Beleidsregels brede ondersteuning Wet hersteloperatie toeslagen 2026 gemeente Delft Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Delft; gelet op de artikelen 2.21 van de Wet hersteloperatie toeslagen en 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht; besluit vast te stellen: Beleidsregels brede ondersteuning Wet hersteloperatie toeslagen 2026 gemeente Delft HOOFDSTUK1.ALGEMENE BEPALINGEN Artikel1.Definities In deze beleidsregels wordt verstaan onder: bedreigende situatie: gedwongen woningontruiming, beëindiging van de levering van gas, elektriciteit, stadsverwarming of water, gedwongen beëindiging van de zorgverzekering, ernstig belemmerende psychische omstandigheden of een soortgelijke acute crisissituatie; college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Delft; gezin: gezin als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder c, van de Participatiewet waarbij onder het kind ook het thuiswonende kind of pleegkind van achttien jaar of ouder valt van de persoon, bedoeld in artikel 2.21, eerste lid, van de wet of hun partner; hulpvraag: formulering van de behoefte aan brede ondersteuning dat passend is om de doelstellingen, genoemd in artikel 2, tweede lid, te kunnen bereiken; inwoner: degene die als ingezetene in de basisregistratie personen van de gemeente ingeschreven is; kindregeling: herstelregeling op grond van afdeling 2.2 van de wet waarmee een tegemoetkoming en brede ondersteuning wordt geboden aan kinderen van gedupeerde ouders; leefgebieden: de vijf leefgebieden, genoemd in artikel 2.21, eerste lid, van de wet, zijnde financiën, gezin, werk, wonen en zorg; reguliere ondersteuning: andere gemeentelijke ondersteuning binnen het sociaal domein dan brede ondersteuning; toekennen: besluiten dat iemand een voorziening krijgt; UHT: Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen; verstrekken: feitelijk verschaffen van een toegekende voorziening; voorziening: materiële voorziening als bedoeld in artikel 13 of immateriële voorziening als bedoeld in artikel 14; wet: Wet hersteloperatie toeslagen. HOOFDSTUK2.DOEL, UITZONDERINGEN EN DOELGROEP BREDE ONDERSTEUNING Artikel2.Doel van de brede ondersteuning 1.De brede ondersteuning is gericht op: het ondersteunen van de aanvrager bij het maken van een nieuwe start in het kader van herstel als bedoeld in artikel 2.21, vierde lid, van de wet; en het bijdragen aan het herstel van vertrouwen van de aanvrager in de overheid. 2.De doelstelling van de brede ondersteuning, is dat deze de aanvrager in staat moet stellen een nieuwe start in het kader van herstel te maken op het vlak van financiën, gezin, werk, wonen en zorg. De ondersteuning op het vlak van deze leefgebieden bestaat uit inspanningen door de gemeente gericht op: financiën: het bevorderen dat de aanvrager in staat is een financieel gezonde huishouding te voeren; gezin: het ondersteunen van de aanvrager bij het samenleven en opgroeien in een veilige omgeving waarin kinderen zich kunnen ontwikkelen; werk: het ondersteunen van de aanvrager bij het verkrijgen van een startkwalificatie of het duurzaam kunnen participeren in een arbeidsproces; wonen: het helpen bij het vinden van passende woonruimte; en zorg: het bevorderen van het welzijn van de aanvrager vanuit lichamelijke en geestelijke gezondheid. Artikel3.Uitzonderingen brede ondersteuning Geen onderdeel van de brede ondersteuning zijn: vormen van algemene inkomensaanvulling of inkomensondersteuning; of ondersteuning op andere leefgebieden dan bedoeld in artikel 2 lid 2; of vergoeding van schade als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de wet; of vergoeding van schulden, tenzij het gaat om een noodzakelijke vergoeding van betalingsachterstanden in een bedreigende situatie en onder de voorwaarde dat er ook aanvullende voorzieningen worden ingezet om herhaling van een bedreigende situatie te voorkomen; of kosten voor voorzieningen die zijn gemaakt voordat een aanvraag is ingediend; of kosten voor een advocaat bij het ontvangen van vergoeding van schade als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de wet. Artikel4.Doelgroep brede ondersteuning 1.Het college verleent toegang tot brede ondersteuning aan inwoners die onder de personenkring van artikel 2.21, eerste en tweede lid, van de wet vallen en die niet eerder met brede ondersteuning een nieuwe start hebben kunnen maken. 2.Het college verleent ook brede ondersteuning aan het gezin van de aanvrager die op grond van het eerste lid is toegelaten tot de brede ondersteuning. De samenstelling van het gezin op het moment van de aanvraag is leidend. 3.Het college kan ook toegang tot brede ondersteuning verlenen aan een aanvrager die valt onder de personenkring van artikel 2.21, eerste en tweede lid, van de wet, maar geen inwoner is als sprake is van een verhuizing, detentie of andere bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2.21, derde lid, van de wet. De aanvrager wordt in dat geval gelijkgesteld met een inwoner. 4.Bij toepassing van het derde lid vindt over de verlening van toegang tot brede ondersteuning overleg plaats met de aanvrager en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar deze aanvrager inwoner is. Artikel5.Brede ondersteuning voor een minderjarige Het college verleent toegang tot brede ondersteuning aan een minderjarige die in aanmerking komt voor de kindregeling als deze: jonger is dan zestien jaar en onder het gezag van een inwoner staat; jonger is dan zestien jaar en feitelijk verblijft bij een inwoner die één van de gezaghebbers is; of zestien jaar of ouder is en zelf inwoner is. HOOFDSTUK3.AANVRAAG, EERSTE GESPREK EN VASTSTELLING HULPVRAAG Artikel6.Aanmelden brede ondersteuning 1.Een verzoek tot toegang tot brede ondersteuning aan het college kan zowel schriftelijk als telefonisch worden ingediend. 2.Het college stelt vast of de inwoner behoort tot de in artikel 4, eerste lid, genoemde doelgroep en daarmee in aanmerking komt voor brede ondersteuning bij de UHT. 3.Indien een inwoner bij de UHT heeft aangegeven in aanmerking te willen komen voor brede ondersteuning, ontvangt het college de contactgegevens van de inwoner via het gegevensportaal van de UHT. De datum van ontvangst van de gegevens via het gegevensportaal van de UHT wordt gelijkgesteld met het indienen van het verzoek. Artikel7.Eerste gesprek en vaststelling hulpvraag 1.Nadat een aanmelding brede ondersteuning bij het college is ingediend, nodigt het college de aanmelder binnen 8 weken uit voor een eerste gesprek. 2.Tijdens het eerste gesprek wordt samen met de aanmelder, aan de hand van de doelstellingen, bedoeld in artikel 2, tweede lid, de situatie op de leefgebieden op het moment van de aanvraag vastgesteld en wordt gezamenlijk bepaald wat diens hulpvraag is. 4.De datum van het eerste gesprek wordt aangemerkt als de datum van indienen van de formele aanvraag. HOOFDSTUK4.BESLUIT OP DE AANVRAAG EN PLAN VAN AANPAK Artikel8.Besluit op de aanvraag 1.Het college zorgt dat de aanvrager maximaal 8 weken na het eerste gesprek een beschikking ontvangt. De beschikking bevat: een verlening van toegang tot brede ondersteuning met een plan van aanpak dat minstens op hoofdlijnen is vastgesteld; of een gemotiveerde weigering van de toegang tot brede ondersteuning. 2.Het college kan de termijn uit het eerste lid voor het opstellen van een plan van aanpak met maximaal 4 weken verlengen. Artikel9.Het opstellen van het plan van aanpak 1.Het college stelt samen met de aanvrager het plan van aanpak op. Daarbij vormt de situatie van de aanvrager op het moment van de aanvraag en de hulpvraag het startpunt. 2.In het plan van aanpak wordt vastgelegd: hoe stapsgewijs en integraal naar de doelstellingen voor het maken van een nieuwe start door de aanvrager op de leefgebieden wordt toegewerkt; en welke voorzieningen worden toegekend om de aanvrager op passende, adequate en duurzame wijze in staat te stellen deze doelstellingen te bereiken. Artikel10.Aanvullend schuldhulpverleningsaanbod jongeren 1.Het plan van aanpak bevat een aanvullend schuldhulpverleningsaanbod, zoals bedoeld in artikel 3, vierde lid, van de Regeling specifieke uitkering gemeentelijke hulp aan gedupeerden kinderopvangtoeslagproblematiek 2021, als de aanvrager: achttien jaar of ouder is; in aanmerking komt voor de kindregeling; naar het oordeel van het college in een problematische schuldsituatie zit; en diens aanvraag heeft ingediend binnen de termijn, bedoeld in artikel 3, vierde lid, Regeling specifieke uitkering gemeentelijke hulp aan gedupeerden kinderopvangtoeslagproblematiek 2021. 2.Het college begeleidt de aanvrager bij het inzichtelijk maken van diens financiële situatie. Artikel11.Het wijzigen van het plan van aanpak 1.Het college kan tot twee jaar na het eerste gesprek het plan van aanpak in samenspraak met de aanvrager aanvullen of nieuwe of andere voorzieningen toekennen. Voor materiële voorzieningen geldt een termijn van zes maanden na het eerste gesprek. 2.Een aanvrager kan een verzoek indienen om het plan van aanpak te wijzigen. Artikel 8, eerste lid, is op deze aanvraag van overeenkomstige toepassing. 3.De in het plan van aanpak vastgestelde doelstellingen wijzigt het college niet, tenzij zich gedurende de uitvoering van het plan van aanpak nieuwe feiten en omstandigheden voordoen die wijziging noodzakelijk maken. HOOFDSTUK5.TOEKENNEN EN VERSTREKKEN VAN VOORZIENINGEN Artikel12.Voorzieningen Bij het toekennen van de voorzieningen houdt het college onder andere rekening met: de vaardigheden van de aanvrager; de draagkracht en financiële armslag van de aanvrager; de omvang en de samenstelling van het huishouden van de aanvrager; het duurzame karakter van de voorziening; en de wijze waarop de voorziening de aanvrager in staat stelt om de doelstellingen uit het plan van aanpak te bereiken. Artikel13.Materiële voorzieningen 1.Een materiële voorziening is een zaak die noodzakelijk is om belemmeringen van de aanvrager bij het bereiken van de doelstellingen uit het plan van aanpak weg te nemen of te beperken. 2.Het college kan materiële voorzieningen binnen zes maanden na het eerste gesprek toekennen. De feitelijke verstrekking van voorzieningen kan na deze periode nog plaatsvinden. 3.Het college bepaalt de hoogte van een materiële voorziening overeenkomstig de normbedragen die binnen het gemeentelijk beleid voor vergelijkbare voorzieningen worden gehanteerd, waaronder in ieder geval beleid inzake bijzondere bijstand en minimaregelingen. Indien dergelijke normbedragen ontbreken of bijzondere omstandigheden aanleiding geven om hiervan af te wijken, stelt het college het bedrag vast op basis van wat in de gegeven omstandigheden als redelijk en passend kan worden aangemerkt. Artikel14.Immateriële voorzieningen 1.Een immateriële voorziening is een vorm van hulpverlening of een dienst die noodzakelijk en passend is voor de ontwikkeling van kennis, kunde, vaardigheden of andere competenties van de aanvrager voor het bereiken van de doelstellingen uit het plan van aanpak. 2.Een immateriële voorziening wordt toegekend voor de duur van maximaal één jaar. Het college onderzoekt gedurende deze periode samen met de aanvrager of en op welke manier de aanvrager na afloop van deze periode op duurzame wijze zelf in de ondersteuningsbehoefte kan voorzien. 3.In afwijking van de maximale duur van één jaar uit lid 2 kan het college immateriële voorzieningen die betrekking hebben op opleidingen of werk voor een langere periode toekennen als er geen sprake is van een voorliggende voorziening zoals bedoeld in artikel 16 eerste lid. 4.Het college bepaalt de hoogte van een immateriële voorziening overeenkomstig de normbedragen die binnen het gemeentelijk beleid voor vergelijkbare voorzieningen worden gehanteerd. Indien dergelijke normbedragen ontbreken of bijzondere omstandigheden aanleiding geven om hiervan af te wijken, stelt het college het bedrag vast op basis van wat in de gegeven omstandigheden als redelijk en passend kan worden aangemerkt. 5.Het college kan immateriële voorzieningen tot twee jaar na het eerste gesprek toekennen. De feitelijke verstrekking van voorzieningen kan na deze periode nog plaatsvinden. Artikel15.Medewerking aanvrager Het college kan, voordat de voorziening wordt toegekend via het plan van aanpak, de aanvrager om medewerking vragen om te kunnen bepalen of een beoogde voorziening aan de artikelen 12, tweede lid, 13 en 14 voldoet. Artikel16.Weigeren voorzieningen 1.Het college weigert de toekenning van een voorziening als: de gevraagde voorziening al vóór het eerste gesprek is gerealiseerd of geaccepteerd; de voorziening niet aan de artikelen 12, tweede lid, 13 en 14 voldoet; of de aanvrager niet de medewerking, bedoeld in artikel 15 heeft verleend en het college daardoor niet kan vaststellen of de beoogde voorziening aan de artikelen 12, tweede lid, 13 en 14 voldoet; of de gevraagde voorziening eerder is verstrekt binnen de brede ondersteuning. Voorzieningen die eerder binnen de brede ondersteuning zijn verstrekt worden niet meermaals vergoed, vervangen of vernieuwd; of er sprake is van een voorliggende voorziening zoals de Zorgverzekeringswet of DUO. 2.Het college vergoedt de volgende specifieke voorzieningen niet vanuit de brede ondersteuning: vakanties; of luxe goederen; of structurele kosten voor levensonderhoud, tenzij de aanvrager aantoonbaar niet langer zelf in een noodzakelijke voorziening kan voorzien; of verkeersboetes. HOOFDSTUK6.BEËINDIGING BREDE ONDERSTEUNING EN OVERDRACHT Artikel17.Beëindiging van de brede ondersteuning 1.Het college beëindigt de brede ondersteuning als: vaststaat dat de aanvrager die op basis van artikel 2.21, eerste lid van de wet recht had op brede ondersteuning en niet gedupeerd is; of. de aanvrager naar het oordeel van het college alle doelstellingen uit het plan van aanpak heeft behaald en een nieuwe start heeft kunnen maken; of de aanvrager om beëindiging van de brede ondersteuning verzoekt; of er uiterlijk twee jaar zijn verstreken na het eerste gesprek, ongeacht of de doelstellingen uit het plan van aanpak volledig zijn behaald; of de aanvrager niet binnen een redelijke termijn van de brede ondersteuning gebruik heeft gemaakt en niet reageert op een oproep van het college om hier alsnog gebruik van te maken. 2.Het college nodigt de aanvrager bij de beëindiging van de brede ondersteuning uit voor een gesprek om de reden van beëindiging en actuele situatie van de aanvrager op de leefgebieden te bespreken. Artikel18.Overdracht van hulpverlening Als de aanvrager bij de beëindiging van de brede ondersteuning de doelstellingen uit het plan van aanpak niet heeft bereikt en het plan van aanpak niet expliciet in een overdracht naar reguliere ondersteuning voorziet, dan zorgt het college in samenspraak met de aanvrager alsnog voor doorverwijzing of een warme overdracht vanuit de brede ondersteuning. Artikel19.Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in deze beleidsregels, indien strikte toepassing ervan zou leiden tot een onevenredige benadeling van een belanghebbende of tot een uitkomst die kennelijk onredelijk is. HOOFDSTUK6.SLOTBEPALINGEN Artikel20.Inwerkingtreding Deze beleidsregels treden in werking op de dag na bekendmaking. Artikel21.Citeertitel Deze beleidsregels worden aangehaald als Beleidsregels brede ondersteuning Wet hersteloperatie toeslagen 2026 gemeente Delft. Het college van burgemeester en wethouders, 2.Toelichting Algemeen Bij een zeer groot aantal ouders is tussen 2005 en 2019 onterecht de kinderopvangtoeslag stopgezet door de Belastingdienst. Dat heeft voor die ouders, hun gezinnen, ex-toeslagpartners en nabestaanden enorme gevolgen gehad. Deze ouders, hun gezinnen, ex-toeslagpartners en nabestaanden is daardoor ernstig onrecht aangedaan. (Gedupeerde) ouders hebben vaak meer nodig dan alleen financieel herstel. Zij kunnen nog dagelijks gevolgen ondervinden van de manier waarop de terugvordering van de kinderopvangtoeslag plaatsvond. Gedupeerden hebben recht op begrip, erkenning en ondersteuning. Zij hebben bijvoorbeeld ondersteuning nodig bij het vinden van passend werk, het oplossen van schulden of begeleiding bij gezondheidsproblemen. Gemeenten spelen hierbij een belangrijke rol, omdat zij dicht bij hun inwoners staan en beschikken over ruime ervaring in het sociaal domein. Om die reden is in de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) geregeld dat het college van burgemeester en wethouders (hierna: het college) bevoegd is om brede ondersteuning te bieden aan personen die zijn getroffen door de toeslagenproblematiek. Voor aanvragers van kinderopvangtoeslag die zich hebben aangemeld bij de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT), kan de brede ondersteuning starten vanaf het moment van aanmelding. Deze werkwijze vloeide voort uit de wens van het kabinet om aan het begin van de hersteloperatie ouders, los van de duur van het beoordelingsproces, tijdig bij te staan om zo erger te voorkomen. Indien uit de Integrale Beoordeling (IB) blijkt dat een aanvrager kinderopvangtoeslag die zich bij UHT heeft gemeld, niet als gedupeerde ouder wordt erkend, komt deze persoon niet langer in aanmerking voor brede ondersteuning. In dat geval wordt de ondersteuning beëindigd. Het indienen van bezwaar tegen de beoordeling door UHT heeft geen opschortende werking op de beëindiging van de brede ondersteuning. Met andere woorden: als iemand na afronding van de IB als niet-gedupeerd is beoordeeld door UHT, dan stopt het recht op de brede ondersteuning, ook als deze persoon tegen dat besluit in bezwaar gaat. Ex-toeslagpartners, kinderen en nabestaanden kunnen na erkenning door de UHT terecht bij de gemeente voor de brede ondersteuning. Het college verifieert bij UHT of de inwoner recht heeft op brede ondersteuning. Maken van een nieuwe start Op grond van de Wht biedt het college brede ondersteuning aan gedupeerde ouders, ex-toeslagenpartners, kinderen, nabestaanden en hun gezinnen. Het doel van de brede ondersteuning is dat het gedupeerden in staat stelt een nieuwe start te maken na de toeslagenproblematiek. De brede ondersteuning draagt bij aan het herstel van vertrouwen van de gedupeerden in de overheid. Waar het financiële herstel, uitgevoerd door de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT), zich richt op wat er is gebeurd in het verleden, kijkt de gemeente met brede ondersteuning juist vooruit. De brede ondersteuning is tijdelijk en toekomstgericht. Met de brede ondersteuning wordt de gedupeerde in staat gesteld een stap vooruit te zetten, grip op het leven te krijgen en perspectief te vinden. Zij moeten de draad van hun leven weer kunnen oppakken. Wat daarvoor nodig is, verschilt per persoon. Het faciliteren van een nieuwe start staat centraal in de brede ondersteuning. Hiermee is ‘de nieuwe start’ een paraplubegrip. De nieuwe start is gekoppeld aan doelstellingen die verband houden met de vijf leefgebieden die in artikel 2.21, eerste lid, van de Wht zijn genoemd. Dit betreft financiën, gezin, werk, wonen en zorg. Met de geboden ondersteuning, welke altijd gericht is op het behalen van de doelstellingen, krijgen ouders en kinderen de mogelijkheid om vaardigheden te ontwikkelen, kennis op te doen en hulp te krijgen om zo de doelstellingen op de vijf leefgebieden te kunnen behalen. Bieden van maatwerk Brede ondersteuning is daarmee maatwerk. Dit stelt de gemeente in staat om, binnen de situatie van de gedupeerde, adequate en duurzame ondersteuning in te zetten en zo in samenhang op alle vijf de leefgebieden passende ondersteuning te bieden. De individuele situatie van de gedupeerde en het gezin op het moment van de aanvraag is hierbij het uitgangspunt. Inherent aan het hanteren van dit uitgangspunt en het bieden van maatwerk is dat er bepaalde verschillen in ondersteuning bestaan. Ook tussen gemeenten onderling. De situatie en de behoefte van iedere gedupeerde is anders en hiermee ook de hulpverlening die wordt geboden. Ruimhartigheid binnen de brede ondersteuning De vijf leefgebieden die in artikel 2.21, eerste lid, van de Wht zijn genoemd sluiten aan bij de reguliere ondersteuning die gemeenten bieden aan inwoners. Ook de doelstellingen waar de gemeente samen met de gedupeerde naartoe werkt, komen overeen met die in het sociaal domein. Waar de reguliere dienstverlening van gemeenten in het sociaal domein echter is ingericht als sociaal vangnet, biedt de brede ondersteuning gemeenten de ruimte om de hulpverlening in te zetten die nodig is om gedupeerden toekomstperspectief te bieden. Alle inwoners die vallen binnen de personenkring van artikel 2.21, eerste lid, van de Wht hebben toegang tot de brede ondersteuning en kunnen deze dus aanvragen. Brede ondersteuning is niet gericht op financieel herstel en biedt geen compensatie voor schade uit het verleden. Het maken van een nieuwe start in de toekomst staat centraal. Tegen die achtergrond is de brede ondersteuning ruimhartig. Dit betekent dat er geen aanvullende kaders of toetsen zijn verbonden aan de toegang tot de brede ondersteuning, dat de meest adequate en duurzame hulp wordt ingezet en dat dit zo snel mogelijk gebeurt. Aanvragers kunnen de draad van hun leven dan ook zo snel als mogelijk oppakken. Het plan van aanpak als basis voor de ingezette hulp Om te bepalen wat er op de leefgebieden nodig is, brengt het college samen met de aanvrager de situatie van de aanvrager in kaart. Dit is de situatie op het moment van de aanvraag. Vervolgens wordt gezamenlijk, aan de hand van de algemene doelstellingen die voor de vijf leefgebieden zijn geformuleerd, de hulpvraag van de aanvrager en eventueel diens gezin vastgesteld. Op basis van die hulpvraag wordt het plan van aanpak opgesteld. In het plan van aanpak wordt gemotiveerd toegelicht hoe stapsgewijs en integraal naar doelstellingen wordt toegewerkt om een nieuwe start te kunnen maken. En waarom bepaalde voorzieningen noodzakelijk zijn en worden toegekend om de aanvrager uiteindelijk op adequate en duurzame wijze in staat te kunnen stellen deze doelstellingen te bereiken. Het is voor het aanbod van brede ondersteuning in principe niet leidend of benodigde ondersteuning het gevolg is van de invordering van de kinderopvangtoeslag. Het uitgangspunt is met elkaar vast te stellen welke ondersteuning het best passend en nodig is om de doelstellingen te kunnen behalen. Een uitzondering hierop geldt voor hulp bij de voorrang op een woning. Een verdere toelichting hierop staat bij de toelichting op artikel 2. Verhouding reguliere dienstverlening De inzet van de ondersteuning is gericht op de doelstellingen die gemeenten ook hanteren vanuit de reguliere dienstverlening binnen het sociaal domein. Waar de reguliere dienstverlening is ingericht als sociaal vangnet, is de brede ondersteuning echter gericht op het bevorderen van een nieuwe start in het kader van herstel. Middels maatwerk kan de meest adequate hulp worden ingezet die nodig wordt bevonden. Hoewel er duidelijke verschillen zitten tussen de doelstellingen en voorwaarden van de reguliere ondersteuning in het sociaal domein en de brede ondersteuning in de hersteloperatie toeslagen, sluiten deze werkwijzen wel op elkaar aan. Veel van de reguliere kennis en hulpverlening die gemeenten inzetten voor al hun inwoners is passend voor het bevorderen van een nieuwe start. Deze voorzieningen kunnen dus ook worden ingezet via het plan van aanpak aan rechthebbenden van de brede ondersteuning. Denk hierbij aan de ondersteuning bij het oplossen en in balans krijgen en houden van financiën zoals vanuit afdelingen schuldhulpverlening en gezinscoaching vanuit het maatschappelijk werkveld. Invloed ontvangen voorzieningen op bijstandsuitkering Materiële voorzieningen vanuit de brede ondersteuning kunnen worden beschouwd als middelen in de zin van de Participatiewet. Op grond van artikel 31, tweede lid , onderdeel m, van de Participatiewet heeft het college de bevoegdheid om deze middelen uit te zonderen bij de beoordeling van het recht op bijstand. In circulaire 2024-2 heeft de toenmalige Minister van Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen gemeenten opgeroepen om in dergelijke bijzondere situaties gebruik te maken van deze mogelijkheid en de middelen uit de brede ondersteuning buiten beschouwing te laten. In het verlengde daarvan is het uitgangspunt dat de toekenning van voorzieningen als onderdeel van de brede ondersteuning niet van invloed is op de voorzieningen die een aanvrager op grond van de Participatiewet ontvangt. Artikelsgewijs In deze artikelsgewijze toelichting worden enkel die (onderdelen) van bepalingen behandeld die nadere toelichting behoeven. Artikel 1. Definities In dit artikel zijn de begrippen omschreven die worden gebruikt in de beleidsregels. Daarbij is zoveel mogelijk aangesloten bij de Wht. Bedreigende situatie Voor de invulling van de definitie van bedreigende situatie is aansluiting gezocht bij artikel 4, tweede lid, van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening. Dit vanuit het algemene uitgangspunt dat de beleidsregels onderdeel zijn van de ondersteuning in het sociaal domein. Toekennen en verstrekken Verder zijn in de begrippen aparte definities opgenomen van toekennen en verstrekken. Dit om een onderscheid te maken tussen het moment waarop wordt vastgesteld dat een bepaalde voorziening nodig is en een voorziening zoals een opleiding of begeleiding wordt toegekend. En het moment waarop van de voorziening gebruik wordt gemaakt en er dus bijvoorbeeld een opleiding start of begeleiding begint. Dat is het moment waarop de voorziening wordt verstrekt. Dit onderscheid is van belang omdat voorzieningen tot twee jaar na het eerste gesprek kunnen worden toegekend, maar de verstrekking ook na dat moment nog aan de orde kan zijn. Op deze manier kan de geboden ondersteuning langer doorlopen dan twee jaar. Artikel 2. Doel van de brede ondersteuning Brede ondersteuning sluit aan op de rijksbrede doelstellingen die gemeenten ook hanteren vanuit de reguliere dienstverlening binnen het sociaal domein, maar richt zich nadrukkelijk niet op het bieden van een sociaal vangnet. Het gaat om het bieden van toekomstperspectief. Het in staat stellen van de aanvrager om een nieuwe start te maken en het leveren van een bijdrage van het herstel van vertrouwen van de aanvrager in de overheid. Dat is in het eerste lid expliciet gemaakt. Dat het uitgangspunt van de brede ondersteuning is dat toekomstperspectief wordt geboden, betekent ook dat brede ondersteuning maatwerk is. Een nieuwe start ziet er voor iedere aanvrager anders uit en ook het startpunt, oftewel de situatie ten tijde van de aanvraag, verschilt per aanvrager. Wel staan bij de brede ondersteuning steeds dezelfde vijf leefgebieden centraal. Deze leefgebieden en daarbij behorende doelstellingen zijn in het tweede lid opgesomd. Het college bespreekt met iedere aanvrager aan de hand van deze doelstellingen op welke van de vijf leefgebieden er behoefte is aan ondersteuning en waar die ondersteuning uit moet bestaan om de resultaten te kunnen behalen. Het college erkent de mogelijke huisvestingsvraagstukken die aanvragers hebben, maar plaatst deze in het bredere perspectief van zeer grote schaarste in op de woningmarkt in het algemeen, en in het betaalbare segment (sociale huur, middenhuur, betaalbare koop) in het bijzonder. De ondersteuningsmogelijkheden van de gemeente op het vlak van wonen zijn beperkt, en zien vooral toe op het adviseren en helpen zoeken naar passende woonruimte via reguliere kanalen/platforms voor woningzoekenden. In sommige gevallen kan de gemeente ondersteunen bij het doen van noodzakelijke aanpassingen in een bestaande woning. In specifieke gevallen kan voorrang aan gedupeerden verleend worden op sociale huurwoningen. De kaders en regels hiervoor zijn vastgelegd in de Huisvestingsverordening Delft 2023. Hierin staan bijvoorbeeld regels voor voorrang (urgentie) voor gedupeerden in Delft. Urgentie kan alleen worden verleend aan een gedupeerde, wanneer deze als gevolg van de door de toeslagenaffaire ontstane problemen, woonruimte heeft moeten verlaten en niet langer over passende woonruimte beschikt. Dit betekent dat er een aantoonbaar causaal verband moet zijn tussen problemen als gevolg van de toeslagenaffaire en de ontstane woonproblematiek. Artikel 3. Uitzonderingen brede ondersteuning Dit artikel maakt duidelijk wat van de brede ondersteuning uitgezonderd is. Zo is brede ondersteuning geen sociaal vangnet voor algemene inkomensaanvulling of inkomensondersteuning (onderdeel a), vallen behoeften die niet gericht zijn op de vijf leefgebieden of het behalen van de bijbehorende doelstellingen uit artikel 2, tweede lid buiten de brede ondersteuning (onderdeel
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.