Besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Helder, houdende regels over een overgangsperiode op proef samenwonen in de bijstand (Beleidsregels overgangsperiode in de bijstand gemeente Den Helder 2026)Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Helder; gelet op: titel 4.3 van de Algemene wet bestuursrecht; artikel 160, eerste lid, onder a, Gemeentewet; artikel 3, derde en vierde lid, Participatiewet; artikel 3, derde en vierde lid, IOAW; artikel 3, derde en vierde lid, IOAZ; overwegende dat: het aangaan van een samenwoonrelatie een ingrijpende en spannende beslissing is met mogelijke financiële gevolgen voor de bijstandsuitkering; de hoogte van de bijstandsuitkering wordt beïnvloed door de woonsituatie, het inkomen en vermogen van een partner, hetgeen stress en onzekerheid kan veroorzaken en daarmee het succes van samenwonen kan verkleinen; het college het van belang acht dat inwoners met een bijstandsuitkering, vanuit de menselijke maat, de mogelijkheid hebben om in rust en zonder directe financiële gevolgen een overgangsperiode samenwonen aan te gaan; het college het wenselijk acht vast te leggen onder welke voorwaarden het college deze overgangsperiode toestaat; besluit: de volgende beleidsregels vast te stellen: Beleidsregels overgangsperiode in de bijstand gemeente Den Helder 2026 Artikel1Definities 1.De begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en niet nader omschreven zijn, hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, IOAW, IOAZ en de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 2.Verder wordt in deze beleidsregels verstaan onder: bijstandsgerechtigde: een persoon die een uitkering ontvangt op grond van de Participatiewet, IOAW of IOAZ; overgangsperiode: een periode van drie maanden, met een mogelijke verlenging tot maximaal zes maanden, waarin het college aan bijstandsgerechtigde(n) toestemming geeft om samen te wonen op proef zonder consequenties voor de hoogte van de uitkering. Artikel2Gezamenlijke huishouding 1.Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en blijk geven zorg te dragen voor elkaar door het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding of anderszins. 2.Voor het bepalen van het hoofdverblijf is de feitelijke situatie leidend. Inschrijving in de BRP is niet doorslaggevend. 3.Gedurende de overgangsperiode wordt voor de vaststelling van het recht en de hoogte van de uitkering uitgegaan van de woonsituatie zoals die gold vóór de aanvang van de proefperiode. Artikel3Overgangsperiode 1.Het college kan op aanvraag aan één of beide bijstandsgerechtigden een overgangsperiode toestaan. 2.De overgangsperiode vangt pas aan nadat het college schriftelijk toestemming heeft verleend. 3.De duur van de overgangsperiode bedraagt drie maanden. Deze kan op verzoek van de bijstandsgerechtigde eenmalig worden verlengd met maximaal drie maanden. 4.De overgangsperiode eindigt eerder indien de bijstandsgerechtigde niet meer voldoet aan de voorwaarden van artikel
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.