tel van de burgemeester en griffier no. 26.0000827 van 12 mei 2026 Gelet op artikel 16 van de Gemeentewet; Gelezen het advies van het fractievoorzittersoverleg van 18 mei 2026; BESLUIT vast te stellen: Reglement van orde van de raad van de gemeente Noordoostpolder houdende bepalingen over de vergaderingen en werkzaamheden van de gemeenteraad HOOFDSTUK1.ALGEMENE BEPALINGEN Artikel1.Begripsbepalingen In dit reglement wordt verstaan onder: voorzitter: voorzitter van de raad of diens plaatsvervanger; griffier: griffier van de raad of diens plaatsvervanger; college: het college van burgemeester en wethouders; wet: Gemeentewet amendement: voorstel van een raadslid tot wijziging van een besluit. subamendement: voorstel van een raadslid tot wijziging van een aanhangig amendement; initiatiefvoorstel: voorstel van een raadslid voor een verordening of ander voorstel; interruptie: korte vraag of opmerking zonder inleidend betoog; motie: verklaring waarmee een oordeel, wens of verzoek wordt uitgesproken. Artikel2.Het fractievoorzittersoverleg 1.De raad heeft een fractievoorzittersoverleg bestaande uit de voorzitter en de fractievoorzitters van de in de raad vertegenwoordigde fracties. 2.Een fractievoorzitter kan zich bij afwezigheid laten vervangen door een raadslid uit de eigen fractie. 3.Het fractievoorzittersoverleg heeft als doel: het uitwisselen van algemene informatie; het adviseren over voordrachten voor een commissie, werkgroep en de rekenkamer; het doen van aanbevelingen aan de raad inzake de organisatie, het functioneren van de raad en de raadscommissies, voor zover het niet betreft de taken van de agendacommissie. 4.De griffier is in elke vergadering van het fractievoorzittersoverleg aanwezig; de griffier draagt zorg voor de agendavoorbereiding en het verslag en treedt op als adviseur. 5.Een vergadering van het fractievoorzittersoverleg is niet openbaar en het verslag wordt na vaststelling als intern document vertrouwelijk beschikbaar gesteld aan de raads- en commissieleden. 6.Het fractievoorzittersoverleg komt, buiten het reguliere vergaderschema, extra bijeen als de voorzitter dat nodig acht of ten minste een vijfde van de fractievoorzitters, met opgave van redenen, daarom verzoekt. Artikel3.De agendacommissie en het vaststellen van vergaderingen 1.Er is een agendacommissie op grond van artikel 82 van de wet, die bestaat uit de voorzitters van raadscommissies, de voorzitter en, op voordracht van het fractievoorzittersoverleg, aanvullend één of meer raadsleden. 2.Eén van de raadsleden, niet zijnde een commissievoorzitter, fungeert als voorzitter van de agendacommissie. 3.Elk lid heeft één stem; bij het staken van de stemmen beslist de voorzitter van de commissie. 4.De agendacommissie heeft in ieder geval de volgende taken: het bespreken en vaststellen van een voorlopige agenda voor een raadscommissievergadering; het doen van voorstellen aan het fractievoorzittersoverleg over de werkwijze van de raad en de raadscommissies en het evalueren ervan; het evalueren van de raadsvergaderingen; het vaststellen van de vergadercyclus van de raad en van de raadscommissies. 5.De griffier is in elke vergadering van de agendacommissie aanwezig, raadsadviseurs kunnen de vergaderen eveneens bijwonen. 6.Een raads- of commissielid kan vergaderingen van de agendacommissie als toehoorder bijwonen. 7.Het verslag van de vergadering wordt eerst als concept-verslag en na vaststelling als definitief verslag, elektronisch vertrouwelijk beschikbaar gesteld aan de raads- en commissieleden. Artikel4.De griffier 1.De griffier is aanwezig in de vergaderingen van de raad, de agendacommissie en het fractievoorzittersoverleg. 2.De griffier kan op uitnodiging van de voorzitter aan beraadslagingen in een raadsvergadering deelnemen. Artikel5.Onderzoek geloofsbrieven 1.Voor benoeming van raads- en commissieleden en van wethouders stelt de raad een vaste commissie in op grond van artikel 82 van de wet. 2.De Verordening op de commissie onderzoek geloofsbrieven Noordoostpolder is van toepassing op de werkzaamheden van deze commissie. Artikel6.Fracties 1.Een raadslid dat door het centraal stembureau op dezelfde kandidatenlijst verkozen is verklaard, wordt bij de aanvang van de zittingsperiode als één fractie beschouwd. 2.Als boven een kandidatenlijst een aanduiding was geplaatst, voert de fractie in de raad deze aanduiding als naam. Als daar geen aanduiding was geplaatst, deelt de fractie in de eerste raadsvergadering aan de voorzitter mee welke naam deze fractie in de raad zal voeren. 3.De namen van de fractievoorzitter en diens plaatsvervanger worden na de verkiezingen en bij tussentijdse wijzigingen zo spoedig mogelijk doorgegeven aan de voorzitter. 4.Als een raadslid van een fractie als zelfstandige fractie gaat optreden, of zich aansluit bij een andere fractie, of een fractie de naam van die fractie wenst te wijzigen, wordt hiervan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling gedaan aan de voorzitter. 5.Een nieuwe naam van een fractie voldoet aan de eisen uit artikel G 3, vierde lid, van de Kieswet en wordt gebruikt met ingang van de eerstvolgende raadsvergadering na naamswijziging. HOOFDSTUK2.RAADSVERGADERINGEN Paragraaf1.Voorbereiding Artikel7.Oproep en agenda 1.De voorzitter zendt ten minste zeven dagen voor een raadsvergadering de raadsleden een schriftelijke oproep en de voorlopige agenda met de daarbij behorende stukken. 2.In spoedeisende gevallen kan de voorzitter na het verzenden van een schriftelijke oproep een aanvullende agenda opstellen. Zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk 24 uur voor aanvang van de raadsvergadering wordt deze met de daarbij behorende stukken aan de leden gezonden. 3.Op de stukken, bedoeld in het eerste en tweede lid, is artikel 9, tweede lid, van toepassing. 4.De agenda wordt bij aanvang van een raadsvergadering door de raad vastgesteld. Artikel8.Ter inzage leggen van stukken 1.Stukken die ter toelichting van de onderwerpen of voorstellen op een agenda dienen, worden gelijktijdig met het verzenden van de schriftelijke oproep in het gemeentehuis ter inzage gelegd. 2.Als na het verzenden van de schriftelijke oproep stukken ter inzage worden gelegd, wordt hiervan mededeling gedaan aan de leden van de raad en zo mogelijk door middel van openbare kennisgeving. 3.Elektronisch beschikbare stukken worden op de website van de gemeenteraad geplaatst. 4.Informatie van de raad of aan de raad verstrekte informatie waaromtrent op grond van hoofdstuk Va van de wet geheimhouding is opgelegd, blijft in afwijking van het eerste en tweede lid onder berusting van de griffier. 5. Een origineel van een ter inzage gelegd stuk wordt niet buiten het gemeentehuis gebracht. Artikel9.Openbare kennisgeving 1.Een vergadering van de raad wordt ter openbare kennisgeving gebracht door aankondiging op de website van de gemeenteraad en in het door de gemeente daarvoor gebruikte huis-aan-huis-blad. 2.In spoedeisende gevallen kan de openbare kennisgeving uitsluitend langs elektronische weg plaatsvinden. Paragraaf2.Ter vergadering Artikel10.Presentielijst 1.De griffier draagt zorg voor het bijhouden van de presentielijst van een raadsvergadering. 2.Bij binnenkomst in de vergaderzaal tekent een raadslid de presentielijst, die aan het einde van elke raadsvergadering door de voorzitter en de griffier door ondertekening wordt vastgesteld. Artikel11.Aantal spreektermijnen 1.Beraadslaging over onderwerpen of voorstellen geschiedt in ten hoogste twee termijnen, tenzij de raad anders beslist. 2.Spreektermijnen worden door de voorzitter afgesloten. 3.Een raadslid voert in een termijn niet meer dan éénmaal het woord over hetzelfde onderwerp of voorstel. 4.Het derde lid is niet van toepassing op een raadslid dat een amendement, een subamendement, een motie of een initiatiefvoorstel heeft ingediend ten aanzien van de beraadslaging daarover. 5.Bij de bepaling hoeveel keer een raadslid over hetzelfde onderwerp of voorstel het woord heeft gevoerd, wordt niet meegerekend het spreken over een voorstel van orde. Artikel12.Deelname aan de beraadslaging door anderen Onverminderd artikel 21, eerste en tweede lid, van de wet, kan de raad besluiten dat anderen mogen deelnemen aan de beraadslaging. Artikel13.Voorstellen van orde Een raadslid of de voorzitter kan tijdens een raadsvergadering mondeling een voorstel van orde betreffende de vergadering doen. Het voorstel kan kort worden toegelicht. De raad beslist hier terstond over. Artikel14Interrupties 1.Een interruptie dient te bestaan uit vragen zonder inleiding, of korte mededelingen. 2.De voorzitter kan bepalen dat de spreker zonder verdere interrupties zijn betoog zal afronden. Artikel15.Handhaving orde; schorsing 1.Een spreker mag in zijn betoog niet worden gestoord, tenzij: de voorzitter het nodig oordeelt hem aan het opvolgen van dit reglement te herinneren; een lid hem interrumpeert. De voorzitter kan bepalen dat de spreker zonder verdere interrupties zijn betoog zal afronden; 2.Indien een spreker zich beledigende of onbetamelijke uitdrukkingen veroorlooft, afwijkt van het in behandeling zijnde onderwerp, een andere spreker herhaaldelijk interrumpeert, dan wel anderszins de orde verstoort, wordt hij door de voorzitter tot de orde geroepen. Indien de betreffende spreker hieraan geen gevolg geeft, kan de voorzitter hem gedurende de vergadering, waarin zulks plaats heeft, over het aanhangige onderwerp het woord ontzeggen. 3.De voorzitter kan ter handhaving van de orde de vergadering voor een door hem te bepalen tijd schorsen en -indien na de heropening de orde opnieuw wordt verstoord- de vergadering sluiten. Artikel16.Beraadslaging en schorsing vergadering 1.In principe wordt over een voorstel in zijn geheel beraadslaagd. De raad kan op voorstel van de voorzitter of een lid van de raad beslissen over een of meer onderdelen van een onderwerp of voorstel afzonderlijk te beraadslagen. 2.Op verzoek van een lid van de raad of op voorstel van de voorzitter kan de raad besluiten de beraadslaging voor een door hem te bepalen tijd te schorsen teneinde de leden of het college de gelegenheid te geven tot nader onderling beraad. De beraadslagingen worden hervat nadat de schorsingsperiode verstreken is. Paragraaf3.Stemmingen Artikel17.Stemverklaring 1.Na het sluiten van de beraadslaging en voordat de raad tot stemming overgaat, kan een fractie of een raadslid een korte verklaring geven over het voorgenomen stemgedrag, wanneer dit onverwacht anders zou zijn of wanneer de stemmen binnen een fractie verdeeld zijn. Artikel18.Beslissing 1.De voorzitter sluit de beraadslaging als hij vaststelt dat een onderwerp of voorstel voldoende is toegelicht, tenzij de raad anders beslist. 2.Voordat de stemming over het voorstel in zijn geheel plaatsvindt, formuleert de voorzitter het voorstel voor de te nemen beslissing. Artikel19.Stemming; procedure hoofdelijke stemming 1.De voorzitter vraagt de raadsleden of zij stemming verlangen. Is dit niet het geval dan stelt de voorzitter vast dat het voorstel zonder hoofdelijke stemming is aangenomen. 2.Als een voorstel zonder hoofdelijke stemming wordt aangenomen, kan het in de raadsvergadering aanwezige raadslid aantekening in de besluitenlijst vragen, dat hij geacht wil worden te hebben tegengestemd of zich overeenkomstig artikel 28 van de wet van deelneming aan de stemming te hebben onthouden. 3.Als een raadslid om stemming of hoofdelijke stemming vraagt, doet de voorzitter daarvan mededeling aan de raad. 4.Hoofdelijke stemming vindt in de regel elektronisch plaats, mits de uitslag direct na het sluiten van de stemming voor iedereen zichtbaar wordt met de uitgebrachte stem per raadslid en het elektronisch stemsysteem naar het oordeel van de voorzitter ook verder goed en zonder onredelijk oponthoud functioneert. 5.Bij elektronische stemming geeft de voorzitter het moment aan waarop hij de stemming gaat sluiten. Heeft een lid zich bij het uitbrengen van zijn stem vergist, dan kan hij dit op dat moment nog herstellen. Hierna sluit de voorzitter de stemming en wordt de uitslag getoond. 6.De uitslag van een stemming is definitief wanneer de voorzitter melding heeft gemaakt van het aantal stemmen voor en tegen. Hij doet daarbij tevens mededeling van het genomen besluit. 7.Wanneer elektronisch stemmen op grond van lid 5 niet mogelijk is, wordt in principe, overeenkomstig artikel 28 van de wet, gestemd door middel van handopsteking. Indien een raadslid dit wenst, vindt mondelinge hoofdelijke stemming plaats. Daartoe wijst de voorzitter bij loting een volgnummer van de presentielijst aan, om aan te geven bij welk lid de stemming zal beginnen. Vervolgens geschiedt de oproeping naar de volgorde van de presentielijst. De leden brengen hun stem uit door het woord ‘voor’ of ‘tegen’ uit te spreken, zonder enige toevoeging. 8.Heeft een raadslid zich bij het uitbrengen van een mondelinge stem vergist, dan kan hij deze vergissing nog herstellen voordat het volgende lid gestemd heeft. 9.Bemerkt een raadslid zowel bij elektronische als bij mondelinge stemming zijn vergissing in het uitbrengen van zijn stem na de mogelijkheid tot herstel, dan kan hij uiterlijk tot het vaststellen van de besluitenlijst van de betreffende beraadslaging aantekening vragen dat hij zich heeft vergist. In de uitslag van de stemming brengt dit geen verandering. Artikel20.Volgorde stemming over amendementen en moties 1.Als op een aanhangig voorstel een amendement is ingediend, wordt eerst over dat amendement gestemd en vervolgens over het voorstel zoals het dan in zijn geheel luidt. 2.Als een subamendement is ingediend, wordt eerst over het subamendement gestemd en vervolgens over het amendement waarop dat betrekking heeft. 3.Als meerdere amendementen of subamendementen op eenzelfde gedeelte van een aanhangig voorstel zijn ingediend, wordt, onverminderd het eerste en tweede lid, op voorstel van de voorzitter eerst over het meest verstrekkende amendement of subamendement gestemd. 4.Als aangaande een aanhangig voorstel een motie is ingediend, wordt eerst over het voorstel gestemd en vervolgens over de motie. Artikel21.Stemming over personen 1.Bij stemming over een persoon voor benoeming of het opstellen van een voordracht of aanbeveling, fungeert de commissie, als omschreven in artikel 5 lid 1, ter beoordeling van de geloofsbrieven, tevens als stembureau. 2.Een aanwezig raadslid, dat zich niet ingevolge artikel 28 van de wet van deelneming aan de stemming moet onthouden, is verplicht een door het stembureau verstrekt stembriefje in te leveren. 3.Er hebben zoveel stemmingen plaats als er personen zijn te benoemen, voor te dragen of aan te bevelen. De raad kan op voorstel van de voorzitter of van het stembureau beslissen dat bepaalde stemmingen worden samengevat op één briefje. 4.In geval van twijfel over de inhoud van een stembriefje beslist de raad op voorstel van het stembureau. Paragraaf4.Verslaglegging; ingekomen stukken Artikel22.Verslag en besluitenlijst 1.De griffier draagt zorg voor het opstellen van een besluitenlijst van de raadsvergadering. 2.Uit de besluitenlijst blijken in ieder geval het volgende: de namen van de voorzitter, de griffier, de wethouders en de raadsleden, allen voor zover aanwezig, alsmede van de overige personen die het woord gevoerd hebben; een aantekening van welke raadsleden afwezig waren; een vermelding van de zaken die aan de orde zijn geweest; een overzicht van het verloop van elke stemming met vermelding bij hoofdelijke stemming van de namen van de raadsleden die voor of tegen stemden, onder aantekening van de namen van de raadsleden die zich overeenkomstig de wet van stemming hebben onthouden of zich bij het uitbrengen van hun stem hebben vergist; de tekst van de ter vergadering ingediende initiatiefvoorstellen, voorstellen van orde, het dictum van moties, amendementen en subamendementen en bij het desbetreffende agendapunt, de naam en de hoedanigheid van de personen aan wie het op grond van artikel 12 door de raad is toegestaan deel te nemen aan de beraadslagingen. 3.De vastgestelde besluitenlijst wordt ondertekend door de voorzitter en griffier. 4.Voor zover de aard en de inhoud van de besluitvorming zich daartegen niet verzet, wordt de concept-besluitenlijst zo spoedig mogelijk na de raadsvergadering op de website van de gemeenteraad openbaar gemaakt. 5.Van de raadsvergadering worden beeld- en/of geluidsopnames gemaakt. Deze opnames worden gearchiveerd en zijn via de website van de raad te raadplegen. Artikel23.Ingekomen stukken 1.Bij de raad ingekomen stukken, waaronder schriftelijke mededelingen van het college aan de raad en de beantwoording van politieke schriftelijke vragen, worden op een lijst geplaatst. Deze lijst wordt aan de leden van de raad toegezonden en elektronisch openbaar gemaakt op de website van de gemeenteraad. 2.De raad stelt, op voorstel van de agendacommissie, of in geval van onverwijlde spoed de griffier, de wijze van afdoening van de ingekomen stukken vast. Paragraaf5.Besloten raadsvergaderingen Artikel24.Toepassing reglement op besloten vergaderingen Op een besloten raadsvergadering is dit reglement van overeenkomstige toepassing voor zover dat niet strijdig is met het besloten karakter van de vergadering. Artikel25.Verslag besloten vergadering 1.In afwijking op artikel 22, lid 5 van deze verordening wordt van een besloten vergadering geen geluid- of beeldopname openbaar gemaakt. Van een besloten vergadering wordt een woordelijk verslag gemaakt. 2.Voor een verslag, waaronder een concept mede begrepen, geldt een verplichting tot geheimhouding. De verplichting duurt voort totdat die verplichting wordt opgeheven. 3.Een verslag van een besloten vergadering dat nog niet vastgesteld is, wordt niet verspreid onder de leden van de raad, maar ligt uitsluitend voor leden van de raad ter inzage bij de griffier. 4.Een verslag en besluitenlijst wordt zo spoedig mogelijk in een, zonodig besloten, vergadering ter vaststelling aangeboden. Tijdens deze vergadering neemt de raad een besluit over het al dan niet opheffen van de verplichting tot geheimhouding. 5.Een vastgesteld verslag en besluitenlijst wordt door de voorzitter en de griffier ondertekend. Artikel26.Opheffing geheimhouding Als de raad op grond van artikel 89, vierde lid van de wet voornemens is de geheimhouding van aan de raad verstrekte informatie op te heffen, wordt, als het orgaan dat die geheimhouding heeft opgelegd daarom verzoekt, daarover in een besloten raadsvergadering met het desbetreffende orgaan overleg gevoerd. Paragraaf6.Toehoorders en pers Artikel27.Toehoorders en pers 1.Een toehoorder of vertegenwoordiger van de pers woont een openbare raadsvergadering uitsluitend bij op de voor hen bestemde plaatsen. 2.Het blijkgeven van tekenen van goed- of afkeuring of het op andere wijze verstoren van de orde is hen verboden. 3.De voorzitter is bevoegd, wanneer de orde in de vergadering op enigerlei wijze door een toehoorder wordt verstoord, deze te doen vertrekken. 4.Degene die in de vergaderzaal tijdens de vergadering geluid- of beeldregistraties wil maken doet hiervan mededeling aan de voorzitter en gedraagt zich naar diens aanwijzingen. 5.De voorzitter is bevoegd toehoorders die bij herhaling de orde in de vergadering verstoren voor ten hoogste drie maanden de toegang tot de vergadering te ontzeggen. Artikel28.Geluid- en beeldregistraties Degenen die van een openbare raadsvergadering geluid- of beeldregistraties willen maken, doen hiervan vooraf mededeling aan de voorzitter en gedragen zich naar diens aanwijzingen. HOOFDSTUK3.BEVOEGDHEDEN, INSTRUMENTEN RAADSLEDEN Artikel29.Amendementen en subamendementen 1.Een raadslid dient een amendement of subamendement schriftelijk in bij de voorzitter voorafgaand aan het sluiten van de beraadslaging over het voorstel waarop het betrekking heeft, tenzij de voorzitter oordeelt dat mondelinge indiening volstaat. 2.Er wordt alleen beraadslaagd over een amendementen of subamendement dat ingediend is door een raadslid dat de presentielijst getekend heeft. 3.Intrekking door de indiener van een amendement of subamendement is mogelijk tot aan het moment van besluitvorming daarover door de raad. Artikel30.Moties 1.Een raadslid dient een motie schriftelijk in bij de voorzitter, tenzij de voorzitter oordeelt dat mondelinge indiening volstaat. 2.De behandeling van een motie vindt gelijktijdig plaats met de beraadslaging over het onderwerp of voorstel waarop het betrekking heeft. 3.De behandeling van een motie over een niet op de agenda opgenomen onderwerp vindt plaats nadat alle op de agenda opgenomen onderwerpen zijn behandeld. 4.Intrekking door de indiener van een motie is mogelijk tot aan het moment van besluitvorming daarover door de raad. Artikel31.Initiatiefvoorstel 1.Een raadslid dient een initiatiefvoorstel schriftelijk in bij de voorzitter. Deze brengt het ingediende initiatiefvoorstel zo spoedig mogelijk ter kennis van het college. 2.Het college kan binnen 14 dagen nadat het ter kennis is gesteld van een voorstel schriftelijk wensen en bedenkingen met betrekking tot het initiatiefvoorstel ter kennis van de raad brengen. 3.Nadat het college schriftelijk wensen of bedenkingen ter kennis van de raad heeft gebracht of kenbaar heeft gemaakt geen wensen of bedenkingen af te geven, dan wel nadat de in het tweede lid gestelde termijn is verlopen, wordt het initiatiefvoorstel op de agenda van de eerstvolgende commissie- en raadsvergadering geplaatst. Als de schriftelijke oproep hiervoor reeds verzonden is wordt het voorstel op de agenda van de daaropvolgende raadsvergadering geplaatst. Artikel32.Raadsvoorstel 1.Een voorstel van het college aan de raad, dat vermeld staat op de voorlopige agenda van de raadsvergadering, wordt niet ingetrokken zonder toestemming van de raad. 2.Als de raad van oordeel is dat het nodig is een voorstel als bedoeld in het eerste lid voor advies terug te zenden aan het college, bepaalt de raad binnen welke termijn het voorstel opnieuw geagendeerd wordt. Artikel33.Interpellatie 1.Een raadslid dient een verzoek tot het houden van een interpellatie schriftelijk in bij de voorzitter. Het verzoek bevat in ieder geval de te stellen vragen. 2.De voorzitter brengt de inhoud van het verzoek zo spoedig mogelijk ter kennis van de overige raadsleden en het college. 3.Over verzoeken die ten minste 48 uur voor aanvang van een raadsvergadering zijn ingediend of in naar het oordeel van de voorzitter spoedeisende gevallen, wordt tijdens de eerstvolgende raadsvergadering gestemd. In andere gevallen tijdens de daaropvolgende raadsvergadering. 4.De interpellant voert niet vaker dan tweemaal het woord. De overige raadsleden, de burgemeester en het college niet vaker dan eenmaal, tenzij de raad hen hiertoe verlof geeft. Artikel34.Schriftelijke vragen 1.Een raadslid dient een schriftelijke politieke vraag aan het college of de burgemeester in bij de griffier. 2.De griffier brengt de vraag zo spoedig mogelijk ter kennis van de overige raads- en commissieleden en het college of de burgemeester. 3.Schriftelijke beantwoording gebeurt zo spoedig mogelijk, in ieder geval binnen tien werkdagen nadat de vraag is ingediend. Indien beantwoording niet binnen deze termijn kan plaatsvinden, stelt het college de vragensteller hiervan gemotiveerd in kennis, waarbij de termijn aangegeven wordt, waarbinnen beantwoording zal plaatsvinden. Dit bericht wordt behandeld als een antwoord. 4.Vragen die om 8 uur op de dag van een raadvergadering zijn ingediend worden mondeling beantwoord in de eerstvolgende raadsvergadering, tenzij het college of de burgemeester de griffier gemotiveerd in kennis stelt dat dit onmogelijk is, waarbij tevens aangegeven wordt binnen welke termijn beantwoording zal plaatsvinden. 5.Een schriftelijk antwoord van het college of de burgemeester wordt door de griffier aan de raad toegezonden, tenzij vragensteller tevoren aangeeft dit niet wenselijk te vinden. 6.De vragensteller kan bij schriftelijke beantwoording in de eerstvolgende raadsvergadering en bij mondelinge beantwoording in dezelfde raadsvergadering nadere inlichtingen vragen over het door het college of de burgemeester gegeven antwoord, tenzij de raad anders beslist. Artikel35.Inlichtingen 1.Een raadslid dient een verzoek tot inlichtingen als bedoeld in de artikelen 169, derde lid, en 180, derde lid, van de wet schriftelijk in bij de griffier. 2.De griffier brengt de inhoud van het verzoek zo spoedig mogelijk ter kennis van de overige raadsleden en het college of de burgemeester. 3.De verlangde inlichtingen worden zo spoedig mogelijk aan de raad verschaft, in ieder geval binnen 10 werkdagen nadat het verzoek is ingediend. Artikel36Vragenhalfuur 1.Tijdens iedere raadsvergadering is er een vragenhalfuur, tenzij bij de voorzitter geen vragen zijn ingediend of toegelaten ingevolge het derde lid. De voorzitter bepaalt op welk tijdstip het vragenhalfuur eindigt. 2.Het lid van de raad dat tijdens het vragenhalfuur vragen wil stellen, meldt dit uiterlijk om 8.00 uur op de dag van de vergadering bij de griffier die hiervan de voorzitter in kennis stelt. 3.De voorzitter kan weigeren een onderwerp tijdens het vragenhalfuur aan de orde te stellen indien: hij het onderwerp niet voldoende nauwkeurig acht aangegeven; hij de actualiteit van het onderwerp onvoldoende dringend acht en het doorverwijst naar de eerstvolgende commissievergadering, of; indien het onderwerp in de raadsvergadering op diezelfde dag aan de orde komt. 4.De voorzitter bepaalt de volgorde waarin aangemelde onderwerpen tijdens het vragenhalfuur aan de orde worden gesteld. 5.De voorzitter bepaalt per onderwerp de spreektijd voor de vragensteller, voor de wethouders, voor de burgemeester en voor de overige leden van de raad. 6.Per onderwerp wordt aan de vragensteller het woord verleend om een of meer vragen aan het college of de burgemeester te stellen en een toelichting daarop te geven. 7.Na de beantwoording door het college of de burgemeester krijgt de vragensteller desgewenst het woord om aanvullende vragen te stellen. 8.Vervolgens kan de voorzitter aan andere leden van de raad het woord verlenen om, hetzij aan de vragensteller, hetzij aan het college, hetzij aan de burgemeester vragen te stellen over hetzelfde onderwerp. 9.Tijdens het vragenhalfuur kunnen geen moties worden ingediend en worden geen interrupties toegelaten. HOOFDSTUK4.SLOTBEPALINGEN Artikel37.Uitleg reglement In gevallen waarin dit reglement niet voorziet of bij twijfel omtrent de toepassing van het reglement, beslist de raad op voorstel van de voorzitter. Artikel38.Intrekking oude regeling Het Reglement van Orde 2021 van de gemeente Noordoostpolder wordt ingetrokken. Artikel39.Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op de dag na de bekendmaking en werkt terug tot en met 1 juni 2026. Artikel40Citeertitel Dit reglement wordt aangehaald als: Reglement van orde. Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 1 juni 2026De griffier,De voorzitter,Toelichting ARTIKELSGEWIJS Artikel 1. Begripsbepalingen In artikel 1 wordt een aantal begrippen uit dit reglement van orde gedefinieerd. Deze spreken grotendeels voor zich. Voor wat betreft het begrip ‘voorzitter’ zij nog vermeld dat de burgemeester voorzitter is van de raad. Artikel 9 van de Gemeentewet (hierna: wet) schrijft dit dwingend voor. In artikel 77, eerste lid, van de wet is bepaald dat het langstzittende raadslid het raadsvoorzitterschap waarneemt bij verhindering of ontstentenis van de burgemeester. Als twee raadsleden even lang zitting hebben, is de oudste in jaren degene die het raadsvoorzitterschap waarneemt. Daarnaast heeft de raad altijd de mogelijkheid zelf te kiezen voor een andere waarnemer. De burgemeester heeft het recht op grond van artikel 21 van de wet in de vergadering aan de beraadslaging deel te nemen. Als voorzitter zorgt hij onder andere voor de handhaving van de orde in de vergadering. Artikel 2. Het fractievoorzittersoverleg Het fractievoorzittersoverleg heeft voornamelijk een algemeen adviserende rol (aanbevelingen aan de raad inzake de organisatie en het functioneren van de raad). Diverse gemeenten hebben dit takenpakket uitgebreid met meer inhoudelijke taken. Het fractievoorzittersoverleg dient voor wat betreft de inhoudelijke aspecten van het raadswerk een ondergeschikte rol te vervullen, omdat anders het gevaar bestaat dat er binnen de raad een nieuw bestuursorgaan wordt gecreëerd, hetgeen niet strookt met de Grondwet, die het primaat immers expliciet bij de raad legt (artikel 125, eerste lid, van de Grondwet). Het fractievoorzittersoverleg als zodanig kan niet ook optreden als werkgeverscommissie. De werkgeverscommissie, ingesteld op basis van artikel 83 van de wet, bestaat immers enkel uit raadsleden (en dus niet, zoals het fractievoorzittersoverleg, ook de voorzitter van de raad). In Noordoostpolder is er een aparte verordening voor de werkgeverscommissie. Men zou er voor kunnen kiezen de regie van enkele interne of organisatorische kwesties bij het fractievoorzittersoverleg neer te leggen. In artikel 2 is als aanvullende taak opgenomen dat het fractievoorzittersoverleg aanbevelingen doet aan de raad inzake de organisatie en het functioneren van de raad en de raadscommissies. Hieronder vallen taken als: het initiëren van een aanpassing van het Reglement van orde voor vergaderingen van de gemeenteraad Noordoostpolder en het instrueren van de griffier. De agendacommissie bespreekt agenda-technische zaken. Het is van belang dat in het fractievoorzittersoverleg elke partij een stem heeft die even zwaar weegt. Op deze wijze wordt de positie van minderheidsfracties in een dualistisch stelsel versterkt. Tevens kan dit de betrokkenheid van alle fracties bij de raadsvergaderingen vergroten. De griffier is bij elke vergadering van het fractievoorzittersoverleg aanwezig (artikel 4, eerste lid), omdat de griffier voor de ondersteuning van de raad zorgt. Hij moet weten hoe de agenda eruit komt te zien en welke punten besproken gaan worden. De aanwezigheid van de secretaris van het college kan ook gewenst zijn, omdat de secretaris aandacht moet kunnen vragen voor of een toelichting kan geven op onderwerpen die worden voorbereid door de ambtelijke organisatie. Overeenkomstig het derde lid kan de secretaris worden uitgenodigd. Als dit een ‘staande’ uitnodiging wordt, dan kan overwogen worden zijn aanwezigheid expliciet te regelen. Artikel 3. De agendacommissie en het vaststellen van vergaderingen De agendacommissie vervult een belangrijke (coördinerende) rol bij de agendering van zaken in de raadscommissies. De agendacommissie heeft het overzicht van alle onderwerpen waar de raad zich mee bezig houdt en zorgt voor de planning. In veel gemeenten wordt gewerkt met jaaroverzichten waarbij specifieke vergaderingen lang van te voren bekend zijn. Denk hierbij aan de begroting en jaarrekening. In het geval een gemeente deelneemt in een gemeenschappelijke regeling is in deze regeling opgenomen hoe de raad geïnformeerd wordt door de vertegenwoordiger van de gemeente in de gemeenschappelijke regeling en hoe verantwoording wordt afgelegd (artikelen 16 t/m 19 van de Wet gemeenschappelijke regelingen). Van belang is dat de agendacommissie de vergadercyclus van deze besturen kent. Het kan nodig zijn dat de raad voorafgaand aan een vergadering van het bestuur van de gemeenschappelijke regeling de gemeentelijke vertegenwoordiger informatie of opvattingen wil meegeven. Ook de begrotingscyclus van de gemeenschappelijke regeling is relevant voor de agendacommissie, zodat de raad tijdig noodzakelijke informatie kan leveren. Het is aan de agendacommissie om de planning in te vullen maar ook om deze te bewaken. De agendacommissie stelt de agenda's van de raadscommissies voorlopig vast. De definitieve vaststelling van de agenda van de raadscommissies en de raad geschiedt bij de aanvang van de betreffende vergadering. Ingevolge artikel 17 van de wet vergadert de raad zo vaak hij daartoe heeft besloten en voorts indien de burgemeester het nodig oordeelt of indien ten minste een vijfde van het aantal leden van de raad schriftelijk met opgave van redenen daarom vraagt. De voorzitter pleegt in het bepalen van een andere dag en ander aanvangsuur zoveel mogelijk overleg met de agendacommissie. Op deze wijze houdt de agendacommissie ook bij vergaderingen die niet op het gebruikelijke tijdstip plaatsvinden, invloed op de datum, het tijdstip en de plaats van de vergadering. Het wijzigen van het aanvangsuur is van gemeenschappelijk belang, omdat het merendeel van de raadsleden het raadslidmaatschap combineert met een andere (on)betaalde functie. Artikel 4. De griffier De raad is verplicht een griffier te benoemen (artikelen 100 en 107 van de wet). De griffier is in eerste instantie verantwoordelijk voor de bijstand aan de raad. Hij is in principe in elke vergadering van de raad aanwezig (eerste lid). De wet eist dat de raad de vervanging van de griffier regelt (artikel 107d, eerste lid, van de wet). In het tweede lid is daarover een bepaling opgenomen. In verband met artikel 22 van de wet (verschoningsrecht) is in het derde lid een bepaling opgenomen met betrekking tot het deelnemen van de griffier aan de beraadslaging. Artikel 5. Onderzoek geloofsbrieven Met de geloofsbrief geeft de voorzitter van het centraal stembureau aan de benoemde kennis van zijn benoeming (artikel V 1 van de Kieswet). Voor dit benoemingsbesluit is bij ministeriële regeling een model vastgesteld. De benoemde meldt schriftelijk aan de raad of hij de benoeming aanneemt (artikel V 2 van de Kieswet). Tegelijk met de mededeling dat hij zijn benoeming aanneemt legt hij aan de raad stukken over waaruit blijkt dat de benoemde voldoet aan de eisen om als lid van de raad toegelaten te worden. Dit omvat de volgende stukken: een ondertekende verklaring met de openbare betrekkingen die hij bekleedt, een uittreksel uit de basisregistratie personen met zijn woonplaats, geboorteplaats en -datum en (indien niet-Nederlander) stukken waaruit blijkt dat hij voldoet aan de vereisten van artikel 10, tweede lid, van de wet (artikel V 3 van de Kieswet). Het onderzoek van de geloofsbrieven vindt doorgaans plaats voorafgaand aan de raadsvergadering en de beslissing over de toelating moet in een openbare vergadering gebeuren. Bij het onderzoek zal ook de gedragscode (artikel 15, derde lid, van de wet) betrokken worden. In deze code zijn onder meer bepalingen opgenomen over al dan niet toegestane nevenfuncties. De commissie die de geloofsbrieven onderzoekt brengt verslag uit. Dit kan zowel mondeling als schriftelijk. Ingevolge artikel V 4 van de Kieswet beslist de raad over de toelating van zijn leden. Daarbij is er een verschil in de procedure bij de samenstelling van een nieuwe raad of bij de vervulling van een tussentijdse vacature. Na de raadsverkiezingen beslist de raad in oude samenstelling in zijn laatste vergadering over de toelating van de nieuw gekozen leden. Met ingang van 00:00 uur de volgende dag treedt de nieuwe raad aan (artikel 18 van de wet en artikel C 4, tweede lid, van de Kieswet). Voor de werkzaamheden van deze commissie is een aparte Verordening commissie onderzoek geloofsbrieven opgesteld. Het ligt voor de hand om voor het benoemen van wethouders (en voor commissieleden) ook een commissie voor het onderzoek naar de geloofsbrieven in te stellen (eerste lid). De formele eisen voor het wethouderschap zijn grotendeels vergelijkbaar met de vereisten voor het raadlidmaatschap (artikelen 36a, 36b, 41b en 41c van de wet). De gedragscode integriteit speelt hierbij een rol. Bij de benoeming van een wethouder zal er, onder verantwoordelijkheid van de burgemeester, een integriteitstoets plaatsvinden. Na het onderzoek, bedoeld in het tweede lid, brengt de commissie advies uit aan de raad over de benoeming tot wethouder. Voor commissieleden wordt dezelfde werkwijze gehanteerd als voor raadsleden. Dit is ook van toepassing als er geen wethouder van buiten maar uit de raad wordt benoemd. De incompatibiliteiten en nevenfuncties dienen dan immers opnieuw beoordeeld te worden. Een raadslid dat benoemd wordt tot wethouder mag raadslid blijven totdat de geloofsbrieven van zijn opvolger zijn goedgekeurd (artikel 36b, tweede lid, van de wet). Artikel 6. Fracties Eerste en tweede lid De Kieswet en de wet kennen het begrip fractie niet. In artikel 33, tweede lid, van de wet wordt wel uitgegaan van het bestaan van in de raad vertegenwoordigde groeperingen (recht op fractieondersteuning). Vanaf de aanvang van de eerste zitting van de nieuwe raad na de verkiezingen worden de leden die op dezelfde lijst hebben gestaan als één fractie beschouwd. Is onder een lijstnummer slechts één lid verkozen, dan wordt dit lid als een afzonderlijke fractie beschouwd (eerste lid). De fractie gebruikt in de vergadering van de raad de aanduiding die zij boven de kandidatenlijst had staan. Op deze wijze is de relatie tussen de fractie in de raad en de fractie op de kandidatenlijst voor de burger duidelijk. Het kan echter voorkomen dat een fractie geen aanduiding boven de kandidatenlijst heeft staan. In een dergelijk geval deelt de fractie in de eerste vergadering de aanduiding mee (tweede lid). Vierde lid In de loop van een zittingsperiode kan het voorkomen dat leden de raad verlaten. In een dergelijk geval vindt er een verandering in de samenstelling van de fractie plaats. Als dit het geval is, deelt de fractie dit aan de voorzitter mede (vierde lid). Het is ook mogelijk dat een raadslid zijn lidmaatschap niet opzegt maar uit een fractie stapt. Hij kan als zelfstandige fractie verdergaan of zich aansluiten bij een bestaande fractie. Ook andere wijzigingen zijn mogelijk, bijvoorbeeld een fusie van twee fracties. Een andere (tijdelijke) wisseling in een fractie kan het gevolg zijn van ziekte of zwangerschap van een raadslid. Voor deze gevallen is in de Kieswet een vervangingsregeling opgenomen. Uitgangspunt van ons kiesstelsel is dat volksvertegenwoordigers op persoonlijke titel worden verkozen en benoemd. Dit uitgangspunt is gebaseerd op artikel 27 van de wet en artikel 129 van de Grondwet, waarin is bepaald dat elk bindend mandaat van een lid van de raad nietig is. De volksvertegenwoordiger handelt naar eigen overtuiging en is bij stemmingen niet gebonden aan een lastgeving. Geen andere persoon of instantie kan hem rechtens bindende instructies opleggen met betrekking tot zijn stemgedrag. Het is de individuele volksvertegenwoordiger die een mandaat van de kiezer heeft gekregen. De volksvertegenwoordiger heeft daardoor ook de mogelijkheid om tussentijds van fractie te veranderen of zelfstandig verder te gaan. Ook de Kieswet gaat niet uit van politieke partijen. Een zetel 'hoort' dan ook niet bij een partij, maar is verbonden aan de volksvertegenwoordiger die daardoor ook de mogelijkheid heeft om tussentijds van fractie te veranderen of zelfstandig verder te gaan. Ook kan een fractie besluiten om haar naam te veranderen. Dit staat de fractie vrij om te doen. Op grond van deze bepalingen heeft de raad geen zeggenschap over wijzigingen in de samenstelling, fusies en splitsingen van fracties en de naamvoering. De raad kan hier dus geen besluit over nemen. Een mededeling aan de voorzitter van de raad is voldoende. De raad is gehouden met ingang van de eerstvolgende vergadering nadat hiervan mededeling is gedaan rekening te houden met de nieuwe situatie. Dit betekent ook dat: kandidaten die van een kandidatenlijst deel uitmaken en binnen die lijst/partij een onderlinge schriftelijke (en soms notariële) afspraak maken, bijvoorbeeld dat men onder bepaalde voorwaarden zal afzien van aanvaarding van het raadslidmaatschap, zich dienen te realiseren dat dergelijke afspraken nietig zijn vanwege strijd met de wet en de Kieswet; personen die tussentijds van partij veranderen hun raadslidmaatschap niet verliezen; als men uit een partij stapt en als eigen partij verder gaat, de verlatende partij geen middelen heeft om het raadslid uit de raad te weren. Fractieafsplitsing en het ontstaan van een nieuwe fractie kan diverse praktische gevolgen hebben. Te denken valt aan: fractievergoedingen en -faciliteiten, fractievoorzitterschap dan wel vertegenwoordiging in het presidium, zo nodig andere zitplaatsen in de raadszaal, bezetting in raadscommissies en eventueel de bezetting in raadscommissies door commissieleden. Als moet worden voorzien in de vacature van een raadslid dat zich heeft afgesplitst, wordt teruggegrepen op de lijst waarop betrokkene oorspronkelijk was gekozen (artikel P 19 van de Kieswet). Vijfde lid De naam van de fractie dient getoetst te worden aan de afwijzingsgronden uit artikel G 3, vierde lid, van de Kieswet. Dit is een logische voorwaarde; deze toetsing vindt immers ook plaats wanneer een politieke groepering zich voor het eerst wil laten registreren. Op grond van artikel G 3, vierde lid, van de Kieswet wordt de naam van de nieuwe fractie onder meer geweigerd als deze in strijd is met de openbare orde of als deze overeenkomt met of erg lijkt op de naam van een politieke groepering die al geregistreerd is voor de Tweede Kamer- of Statenverkiezingen, én daardoor verwarring te duchten is. Voor het overige is de nieuwe fractie vrij in het kiezen van een naam. Artikel 7. Oproep en agenda In artikel 19, eerste lid, van de wet is bepaald dat de burgemeester de leden van de raad schriftelijk uitnodigt voor de vergadering. De agendacommissie bepaalt hoe de voorlopige agenda eruit ziet. Het eerste lid stelt verplicht dat de voorzitter een vastgesteld aantal dagen vóór een vergadering de leden een schriftelijke oproep, waarin de vergadering wordt aangekondigd, en de voorlopige agenda met de daarbij behorende stukken stuurt. Uiteraard is het mogelijk, indien de raad dit wenst, de oproep en stukken per elektronische weg te versturen. De oproep vermeldt de dag, het tijdstip en de plaats van de vergadering. In het eerste lid gaat het om een voorlopige agenda. In de dagelijkse praktijk van de gemeente zal het niet altijd mogelijk zijn om ruim voor de vergadering een agenda op te stellen, die ook zicht heeft op de actualiteiten. In een dergelijke situatie kan de voorzitter na het verzenden van de schriftelijke oproep zo nodig een aanvullende agenda en stukken rondsturen (tweede lid). Bij de Wet bevorderen integriteit en functioneren decentraal bestuur is de mogelijkheid vervallen om individuele raadsleden te informeren. Als omtrent informatie van de raad of aan de raad verstrekte informatie op grond van hoofdstuk Va van de wet geheimhouding is opgelegd, blijft deze informatie in afwijking van het eerste en tweede lid onder berusting van de griffier. Raadsleden kunnen deze informatie inzien (derde lid juncto artikel 9, derde lid). Van geheimhouding wordt melding gemaakt op de stukken. Indien de geheimhouding op informatie anders dan in schríftelijke vorm rust, moet de verplichting op een passende wijze kenbaar worden gemaakt (artikel 89, eerste lid, van de wet). Het vierde lid heeft tot doel om de raad een actievere rol te geven in de opstelling van de raadsagenda. Enerzijds kunnen individuele raadsleden bij de agendacommissie onderwerpen voor de agenda voordragen. Anderzijds kunnen zij echter ook bij aanvang van de raadsvergadering een voorstel doen om onderwerpen aan de agenda toe te voegen of van de agenda af te voeren. Daarmee kan het individuele raadslid in ieder geval op twee momenten invloed uitoefenen op de vaststelling van de agenda. Indien er een voorstel wordt gedaan om de agenda aan te passen, bijvoorbeeld het doorschuiven van een agendapunt naar de volgende raadsvergadering, en de stemmen staken, is artikel 32, vierde lid, van de wet logischerwijs niet van toepassing en geldt artikel 32, vijfde lid, van de wet. Artikel 8. Ter inzage leggen van stukken Geïnteresseerden moeten de mogelijkheid hebben om stukken in te zien. Daarom worden alle stukken gelijktijdig met het verzenden van de schriftelijke oproep ter inzage aangeboden (eerste lid). Naast de fysieke terinzagelegging in het gemeentehuis, zullen de stukken doorgaans op elektronische wijze worden aangeboden. Dit gaat via een digitaal raadsinformatiesysteem of door plaatsing op de gemeenteraadssite. Een stuk is een ‘document’ in de zin van de Wet open overheid (Woo). Een ‘document’ houdt in: een bij een bestuursorgaan berustend stuk of ander materiaal dat gegevens bevat. Onder documenten vallen niet alleen de door de overheidsorganen gecreëerde stukken of ander materiaal. Ook alle van buiten komende stukken en ander voor overheidsorganen bestemd materiaal zoals agenda’s, verslagen, (concept)adviezen, al dan niet in elektronische vorm, verkrijgen de status van ‘document’ in de zin van de Woo. Bij de Wet bevorderen integriteit en functioneren decentraal bestuur is de reikwijdte van de Gemeentewet uitgebreid van ‘stukken’ naar ‘informatie’ (artikel 19, tweede lid, van de wet). Verder hoeft de raad de geheimhouding niet meer te bekrachtigen (artikel 89, vierde lid, van de wet). College, burgemeester en commissies mogen voortaan zelf geheimhouding opleggen (artikel 87 van de wet). Onder de ‘informatie’ als bedoeld in het derde lid wordt verstaan: informatie van de raad en aan de raad verstrekte informatie, waaronder de zogeheten ‘achterliggende’ stukken waarvan in raadsvoorstellen melding wordt gemaakt (ambtelijke adviezen, toelichtende nota’s, etc.) waarop geheimhouding is gelegd. Indien het gaat om geheime of vertrouwelijke stukken, waarop geheimhouding is opgelegd door het bestuursorgaan dat het document aanbiedt aan de raad, dient dit duidelijk op het stuk te zijn aangegeven. Ook kan worden overwogen hiervan geen kopieën te laten maken, omdat het gevaar bestaat dat vaak gekopieerde stukken toch in de openbaarheid komen. Indien de geheimhouding op informatie anders dan in schríftelijke vorm rust, moet de verplichting op een passende wijze kenbaar worden gemaakt (artikel 89, eerste lid, van de wet). De griffier vervult de secretariaatsfunctie ten dienste van de raad. Daarom worden stukken die betrekking hebben op de agenda en de voorstellen van de raadsvergadering en die geheim moeten blijven bij hem ter inzage gelegd voor raadsleden. Artikel 9. Openbare kennisgeving Met dit artikel wordt invulling gegeven aan het voorschrift van artikel 19, tweede lid, van de wet. artikel 9 wordt vastgelegd op welke wijze raadsvergaderingen worden aangekondigd. Artikel 10. Presentielijst De verplichting tot het hebben van een presentielijst vloeit voort uit artikel 20 van de wet. In dit artikel wordt de procedure vastgelegd. De handtekeningen op de presentielijst zijn bedoeld om formeel vast te stellen dat het vergaderquorum bereikt is. De lijst kan niet dienen om het stemquorum vast te stellen; daarvoor geldt artikel 29 van de wet. De griffier geeft de ambtelijke ondersteuning die de raad nodig heeft. Daarom zorgt hij voor het bijhouden van de presentielijst en stelt hij samen met de voorzitter deze vast en ondertekent deze (tweede lid). Deze ondertekening dient te waarborgen dat de lijst volledig is en het quorum aanwezig was. Artikel 11. Aantal spreektermijnen Indien de raad van mening is dat na de tweede termijn verdere beraadslaging nodig is, kan hij daartoe uitdrukkelijk besluiten (eerste lid). Het tweede lid benadrukt dat de voorzitter elke spreektermijn afsluit. Dit behoeft overigens niets te veranderen aan de praktijk dat een portefeuillehouder antwoordt na de inbreng van de raadsleden in de eerste en bij uitzondering in de tweede termijn. Het stellen van vragen dient ook als een spreektermijn beschouwd te worden. Een verzoek van een raadslid na afloop van de tweede termijn om nog een korte reactie te geven, dient de voorzitter niet te honoreren. De beraadslaging over een motie vindt niet plaats in afzonderlijke termijnen, maar gelijktijdig met de beraadslaging over het betreffende, aan de orde zijnde onderwerp (artikel 29 van de wet). Artikel 12. Deelname aan de beraadslaging door anderen Deze bepaling is noodzakelijk in verband met de in artikel 22 van de wet geregelde immuniteit. Het is uiteraard ook mogelijk dat de raad bepaalt dat een bepaalde functionaris in bepaalde gevallen altijd aan de beraadslaging mag deelnemen. De raad kan op grond van artikel 4, derde lid, bepalen dat de griffier deelneemt aan de beraadslagingen. De burgemeester en de wethouder(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.