inspraak wordt verleend aan inwoners, ondernemers, maatschappelijke instellingen en andere belanghebbenden in de gemeente Heeze-Leende; Deze verordening is niet van toepassing door initiatiefnemers te organiseren op participatie bij aanvragen van een omgevingsvergunning; Het bestuursorgaan stelt een handreiking voor het organiseren van participatie beschikbaar voor initiatiefnemers die een omgevingsvergunning aanvragen. Artikel 15. Participatie bij kerninstrumenten Omgevingswet Toepassing van beleid: Het bestuursorgaan volgt de ‘Beleidsnota Participatie Omgevingswet Heeze-Leende 2023’ bij participatie voor de kerninstrumenten van de Omgevingswet, waarvoor de gemeente de participatieplicht draagt: omgevingsvisie, omgevingsplan en programma’s. Toelichting: Dit lid borgt dat participatie plaatsvindt volgens het vastgestelde gemeentelijke beleid en dat de wettelijke plicht voor participatie bij deze instrumenten wordt nageleefd. Kaders per besluit: Voor ieder besluit tot vaststelling of wijziging van een omgevingsvisie, omgevingsplan of programma bepaalt het bestuursorgaan: het doel van participatie; de betrokken doelgroepen; de participatievorm(en); de wijze van terugkoppeling. Toelichting: Hiermee wordt vooraf duidelijkheid gecreëerd over waarom participatie plaatsvindt, wie wordt betrokken, op welke manier en hoe resultaten worden teruggekoppeld. Dit voorkomt willekeur en bevordert transparantie. Afstemming van participatieniveau: Het participatieniveau wordt afgestemd op: de aard van de opgave en/of de impact op de fysieke leefomgeving; de mate van maatschappelijke gevoeligheid; de beschikbare tijd en wettelijke procedure; de mate waarin keuzes nog beïnvloedbaar zijn. Toelichting: Dit lid zorgt voor maatwerk. Niet elke opgave vraagt hetzelfde niveau van participatie. De factoren helpen om een proportionele en realistische aanpak te kiezen. Verantwoording in besluit: In het vaststellings- of wijzigingsbesluit legt het bestuursorgaan vast: hoe inwoners, ondernemers, maatschappelijke organisaties en andere bestuursorganen zijn betrokken bij de voorbereiding; wat de resultaten van deze betrokkenheid zijn; hoe de gekozen participatie aansluit bij het geldende participatiebeleid. Toelichting: Dit lid borgt de motiveringsplicht uit de Omgevingswet. Het maakt inzichtelijk hoe participatie is toegepast en wat het heeft opgeleverd, zodat dit controleerbaar en toetsbaar is. Wanneer gemeente niet aan zet is voor de participatie Voor (het kerninstrument) vergunningen onder de omgevingswet is de gemeente niet aan zet voor participatie. De inspanningsverplichting voor participatie bij vergunningen ligt bij initiatiefnemers (aanvragers van de vergunning) die een eigen plan hebben voor de fysieke leefomgeving. Dit is geregeld in artikel 7.4 Omgevingsregeling. Binnen de omgevingswet zijn initiatiefnemers echter niet verplicht om aan participatie te doen en de wet schrijft ook niet voor hoe dat moet. Initiatiefnemers zijn alleen in de gevallen die de gemeenteraad heeft aangewezen, verplicht om participatie te organiseren. Daarbij moet de initiatiefnemer aangeven of en hoe aan participatie is gedaan en wat de resultaten zijn. Zo kan de gemeenteraad participatie wel verplicht stellen voor (bepaalde) omgevingsvergunningen. De gemeente Heeze-Leende heeft een Handreiking Participatie1Participatie over omgevingsvergunningen, waarbij de initiatiefnemer aan zet is voor het organiseren van participatie, vindt plaats volgens hetgeen bepaald is in de Omgevingswet en eventuele besluiten van de gemeenteraad over verplichte participatie, zoals bedoeld in artikel 16.55, lid 7 van de Omgevingswet.Het bestuursorgaan stelt voor initiatiefnemers die zelf een project, een activiteit of plan realiseren een “Handreiking Participatie” ter beschikking voor ruimtelijke initiatieven die een omgevingsvergunning aanvragen. Deze handreiking bevordert vroegtijdige participatie en biedt (toetsings-)kaders. Het bestuursorgaan beoordeelt - op basis van het verslag van initiatiefnemer en eventueel op basis van eigen onderzoek - het verloop van het participatieproces en of aan de voorwaarden is voldaan. Als de aanvrager van de vergunning, niet of onvoldoende aan participatie heeft gedaan, kan de aanvraag buiten behandeling worden gelaten. De aanvrager krijgt wel de kans om dit te herstellen. Zie bijlage I. opgesteld voor initiatiefnemers. Verantwoordelijkheden In de tabel in bijlage I staat wie verantwoordelijk is voor participatie bij verschillende instrumenten van de omgevingswet en hoe besluiten worden gemotiveerd. Verantwoordelijkheden bij verzoek tot wijziging omgevingsplan door derden Als een derde partij een wijziging van het omgevingsplan aanvraagt, moet deze partij zorgen voor een goed participatieproces. Het bestuursorgaan controleert of aan de eisen is voldaan. Artikel 16. Evaluatie en monitoring Dit artikel regelt hoe de verordening wordt geëvalueerd, en hoe rapportage en monitoring plaatsvindt en wie waarvoor verantwoordelijk is. Het doel is om hieruit te leren en te verbeteren. Evaluatie van pilotprojecten binnen de tweejarige pilotperiode (2026 - 2027), gebeurt na 1 jaar en na afloop van de pilotperiode (waarin er door middel van pilotprojecten is ingezet op oefenen en experimenteren, leren en verbeteren). Tot de pilots kunnen alle participatievormen en initiatieven behoren. De evaluatie van initiatief- of uitdaagvoorstellen vindt tussentijds tweejaarlijks plaats en na elke raadsperiode. Het gaat om ingediende voorstellen van: Inwoners (inclusief voorstellen van kinder- en jeugdparticipatie); Maatschappelijk initiatief; Uitdaag voorstellen; Versterking van de participatiegraad in dorpen/kernen. De artikelen 17 t/m 20 spreken voor zich. BIJLAGEIOverzicht participatie verantwoordelijke per instrument van de Omgevingswet Onderstaande tabel bevat een overzicht per instrument van de regels voor participatie, wie verantwoordelijk is voor de naleving van de participatieregels en waar het staat. Tabel met overzicht van de regels voor participatie per instrument Instrument Wie verantwoordelijk voor participatie (Participatie)regels Waar staat het? Omgevingsvisie Gemeente Gemeenteraad Motiveringsplicht: het bevoegd gezag geeft bij het besluit aan hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen zijn betrokken bij de voorbereiding en wat de resultaten daarvan zijn. Omgevingsbesluit (art. 10.7) Programma Gemeente College van B en W Motiveringsplicht: het bevoegd gezag geeft bij het besluit aan hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen zijn betrokken bij de voorbereiding en wat de resultaten daarvan zijn. Omgevingsbesluit (art. 10.8) Omgevingsplan Gemeente Gemeenteraad Het bevoegd gezag geeft bij de kennisgeving van het voornemen om een omgevingsplan vast te stellen aan hoe het de participatie vormgeeft. Het bevoegd gezag geeft bij het besluit aan hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen zijn betrokken bij de voorbereiding en wat de resultaten daarvan zijn. Omgevingsbesluit (art. 10.2) NB: Als bevoegd gezag is de gemeente verantwoordelijk voor participatie bij de omgevingsvisie, het omgevingsprogramma en omgevingsplan. Bij een omgevingsvergunning kan de gemeente zelf initiatiefnemer zijn. Mocht de gemeente van mening zijn dat de keuze van de initiatiefnemer niet genoeg informatie oplevert, kan zij vragen om een nieuw participatieproces of zelf alsnog de participatie organiseren. Buitenplanse omgevingsplan activiteit* Gemeente stuurt op participatie verantwoordelijkheid ligt bij initiatiefnemer Keuze Heeze-Leende Gemeenteraad kan participatie verplicht stellen (algemeen of in aangewezen gevallen). De initiatiefnemer moet aangeven hoe hij aan participatie heeft gedaan. Als er niet of onvoldoende aan participatie is gedaan kan het bevoegd gezag de aanvraag buiten behandeling laten. Omgevingswet (art. 16.55) in combinatie met een besluit van de gemeenteraad. Projectbesluit Provincie Het bevoegd gezag doet uiterlijk bij de start van de verkenning voor het projectbesluit een ‘kennisgeving participatie’. In deze kennisgeving staat: wie worden betrokken, waarover en wanneer wat de rol is van het bevoegd gezag en de initiatiefnemer waar meer informatie beschikbaar komt Bij de verkenning mag iedereen mogelijke oplossingen aandragen voor de beschreven opgave. Degene die dit doet, kan het bevoegd gezag vragen daarover advies te vragen aan een onafhankelijk deskundige. Zowel voor de voorkeursbeslissing als voor het projectbesluit geldt een motiveringsplicht. Het bevoegd gezag geeft hierbij aan hoe derden zijn betrokken, wat de resultaten zijn van de verkenning en gaat in op de aangedragen oplossingen en de uitgebrachte adviezen daarover. Omgevingswet (art. 5.47, 5.48 en 5.51) en Omgevingsbesluit (art. 5.3 en 5.5) Omgevingsvergunning Initiatiefnemer In de omgevingsregeling wordt een aanvraagvereiste participatie opgenomen. De initiatiefnemer moet aangeven of en zo ja hoe hij aan participatie heeft gedaan. Het bevoegd gezag betrekt deze informatie bij de integrale belangenafweging. Omgevingswet (art. 16.55) De aanvraag-vereiste wordt uitgewerkt in de Omgevingsregeling.