/akn/nl/act/gemeente/2026/CVDR762562 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/gm0373/2026/2_8 /join/id/stop/work_019 2026-06-05 2026-06-05 /akn/nl/act/gemeente/2026/CVDR762562/nld@2026-06-05 /join/id/proces/gm0373/2026/2_16_nieuweregeling 2026-06-05 2026-06-05 /akn/nl/act/gm0373/2026/2_8/nld@16 /akn/nl/act/gm0373/2026/2_8 /akn/nl/act/gm0373/2026/2_8/nld@16 /join/id/stop/work_019 v1 Omgevingsprogramma Landelijk gebied gemeente Bergen Titelblad Omgevingsprogramma Landelijk gebied Inleiding Bijzonder buitengebied Bergen heeft een bijzonder buitengebied dat wordt gewaardeerd door bewoners en bezoekers. Het is ook een gebied waar meerdere opgaven samenkomen. De Omgevingsvisie Bergen 2040 schetst een toekomstperspectief voor het landelijk gebied voor de lange termijn waar natuur, landschap en landbouw in balans zijn. Streefbeeld is een gezonde, schone en aantrekkelijke leefomgeving met een sterke natuurkwaliteit, toekomstbestendige agrarische bedrijven die bijdragen aan landschap en biodiversiteit, behoud van karakteristieke bebouwing en een toegankelijk recreatief netwerk van paden en waterlopen. In het Omgevingsprogramma Landelijk Gebied gemeente Bergen wordt de koers uit de Omgevingsvisie geconcretiseerd en vertaald naar maatregelen die de gemeente Bergen tot 2030 neemt om de doelen te bereiken. Het Omgevingsprogramma Landelijk Gebied Bergen vormt het kader om samen aan de slag te gaan en te werken aan een buitengebied dat gereed wordt gemaakt voor de toekomst. Wat is een omgevingsprogramma? Het omgevingsprogramma is een nieuw beleidsinstrument onder de Omgevingswet. In een omgevingsprogramma wordt uitgewerkt hoe een strategisch beleidsdoel uit de omgevingsvisie bereikt kan worden. Een omgevingsprogramma voor het buitengebied betreft een zgn. vrijwillig gebiedsgericht programma. Een programma is zelfbindend voor het bestuursorgaan dat het vaststelt. Binnen een gemeente is dat het college, tenzij de raad moet worden betrokken vanwege het budgetrecht van de raad. Participatie is een belangrijk uitgangspunt van de Omgevingswet. Dit geldt ook bij de inzet van het instrument programma, zowel bij het opstellen, als bij de uitvoering. Waarom een omgevingsprogramma voor het landelijk gebied? In de Omgevingsvisie Bergen zijn meerdere speerpunten opgenomen voor het buitengebied. Verder zijn door rijk en provincie opgaven benoemd voor het landelijk gebied. In het omgevingsprogramma worden relevante onderwerpen verder verdiept. Met het opstellen van dit nieuwe beleid houdt de gemeente de regie op het buitengebied, voor zover dat binnen haar bevoegdheid ligt. In programmabegroting 2024 is als ambitie opgenomen: “In een omgevingsprogramma voor het landelijk gebied werken we aan de speerpunten voor dat gebied. Een omgevingsprogramma is een nieuw instrument onder de Omgevingswet. In een omgevingsprogramma worden op tactisch niveau ambities uitgewerkt en vertaald in beleid dat onder andere gebruikt kan worden bij het opstellen van het omgevingsplan. Verder biedt een omgevingsprogramma de mogelijkheid om een uitvoeringsparagraaf uit te werken met concrete uitvoeringsmaatregelen voor het landelijk gebied. De uitkomsten bieden een beleidskader en een concreet maatregelenpakket.” In 2029 start de actualisatie van het omgevingsplan voor het buitengebied. Het omgevingsprogramma biedt de mogelijkheid om in de voorbereiding hiervoor relevant beleid op te stellen en bijbehorende regels aan te reiken voor opname in het omgevingsplan. Omgevingsvisie In de Omgevingsvisie Bergen zijn de kaders geschetst voor het landelijk gebied. In algemene zin wordt in de visie gezegd: “Specifiek voor het buitengebied versterken we het beleid en de inzet op natuur, landschap en cultuurhistorie in samenwerking met ketenpartners, ondernemers en bewoners. De insteek is daarbij om de ontwikkeling naar kringlooplandbouw zoveel mogelijk te ondersteunen. De binnenduinrand krijgt daarbij een belangrijke functie. In dit landschap is ruimte voor meer (natte) natuur, het areaal bos en voor versterking van de recreatieve functie. Dit zal een geleidelijk proces zijn. Zittende landbouwbedrijven kunnen door blijven boeren en/of een rol krijgen in deze veranderingen. Onderdeel van het gebiedsgerichte beleid is het doel om in de periode tot 2040 uitbreiding te realiseren van het areaal bos en natuur in dit gebied. In onze polders zetten we in op versterking van stiltegebieden. We blijven ruimte bieden aan de landbouw. En ook aan uitbreiding van rustige vormen van recreatie (bijvoorbeeld fietsen, wandelen en kanovaren).” Als toekomstbeeld is in de Omgevingsvisie omschreven: “Een toekomstbestendig buitengebied is een buitengebied waar het prettig vertoeven is. Groen is alom aanwezig. En het doet er toe. Vooral het duingebied heeft natuurwaarden die tot op Europees niveau belangrijk zijn. Maar ook delen van de polder hebben een functie als natuurgebied. Bebouwing in ons buitengebied is ondergeschikt aan het groen. De verschillen tussen dorpen en buitengebied en de landschappen strand, duinen, binnenduinrand en polder zijn groot en herkenbaar. Het landschap is ‘leesbaar’. Inwoners en bezoekers krijgen een idee van de ontstaansgeschiedenis. Dit komt door cultuurhistorisch belangrijke bebouwing, door karakteristieke historische landschapselementen en gebieden. En door cultuurhistorische informatie. Ondernemen in de polder en binnenduinrand gaat vooral over landbouw en recreatie met daarbij functies voor natuur, wonen, zorg, en waterberging. Voorop staat dat het buitengebied haar aantrekkelijkheid heeft en dat ondernemen in het buitengebied lonend kan zijn. Agrarische ondernemers hebben keuzemogelijkheden. Ze kunnen bijvoorbeeld kiezen voor schaalvergroting, voor mengvormen van landbouw en natuur of voor de ontwikkeling van nevenfuncties. Samen met een bedrijfsvoering die stap voor stap meer circulair wordt. Zo dat samenwerkende bedrijven elkaars producten en reststoffen gebruiken. En zo dat er zo min mogelijk grondstoffen worden verspild en weinig transport nodig is. In ieder landschapstype zijn wandelen, fietsen en/of andere vormen van dagrecreatie mogelijk. Delen van de polder en binnenduinrand zijn daarnaast ook via de vaarten toegankelijk. De openbare ruimte in het buitengebied nodigt uit om te bezoeken en te bewegen. Daarbij is verspreid over het gemeentelijke grondgebied aandacht voor de toegankelijkheid voor alle doelgroepen. Bijvoorbeeld voor jongeren en ouderen en voor mensen met een beperking. Tegelijkertijd is het padennetwerk en het netwerk van vaarten de plek waar koppelingen worden gemaakt met andere functies. Waar de natuurwaarden van bermen, vaarten en oevers wordt vergroot en het waterbergend vermogen wordt geoptimaliseerd. We geven invulling aan het toekomstbestendige buitengebied aan de hand van de 4 volgende speerpunten: we ontwikkelen met respect voor onze waarden; de cultuurhistorie, het landschap en onze natuur; ons buitengebied is vitaal en aantrekkelijk, met als decor het silhouet van de kernen; ondernemen in het buitengebied is toekomstbestendig én lonend; de openbare ruimte in het buitengebied wordt zo ingericht en beheerd dat onze maatschappelijke opgaven hier samen komen." Lonkend perspectief Hoe het landelijk gebied eruit gaat zien wanneer het Omgevingsprogramma Buitengebied wordt uitgevoerd? In de omgevingsvisie wordt een lonkend perspectief geschetst: “En ons buitengebied? Dat is dik voor elkaar. Onze polder wordt grotendeels onderhouden door agrarische ondernemers. Maar het boeren is wel wat anders geworden dan voorheen. Specialistische agrarische bedrijven gericht op natuur, landschap en duurzaam geproduceerde agrarische producten wisselen af met gemengde bedrijven met zorg, recreatie of energieopwekking als neventak. De bedrijven zien er goed uit, oude karakteristieke stolpen zijn in ere gehouden en de bedrijfsbebouwing wordt door erfbeplanting ondersteund. Er is een prachtig netwerk van paden en waterlopen dat uitnodigt om te wandelen, kanoën en alle andere vormen van routegebonden recreatie.” Deelprogramma's Het Omgevingsprogramma gaat bestaan uit drie deelprogramma’s, waarvan er nu twee gereed zijn: het deelprogramma Transitie Natuurinclusieve Landbouw en het deelprogramma Biodiversiteitsherstel. Het deelprogramma Behoud Landschapskwaliteit volgt later.
- Deelprogramma Transitie Natuurinclusieve Landbouw Het deelprogramma Transitie Natuurinclusieve Landbouw werkt de ambitie uit de Omgevingsvisie Bergen 2040 uit om te komen tot een landbouw die in balans is met natuur en landschap en toekomstbestendig is voor ondernemers. Natuurinclusieve landbouw is daarbij een integraal richtinggevend principe en een kans om meerdere maatschappelijke opgaven – zoals een landbouw die economisch toekomstbestendig is, biodiversiteit, waterkwaliteit, klimaat en een gezonde leefomgeving – in samenhang te realiseren. Omdat agrariërs zich in verschillende fasen van natuurinclusieve ontwikkeling bevinden en er geen vaste blauwdruk bestaat, kiest de gemeente voor een realistische, stapsgewijze aanpak. Centraal staat een gezamenlijke zoektocht met agrariërs, onder meer in de Egmondermeer, aangevuld met stimulerende maatregelen die aansluiten bij de verschillende NIL niveaus en gerichte inzet van instrumenten uit de Omgevingswet en gemeentelijk grondeigendom. Voor 2026–2027 zijn acht maatregelen opgenomen om deze ontwikkeling te ondersteunen.
- Deelprogramma Biodiversiteitsherstel In dit deelprogramma wordt beschreven wat onder biodiversiteit wordt verstaan, wat trends en ontwikkelingen zijn en hoe zich dat vertaalt voor Bergen. Vervolgens wordt geschetst wat er gedaan kan worden om de negatieve trends te keren. Dit is uitgewerkt in een concreet uitvoeringsprogramma voor het buitengebied van Bergen, waarbij per polder wordt ingegaan op de kansen die er liggen. Er zijn verschillende partijen die hier een belangrijke bijdrage aan kunnen leveren. De grootste grondbezitters vormen de agrariërs. Naast de provincie en het hoogheemraadschap zijn verschillende natuurbeheerders actief. Alleen door samen te werken gaat het lukken om verder te komen. Er bestaan al mooie voorbeelden, die als inspiratie kunnen dienen. Bijvoorbeeld de Zuurvenspolder, waar een bewonersinitiatief leidt tot substantiële uitbreiding van natuur, samen met waterberging en kansen voor recreatie.
- Deelprogramma Behoud Landschapskwaliteit Dit deelprogramma is nog in ontwikkeling. Het gaat in op de vragen hoe we landschappelijke waarden in stand kunnen houden en versterken en hoe we daarover helderheid kunnen verschaffen in de gemeentelijke regelgeving. Naast het regelen aan de voorkant is ook een adequate handhaving van belang. Een onderwerp waar de gemeente regelmatig op wordt aangesproken. Dit deelprogramma gaat daarom ook in op het terugdringen van de verrommeling van het landschap. Deelprogramma Tranisitie Natuurinclusieve Landbouw Samenvatting Voor u ligt het deelprogramma Transitie Natuurinclusieve Landbouw, een onderdeel van het Omgevingsprogramma Landelijk Gebied gemeente Bergen. De ambitie uit de Omgevingsvisie Bergen 2040 is een landbouw die in balans is met natuur en landschap, toekomstbestendig is voor ondernemers en bijdraagt aan een gezonde leefomgeving. Dit deelprogramma beschrijft hoe de gemeente die ambitie wil realiseren. Dit deelprogramma is onderzoekend en flexibel zodat het kan meebewegen met ervaringen uit het gebied, nieuwe inzichten en veranderende regelgeving. Landbouw in de gemeente Bergen De landbouw in de gemeente Bergen vervult naast een economische functie een belangrijke rol in voedselproductie, biodiversiteit, landschapsbeheer en leefbaarheid. Veel bedrijven hebben nevenactiviteiten. De agrarische sector staat onder druk door regelgeving, klimaatverandering, hoge kosten, recreatiedruk en een gespannen grondmarkt. Veel ondernemers kunnen moeilijk aan betaalbare grond komen, wat extensivering bemoeilijkt. Stoppende bedrijven maken vaak plaats voor wonen of paardenhouderij, wat de identiteit van het landschap aantast. Inwoners maken zich zorgen over de gezondheidseffecten van bestrijdingsmiddelen in de bollenteelt. De vraag naar lokaal en duurzaam voedsel groeit. Waarom natuurinclusieve landbouw? De gemeente streeft naar een toekomstbestendige en aantrekkelijk buitengebied. Natuurinclusieve landbouw is daarbij een integraal richtinggevend principe en een kans om meerdere maatschappelijke opgaven – zoals een economisch toekomstbestendige landbouw, biodiversiteit, waterkwaliteit, klimaat, regionale voedselketens en een gezonde leefomgeving – in samenhang te realiseren. Een transitie naar natuurinclusieve landbouw kan een belangrijke bijdrage leveren aan nationale en provinciale doelen. Landbouwsysteem in transitie Er zijn verschillen in hoe agrariërs in de gemeente naar de transitie kijken. Veel agrariërs in de gemeente Bergen willen echter stappen zetten richting natuurinclusieve landbouw. Robuuste verdienmodellen ontbreken echter nog en betaalbare grond is schaars. Een blauwdruk voor de transitie bestaat nog niet. We bevinden ons in een overgangsperiode: het landbouwsysteem loopt tegen grenzen aan, maar een nieuw systeem is nog niet uitgekristalliseerd. Realistische vergoedingen en langdurige financiële zekerheid zijn harde randvoorwaarden zijn waaraan nog niet altijd wordt voldaan. Aanpak van de gemeente De gemeente kiest voor een realistische stapsgewijze aanpak die past bij de fase van de transitie en die aansluit op de verschillende niveaus van natuurinclusieve landbouw [1] waar de agrarische bedrijven binnen de gemeente zich bevinden — van bedrijven die vooral voldoen aan wettelijke normen tot bedrijven die al volledig natuurinclusief werken. a. Zoektocht samen mèt agrariërs: Kennis, ervaring en perspectief van de ondernemers is onmisbaar voor een realistische en uitvoerbare aanpak. In de Egmondermeer werkt de gemeente samen met agrariërs aan praktijkgericht onderzoek, die als leeromgeving fungeert. b. Ondersteunende en stimulerende maatregelen aansluitend bij de verschillende NIL-niveaus Op basis van vrijwilligheid biedt de gemeente ondersteuning; van laagdrempelige stimuleringsregelingen voor biodiversiteit voor bedrijven in de beginfase tot verkenning van een bio-regio voor bedrijven die al ver gevorderd zijn. c. Gerichte sturing via de Omgevingswet en gemeentelijk grondeigendom: De gemeente onderzoekt hoe zij instrumenten uit de Omgevingswet in kan zetten om natuurinclusieve landbouw te bevorderen en ongewenste ontwikkelingen te voorkomen. O.a. inzichten uit de Egmondermeer vormen hiervoor input. De gemeente zet gemeentelijke grondeigendom strategisch in voor de pilot biologische bollenteelt. Ambitie voor 2030 In de gemeente Bergen komen alle NIL-niveaus voor. De gemeente streeft ernaar dat in 2030 (vrijwel) alle bedrijven vrijwillige maatregelen nemen die bijdragen aan biodiversiteitsherstel. Daarnaast is het doel dat — in lijn met het landelijke beleid — ten minste 15% van de bedrijven biologisch werkt. Maatregelen voor 2026–2027 Het uitvoeringsprogramma 2026- 2027 bevat acht maatregelen, verdeeld over twee typen gemeentelijke invloed:
(1)zeggenschap – via Instrumenten Omgevingswet en inzet van gemeentelijk grondeigendom en
(2)indirecte invloed – samenwerking, onderzoek en tijdelijke impulsen. Een lerend programma met een lange adem De transitie naar natuurinclusieve landbouw is een ontwikkeling die zich over decennia uitstrekt. De gemeente wil daar samen met agrariërs, inwoners en partners aan bouwen. Dit deelprogramma wordt elke twee jaar geactualiseerd, zodat het kan meebewegen met nieuwe inzichten en ervaringen uit het gebied en ontwikkelingen in beleid. Monitoring richt zich op de voortgang van maatregelen en de ontwikkeling van NIL-niveaus. [1] De ‘niveaus van natuurInclusieve landbouw’ (NIL-niveaus) is een landelijke systematiek om de ontwikkeling van bedrijven te duiden. 1 Inleiding 1.1 Inleiding Voor u ligt het deelprogramma Transitie Natuurinclusieve Landbouw, onderdeel van het OmgevingsprogrammaLandelijk Gebied gemeente Bergen. In dit document wordt de koers uit de Omgevingsvisie Gemeente Bergen2040 (vastgesteld in 2023) geconcretiseerd en vertaald naar maatregelen die de gemeente Bergen in de periode 2026–2027 neemt om de transitie naar natuurinclusieve landbouw te stimuleren. Landbouw speelt een belangrijke en veelzijdige rol in het buitengebied van de gemeente Bergen. De sector zorgtvoor voedselproductie, landschapsbeheer, biodiversiteit, recreatiemogelijkheden en draagt bij aan de sociaaleconomischeen maatschappelijke leefbaarheid van dorpen en platteland. Tegelijkertijd staat de sector voor groteuitdagingen, zoals ruimtedruk, milieuvoorschriften en klimaatverandering. Met dit deelprogramma wil de gemeentetoewerken naar een toekomstbestendige landbouw die in balans is met natuur en landschap, met natuurinclusieveen circulaire bedrijfsvoering als uitgangspunt. De gemeente ziet een ontwikkeling naar natuurinclusieve landbouwals strategisch middel om op integrale wijze uitvoering te geven aan nationale, provinciale en gemeentelijkemaatschappelijke opgaven. 1.2 Ambitie: landbouw die past bij de gemeente Bergen In de Omgevingsvisie Gemeente Bergen 2040 beschrijft de gemeente haar lange termijnvisie op de ruimtelijkeontwikkeling. Kern wat betreft de landbouw is: een toekomstbestendige landbouw die in balans is met natuur enlandschap, met natuurinclusieve en circulaire bedrijfsvoering als uitgangspunt. Oftewel: een landbouw die past bijde gemeente Bergen, het kenmerkende landschap, groen en met maatschappelijk meerwaarde. Een landbouw diegezond is voor mens, dier en natuur, én economisch perspectief biedt voor de boer. In de Omgevingsvisie Gemeente Bergen 2040 staat de toekomst als volgt beschreven: ‘Onze gemeente is in 2040 nog steeds een van de mooiste plekken om te wonen en te zijn. De lucht is erzuiver. Je kan er volop in beweging komen. Zee, zand, duin, binnenduinrand en polder zijn in hun karakteren hun waarde voor de natuur versterkt. En ons buitengebied? Dat is dik voor elkaar. Onze polder wordtgrotendeels onderhouden door agrarische ondernemers.Maar het boeren is wel wat anders geworden dan voorheen. Specialistische agrarische bedrijven gericht opduurzaam geproduceerde agrarische producten, natuur en landschap wisselen af met gemengde bedrijvenmet zorg, recreatie of energieopwekking als neventak. De bedrijven zien er goed uit, oude karakteristiekestolpen zijn in ere gehouden en de bedrijfsbebouwing wordt door erfbeplanting ondersteund. Er is eenprachtig netwerk van paden en waterlopen dat uitnodigt om te wandelen, kanoën en alle andere vormenvan route-gebonden recreatie.’ 1.3 Wat verstaan we onder 'natuurinclusieve landbouw' In dit programma gebruiken we de term natuurinclusieve landbouw als een overkoepelend begrip voor vormenvan landbouw die de natuurlijke omgeving versterken. Onder deze paraplu vallen verschillende benamingen diein de praktijk worden gebruikt, zoals regeneratieve landbouw, kringlooplandbouw en biologische landbouw. Elkvan deze termen legt andere accenten, maar ze delen dezelfde kern: werken mét de natuur, zorgen voor eengezonde bodem, versterken van biodiversiteit & landschap en het sluiten van kringlopen (nutriënten, energie,water, biodiversiteit). 1.4 Omgevingsprogramma De Omgevingsvisie Bergen 2040 geeft richting aan de gewenste ontwikkeling van het landelijk gebied. In verschillende Omgevingsprogramma’s wordt de koers uit de Omgevingsvisie Bergen 2040 geconcretiseerd en vertaald naar maatregelen die de gemeente Bergen neemt om de beoogde ontwikkeling te stimuleren. Dit deelprogramma Transitie Natuurinclusieve Landbouw beschrijft op welke manier(
- en)de transitie naar natuurinclusieve landbouw vorm kan krijgen en gaat in op wat de gemeente daarin kan bijdragen. Het programma heeft een lerend karakter en wordt gelijktijdig met het Programma Klimaat 2025-2030 in 2029/2030 geactualiseerd. De maatregelen worden elke twee jaar geactualiseerd. Voor de jaren 2026 en 2027 is een financieel gedekt maatregelenpakket opgesteld. Het College van Burgemeester en Wethouders stelt dit deelprogramma vast. Dit deelprogramma is een uitwerking van het vigerende beleid uit de Omgevingsvisie Bergen 2040 en bevat een aantal maatregelen die kunnen leiden tot beleidskeuzes, zoals aanpassingen van het Omgevingsplan Buitengebied gemeente Bergen. ‘Bestrijdingsmiddelen & gezondheid’ wordt in dit deelprogramma als onderwerp geagendeerd met het voornemen een informatiebijeenkomst voor de (nieuwe) gemeenteraad te organiseren. Relatie met andere programma’s Het deelprogramma Transitie Natuurinclusieve Landbouw vormt samen met de deelprogramma’s Biodiversiteitsherstel en Landschapskwaliteit het Omgevingsprogramma Landelijk Gebied Gemeente Bergen. Deze deelprogramma’s zijn onderling verbonden en versterken elkaar. Het deelprogramma Transitie Natuurinclusieve Landbouw vormt een thematische verdieping op het Programma Klimaat en sluit het aan bij het Beleid en uitvoeringsprogramma Circulaire Economie. Wat dit deelprogramma (nog) niet is Dit deelprogramma bevat geen volledig overzicht van alle opgaven en beleidsontwikkelingen in het landelijk gebied; de beleidsmatige keuze voor de richting natuurinclusief als integrale bijdrage aan de maatschappelijke opgaven is al gemaakt in de Omgevingsvisie Bergen 2040. Focus in dit deelprogramma ligt op de uitwerking van die koers en het handelingsperspectief van de gemeente. Dit deelprogramma heeft geen juridisch bindende werking richting inwoners en ondernemers. Het is alleen bindend voor de gemeente Bergen. In dit deelprogramma staat natuurinclusieve landbouw centraal; thema’s zoals klimaat, energie, biodiversiteit, landschap en erfgoed maken daar integraal onderdeel van uit. Voor een thematische toelichting wordt verwezen naar de aparte gemeentelijke (deel)programma’s die daarvoor zijn opgesteld. Natuurinclusieve paardenhouderij; In dit eerste programma landbouw ligt de focus op de twee hoofdvormen van landbouw[2] in de gemeente Bergen: veehouderij en bollenteelt [2] Paardenhouderij wordt door de Europese Unie niet primair als landbouwactiviteit gezien, maar als sport- of recreatiedienst. Paardenhouderij kan wel een bijdrage leveren in de transitie naar een natuurinclusieve landbouw, sluiten van lokale kringlopen, biodiversiteit en landschappelijke kwaliteit. 1.5 Werkwijze & participatie Sinds de vaststelling van de Omgevingsvisie Bergen 2040 onderzoekt de gemeente hoe de transitie naar natuurinclusieve landbouw kan worden gestimuleerd en welke rol de gemeente daarin kan vervullen. De gemeente doet dit samen met agrarische ondernemers; hun kennis, ervaring en perspectief is onmisbaar voor een realistische en uitvoerbare aanpak. In 2022 zijn twintig uiteenlopende stakeholders geïnterviewd, waaronder diverse soorten agrarische bedrijven. Vervolgens is met vier verschillende typen agrarische bedrijven een verdiepend gebiedsessay opgesteld, waarin o.a. kansen en knelpunten van de bedrijven in beeld zijn gebracht. Daarnaast leverden individuele gesprekken in het kader van de landbouwinventarisatie voor het gebiedsproces Weidse Polders veel informatie op. Een duidelijke rode draad is dat veel agrariërs willen verduurzamen, mits er een realistisch verdienmodel is. De transitie vraagt om maatwerk, samenwerking en tijd. Agrariërs verwachten daarbij een faciliterende rol van de gemeente. Sinds 2023 onderzoekt de gemeente samen met een groep veehouders in de Egmondermeer hoe een toekomstbestendige polder met natuurinclusieve bedrijven kan worden ontwikkeld en wat de gemeente daarin kan bijdragen. De Egmondermeer vormt de voorloper voor toekomstige doorontwikkeling van het (deel)programma landbouw; inzichten kunnen worden benut voor de rest van de gemeente Bergen en desgewenst ook in andere BUCH-gemeenten. Dit deelprogramma is gebaseerd op de inzichten uit bovengenoemde gesprekken en onderzoeken en aangevuld met landelijke kennis. Een aantal veehouders in de Egmondermeer en diverse (agrarische) organisaties[3] hebben meegelezen en daarmee bijgedragen aan een realistisch en evenwichtig programma. De reacties liepen sterk uiteen. Sommigen plaatsen vraagtekens bij de meerwaarde en zouden het liefst zien dat het programma van tafel gaat, terwijl anderen de gekozen richting juist ondersteunen. Deze variatie is begrijpelijk gezien de diversiteit binnen de sector en verschillen in persoonlijke opvattingen. Alle betrokkenen geven aan dat een realistische vergoeding en langdurige financiële zekerheid harde randvoorwaarden zijn waaraan nog niet altijd wordt voldaan. Zolang dat zo is, blijft de vraag ‘hoe krijg je meer agrariërs mee?’ onbeantwoord. Het onderwerp ‘Bestrijdingsmiddelen & gezondheid’ komt niet voort uit de gesprekken met agrariërs, maar is toegevoegd vanwege de verantwoordelijkheid van de gemeente voor een gezonde fysieke leefomgeving en de maatschappelijke aandacht die ook in de gemeente Bergen de afgelopen jaren sterk is toegenomen. Nieuwe inzichten over gezondheidsrisico’s, toelating en verspreiding van bestrijdingsmiddelen via de lucht spelen hierbij een rol. [3] Agrarische Natuurvereniging Water Land & Dijken, Bio-NH, Land- en Tuinbouw Organisatie Noord Kennemerland en de Koninklijke Vereeniging voor de Algemeene Bollencultuur. 1.6 Leeswijzer Hoofdstuk 2 ‘Ontwikkeling naar natuurinclusieve landbouw’ beschrijft de ontwikkeling en belangrijkste trends in de landbouw in de gemeente Bergen, geeft inhoud aan het beoogde toekomstbeeld van natuurinclusieve landbouw en geeft uitleg over de transitie. Hoofdstuk 3 ‘Van ambitie naar handelingsperspectief’ schetst de ambitie van de gemeente, welke partijen betrokken zijn en welke aanpak de gemeente kiest. Hoofdstuk 4 ‘Uitvoeringsmaatregelen 2026 – 2027’ beschrijft welke ondersteunende en stimulerende maatregelen de gemeente in 2026 en 2027 gaat uitvoeren. Hoofdstuk 5 ‘Organisatie & monitoring’ gaat over de organisatie, financiën, monitoring & evaluatie. 2 Ontwikkeling naar natuurinclusieve landbouw 2.1 Inleiding Dit hoofdstuk vormt het de inhoudelijke basis voor de keuzes en maatregelen in dit deelprogramma. verduidelijkt wat natuurinclusieve landbouw inhoudt. Het geeft een overzicht van de belangrijkste ontwikkelingen in de landbouw in de gemeente en schetst een toekomstbeeld waarin natuurinclusieve en circulaire bedrijfsvoering centraal staan. Ondernemers kunnen daarbij verschillende ontwikkelpaden kiezen. Toegelicht wordt hoe de ontwikkeling vaak stapsgewijs verloopt, via niveaus van natuurinclusieve landbouw. Daarnaast wordt ingegaan op het belang van circulariteit en korte ketens. Ook worden de uitdagingen rond verdienmodellen besproken. Het hoofdstuk sluit af met een beeld van waar de agrarische sector in de gemeente momenteel staat. 2.2 Landbouw in de gemeente Bergen De landbouw in de gemeente Bergen [4] is divers. De belangrijkste sectoren zijn veehouderij (vooral in het noorden en oosten) en bollenteelt en sierteelt (met name in de binnenduinrand). Daarnaast zijn er paardenhouderijen, gemengde bedrijven, zorgboerderijen en burgerboerderijen. De bedrijfsmodellen variëren van kleinschalig tot grootschalig, van traditioneel tot innovatief, en van gangbaar tot (deels) biologisch of natuurinclusief. Meer dan 85% van de bedrijven heeft nevenactiviteiten, zoals agrarisch natuurbeheer, boerderijverkoop, zorglandbouw, recreatie (zoals boerencampings) of toeristische diensten. Verbreding versterkt de relatie tussen boer en samenleving en biedt extra inkomsten. De sector staat onder druk door regelgeving (denk bijvoorbeeld aan stikstof, waterkwaliteit, gewasbescherming), klimaatverandering (droogte, wateroverlast), een krappe grondmarkt, hoge kosten voor externe input en veranderende markt (exportafhankelijkheid, prijsdruk) en recreatiedruk op de wegen in het buitengebied. De grondmarkt is krap en de agrarische grondprijzen hoog. Grond wordt opgekocht door overheden, particulieren, natuurorganisaties en agrariërs. Voor veel agrarische ondernemers is het moeilijk om aan betaalbare grond te komen, die zij nodig hebben voor extensivering en uitbreiding. Veel bedrijven zijn afhankelijk van pacht, wat hen kwetsbaar maakt voor veranderingen in eigendom of pachtvoorwaarden. Een deel van de ondernemers heeft geen opvolger. Bij bedrijfsbeëindiging vindt niet zelden functieverandering plaats naar wonen of paardenhouderij. Dit kan zorgen voor aantasting de agrarische identiteit van het landschap. Tegelijkertijd biedt bedrijfsbeëindiging kansen voor bedrijven die willen verduurzamen. De vraag naar lokaal en duurzaam voedsel groeit. Inwoners maken zich zorgen over het gebruik van bestrijdingsmiddelen, wat de vraag naar transparantie en duurzame teeltmethoden vergroot. [4] Achtergrondinformatie is opgenomen in de bijlage 1. 'Ontwikkeling en perspectief Landbouw in de gemeente Bergen' 2.3 Toekomstbeeld natuurinclusieve landbouw In de Omgevingsvisie Bergen 2040 beschrijft de gemeente een ontwikkeling naar een toekomstbestendige landbouw die in balans is met natuur en landschap, met natuur-inclusieve en circulaire bedrijfsvoering als uitgangspunt. Natuurinclusieve landbouw is een landbouw die optimaal gebruik maakt van de natuurlijke omgeving en die werkt met drie principes: volgens drie principes: benutten van de natuur, sparen van de natuur en verzorgen van de natuur. Biodiversiteit vormt de basis van een bedrijf (benutten), de bedrijfsvoering voorkomt negatieve effecten op natuur, milieu en leefomgeving (sparen) en draagt zorg voor natuur en landschap (verzorgen). Deze principes gelden voor vier verschillende pijlers: functionele agrobiodiversiteit (FAB), landschappelijke diversiteit, specifieke soorten en brongebieden en verbindingen. Met natuurinclusieve landbouw worden doelen gediend met betrekking tot natuur, milieu en leefomgeving. Een bedrijfsvoering met deze drie principes produceert voedsel binnen de grenzen van natuur, milieu en leefomgeving en draagt bij aan het behoud en herstel van biodiversiteit. In bijlage 2 ‘Natuurinclusieve Landbouw, de principes, pijlers en bijdrage aan maatschappelijke doelen’ is achtergrondinformatie opgenomen.[5] Afbeelding: Natuurinclusieve Landbouw – de blauwe cirkel geeft de 3 principes weer; de bruine cirkel de vier pijlers en de groene cirkel de maatschappelijke doelen waaraan wordt bijgedragen. (Bron: Natuurinclusieve Landbouw in de praktijk (CLM/ Louis Bolk, 2024)) Natuurinclusieve (melk)veehouderij Bij natuurinclusieve veehouderij vormt een gezonde bodem en duurzaam graslandbeheer de basis. Door te investeren in bodemleven, organische stof, kruidenrijk grasland en goed waterbeheer worden bedrijven weerbaarder tegen droogte en extremen en neemt de biodiversiteit toe. Extensivering en grondgebondenheid spelen een belangrijke rol: meer grond per dier vermindert de milieudruk en maakt het mogelijk om meer voer en mest binnen het eigen bedrijf te benutten. De beschikbaarheid van voldoende betaalbare grond en pachtvoorwaarden die natuurinclusieve ontwikkeling ondersteunen zijn hierbij essentieel. Natuurinclusieve veehouderij versterkt biodiversiteit en identiteit van het landschap, bijvoorbeeld via weidevogelbeheer, plasdrasmaatregelen en herstel van landschapselementen. Door een efficiënter gebruik van natuurlijke hulpbronnen en het verminderen van externe input (minder kunstmest en krachtvoer) en meer te werken met eigen mest en ruwvoer, worden kringlopen beter gesloten. Dit leidt tot minder stikstofverliezen en lagere emissies. De bodem wordt vruchtbaarder, weerbaarder en productiever en de afhankelijkheid van externe input neemt af. Een combinatie van natuurinclusieve veehouderij en maatschappelijke functies (zorg, recreatie) en/of korte ketens (zoals boerderijverkoop) kan bijdragen aan een toekomstbestendig verdienmodel en versterkt de relatie tussen boer en samenleving. Afbeelding: Illustratie maatregelen ter bevordering weidevogels per seizoen (bron: Natuurinclusieve Landbouw in de praktijk (CLM / Louis Bolk, 2024)) Natuurinclusieve bollenteelt Bij een ontwikkeling naar natuurinclusieve bollenteelt staat het vergroten van de weerbaarheid van het teeltsysteem centraal, onder meer door resistente rassen, ruimere rotaties en (teelt)methoden die ziekten en plagen onderdrukken zonder chemische bestrijdingsmiddelen. Belangrijke pijlers zijn het verbeteren van bodemkwaliteit en biodiversiteit. Meer organische stof, groenbemesters, akkerranden en bloemrijke zones versterken de bodem, vergroten de weerbaarheid en verrijken het landschap. Gebruik wordt gemaakt van biologische alternatieven voor bestrijdingsmiddelen, optimalisatie van bemesting en mechanische en precisietechnieken zoals onkruidbestrijding, inundatie en spotspraying. Op deze manier worden externe input en emissies naar het de omgeving tot een minimum beperkt. Voor sommige bedrijven biedt (gedeeltelijke) omschakeling naar biologische bollenteelt perspectief, mede afhankelijk van locatie, bedrijfsvoering en afzetmogelijkheden. Natuurinclusieve bollenteelt biedt kansen voor verbreding zoals pluktuinen en toerisme. Afbeelding: Illustratie 'Aan de slag met biodiversiteit in de bollenteelt' (bron: website Living Lab B7) [5] Deze paragraaf is opgesteld op basis van het lesdocument Natuur-inclusiee landbouw in de praktijk (CLM/ Louis Bolk Instituut, 2024). 2.4 Transitiepaden en ontwikkeling via NIL-niveaus Ieder bedrijf is uniek; verschillende transitiepaden mogelijk Een transitie naar natuurinclusieve landbouw kent geen vaste route. Elk bedrijf werkt onder eigen omstandigheden en ontwikkelt zich in een tempo dat past bij de ondernemer, de bedrijfsvoering en de omgeving. Maatwerk is daarom essentieel. Ontwikkeling vraagt om ondernemers die perspectief zien, om ruimte in bedrijfsvoering en het gebied en om kennisopbouw. Vaak zijn financiering en stimulerende regelingen nodig om stappen mogelijk te maken. Er zijn verschillende transitiepaden richting natuurinclusieve landbouw mogelijk, variërend van hightech precisielandbouw en gesloten kringlopen tot multifunctionele landbouw, natuur- en landschapslandbouw of een volledig biologische bedrijfsvoering[6]. Elk pad biedt mogelijkheden om biodiversiteit te versterken, emissies te verlagen en bodem- en waterkwaliteit te verbeteren, met verschillende accenten in technologie, ruimtegebruik en strategie. Meerdere routes zijn mogelijk, zolang ontwikkelingen passen binnen de Omgevingsvisie Bergen 2040. Niveaus van Natuur Inclusieve Landbouw Bedrijven worden meestal niet van het ene op het andere moment natuurinclusief. De ontwikkeling naar natuurinclusief werken verloopt meestal stapsgewijs. Verduurzaming hangt vaak samen met investeringsmomenten, bedrijfsopvolging en persoonlijke motivatie. De landelijke NIL-niveaus (0 t/m 3)[7] geven inzicht in waar bedrijven staan: niveau 0: Bedrijven voldoen aan wettelijke milieunormen. niveau 1: Eerste stappen richting natuur-inclusief: Het bedrijf zet de eerste stappen door bijvoorbeeld deel te nemen aan agrarisch natuur- en landschapsbeheer of door het gebruik van externe input en emissies te verminderen. Deze maatregelen zijn doorgaans goed inpasbaar binnen een gangbare bedrijfsvoering. niveau 2: Integrale inzet op natuur en biodiversiteit: Biodiversiteit is een volwaardig onderdeel van de bedrijfsstrategie en er worden maatregelen genomen op alle drie de NIL-dimensies: sparen, benutten en verrijken. Biologische bedrijven zitten minimaal op dit niveau[8]. niveau 3: Volledig natuurinclusieve strategie: met minimale input, sterke inzet op natuurbeheer en zoveel mogelijk gesloten kringlopen. De gemaakte keuzes zijn structureel en niet eenvoudig terug te draaien. Het is belangrijk om bij beleid en stimuleringsmaatregelen rekening te houden met deze variatie in ontwikkelpaden en ambities. In de gemeente Bergen bevinden bedrijven zich op alle niveaus. De meeste ondernemers zetten al stappen richting verduurzaming, zowel in de veehouderij als in de bollenteelt (zie verder paragraaf 2.8). [6] Bron: Natuurinclusieve land- en tuinbouw: een kans voor alle sectoren (LTO 2025) [7] Dit model is ontwikkeld door Wageningen University & Research in samenwerking met het Louis Bolk Instituut en het Ministerie van LNV. [8] Een biologisch landbouwbedrijf zit niet automatisch op NIL-niveau 3. Het biologische SKAL-systeem beoordeelt op dierenwelzijn, mestgebruik, gewasbescherming, voer, maar niet hoever een bedrijf gaat in landschapsbeheer, biodiversiteit of kringloopsluiting. Een biologisch bedrijf wat weinig landschapselementen heeft of beperkt aan kringloopsluiting doet (bijv. veel extern voer) zit op NIL-niveau 2. 2.5 Natuurinclusieve landbouw & circulariteit Circulariteit draait om het sluiten van kringlopen van nutriënten, water, energie, organische stof en biodiversiteit. Door deze stromen zoveel mogelijk binnen het bedrijf of de regio te houden, dalen kosten, verbetert de bodemgezondheid en wordt bijgedragen aan klimaatdoelen. Circulariteit en natuurinclusieve landbouw versterken elkaar: hoe hoger het NIL-niveau, hoe sterker kringloopsluiting onderdeel is van de bedrijfsvoering. Circulariteit kan op bedrijfsniveau worden gerealiseerd, bijvoorbeeld door eigen mest te gebruiken in plaats van kunstmest, maaisel en gewasresten te composteren of regenwater vast te houden voor beregening. Volledige kringloopsluiting binnen één bedrijf is echter vaak niet haalbaar. Samenwerking op gebiedsniveau biedt meer kansen, zoals uitwisseling tussen veehouders en akkerbouwers (mest, stro, voer) of het benutten van reststromen uit de voedingsindustrie. Binnen de gemeente Bergen bestaat de landbouw vooral uit veehouderij en bollenteelt, met weinig akkerbouw. Als er meer bollentelers natuurinclusief gaan werken, dan komt er meer wisselteelt met akkerbouw. Daarnaast ligt regionale samenwerking met akkerbouwbedrijven buiten de gemeentegrenzen voor de hand om kringlopen effectief te sluiten. 2.6 Korte ketens en versterking relatie boer & samenleving Korte ketens brengen boer en consument dichter bij elkaar. Ze zorgen ervoor dat duurzaam geproduceerd voedsel eerlijker wordt beloond en versterken zowel de regionale economie als het landschap. Door kortere transportafstanden dalen CO₂-emissies en groeit het bewustzijn over gezonde en lokale voeding en de waardering voor de agrarische ondernemers. Hoewel veel consumenten nog voor de goedkoopste producten kiezen, neemt de belangstelling voor lokaal en duurzaam voedsel toe. Dit wordt bevestigd door het onderzoek van de gemeente in 2024 waaruit bleek dat de lokale vraag groot is en dat aanbieders vaak al op maximale capaciteit produceren. Veel restaurants in de gemeente hebben bijvoorbeeld gerechten met lokale producten op de kaart. Burgerinitiatieven zoals Herenboeren, zorgboerderijen, streekmarkten en schooltuinen dragen ook bij aan de ontwikkeling van een lokaal voedselsysteem. Voor verdere ontwikkeling van korte ketens zijn goede randvoorwaarden nodig. Denk aan ruimte voor boerderijwinkels, kleinschalige verwerking en verkooppunten, maar ook aan samenwerking tussen ondernemers en maatschappelijke partners via coöperaties of logistieke hubs. Een goed functionerend lokaal systeem vraagt om een efficiënte logistiek, bereikbaarheid en opslagmogelijkheden. In de gemeente Bergen is al een basis aanwezig. Er moet ruimte zijn voor innovatie en experimenten om de lokale afzet te vergroten en ervaring op te doen. Bewustwording van consumenten en educatie spelen hierin een belangrijke rol. Afbeelding. Belangrijke aspecten in korte ketens (bron: www.toekomstboeren.
- nl)2.7 Duurzame verdienmodellen & lokale kansen Zonder economische bestaanszekerheid kunnen bedrijven niet verduurzamen. Veel agrariërs in de gemeente geven aan dat zij tegen grenzen aanlopen. Er is op dit moment geen breed toepasbaar en opschaalbaar verdienmodel voor natuurinclusieve landbouw[9]. De meeste bedrijven missen daarvoor langdurige financiële zekerheid. Bestaande regelingen zoals de eco-regeling uit het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid en het Agrarische Natuur en Landschapsbeheer bieden slechts gedeeltelijke compensatie. De financiële haalbaarheid verschilt sterk per bedrijfstype en regio. Betaalbare grond is voor veel bedrijven een cruciale factor. De transitie vraagt om een gezamenlijke aanpak en een evenwichtige verdeling van verantwoordelijkheden tussen overheid, ketenpartijen en samenleving. Daarbij horen realistische vergoedingen en langdurige financiële zekerheid; randvoorwaarden waar nog niet altijd aan wordt voldaan. Diverse partijen zoeken actief naar mogelijkheden om het verdienvermogen van natuurinclusieve landbouw te versterken. Enkele actuele voorbeelden van onderzoeken en initiatieven om het verdienvermogen van natuurinclusieve landbouw te versterken zijn: - Grondinstrumentarium: Diverse onderzoeken tonen aan dat aanvullend grondbeleid nodig is om gebiedsgerichte transities mogelijk te maken. Door juridische en financiële complexiteit is dit nog niet vertaald naar concreet beleid. - Keteninitiatieven: Steeds meer marktpartijen bieden boeren meerprijs, langjarige contracten of directe afzet (o.a. On the way to PlanetProof, Beter voor Natuur & Boer, Udea/Odin, Biodichtbij), waardoor verduurzaming beter kan worden terugverdiend. Financiële stimulansen en subsidies: Voorbeelden zijn het Zeven Vinkjes Project van Urgenda (10-jarige hectarevergoeding) en de heropende rijksregeling voor extensivering rond Natura 2000-gebieden (3-jarige vergoeding [10] ). - Biologische landbouw: Deze beschikt al over een stabieler verdienmodel dankzij een volwassen keten en duidelijke regelgeving. Het Actieplan Biologisch en regionale initiatieven (zoals Ondernemend Bio en Biofieldlab) versterken verdere groei. - Financiële stabiliteit van extensieve bedrijven: Onderzoek (WIJ-Land, 2025) laat zien dat extensieve en biologische bedrijven veerkrachtiger zijn door lagere inputkosten, stabielere afzet en aanvullende inkomsten uit neventakken of natuurbeheer Lokale kansen in de gemeente Bergen Binnen de gemeente Bergen liggen kansen voor agrarische bedrijven om hun verdienmodel te versterken door hun bedrijfsvoering te verbinden met de lokale gebiedskwaliteiten en lokale vraag. Een prachtig buitengebied, een koopkrachtige en bewuste bevolking, een sterke horeca met interesse in lokale producten en een grote stroom recreanten en toeristen bieden kansen voor versterking van verdienmodellen. Ook is er een netwerk aanwezig van biologische winkels en een vereniging Bio-NH[11]. (In de gemeente zijn verschillende biologische winkels aanwezig zoals Odin, Eric’s Landwinkel en Ecoplaza en enkele boerderijwinkels. De vereniging Bio-NH verbindt biologische ondernemers in Noord-Holland, zowel agrarische ondernemers als winkeliers, ambachtelijke verwerkers en kleinschalige handelaren.) Dit zorgt voor kansen voor ontwikkeling van korte ketens, premiumproducten, recreatieve en educatieve diensten, zorglandbouw en samenwerking met natuurorganisaties. Uit onderzoek van de gemeente naar korte ketens in 2024 bleek dat de lokale vraag groter is dan het huidige aanbod. Dit sluit aan bij de landelijke trend dat met de verbrede landbouw al jaren sterk groeit, vooral door de toename van boerderijverkoop (kleine verkooppunten langs de weg, boerderijwinkels en bedrijven die aan huis leveren). Verwachting is dat deze vorm van verkoop aantrekkelijk blijft, waarbij ligging, concurrentie en economische omstandigheden een belangrijke rol spelen. [9] Bron: Verdienmodellen voor natuurinclusieve landbouw: Stand van zaken en hoe nu verder (Smits, Dawson & Schrijver, 2024) [10] Samenwerkingsverbanden van agrariërs die hun stikstofgebruik reduceren kunnen 3 jaar tot maximaal € 2.430, - tot € 3.130, - per hectare / per jaar vergoeding aanvragen plus vergoeding van kosten voor o.a. het opstellen van bedrijfsplannen. [11] In de gemeente zijn verschillende biologische winkels aanwezig zoals Odin, Eric’s Landwinkel en Ecoplaza en enkele boerderijwinkels.De vereniging Bio-NH verbindt biologische ondernemers in Noord-Holland, zowel agrarische ondernemers als winkeliers, ambachtelijkeverwerkers en kleinschalige handelaren. 2.8 Ontwikkeling NIL-niveaus bedrijven in gemeente Bergen De agrarische bedrijven in de gemeente Bergen bevinden zich op uiteenlopende NIL-niveaus, van 0 tot en met 3 (zie paragraaf 2.4 voor uitleg over de NIL-niveaus). Niet van elk bedrijf is exact bekend waar het staat, maar wel duidelijk is dat veel ondernemers al stappen zetten. Deelnames aan de GLB-eco-regeling (in de gemeente Bergen geschat op 40–60%[12]), het groeiende aantal ANLb-deelnemers, meer dan 30 vrijwillige waterkwaliteitsmaatregelen via het Landbouwportaal en meer dan 10 deelnemers aan het project Versterken Biodiversiteit Boerenerf tonen aan dat veel bedrijven investeren in biodiversiteit, bodem en water. Ook het aantal biologische bedrijven groeit: in 2025 waren er in de gemeente vier SKAL-gecertificeerde bedrijven en twee in omschakeling. Ook zijn er niet-gecertificeerde bedrijven die op vergelijkbaar NIL-niveau werken. Hoewel de veehouderij in de gemeente Bergen al redelijk extensief is, komen alle niveaus voor. Deelnemers aan agrarisch natuurbeheer bevinden zich doorgaans op NIL-niveau 1 of 2. Bedrijven met overeenkomsten met Staatsbosbeheer of Natuurmonumenten minimaal op niveau 2. Biologische en vergelijkbare bedrijven zitten op niveau 2 of 3. In de bollenteelt is de variatie groot. Voorlopers in de gemeente Bergen nemen deel aan pilots en innovatieprojecten zoals De Groene Tulp, EFRO-project Fieldlab Bol [13] van Greenport Noord-Holland, werken met de gemeente samen in de pilot biologische bollenteelt en/of zijn aangesloten bij duurzame coöperaties zoals Natural Living and Growth (NLG), een Noord-Hollandse coöperatie van vooruitstrevende bollentelers die zich richt op het ontwikkelen van duurzame, natuurinclusieve teeltsystemen voor de bollensector. Via het Landbouwportaal zijn verschillende waterkwaliteitsmaatregelen uitgevoerd. Hoewel deelname aan het ANLb nog beperkt is, neemt deze toe en wordt verdere groei verwacht; bedrijven die deelnemen bevinden zich daarmee tenminste op NILniveau 1. De komende tien jaar stopt een deel van de bedrijven. Dit biedt ruimte voor toekomstgerichte ondernemers die willen extensiveren, verbreden of verder verduurzamen. Het beschikbaar/betaalbaar houden van vrijkomende agrarische grond is cruciaal voor bedrijven die zich natuurinclusief willen ontwikkelen. Daarnaast is aandacht nodig voor het tegengaan van ongewenste ontwikkelingen, zoals intensieve bedrijven van buiten de regio die gronden pachten of kopen voor mestafzet. Verwachting is dat het NIL-niveau van de bedrijven in de gemeente de komende jaren verder zal toenemen. [12] Deze schatting is gebaseerd op een artikel in Oogst over de landelijke deelname van bedrijven aan de eco-regeling. Aangenomen wordt dat de deelname in de gemeente Bergen in lijn is met de landelijke inschatting. Deelname aan de eco-regeling uit het GLB zou een graadmeter kunnen zijn voor de NIL-niveaus; gegevens zijn echter niet openbaar. [13] Deze projecten zijn gericht op innovatieve, duurzame teeltsystemen om de bollenteelt minder afhankelijk te maken van chemische bestrijdingsmiddelen. 3 Van ambitie naar handelingsperspectief 3.1 Buitengebied in transitie In de Omgevingsvisie Bergen 2040 is gekozen voor natuurinclusieve landbouw als integraal richtinggevend principe voor de toekomst. Dit is een kans om meerdere maatschappelijke opgaven – zoals een economisch toekomstbestendige landbouw, biodiversiteit, waterkwaliteit, klimaat, regionale voedselketens en een gezonde leefomgeving – in samenhang te realiseren. Een transitie naar natuurinclusieve landbouw kan een belangrijke bijdrage leveren aan nationale en provinciale doelen. Er zijn grote verschillen in hoe agrariërs in de gemeente naar de transitie kijken. Veel agrariërs in de gemeente Bergen willen echter stappen zetten richting natuurinclusieve landbouw. Robuuste verdienmodellen ontbreken echter nog en betaalbare grond is schaars. Een blauwdruk voor de transitie bestaat nog niet. We bevinden ons in een overgangsperiode: het bestaande landbouwsysteem loopt tegen grenzen aan, maar een nieuw systeem is nog niet uitgekristalliseerd. Realistische vergoedingen en langdurige zekerheid zijn randvoorwaarden waar nog niet altijd aan wordt voldaan. Agrarische collectieven en bedrijfscoaches Er komt veel op agrarische ondernemers af. Er is meer ondersteuning dan ooit in de vorm van subsidies, kennisprogramma’s, coaches, gebiedsprocessen en campagnes, maar de hoeveelheid informatie, regelingen en wisselend beleid maakt het lastig om overzicht te krijgen. Ondersteuning via agrarische collectieven, (gratis) bedrijfscoaches en gebiedsgerichte samenwerking zoals in de Egmondermeer kan ondernemers hierbij ondersteunen. Het Landbouwportaal ontwikkelt zich daarbij steeds meer tot één loket voor agrariërs in Noord-Holland. 3.2 Gezamenlijke opgave, verschillende rollen De landbouwtransitie is een gezamenlijke opgave waarbij veel partijen een rol spelen. Agrariërs bepalen welke maatregelen passen bij hun bedrijf en haalbaar zijn. Daarbij hebben ze te maken met een keten van partijen. Europese en nationale overheden bepalen via wet- en regelgeving en financiële kaders de ruimte voor verduurzaming, o.a. via het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid en Agrarisch Natuurbeheer. De provincie Noord-Holland voert de regie in het landelijk gebied, beheert belangrijke subsidiestromen en heeft relatief veel grondeigendommen binnen de gemeente. Het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier is verantwoordelijk voor het waterbeheer, stimuleert o.a. via het Landbouwportaal Noord-Holland[14] maatregelen om de waterkwaliteit te verbeteren en draagt financieel bij aan het Agrarisch Natuurbeheer. Het buitengebied kent een divers eigendomsbeeld, met gronden in bezit van agrariërs, provincie, gemeente, natuurbeheerders[15], stichtingen en individuele eigenaren die via pachtvoorwaarden het tempo van de transitie beïnvloeden. Inwoners, toeristen en maatschappelijke organisaties bepalen mede de vraag naar duurzame producten en een gezonde leefomgeving. [14] Via Landbouwportaal Noord-Holland kunnen agrariërs een gratis advies van een coach aanvragen voor vrijwillige maatregelen die bijdragen aan verbetering van de bodem- en waterkwaliteit. Voor verschillende thema’s kan een financiële bijdrage worden aangevraagd: erfafspoeling voorkomen, duurzaam bodembeheer, gewasbeschermingsmiddelen, perceel- en oeverinrichting. Daarnaast lopen er kennisprojecten. [15] Natuurmonumenten verpacht gronden aan agrariërs, o.a. in de Harger- en Pettemerpolder bij Hargen/Camperduin en De Loterijlanden in Bergen en stelt daarbij ook eisen aan de bedrijfsvoering op het grondeigendom van de pachter. In de polder bij Schoorl ligt weidevogelreservaat de Catrijpermoor, in beheer bij Staatsbosbeheer. Staatsbosbeheer stelt pachtgrond beschikbaar aan bedrijven die natuurinclusiever willen werken en biedt langdurige pachtcontracten voor gebruikszekerheid. Bij Landschap Noord-Holland (Zuurveenspolder) is verpachting maatwerk 3.3 Gemeentelijk Handelingsperspectief De gemeente Bergen heeft geen doorslaggevende, maar wel een betekenisvolle rol in de transitie naar natuurinclusieve landbouw. Via haar Omgevingswet-instrumenten en gemeentelijk grondeigendom kan zij direct richting geven. Daarnaast kan de gemeente – door te verbinden, stimuleren en faciliteren – een belangrijke ondersteunende rol vervullen in het samenspel met andere overheden, ketenpartijen en agrariërs. Directe invloed/ zeggenschap Instrumenten Omgevingswet De gemeente heeft een wettelijke verantwoordelijk voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties voor een gezonde, veilige en aantrekkelijke fysieke leefomgeving. De gemeente kan in het Omgevingsplan en /of via Omgevingsvergunningen ruimte bieden en/of voorwaarden stellen die natuurinclusieve landbouw bevorderen of die ongewenste ontwikkelingen tegen gaan. Een maatschappelijk actueel thema is ‘Bestrijdingsmiddelen & gezondheid’ in relatie tot bollenteelt. Gezondheid wordt in de Omgevingswet explicieter en duidelijker benoemd dan voorheen in het omgevingsrecht. Er komt steeds meer nieuwe informatie beschikbaar over mogelijke gezondheidsschade voor omwonenden van locaties waar bestrijdingsmiddelen worden gebruikt. In 2025 is meer inzicht gekomen in de ruimtelijke maatregelen die gemeenten kunnen nemen om gezondheidsrisico’s voor inwoners te beperken. Een landelijk of provinciaal beleidskader ontbreekt nog. De gemeente Bergen heeft nog geen politieke koers bepaald. Inzet Gemeentelijk grondeigendom De gemeente Bergen bezit verschillende landbouwpercelen, voornamelijk grasland en enkele percelen bollengrond. Met een strategische inzet van deze gronden en een natuurinclusief pachtbeleid kan de gemeente gericht bijdragen aan de landbouwtransitie. De inzet van gemeentegrond voor de pilot biologische bollenteelt is een uniek voorbeeld (zie hoofdstuk 4). Vanaf 2026 worden bij actualisatie van pachtcontracten nieuwe inschrijfvoorwaarden gehanteerd. Gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen en kunstmest is dan niet meer toegestaan. Voor grasland geldt dat kruidenrijk grasland verplicht wordt ingezaaid en onderhouden, en dat het uitrijden van ruige mest voor weidevogels wordt gestimuleerd. Tegelijkertijd wil de gemeente agrarische bedrijven ruimte bieden voor verschillen in het tempo van ontwikkeling van bedrijven naar natuurinclusief. Duurzaamheidscertificeringen zoals SKAL en On the way to Planet Proof zijn daarom niet verplicht; wel wegen ze mee bij de gunning. Indirecte invloed De gemeente kan op allerlei manieren invloed uitoefenen om natuurinclusieve landbouw te stimuleren en ondersteunen. Voorbeelden zijn: gezamenlijk onderzoek naar ondersteuning van agrariërs die willen verduurzamen (zoals bijvoorbeeld in de Egmondermeer). stimulering van verduurzaming via (co)financiering, kleinschalige biodiversiteitsmaatregelen of ondersteuning bij planvorming. verbinden van partijen, faciliteren van pilots en kennisdeling. ondersteunen van initiatieven die de relatie tussen boer en samenleving versterken[16]. voorbeeldrol in duurzaam en lokaal inkopen en gezonde duurzame lokale voeding. faciliteren van korte ketens. Passende inzet Gemeentelijke inzet is passend wanneer deze aansluit bij de gemeentelijke rol, aanvullend is op wat andere partijen doen en aantoonbaar bijdraagt aan de ambities uit de Omgevingsvisie. De gemeente richt zich daarom op generieke, gebiedsgerichte maatregelen en tijdelijke impulsen, niet op structurele of bedrijfsspecifieke ondersteuning. Uiteraard wordt ook gekeken naar kosteneffectiviteit, uitvoerbaarheid en het maatschappelijk draagvlak voor de voorgestelde maatregelen. [16] Cultureel erfgoed - het beschermen van het cultuurlandschap en het voortborduren op de (soms eeuwenoude) verhalen, ervaringen en aanpak van agrariërs – kan hierin ook een rol spelen. 3.4 Aanpak van de gemeente Bergen De gemeente wil de ontwikkeling naar natuurinclusieve landbouw stimuleren en ondersteunen. De gemeente kiest voor een realistische stapsgewijze aanpak die past bij de fase van de transitie en die aansluit op de verschillende niveaus van ontwikkeling naar natuurinclusieve landbouw waar de agrarische bedrijven binnen de gemeente zich bevinden — van bedrijven die vooral voldoen aan wettelijke normen tot bedrijven die al volledig natuurinclusief werken. a. Zoektocht samen mèt agrariërs - de Egmondermeer als leeromgeving: De transitie naar natuurinclusieve landbouw kent geen blauwdruk. Daarom werkt de gemeente sinds 2022 samen met agrariërs aan een gezamenlijke zoektocht naar wat in de praktijk nodig is. In de Egmondermeer fungeert hiermee als leeromgeving. Hier wordt onderzocht welke maatregelen haalbaar zijn, welke ondersteuning nodig is en hoe de gemeente kan bijdragen. De inzichten uit deze samenwerking en de gekozen procesaanpak vormen de basis voor verdere doorontwikkeling van dit programma. b. Ondersteunende en stimulerende maatregelen aansluitend bij de verschillende NIL-niveaus Elk bedrijf is anders en ontwikkelt zich in een eigen tempo. De gemeente kiest daarom voor een aanpak die ruimte biedt aan alle NIL-niveaus en ondernemers ondersteunt bij stappen die passen bij hun situatie. Op basis van vrijwilligheid biedt de gemeente ondersteuning; van laagdrempelige stimuleringsregelingen voor biodiversiteit voor bedrijven in de beginfase tot verkenning van een bio-regio voor bedrijven die al ver gevorderd zijn. Elke stap is waardevol. Samenwerking met agrariërs, ketenpartijen, terreinbeheerders en maatschappelijke organisaties is hierbij essentieel. c. Gerichte sturing via de Omgevingswet en gemeentelijk grondeigendom: De gemeente zet instrumenten uit de Omgevingswet in om natuurinclusieve landbouw te bevorderen en ongewenste ontwikkelingen te voorkomen. Dit gebeurt zorgvuldig en in balans met andere belangen in het landelijk gebied. Gemeentelijk grondeigendom wordt strategisch ingezet, onder andere in de pilot biologische bollenteelt. Ambitie 2030 In de gemeente Bergen komen in 2026 alle NIL-niveaus voor. De gemeente streeft ernaar dat in 2030 vrijwel alle bedrijven vrijwillige maatregelen nemen die bijdragen aan biodiversiteitsherstel en de ontwikkeling naar natuurinclusieve landbouw. Daarnaast is het doel dat — in lijn met het landelijke beleid — ten minste 15% van de bedrijven biologisch werkt[17] of vergelijkbaar (NIL-niveau 2 of 3). [17] Landelijk beleidsdoel is dat het areaal biologisch moet groeien naar 15% in 2030. 4 Uitvoeringsprogramma 2026-2027 4.1 Inleiding In dit hoofdstuk werkt de gemeente Bergen de eerste stappen van de landbouwtransitie uit in maatregelen die de gemeente in 2026 en 2027 inzet. De focus ligt op een praktijkgerichte en adaptieve benadering, met de Egmondermeer als leeromgeving. Daarnaast concentreert de gemeente zich in deze periode op maatregelen waar zij zelf directe invloed op heeft; onderzoek naar de mogelijkheden van het toepassen van instrumenten van de Omgevingswet en strategisch inzetten van gemeentelijk grondeigendom. De maatregelen in dit hoofdstuk sluiten aan bij de verschillende NIL-niveaus van agrarische bedrijven in de gemeente en zijn aanvullend op de inzet van andere partijen. Ze vormen daarmee een realistische en uitvoerbare eerste stap in de bredere transitie naar natuurinclusieve landbouw. 4.2 Maatregelen 2026-2027 In 2026 en 2027 voert de gemeente een gevarieerd pakket maatregelen uit: 1. Proeftuin / leeromgeving Egmondermeer – gezamenlijk onderzoek met veehouders De gemeente Bergen is in 2023 gestart om samen met veehouders via een onderzoekende en ontwerpende bottom-up benadering te werken aan een strategie voor natuurinclusieve landbouw. De Egmondermeer vormt hierbij de belangrijkste leeromgeving (naast de gesprekken met diverse andere agrariërs in de gemeente). Gestart is met een brede groep met veehouderij en bollenteelt; gaandeweg heeft het onderzoek toegespitst op de veehouderij, met een kleine groep veehouders. In 2025 is de zoektocht naar een boezemtakverbinding geïntegreerd in het onderzoek. Het proces heeft tot op heden geleid tot concrete resultaten, zoals biodiversiteitsmaatregelen op negen erven en uitbreiding van agrarisch natuurbeheer. Maar bovenal is inzicht opgedaan in de uiteenlopende ambities en behoeften van de veehouderijbedrijven en dat de polder als geheel als erg extensief is. Parallel is gewerkt aan brede betrokkenheid van inwoners en bezoekers door middel van lezingen en een participatieve expositie van kunstenaar Arne Hendriks in museum Kranenburgh. Uit de vele reacties bleek een sterke verbinding van veel bezoekers met de polder. In 2026 worden alle bevindingen gebundeld, het proces geëvalueerd en een advies opgesteld voor het vervolg; strategieën voor grond[18] spelen een belangrijke rol om gebiedsdoelen te realiseren. Op basis van de bevindingen en het advies over een vervolg zal een besluit worden genomen over het vervolg. 2. Onderzoek bevordering natuurinclusieve landbouw in Omgevingsplan Buitengebied De gemeente onderzoekt welke aanpassingen of aanvulling op het vigerende Omgevingsplan ruimtelijk relevant en mogelijk zijn om natuurinclusieve bedrijfsontwikkeling die bijdraagt aan de kwaliteit van het gebied (planologische) ruimte te bieden. En of en hoe ongewenste ontwikkelingen die een transitie naar natuurinclusieve landbouw in de weg staan, kunnen worden tegengegaan[19]. Behoeften en dilemma’s van de agrarische sector,- o.a. uit de Egmondmeer -, vormen hiervoor input. Daarnaast wordt onderzocht hoe de waarden uit de Omgevingsvisie naar nieuwe gebiedsfuncties kunnen worden vertaald. Tevens wordt aan de hand van een lopende praktijkcasus verkend of een ‘win-win landschapsregeling’[20]een werkbaar hulpmiddel kan vormen bij afwegingen voor ruimtelijke ontwikkelingen, die bijdragen aan het verdienmodel van natuurinclusieve landbouw en de kwaliteiten van het gebied versterken, maar die verder gaan dan wat op basis van het Omgevingsplan is toegestaan. Te zijner tijd wordt bezien of de resultaten van deze verkenningen kunnen worden opgenomen in het Omgevingsplan Buitengebied (planning 2029). 3. ‘Bestrijdingsmiddelen & Gezondheid’ – informatiebijeenkomst voor de gemeenteraad In de gemeente Bergen liggen intensieve bollenteelt, wonen, recreatie en Natura 2000-gebieden dicht naast elkaar. In de Omgevingsvisie Bergen 2040 is aangegeven dat een minimalisering van het gebruik van bestrijdingsmiddelen nodig is voor een schoon milieu, bodem en water. Sinds 2024 verplicht de Omgevingswet gemeenten om de gezondheid van inwoners te beschermen en een zorgvuldig afweging tussen het economische belang van de bollensector en mogelijke gezondheidsrisico’s voor inwoners te maken. Kennis hierover is volop in ontwikkeling. Er zijn landelijke voortschrijdende inzichten over de toelating, gezondheidsrisico’s en over de verspreiding van bestrijdingsmiddelen via de lucht. Daarnaast is in 2025 meer inzicht gekomen in de ruimtelijke maatregelen die gemeenten kunnen nemen om gezondheidsrisico’s voor inwoners te beperken [21] . De maatschappelijke aandacht voor dit onderwerp is de afgelopen jaren sterk toegenomen en ook bij inwoners van de gemeente Bergen leven in toenemende mate zorgen. In 2024 is de gemeente een onderzoek[22] gestart naar de waterkwaliteit en de luchtkwaliteit. Tegelijkertijd werkt de bollensector aan vermindering van het gebruik van bestrijdingsmiddelen. Het onderwerp ‘Bestrijdingsmiddelen & gezondheid’ wordt vanwege toegenomen maatschappelijke aandacht en de verantwoordelijkheden van de gemeente op het thema gezondheid geagendeerd via een informatiebijeenkomst voor de (nieuwe) gemeenteraad. Daarbij zorgt de gemeente voor een transparant en zorgvuldig proces richting inwoners en ondernemers. Inzet gemeentelijke grondeigendom 4. Pilot biologische bollenteelt op gemeentegrond Egmond aan den Hoef In 2025 is de gemeente Bergen gestart met een meerjarige pilot biologische bollenteelt in samenwerking met een bollenteler uit Egmond. De gemeente verpacht 7,5 hectare grond in Egmond aan den Hoef voor een periode van minimaal zes jaar met intentie tot verlenging met nogmaals zes jaar. In pilot kiest de gemeente nadrukkelijk voor faciliteren en samenwerken in plaats van het opleggen van verplichtingen. De gemeente komt de bollenteler tegemoet met gunstige pachtvoorwaarden en financiert de begeleiding door een transitiecoach. Door kennisdeling te stimuleren ontstaat nieuw perspectief voor bollentelers die te maken hebben met toenemende regelgeving. Van de pachter wordt verwacht dat binnen drie jaar een SKAL-certificaat wordt behaald en behouden, en dat actief kennis wordt gedeeld met collega-telers. De gemeente Bergen draagt bij aan de afzet van de biologische bollen en plant deze aan in gemeentelijke plantsoenen. Als de pilot succesvol verloopt, dan zorgt dit voor een toename van het landelijke areaal biologische bollenteelt met ruim 10%. Met deze pilot investeert de gemeente in de toekomstbestendigheid van de bollensector. Door te experimenteren en te leren in de praktijk, ontstaat inzicht in wat werkt en hoe duurzame bollenteelt verder kan worden opgeschaald. Bergen is de eerste gemeente in Nederland die via actief grondbeleid de biologische bollenteelt stimuleert. Samenwerking, onderzoek en tijdelijke impulsen 5. Gemeentelijke stimuleringsregeling Biodiversiteit op het boerenerf Sinds 2024 voeren de BUCH-gemeenten samen met Agrarische Natuurvereniging Water, Land & Dijken het project Biodiversiteit op het boerenerf uit. Een veldcoördinator voert erfscans uit en stelt samen met de agrariër een pakket maatregelen samen. Waar mogelijk worden cultuurhistorische waarden en/of historische erfbeplanting hersteld. De gemeente vergoedt de kosten tot een maximumbedrag; de agrariër verzorgt de aanplant en het onderhoud. In de gemeente Bergen zijn t/m 2025 al meer dan tien erfscans uitgevoerd. In 2026 en 2027 wordt ingezet op ongeveer tien erfscans per jaar. De maatregel is laagdrempelig, breed gedragen en draagt direct bij aan herstel van de biodiversiteit, landschap, cultuurhistorie en/of klimaat. Voor bedrijven is dit een laagdrempelige natuurinclusieve maatregel [25]. 6. Stimuleringsregeling 1001 ha kruidenrijk grasland (en groenbemesters) Agrariërs in de gemeente Bergen kunnen voor maximaal 6 hectare gebruikmaken van korting op kruidenrijke grasmengsels of groenbemestermengsels met vlinderbloemige stikstofbindende planten. Deze korting maakt onderdeel uit van de landelijke campagne 1001 hectare kruidenrijk grasland, een initiatief van Urgenda en LTO Nederland om agrariërs laagdrempelig te laten experimenteren met een duurzamere bedrijfsvoering. Deelnemers ontvangen 40% korting op de mengsels. Landelijk geldt dit voor maximaal 3 hectare per bedrijf, de gemeente Bergen verdubbelt dit maximum. De gemeente zet haar bijdrage aan de campagne de komende twee jaar voort, met als streven jaarlijks vijf tot tien deelnemende bedrijven te ondersteunen. De maatregel vormt een directe (tijdelijk danwel permanente) bijdrage aan het herstel van de biodiversiteit. 7. Bioregio Alkmaar De gemeenten Alkmaar, Dijk & Waard, Heiloo en Bergen en Bio-NH doen onderzoek naar het oprichten van een Bioregio Alkmaar[26]. Een bioregio is een samenwerkingsvorm waarin overheid, ondernemers en kennisinstellingen samenwerken aan de groei van biologische productie en verkoop. Het onderzoek richt zich op het in kaart brengen van kansen, knelpunten en randvoorwaarden voor het vergroten van biologische productie en regionale afzet. Daarbij wordt o.a. gekeken welke bedrijven willen of kunnen omschakelen, welke afzetkanalen regionaal versterkt kunnen worden, welke ondersteuning (financieel, organisatorisch, kennis) nodig is, hoe vraag en aanbod beter op elkaar kunnen aansluiten en welke rol gemeenten, provincie en ketenpartners kunnen spelen. Oplevering van het onderzoek en besluitvorming over het vervolg wordt verwacht in 2026. 8. Versterking maatschappelijke verbinding boer, burger en korte ketens De gemeente Bergen hecht grote waarde aan initiatieven die de verbinding tussen boer, burger, natuur en landschap versterken. Zulke initiatieven dragen bij aan korte ketens, vergroten het begrip tussen agrariërs en inwoners en versterken het draagvlak voor een toekomstbestendig landelijk gebied. De gemeente wil deze initiatieven koesteren en waar nodig ondersteunen. In 2025 bleek tijdens de participatieve tentoonstelling van kunstenaar Arne Hendriks in museum Kranenburgh hoe sterk inwoners en bezoekers zich verbonden voelen met de polder en het agrarisch landschap. In 2026 wordt de opbrengst van deze expositie teruggekoppeld en krijgt het project een vervolg. Ook nieuwe initiatieven ontstaan vanuit de samenleving. Een actueel voorbeeld is het onderzoek naar regeneratieve en gemeenschapslandbouw in Noord-Kennemerland[27] , waarin wordt verkend hoe landbouw en lokale gemeenschappen elkaar kunnen versterken. Daarnaast zal het Communicatieplan Circulaire Economie[28] bijdragen aan meer bewustwording en samenwerking tussen ondernemers en organisaties, wat de ontwikkeling van korte ketens verder stimuleert. [18] Op dit moment vindt veel onderzoek plaats naar nieuwe grondinstrumenten voor landbouwgrond (zoals afwaardering, publieke grondbanken, waardenverkaveling en voorkeursrechten voor agrarisch blijvende grond). Er bestaan nog geen uitgewerkte of breed toepasbare regelingen. Mogelijkheden om speculatie te beperken zijn er in Nederland op dit moment niet. Wel zijn er mogelijkheden op basis van vrijwilligheid, zoals gebiedscoöperaties, vrijwillige kavelruil, boerenlandgoederen (Natuurschoonwet) en maatschappelijke initiatieven zoals Land van Ons. In de leeromgeving Egmondermeer onderzoekt de gemeente mogelijkheden en draagvlak. [19] Zaken die al door agrariërs zijn aangedragen zijn o.a. voorkomen van mestaanvoer van buiten de regio, grondspeculatie/ beschikbaarheid van grond voor lokale toekomstboeren, en het voorkomen van (tijdelijke of permanente) omzetting van grasland naar bollengrond buiten aangewezen gebieden. Daarnaast kan nut & noodzaak van actualisatie van agrarische bouwvlakken (deze dateren veelal uit 1994) worden verkend en de mogelijke meerwaarde van beleidsregels veehouderij. [20] De win-win regeling is een manier om ontwikkelingen op agrarische erven te verbinden met investeringen in de kwaliteit van het buitengebied. In Noord-Brabantse gemeenten wordt de regeling al jaren toegepast. Bij plannen voor erfontwikkelingen dient een initiatiefnemer tegelijkertijd een aantoonbare bijdrage te leveren aan verduurzaming van de landbouw, biodiversiteit en/of landschap & cultuurhistorie. Bijvoorbeeld: aanleg van landschapselementen of extensiveren van landbouwgrond. [21] Zie o.a. de Gemeentelijke Handleiding bestrijdingsmiddelen & gezondheid (Urgenda en Natuur & Milieu, 2025), de Leidraad agrarisch gebruik gewasbeschermingsmiddelen voor gemeenten (KAVB, LTO 2025) en het ‘Advies inzake mogelijkheden reguleren sierteelt (Pels Reijcken, 2025) aan de gemeente Westerveld. Een landelijk of provinciaal beleidskader ontbreekt nog. [22] Begin 2024 is er veel publiciteit geweest rond de stof Dinoterb in de duinstreek van Noord-Holland. Dat heeft voor zorgen onder inwoners gezorgd en vragen van raadsleden. De gemeente Bergen daarom een onderzoek gestart naar waterkwaliteit en naar luchtkwaliteit. Het waterkwaliteitsonderzoek is in 2025 afgerond; er zijn er geen gewasbeschermingsmiddelen normoverschrijdend aangetroffen in het oppervlaktewater en ook is er geconstateerd dat er niet of nauwelijks sprake is van toxische druk. Het luchtkwaliteitsonderzoek loopt nog t/m maart 2026. [25] Verkend wordt of deze maatregel aan het Landbouwportaal Noord-Holland kan worden gekoppeld. Dit kan het bereik onder agrariërs vergroten en de inzet van veldcoördinatoren / erfcoaches mogelijk efficiënter te maken. [26] Parallel hieraan loopt het initiatief BioFieldlab Noord-Holland Noord, gericht op ondersteuning van agrariërs die al op hoog NIL-niveau 2 of 3 werken bij het verder ontwikkelen van circulaire bedrijfsvoering, het sluiten van kringlopen en het versterken van korte ketens. In het BioFieldlab worden teeltinnovaties, bodemverbetering, regionale samenwerking en ketenontwikkeling in de praktijk getest en opgeschaald. Het onderzoek naar de Bioregio Alkmaar en BioFieldlab Noord-Holland Noord versterken elkaar. [27] Initiatief van Groente Genootschap en And The People in samenwerking BUCH-gemeenten en PWN. In het onderzoek wordt een breed palet aan regeneratieve landbouw inclusief verbinding tussen mens/ gemeenschap, land en beheer onderzocht. Het beoogde resultaat is een reeks strategische principes en ruimtelijke prototypes die kunnen worden toegepast in de regio Kennemerland en eventueel concrete kansen. [2 8] Dit plan is onderdeel van het Programma Klimaat 2025-2030 en gericht op bewustwording en samenwerking, waarbij het streven is om meer ondernemers en organisaties te betrekken bij de circulaire economie, waar de landbouw onderdeel van uitmaakt. 4.3 Tot slot De gemeente Bergen werkt niet alleen via concrete maatregelen aan de ontwikkeling van natuurinclusievelandbouw. Dit deelprogramma heeft nadrukkelijk een lerend karakter: gemeente en gebiedspartijen ontwikkelensamen kennis, verkennen wat werkt in de praktijk en spelen in op nieuwe inzichten. De gemeente volgt actueleontwikkelingen en brengt belangen van agrarische bedrijven, inwoners en de natuurinclusieve transitie in bijbeleidsontwikkeling zoals de provinciale Omgevingsvisie Noord‑Holland. Via gebiedsregisseurs, dorpsraden,het Erfgoedplatform, gebiedsprocessen en bijeenkomsten zoals mini‑symposia blijft de gemeente in gesprekmet agrariërs, inwoners en ondernemers. Waar zich gebiedsgerichte kansen voordoen, werkt de gemeentegraag samen met agrarische ondernemers en andere partners om die te benutten. 5 Organisatie en monitoring 5.1 Organisatie, informatie en participatie tijdens de uitvoering De uitvoering van het deelprogramma Transitie Natuurinclusieve Landbouw valt onder bestuurlijkeverantwoordelijkheid van het College van B&W. De ambtelijke organisatie werkt programmatisch aan deverschillende activiteiten. Voor elke maatregel wordt een passende manier van participatie georganiseerd. Alsonderdeel of resultaat van een aantal maatregelen [29] kan een College- en/of raadsvoorstel worden uitgewerkt. Het deelprogramma vormt een verdieping op het Programma Klimaat - onderdeel Circulaire Economie. Vanuit hetProgramma Klimaat wordt de voortgang bewaakt, waar nodig geprioriteerd en aan het College gerapporteerd.De gemeenteraad wordt jaarlijks geïnformeerd over de voortgang. 5.2 Financiën & capaciteit De kosten voor uitvoering van de maatregelen worden begroot op €185.500, - in 2026 en €113.000,- in 2027.De maatregelen worden uitgevoerd met de bestaande capaciteit en binnen de beschikbare budgetten diezijn opgenomen in de Kadernota [30] en Meerjarenbegroting 2025-2029 voor Programma Klimaat en de subsidie‘Duinrandboeren’. Waar nodig en/of als zich kansen voordoen worden subsidiemogelijkheden onderzocht. Begroting Voor de maatregel ‘Bestrijdingsmiddelen & Gezondheid’ is voor 2026 een bedrag van €15.000,- begroot voorhet uitvoeren van een juridische verkenning en het organiseren van een informatiebijeenkomst voor de raad.Het thema is nieuw in de organisatie; capaciteit en budget is verder nog niet begroot. Voor het voorbereidenvan een raadsvoorstel voor een aanpak van ‘bestrijdingsmiddelen & gezondheid’ zal capaciteit en budgetworden aangevraagd via de P&C-cyclus (Begroting 2027). De uiteindelijke kosten zijn afhankelijk van de ambitievan de gemeenteraad. Voor de maatregel ‘Proeftuin Egmondermeer’ en ‘Onderzoek Bioregio Alkmaar’ is nog niet bekend of/op welkemanier het vervolg eruit gaat zien en wat de kosten en eventuele gemeentelijke bijdrage is. Indien nodig zalaanvullende financiering moeten worden gezocht, in de vorm van subsidies en/of een extra gemeentelijke bijdrage [31]. [29] In de overzichtstabel op pagina 21 zijn de maatregelen die mogelijk leiden tot een College- of raadsvoorstel gemarkeerd met **. Dit betreft maatregel 1. Proeftuin Egmondermeer en 2. Onderzoek bevordering natuurinclusieve landbouw in Omgevingsplan Buitengebied. 3.Gewasbeschermingsmiddelen & gezondheid en 7. Onderzoek Bioregio Alkmaar. [30] Bron: Kadernota Gemeente Bergen 2026. [31] Voor het proces in de Egmondermeer is dit in het Programma Klimaat 2025-2030 al aangegeven. 5.3 Monitoring en evaluatie Omgevingsprogramma’s moeten verplicht worden gemonitord, geëvalueerd en geactualiseerd. De transitie naar natuurinclusieve landbouw is geen gebaande weg. Nieuwe inzichten volgen elkaar in hoog tempo op. Daarom kiest de gemeente voor een deelprogramma met een lerend en flexibel karakter en een uitvoeringsprogramma van 2 jaar. Dit maakt het mogelijk om optimaal in te spelen op ontwikkelingen in de agrarische sector in de gemeente, inzichten uit de Egmondermeer en relevante trends en beleidswijzigingen op provinciaal en landelijk niveau. De inzet van de gemeente zal zich in de komende jaren mee ontwikkelen. Structureel contact en goede samenwerking met betrokken partijen is hierin essentieel; de wijze waarop wordt in overleg met deze partijen nader vormgegeven. Het uitvoeringsprogramma betreft maatregelen in 2026 en 2027. Daarna worden ze geëvalueerd. Ook worden de NIL-niveaus van de agrarische bedrijven (globaal) in beeld gebracht[32]. Dit geeft inzicht in de positie van bedrijven binnen de transitie, maakt het mogelijk om de voortgang in de jaren daarna te monitoren en biedt een indicatie van de bijdrage van de sector aan beleidsdoelen zoals biodiversiteit, CO2-reductie en biologisch areaal. De informatie draagt ook bij aan erkenning van de inspanningen van agrarische ondernemers. Het deelprogramma wordt als geheel na vier jaar geëvalueerd en geactualiseerd, in samenhang met het Programma Klimaat 2025–2030. [32] Indien beschikbaar kan hierbij mogelijk gebruik worden gemaakt van Biodiversiteitsmonitor melkveehouderij. Bronnenlijst Agenda Natuurinclusief. (z.j.). Agenda Natuurinclusief 2.0. Collectief Natuurinclusief. https://www.agendanatuurinclusief.nl Blikopeners.nu / Labora Returns
(2022), Ruimte voor ondernemen met de natuur in de BUCH Collectief Natuurinclusief.
(2024). Routekaart natuurinclusieve landbouw. Gemeente Bergen NH.
(2026). Kadernota Gemeente Bergen NH 2026. Het PON & Telos, & Studio Marco Vermeulen.
(2022). De cirkel rond?! Kansen voor kringlooplandbouw in Noord-Holland. https://marcovermeulen.eu/nl/projecten/de+cirkel+rond LTO.
(2025). Natuurinclusieve land- en tuinbouw: een kans voor alle sectoren. LTO Kennemerland. (z.j.). Visie LTO Kennemerland. LTO Nederland. (z.j.). Toekomstvisie 2030, Een optimistisch manifest Over goed eten, mooi groen en sterk ondernemerschap. LTO, KAVB, & overige partners.
(2025). Leidraad agrarisch gebruik gewasbeschermingsmiddelen voor gemeenten. Louis Bolk Instituut & CLM.
(2024). Natuurinclusieve landbouw in de praktijk: Concretisering natuurinclusieve landbouw. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.
(2019). Toekomstvisie gewasbescherming 2030: Naar weerbare teeltsystemen. Rijksoverheid. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.
(2018). Landbouw, natuur en voedsel: Waardevol en verbonden – Nederland als koploper in kringlooplandbouw. Onno van Eijk, Dirk van der Beek
(2023). BUCH verdiepende gesprekken in de ruimte. Pels Rijcken.
(2025). Advies inzake mogelijkheden reguleren sierteelt. Smits, Dawson & Schrijver
(2024). Verdienmodellen voor natuurinclusieve landbouw: Stand van zaken en hoe nu verder. Studio Makkink&Bey
(2023). Open polder proces; Egmondermeer en omringende polders. Sweco
(2023). Landbouwkundig onderzoek Weidse Polders: Landbouwkundig onderzoek in het kader van het gebiedsproces ter ontwikkeling van het Natuurnetwerk in de gemeente Bergen (NH). Provincie NoordHolland. Tanja Beentjes & Helmer Wieringa
(2026). Juridisch Advies Gezondheid, gewasbeschermingsmiddelen en lokale regie. Urgenda & Natuur & Milieu.
(2025). Gemeentelijke handleiding regulering bestrijdingsmiddelen. Vereniging van Nederlandse Gemeenten.
(2025). Brief kabinet – Veranderend grondgebruik. https://vng.nl/sites/default/files/2025-07/20250715-brief-kabinet-veranderend-grondgebruik.pdf Vereniging van Nederlandse Gemeenten.
(2025). Handreiking multifunctionele landbouw en de Omgevingswet. Wageningen Environmental Research & Louis Bolk Instituut.
(2025). Concretisering natuurinclusieve landbouw: Ambitieniveaus in woorden en cijfers voor melkveehouderij en akkerbouw. https://open.overheid.nl/documenten/02744f41-5aa7-41c3-983d-324ad3cce89d/file Wageningen University & Research. (z.j.). Hoeveel kan natuurinclusieve landbouw bijdragen aan een duurzamer landelijk gebied? https://www.wur.nl/nl/nieuws/hoeveel-kan-natuurinclusieve-landbouw-bijdragen-aan-een-duurzamer-landelijkgebied WIJ.land.
(2025). Onder de streep. Bijlage 1 Landbouw in de gemeente Bergen Voor deze bijlage is gebruik gemaakt diverse bronnen uit de bronnenlijst, input uit gesprekken en openbare informatie over landbouw trends. Belangrijkste bron is de Landbouwkundige Inventarisatie Weidse Polders uit 2022. Hoofdvormen van landbouwkundig gebruik - Veehouderij en bollenteelt zijn de twee hoofdvormen van landbouwkundig gebruik. Daarnaast zijn er paardenhouderijen, gemengde bedrijven met zorg en een burgerboerderij. Verandering landbouwstructuur - De landbouwstructuur verandert. Het aantal agrarische bedrijven is de afgelopen twintig jaar sterk afgenomen en de omvang van de bedrijven in hectares toegenomen. In 2021 besloeg de landbouw in de gemeente Bergen ongeveer 2.817 hectare en circa 74 agrarische bedrijven, waarvan ongeveer driekwart veehouderij en een kwart sierteelt/ bollenteelt. Het aantal bedrijven is inmiddels verder afgenomen. Niet alle bedrijven hebben een opvolger. De totale landbouwproductie in de gemeente Bergen bedroeg in 2021 ongeveer €27 miljoen. De sierteelt/bollenteelt is qua financiële omvang veruit de grootste sector; de veehouderij beslaat veruit het grootste grondoppervlak binnen de gemeente. Beide sectoren zijn sterk afhankelijk van exportmarkten. Bedrijfsmodellen - Er is een grote diversiteit aan bedrijfsmodellen; van kleinschalig tot grootschalig, innovatief of traditioneel en variërend van gangbaar tot (deels) natuurinclusief of biologisch. Verbreding van het bedrijfsmodel - Steeds meer agrariërs ontwikkelen nevenactiviteiten zoals zorglandbouw, natuurbeheer, boerencampings, huisverkoop of toeristische diensten. In 2020 had ongeveer 85% van de bedrijven een vorm van verbreding; bij een derde vormt dit inmiddels meer dan de helft van de omzet. De maatschappelijke vraag naar lokaal en gezond voedsel groeit. Uit onderzoek van de gemeente Bergen naar korte ketens in 2024 bleek dat lokale aanbieders aan hun maximumproductie zaten om de vraag te beantwoorden. Agrarische bedrijven die (nog) vooral voor de wereldmarkt produceren, wilden geen (gedeeltelijke) overstap naar lokale afzet maken. Toenemende druk - Ondernemers krijgen te maken met aangescherpte regelgeving, hoge kosten voor externe input, stikstof- en wateropgaven, weersextremen door klimaatverandering en een groeiende recreatieve druk. Dit maakt de bedrijfsvoering complexer en vergroot de risico’s. Iedere situatie is daarbij uniek. Druk op agrarische grondmarkt - Provinciale aankopen voor natuur, particuliere interesse in erven en percelen, en de behoefte aan extra grond van veehouders voor extensivering o.a. voor afzet van mest en van tulpenbroeiers voor schaalvergroting zorgen voor hoge agrarische grondprijzen. Dit maakt uitbreiding of extensivering voor veel bedrijven moeilijk. Betaalbaarheid van agrarische grond vormt een steeds groter knelpunt, in het bijzonder voor veehouderijbedrijven. Afhankelijkheid van pacht - Veel ondernemers zijn afhankelijk van pacht, wat hen kwetsbaar maakt voor veranderingen in eigendom of pachtvoorwaarden. Een aanzienlijk deel van de landbouwgrond is in handen van natuurorganisaties, overheden, particuliere eigenaren of andere agrarische bedrijven. Bedrijven zonder opvolger - In de komende jaren zal een deel van de agrarische ondernemers in de gemeente Bergen hun bedrijf beëindigen. Bedrijfsbeëindiging biedt ruimte voor agrarische bedrijven die willen investeren in een natuurinclusieve toekomst. Voor agrariërs die hun bedrijf willen beëindigen, is het vanwege fiscale regels echter vaak financieel niet aantrekkelijk hun grond te verkopen. Daardoor blijven gronden vaak nog lange tijd verpacht. Bij bedrijfsbeëindiging vindt regelmatig functieverandering plaats, wat ten koste gaat van de agrarische identiteit van het landschap. Om verpaupering van vrijkomende agrarische bebouwing te voorkomen zijn goede hergebruikmogelijkheden met behoud van landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteit nodig. Ontsluiting - De bereikbaarheid van agrarische percelen en verkeersveiligheid staat onder druk door de combinatie van landbouwverkeer, recreatie en doorgaand verkeer, vooral op smalle wegen en historische dijken. In delen van Schoorl is dit verbeterd via vrijwillige ruilverkaveling. Duurzaamheid & innovatie - Veel ondernemers investeren in duurzaamheid en innovatie, zoals zonnepanelen op daken, alternatieve brandstoffen, bodemverbetering, extensivering en weidevogelbeheer. Sommige bedrijven werken (deels of geheel) biologisch. Bollentelers werken aan de vermindering van het gebruik van bestrijdingsmiddelen o.a. door precisie-technieken en weerbare teeltsystemen. Deze ontwikkelingen dragen bij aan een toekomstbestendige landbouwsector. Beperkingen aan ontwikkelingsruimte - De Omgevingsvisie staat ontwikkelingen toe mits die met respect voor de waarden in het gebied worden gerealiseerd. Dit brengt met zich mee dat er grenzen zijn aan groei. Natuurinclusieve agrarische bedrijven in het buitengebied kunnen groeien, maar compact en binnen de kaders voor de omvang die Omgevingsvisie en de provincie stelt. Ontwikkelingen zoals voedselbossen zijn in grote delen van het landelijk gebied in de gemeente niet mogelijk vanwege de landschappelijke waarden (openheid) en weidevogels. Maatschappelijke ontwikkelingen - Maatschappelijk groeit de belangstelling voor lokaal en duurzaam voedsel. Initiatieven zoals Herenboeren en Land van Ons laten zien dat inwoners actief willen bijdragen aan een toekomstbestendig voedselsysteem. De vraag naar korte ketens, lokale producten en natuur-inclusieve teelt, - een nog relatief klein aandeel van de markt -, neemt toe en versterkt de band tussen inwoners en het landelijk gebied. Tegelijkertijd groeit de zorg over het gebruik van bestrijdingsmiddelen, wat de behoefte aan transparantie en duurzame teeltmethoden versterkt. Deze ontwikkelingen bieden kansen voor verbreding, nieuwe afzetmarkten en samenwerking tussen agrariërs en lokale gemeenschappen. Bijlage 2 Natuurinclusieve Landbouw; toelichting principes, pijlers en bijdrage aan maatschappelijke doelen [33] Drie principes Natuurinclusieve landbouw werkt met drie principes: benutten van de natuur, sparen van de natuur en verzorgen van de natuur. Biodiversiteit vormt de basis van een bedrijf (benutten), de bedrijfsvoering voorkomt negatieve effecten op natuur, milieu en leefomgeving (sparen) en draagt zorg voor natuur en landschap (verzorgen). Een bedrijfsvoering met deze drie principes produceert voedsel binnen de grenzen van natuur, milieu en leefomgeving en draagt bij aan het behoud en herstel van biodiversiteit. Vier pijlers De principes werken door in vier verschillende pijlers: functionele agrobiodiversiteit (FAB), landschappelijke diversiteit, specifieke soorten en brongebieden en verbindingen: functionele agrobiodiversiteit - Deze term staat voor biodiversiteit die nuttig is voor de agrarische processen. Denk aan het bodemleven, zoals regenwormen die met hun gangen bijdragen aan een goede bodemstructuur (inclusief afwatering). En insecten en spinnen die helpen bij plaagbeheersing en bestuiving van gewassen. landschappelijke diversiteit - Een variatie aan landschapselementen zoals (historische) erfbeplanting, slootkanten en bermen vormen het leefgebied voor de soorten die een rol spelen in functionele agrobiodiversiteit en voor planten- en diersoorten in het landelijk gebied. Hoe meer variatie en kwaliteit van leefgebieden, hoe meer verschillende soorten zich er thuis voelen. specifieke soorten - Een aantal soorten komt bij uitstek voor in het agrarisch gebied, zoals de weidevogels en akkervogels (boerenlandvogels). Voor sommige van die soorten zijn aanvullende maatregelen nodig om de juiste leefruimte te bieden en in stand te houden. Denk bijvoorbeeld aan een goed mozaïekbeheer voor weidevogels en ‘vogelvriendelijk’ maaibeheer. brongebieden en verbindingen - Biodiversiteit stopt niet aan de rand van een bedrijf. Het is dus belangrijk om beheer op regionaal niveau af te stemmen en te zorgen voor (natte en droge) verbindingen tussen natuur in agrarisch gebied en natuurgebieden en andere hotspots van biodiversiteit. Hiervoor is afstemming tussen agrariërs, waterschappen en natuurbeheerders nodig. Bijdrage aan maatschappelijke doelen Natuurinclusieve landbouw draagt bij aan meerdere maatschappelijke doelen tegelijk, aan een veerkrachtig landbouwsysteem én aan belangrijke beleidsdoelen. Door te werken met gezonde bodems, minder kunstmest en minder chemische bestrijdingsmiddelen neemt de uitstoot van CO₂, stikstof, verminderen uitspoeling van nutriënten en nemen andere emissies af. Een rijkere bodem legt CO2 vast. Meer groenblauwe structuren verbeteren biodiversiteit, waterkwaliteit en kunnen de weerbaarheid van gewassen helpen versterken. Daarnaast helpt een natuurinclusieve bedrijfsvoering om beter om te gaan met droogte en wateroverlast, waardoor het landschap klimaatbestendiger wordt. Zo ondersteunt natuurinclusieve landbouw zowel de landelijke klimaat- en wateropgaven als de doelen voor biodiversiteit en een gezonde leefomgeving. Door landbouwpraktijken beter te verbinden met natuurlijke processen verbetert de biodiversiteit, de bodem- en waterkwaliteit en wordt het landbouwsysteem veerkrachtiger tegen klimaatverandering. Tegelijk ontstaat een aantrekkelijker landschap en een gezondere leefomgeving, terwijl boeren werken aan een toekomstbestendige bedrijfsvoering die beter aansluit bij maatschappelijke en marktontwikkelingen. [33] Bron: Natuurinclusieve Landbouw in de praktijk (CLM/ Louis Bolk, 2024) Deelprogramma Biodiversiteitsherstel Samenvatting Het deelprogramma Biodiversiteitsherstel is onderdeel van het Omgevingsprogramma Landelijk Gebied GemeenteBergen. In dit document wordt de koers uit de Omgevingsvisie Gemeente Bergen 2040 met betrekking totbiodiversiteit geconcretiseerd en vertaald naar maatregelen. Ambitie Omgevingsvisie Gemeente Bergen 2040 De biodiversiteit in Nederland staat onder druk. Steeds meer plant- en diersoorten nemen in aantal af en verdwijnenuit gebieden. Onze omgevingsvisie geeft aan dat het hard nodig is om de biodiversiteit te verbeteren, omdat denatuur achteruit gaat en planten en dieren verdwijnen. Inwoners en ondernemers worden uitgenodigd om daaraanbij te dragen. We moeten het herstel van de biodiversiteit samen oppakken. Opzet In het Deelprogramma Biodiversiteit richten we ons op het buitengebied van de gemeente. Het programma richtniet op het stedelijk gebied. Om in het stedelijk gebied de biodiversiteit te versterken zijn al maatregelen openomenin het Groenbeleidsplan. Ook voor de duinen lopen al herstel- en beheerprogramma’s. We richten ons daaromop het verbeteren van de biodiversiteit van het landelijk gebied, het poldergebied van de gemeente. Waar in deomgevingsvisie staat aangeven wat we willen, gaan we in dit deelprogramma in op hoe we dat gaan doen. Een manier om naar de staat van de biodiversiteit te kijken is het in beeld brengen van de Basiskwaliteit Natuur.Wanneer deze methode wordt toegepast op Bergen is te zien dat de basiskwaliteit niet op orde is. In veel polders isde kwaliteit matig, of onvoldoende. Er is dus werk te doen. Maatregelen Waar liggen concreet kansen om de biodiversiteit te vergroten? Per polder, of cluster van polders wordt in ditdeelprogramma ingegaan op de mogelijkheden die er liggen om de biodiversiteit te versterken. Er zijn gebieden waaral processen lopen waarbij herstel van de natuur aan de orde komt, zoals het Gebiedsproces Weidse Polders. Inandere polders bestaan eveneens kansen om samen met andere partijen, zoals het hoogheemraadschap, agrariërsen natuurbeheerders te werken aan herstel van de biodiversiteit. Uitvoering Als gemeente zetten we concreet in op een paar projecten waarin we zelf de lead nemen. Verder zijn we partner enhelpen we met het mogelijk maken van de projecten van anderen. Met het herstel en vervolgens de instandhoudingvan de natuur zijn grote bedragen gemoeid. Met name de provincie is door het rijk aangewezen als belangrijke partijom dit te financieren. 1 Inleiding 1.1 Waarom een programma voor biodiversiteitsherstel? Wat is een omgevingsprogramma? Het Deelprogramma Biodiversiteitsherstel vormt samen met de deelprogramma’s Landbouw en Landschap het Omgevingsprogramma Landelijk Gebied Bergen. De Omgevingswet onderscheidt verschillende instrumenten voor beleid, regelgeving en vergunningen. Een omgevingsprogramma is een beleidsdocument om ontwikkeling, gebruik, beheer en behoud van de fysieke leefomgeving uit te werken. Het college stelt een programma vast. De kaders voor het omgevingsprogramma zijn door de gemeenteraad vastgelegd in de omgevingsvisie. Wat zegt de Omgevingsvisie Bergen 2040 over herstel biodiversiteit? In de Omgevingsvisie Gemeente Bergen, uit 2023 is helder verwoord wat de opgave is op het gebied van biodiversiteit: “Hard nodig is ook het verbeteren van de biodiversiteit. Wereldwijd, maar zeker ook in Nederland is het aantal planten en dieren sterk afgenomen. Dat is bedreigend voor de natuur, maar ook voor onze landbouwgewassen en uiteindelijk voor het leven op aarde. In onze leefomgeving geven we daarom ruimte voor meer verschillende soorten planten en dieren. Dit doet de gemeente in de openbare ruimte, maar we nodigen ook inwoners en ondernemers uit om daaraan bij te dragen. Als onderdeel van d elandbouw, maar ook op tuinen en erven van particulieren. Het planten van bomen en struiken, vooral voor soorten die thuishoren in ons gebied, helpt voor de biodiversiteit. Maar ook het extensief beheren van landbouwgrond of bermen. En het inrichten van natuurlijke oevers of het herstellen van duinrellen.” [1] [1] Omgevingsvisie Gemeente Bergen 2040 1.2 Opzet In dit deelprogramma wordt eerst beschreven wat onder biodiversiteit wordt verstaan, wat trends en ontwikkelingen zijn en hoe zich dat vertaalt voor Bergen. Vervolgens wordt geschetst wat er gedaan kan worden om de negatieve trends te keren. Dit is in het derde hoofdstuk uitgewerkt in een concreet uitvoeringsprogramma voor het buitengebied van Bergen, waarbij per polder wordt ingegaan op de kansen die er liggen. 2 Over biodiversiteit 2.1 Wat is biodiversiteit? Het Compendium voor de leefomgeving geeft aan dat de term biodiversiteit (of biologische diversiteit) wordt gebruikt om de verscheidenheid van het leven op aarde te duiden. De begrippen biodiversiteit en natuur worden regelmatig als synoniemen gebruikt. ‘Natuur’ heeft echter doorgaans een ruimere betekenis. Van Dale definieert natuur als: alles op aarde wat niet door de mens is gemaakt: de planten, dieren, rivieren, bergen enz. De internationaal geaccepteerde definitie van biodiversiteit van de Verenigde Naties Conventie voor Biologische Diversiteit uit 1992, luidt: “de variabiliteit in organismen uit de gehele wereld, waaronder terrestrische, mariene en andere aquatische ecosystemen en de ecologische verbanden waar ze deel van uitmaken; de diversiteit betreft de variatie binnen soorten (genen), tussen soorten en tussen ecosystemen”. Een ecosysteem is het geheel aan planten, dieren en hun omgeving (zoals bodem, water, microklimaat) en hun interacties in een bepaald gebied, zoals een moeras of een bos. Het gaat hierbij niet om zoveel mogelijk soorten, maar het gaat om de (karakteristieke) leefomgeving waar ze onderdeel van uitmaken. Het behoud van die verschillende leefomgevingen (ecosystemen of landschappen) zeker als ze zeldzaam en karakteristiek zijn in Nederland, moet daarbij worden meegewogen. Bergen heeft veel van die karakteristieke leefomgevingen. Indicatoren gerelateerd aan natuur en biodiversiteit Onze gemeente herbergt een rijke diversiteit aan landschappen, met daaraan gerelateerde natuur: het duingebied met vochtige duinvalleien, duingraslanden en bossen; zilte graslanden achter de Hondsbossche Duinen; duinrellen in de binnenduinrand; een uitgestrekt agrarisch gebied met diverse kleinere natuurgebieden en hier en daar nog weidevogels. En verder landgoederen en tal van landschapselementen die natuurwaarden herbergen, zoals bosjes, dijken en waterlopen en natuur van het stedelijk gebied. 2.2 Trends en ontwikkelingen In het Living Planet Report van WWF uit 2024 staat dat de populaties van wilde dieren en planten wereldwijd in de afgelopen vijftig jaar gemiddeld met 73% zijn afgenomen. Ook voor Nederland geldt dat biodiversiteit er slecht voor staat. Soorten verdwijnen uit ons landelijk gebied, en de wettelijk beschermde soorten gaan voornamelijk achteruit. De biodiversiteit in Nederland staat onder druk. Steeds meer plant- en diersoorten nemen in aantal af en verdwijnen uit gebieden. Dit geldt niet alleen voor Rode Lijstsoorten, maar ook voor algemene soorten. Afname van de biodiversiteit en verslechtering van de natuurkwaliteit leidt tot een vermindering van de kwaliteit en kwantiteit van ecosystemen. Dat heeft een negatief effect op onder andere bodemvruchtbaarheid, plaagonderdrukking door natuurlijke vijanden, bestuiving van gewassen, zuivering van lucht en water en het tegengaan van hittestress. Een soortenrijke natuur is belangrijk voor een gezonde leefomgeving. Een afname van bijensoorten leidt bijvoorbeeld tot een afname van bestuiving van planten. Dit heeft als gevolg dat er minder voedsel voor vogels beschikbaar is, maar ook dat de productiviteit van planten en gewassen achteruit gaat. Door de toename aan landbouwactiviteiten in Nederland zijn graslanden die eerder soortenrijk waren monoculturen met raaigras geworden. Hier leven weinig (soorten) insecten, is minder voedsel beschikbaar voor insecteneters en zijn er dus ook minder prooidieren voor roofvogels. Rapporten over de staat van de natuur in Nederland laten zien dat er op veel plekken sprake is van natuurarmoede en dat de oorzaak ligt in de slechte milieucondities. De te hoge stikstofdepositie is één van de drukfactoren. Stikstofminnende planten verdringen andere soorten waardoor dieren en planten uit gebieden en habitats verdwijnen. Biodiversiteit in Noord-Holland De Provincie Noord-Holland hanteert bij het in beeld brengen van de trends in de biodiversiteit de Living Planet Index (LPI). De LPI is een indicator van de biodiversiteit die sinds 2007 over de gehele wereld gemeten wordt. De index wordt bepaald door de ontwikkeling (toename of afname) van de populaties van diersoorten en biedt inzicht in het leefmilieu. De LPI bevat alle diersoorten waarvan de trend is te bepalen. Dat zijn zowel diersoorten die kenmerkend zijn voor bepaalde leefgebieden als diersoorten die overal kunnen voorkomen. In NoordHolland is de afgelopen decennia een dalende trend te zien en neemt de biodiversiteit in Noord-Holland af. Voor de achteruitgang op provinciaal niveau zijn meerdere oorzaken aan te wijzen, zoals het verdwijnen van ‘groene’ elementen in het landschap, bijvoorbeeld bomen en heggen en schaalvergroting in het landgebruik. Verder verliest de natuur aan biodiversiteit door de verhoogde concentratie stikstof in de bodem en de matige tot slechte waterkwaliteit. Hoe staat het met de biodiversiteit in Bergen? Onze gemeente bestaat voor ongeveer de helft uit natuurgebied. Het duingebied neemt daarvan het grootste deel in. Verder liggen er verspreid in het polderland verschillende kleinere natuurgebieden, zoals de Putten, de Catrijpermoor, en de Loterijlanden. In de huidige vorm ontstaan onder menselijke invloed. De natuurgebieden bieden leefgebied voor veel verschillende planten- en diersoorten. Diezelfde menselijke invloed zorgt ervoor dat de biodiversiteit in het landelijk gebied is teruggelopen. Hoe is de kwaliteit van de natuur in het buitengebied van de gemeente Bergen? Recent is er een nieuwe methode ontwikkeld om hier inzicht in te krijgen. Er wordt hierbij gekeken naar de Basiskwaliteit Natuur (bron: Basiskwaliteitnatuur.nl). De natuur in Nederland wordt intensief gemonitord. Jaarlijks worden intensief planten en dieren geteld. Natuurbeheerders brengen de natuur van hun eigendommen in beeld. Alle waarnemingen worden verzameld in de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). Aan de hand van alle verzamelde informatie uit de NDFF is te zien of de basiskwaliteit die je in een gebied zou verwachten ook wordt gehaald. Het gaat bij Basiskwaliteit Natuur om een meetbaar kwaliteitsniveau van de natuur, met name buiten de natuurgebieden. Het geeft aan wanneer een bepaalde locatie voldoet aan een minimale standaard van de aanwezigheid van algemene, wijdverspreide wilde planten en dieren. Wanneer de methode wordt toegepast op Bergen is te zien dat de basiskwaliteit niet op orde is. In veel polders is de kwaliteit matig, of onvoldoende. Achteruitgang natuurkwaliteit Buiten de bestaande natuurgebieden is de kwaliteit van de natuur achteruitgegaan. Door versnippering, vermesting, vervuiling en verdroging is het lastig om de kwaliteit op peil te houden. Daardoor beginnen veel algemene soorten zoals de ringmus, gewone pad en allerlei insectensoorten uit het landschap te verdwijnen. In het agrarisch gebied zijn bijvoorbeeld de populaties van karakteristieke diersoorten sinds 1990 (zoogdieren, vlinders en vogels) gehalveerd. Ook buiten natuurgebieden is het van belang dat de basiskwaliteit op orde is (bodem, water, inrichting en beheer) die algemene soorten nodig hebben om algemeen te blijven. Wanneer de methode Basiskwaliteit Natuur wordt toegepast op het buitengebied van Bergen is te zien dat op de meeste plaatsen de gewenste basiskwaliteit niet wordt gehaald. Soorten die in het poldergebied aanwezig zijn wanneer de kwaliteit op orde is, ontbreken. 2.3 Wat is de opgave? In het Deelprogramma Biodiversiteitsherstel richten we ons op het buitengebied van de gemeente. Het programma richt niet op het stedelijk gebied. Om in het stedelijk gebied de biodiversiteit te versterken zijn maatregelen openomen in het Groenbeleidsplan. We richten ons met het omgevingsprogramma op het verbeteren van de biodiversiteit van het landelijk gebied, het poldergebied van de gemeente. Natuurlijk zijn er wel ruimtelijke en ecologische relaties tussen het stedelijk gebied en het omliggend landelijk gebied. Het programma richt zich ook niet op het duingebied. Voor het duingebied lopen uitgebreide Natura 2000 herstel- en beheerprogramma’s. Er zijn ook hier wel ruimtelijke en ecologische relaties met het duingebied. Centrale vraag is: Welke maatregelen moeten er genomen worden om de biodiversiteit in het buitengebied te versterken? Samenwerken aan ecologisch herstel In het buitengebied zijn veel partijen actief. Het grootste deel van de gronden is in eigendom en beheer bij agrariërs. Verder zijn natuurbeheerders zoals Landschap Noord-Holland, Natuurmonumenten, Staatsbosbeheer en PWN actief. Het hoogheemraadschap speelt een belangrijke rol bij het waterbeheer en het op peil houden van de waterkwaliteit. Verder speelt de provincie een belangrijke factor. Belangrijke subsidiestromen voor het landelijk gebied lopen via de provincie. De provincie heeft daarnaast diverse beleidsprogramma’s gericht op natuur, erfgoed en biodiversiteit. Als gemeente zijn we grondeigenaar, beheerder van de openbare ruimte en hebben we een stimulerende en faciliterende rol. Daarnaast zijn we vergunningverlener en beoordelen we plannen op de gevolgen voor ondermeer landschappelijke en cultuurhistorische waarden. Conclusie is dat werken aan herstel van de biodiversiteit vooral een kwestie is van samenwerken! 2.4 Streefbeeld Hoe ziet een biodivers landelijk gebied eruit? Karakteristiek voor het landelijk gebied van onze gemeente is onder andere: Binnenduinrand natuur De overgang die aanwezig is tussen de duinen en de polders, zorgt voor waardevolle natuur en zeer bijzondere omstandigheden. Het zgn. strandvlaktelandschap in de binnenduinrand staat deels onder invloed van kwel. In de grotendeels open polders liggen heeft het weidegebied potentie voor vochtige graslanden en kruiden- en faunarijke graslanden met enkele bosschages van loofbos. De waterlopen direct vanaf de duinvoet (duinrellen) hebben stromend water, met kenmerkende fauna en flora, zoals de kliomopwaterrannokel die voorkomt in kalkarme duinrellen. Graslanden en waterlopen onder invloed van brakke kwel Waar sprake is van brakke kwel, zoals in de Harger- en Pettemerpolder komen zilte graslanden tot ontwikkeling. Deze graslanden bevatten veel microreliëf en een rijk bodemleven, waardoor ze jaarrond een foerageergebied vormen voor grote aantallen vogels. De zilte omstandigheden zorgen verder voor een bijzondere plantengroei. Hier zijn zeekraal en schorrenkruid te vinden. Weilanden en schoonwater sloten De gemeente kent uitgebreide weidegebieden, met een uitgebreid patroon van sloten en vaarten. Waar weilanden extensiever worden gebruikt, ontstaat er ruimte voor een gevarieerde plantengroei en een rijk insectenleven. Er vliegen vlinders rond, waaronder het hooibeestje en het zwartsprietdikkopje. Sloten met schoon water hebben een rijk waterleven met een diverse plantengroei, waartussen tal van water- en oevergebonden diersoorten zich thuis voelen. Het wemelt er van de vis, zoals het driedoornig stekelbaarsje, dat op zijn beurt weer voedsel is voor de lepelaar. Natuur van akkers Akkerranden zijn positief voor akkervogels en insecten (voedsel, veiligheid en voortplantingshabitat). Tevens dragen ze bij aan de verbetering van de waterkwaliteit omdat ze als bufferzone fungeren tussen gewas en sloot. Er broeden leeuweriken en gele kwikstaarten. Biodiversiteit onder de grond Niet zichtbaar, maar wel heel belangrijk is de biodiversiteit onder de grond. In een gezonde bodem leven misschien wel meer organismen onder de grond dan daarboven. 2.5 Wat doet de gemeente al? Groenonderhoud In het Groenbeleidsplan Bergen 2021 – 2031 wordt onder andere ingezet op ecologisch maaibeheer, aanplant van extra groen, beheer zonder bestrijdingsmiddelen, toepassen inheemse soorten, beheer van natuurvriendelijke oevers, enz. Maatregelen die de biodiversiteit ten goede komen. Bescherming cultuurlandschap In de omgevingsvisie heeft de gemeente uitgesproken dat de komende jaren stevig wordt ingezet op het beschermen van landschappelijke en cultuurhistorische waarden. Onder andere in de vorm van karakteristieke gebieden. Omdat voor deze gebieden regels worden bepaald voor de instandhouding kan de natuur hier eveneens van profiteren. Natuurinclusief bouwen In 2022 is met de vaststelling van het beleidsplan ‘Op weg naar klimaatadaptieve en natuurinclusieve gemeenten’, het natuurinclusief bouwen ingevoerd. Bij iedere ruimtelijke ontwikkeling moet rekening worden gehouden met maatregelen. Dat kan gaan om maatregelen aan gebouwen zelf, zoals verblijven voor vleermuizen, of vogels, of om maatregelen in buitenruimte, waaronder aanleg van hagen, natuurvriendelijke oevers en bloemrijk grasland. Stimuleren landbouwtransitie De afgelopen jaren zijn er diverse pilots geweest om, samen met agrariërs te onderzoeken hoe de transitie naar een natuurinclusieve landbouw gestimuleerd kan worden, bijvoorbeeld met een subsidie voor bloemrijk grasland. Verder is er een gebiedsgerichte aanpak in de Egmondermeer, waarin samen met de veehouders uit het gebied een visie en strategie is ontwikkeld voor een toekomstbestendige veehouderij en een duurzame polder. Er is hierbij onder andere gekeken naar de biodiversiteit onder het maaiveld. Het deelprogramma Transitie Natuurinclusieve Landbouw geeft hier verder invulling aan. 3 Inzet op versterken biodiversiteit landelijk gebied 3.1 Verbeteren condities als basis voor natuurherstel Wat is er nodig om de biodiversiteit te versterken? Door het Kennisnetwerk Ontwikkeling en Beheer Natuurkwaliteit (OBN) zijn verschillende condities voor natuurherstel benoemd. Afbeelding.: Condities voor natuurherstel (Bron: Kennisdocument Basiskwaliteit Natuur) Hoe vertaalt zich dit naar de situatie in Bergen? Er liggen in het poldergebied kansen om het watersysteem schoner te maken. Vergroten van het areaal natuur ontstaat door het natuurnetwerk verder te vergroten en gebieden met elkaar te verbinden via een groenblauwe dooradering. Ontwikkeling en instandhouding van landschapselementen draagt bij een grotere diversiteit. Door natuurinclusieve landbouw te stimuleren zal vermindering van het teveel aan nutriënten en chemische stoffen optreden. Alle maatregelen samen zorgen voor een verbeterde biotische kwaliteit. Door het nemen van soortgerichte maatregelen kan voor specifieke soortgroepen de kwaliteit van het leefgebied worden verbeterd. Bijvoorbeeld voor weidevogels, of amfibieën. 3.2 Schoner Water Op Europees niveau is afgesproken dat de kwaliteitvan het grondwater en het water van sloten, plassen envaarten moet verbeteren. Deze afspraken zijn opgenomenin de Kaderrichtlijn Water (KRW). Dit wordt tegenwoordigook wel aangeduid als de “helderwaterdoelen”.In veel kanalen, poldersloten en meren valt er, doordathet water niet helder is, niet genoeg licht op de bodemvoor de ontwikkeling van waterplanten. De afwezigheidvan waterplanten zorgt voor een beperkte diversiteit aanvissen en andere dieren in het water. Uit onderzoek isgebleken dat het op veel plekken vrijwel niet mogelijk isom helder water te krijgen. Voor wateren die wel potentiehebben om helder te worden is als doel gesteld dit tebereiken tijdens de huidige KRW-periode (tot 2027).Of een water helder of troebel is, wordt sterk beïnvloeddoor de aanwezigheid van stikstof en fosfor. Deze stoffenkunnen van nature in de bodem of het grondwater aanwezigzijn, maar ook als meststof of uitstoot van buitenaf komen.Is er weinig stikstof en fosfor in het water aanwezig, danzijn er weinig algen en kroos in het water. Hierdoor valt erveel licht op de bodem waardoor waterplanten de kanskrijgen om te groeien. Dit trekt bepaalde kleine en groterewaterdieren aan die hierin gedijen. Vissen gebruiken dezewaterplanten om hun eitjes op af te zetten. Stikstof enfosfor zijn van nature altijd in bepaalde mate in het wateraanwezig, maar er kan ook een teveel van deze stoffenin het water zitten. In dit geval zullen er meer algen in hetwater groeien. Een teveel aan algen leidt tot troebel water.De waterplanten op de bodem krijgen geen licht meer enverdwijnen. Bij deze situatie hoort een bepaalde visstandvan vissen die hun voedsel in de bodem zoeken, zoals brasems en karpers. Door hun foerageergedrag houden deze soorten het troebele systeem mede in stand. (bron: Magazine Kaderrichtlijn Water, HHNK) In het buitengebied van de gemeente Bergen liggen verschillende polders waar het mogelijk is de waterkwaliteit substantieel te verbeteren (blauw op het kaartje). Het hoogheemraadschap gaat hier, samen met andere partijen, zoals de gemeente en agrariërs aan de slag met maatregelen. Daarbij kan gedacht worden aan het beperken van de inlaat van voedselrijk water, aanpassing van het maaibeheer, de aanleg van natuurvriendelijke oevers, enz. 3.3 Versterken NatuurNetwerk Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, dat is gericht op de bescherming, de instandhouding en zo nodig het herstel van een gunstige staat van instandhouding van soorten dieren en planten, van typen natuurlijke habitats en van leefgebieden van soorten die van nature in Nederland voorkomen. Het compleet maken van het NNN is essentieel voor de natuur, omdat het vaak de laatste schakels zijn die bepalend zijn voor het ecologische functioneren van het totale Natuurnetwerk. Door verstedelijking, industrie en landbouw zijn de meeste natuurgebieden versnipperd, waardoor ze kwetsbaar zijn voor invloeden van buitenaf en de biodiversiteit onder druk staat. Hoe groter het oppervlak van een natuurgebied, hoe beter de dieren en planten in dat gebied bestand zijn tegen verstoringen. Door de gebieden weer in een netwerk met elkaar in verbinding te brengen wordt het functionele oppervlakte van het netwerk groter, dit vergroot de weerbaarheid van de natuur. Dieren en planten gebruiken natuurverbindingen om zich te verplaatsen en daarmee andere deelgebieden van het netwerk te bereiken. De kans dat bepaalde soorten uitsterven, neemt daarmee af. Het NNN is daarnaast van waarde omdat het inwoners ontspanning, schonere lucht en betere waterkwaliteit biedt. Ook kan het helpen bij het aanpassen aan klimaatveranderingen, bijvoorbeeld als buffer bij fluctuaties in het waterpeil of het tegengaan van bodemdaling. In het provinciaal coalitieakkoord 20232027 is afgesproken om, buiten de reeds bestaande NNN-begrenzing, 300 ha NNN extra in de binnenduinrand aan te leggen. Deze NNN-hectares worden van elders in de provincie verlegd naar de binnenduinrand. Van de 300 ha moet voor nog ca. 250 ha een plek gevonden worden. De provincie maakt onderscheid in een aanpak voor NNN-realisatie binnen zgn. ‘focusgebieden’ en een aanpak erbuiten. Focusgebieden zijn tot NNN-begrensde gebieden in Noord-Holland met kwetsbare, stikstofgevoelige (moeras)natuur waarvoor natuurherstel het meest urgent is, gezien de huidige achteruitgang van de natuur. In onze gemeente liggen geen focusgebieden. Buiten de focusgebieden wordt NNN gerealiseerd door in te zetten op het benutten van kansen die zich voordoen, zoals: initiatieven van derden zoals terrein beherende organisaties (TBO’s), andere overheden en burgerinitiatieven; particulieren die hun grond willen omzetten naar natuur; ontwikkelingen die zich in een gebied aandienen, bijvoorbeeld mogelijkheden om NNN-realisatie te koppelen aan de uitvoering van andere opgaven.[2] [2] Realisatiestrategie 2025 voor het NNN in Noord-Holland 3.4 Groenblauwe dooradering Om landschapselementen, en daarmee de biodiversiteit, terug te brengen in ons land heeft de Stichting Deltaplan Biodiversiteitsherstel samen met de terrein beherende organisaties, agrarische brancheorganisaties, waterschappen, kennisinstellingen en met bijdragen van verschillende ministeries in 2022 het Aanvalsplan Landschapselementen opgesteld. Het Aanvalsplan heeft de ambitie een belangrijke bijdrage te leveren aan het halen van onze Europese verplichtingen rondom biodiversiteit (Vogel en Habitatrichtlijn), de klimaatopgave (Parijs) en schoon water (Kaderrichtlijn Water). Het Aanvalsplan Landschapselementen zet in op een netwerk van aan elkaar verbonden landschapselementen, wat de groenblauwe dooradering wordt genoemd. Denk hierbij aan smalle en brede sloten, natuurvriendelijke oevers, rietzomen en kleine rietpercelen, beken (duinrellen), bermen, kruidenrijke akkerranden, insectenrijke graslandranden, bosjes, bomenrijen, hagen, enz. Deze elementen zijn goed voor de biodiversiteit, klimaatbestendigheid, bodemleven, waterkwaliteit en onze eigen gezondheid. Het doel van het Aanvalsplan is het realiseren van 10% groenblauwe dooradering in het landelijk gebied, buiten de bestaande natuurgebieden die onderdeel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. De provincie heeft voor investeringen voor landschapselementen en inrichtingsmaatregelen een subsidieregeling beschikbaar gesteld. 3.5 Natuurinclusieve landbouw Landbouw speelt een belangrijke rol in het Bergense buitengebied, zowel voor voedselproductie en landschapsbeheer als voor biodiversiteit en recreatie. Het deelprogramma Transitie Natuurinclusieve Landbouw beschrijft welke stappen de gemeente gaat zetten om de gewenste ontwikkeling naar natuurinclusieve landbouw zoals in de Omgevingsvisie Bergen 2040 is geschetst, te stimuleren en waar mogelijk versnellen. Kern wat betreft de landbouw is: een toekomstbestendige landbouw die in balans is met natuur en landschap, met natuur-inclusieve en circulaire bedrijfsvoering als uitgangspunt. Een landbouw die gezond is voor mens, dier en natuur, én economisch perspectief biedt voor de boer. De gemeente richt haar inzet op maatregelen die passen bij haar verantwoordelijkheden en waar zij directe zeggenschap over heeft: Gezondheid en gewasbeschermingsmiddelen - De verantwoordelijkheid vanuit de Omgevingswet om gezondheid te beschermen en risico’s te beperken. Ruimtelijke ordening - Het bieden van ruimte voor duurzame bedrijfsontwikkeling binnen de waarden van het gebied. Grondeigendom - Het strategisch inzetten van gemeentelijke gronden en duurzaam pachtbeleid. 3.6 Instandhouding landschapselementen Naast het aanleggen en ontwikkelen van nieuwe landschapselementen die een positief effect hebben op de biodiversiteit, is het ook van belang om bestaande landschapselementen in stand te houden. Vaak hebben landschapselementen naast natuurwaarden ook cultuurhistorische waarden. Binnen het Erfgoedprogramma dat in 2026 gereed is gekomen wordt eveneens ingezet op instandhouding van het landschap. Zo wordt er onderzocht of er karakteristieke gebieden aangewezen kunnen worden die bescherming genieten. 3.7 Soortgerichte maatregelen Voor sommige soortgroepen zijn extra maatregelen gewenst om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van hun leefgebied verbetert. Weidevogels De weidevogels in het buitengebied van onze gemeente hebben het moeilijk. De trend is neerwaarts en gebieden met levensvatbare populaties worden steeds schaarser. Is het nog de moeite waard om extra maatregelen te nemen ten behoeve van weidevogels? Wat meer naar het zuiden, in het poldergebed rond Castricum is te zien dat het met heel veel inspanning wel mogelijk is om een weidegebied weer geschikt te laten zijn voor weidevogels. Stichting de Hooge Weide heeft hier beheer helemaal afgestemd op de weidevogels. Er staat schrikdraad langs de percelen om vossen en katten tegen te houden, het waterpeil is verhoogd, zodat de insecten binnen het bereik van de snavels zitten en er wordt pas gemaaid wanneer alle jonge vogels kunnen vliegen. In deze gebieden is geen “vaste boer” actief bijvoorbeeld als pachter. Als dat voor natuurdoelen gewenst kan met dat doel voor ogen wel gericht beheer gedaan worden door boeren. Het beheer is erg arbeidsintensief, maar het resultaat is er wel naar. Afb.: Dichtheid kerngebieden weidevogels Bron: Weidevogels - Beheer op Maat, Provincie Noord-Holland. Amfibieën Het duingebied vormt het leefgebied voor amfibieën zoals kleine watersalamander, bruine kikker, gewone pad en rugstreeppad. De watergangen in het poldergebied vormen water dat belangrijk is voor de voortplanting. Ieder voorjaar trekken de amfibieën uit de duinen naar de polder. Omdat er een drukke weg tussen de duinen en de polder ligt is het een gevaarlijke tocht. Inmiddels liggen er op veel plaatsen amfibietunnels. Verder worden veel dieren overgezet door paddenwerkgroepen. Amfibieën kunnen verder geholpen worden door de kwaliteit van het voortplantingswater te verbeteren en meer poelen aan te leggen. Insecten Insecten vervullen een cruciale rol in de natuur. Ze zorgen voor bestuiving van planten, ze vormen een belangrijk bestanddeel van het voedsel voor vogels en andere dieren. Daarnaast spelen insecten een belangrijke rol in de afbraak en het recyclen van voedingsstoffen. Minder insecten betekent minder bloemen en vruchten. Voor vogels is er minder voedsel beschikbaar om hun jongen mee te voeren. En zonder insecten hapert de afbraak van plantenresten en daarmee de nutriëntenkringloop. Kortom, de aanwezigheid van insecten vormt een onmisbare schakel in het ecosysteem. Hoe kunnen insecten worden geholpen? Dat kan door de kwaliteit en omvang van hun leefgebied te vergroten. Bijvoorbeeld door het maaibeheer te extensiveren en te faseren en delen van dijken, bermen en weilanden ongemaaid de winter in te laten gaan. Minder gebruik van insecticiden is eveneens van belang. Andere maatregelen zijn een natuurlijker waterpeil, aanleg van natuurvriendelijke oevers, e.d. Maatregelen die goed zijn voor insecten hebben een positief effect op de hele voedselketen. 4 Aan de slag! 4.1 Samenwerken in de polder Er liggen kansen om de biodiversiteit in het landelijk gebied van onze gemeente te herstellen. Maar dat gebeurt niet vanzelf. Er zijn verschillende partijen die hier een belangrijke bijdrage aan kunnen leveren. Naast de provincie en het hoogheemr