Nulbeleid coffeeshops gemeente Kaag en Braassem 2012De burgemeester van de gemeente Kaag en Braassem; gelet op artikel 174 van de Gemeentewet, artikel 13b van de Opiumwet, artikel 1:3 lid 4 en titel 4.3 van de Algemene wet bestuursrecht; besluit: vast te stellen de volgende 'Beleidsregel voor coffeeshops in de gemeente Kaag en Braassem' zoals overwogen in de voorgaande beleidslijn 'Coffeeshopbeleid Kaag en Braassem 2012': In de gemeente Kaag en Braassem mogen geen coffeeshops gevestigd worden. Ingevolge artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht wordt aan dit document de status van een beleidsregel, vastgesteld door de burgemeester, toegekend. Aanleiding In de gemeente Kaag en Braassem zijn geen coffeeshops gevestigd en dat moet naar de mening van het bestuur zo blijven. In de voormalige gemeenten Alkemade en Jacobswoude is deze afspraak destijds in een beleid vastgelegd. Voor de nieuwe gemeente Kaag en Braassem is dit niet opnieuw vastgelegd. Het doel van deze notitie is om deze afspraak wederom in beleid vast te leggen, zodat duidelijk is dat Kaag en Braassem een nulbeleid voert. 1.Inleiding Het verkopen van softdrugs, of dit nu wel of niet vanuit een coffeeshop gebeurt, is een illegale activiteit. De artikelen 2 en 3 van de Opiumwet stellen het in- en uitvoeren, telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, aanwezig hebben en vervaardigen, van de onder de wet vallende, verdovende middelen strafbaar. Onder deze middelen vallen: harddrugs (Lijst 1: o.a. cocaïne, heroïne, LSD en amfetaminen) en softdrugs (Lijst Il: o.a. de cannabisproducten als hasjiesj en marihuana). Daarnaast dient beseft te worden dat het gedogen van illegale activiteiten, ofschoon daarvoor onder omstandigheden goede argumenten zouden kunnen aangevoerd, een uit bestuursrechtelijk oogpunt weinig gelukkige figuur is. Voor de overheid geldt namelijk een beginselplicht tot handhaving. De overheid dient er immers voor zorg te dragen dat de rechtsorde gehandhaafd wordt en dat wordt opgetreden tegen door de wetgever in strijd met de rechtsorde geachte activiteiten. Softdrugs zullen voorlopig niet worden gelegaliseerd, hoewel sommigen wel hiervoor pleiten. De kern van het Nederlandse drugsbeleid is een strikte scheiding tussen de markt voor soft-drugs en die voor hard drugs en dit zal voorlopig niet veranderen. De verkoop van kleine hoeveelheden softdrugs wordt onder bepaalde voorwaarden gedoogd in alcoholvrije inrichtingen, de zogenaamde coffeeshops. 2.Regionaal kaderbeleid van de politie Holland Midden Op 14 februari 1997 heeft het Regionaal College van de politieregio Hollands Midden een besluit genomen betreffende een regionaal kaderbeleid ten aanzien van coffeeshops. Dit regionaal kader betreft een op elkaar afgestemd regionaal bestuurlijk en justitieel handhavingsbeleid betreffende coffeeshops en sluit aan bij de landelijke drugsnota. De besluitvorming over het kaderbeleid is voorbereid door de "werkgroep Schoots" De werkgroep heeft een enquête gehouden onder de 35 gemeenten van de politieregio, er is een tweetal werkconferenties georganiseerd en er zijn voorlichtingsavonden voor gemeenteraden gehouden. In dit gezamenlijke beleid neemt het spreidingsbeleid ten aanzien van coffeeshops een belangrijke plaats in. In het regionaal kaderbeleid is vastgesteld dat het belangrijk is het aanbod aan coffeeshops in de regio te spreiden. Deze spreiding is volgens de opstellers van het kaderbeleid op het moment van het vaststellen van het beleid "redelijk" Het op dat moment bestaande aantal coffeeshops werd als maximum voor de regio vastgesteld. Jaarlijks wordt bezien of aantal en spreiding van de coffeeshops nog voldoen. Binnen het maximum kan de lokale driehoek besluiten het aantal coffeeshops in een gemeente verder te beperken. Indien in een gemeente op grond van een reëel aanwezige lokale behoefte aan softdrugs van het gedogen van een coffeeshop sprake zou kunnen zijn, kan niettemin worden besloten geen coffeeshops te gedogen. Samenvattend kan worden gesteld dat het regionaal kaderbeleid gericht is op beperking van het aantal coffeeshops in de regio. 3.Justitieel beleidskader Het Openbaar Ministerie is belast met de handhaving van de verbodsbepalingen in de Opiumwet. Op basis van het opportuniteitsbeginsel - dat er op neerkomt dat het OM kan bepalen of wordt vervolgd, of dat in het kader van het algemeen belang van vervolging wordt afgezien - is een gedoogbeleid ontwikkeld ten aanzien van de verkoop van softdrugs in coffeeshops. Naar aanleiding van de beleidsvoornemens in de landelijke Drugsnota zijn "De Richtlijnen voor het opsporings- en strafvorderingsbeleid inzake strafbare feiten van de Opiumwet" op 1 oktober 1996 in werking getreden. In 2000 (Staatscourant 2000, 250) zijn deze AHOJG-criteria aangescherpt en per 1-1-2012 zijn deze AHOJG aangevuld met de Bl-criteria1, het .!2,esloten clubcriterium en het ingezetenencriterium. Per 1-1-2014 geldt ook een landelijk afstandscriterium van 350 meter ten opzichte van scholen in het voorgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs. In de richtlijnen wordt onder meer expliciet aangegeven dat het beleid voor coffeeshops, binnen de kaders van de richtlijnen, wordt bepaald in het lokale driehoeksoverleg. Het begrip "coffeeshops" wordt in de richtlijnen gedefinieerd als "alcoholvrije horecagelegenheden waar handel in en gebruik van softdrugs plaatsvindt". Coffeeshops zijn "voor het publiek openstaande gebouwen" als bedoeld in artikel 174 Gemeentewet. Het OM kan tegen een coffeeshop optreden indien niet voldaan wordt aan de AHOJG-plus-criteria. De AHOJ-G-plus criteria houden in: geen Affichering: dit betekent geen reclame anders dan een summiere aanduiding op betreffende lokaliteit. Het afficheringsverbod is aangescherpt in de zin dat ook internet-affichering verboden is; geen Harddrugs: dit betekent dat geen harddrugs voorhanden mogen zijn en/of verkocht mogen worden; geen Overlast: onder overlast kan worden verstaan parkeeroverlast rond de coffeeshop, geluidshinder, doorverkoop in de nabije omgeving, vervuiling en/of voor of nabij de coffeeshop rondhangende klanten; geen verkoop aan Jeugdigen en geen toegang aan jeugdigen tot een coffeeshop, waarbij is gekozen voor een strikte handhaving van de leeftijdsgrens van 18 jaar; geen verkoop van Grote hoeveelheden per transactie: dat wil zeggen hoeveelheden groter dan geschikt voor eigen gebruik (= 5 gram). Onder transactie wordt begrepen alle koop en verkoop in één coffeeshop op eenzelfde dag met betrekking tot eenzelfde koper. Ook geen aanwezigheid van grote hoeveelheden in voorraad (G). De voorraad mag niet meer zijn dan 500 gram. Geen aanwezigheid van alcohol in een coffeeshop (plus). Kleinschalige cannabisverkoop wordt uitsluitend gedoogd in de alcoholvrije coffeeshop. Situaties waar sprake is van een samengaan van alcohol- en cannabisverkoop in één horeca-inrichting dienen te worden tegengegaan. Aanvullingen in de nieuwe richtlijnen: De BI-criteria houden in: Dat uitsluitend toegang kan worden verleend en verkocht mag worden aan leden van de coffeeshop (Het Beslotenheidscriterium), waarbij bepaald is dat: de coffeeshop in één kalenderjaar maximaal tweeduizend lidmaatschappen mag hebben en dit documenteert in de vorm van een controleerbare ledenlijst. Legitimatie geschiedt met een geldig paspoort, een geldige identiteitskaart en/of verblijfsdocument. De ledenlijst is controleerbaar en bevat de naam, postcode of woonplaats en geboortedatum van een lid. De ledenlijst bevat tevens een aanvangsdatum en eventueel een vervaldatum van het lidmaatschap. De ledenlijst moet een verschijningsvorm hebben zodat deze kan worden ingezien of fysiek kan worden overhandigd ter controle. De coffeeshophouder is zelf verantwoordelijk voor de juistheid van de ledenlijst. • Dat lidmaatschap voor de coffeeshop uitsluitend toegankelijk is voor Ingezetenen van Nederland van achttien jaar of ouder. Onder ingezetene wordt verstaan: een persoon die zijn adres heeft in een gemeente van Nederland. Het ingezetenschap wordt aangetoond middels een uittreksel van de Gemeentelijke Basisadministratie van de woonplaats dat bij het aangaan van het lidmaatschap niet ouder is dan vier weken. Het Afstandscriterium houdt in dat de minimale afstand tussen een coffeeshop en een school voor voortgezet of beroepsonderwijs voor scholieren jonger dan 18 jaar 350 meter moet zijn. 4.Bevoegdheden burgemeester De burgemeester is het bevoegde gezag betreffende de uitvoering van het lokale coffee-shopbeleid. In algemene zin geldt dat de burgemeester verantwoordelijk is voor de handhaving van de openbare orde en veiligheid. Op basis van artikel 174 Gemeentewet is de burgemeester belast met het toezicht op openbare inrichtingen en met de uitvoering van verordeningen die betrekking hebben op dat toezicht. De burgemeester kan op basis van het nulbeleid de toestemming tot vestiging van een coffeeshop weigeren of een bestaand verkooppunt sluiten. De burgemeester beschikt sinds 2007 op grond van artikel 13b van de Opiumwet over een bestuursrechtelijk handhavingsinstrument, namelijk het opleggen van een last onder bestuursdwang ten aanzien van een woning of lokaal dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven, indien daar een middel als bedoeld in lijst I of Il wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. Hij is bevoegd deze woningen, lokalen en erven voor de bepaalde periode te sluiten. De systematische handel in cannabis en harddrugs buiten coffeeshops om (bijvoorbeeld vanuit woningen of andere lokalen) kan nu beter worden aangepakt, ook als er geen sprake is van overlast. Voor de wijziging van 2007 kon alleen tegen 'voor publiek toegankelijke lokalen' worden opgetreden op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Voor niet 'publiek toegankelijke lokalen' (zoals woningen) kon worden opgetreden op grond van artikel 174a van de Gemeentewet. In de praktijk bleek het vaak moeilijk om verstoring van de openbare orde, met name overlast, aan te tonen waardoor artikel 174a van de Gemeentewet veelal te kort schoot. Bestuursdwang kan nu worden ingezet tegen alle illegale verkooppunten wegens overtreding van de Opiumwet. Verstoring van de openbare orde hoeft niet meer aangetoond te worden. 5.Bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders Omdat coffeeshops alcoholvrije inrichtingen zijn en dus geen Drank- en Horecavergunning nodig hebben, is het college geen bevoegd bestuursorgaan ten aanzien van coffeeshops. Het college komt niet in beeld bij het verstrekken van een Drank- en Horecavergunning. In de sfeer van de handhaving van het coffeeshopbeleid kan het college wel optreden tegen alcoholschenkende horeca-inrichtingen die cannabisproducten verkopen, bijvoorbeeld door de vergunning ingevolge de Drank- en Horecawet in te trekken. Bij de inwerkingtreding van de nieuwe Drank- en Horecawet wordt dit een bevoegdheid van de burgemeester evenals de verstrekking van een Drank- en Horecavergunning. 6.Bevoegdheden van de gemeenteraad De gemeenteraad heeft een wetgevende rol. In dit verband is dat de Algemene Plaatselijke Verordening. Voor een goede invulling van de controlerende taak hebben de burgemeester en het college een actieve informatieplicht en leggen zij verantwoording af over het gevoerde beleid. 7.Lokale situatie De gemeente Kaag en Braassem heeft in de afgelopen periode geen aanvragen voor de vestiging van een coffeeshop ontvangen. 8.Argumenten nulbeleid De volgende argumenten rechtvaardigen het (vasthouden aan het) nulbeleid voor de gemeente Kaag en Braassem, zodat de exploitatie van een coffeeshop in de gemeente Kaag en Braassem niet is toegestaan. De de nuloptie voorkomt dat jongeren direct de gelegenheid wordt geboden om met softdrugs in aanraking te komen. De gemeente Kaag en Braassem is een landelijke gemeente. Hier is weinig maatschappelijk draagvlak voor het vestigen van een coffeeshop; Voor de centrumvoorzieningen zijn de inwoners van Kaag en Braassem aangewezen op Alphen aan den Rijn en Leiden. In deze gemeenten zijn coffeeshops aanwezig om aan de behoeften van de gebruikers te voldoen. De aanwezigheid en de spreiding van de coffeeshops over de centrumgemeenten houdt in dat in de kleine kernen weinig of geen behoefte is aan de vestiging van coffeeshops: De verwachting bestaat dat door het gedogen van een coffeeshop een aanzuigende werking ontstaat vanuit de regio. Gebleken is dat de aanwezigheid van een coffeeshop een zware wissel trekt op het sociale leven in de gemeente. Daarnaast kunnen onveilige situaties ontstaan door extra verkeer als gevolg van bezoek aan de coffeeshop. Een gedoogde coffeeshop, die zich aan de regels houdt, verkoopt niet aan jongeren onder de 18 jaar. Schooljeugd, een groot deel van de gebruikers, blijft dus aangewezen op de illegale straathandel. Een coffeeshop lost het probleem daarom niet op. Onderzoekdoor GGD en het Trimbos Instituut heeft uitgewezen dat blowen aanzienlijk ongezonder is dan werd aangenomen. Vooral depressies en angstbeelden kunnen het gevolg zijn van regelmatig drugsgebruik. Vanuit het oogpunt van volksgezondheid is het daarom wenselijk om de verkoop en het gebruik van cannabis te beperken. In de gemeente Kaag en Braassem is preventie van alcohol- en drugsgebruik een belangrijk onderwerp. De aandacht richt zich daarbij met name op jongeren. Door de vestiging van coffeeshops te verbieden wordt voorkomen dat jongeren direct de gelegenheid wordt geboden om met softdrugs in aanmerking te komen. Jongeren zijn in het algemeen een kwetsbare groep voor negatieve gevolgen voor drank- en drugsgebruik. De praktijk wijst uit dat continu aandacht besteden hieraan noodzakelijk is. De gemeente Kaag en Braassem wil de productie en handel in verdovende middelen bestrijden. De burgemeester heeft een sanctiebeleid op basis van artikel 13b van de Opiumwet vastgesteld om effectief op te kunnen treden tegen de handel en productie van verdovende middelen. De gemeente Kaag en Braassem wil de lijn volgen zoals die in regioverband wordt gevolgd om zodoende tegemoet te komen aan de eenheid in het preventiebeleid binnen het district Rijn- en Veenstreek. 9.Handhaving Voor de handhaving van het nulbeleid zijn twee handhavingsmethoden toepasbaar. Strafrechtelijke handhaving Uit de richtlijnen van het OM blijkt dat als in de lokale driehoek is afgesproken tot het voeren van een nulbeleid het OM kan overgaan tot vervolging van elke vorm van handel in cannabis, ook als het verkooppunt voldoet aan de AHOJG-BIA criteria. Deze bevoegdheid is nog eens nadrukkelijk bevestigd door de Hoge Raad naar aanleiding van een zaak in de gemeente Kampen (uitspraak 15 oktober 1996). Het optreden van het OM tegen de exploitant van een niet gedoogd verkooppunt was naar het oordeel van de Hoge Raad niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Bestuursrechtelijke handhaving Bestuursrechtelijk kan op basis van het vastgestelde nulbeleid worden opgetreden. Hier zijn een aantal verschillende situaties van optreden mogelijk: Weigeren van een verzoek tot het openen van een coffeeshop De burgemeester kan op basis van het nulbeleid de toestemming tot vestigen van een coffeeshop weigeren of een bestaand verkooppunt sluiten. De burgemeester beroep zich bij zijn besluit op de weigeringsgronden die in het nulbeleid staan gemotiveerd; Optreden tegen drugsverkoop vanuit een woning of lokaal Wanneer dit verkooppunt zich bevindt in een lokaal of woning, gebruikt de burgemeester hiervoor artikel 13b van de Opiumwet en kan overgaan tot sluiting van dit lokaal of woning. Dat het voeren van een nulbeleid is toegestaan, blijkt onder meer uit de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State naar aanleiding van de sluiting van een coffeeshop door de burgemeester van Naaldwijk wegens strijd met het nulbeleid (RvS, AB 22 mei 1997, H01.96.0825). In deze uitspraak overweegt de Afdeling dat aan de burgemeester in beginsel de vrijheid toekomt om ter bescherming van het woon- en leefklimaat dan wel de openbare orde geen enkele coffeeshop toe te staan. Dit kan alleen wanneer deugdelijk wordt gemotiveerd waarom een dergelijk beleid gegeven de plaatselijke omstandigheden redelijk en wenselijk is. 10Handhavingsarrangement op basis van artikel 13b van de Opiumwet Op 3 maart 2012 heeft de burgemeester het handhavingsarrangement art.13b Opiumwet vastgesteld dat betrekking heeft op de illegale verkooppunten van soft- dan wel harddrugs. In dit handhavingsarrangement staat aangegeven in welke gevallen de burgemeester een waarschuwing zal afgegeven en in welke gevallen de burgemeester een woning of lokaal zal sluiten. Deze beleidslijn kan worden aangehaald als 'Coffeeshopbeleid Kaag en Braassem 2012' Aldus vastgesteld op 3 juli 2012De burgemeester van de gemeente Kaag en Braassem,Mr. K.M. van der Velde-MentingDeze beleidsregel is op 18 juli 2012 gepubliceerd in het Witte Weekblad en inwerking getreden op 26 juli 2012
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.