← Nederland

Financiële Verordening Overijssel 2026 (Overijssel)

Financiële Verordening Overijssel 2026Provinciale Staten van Overijssel, gelezen het voorstel van Gedeputeerde Staten d.d. 10 februari 2026 Kenmerk 2026-000400 overwegende dat de Financiële verordenin

§ ‘Inleidende bepalingen’ artikel 1. Definities Voor de gehanteerde begrippen in de verordening gelden de definities uit de Provinciewet, de Wet Fido, het Besluit Begroting en Verantwoording Provincies en Gemeenten (BBV) en het Besluit accountantscontrole decentrale overheden. Overige begrippen uit de verordening worden in artikel 1 van de verordening gedefinieerd.

§ ‘Begroting en verantwoording’ artikel

  1. Programma-indeling Het artikel bevat een aantal bepalingen over de inrichting van de begroting waarin de kaderstellende functie van Provinciale Staten tot uiting komt. Provinciale Staten leggen op basis van dit artikel een belangrijk deel van de inrichting van de begroting vast, evenals de kengetallen waarop zij wil sturen en controleren. Gebruikelijk is om de indeling voor een gehele Statenperiode vast te stellen. Provinciale Staten kunnen, als daar aanleiding toe bestaat deze indeling wijzigen. Voor de consistentie van de administratie en de vergelijkbaarheid van cijfers in de loop van de jaren is tussentijdse wijziging van de programma-indeling niet wenselijk. Ditzelfde geldt bij de start van een nieuwe Statenperiode om de relatie en consistentie met het verleden intact te houden. Programma’s in de begroting zijn daarmee programma’s als bedoeld in artikel 8 van het BBV. artikel
  2. Planning & controlcyclus Het artikel bepaalt dat Gedeputeerde Staten ieder jaar aan Provinciale Staten overzicht bieden in de data waarop belangrijke financiële stukken in vergaderingen van Provinciale Staten worden geagendeerd. Provinciale Staten besluiten in haar agendering rekening te houden met de wettelijke termijnen. artikel
  3. Inrichting begroting en jaarstukken In de Planning & Controldocumenten worden de lasten en baten minimaal per beleidsdoel weergegeven. In dit artikel wordt de verplichting in het BBV om in de begroting aandacht te besteden aan de investeringen nader uitgewerkt door te bepalen dat er bij de uiteenzetting van de financiële positie een overzicht van de investeringen wordt gegeven. artikel
  4. Perspectiefnota Dit artikel gaat over de kaders voor het opstellen van de Perspectiefnota en de meerjarenraming. Hierin staan een aantal uitgangspunten die Gedeputeerde Staten bij het opstellen van deze stukken in acht moeten nemen. Dit in aanvulling op de bepalingen van de artikelen 193 en 197 Provincieweten het BBV. Het eerste lid van het artikel bepaalt dat Gedeputeerde Staten vooraf aan het opstellen aan de begroting (voor de zomer) een nota vaststellen waarin de hoofdlijnen voor het beleid en de financiële kaders voor de komende jaren zijn vastgelegd. In de Perspectiefnota worden de indexeringspercentages vastgesteld ter compensatie van inflatoire effecten. Meestal is dit één uniform percentage waarmee de indexeringsbedragen van de volgende onderdelen bepaald worden. Investeringsbudgetten voor activa Structurele budgetten Rentetoevoegingen aan reserves, voor zover niet anders besloten door Provinciale Staten Instandhoudingsbijdragen aan voorzieningen, voor zover niet anders besloten door Provinciale Staten De volgende budgetten in de begroting worden niet geïndexeerd met vermelding van de redenen. Afschrijvingslasten; deze muteren als gevolg van de indexering van investeringsbudgetten voor activa. Toegerekende rentelasten aan activa. Incidentele budgetten (al dan niet gefinancierd uit reserves); inflatoire effecten dienen bij het aanvragen van incidentele budgetten voorzien te zijn. Dit houdt in dat bij het opstellen van kostenramingen rekening gehouden moet worden met toekomstige kostenontwikkelingen en dat nadien geen indexeringsclaims ingediend worden. Voor budgetten ten laste van reserves is – indien van toepassing – daarenboven de rentetoevoeging bedoeld voor bedoelde effecten. Bestedingen ten laste van voorzieningen; daar waar het risicobedrag in de tijd toeneemt met inflatoire effecten wordt dit gemitigeerd via de instandhoudingsbijdragen aan deze voorzieningen. artikel
  5. Autorisatie begroting en wijzigingen daarop Het eerste lid van dit artikel behandelt de autorisatie van de budgetten in de begroting. Hiermee oefent Provinciale Staten haar budgetrecht uit en geven zij Gedeputeerde Staten de bevoegdheid de begroting uit te voeren en de geraamde middelen te besteden. Binnen de Begroting maakt Gedeputeerde Staten telkens een bedrijfsmatige afweging tussen het in dienst nemen van eigen mensen naast de inzet van inhuurprofessionals. De personeelsgebonden kosten vormen de basis voor de financiering van de personele capaciteit. Bedrijfsmatige afweging kan leiden tot overschrijding van dit budget onder voorwaarde dat Gedeputeerde Staten alternatieve dekking aanwijzen vanuit exploitatie- en/of investeringsbudget. Daarmee wordt budgettaire neutraliteit gewaarborgd. Het tweede lid van dit artikel draagt Gedeputeerde Staten op om in de besteding van de middelen én de realisatie van de beleidsdoelen evenwichtigheid te behouden. Dit artikel verplichten Gedeputeerde Staten om bij grote, politiekgevoelig geachte afwijkingen deze expliciet voor te leggen aan Provinciale Staten. Hiervan is sprake als de lasten van een beleidsdoel dusdanig overschreden worden dat de realisatie van andere beleidsdoelen binnen hetzelfde Programma onder druk komen te staan. Provinciale Staten kunnen via de verantwoordingsdocumenten zowel de GS- als PS-wijzigingen raadplegen inclusief de toelichting die daarbij hoort. Wijzigingen tussen prestaties die worden gevoed uit de uKvO dienen altijd aan Provinciale Staten worden voorgelegd, conform de spelregels van uKvO. Het derde lid van dit artikel is bedoeld om het aantal wijzigingsvoorstellen te verminderen en tevens het verschil tussen het planningsinstrument dat begroting is en de realisatie zoals opgenomen in de Jaarstukken inzichtelijk te maken. Aangezien vrijval van voorzieningen het jaarrekeningresultaat substantieel kan beïnvloeden en deze vrijval los staat van de begrotingsuitvoering, is hiervoor een uitzondering opgenomen. Vrijval van voorzieningen, aanpassingen van kapitaallasten en verwerking van mutaties in de opbrengsten (provinciefonds, rente, dividend, etc.) worden wel verwerkt in een tussentijdse begrotingswijziging. Het vierde lid van dit artikel geven Gedeputeerde Staten de bevoegdheid de begroting te actualiseren zonder een expliciet besluit vooraf van Provinciale Staten. Dit is ter vereenvoudiging en vermindering van het aantal wijzigingsvoorstellen dat aan Provinciale Staten worden voorgelegd. Bij sub a van het vierde lid kan gedacht worden aan een amendement of een resultaatbestemming. Bij sub b van het vierde lid kan gedacht worden aan een gemeentelijke cofinancieringbijdrage. Het vierde lid, onderdeel c verwijst naar de specifieke spelregels, die op grond van de toelichting op artikel 27 BBV voor een aantal reserves zijn opgenomen (op moment van schrijven gaat het hier om de bestemmingsreserves uKvO en uNNN). Het vijfde lid van dit artikel beoogt het voorkomen van een ‘boeggolf’ aan niet bestede delen van structurele budgetten. artikel 6b. Autorisatie investeringsbudgetten voor materiële vaste activa en wijzigingen daarop Naast lopende uitgaven doet de provincie investeringen in materiële vaste activa. Voor de autorisatie van nieuwe investeringsbudgetten is in het eerste lid gekozen deze bij begrotingsbehandeling mee te nemen. Het tweede lid van dit artikel behandelt wanneer wijzigingsvoorstellen voor investeringsbudgetten voor activa aan Provinciale Staten kunnen worden voorgelegd. Soms komen gedurende het begrotingsjaar nieuwe investeringsvoornemens in activa op tafel die bij het opstellen van de ontwerpbegroting nog niet waren voorzien. Het laatste lid van het artikel regelt de autorisatie van de investeringsbudgetten voor deze investeringen. artikel
  6. Tussentijdse rapportage Een belangrijk onderdeel van de Planning- en Controlcyclus voor Provinciale Staten zijn de tussentijdse rapportages. Op basis van tussenrapportages worden Provinciale Staten geïnformeerd over de uitputting van budgetten en de voortgang van de uitvoering van het beleid. Hiervoor wordt de monitor Overijssel als instrument gehanteerd.

§ ‘Financieel beleid’ artikel

  1. Financieringsfunctie In artikel 8 zijn de uitgangspunten voor het uitoefenen van de financieringsfunctie beschreven. Deze uitgangspunten zijn in lijn met de geldende regelgeving zoals opgenomen in de Wet Financiering decentrale overheden en de Regeling Uitzettingen en derivaten decentrale overheden. artikel
  2. Grondslagen van waardering en afschrijving In dit artikel zijn de wijze van waarderen en afschrijven gedefinieerd voor zover afwijkend van of aanvullend op artikel 59 t/m 65 van het Besluit Begroting en Verantwoording Provincies en Gemeenten. Lid zestien bepaalt dat voor het verlenen van borgstellingen en garanties een risicoreservering wordt opgenomen voor het risico dat de provincie loopt. Dit kan bijvoorbeeld door een extra toevoeging aan de Algemene risicoreserve. De risico’s worden ingeschat op basis van een risicoanalyse. artikel
  3. Reserves, voorzieningen en doeluitkeringen In dit artikel zijn de wijze van instellen, wijzigen en opheffen van reserves, voorzieningen en doeluitkeringen toegelicht. Reserves Reserves zijn vermogensbestandsdelen die als eigen vermogen zijn aan te merken en vrij besteedbaar zijn. Reserves worden alleen gevormd, gewijzigd en opgeheven via een Statenbesluit. Reservevorming is slechts mogelijk onder bepaalde voorwaarden en er wordt niet meer gereserveerd dan nodig is om het aanvaarde beleid uit te voeren. Nadere kaderstelling rondom reserves is in de nota Reserves, Voorzieningen en Doeluitkeringen opgenomen. Voorzieningen Voorzieningen worden gevormd voor min of meer onzekere verplichtingen die te zijner tijd tot schulden kunnen worden (zoals garantstellingen), of voor schattingen van de lasten voortvloeiend uit risico’s die samenhangen met de bedrijfsvoering (zoals rechtsgedingen en reorganisaties). Ook kunnen voorzieningen worden gevormd ter egalisatie van de in de tijd onregelmatig gespreide lasten (zoals groot onderhoud). Kenmerkend voor een voorziening is dat: Deze moet worden gevormd vanuit een verplichting volgend uit bedrijfsactiviteiten; Deze een verplichte bestedingsrichting heeft; Deze tot het vreemde vermogen behoort. Voor de gevolgen van toekomstige gebeurtenissen, die niet in causale relatie staan tot de bedrijfsvoering in de periode voorafgaande aan de balansdatum, kunnen geen voorzieningen worden gevormd. Het is ook niet toegestaan om voorzieningen te vormen voor jaarlijks terugkerende arbeidskostengerelateerde verplichtingen van een vergelijkbaar volume. Doeluitkeringen Het BBV schrijft voor dat niet bestede middelen van Europese en Nederlandse overheidslichamen, die moeten worden besteed aan een specifiek doel op de balans als schuld worden verantwoord onder het kopje overlopend passief en als doeluitkering geclassificeerd. Een overlopend passief valt niet onder het begrip voorzieningen omdat hierbij geen onzekerheid bestaat over de omvang van de verplichting. artikel
  4. Verwerking van baten en lasten Lid 2 bepaalt de lastneming bij inkopen. Bij opdrachtverstrekking binnen programmabudgetten worden programmakosten toegerekend aan het jaar waarop ze betrekking hebben. Om op balansdatum een verplichting op de balans op te nemen moet de prestatie geheel zijn geleverd. Indien diensten niet in één begrotingsjaar plaatsvinden worden de uitgaven zo goed mogelijk toegerekend aan de twee begrotingsjaren. In het vigerende verplichtingenbeleid mag de last volledig ten laste worden gebracht van het lopende boekjaar, wanneer de verplichting voor meer dan 75% aantoonbaar is gerealiseerd. De last wordt genomen op het moment dat de onderliggende prestatie voor een verkregen factuur geheel is gerealiseerd. Toelichting lid 3 subsidies: Voor een toelichting wordt verwezen naar de publicaties van de commissie BBV over dit onderwerp. De last bij subsidieverlening wordt verantwoord in het jaar waarin de subsidieontvanger start met de uitvoering van de activiteiten op basis van de startdatum van de projectperiode in de subsidieverleningsbeschikking (meestal jaar van beschikking) tenzij: De verstrekte subsidie een boekjaar/exploitatiesubsidie betreft: uit de subsidiebeschikking blijkt onomstotelijk dat de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verleend in één of meerdere volgende jaren zal plaatsvinden. De verstrekte subsidie een projectsubsidie betreft, het individuele subsidiebedrag het grensbedrag overschrijdt en die boekjaar overschrijdend is. Het grensbedrag is vastgesteld in onze financiële verordening op € 1,5 miljoen. Voor de volledigheid merken wij op dat de lastneming met betrekking tot subsidieaanvragen die vóór 31 december zijn ingediend, maar pas in het volgende boekjaar worden beschikt, in beginsel niet op het jaar van indiening wordt verwerkt, ook al ligt de startdatum in dat jaar. Het uitgangspunt hierachter is primair dat er feitelijk in het nieuwe jaar wordt beschikt. Secundair, dat de realisatie overwegend in of na het jaar van beschikken zal plaatsvinden. artikel
  5. Kostprijsberekening Op grond van het Besluit Begroting en Verantwoording Provincies en Gemeenten heeft de provincie een keuzemogelijkheid voor de te hanteren renteomslagsystematiek. De provincie Overijssel hanteert de systematiek waarbij alleen de werkelijk betaalde rente wordt verwerkt in de renteomslag. Artikel
  6. Lokale heffingen en leges Het eerste lid van artikel 13 regelt, dat de provinciale tarieven, heffingen en prijzen vastgelegd worden in een provinciale verordening en wat daarin opgenomen moet worden. In artikel 225 Provinciewet, artikel 15.44 Wet milieubeheer (heffing nazorg gesloten stortplaatsen) en artikel 13.4 Omgevingswet (grondwaterheffing) worden randvoorwaarden gesteld aan de hoogte van de tarieven en heffingen. De tarieven en heffingen mogen het bedrag van de geraamde kostprijs niet te boven gaan. In afwijking van het voorgaande is bij meer producten en diensten opgenomen in één verordening het mogelijk dat een bepaald product hoger wordt geprijsd dan de geraamde kostprijs zolang het totaal van de geraamde opbrengst de totale kosten van de in de verordening genoemde producten en diensten niet overschrijdt. Dit is het geval bij de leges, welke in de regel bijeen worden gebracht in één verordening. In dit artikel worden in het derde lid de uitgangspunten voor de bepaling van de kostprijzen gegeven. Het uitgangspunt is dat de leges in principe kostendekkend dienen te zijn. Het derde lid bepaalt, dat naast de direct toe te rekenen kosten ook de indirecte kosten die rechtstreeks samenhangen met de te leveren dienst worden meegenomen voor de kostprijsbepaling. Voor de meeste in rekening te brengen leges gaat het daarbij om de directe programmatische lasten en de directe en indirecte (overhead) apparaatskosten van de ambtenaren die werkzaamheden verrichten in het kader van de uitvoering van de legesgrondslag (meestal een wet).

§ ‘Financieel beheer en interne controle’ artikel 16. Interne controle De accountant toetst jaarlijks van de provinciale rekening of deze een getrouw beeld geeft van de provinciale financiën en of de (financiële) beheershandelingen die eraan ten grondslag liggen rechtmatig zijn verlopen. Artikel 16 draagt Gedeputeerde Staten op maatregelen te treffen opdat gedurende het jaar of vooraf aan de accountantscontrole de provincie zelf nagaat of de cijfers in de administraties een getrouw beeld geven en of de financiële beheershandelingen die aan de baten en lasten en de balansmutaties ten grondslag liggen rechtmatig (zijn) verlopen.

§ ‘Rechtmatigheidsverantwoording’ Artikel 17 Uitgangspunten rechtmatigheidsverantwoording De volgende criteria komen tot uitdrukking in de rechtmatigheidsverantwoording: begrotingscriterium: de financiële handelingen passen binnen het kader van de geautoriseerde begroting; voorwaardencriterium: voorwaarden in wet- en regelgeving worden nageleefd, zoals subsidievoorwaarden; misbruik en oneigenlijk gebruik criterium: er vindt een toetsing op juistheid en volledigheid van gegevens die door derden zijn verstrekt plaats, met het oog op het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik. Lid 17.1.1 In relatie tot de invoering van de rechtmatigheidsverantwoording is in het eerste lid opgenomen dat de Provinciale Staten bij aanvang van iedere Statenperiode vaststelt op welke wijze hij door middel van de paragraaf bedrijfsvoering van de begroting en de jaarstukken geïnformeerd wil worden over rechtmatigheid. Lid 17.1.2 Provinciale Staten stelt de verantwoordingsgrens vast, waarboven Gedeputeerde Staten moeten rapporteren aan Provinciale Staten. Deze grens ligt op 2% van de totale lasten van de provincie, exclusief de dotaties aan reserves. Lid 17.1.3 Het derde lid geeft aan boven welk bedrag afzonderlijke afwijkingen nader moeten worden toegelicht (rapportagegrens). Artikel 17.2 Voorwaardencriterium Lid 17.2.1 In dit lid wordt de definitie weergegeven van het voorwaardencriterium, het zogenaamde “normenkader”. Lid 17.2.2 Artikel 17.2.2 geeft aan dat jaarlijks het normenkader ten aanzien van de rechtmatigheidsverantwoording door Provinciale Staten moet worden vastgesteld en voor een bepaalde datum aan Provinciale Staten moet worden aangeboden. Artikel 17.3 Begrotingscriterium Lid 17.3.1 Artikel 17.3.1 gaat expliciet in op de begrotingsrechtmatigheid. In het eerste lid wordt het begrip begrotingsrechtmatigheid gedefinieerd. Lid 17.3.2 De baten en lasten moeten zich bewegen binnen de door Provinciale Staten goedgekeurde en vastgestelde budgetplafonds. Indien er een overschrijding plaatsvindt is er in principe sprake van een begrotingsonrechtmatigheid. Dat is vastgelegd in lid 17.3.2. Lid 17.3.5a Ter illustratie wordt gladheidsbestrijding genoemd. Gladheidsbestrijding vindt plaats op basis van de richtlijn Gladheidsbestrijding van het kennisplatform CROW. Winterse omstandigheden kunnen ertoe leiden dat de begroting wordt overschreden om de verkeersveiligheid te kunnen waarborgen. Artikel 17.4 Misbruik en oneigenlijk gebruik-criterium Lid 17.4.1 Dit artikel voorziet in het zogenaamde “misbruik en oneigenlijk gebruik criterium”. In het eerste lid wordt het criterium gedefinieerd. Van misbruik is sprake bij het opzettelijk niet, niet tijdig, onjuist of onvolledig verstrekken van gegevens met als doel ten onrechte overheidssubsidies of -uitkeringen te verkrijgen of niet dan wel een te laag bedrag aan heffingen aan de overheid te betalen. Van oneigenlijk gebruik is sprake indien bij het aangaan van rechtshandelingen, al dan niet gecombineerd met feitelijke handelingen, het verkrijgen van overheidsbijdragen of het niet dan wel tot een te laag bedrag betalen van heffingen aan de overheid, in overeenstemming met de bewoordingen van de regelgeving is maar in strijd met het doel en de strekking daarvan is. Lid 17.4.2 Aan Gedeputeerde Staten wordt opgedragen om regels op stellen voor het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik van provinciale regelingen en eigendommen.

§ ‘Financiële organisatie’ artikel 18. Financiële organisatie Artikel 18 geeft de uitgangspunten voor de financiële organisatie. Volgens het eerste lid sub c van artikel 158 Provinciewet zijn Gedeputeerde Staten bevoegd regels vast te stellen over de ambtelijke organisatie van de provincie, met uitzondering van de organisatie van de Griffie. Gedeputeerde Staten worden onder sub c van artikel 18 opgedragen de verlening van mandaten en volmachten voor het aangaan van verplichtingen ten laste van de toegekende budgetten en investeringsbudgetten, vast te leggen in besluiten. De regels bedoeld onder sub c hebben Gedeputeerde Staten gezamenlijk vastgelegd in een organisatieregeling.

§ ‘Slotbepalingen’ artikel

  1. Inwerkingtreding De verordening treedt in de plaats van de vorige op grond van artikel 216 van de Provinciewet ingestelde verordening. Het artikel bepaalt dat de verordening met terugwerkende kracht van toepassing is vanaf het jaarverslag
  2. artikel
  3. Citeertitel Artikel 21 geeft de naam, waarmee in de provinciale stukken naar deze verordening moet worden verwezen. Zwolle, voorzitter, ir. A.P. Heidema griffier, drs. R. Wiggers MMC

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.