Beleidsregels Participatiewet in balans gemeente VelsenToelichtingHet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Velsen; gelet op artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, de artikelen 31, tweede lid, onderdeel s, 41, elfde lid, 43a, eerste lid, en 44, vijfde lid, van de Participatiewet en de artikelen 15a, eerste lid, en 16a, vierde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers; besluit vast te stellen de volgende beleidsregels: Beleidsregels Participatiewet in Balans gemeente Velsen HOOFDSTUK1.ALGEMENE BEPALINGEN Artikel1.Definities In deze beleidsregels wordt verstaan onder: - college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Velsen; - IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers; - jongere: de belanghebbende of het gezin, bedoeld in artikel 41, vierde lid, van de Wet; - probleemschulden: schulden die naar het oordeel van het college in redelijkheid niet meer afgelost kunnen worden; - schuldregeling: een schuldregeling op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening of de Wet schuldsanering natuurlijke personen; - Wet: Participatiewet; - Wmo 2015: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; - zoektermijn: de termijn van vier weken, genoemd in artikel 41, vierde lid, van de Wet; HOOFDSTUK2.BELEIDSKEUZES Artikel2.Vrijlaten van giften in individuele gevallen Bij de beoordeling of giften in een individueel geval en uit het oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel s, van de Wet, beschouwt het college de volgende categorieën giften in ieder geval als verantwoord: a. giften die worden verstrekt en ingezet voor kosten waarvoor anders bijzondere bijstand verstrekt had kunnen worden; b. giften die worden verstrekt en ingezet voor medisch noodzakelijke kosten; c. giften waarmee probleemschulden zijn betaald die zijn ontstaan voorafgaand aan de ingangsdatum van algemene bijstand; Artikel3.Het behandelen van bijstandsaanvragen van jongeren voor afloop van de zoektermijn Het college maakt in ieder geval gebruik van de bevoegdheid een aanvraag voor algemene bijstand voor het verstrijken van de zoektermijn in behandeling te nemen als bedoeld in artikel 41, elfde lid, van de Wet, wanneer sprake is van ten minste één van de volgende omstandigheden: 1. De jongere maakt gebruik van, of heeft uiterlijk binnen één jaar voorafgaand aan de melding gebruik gemaakt van, één of meer Wmo-voorzieningen als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo 2015, zoals: a. beschermd wonen; b. verblijf in een opvang; c. begeleiding. 2. De jongere maakt gebruik van, of heeft uiterlijk binnen één jaar voorafgaand aan de melding gebruik gemaakt van, verlengde jeugdhulp in het kader van de Jeugdwet, zoals: a. begeleiding; b. verblijf bij een pleegouder, in een gezinshuis of in een jeugdhulpinstelling. 3. Voor de jongere geldt, of heeft uiterlijk binnen één jaar voorafgaand aan de melding gegolden, een kinderbeschermingsmaatregel die werd uitgevoerd door een gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 2.4 van de Jeugdwet; 4. De jongere heeft een aantoonbare zorgbehoefte; 5. De jongere met een briefadres is ingeschreven in de Basisregistratie Personen 6. De jongere heeft uiterlijk binnen één jaar voorafgaand aan de melding algemene bijstand ontvangen; 7. De jongere heeft probleemschulden, of schulden die naar het oordeel van het college probleemschulden kunnen worden als de zoektermijn wordt toegepast; Artikel4.Het volgen van de vereenvoudigde aanvraagprocedure Het college maakt gebruik van de bevoegdheid, als bedoeld in artikel 43a, eerste lid, van de Wet en artikel 15a, eerste lid, van de IOAW, om gegevens die bij hem berusten in verband met eerdere bijstandsverlening te gebruiken indien: a. dit gebruik leidt tot een voor de belanghebbende minder belastende aanvraag; b. de nieuwe aanvraag is ingediend binnen 12 maanden na het eindigen van de algemene bijstand; en, c. de eerdere bijstandsverlening is beëindigd vanwege: 1° werkaanvaarding; 2° een uitsluitingsgrond als bedoeld in artikel 13 van de Wet; 2. Voorafgaand aan het gegevensgebruik gaat het college bij een belanghebbende ten minste na of er wijzigingen zijn in de volgende gegevens: a. het hoofdverblijf; b. de gezinssituatie; en c. het inkomen en het vermogen. Artikel5.Het verlenen van bijstand met terugwerkende kracht 1. Het college is van oordeel dat in ieder geval sprake is van individuele omstandigheden, als bedoeld in artikel 44, vijfde lid, van de Wet en bedoeld in artikel 16a, vierde lid, van de IOAW, die ertoe noodzaken bijstand toe te kennen vanaf een dag gelegen voor de dag waarop een belanghebbende zich heeft gemeld als: a. er omstandigheden zijn die rechtvaardigen dat belanghebbende zich niet eerder heeft gemeld, zoals in een van de volgende situaties het geval kan zijn: 1°. de belanghebbende was niet in staat om bijstand aan te vragen; 2°. de belanghebbende was niet op de hoogte van de mogelijkheid om bijstand aan te vragen; 3°. een aanvraag voor een passende en toereikende voorliggende voorziening is afgewezen; 4°. een eerdere bijstandsaanvraag is buiten behandeling gesteld of afgewezen omdat de aanvrager niet tijdig alle benodigde gegevens aan het college heeft verstrekt; 5°. de belanghebbende had onvoldoende zicht op de hoogte van zijn inkomen of vermogen, bijvoorbeeld als gevolg van een flexibel arbeidscontract, een echtscheiding, een erfenis of detentie; 6°. de belanghebbende heeft met terugwerkende kracht een verblijfsvergunning gekregen. b. er omstandigheden zijn die erop wijzen dat het ernstige gevolgen voor de belanghebbende heeft, als de bijstand niet wordt toegekend voor de datum van de melding, zoals in een van de volgende situaties het geval kan zijn: 1°. de belanghebbende heeft betalingsachterstanden; 2°. na de melding is executoriaal beslag gelegd op de middelen van belanghebbende of is belanghebbende is failliet verklaard; 3°. na de melding is de huur van woonruimte opgezegd, de zorgverzekering geroyeerd, of gas, licht of water afgesloten. 2. Het college kent de bijstand toe vanaf de dag waarop het recht op bijstand is ontstaan. De dag vanaf wanneer bijstand wordt toegekend ligt maximaal drie maanden vóór de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld. HOOFDSTUK3.SLOTBEPALINGEN Artikel6.Inwerkingtreding en overgangsrecht 1. Deze beleidsregels treden in werking op de dag na bekendmaking. Artikel7.Citeertitel Deze beleidsregels worden aangehaald als “Beleidsregels Participatiewet in Balans gemeente Velsen”. Algemeen Op 1 januari 2026 is de Participatiewet (de Wet) gewijzigd door de Participatiewet in balans en door de Verzamelwet SZW 2026. De wijzigingen door de Participatiewet in balans treden gefaseerd in werking. Deze beleidsregels zien op het invullen van de beleids- en uitvoeringsruimte van het college op een viertal bevoegdheden uit de eerste fase. Deze bevoegdheden bieden het college onder voorwaarden de mogelijkheid om: 1. vrijgelaten giften te verruimen; 2. de vier weken zoektermijn voor jongeren achterwege te laten; 3. bij het college berustende gegevens te hergebruiken en daarmee de aanvraag voor belanghebbenden te vereenvoudigen; en, 4. met terugwerkende kracht bijstand te verlenen tot maximaal drie maanden voor de melding. Artikelsgewijs In deze artikelsgewijze toelichting worden enkel onderdelen behandeld die nadere toelichting behoeven. Artikel 1. Definities In dit artikel zijn de begrippen omschreven die worden gebruikt in de beleidsregels. Voor het overige gelden de definities uit de Participatiewet of de Algemene wet bestuursrecht. Enkele van de begrippen uit de beleidsregels worden hieronder nader toegelicht. Probleemschulden In de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs) wordt het begrip ‘probleemschulden’ (of: 'problematische schulden') niet gedefinieerd. Wel wordt aangegeven voor wie schuldhulpverlening is bedoeld. In artikel 1 van de Wgs staat: ‘het ondersteunen bij het vinden van een adequate oplossing gericht op de aflossing van schulden indien redelijkerwijs is te voorzien dat een natuurlijke persoon niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden of indien hij in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, alsmede de nazorg.’ Voor de Wet schuldsanering natuurlijke personen (Wsnp) geldt een vergelijkbaar criterium. In de definitie zijn iets eenvoudiger woorden gebruikt om dit uit te drukken. Daarbij speelt ook de overweging, dat het niet de bedoeling is om exact te gaan boekhouden bij het beoordelen van iemands financiële situatie. Het is voldoende dat ‘naar het oordeel van’ het college iemand zijn schulden niet meer kan aflossen of is gestopt met betalen. Schuldregeling Een schuldregeling is een betaalregeling met schuldeisers voor de aflossing van problematische schulden. De gemeente is verantwoordelijk voor schuldhulpverlening en kan met de schuldeisers en de schuldenaar een schuldregeling treffen, op grond van de Wgs. Daarnaast kan de rechter een wettelijke schuldsanering uitspreken op grond van de Wsnp. In beide gevallen leidt een schuldregeling ertoe dat na afronding belanghebbende een ‘schone lei’ krijgt. Zoektermijn Onder ‘zoektermijn’ wordt verstaan: de termijn van vier weken nadat een jongere (tot 27 jaar) zich heeft gemeld om algemene bijstand aan te vragen. Pas na die termijn kan een aanvraag worden ingediend en door het college in behandeling worden genomen (enkele uitzonderingen daargelaten, zie artikel 41, vierde lid, van de Wet). Artikel 2. Vrijlaten van giften in individuele gevallen Achtergrond: artikel 31, tweede lid, onderdeel m Participatiewet De Participatiewet bepaalt dat alle middelen waar iemand over kan beschikken meetellen voor de bijstand. Dat is het vangnetkarakter van de wet. Toch is er een uitzondering: giften. In artikel 31, tweede lid, onderdeel m staat dat giften tot een jaarlijks bepaald bedrag niet meetellen. Met de wetswijziging Participatiewet in Balans is dit verduidelijkt. Giften en kostenbesparende bijdragen mogen samen tot € 1.200 per kalenderjaar buiten beschouwing blijven. Dit bedrag wordt jaarlijks aangepast in de wet. Het gaat om giften in geld of natura, zoals boodschappen of een bijdrage voor vaste lasten. Ook andere bijdragen die kosten besparen, bijvoorbeeld als iemand een deel van de huur of energiekosten betaalt, vallen hieronder. Voedselbankbijdragen tellen nooit mee. Wat is een gift? Een gift is een bedrag of een bijdrage die iemand krijgt zonder dat daar een tegenprestatie tegenover staat. Het kan gaan om geld, spullen of het betalen van kosten. Een gift is bedoeld om iemand te helpen, niet om inkomen te vervangen. Giften kunnen eenmalig of vaker voorkomen. Artikel 2 van deze beleidsregels is uitwerking van onderdeel s en staat in relatie tot onderdeel m. Artikel 2 geeft invulling aan de ruimte die de wet biedt. Het college bepaalt in welke gevallen giften in ieder geval verantwoord zijn. Het gaat om giften die passen bij het doel van de bijstand: een bestaansminimum bieden, maar ook ruimte laten voor hulp uit het netwerk. De volgende categorieën worden altijd als verantwoord gezien:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.