Verordening Maatschappelijke Ondersteuning gemeente Albrandswaard 2026 De raad van de gemeente Albrandswaard; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van d.d. 24 maart 2026 ; gelet op artikel 108, tweede lid, Gemeentewet, wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en Uitvoeringsbesluit Wmo 2015; BESLUIT: Vast te stellen de Verordening Maatschappelijke Ondersteuning gemeente Albrandswaard 2026. Hoofdstuk1.BEGRIPSBEPALINGEN Artikel1.Begripsbepalingen 1.In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening die: niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking; daadwerkelijk beschikbaar is; een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat is tot zelfredzaamheid of participatie; financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau op grond van algemeen aanvaarde maatschappelijke opvattingen. algemene voorziening: aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning; andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; beleidsregels: de op lokaleregelgeving.overheid.nl gepubliceerde beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Albrandswaard; beschermd wonen: hieronder wordt verstaan wonen in een accommodatie met toezicht en begeleiding, gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, voor personen die door psychische of psychosociale problemen niet zelfstandig kunnen wonen; bijdrage: financiële eigen bijdrage als bedoeld in de artikelen 2.1.4 en 2.1.4a van de wet; financiële tegemoetkoming: een geldbedrag wat toegekend wordt ter ondersteuning van zelfredzaamheid of participatie. gebruiksduur: zolang de voorziening in gebruik is en/of als er sprake is van service- en onderhoudskosten; hoofdverblijf: de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de persoon met beperkingen zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft en in de gemeentelijke basisadministratie staat ingeschreven; dan wel het feitelijke woonadres indien de persoon met beperkingen met een briefadres is ingeschreven. hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet; ingezetene: cliënt die hoofdverblijf heeft in de gemeente Albrandswaard; intramuraal: wonen in een verblijfssetting met 24-uurs zorg en hulp; kostprijs: de totale waarde van een voorziening in euro’s inclusief btw en extra kosten zoals onderhoud en bijzondere aanpassingen; leefeenheid: een groep van personen die tezamen een huishouden vormen; maatschappelijke opvang: hieronder wordt verstaan het bieden van tijdelijk onderdak, begeleiding en ondersteuning aan personen die de thuissituatie hebben verlaten of dreigen te verlaten vanwege problemen zoals dakloosheid, huiselijk geweld of andere crisissituaties; melding: kenbaar maken van de hulpvraag aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2 eerste lid Wmo 2015; nadere regels: de op lokaleregelgeving.overheid.nl gepubliceerde nadere regels maatschappelijke ondersteuning gemeente Albrandswaard; onderzoeksrapport: een schriftelijke weergave van het onderzoek dat de gemeente uitvoert naar de ondersteuningsbehoefte, persoonlijke omstandigheden, mogelijkheden en beperkingen van een client, als basis voor het nemen van een besluit over een maatwerkvoorziening; pgb: persoonsgebonden budget als financieringsvorm voor een maatwerkvoorziening zoals bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet; participatie: het deelnemen aan het maatschappelijk verkeer als bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet; persoonlijk plan: plan waarin de cliënt de omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2 vierde lid, onderdelen a tot en met g, van de wet, beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen; semimuraal: zorg die gedeeltelijk binnen een instelling plaatsvindt, maar waarbij de cliënt niet volledig opgenomen is. Het is een vorm van zorg tussen ambulant (thuis) en intramuraal (volledige opname) in; Wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; zelfredzaamheid: het in staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden. 2. Voor zover niet anders bepaald, hebben begrippen in deze verordening en de daarop gebaseerde nadere regels en beleidsregels dezelfde betekenis als in de wet. Hoofdstuk2.MELDING, ONDERZOEK EN AANVRAAG Artikel2.Melding hulpvraag 1.Een hulpvraag kan vormvrij door of namens een cliënt bij het college worden gemeld. 2.Het college bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk en maakt zo spoedig mogelijk een afspraak voor een gesprek. 3.In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet treft het college na de melding onverwijld een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek als bedoeld bij artikel 6. Artikel3.Cliëntondersteuning 1.Het college draagt zorg voor de beschikbaarheid van gratis cliëntondersteuning. 2.Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger en/of vertegenwoordiger voorafgaand aan het onderzoek als bedoeld bij artikel 6 op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning. Artikel4.Persoonlijk plan 1.Het college brengt de cliënt op de hoogte van de mogelijkheid om een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid, van de wet op te stellen en stelt hem gedurende zeven dagen na de melding in de gelegenheid het plan te overhandigen waarin hij de omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2, vierde lid, onderdelen a tot en met g, van de wet beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen. 2.Als de cliënt een persoonlijk plan als bedoeld in eerste lid aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek als bedoeld in artikel 6 van deze verordening. Artikel5.Informatie en identificatie 1.Voor het gesprek of tijdens het gesprek verschaft de cliënt het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. 2.Bij het onderzoek, bedoeld in artikel 6, stelt het college de identiteit van de cliënt vast aan de hand van een geldig identiteitsbewijs. Artikel6.Onderzoek 1.Het college verzamelt alle voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet, van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de cliënt en zijn situatie. 2.Een gesprek maakt deel uit van het onderzoek, tenzij de hulpvraag genoegzaam bekend is. Het gesprek wordt gevoerd met de cliënt, dan wel zijn vertegenwoordiger, voor zover mogelijk zijn mantelzorger en voor zover nodig zijn familie. 3.De volgende factoren, ook genoemd in artikel 2.3.2 vierde lid van de wet, maken in ieder geval deel uit van het onderzoek en vormen de basis van het gesprek als bedoeld in tweede lid: de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt; het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning; de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp of algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te handhaven of te verbeteren, of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of maatschappelijke opvang; de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of maatschappelijke opvang; de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt; de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening, of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of maatschappelijke opvang; de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of aan beschermd wonen of maatschappelijke opvang; de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening te verstrekken; welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4 van de wet verschuldigd zal zijn; en de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de cliënt in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze. 4.Indien de cliënt bekend is bij de gemeente, kan in samenspraak met de cliënt worden afgezien van het onderzoek zoals genoemd in derde lid van dit artikel. 5.Het college informeert de cliënt over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure. 6.Het college verstrekt de cliënt dan wel diens vertegenwoordiger een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek in een onderzoeksrapport. 7.Als de cliënt vindt dat een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, moet het onderzoeksrapport ondertekend en teruggestuurd worden. Het onderzoeksrapport is de start van de aanvraagprocedure waarop een besluit volgt. Artikel7.Advisering 1.Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor het onderzoek, degene door of namens wie een melding of aanvraag is ingediend of bij gebruikelijke hulp diens relevante huisgenoten: op te roepen in persoon te verschijnen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en hem te bevragen. op een door het college te bepalen plaats en tijdstip door een of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen bevragen en/of onderzoeken. 2.Het college kan een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om advies vragen indien: het een melding of aanvraag betreft van een persoon die niet eerder een voorziening heeft gehad c.q. met wie niet eerder een gesprek als bedoeld in artikel 6 is gevoerd. het een melding of aanvraag betreft van een persoon die wel eerder een voorziening heeft gehad of een gesprek zoals bedoeld in artikel 6 heeft gevoerd, maar waarvan de medische omstandigheden zodanig zijn veranderd dat die gewijzigde omstandigheden de noodzaak van een voorziening of de soort van voorziening kunnen beïnvloeden. Artikel8.Aanvraag 1.Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening, een financiële tegemoetkoming of een tegemoetkoming in de meerkosten kan pas worden gedaan nadat het onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet binnen zes weken na de melding is uitgevoerd. 2.Een cliënt of zijn gemachtigde of vertegenwoordiger kan een aanvraag om een maatwerkvoorziening schriftelijk indienen bij het college. 3.Een aanvraag wordt ingediend door middel van een aanvraagformulier of een ondertekend onderzoeksrapport. 4.Het college neemt het onderzoeksrapport mede als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een maatwerkvoorziening. 5.Bij een aanvraag voor een persoonsgebonden budget voor ondersteuning in de vorm van dienstverlening, moet de cliënt een budgetplan overleggen. 6.Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een aanvraag om een financiële tegemoetkoming als bedoeld in artikel 9A en 9B. Hoofdstuk3.MAATWERKVOORZIENING Artikel9.Algemene criteria voor maatwerkvoorziening 1.Het college neemt het onderzoeksrapport, als bedoeld in artikel 6, als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een maatwerkvoorziening. 2.Het college verstrekt een maatwerkvoorziening indien er sprake is van een noodzaak tot compensatie en de cliënt niet of niet volledig in staat is tot zelfredzaamheid of participatie door gebruik te maken van: eigen kracht en/of; gebruikelijke hulp en/of; mantelzorg en/of; hulp van andere personen uit het sociale netwerk en/of; algemeen gebruikelijke voorzieningen en/of; algemene voorzieningen en/of; andere voorzieningen, bijvoorbeeld op grond van de Wlz of de Zvw. 3.Bij de bepaling van de eigen kracht wordt van de cliënt verwacht dat hij alles doet wat redelijkerwijs in zijn vermogen ligt om tot een oplossing van zijn ondersteuningsvraag te komen. Verder wordt in ieder geval onderzocht in hoeverre: het sociaal netwerk in staat is de noodzakelijke ondersteuning te bieden; het sociaal netwerk redelijkerwijs beschikbaar is om de noodzakelijke ondersteuning te bieden; het bieden van de ondersteuning door het sociaal netwerk leidt tot overbelasting. 4.Voor gebruikelijke hulp wordt in de regel geen maatwerkvoorziening verstrekt. Wat onder gebruikelijke hulp aan de cliënt met een hulpvraag valt is afhankelijk van: de relatie tussen degene die de ondersteuning biedt en de cliënt met een hulpvraag; de aard van de ondersteuning; de frequentie en het patroon van de ondersteuning; de duur van de ondersteuning. 5.Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst-adequate voorziening. 6.De maatwerkvoorziening wordt slechts verstrekt indien deze gezien de beperkingen van de cliënt, veilig voor hemzelf en zijn omgeving is, geen gezondheidsrisico’s met zich meebrengt en niet anti-revaliderend werkt. 7.De maatwerkvoorziening wordt slechts verstrekt als en voor zover de cliënt in staat is om de zorgverlener een voldoende veilig werkklimaat te bieden. 8.Ten aanzien van een maatwerkvoorziening met betrekking tot zelfredzaamheid en participatie geldt dat de cliënt met een hulpvraag in beginsel en na zorgvuldige afweging van de belangen van de cliënt met een hulpvraag en zijn omgeving alleen voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt als: de noodzaak tot ondersteuning voor de cliënt met een hulpvraag redelijkerwijs niet vermijdbaar was, en niet voorzienbaar was. 9.Een noodzakelijke vervangende maatwerkvoorziening wordt verstrekt, als: de eerder verstrekte voorziening technisch is afgeschreven; de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt met een hulpvraag zijn toe te rekenen; de eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing biedt voor de behoefte van de cliënt met een hulpvraag aan maatschappelijke ondersteuning. 10.Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen bij het normale gebruik van de woning en het zich verplaatsen in de woning, wordt onderzocht of verhuizen de goedkoopst-adequate oplossing is. 11.Het college kan nadere regels vaststellen ter aanvulling op de algemene criteria voor maatwerk. 12.Tot de maatwerkvoorzieningen kunnen, indien noodzakelijk voor het bevorderen van zelfredzaamheid of participatie, behoren: een tegemoetkoming voor verhuizing en (woning)inrichting; een voorziening gericht op maatschappelijke participatie, waaronder indien noodzakelijk een sportvoorziening. De aard en hoogte van deze voorzieningen worden door het college vastgesteld in de nadere regels. Artikel9A.Financiële tegemoetkoming verhuizing en (woning)inrichting 1.Het college kan een financiële tegemoetkoming verstrekken voor verhuizing en (woning)inrichting indien dit, gelet op de beperkingen van de cliënt, noodzakelijk is voor het bevorderen of behouden van de zelfredzaamheid of participatie en verhuizen een passend en goedkoopst-adequate alternatief vormt. 2.Geen tegemoetkoming wordt verstrekt voor zover de cliënt aanspraak kan maken op vergoeding van de kosten op grond van een voorliggende voorziening, verzekering of wettelijke regeling. 3.Geen tegemoetkoming wordt verstrekt indien: de verhuizing geen verband houdt met de beperkingen van de cliënt of niet noodzakelijk is voor het bereiken van het doel als bedoeld in lid 1; de cliënt voor het eerst zelfstandig gaat wonen; of de cliënt verhuist naar een semimurale of intramurale instelling. 4.Het college regelt in nadere regels het volgende: de hoogte (of bandbreedte) van de tegemoetkoming; de wijze van uitbetaling en verantwoording; de frequentie/termijn waarbinnen opnieuw aanspraak kan bestaan; nadere voorwaarden ter voorkoming van oneigenlijk gebruik. 5.Voor een financiële tegemoetkoming als bedoeld in dit artikel is geen bijdrage verschuldigd als bedoeld in artikel 17. Artikel9B.Tegemoetkoming meerkosten 1.Het college kan, ter uitvoering van artikel 2.1.7 van de wet, aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming verstrekken ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en participatie. 2.De tegemoetkoming kan mede betrekking hebben op meerkosten voor een sporthulpmiddel of een aanpassing daarvan, indien dit noodzakelijk is voor participatie. 3.De tegemoetkoming wordt slechts verstrekt voor zover geen aanspraak bestaat op vergoeding van de (meer)kosten op grond van een voorliggende voorziening, verzekering of wettelijke regeling. 4.Het college regelt bij nadere regels het volgende: de hoogte (of bandbreedte) van de tegemoetkoming; de doelgroep-/toegangscriteria (aannemelijkheidskader meerkosten); de wijze van uitbetaling; de frequentie/termijn (bijv. eens per x jaar) en eventuele plafonds. 5.Voor een tegemoetkoming als bedoeld in dit artikel is geen bijdrage verschuldigd als bedoeld in artikel 17. Artikel10.Criteria beschermd wonen en maatschappelijke opvang 1.De uitvoering van de taken op het gebied van beschermd wonen en maatschappelijke opvang als bedoeld in artikel 1.2.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 wordt voor de gemeente Albrandswaard verricht door de centrumgemeente Rotterdam. 2.De toegang, beoordeling, indicatiestelling, toewijzing, herziening en beëindiging van beschermd wonen en maatschappelijke opvang vinden plaats overeenkomstig de door de centrumgemeente Rotterdam vastgestelde procedures. 3.De door het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam vastgestelde beleidsregels en nadere regels voor beschermd wonen en maatschappelijke opvang worden door het college van burgemeester en wethouders van Albrandswaard overeenkomstig toegepast, tenzij toepassing daarvan in een individueel geval leidt tot onevenredige gevolgen als bedoeld in artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht. 4.Het college van burgemeester en wethouders van Albrandswaard kan, voor zover noodzakelijk voor de lokale uitvoering, aanvullende beleidsregels vaststellen, mits deze niet in strijd zijn met de beleidsregels en nadere regels van de centrumgemeente Rotterdam. 5.De centrumgemeente Rotterdam is belast met de feitelijke uitvoering van de ondersteuning, waaronder de plaatsing, begeleiding, monitoring en eventuele uitstroom van cliënten die in aanmerking komen voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang. Artikel10A.Toegang tot beschermd wonen en maatschappelijke opvang 1.Een cliënt komt in aanmerking voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang indien: sprake is van psychische, psychosociale of veiligheidsproblemen die leiden tot een noodzaak tot opvang of beschermd wonen; de benodigde ondersteuning niet op andere wijze kan worden gerealiseerd; de voorziening noodzakelijk is om de zelfredzaamheid of participatie te bevorderen of te behouden. 2.Het college beoordeelt of de cliënt voldoet aan de criteria voor toegang tot beschermd wonen of maatschappelijke opvang. 3.Het college kan voorwaarden verbinden aan de toegang, waaronder medewerking aan begeleiding, behandeling of uitstroomtrajecten. Artikel11A.1Beschermd wonen 1.Beschermd wonen wordt verstrekt als maatwerkvoorziening indien dit noodzakelijk is om de cliënt een veilige woonomgeving met begeleiding en toezicht te bieden. 2.De maatwerkvoorziening omvat in ieder geval: begeleiding en ondersteuning bij dagelijkse activiteiten; toezicht, structuur en veiligheid; ondersteuning gericht op herstel, participatie en uitstroom naar zelfstandig wonen. 3.Het college kan nadere regels stellen over de inhoud en omvang van beschermd wonen. Artikel11B.Maatschappelijke opvang 1.Maatschappelijke opvang wordt verstrekt indien de cliënt tijdelijk niet in staat is om zelfstandig te wonen vanwege dakloosheid, huiselijk geweld of een crisissituatie. 2.De voorziening omvat in ieder geval: tijdelijk onderdak; begeleiding gericht op herstel en stabilisatie; ondersteuning bij het realiseren van uitstroom naar een passende woon- of leefsituatie. 3.Het college kan nadere regels stellen over de inhoud en omvang van maatschappelijke opvang. Artikel11.Weigeringsgronden 1.Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt: wanneer voor de problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat; als de cliënt de gevraagde voorziening voor de melding heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij er sprake is van een acute noodsituatie waardoor het voor de cliënt dringend noodzakelijk was de voorziening te treffen; als de cliënt de gevraagde voorziening na de melding en vóór de datum van het besluit heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft gegeven of de noodzaak en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen; voor zover deze niet hoofdzakelijk op het individu is gericht; als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder door het college verstrekte voorziening, wordt deze slechts verstrekt na afloop van de duur waarvoor de voorziening is verstrekt, tenzij: de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen; de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoet komt in de veroorzaakte kosten, of de eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing biedt voor de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke ondersteuning. als deze voorziening niet noodzakelijk was geweest wanneer de cliënt rekening had gehouden met de reeds bestaande beperkingen, niet verband houdende met de overgang naar een volgende levensfase; als de cliënt een indicatie heeft voor zorg met verblijf op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) of er redenen zijn om aan te nemen dat de cliënt daarvoor in aanmerking komt, maar weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit hierover, tenzij artikel 8.6a van de wet van toepassing is; als de cliënt door zijn of haar gedrag het verstrekken, onderhouden of het afleggen van verantwoording over de voorziening onmogelijk maakt. 2. Geen maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie wordt verstrekt: als deze niet langdurig noodzakelijk is, behoudens hulp bij het huishouden en een vervoerspas; indien de cliënt geen ingezetene is van de gemeente. 3. Geen woonvoorziening wordt verstrekt: voor zover de beperkingen voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen, de slechte staat van het onderhoud of de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de geldende wettelijke eisen; ten behoeve van hotels en pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantie- en recreatiewoningen en gehuurde kamers, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing en woninginrichting; indien de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding bestaat op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor verhuizing aanwezig is; indien de cliënt is verhuisd naar een woning waarvan op grond van de aanwezige beperkingen voorzienbaar was dat cliënt hierin beperkingen zou ondervinden; indien de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college; indien de cliënt is verhuisd vanuit of naar een woonruimte die niet geschikt is om het hele jaar door bewoond te worden; indien de cliënt zijn hoofdverblijf niet heeft of niet zal hebben in de woning waaraan de voorziening wordt getroffen, tenzij er sprake is van co-ouderschap; voor zover het voorzieningen in een gemeenschappelijke ruimte betreft in een “doelgroepengebouw” te weten een gebouw dat bestemd is voor ouderen of inwoners met een beperking; voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten betreft in een doelgroepengebouw, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing en inrichting; als de voorziening in het geval van nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kan worden. 4. Geen tegemoetkoming voor verhuizing en inrichting wordt verstrekt indien: een persoon met beperking voor het eerst zelfstandig gaat wonen; een persoon met beperking verhuist naar een semimurale of intramurale instelling. 5. Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt ten aanzien van de vervoersbehoefte ten behoeve van maatschappelijke participatie uitsluitend rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving. Artikel12.Inhoud beschikking 1.In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening, een financiële tegemoetkoming of een tegemoetkoming in de meerkosten wordt in ieder geval aangegeven: voor welke voorziening of tegemoetkoming deze wordt verstrekt en wat de beoogde doelstelling daarvan is; of de verstrekking plaatsvindt in natura, als persoonsgebonden budget of als financiële tegemoetkoming; wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is; of een bijdrage in de kosten verschuldigd is; hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt. 2.Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: welke voorziening wordt verstrekt; hoe de voorziening wordt verstrekt; welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn. 3.Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: voor welk doel het pgb moet worden besteed; welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb, waaronder de verplichting dat de zorgverlener een relevante VOG aanvraagt en desgevraagd toont; wat de hoogte van het pgb is en hoe deze is bepaald; de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb. 4.Bij het verstrekken van een financiële tegemoetkoming of een tegemoetkoming in de meerkosten wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: voor welke kosten of situatie de tegemoetkoming wordt verstrekt; wat de hoogte van de tegemoetkoming is en hoe deze is bepaald; welke voorwaarden gelden voor de besteding of inzet van de tegemoetkoming. Artikel13.Regels voor pgb 1.Als een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening en de ondersteuning zelf wenst in te kopen door middel van een pgb, kan het college toetsen of voldaan wordt aan de in artikel 2.3.6, tweede lid van de wet opgenomen voorwaarden. 2.De cliënt dient daarvoor een budgetplan en een ondersteuningsplan in. In het budgetplan is in elk geval opgenomen: hoe de cliënt zelf of met hulp van iemand uit het sociale netwerk of zijn vertegenwoordiger de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze gaat uitvoeren; wat de motivatie is om de maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb te ontvangen; welke maatwerkvoorziening de cliënt met het pgb zou willen inkopen en bij welke uitvoerder; de kosten van de maatwerkvoorziening, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief; hoe de cliënt de voorziening volgens een puntsgewijze begroting dan wel een gespecificeerde offerte wenst te financieren; de duur en wijze waarop de maatwerkvoorziening wordt ingezet; het te behalen resultaat van de maatwerkvoorziening, zoals opgenomen in het ondersteuningsplan; de evaluatiemomenten gedurende de duur van de inzet van de maatwerkvoorziening , zoals opgenomen in het ondersteuningsplan; de wijze waarop de kwaliteit van de voorziening is gewaarborgd en waaruit blijkt dat de voorziening geschikt is voor het doel waarvoor het pgb wordt verstrekt, is opgenomen in het ondersteuningsplan. 3.Het pgb mag niet worden besteed aan: kosten voor bemiddeling, tussenpersonen of belangenbehartigers; kosten voor het voeren van een pgb-administratie; kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb; kosten voor een feestdagenuitkering en een eenmalige uitkering; kosten voor bijkomende zorg, waaronder cursuskosten en entreegelden van de zorgverlener; kosten voor overlijdensuitkering; kosten voor reizen. 4.Het pgb bevat geen vrij besteedbaar deel. 5.Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken om betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken geheel of gedeeltelijk op te schorten als duidelijk is dat de cliënt het pgb in die periode anders ten onrechte kan inzetten. 6.De cliënt is verplicht, als de ondersteuning wordt geboden door een niet-professioneel persoon uit de sociale omgeving, niet zijnde de directe leefeenheid, bij het ondersteuningsplan een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) te voegen van deze persoon. Een VOG van niet ouder dan drie maanden. 7.De kwaliteit van de met het pgb ingekochte maatwerkvoorziening, met uitzondering van informele hulp, voldoet minimaal aan de eisen die zijn gesteld aan de gecontracteerde zorgaanbieders die vergelijkbare voorzieningen leveren in zorg in natura; 8.Een pgb dient door de cliënt binnen zes maanden na toekenning te worden aangewend ten behoeve van het resultaat waarvoor het is verstrekt. 9.Een pgb voor gebruik van eigen auto, van een taxi of het gebruik van een rolstoeltaxi is slechts mogelijk indien de cliënt medisch en/of gedragsmatig niet in staat is gebruik te maken van het collectief vervoer met de regiotaxi. 10.Een pgb is niet mogelijk als er sprake is van ondersteuning in een spoedeisende situatie, als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet. 11.Een pgb is niet mogelijk voor zover het pgb is bestemd voor besteding in het buitenland, tenzij hiervoor expliciet toestemming is gegeven door het college, op basis van nader door het college te stellen regels. 12.Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de voorwaarden waaronder een pgb wordt verstrekt. Artikel13A.Persoonsgebonden budget voor beschermd wonen 1.Een persoonsgebonden budget voor beschermd wonen wordt slechts verstrekt indien: de cliënt of diens vertegenwoordiger pgb vaardig is; de kwaliteit van de in te kopen ondersteuning is gewaarborgd; de ondersteuning veilig, verantwoord en doelmatig kan worden geleverd. 2.Het college weigert een pgb indien: de veiligheid of kwaliteit van de ondersteuning onvoldoende kan worden gegarandeerd; de ondersteuning niet voldoet aan de eisen die gelden voor beschermd wonen. 3.Het college stelt nadere regels vast over de wijze waarop de kwaliteit en doelmatigheid van met een pgb ingekochte ondersteuning beschermd wonen wordt beoordeeld. Artikel14.Onderscheid formele en informele hulp 1.Bij het vaststellen van de hoogte van het pgb wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele hulp. 2.Van formele hulp is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad van de cliënt: personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of; personen die aangemerkt zijn als zelfstandige zonder personeel. Daarnaast moeten ze ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken. 3.Informele hulp is: Hulp die geboden wordt door personen, al dan niet uit het sociaal netwerk, die niet voldoen aan de criteria als genoemd in tweede lid; Hulp die wordt geboden door personen die voldoen aan de criteria als genoemd in tweede lid, maar bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad zijn van de cliënt. Artikel15.Hoogte pgb 1.De hoogte van het pgb voor een voorziening wordt maximaal vastgesteld op: Het bedrag van de goedkoopst-adequate voorziening in natura bij de leverancier waarmee de gemeente een overeenkomst heeft gesloten, zo nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering of; Het bedrag van de kosten volgens de door het college geaccepteerde offerte indien de gemeente voor de betreffende voorziening geen overeenkomst heeft gesloten. 2.De hoogte van het persoonsgebonden budget vervoer is gebaseerd op de voorziening collectief vervoer in natura, waarbij het uitgangspunt geldt dat maximaal 2000 kilometer op jaarbasis binnen de eigen leef- en woonomgeving moet kunnen worden gereisd. Als aan de cliënt ten behoeve van de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving een vervoersvoorziening is verstrekt, wordt een maximum van 1000 km als uitgangspunt gehanteerd. Indien de cliënt gemotiveerd aangeeft dat het standaard aantal kilometers niet volstaat dan kan een groter aantal kilometers worden verstrekt. 3.Bij het vaststellen van de hoogte van het pgb voor dienstverlening wordt onderscheid gemaakt tussen het tarief voor formele en informele hulp: Het pgb voor formele hulpverleners (begeleiding, dagbesteding en kortdurend verblijf), zoals bedoeld in artikel 14, tweede lid, wordt gebaseerd op het tarief van de door cliënt gecontracteerde zorgaanbieder, maar maximaal op 90% van het uurtarief van de goedkoopst-adequate voorziening in natura. Het pgb voor formele hulpverleners (hulp bij het huishouden), zoals bedoeld in artikel 14, tweede lid, wordt gebaseerd op het tarief van de door cliënt gecontracteerde zorgaanbieder, maar maximaal op 85% van het uurtarief van de goedkoopst-adequate voorziening in natura. Het pgb voor informele hulp, zoals bedoeld in artikel 14, derde lid, wordt vastgesteld op het per uur geldende wettelijk minimumloon voor een werknemer van 21 jaar of ouder als bedoeld in de wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml), zoals dit van tijd tot tijd geldt. Dit bedrag wordt aangevuld met vakantiebijslag en verlofuren en, als er sprake is van een arbeidsovereenkomst, ook met de werkgeverslasten. Het pgb tarief voor informele hulp kortdurend verblijf zoals bedoeld in artikel 14, tweede lid, wordt gebaseerd op het tarief van de door cliënt gecontracteerde zorgaanbieder, maar maximaal op 75% van het uurtarief van de goedkoopst-adequate voorziening in natura. 4.Voor vervoer naar de dagbesteding wordt voor formeel vervoer door een taxibedrijf maximaal 90% toegekend van het tarief voor de gecontracteerde aanbieders. 5.Voor vervoer door informele hulp zoals familieleden, wordt een maximaal tarief van 90% van het gecontracteerde tarief gehanteerd. 6.Het toegekende pgb-tarief wordt gedurende de looptijd van de toekenning van het pgb geïndexeerd. 7.Het college kan nadere regels stellen over de hoogte van het pgb. De tarieven zijn opgenomen in de nadere regels. Artikel16.Nadere verplichtingen budgethouder 1.De budgethouder is verplicht om gedurende de gebruiksduur de aangeschafte voorziening voldoende te laten onderhouden en toereikend te verzekeren. 2.De budgethouder dient over een nota of factuur en betalingsbewijs van de aangeschafte maatwerkvoorziening te beschikken. 3.De budgethouder deelt het college op verzoek van het college of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op de toekenning van het pgb. Hoofdstuk4.BIJDRAGE IN DE KOSTEN Artikel17.Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen of persoonsgebonden budget en bij verordening aangewezen algemene voorzieningen 1.Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget, zolang de cliënt van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt. 2.Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een bij verordening aangewezen algemene voorziening zoals bijvoorbeeld een wasservice en/of scootmobiel zolang de cliënt van deze voorziening gebruik maakt. De bijdrage voor een algemene voorziening is zodanig vastgesteld dat deze geen belemmering vormt voor het gebruik van de voorziening en in een redelijke verhouding staat tot de kosten van de voorziening. 3.De hoogte van de eigen bijdrage voor maatwerkvoorzieningen/of persoonsgebonden budget wordt vastgesteld door het Centraal Administratie Kantoor (CAK). Deze eigen bijdrage is nooit hoger dan de kostprijs van de maatwerkvoorziening. 4.In afwijking van het eerste lid is geen bijdrage verschuldigd voor de volgende maatwerkvoorzieningen: Rolstoelvoorzieningen; Kindvoorzieningen; Met terugwerkende kracht wordt geen eigen bijdrage geheven over reeds gerealiseerde woningaanpassingen als iemand de leeftijdsgrens van 18 jaar haalt. 5.De kostprijs van een maatwerkvoorziening of bij verordening aangewezen algemene voorziening wordt bepaald door een aanbesteding, na consultatie in de markt of na overleg met de aanbieder. 6.De bijdrage als bedoeld in dit artikel is niet van toepassing op een financiële tegemoetkomingen als bedoeld in artikel 9A en 9B. Artikel17ABijdrage beschermd wonen 1.Voor beschermd wonen kan een bijdrage in de kosten worden opgelegd overeenkomstig het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. 2.Het college informeert de cliënt over de hoogte en wijze van innen van de bijdrage. Artikel18.Eigen bijdrage voor Collectief vervoer In afwijking van artikel 17, derde lid, betaalt de cliënt een aparte bijdrage voor het gebruik van collectief vervoer. Deze bijdrage bestaat uit een opstaptarief (vaste prijs per rit) en een bedrag per gereisde kilometer aan de vervoerder. Hoofdstuk5.KWALITEIT EN VEILIGHEID Artikel19.Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning 1.Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door: het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt; het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg; inzet van de juiste deskundigheid; erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard; het overleggen van een verklaring omtrent het gedrag (VOG) door beroepskrachten die direct contact hebben met cliënten; erop toe te zien dat de voorziening doeltreffend, veilig en cliëntgericht is. 2.Het college legt verdere uitwerking van de geldende eisen op de kwaliteit van voorzieningen vast in de beleidsregels maatschappelijke ondersteuning; 3.Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek en, indien nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen. Artikel20.Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden 1.Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast: een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan van een overeenkomst met derde; of een reële prijs die geldt als ondergrens voor: een inschrijving en het aangaan overeenkomst met de derde, en de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a. 2.Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast: conform de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid onderdeel c, van de wet, en rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5 tweede lid van de wet, tussen de cliënten en de betrokken hulpverleners. 3.Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren diensten, in ieder geval rekening met: kosten van de beroepskracht; redelijke overheadkosten; kosten voor niet-productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg; reis- en opleidingskosten; indexatie van loon binnen een overeenkomst; overige kosten als gevolg van gemeentelijke eisen, zoals rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen. 4.Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren overige voorzieningen, in ieder geval rekening met: de marktprijs van de voorziening, en de eventuele extra taken die in verband met de voorziening van de leverancier worden gevraagd, zoals: aanmeten, leveren en plaatsen van de voorziening; instructie over het gebruik van de voorziening; onderhoud van de voorziening, en verplichte deelname in bepaalde samenwerkingsverbanden. Artikel21.Meldingsregeling calamiteiten en geweld 1.Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan. 2.Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de wet. 3.De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de wet, doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. 4.Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening. Hoofdstuk6.TOEZICHT EN HANDHAVING Artikel22.Bestrijding oneigenlijk gebruik, misbruik en niet-gebruik van een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget 1. Het college zorgt voor een rechtmatige en doelmatige uitvoering van de wet, waaronder de bestrijding van misbruik, oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van deze wet. 2. Het college informeert cliënten, hun vertegenwoordiger en zorgaanbieders op een begrijpelijke manier over de rechten en plichten die horen bij het ontvangen van een maatwerkvoorziening of pgb. Ook wordt uitleg gegeven over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet dan wel hetgeen krachtens de wet is verstrekt of toegekend. 3. Het college kan steekproefsgewijs het gebruik van maatwerkvoorzieningen en pgb’s onderzoeken om de kwaliteit te beoordelen en om vast te stellen of de wet rechtmatig en doelmatig wordt gebruikt. 4. Het college stelt onderzoek in naar de rechtmatigheid van een maatwerkvoorziening of pgb als er een gegrond vermoeden bestaat van misbruik of van oneigenlijk gebruik van de wet door cliënt dan wel door zorgaanbieders. 5. Onverminderd het bepaalde in artikel 2.3.10 van de wet kan het college een beslissing over een individuele voorziening herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat sprake is van misbruik en/of oneigenlijk gebruik. 6. Als een cliënt opzettelijk onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt, worden de kosten in overeenstemming met artikel 2.4.1 van de wet verhaald. 7. Het college kan aan de gemeenteraad over de uitvoering, de resultaten en de effecten rapporteren op het gebied van handhaving in relatie tot de beleidsuitgangspunten en –prioriteiten. Artikel23.Verrekening Het college kan een terug te vorderen bedrag verrekenen met nog uit te keren (periodieke) betalingen op grond van de wet. Hoofdstuk7.WAARDERING MANTELZORGERS Artikel24.Jaarlijkse waardering mantelzorgers De jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers van cliënten in de gemeente wordt door het college nader bepaald. Hoofdstuk8.KLACHTEN, MEDEZEGGENSCHAP EN INSPRAAK Artikel25.Klachtregeling 1. Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van alle voorzieningen. 2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders, en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek. Artikel26.Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning 1.Aanbieders dienen te beschikken over een regeling voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn. 2.Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden kan het college toezien op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek. Artikel27.Betrekken van ingezetenen bij het beleid 1.Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder de Maatschappelijke adviesraad Albrandswaard, cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning. 2.Het college stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. 3.Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning. 4.Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het tweede en derde lid. Hoofdstuk9.OVERGANGSRECHT EN SLOTBEPALINGEN Artikel28.Indexering Het college kan jaarlijks per 1 januari de in het kader van deze verordening en de op deze verordening gebaseerde nadere beleidsregels maatschappelijke ondersteuning geldende bedragen verhogen of verlagen. Artikel29.Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van de bepalingen van deze verordening indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Artikel30.Overgangsrecht 1.Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening die voor het tijdstip van de inwerkingtreding van deze verordening is verstrekt, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening zijn verstrekt, wordt ingetrokken. 2.Op bezwaarschriften tegen een besluit wordt beslist met inachtneming van de verordening op basis waarvan het betreffende besluit is genomen. Artikel31.Intrekking oude verordening, inwerkingtreding en citeertitel 1.Deze verordening treedt in werking op de dag na publicatie en werkt terug tot en met 1 januari 2026, onder gelijktijdige intrekking van de verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Albrandswaard 2022. 2.Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Albrandswaard 2026. Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad, gehouden op 11 mei 2026. De griffier, drs. Leendert Groenenboom De voorzitter,drs. Cees PilleArtikelsgewijze toelichting verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Albrandswaard 2026 Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en het Uitvoeringsbesluit dat daarbij hoort, staan al veel definities. Daarom staan in deze verordening alleen de belangrijkste begrippen. Niet elk begrip heeft nader uitleg nodig. Lid 1 a. algemeen gebruikelijke voorziening Bij deze voorziening gaat het om de vraag: zou de cliënt deze voorziening ook hebben gehad als hij geen beperkingen had? De regels hiervoor komen uit uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB). Het gaat er niet om hoeveel geld de cliënt zelf precies heeft, maar of een vergelijkbare voorziening voor mensen met een normaal inkomen betaalbaar en gebruikelijk is Lid 1 b. algemene voorziening Dit betreft algemeen vrij toegankelijke voorzieningen zoals bijvoorbeeld een boodschappenservice, welzijnsactiviteiten of vrijwilligersvervoer. Dit is bedoeld om hen te ondersteunen in het zelfstandig functioneren en participeren in de samenleving. Algemene voorzieningen zijn niet op maat gemaakt voor een individuele situatie, maar voor een bredere groep inwoners toegankelijk, vaak zonder indicatie of beschikking. Denk aan een maaltijdvoorziening, boodschappendienst en vrijwilligershulp. Lid 1 c. andere voorziening Een andere voorziening is een voorziening die niet onder de Wmo valt, maar via een andere wet of regeling beschikbaar is of door de cliënt zelf kan worden geregeld. Lid 1 d. beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Albrandswaard Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning zijn door het college van burgemeester en wethouders vastgestelde regels waarin wordt uitgewerkt hoe de gemeente de Wmo 2015 en de Wmo verordening toepast in de praktijk. Ze geven invulling aan open normen, verduidelijken hoe besluiten worden genomen en zorgen voor voorspelbaarheid en rechtsgelijkheid voor inwoners. Lid 1.e beschermd wonen Beschermd wonen is een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 voor mensen die door psychische of psychosociale problemen niet zelfstandig kunnen wonen en toezicht, begeleiding en een veilige woonomgeving nodig hebben. Het gaat om wonen in een beschermde leefomgeving met “24 uurs” toezicht of nabijheid daarvan, gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid, participatie en de doorstroom naar zelfstandiger wonen. Lid 1. f. (eigen) bijdrage In artikel 2.1.4 van de Wmo staat dat de gemeente een eigen bijdrage mag vragen voor ondersteuning. Als de gemeente daarvoor kiest, moet de cliënt dus een deel van de kosten zelf betalen. Lid 1 g. Financiële tegemoetkoming Onder een financiële tegemoetkoming wordt verstaan een bijdrage in de kosten die de cliënt maakt om zijn zelfredzaamheid of participatie te behouden of te verbeteren. Het gaat om situaties waarin ondersteuning noodzakelijk is, maar waarin een maatwerkvoorziening niet passend of niet doelmatig is. De hoogte van de tegemoetkoming kan afhankelijk zijn van de individuele omstandigheden en de werkelijke kosten. Lid 1 h. gebruiksduur De gebruiksduur is de periode waarin de cliënt de voorziening in bezit heeft. Ook wanneer de cliënt de voorziening tijdelijk niet gebruikt, telt dit mee als gebruiksduur. Als de cliënt aangeeft dat hij het niet meer nodig heeft en het inlevert, stopt de gebruiksduur. Lid 1 I. gesprek Artikel 2.3.2, 1e van de Wmo schrijft voor dat het college naar aanleiding van een melding een onderzoek verricht. Een vorm van persoonlijk contact (een gesprek) zal hiervoor meestal noodzakelijk zijn, maar is niet voorgeschreven op grond van de Wet. Lid 1 J. hoofdverblijf Het hoofdverblijf is de plek waar de cliënt het grootste deel van het jaar echt woont. Dat is niet altijd hetzelfde als het adres in de Basisregistratie Personen (BRP). Lid 1 kj. hulpvraag De hulpvraag is de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid van de wet. Als iemand met behoefte aan maatschappelijke ondersteuning zich tot het college wendt, is het van belang dat het college allereerst onderzoekt wat de hulpvraag van betrokkene is. Een zorgvuldig onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2, vierde lid van de wet is noodzakelijk. Lid 1.l. ingezetene Een ingezetene van Nederland kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening (artikel 1.2.1 van de wet) en het college beslist op een aanvraag van een ingezetene van de gemeente om een maatwerkvoorziening (artikel 2.3.5 van de wet). Uit de Memorie van Toelichting volgt dat een ingezetene zich voor een maatwerkvoorziening moet wenden tot het college van de gemeente waar hij woont. De term 'wonen' is niet verder uitgelegd. Uit de jurisprudentie bij de Wmo 2007 (CRvB 22-09-2010, nr. 09/1743 WMO ) volgt dat het gaat om de feitelijke verblijfplaats. De inschrijving in de Basisregistratie Personen vormt daarbij een belangrijke aanwijzing, maar is niet doorslaggevend. Lid 1 m. intramuraal Een intramurale verblijfsetting kan zowel van toepassing zijn op jeugdigen in een instelling (Jeugdwet) als ook volwassenen op grond van de Wmo of de Wet langdurige zorg (Wlz). Lid 1 n. kostprijs Kostprijs binnen de Wmo is het totaal van alle kosten die noodzakelijk zijn om een Wmo-voorziening te leveren, inclusief directe kosten, indirecte kosten (overhead), afschrijvingen en eventuele kapitaallasten. Lid 1 o. leefeenheid Een groep mensen, dit kunnen zowel jeugdigen, jongeren als volwassenen of een combinatie daarvan zijn, die gezamenlijk een huishouden vormen. Er hoeft geen familierelatie te zijn. Ze verblijven in dezelfde woning met een gedeelde voordeur, keuken en badkamer. Lid 1 p. maatschappelijke opvang Maatschappelijke opvang is een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 die gericht is op het bieden van tijdelijke opvang, begeleiding en ondersteuning aan mensen die dakloos zijn of dreigen te worden, of die niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven vanwege psychosociale of andere problemen. Lid 1 q. melding Eenieder kan zich melden bij zijn gemeente met een hulpvraag. Door het melden maakt de cliënt de hulpvraag aan het college kenbaar. In vervolg op deze melding doet het college in samenspraak met de cliënt zo spoedig mogelijk onderzoek. Wanneer een ingezetene uitsluitend informeert naar bijvoorbeeld de beschikbaarheid van een algemene voorziening of kenbaar maakt gebruik te willen maken van een algemene voorziening, is er geen aanleiding om een onderzoek in te stellen. Lid 1 r. nadere regels Nadere regels zijn door het college van burgemeester en wethouders vastgestelde, uitvoeringsgerichte regels die de Wmo-verordening verder concretiseren en specificeren. Waar de verordening de kaders bevat (vastgesteld door de gemeenteraad), vullen nadere regels deze kaders praktisch en gedetailleerd in voor de uitvoering. Lid 1 s onderzoeksrapport Het onderzoeksrapport is het schriftelijke verslag dat de gemeente opstelt na het uitvoeren van het Wmo onderzoek zoals bedoeld in artikel 2.3.2 van de Wmo 2015. Het rapport vormt de weergave van het onderzoek, de feiten, de beoordelingen en de conclusies die nodig zijn om te bepalen of iemand in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening. Deze toelichting verduidelijkt waarom dit rapport essentieel is en welke functie het heeft in de besluitvorming. Lid 1 t. Pgb Het persoonsgebonden budget (pgb) is een manier waarop een cliënt zelf ondersteuning kan inkopen die normaal gesproken als maatwerkvoorziening in natura wordt geleverd. De toelichting verduidelijkt dat het Pgb bedoeld is om regie, keuzevrijheid en maatwerk te vergroten. Lid 1 u. participatie Participatie verwijst binnen de Wmo naar het meedoen in de samenleving op een manier die past bij iemands mogelijkheden. De toelichting maakt duidelijk dat participatie breder is dan werk: het gaat om sociale, maatschappelijke en praktische deelname. Lid 1 v. Persoonlijk plan In het plan kan de cliënt – al dan niet samen met zijn persoonlijke netwerk – de hulpvraag nader beschrijven en ook aangeven welke mogelijkheden of oplossingen hij zelf voor ogen heeft. Deze informatie kan het college meenemen bij zijn onderzoek. Het opstellen van een persoonlijk plan kan de eigen regie en de betrokkenheid van het sociale netwerk van cliënten versterken. Lid 1 w. semimuraal Semimurale ondersteuning betekent dat iemand niet intramuraal woont, maar wel regelmatig en structureel ondersteuning op locatie ontvangt, vaak in een woonvorm waar begeleiding nabij is of op vaste momenten aanwezig is. Het gaat dus om wonen in de eigen woning of een zelfstandige woonunit, gecombineerd met intensieve begeleiding, maar zonder permanent toezicht of “24 uurs” aanwezigheid zoals bij intramuraal verblijf. Lid 1 x. Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 De Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) is de landelijke wet die regelt dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor het ondersteunen van inwoners die niet op eigen kracht zelfredzaam kunnen zijn of niet volledig kunnen deelnemen aan de samenleving. De toelichting bij de definitie verduidelijkt het doel, de reikwijdte en de kernprincipes van de wet. Lid 1 y. Zelfredzaamheid Binnen de Wmo 2015 betekent zelfredzaamheid het vermogen van een inwoner om zichzelf te kunnen redden in het dagelijks leven, met of zonder hulp van het eigen netwerk. De toelichting verduidelijkt dat zelfredzaamheid niet alleen gaat over praktische vaardigheden, maar ook over regie, veiligheid, structuur en maatschappelijk functioneren. Zelfredzaamheid is een kernbegrip in de Wmo: het bepaalt of iemand ondersteuning nodig heeft en welke vorm passend is. Hoofdstuk 2. Melding, onderzoek en aanvraag In dit hoofdstuk staan de regels voor het traject dat begint als een inwoner de gemeente om hulp vraagt. Dit traject begint met een melding. De melding is voor de gemeente het moment om te starten met een onderzoek. Het onderzoek is het belangrijkste onderdeel van de procedure in de Wmo 2015. Tijdens het onderzoek kijkt de gemeente of er andere oplossingen zijn dan een maatwerkvoorziening. Denk daarbij bijvoorbeeld aan voorliggende of algemene voorzieningen. Als die voldoende zijn, is een maatwerkvoorziening niet nodig. Artikel 2. Melding De inwoner doet een melding als hij ondersteuning nodig heeft. Dit heet ook wel een hulpvraag. De melding kan op verschillende manieren worden gedaan: schriftelijk, digitaal, mondeling of telefonisch. Het maakt dus niet uit op welke wijze of op welke plaats de melding wordt gedaan. De inwoner kan zelf de melding doen, maar ook iemand namens hem, zoals een familielid of mantelzorger. Nadat er een melding is gedaan, ontvangt de inwoner hiervan een schriftelijke bevestiging. Het onderzoek wordt zo spoedig mogelijk uitgevoerd en in beginsel binnen zes weken afgerond, zoals bepaald in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo 2015. Artikel 3. Cliëntondersteuning De verplichtingen uit dit artikel staan ook in de artikelen 2.2.4, eerste lid onderdeel a en 2.3.2, derde lid van de wet. Het is belangrijk dat de cliënt wordt gewezen op de mogelijkheid van cliëntondersteuning. Daarom staat in de ontvangstbevestiging van de melding hoe de cliënt contact kan opnemen met een cliëntondersteuner. Cliëntondersteuning is uitgelegd in artikel 1.1.1 van de wet. De cliëntondersteuning is gratis en onafhankelijk. Artikel 4. Persoonlijk plan De verplichtingen voor het college die hier genoemd worden staan ook in artikel 2.3.2 van de wet. De cliënt mag, voordat het onderzoek start, een persoonlijk plan maken. Hierin schrijft de cliënt op welke hulp nodig is en hoe dit georganiseerd kan worden. Het voordeel hiervan is dat de gemeente direct weet wat de wensen van de cliënt zijn. Hiermee behoudt de cliënt zelf regie over zijn ondersteuning. Artikel 5. Informatie en identificatie De verplichtingen in dit artikel komen ook uit de wet, namelijk uit artikelen 2.3.2, zevende lid en 2.3.4, eerste lid. Net als bij artikel 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet de cliënt ook in de onderzoeksfase de juiste informatie geven. De gemeente moet zeker weten wie de cliënt is. Daarom vraagt zij om een geldig identiteitsbewijs, zoals bedoeld in de Wet op de identificatieplicht. Artikel 6. Onderzoek Om een goed besluit te nemen, moet de gemeente eerst goed onderzoek doen naar de situatie van de cliënt. Bij het onderzoek kijkt de gemeente samen met de cliënt wat de behoeften, mogelijkheden en voorkeuren zijn. Daarvoor zijn alle belangrijke feiten en omstandigheden nodig. Het onderzoek gebeurt altijd in overleg met de cliënt. Als het kan, worden ook de mantelzorger(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.