← Nederland

Verordening Raadswerk Gemeente De Bilt 2026 (De Bilt)

Verordening Raadswerk Gemeente De Bilt 2026Hoofdstuk1.

Artikel1

.Begripsbepalingen In dit reglement wordt verstaan onder: voorzitter: voorzitter van de raad of diens plaatsvervanger; griffier: griffier van de raad of diens plaatsvervanger; raad: het gekozen orgaan van de gemeente dat is belast met de wetgevende, kaderstellende en controlerende taken als bedoeld in de Gemeentewet; presidium: het overlegorgaan van fractievoorzitters; agendacommissie: commissie als bedoeld in artikel 84 van de Gemeentewet, bestaande uit de commissievoorzitters van de raad, belast met de a-politieke plannings- en procesrol van raad en raadscommissies. raadscommissie: commissie als bedoeld in artikel 82 Gemeentewet, gericht op beeldvorming en opiniëring en ter voorbereiding op de besluitvorming van de raad of anderszins bijdragend aan de volksvertegenwoordigende, kaderstellende of controlerende rol van de raad. commissiegriffier: griffier van een raadscommissie of diens plaatsvervanger; commissielid: lid van een raadscommissie commissievoorzitter: voorzitter van een raadscommissie of diens plaatsvervanger; amendement: voorstel van een raadslid tot wijziging van een ontwerpverordening of conceptbesluit; subamendement: voorstel van een raadslid tot wijziging van een aanhangig amendement; initiatiefvoorstel: voorstel van een raadslid voor een verordening of ander voorstel; motie: korte, gemotiveerde verklaring waarmee een oordeel, wens of verzoek wordt uitgesproken; ambtelijke bijstand: het door (een) ambtena(a)r(

  1. en)verzamelen en verwerken van informatie, het verlenen van ondersteuning bij en adviseren over het opstellen van initiatiefvoorstellen, amendementen, moties of andere met het raadswerk samenhangende vragen van een raadslid. Artikel2.Doel en reikwijdte 1.Deze verordening regelt de werkwijze van de gemeenteraad, de raadscommissies en de bij de raad betrokken functionarissen bij de uitoefening van de volksvertegenwoordigende, kaderstellende en controlerende taken van de raad. 2.De verordening bevat bepalingen over: de organisatie van de raad en zijn ondersteuning; de instelling, samenstelling en werkwijze van raadscommissies; de orde, voorbereiding en uitvoering van raadsvergaderingen; de procedures voor besluitvorming; de behandeling van besloten vergaderingen en de toepassing van geheimhouding; de toepassing van raadsinstrumenten; de informatievoorziening aan de raad door college en ambtelijke organisatie; het verlenen van ambtelijke bijstand de financiële ondersteuning van fracties. 3.Deze verordening is van toepassing op: de raad en zijn leden; de raadscommissies en hun leden; de voorzitter van de raad en de voorzitter van de raadscommissies; de griffier en de overige op de griffie werkzame ambtenaren; het college en de gemeentelijke organisatie. 4.Voor zover bepalingen in deze verordening gelden voor de raad, gelden zij van overeenkomstige toepassing op raadscommissies, tenzij de aard van de bepaling zich hiertegen verzet. Hoofdstuk2.Organisatie van de raad Artikel3.De raad en zijn leden 1.De raad is het algemeen bestuur van de gemeente en is belast met de wetgevende en controlerende taken zoals bedoeld in de wet. 2.Ieder raadslid stemt zonder last, overeenkomstig artikel 27 van de wet en vervult zijn ambt naar eigen overtuiging. 3.De raad kan niet besluiten tot een reces van meer dan vier weken in de periode van zes maanden voorafgaand aan de dag van de periodieke gemeenteraadsverkiezingen, tenzij de raad hiertoe bij meerderheid van het aantal uitgebrachte stemmen toe besluit. 4.De raad regelt de voorbereiding en uitvoering van zijn werkzaamheden, overeenkomstig deze verordening. Artikel4.De voorzitter van de raad 1.De voorzitter van de raad is belast met het leiden van de vergaderingen van de raad en het handhaven van orde tijdens die vergaderingen. 2.De voorzitter bewaakt de naleving van deze verordening en ziet toe op een ordelijk verloop van de beraadslaging en besluitvorming. 3.Bij afwezigheid of verhindering van de voorzitter wordt hij tijdens raadsvergaderingen vervangen door de plaatsvervangend voorzitter van de raad. Artikel5.De griffier 1.De griffier is aanwezig in de vergaderingen van de raad, het presidium en kan aanwezig zijn in de raadscommissievergaderingen en de vergaderingen van overige gremia van de raad. 2.Bij verhindering of afwezigheid wordt de griffier vervangen door een plaatsvervanger die door de raad is aangewezen. 3.De griffier kan op uitnodiging van de voorzitter aan beraadslagingen in raadsvergaderingen deelnemen. 4.De griffier, en de op de griffie werkzame ambtenaren, ondersteunen en zijn aanspreekpunt voor de raad, de raadscommissies, het presidium, overige gremia van de raad, en de afzonderlijke raads- en commissieleden bij de uitoefening van hun taken en zij bewaken een ordelijk verloop van de in deze verordening vastgelegde procedures. 5.De griffier, en de op de griffie werkzame ambtenaren vervullen een verbindende rol tussen raad, college, burgemeester, en ambtelijke organisatie en dragen zorg voor een gelijke, tijdige en zorgvuldige informatievoorziening aan de raad. Artikel6.Het presidium 1.Er is een presidium dat bestaat uit de fractievoorzitters van de in de raad vertegenwoordigde fracties. 2.De burgemeester is voorzitter van het presidium, en wordt bijgestaan door de griffier. 3.Een fractievoorzitter kan zich, indien verhinderd, laten vervangen door een ander raadslid uit zijn fractie, mits dit vooraf aan de voorzitter en de griffier is gemeld. 4.Het presidium kan anderen uitnodigen om aan zijn vergaderingen deel te nemen. 5.Het presidium doet aanbevelingen aan de raad inzake de organisatie en het functioneren van de raad en de raadscommissies en draagt zorg voor het bevorderen van een goede bestuurscultuur. 6.De vergaderingen van het presidium zijn niet openbaar. 7.De inhoud van de vergaderingen van het presidium wordt als vertrouwelijk behandeld, tenzij het presidium anders beslist. De leden en deelnemers zijn gehouden tot vertrouwelijke omgang met hetgeen in de vergadering wordt besproken. Artikel7.De agendacommissie 1.Er is een agendacommissie die bestaat uit ten minste drie en ten hoogste zes door de raad uit zijn midden benoemde voorzitters van de raadscommissies. 2.De raad bevordert bij de benoeming van de voorzitters van de raadscommissies een evenwichtige vertegenwoordiging van de in de raad vertegenwoordigde fracties en ziet erop toe dat het profiel van de leden past bij de a-politieke plannings- en procesrol, zoals beschreven in het derde lid. 3.De agendacommissie heeft een a-politieke plannings- en procesrol en onthoudt zich van inhoudelijke oordeelsvorming over onderwerpen of raadsvoorstellen. De werkwijze van de agendacommissie en invulling van taken en bevoegdheden, zoals opgenomen in het achtste lid, worden nader uitgewerkt en vastgesteld door de raad. 4.De agendacommissie wordt in zijn werkzaamheden ondersteund en geadviseerd door de griffie, vanuit deze rol kunnen griffier en andere op de griffie werkzame ambtenaren, aanwezig zijn bij de vergaderingen van de agendacommissie. 5.De voorzitter van de raad mag aanwezig zijn bij de vergaderingen van de agendacommissie. 6.De agendacommissie kan anderen uitnodigen om aan zijn vergaderingen deel te nemen. 7.De vergaderingen van de agendacommissie zijn openbaar. 8.De agendacommissie heeft de volgende taken en bevoegdheden: het voorbereiden van een langetermijnagenda van de raadscommissies en gemeenteraad, welke door de raad wordt vastgesteld. Wensen en bedenkingen met betrekking tot de langetermijnagenda kunnen via een motie aan de agendacommissie worden meegegeven. Deze motie(
  2. s)dienen uiterlijk 48 uur voorafgaand aan de vergaderingen, via de griffie, aan de voorzitter en raadsleden ter kennis worden gebracht; het classificeren van onderwerpen op de agenda van de raad naar bestuurlijk belang en gewicht van onderwerpen op basis van vaste criteria; het laten aansluiten van de raad bij onderwerpen of thema’s waar de raad een beleidsvormende rol wil invullen; het vaststellen van de vergadercyclus van de raad en van de raadscommissies; het toetsen van raadsstukken op basis van vaste criteria; het in behandeling nemen, beoordelen en plannen van agenderingsverzoeken; het voorbereiden en opstellen van de (voorlopige) agenda van de vergaderingen en andere bijeenkomsten van de raad; het voorbereiden en opstellen van een procesvoorstel van de commissievoorzitters voor de vergaderingen van raadscommissies, waarbij het proces passend is voor de onder b genoemde classificatie van onderwerpen. het vaststellen van vergaderingen als bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de wet; het formuleren van aanbevelingen aan de raad over de organisatie van de werkzaamheden van de raad; 9.In aanvulling op de via de jaarlijkse vergadercyclus geplande vergaderingen, bedoeld in het achtste lid, onder h, vergadert een raadscommissie voorts als de agendacommissie het nodig acht. 10.De raad kan besluiten een geplande vergadering van de raad of een raadscommissie te annuleren, te verplaatsen of op te schorten. Artikel8.Onderzoek van geloofsbrieven en beëdiging 1.Bij de benoeming van nieuwe raadsleden stelt de raad een commissie in bestaande uit drie raadsleden. 2.Deze onderzoekt de geloofsbrieven en de daarop betrekking hebbende stukken van de nieuw benoemde raadsleden en brengt vervolgens advies uit aan de raad over de toelating van de nieuw benoemde raadsleden tot de raad. Indien van toepassing wordt van een minderheidsstandpunt melding gemaakt in dit advies. 3.Het onderzoek van het proces-verbaal van het centraal stembureau gebeurt in de laatste raadsvergadering in oude samenstelling na de raadsverkiezingen. 4.Na een raadsverkiezing roept de voorzitter de toegelaten raadsleden op om in de eerste raadsvergadering in nieuwe samenstelling de voorgeschreven eed of verklaring en belofte af te leggen. 5.In geval van een tussentijdse vacaturevervulling roept de voorzitter een nieuw benoemd raadslid op voor de raadsvergadering waarin over diens toelating wordt beslist om de voorgeschreven eed of verklaring en belofte af te leggen. Artikel9.Benoeming wethouders 1.Bij de benoeming van een wethouder stelt de raad een commissie in bestaande uit drie raadsleden. 2.Deze onderzoekt of de benoeming van de kandidaat-wethouder voldoet aan de vereisten van de artikelen 36a, 36b, 41b, eerste, derde en vierde lid, en 41c, eerste lid, van de wet. 3.De commissie brengt vervolgens advies uit aan de raad over de benoeming tot wethouder. 4.De burgemeester geeft voor de aanvang van iedere ambtstermijn opdracht om de kandidaat-wethouders aan een risicoanalyse integriteit te onderwerpen. De burgemeester brengt over het eindresultaat daarvan verslag uit aan de raad. Artikel10.Fracties 1.Raadsleden die door het centraal stembureau op dezelfde kandidatenlijst verkozen zijn verklaard, worden bij de aanvang van de zittingsperiode als één fractie beschouwd. 2.Indien boven de kandidatenlijst een aanduiding was geplaatst, voert de fractie in de raad deze aanduiding als naam. Als daar geen aanduiding was geplaatst, deelt de fractie in de eerste raadsvergadering aan de voorzitter mee welke naam deze fractie in de raad voert. 3.De namen van de fractievoorzitter en diens plaatsvervanger worden zo spoedig mogelijk doorgegeven aan de voorzitter en de griffie. 4.Een nieuwe naam van een fractie wordt zo spoedig mogelijk doorgegeven aan de voorzitter en de griffie. De naam voldoet aan de eisen van artikel G 3, vierde lid, van de Kieswet en wordt gebruikt met ingang van de eerstvolgende raadscommissievergadering of raadsvergadering na de naamswijziging. 5.Als één of meer raadsleden van één of meer fracties als zelfstandige fractie gaan optreden, of zich aansluiten bij een andere fractie, wordt hiervan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling gedaan aan de voorzitter en de griffie. Hoofdstuk3.Raadscommissies Paragraaf3.1.

Artikel11

.Instelling raadscommissies 1.Er is een raadscommissie Burger en Bestuur waarvan de werkzaamheden in elk geval de volgende onderwerpen betreffen: Bestuurlijke coördinatie, Internationale betrekkingen, Openbare orde en Veiligheid, Brandweer, Toezicht en handhaving, Bedrijfsvoering (incl. communicatie), Dienstverlening, Financiën, Kunst en Cultuur, Economische Zaken, Participatiewet, Onderwijs, Jeugdbeleid en Kinderopvang, Sport, Jeugdzorg en Wmo, Zorg en Welzijn. 2.Er is een raadscommissie Openbare Ruimte waarvan de werkzaamheden in elk geval de volgende onderwerpen betreffen: Gemeentelijke eigendommen, Ruimtelijke ordening en Landschapsbeleid, Grondzaken, Monumentenbeleid, Recreatie en Toerisme, Verkeer en Mobiliteit, Wonen en Volkshuisvesting, Beheer Openbare Ruimte, Duurzaamheid en milieu. Artikel12.Taken Een raadscommissie: brengt advies uit aan de raad over die onderwerpen waarop haar werkzaamheden betrekking hebben; kan advies uitbrengen aan de raad over andere onderwerpen dan bedoeld onder a, en voert overleg met het college of de burgemeester over in ieder geval de door hen verstrekte inlichtingen en het gevoerde bestuur ten aanzien van de onderwerpen, bedoeld onder a. Artikel13.Samenstelling commissie 1.De leden van de raad zijn gedurende hun raadslidmaatschap lid van de raadscommissies. 2.Elke fractie‚ die niet is gevormd als resultaat van een afsplitsing van een reeds bestaande fractie, kan de raad voorstellen ten hoogste twee personen, die geen lid van de raad zijn, te benoemen tot lid van de raadscommissies. 3.Zowel raadsleden als niet-raadsleden kunnen lid zijn. De artikelen 10, 11, 12 en 13, 14, en 15 van de wet zijn van overeenkomstige toepassing op commissieleden die geen raadslid zijn. Artikel14.Commissievoorzitters 1.De raad benoemt uit zijn midden ten minste drie en ten hoogste zes raadsleden tot commissievoorzitters. Deze commissievoorzitters zijn bevoegd om de vergaderingen van respectievelijk de raadscommissie Burger en Bestuur en de raadscommissie Openbare Ruimte voor te zitten. 2.De agendacommissie stelt voor iedere maandelijkse vergadercyclus vast welke door de raad benoemde commissievoorzitter de vergadering voorzit en wie als plaatsvervangend voorzitter optreedt. 3.De commissievoorzitter draagt zorg voor een ordelijk verloop van de vergadering conform de bepalingen van deze verordening en bewaakt de voortgang van de vergadering conform de vastgestelde agenda en het vastgestelde proces. Artikel15.Zittingsduur en vacatures 1.De zittingsperiode van een commissielid en -voorzitter eindigt in ieder geval met het einde van de zittingsperiode van de raad. 2.Het lidmaatschap van een commissielid eindigt als niet meer wordt voldaan aan de in artikel 13, derde lid, gestelde eisen. 3.De raad kan een commissielid ontslaan op voorstel van de fractie die het lid voor benoeming heeft voorgedragen. 4.De raad kan een commissievoorzitter ontslaan. 5.Een commissielid en -voorzitter kunnen te allen tijde ontslag nemen. Zij doen daarvan schriftelijk mededeling aan de raad. Het ontslag gaat een maand na de schriftelijke mededeling in of zoveel eerder als hun opvolger is benoemd. 6.Als door overlijden of ontslag een vacature ontstaat, beslist de raad zo spoedig mogelijk over de vervulling daarvan. 7.Het lidmaatschap van commissieleden, benoemd op voordracht van een fractie die niet langer vertegenwoordigd is in de raad, vervalt van rechtswege. Artikel16.De commissiegriffier 1.De griffier van de raad wijst ter ondersteuning van iedere raadscommissievergadering een op de griffie werkzame ambtenaar of, in samenspraak met de secretaris, een niet op de griffie werkzame ambtenaar aan als commissiegriffier. 2.Een commissiegriffier is aanwezig in vergaderingen van de raadscommissie. 3.Bij verhindering of afwezigheid wordt de commissiegriffier vervangen door een door de griffier van de raad aangewezen op de griffie werkzame ambtenaar of, in samenspraak met de secretaris, een niet op de griffie werkzame ambtenaar. 4.Een commissiegriffier kan op uitnodiging van de commissievoorzitter aan beraadslagingen in vergaderingen deelnemen. Artikel17.Agenderingsverzoeken 1.Op verzoek van ten minste zes raadsleden afkomstig uit ten minste twee fracties kan middels een agenderingsverzoek een onderwerp, waaronder een onderwerp waarvoor geheime behandeling wordt verzocht, dat niet reeds voor bespreking is voorzien in de komende drie maanden worden aangedragen voor agendering op de agenda van een raadscommissievergadering. De raadscommissie beslist in beslotenheid over het opleggen van geheimhouding conform de wet. 2.Agenderingsverzoeken voor het van een onderwerp worden gericht aan de commissievoorzitters en ter agendering voorgelegd aan de agendacommissie; 3.Een agenderingsverzoek bevat een duidelijke beschrijving van aard, doel, inhoud en ingeschatte tijdsduur voor de bespreking van een onderwerp. 4.De agendacommissie kan overleg voeren met indieners van een agenderingsverzoek om een ordelijke en inhoudelijke bespreking te borgen. 5.Agenderingsverzoeken worden door de agendacommissie in de eerstvolgende raadscyclus geagendeerd in een raadscommissie. Indien de agendacommissie de voorlopige agenda’s van vergadering al heeft vastgesteld, wordt het agenderingsverzoek in de daaropvolgende raadscyclus geagendeerd. 6.Voor onderwerpen die via de lijst ingekomen stukken geagendeerd worden voor bespreking in een raadscommissie wordt tevens de in dit artikel bepaalde procedure gevolgd. Daarbij geldt dat de initiatiefnemer voor het voorstel een ingekomen stuk in een raadscommissie te bespreken verantwoordelijk is voor het aanleveren van een agenderingsverzoek. 7.De raadscommissie kan adviseren een onderwerp als apart agendapunt op te nemen op de agenda van de raad. Artikel18.Spreekrecht inwoners en belanghebbenden 1.Inwoners en belanghebbenden kunnen in een commissievergadering het woord voeren over onderwerpen die worden besproken in een raadscommissie. 2.Degene die van het spreekrecht gebruik wil maken, meldt dit uiterlijk 48 uur voor aanvang van de vergadering aan de commissiegriffier onder vermelding van voor- en achternaam en het onderwerp waarover die het woord wenst te voeren. 3.Insprekers krijgen maximaal drie minuten het woord. 4.In iedere commissievergadering wordt, voorafgaand aan de inhoudelijke bespreking van onderwerpen door de commissie, in een apart agendapunt de inspraak over alle in de vergadering geagendeerde onderwerpen afgerond. 5.Indien voor een onderwerp dat wordt besproken in de commissie zo veel insprekers worden verwacht dat daardoor een goed verloop van de vergadering in het geding komt, kan de agendacommissie besluiten het onderwerp te behandelen in een aparte commissievergadering. Paragraaf3.2.Vergaderingen 3.2.1.Voorbereiding Artikel19.Oproep, agenda en procesvoorstel 1.De commissievoorzitter zendt ten minste zeven dagen voor een vergadering de commissieleden een schriftelijke oproep, de voorlopige agenda, met de daarbij behorende stukken en een procesvoorstel voor de vergadering. 2.De voorlopige agenda en procesvoorstel kunnen in elk geval bestaan uit: de volgorde van de te behandelen onderwerpen in de vergadering; een inschatting van het aanvangstijdstip van een onderwerp; nadere bepalingen over het verloop van inspraak in de commissie; een indicatie van de maximale bespreektijd van een onderwerp passend bij de classificatie van het agendaonderwerp; het aantal spreektermijnen en aard van spreektermijnen per onderwerp; nadere bepalingen over de omgang met interrupties. 3.Indien de commissievoorzitter het nodig acht, kan hij na het verzenden van een schriftelijke oproep een aanvullende agenda opstellen, of aanvullingen of wijzigingen aan het procesvoorstel voor de vergadering doen. Uiterlijk 48 uur voorafgaand aan een vergadering wordt een aanvulling of wijziging met de daarbij behorende stukken aan de leden gezonden. 4.Op de stukken, bedoeld in het eerste en tweede lid, is artikel 20, derde lid, van toepassing. 5.De agenda en het procesvoorstel worden bij aanvang van een commissievergadering door de raadscommissie vastgesteld. Artikel20.Ter inzage leggen van stukken 1.Als na het verzenden van de schriftelijke oproep stukken beschikbaar worden gesteld, wordt hiervan mededeling gedaan aan de leden van de raadscommissie en zo mogelijk door middel van openbare kennisgeving. 2.Digitaal beschikbare stukken worden op het raadsinformatiesysteem van de gemeenteraad geplaatst. 3.Informatie van de raadscommissie of aan de raadscommissie verstrekte informatie waaromtrent op grond van hoofdstuk Va van de wet geheimhouding is opgelegd, blijft in afwijking van het eerste en tweede lid onder berusting van de (commissie)griffier. Schriftelijke geheime informatie wordt geplaatst in het deel van het raadsinformatiesysteem dat alleen toegankelijk is voor de raadsleden en de commissieleden, tenzij de griffier oordeelt dat terinzagelegging fysiek bij de griffier op het gemeentehuis noodzakelijk is. Artikel21.Openbare kennisgeving commissievergadering 1.Commissievergaderingen worden ter openbare kennis gebracht door aankondiging in het raadsinformatiesysteem, de website van de gemeente, en indien mogelijk, sociale media en een lokaal huis-aan-huisblad. 2.In spoedeisende gevallen kan de openbare kennisgeving uitsluitend in het raadsinformatiesysteem plaatsvinden. 3.2.2.Ter vergadering Artikel22.Presentielijst 1.De commissiegriffier draagt zorg voor het bijhouden van presentielijsten van vergaderingen. 2.Bij binnenkomst in de vergaderzaal tekenen commissieleden de presentielijst, die aan het einde van elke vergadering door de commissievoorzitter en de commissiegriffier door ondertekening wordt vastgesteld. Artikel23.Opening vergadering en quorum 1.Een vergadering wordt niet geopend voordat blijkens de presentielijst meer dan de helft van het aantal fracties tegenwoordig is. 2.Als op grond van het eerste lid de vergadering niet kan worden geopend, belegt de commissievoorzitter een nieuwe vergadering op een tijdstip dat ten minste vierentwintig uur na het bezorgen van de oproeping is gelegen. 3.Op een vergadering als bedoeld in het tweede lid is het eerste lid niet van toepassing. Een raadscommissie kan echter over andere aangelegenheden dan die waarvoor de ingevolge het eerste lid niet geopende vergadering was belegd alleen beraadslagen of besluiten, als blijkens de presentielijst meer dan de helft van het aantal fracties tegenwoordig is. Artikel24.Advies; geen stemmingen 1.Wanneer de raadscommissie een advies aan de raad uitbrengt is de commissievoorzitter verantwoordelijk voor het formuleren van een conclusie ten aanzien van het advies van de commissie. 2.In de conclusie wordt opgenomen het advies van de verschillende fracties ten aanzien van een onderwerp als ‘discussiestuk’, ‘niet-discussiestuk’ of ‘niet-behandelrijp’, en eventuele voorgenomen moties, voorgenomen amendementen, of een voorlopig standpunt van de fractie. 3.Er vindt geen stemming plaats over het advies van de commissies, wel kunnen de commissieleden de conclusie van de voorzitter aanvullen of, indien nodig, corrigeren. 4.In een vergadering vinden geen stemmingen plaats, met uitzondering van stemmingen over geheimhouding en met stemmingen over de orde. Artikel25.Aantal spreektermijnen en deelnemers vergadering 1.Beraadslaging over onderwerpen of voorstellen geschiedt in ten hoogste twee termijnen, tenzij de raadscommissie anders beslist. 2.Spreektermijnen worden door de commissievoorzitter afgesloten. 3.Artikel 44 is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat: elke fractie in een commissievergadering maximaal tien minuten spreektijd heeft; het college driemaal de spreektijd van een fractie heeft. 4.Bij de bepaling hoeveel keer een commissielid over hetzelfde onderwerp of voorstel het woord heeft gevoerd, wordt niet meegerekend het spreken over een voorstellen van orde en interrupties. 5.Van elke fractie nemen per onderwerp niet meer dan twee raads- en/of commissieleden tegelijkertijd aan de vergadering deel, waarvan er één per onderwerp het woord voert. 6.In een spreektermijn met als doel beeldvorming worden geen interrupties toegestaan. 7.In een spreektermijn met als doel oordeelsvorming worden wel interrupties toegestaan. Artikel26.Deelname aan de beraadslaging door anderen Een raadscommissie kan besluiten dat anderen mogen deelnemen aan de beraadslaging. Artikel27.Handhaving orde en schorsing 1.De commissievoorzitter handhaaft de orde in de vergadering. 2.Hij roept sprekers tot de orde als deze zich in beledigende of onbetamelijke uitdrukkingen uitlaten, afwijken van het in behandeling zijnde onderwerp, andere sprekers herhaaldelijk interrumperen, dan wel anderszins de orde verstoren. Sprekers die hieraan geen gevolg geven kunnen door hem het woord worden ontnomen over het aanhangige onderwerp. 3.Hij kan ter handhaving van de orde de vergadering voor een door hem te bepalen tijd schorsen en, als na de heropening de orde opnieuw wordt verstoord, de vergadering sluiten. 4.Hij kan de raadscommissie voorstellen aan een commissielid dat door zijn gedragingen de geregelde gang van zaken belemmert het verdere verblijf in de vergadering te ontzeggen. Over het voorstel wordt niet beraadslaagd. Na aanneming daarvan, verlaat het commissielid de vergadering onmiddellijk. Zo nodig doet de commissievoorzitter hem verwijderen. Bij herhaling van zijn gedrag kan het commissielid bovendien voor ten hoogste drie maanden de toegang tot de vergadering worden ontzegd. Artikel28.Voorstellen van orde 1.Voorstellen van orde die betrekking hebben op de voorgestelde agenda en het procesvoorstel voor de vergadering worden uiterlijk 24 uur voorafgaand aan de vergadering via de griffie aan de commissievoorzitter en de commissieleden ter kennis gebracht. De raadscommissie beslist hierover bij de vaststelling van de agenda zonder verdere beraadslaging. 2.Voorstellen van orde staande de vergadering hebben geen betrekking op de reeds vastgestelde agenda of het reeds vastgestelde procesvoorstel. 3.Voorstellen van orde die rechten van individuele commissieleden, raadsleden of fracties inperken worden niet toegelaten. 4.Voorstellen van orde zijn aangenomen als de commissie hier met meer dan de helft van de uitgebrachte stemmen mee wordt ingestemd. Artikel29.Eindtijd vergaderingen 1.De uiterlijke sluiting of schorsing van een vergadering is 23.30 uur. 2.Na dit tijdstip opent de voorzitter geen nieuwe onderwerpen of termijnen, en wordt ten hoogste de reeds geopende termijn afgerond. 3.2.3.Toehoorders en pers Artikel30.Toehoorders en pers 1.Toehoorders en vertegenwoordigers van de pers wonen openbare vergaderingen uitsluitend bij op de voor hen bestemde plaatsen. 2.Het blijkgeven van tekenen van goed- of afkeuring of het op andere wijze verstoren van de orde is hen verboden. 3.De commissievoorzitter is bevoegd, wanneer de orde in de vergadering, op enigerlei wijze door toehoorders wordt verstoord, deze en zo nodig andere toehoorders te doen vertrekken. 4.Hij is bevoegd toehoorders die bij herhaling de orde in de vergadering verstoren voor ten hoogste drie maanden de toegang tot de vergadering te ontzeggen. Artikel31.Geluid- en beeldregistraties Degenen die van een openbare vergadering geluid- of beeldregistraties willen maken, doen hiervan mededeling aan de commissievoorzitter en gedragen zich naar diens aanwijzingen. 3.2.4.Verslaglegging Artikel32.Verslag 1.Een commissiegriffier draagt zorg voor de besluitenlijst en (audio)verslagen van vergaderingen. 2.Uit een verslag blijkt in ieder geval: de namen van de commissievoorzitter, de griffier, de commissiegriffier, de burgemeester, de wethouders en de commissieleden, allen voor zover aanwezig, alsmede van de overige personen die het woord gevoerd hebben; een vermelding van de zaken die aan de orde zijn geweest; een samenvatting van het advies aan de raad; een vermelding van de toezeggingen die gedaan zijn door collegeleden; bij het desbetreffende agendapunt de naam en de hoedanigheid van die personen aan wie het op grond van artikel 26 is toegestaan deel te nemen aan de beraadslagingen. 3.Verslagen worden op het raadsinformatiesysteem van de gemeente geplaatst. 3.2.5.Besloten raadsvergaderingen Artikel33.Toepassing verordening op besloten vergaderingen Op besloten vergaderingen is deze verordening van overeenkomstige toepassing voor zover dat niet strijdig is met het besloten karakter van de vergadering. 3.2.6.Slotbepaling Artikel34.Uitleg reglement commissievergaderingen 1.In gevallen waarin dit reglement niet voorziet, of bij twijfel omtrent de toepassing van het bepaalde in dit hoofdstuk, beslist de commissie op voorstel van de voorzitter. 2.Wanneer de voorzitter in deze gevallen een voorstel doet geldt, in afwijking van artikel 28, dat een voorstel is aangenomen als de fracties in meerderheid instemmen. Hoofdstuk4.Raadsvergaderingen Paragraaf4.1.Vergaderingen 4.1.1.Voorbereiding Artikel35.Oproep, agenda en procesvoorstel 1.De voorzitter zendt ten minste zeven dagen voor een raadsvergadering de raadsleden een schriftelijke oproep, de voorlopige agenda met de daarbij behorende stukken en een procesvoorstel voor de vergadering. 2.De voorlopige agenda en procesvoorstel kunnen in elk geval bestaan uit: de volgorde van de te behandelen onderwerpen in de vergadering; een inschatting van het aanvangstijdstip van een onderwerp; een voorstel over de bespreekwijze van onderwerpen als ‘discussiestuk’, niet-discussiestuk’, of ‘niet behandelrijp’. het aantal spreektermijnen; nadere bepalingen over de omgang met interrupties. 3.In spoedeisende gevallen kan de voorzitter van de in het eerste lid genoemde termijn afwijken als de raad vergadert op grond van artikel 17, tweede lid van de wet. 4.Indien de voorzitter het nodig acht, kan hij na het verzenden van een schriftelijke oproep een gewijzigde of aanvullende agenda opstellen, of aanvullingen of wijzigingen aan het procesvoorstel voor de vergadering doen. Uiterlijk 48 uur voorafgaand aan een vergadering wordt een aanvulling of wijziging met de daarbij behorende stukken aan de leden gezonden. 5.Op de stukken, bedoeld in het eerste en tweede lid is artikel 36, derde lid, van toepassing. 6.De agenda en procesvoorstel worden bij aanvang van een raadsvergadering door de raad vastgesteld. Artikel36.Ter inzage leggen van stukken 1.Als na het verzenden van de schriftelijke oproep stukken beschikbaar worden gesteld, wordt hiervan mededeling gedaan aan de leden van de raad en zo mogelijk door middel van openbare kennisgeving. 2.Digitaal beschikbare stukken worden op het raadsinformatiesysteem van de gemeenteraad geplaatst. 3.Informatie van de raad of aan de raad verstrekte informatie waaromtrent op grond van hoofdstuk Va van de wet geheimhouding is opgelegd, blijft in afwijking van het eerste en tweede lid onder berusting van de griffier. Schriftelijke geheime informatie wordt geplaatst in het deel van het raadsinformatiesysteem dat alleen toegankelijk is voor de raadsleden en de commissieleden, tenzij de griffier oordeelt dat terinzagelegging fysiek bij de griffier op het gemeentehuis noodzakelijk is. Artikel37.Openbare kennisgeving raadsvergaderingen 1.Raadsvergaderingen worden ter openbare kennis gebracht door aankondiging in het raadsinformatiesysteem, de website van de gemeente, en indien mogelijk sociale media en een lokaal huis-aan-huisblad. 2.In spoedeisende gevallen kan de openbare kennisgeving uitsluitend in het raadsinformatiesysteem plaatsvinden. Artikel38.Zitplaatsen 1.De voorzitter, de griffier en defracties hebben een vaste zitplaats in de vergaderzaal. De indeling van de zitplaatsen per fractie wordt door de voorzitter na overleg in het presidium bij aanvang van iedere nieuwe zittingsperiode vastgesteld. De fracties bepalen zelf de onderlinge zitplaatsen van hun leden binnen het aan de fractie toegewezen deel van de vergaderzaal. Indien daartoe aanleiding bestaat, kan de voorzitter de indeling herzien na overleg in het presidium. 2.De voorzitter draagt zorg voor een zitplaats voor de wethouders en anderen die voor de raadsvergadering zijn uitgenodigd. 4.1.2.Ter vergadering Artikel39.Presentielijst 1.De griffier draagt zorg voor het bijhouden van presentielijsten van raadsvergaderingen. 2.Bij binnenkomst in de vergaderzaal tekenen raadsleden de presentielijst, die aan het einde van elke raadsvergadering door de voorzitter en de griffier door ondertekening wordt vastgesteld. Artikel40.Moment van bezinning De voorzitter opent de raadsvergadering met een moment van bezinning. Artikel41.Aantal spreektermijnen 1.Beraadslaging over onderwerpen of voorstellen geschiedt in ten hoogste twee termijnen, tenzij de raad anders beslist. 2.Spreektermijnen worden door de voorzitter afgesloten. 3.Raadsleden voeren in een termijn niet meer dan éénmaal het woord over hetzelfde onderwerp of voorstel. 4.In afwijking van het derde lid kan de voorzitter de indiener van een amendement, subamendement, motie of initiatiefvoorstel, binnen dezelfde termijn toestaan nogmaals het woord te voeren voor toelichting, beantwoording van vragen of het aanpassen van het ingediende voorstel. 5.Bij de bepaling hoeveel keer een raadslid over hetzelfde onderwerp het woord heeft gevoerd, wordt niet meegerekend het spreken over voorstellen van orde. Artikel42.Deelname aan de beraadslaging door anderen Onverminderd artikel 21, eerste en tweede lid, van de wet, kan de raad besluiten dat anderen mogen deelnemen aan de beraadslaging. Artikel43.Voorstellen van orde 1.Voorstellen van orde die betrekking hebben op de voorgestelde agenda en het procesvoorstel voor de vergadering worden uiterlijk 24 uur voorafgaand aan de vergadering via de griffie aan de voorzitter en de raadsleden ter kennis gebracht. De raad beslist hierover bij de vaststelling van de agenda zonder verdere beraadslaging. 2.Voorstellen van orde staande de vergadering hebben geen betrekking op de inhoud van de reeds vastgestelde agenda of het reeds vastgestelde procesvoorstel. 3.Voorstellen van orde die rechten van individuele raadsleden of fracties inperken worden niet toegelaten. 4.Voorstellen van orde zijn aangenomen als de raad hier met meer dan de helft van de uitgebrachte stemmen mee wordt ingestemd. 5.Een voorstel van orde is beperkt tot maximaal 30 seconden. De voorzitter ziet toe op naleving hiervan en kan de spreker het woord ontnemen indien het voorstel van orde niet kort en bondig blijft. 6.Over een voorstel van orde vindt geen debat plaats. De voorzitter stelt het voorstel zo spoedig mogelijk aan de vergadering voor. Artikel44.Spreektijdenregeling 1.Elke fractie heeft in een reguliere vergadering maximaal twaalf minuten spreektijd inclusief stemverklaringen en interrupties. 2.Het college heeft driemaal de spreektijd van een fractie. 3.In bijzondere gevallen kan van de spreektijd worden afgeweken middels een voorstel van orde. 4.Niet ten laste van de spreektijd van een fractie of van het college komen: reacties op interrupties, tot 30 seconden; voorstellen van orde; 5.Per onderwerp is er één woordvoerder per fractie. Artikel45.Verloop vragenhalfuur 1.Het vragenhalfuur is onderdeel van de raadsvergadering. 2.De voorzitter bewaakt het ordelijke en tijdige verloop van het vragenhalfuur en kan daartoe aanvullende vragen beperken en de behandeling van een onderwerp afsluiten als dit nodig is om het vragenhalfuur tijdig af te ronden. 3.Per onderwerp wordt aan de vragensteller het woord verleend om de vragen aan het college of de burgemeester te stellen en een toelichting daarop te geven. Na de beantwoording daarvan krijgt de vragensteller desgewenst het woord om aanvullende vragen te stellen. 4.De voorzitter kan andere raadsleden het woord geven om één of meer verhelderende vragen te stellen aan het college of de burgemeester. 5.Tijdens het vragenhalfuur worden geen moties ingediend en geen interrupties toegelaten. Artikel46.Eindtijd vergaderingen 1.De uiterlijke sluiting of schorsing van een vergadering is 23.30 uur. 2.Na dit tijdstip opent de voorzitter geen nieuwe onderwerpen of termijnen, en wordt hoogstens de reeds geopende termijn en een eventuele stemming afgerond. 4.1.3.Stemmingen Artikel47.Stemverklaring Na het sluiten van de beraadslaging en voordat de raad tot stemming overgaat, kunnen raadsleden hun voorgenomen stemgedrag kort toelichten. Artikel48.Beslissing 1.De voorzitter sluit de beraadslaging indien hij vaststelt dat een onderwerp of voorstel voldoende is toegelicht, tenzij de raad anders beslist. 2.Voordat de stemming over het voorstel in zijn geheel plaatsvindt, formuleert de voorzitter het voorstel voor de te nemen beslissing. Artikel49.Stemming; procedure hoofdelijke stemming 1.De voorzitter vraagt de raadsleden of zij stemming verlangen. Is dit niet het geval, dan stelt de voorzitter vast dat het voorstel zonder stemming is aangenomen. 2.Als een voorstel zonder stemming wordt aangenomen, kunnen de in de raadsvergadering aanwezige raadsleden aantekening in het verslag vragen dat zij geacht willen worden te hebben tegengestemd of zich overeenkomstig artikel 28 van de wet van deelneming aan de stemming te hebben onthouden. 3.Als een raadslid om stemming of hoofdelijke stemming vraagt, doet de voorzitter daarvan mededeling aan de raad. 4.Bij hoofdelijke stemming roept de griffier de raadsleden bij naam op hun stem uit te brengen. De stemming begint bij het daarvoor bij loting aangewezen raadslid en verloopt vervolgens volgens de alfabetische volgorde van de presentielijst. 5.Bij hoofdelijke stemming brengen ter vergadering aanwezige raadsleden die zich niet ingevolge artikel 28 van de wet van deelneming aan de stemming moeten onthouden, hun stem uit door zich 'voor' of 'tegen' te verklaren, zonder enige toevoeging. 6.Een raadslid dat zich bij het uitbrengen van zijn stem vergist, kan deze vergissing herstellen tot het volgende raadslid heeft gestemd. Bemerkt het raadslid zijn vergissing pas later, dan kan het raadslid, nadat de voorzitter de uitslag van de stemming bekend heeft gemaakt, aantekening van zijn vergissing vragen. 7.De voorzitter deelt de uitslag na afloop van de stemming mee en doet daarbij mededeling van het genomen besluit. Artikel50.Volgorde stemming over amendementen en moties 1.Als op een aanhangig voorstel amendementen zijn ingediend, wordt eerst over die amendementen gestemd en vervolgens over het voorstel zoals het dan luidt in zijn geheel. 2.Als een subamendement is ingediend, wordt eerst over het subamendement gestemd en vervolgens over het amendement waarop dat betrekking heeft. 3.Als meerdere amendementen of subamendementen op eenzelfde gedeelte van een aanhangig voorstel zijn ingediend, wordt, onverminderd het eerste en tweede lid, eerst over het meest verstrekkende amendement of subamendement gestemd. De stemvolgorde op basis van verstrekkendheid wordt op advies van de griffier door de voorzitter bepaald. 4.Indien bij een aanhangig voorstel een motie is ingediend, wordt eerst over het voorstel gestemd en vervolgens over de motie. De raad kan besluiten van deze volgorde af te wijken. Artikel51.Stemming over personen 1.Bij stemming over personen voor benoemingen of het opstellen van voordrachten of aanbevelingen, benoemt de voorzitter drie raadsleden tot stembureau. 2.Aanwezige raadsleden die zich niet ingevolge artikel 28 van de wet van deelneming aan de stemming moeten onthouden, zijn verplicht een door het stembureau verstrekt stembriefje in te leveren. 3.Er hebben zoveel stemmingen plaats als er personen zijn te benoemen, voor te dragen of aan te bevelen. De raad kan op voorstel van het stembureau beslissen dat bepaalde stemmingen worden samengevat op één briefje. 4.In geval van twijfel over de inhoud van een stembriefje beslist de raad op voorstel van het stembureau. 4.1.4.Verslaglegging; ingekomen stukken Artikel52.Verslag en besluitenlijst 1.De griffier draagt zorg voor (audio)verslagen en besluitenlijsten van raadsvergaderingen. 2.Uit de verslaglegging blijkt in ieder geval: de namen van de voorzitter, de griffier, de wethouders en de raadsleden, allen voor zover aanwezig, alsmede van de overige personen die het woord hebben gevoerd; een aantekening van welke raadsleden afwezig waren; een vermelding van de zaken die aan de orde zijn geweest; een overzicht van het verloop van elke stemming met vermelding bij hoofdelijke stemming van de namen van de raadsleden die voor of tegen stemden, met aantekening van de namen van de raadsleden die zich overeenkomstig de wet van deelneming aan de stemming hebben onthouden of zich bij het uitbrengen van hun stem hebben vergist; de inhoud van de ter vergadering ingediende voorstellen van orde, de nummering en titel van ingebrachte moties, amendementen en subamendementen, en bij het desbetreffende agendapunt, de naam en de hoedanigheid van die personen aan wie het op grond van artikel 42 door de raad is toegestaan deel te nemen aan de beraadslagingen. 3.Besluitenlijsten worden ondertekend door de voorzitter en griffier. 4.Voor zover de aard en de inhoud van de besluitvorming zich daartegen niet verzet, wordt de besluitenlijst zo spoedig mogelijk na de raadsvergadering openbaar gemaakt op de in de gemeente gebruikelijke wijze. 5.Digitale verslagen en besluitenlijsten worden op het raadsinformatiesysteem van de gemeenteraad geplaatst. Artikel53.Ingekomen stukken 1.Bij de raad ingekomen stukken worden op een lijst geplaatst die wordt gepubliceerd met een door de griffie geformuleerd advies voor afdoening. 2.De raad stelt de wijze van afdoening van de ingekomen stukken vast. 3.Over de wijze van afdoening van de ingekomen stukken vindt geen beraadslaging plaats. 4.Voorstellen voor aanpassing van de wijze van afdoening van ingekomen stukken moeten uiterlijk 48 uur voorafgaand aan de vergadering, via de griffie, aan de voorzitter en raadsleden ter kennis worden gebracht. 4.1.5.Toehoorders en pers Artikel54.Toehoorders en pers 1.Toehoorders en vertegenwoordigers van de pers wonen openbare raadsvergaderingen uitsluitend bij op de voor hen bestemde plaatsen. 2.Het blijkgeven van tekenen van goed- of afkeuring of het op andere wijze verstoren van de orde is hen verboden. Artikel55.Geluid- en beeldregistraties Degenen die van een openbare raadsvergadering geluid- of beeldregistraties willen maken, doen hiervan mededeling aan de voorzitter en gedragen zich naar diens aanwijzingen. 4.1.6.Besloten raadsvergaderingen Artikel56.Toepassing reglement op besloten raadsvergaderingen Op besloten raadsvergaderingen is dit reglement van overeenkomstige toepassing voor zover dat niet strijdig is met het besloten karakter van de vergadering. Paragraaf4.2.Bevoegdheden, instrumenten raadsleden Artikel57.Vragenhalfuur 1.Een half uur voorafgaand aan reguliere raadsvergaderingen is er een vragenhalfuur, tenzij bij de voorzitter geen vragen zijn ingediend. 2.Raadsleden die tijdens het vragenhalfuur vragen willen stellen, melden dit onder aanduiding van het onderwerp en de voorgenomen vragen ten minste 48 uur voor aanvang van het vragenhalfuur, via de griffie, bij de voorzitter. 3.Aangemelde onderwerpen worden voorzien van een korte toelichting en maximaal drie vragen. 4.De voorzitter beoordeelt of een aangemeld onderwerp geschikt is voor behandeling in het vragenhalfuur. Een onderwerp is geschikt indien: het een actuele kwestie betreft die niet op de agenda van de raadsvergadering staat; het onderwerp zich leent voor korte, informatieve beantwoording zonder debat. 5.De voorzitter kan onderwerpen bundelen indien deze inhoudelijk verband houden of wanneer dit nodig is om het vragenhalfuur binnen de beschikbare tijd te kunnen afronden, tevens kan de voorzitter onderwerpen aanhouden als dit nodig is om het vragenhalfuur binnen de beschikbare tijd te kunnen afronden. 6.De voorzitter bepaalt de volgorde waarin aangemelde onderwerpen tijdens het vragenhalfuur aan de orde worden gesteld. 7.Het overzicht van het vragenhalfuur wordt voorafgaand aan het vragenhalfuur door de griffie gepubliceerd via het raadsinformatiesysteem. Artikel58.Voorstel afkomstig van het college 1.Een voorstel afkomstig van het college aan de raad dat vermeld staat op de voorlopige agenda van de raadsvergadering, wordt niet ingetrokken zonder toestemming van de raad. 2.Als de raad van oordeel is dat het nodig is een voorstel als bedoeld in het eerste lid terug te zenden aan het college, bepaalt de raad binnen welke termijn en eventueel onder welke inhoudelijke voorwaarden het voorstel opnieuw geagendeerd wordt. 3.Wanneer de raad niet direct bij terugzending aan het college bepaalt binnen welke termijn het voorstel opnieuw geagendeerd wordt, bepaalt de agendacommissie namens de raad in haar eerstvolgende vergadering een datum. De agendacommissie kan hier geen nadere inhoudelijke voorwaarden aan stellen. Artikel59.Amendementen en subamendementen 1.Raadsleden dienen amendementen en subamendementen voor het sluiten van de beraadslaging van het voorstel waarop deze betrekking hebben schriftelijk in bij de voorzitter. 2.Een amendement of subamendement kan slechts worden ingediend door een lid dat tevens het woord heeft gevraagd voor de beraadslaging over het betreffende agendapunt. De toelichting op een amendement of subamendement maakt deel uit van de spreektijd van het lid. 3.Van alle schriftelijk ingediende amendementen wordt tevens een digitaal bewerkbaar afschrift beschikbaar gesteld aan de griffie. 4.Er wordt alleen beraadslaagd over amendementen en subamendementen die ingediend zijn door raadsleden die de presentielijst getekend hebben. 5.Intrekking door de indiener van een amendement of subamendement is mogelijk totdat de besluitvorming daarover door de raad is afgerond. 6.Amendementen en sub-amendementen worden door de indiener mondeling toegelicht in de vergadering en ingediend voorzien van de handtekeningen van de indienende raadsleden per fractie. Artikel60.Moties 1.Raadsleden dienen moties schriftelijk in bij de voorzitter. 2.Een motie kan slechts worden ingediend door een lid dat tevens het woord heeft gevraagd voor de beraadslaging over het betreffende agendapunt. De toelichting op de motie maakt deel uit van de spreektijd van het lid. 3.De behandeling van een motie vindt gelijktijdig plaats met de beraadslaging over het onderwerp of voorstel waarop deze betrekking heeft. 4.De behandeling van een motie over een niet op de agenda opgenomen onderwerp vindt plaats nadat alle op de agenda opgenomen onderwerpen zijn behandeld. Behandeling kan alleen plaatsvinden als de motie door ten minste zes raadsleden, verdeeld over tenminste twee fracties wordt mede-ingediend of ondersteund. 5.Intrekking door de indiener van een motie is mogelijk totdat de besluitvorming daarover door de raad is afgerond. 6.Moties worden door de indiener mondeling toegelicht in de vergadering en ingediend voorzien van de handtekeningen van de indienende raadsleden per fractie. Artikel61.Initiatiefvoorstel 1.Raadsleden dienen initiatiefvoorstellen, via de griffie, schriftelijk in bij de voorzitter. Deze brengt een ingediend voorstel zo spoedig mogelijk ter kennis van het college. 2.Het college kan binnen drie weken nadat het ter kennis is gesteld van een voorstel schriftelijk wensen en bedenkingen met betrekking tot het voorstel ter kennis van de raad brengen. 3.Nadat het college schriftelijk wensen of bedenkingen ter kennis van de raad heeft gebracht of kenbaar heeft gemaakt hiertoe niet te zullen overgaan, dan wel nadat de in het tweede lid gestelde termijn is verlopen, wordt het voorstel door de agendacommissie in de eerstvolgende raadscyclus ter advisering geagendeerd in een raadscommissie en voor besluitvorming geagendeerd in de gemeenteraad. Als de agendacommissie de planning van de eerstvolgende raadscyclus al heeft vastgesteld, wordt het voorstel in de daaropvolgende raadscyclus geagendeerd. Artikel62.Interpellatie 1.Raadsleden dienen verzoeken tot het houden van een interpellatie, via de griffie, schriftelijk in bij de voorzitter. Het verzoek bevat in ieder geval: De te stellen politieke verantwoordingsvragen; Een korte inhoudelijke toelichting op de vragen; Een motivatie voor de keuze van het instrument, en de urgentie van politieke verantwoording door het college in de raadsvergadering. 2.Een verzoek tot interpellatie kan uitsluitend worden ingediend door ten minste zes raadsleden afkomstig uit ten minste twee fracties. 3.De voorzitter brengt de inhoud van het verzoek zo spoedig mogelijk ter kennis van de overige raadsleden en de wethouders. 4.Over verzoeken die ten minste 48 uur voor aanvang van een raadsvergadering zijn ingediend, of die naar het oordeel van de voorzitter spoedeisend zijn, wordt tijdens de eerstvolgende raadsvergadering gestemd bij het vaststellen van de agenda. In andere gevallen vindt stemming plaats tijdens de daaropvolgende raadsvergadering. 5.De interpellant voert niet vaker dan tweemaal het woord, waarvan eenmaal ter conclusie van de interpellatie. De overige raadsleden, de burgemeester en de wethouders niet vaker dan eenmaal, tenzij de raad hen hiertoe verlof geeft. Paragraaf4.3.Slotbepaling Artikel63.Uitleg reglement raadsvergaderingen 1.In gevallen waarin dit reglement niet voorziet, of bij twijfel omtrent de toepassing van het bepaalde in dit hoofdstuk, beslist de raad op voorstel van de voorzitter. 2.Wanneer de voorzitter in deze gevallen een voorstel doet, geldt in afwijking van artikel 43, dat een voorstel is aangenomen als de raad in meerderheid met het voorstel instemt. Hoofdstuk5.Informatievoorziening, ambtelijke ondersteuning en fractieondersteuning Paragraaf5.1.Informatievoorziening Artikel64.Schriftelijke vragen 1.Raadsleden, of commissieleden namens een raadslid, dienen schriftelijke vragen aan het college of de burgemeester in bij de griffier, waarbij wordt aangegeven of er een voorkeur voor schriftelijke of mondelinge beantwoording bestaat. 2.De griffier brengt de vragen zo spoedig mogelijk ter kennis van de overige raadsleden en het college of de burgemeester. 3.Schriftelijke beantwoording gebeurt binnen 21 dagen nadat de vragen zijn ingediend. 4.Indien beantwoording binnen de in het derde lid gestelde termijn redelijkerwijs niet mogelijk is, informeert het college of de burgemeester, via de griffie, het raadslid hierover met opgave van redenen en een redelijke termijn voor beantwoording. 5.Vragen waarbij is aangegeven dat de voorkeur bestaat voor mondelinge beantwoording en die ten minste 96 uur voor aanvang van een raadsvergadering zijn ingediend worden mondeling beantwoord in de eerstvolgende raadsvergadering, tenzij het college of de burgemeester de griffier gemotiveerd in kennis stelt dat dit onmogelijk is, waarbij tevens aangegeven wordt binnen welke termijn beantwoording zal plaatsvinden. 6.Schriftelijke antwoorden van het college of de burgemeester worden door de griffier aan de raadsleden toegezonden en via het raadsinformatiesysteem gepubliceerd. 7.De vragensteller kan na beantwoording door het college of de burgemeester nadere inlichtingen vragen over het gegeven antwoord, tenzij de raad anders beslist. Artikel65.Inlichtingen 1.Raads- en commissieleden kunnen de inlichtingen opvragen die zij nodig achten voor de uitoefening van hun taak, als bedoeld in de artikelen 169, derde lid, en 180, derde lid van de wet. 2.Verzoeken om inlichtingen worden schriftelijk via de griffie ingediend. De griffie ontsluit het verzoek om inlichtingen zo spoedig mogelijk via het raadsinformatiesysteem. 3.De griffie legt verzoeken om inlichtingen voor aan onder het college werkzame ambtenaren. De beantwoording vindt plaats onder toezicht van de gemeentesecretaris en uiteindelijk verantwoordelijkheid van het college. 4.Inlichtingen worden zo spoedig mogelijk verstrekt, met inachtneming van de volgende termijnen: binnen twee werkdagen indien het vragen betreft over een onderwerp dat ter bespreking bij een raadscommissie of voor besluitvorming bij de gemeenteraad ligt; binnen vijf werkdagen indien het een ander onderwerp betreft dan bedoeld onder a. 5.Indien beantwoording binnen de in het vierde lid gestelde termijnen redelijkerwijs niet mogelijk is, informeert de ambtenaar, via de griffie, het raads- of commissielid hierover met opgave van reden en een redelijke termijn voor beantwoording. 6.De beantwoording van een verzoek beperkt zich tot feitelijke, technische en objectieve informatie. Indien een verzoek om inlichtingen een politiek, beleidsmatig of verantwoordingskarakter heeft, wijst de griffie de verzoeker op de inzet van een passend raadsinstrument. 7.Alle verstrekte inlichtingen worden door de griffie zo spoedig mogelijk gedeeld met raads- en commissieleden via het raadsinformatiesysteem. Paragraaf5.2.Ambtelijke bijstand Artikel66.Verzoek ambtelijke bijstand 1.Een raadslid, of een commissielid namens een raadslid, kan bij de griffier een verzoek indienen om ambtelijke bijstand. Het verzoek bevat een omschrijving van de gevraagde expertise, de aard van de werkzaamheden en een inschatting van de benodigde tijd om aan het verzoek te voldoen. 2.Uit het verzoek moet blijken dat de gevraagde bijstand betrekking heeft op de werkzaamheden van de raad. 3.De griffier beoordeelt of het verzoek voldoet aan de voorwaarden en zet het verzoek uit bij de gemeentesecretaris. 4.De gemeentesecretaris zorgt voor de organisatie van de ambtelijke bijstand, indien nodig in overleg met de griffier, en geeft zo spoedig mogelijk aan de griffier door welke ambtenaar de verzochte ambtelijke bijstand zal verlenen. Artikel67.Verlenen ambtelijke bijstand 1.De gemeentesecretaris kan een verzoek om ambtelijke bijstand slechts weigeren als: het raads- of commissielid niet aannemelijk heeft gemaakt dat de bijstand betrekking heeft op de werkzaamheden van de raad; de gevraagde expertise binnen de organisatie niet aanwezig of niet beschikbaar is; dit het belang van de gemeente kan schaden. 2.Indien sprake is van de situatie als bedoeld in lid 1 onder b, treedt de gemeentesecretaris in overleg met het raadslid namens wie het verzoek is ingediend over de mogelijkheid tot inhuur van capaciteit op de gevraagde expertise. De griffier wordt geïnformeerd over de uitkomst van dit overleg. 3.Indien het verzoek om ambtelijke bijstand door de gemeentesecretaris wordt geweigerd op grond van het in het eerste lid bepaalde, of als er geen overeenstemming wordt bereikt over de mogelijkheid tot inhuur van capaciteit op de gevraagde expertise zoals bedoeld in het tweede lid, deelt hij dit gemotiveerd mee aan de griffier en aan het raadslid namens wie het verzoek is ingediend. De griffier of het raadslid kan de burgemeester verzoeken met de griffier en de gemeentesecretaris en zo nodig het raads- of commissielid in overleg te treden over het alsnog laten verlenen van de ambtelijke bijstand. De burgemeester geeft zo spoedig mogelijk gehoor aan dit verzoek. 4.Indien ook tussenkomst in het derde lid bepaalde overleg met de burgemeester geen overeenstemming kan worden bereikt over het laten verlenen van de ambtelijke bijstand kan de griffier op verzoek van het raadslid verzoeken een voorstel uit te werken aan het presidium over het alsnog laten verlenen van de ambtelijke bijstand. Artikel68.Verantwoordelijkheid Voor zover en zolang de ambtenaar werkzaamheden verricht in het kader van het verlenen van ambtelijke bijstand aan de raad, valt deze onder de verantwoordelijkheid van de griffier en legt de ambtenaar over deze werkzaamheden slechts verantwoording af aan de griffier. Artikel69.Vertrouwelijkheid informatie 1.Alle informatie die de ambtenaar, het raadslid en de griffier met elkaar delen in het kader van het verlenen van ambtelijke bijstand is vertrouwelijk. 2.Wanneer een andere ambtenaar betrokken dient te worden bij de uitvoering van de ambtelijke bijstand, is de toestemming van het betreffende raadslid benodigd. In dat geval zijn de bepalingen van deze verordening eveneens van toepassing op deze ambtenaar. 3.Als het college of een of meer leden van het college informatie wenst over een verzoek om ambtelijke bijstand of over de inhoud van verleende ambtelijke bijstand, wenden zij zich daartoe rechtstreeks tot de griffier. De griffier overlegt het verzoek met het betrokken raads- of commissielid en informeert de verzoeker over de uitkomst. Artikel70.Evaluatie 1.Na afronding van de werkzaamheden evalueren raadslid en ambtenaar het proces rondom de gevraagde en verleende ambtelijke bijstand. 2.Indien een raadslid niet tevreden is over door een ambtenaar verleende bijstand, kan hij de griffier verzoeken hierover in overleg te treden met de gemeentesecretaris. 3.Indien overleg met de gemeentesecretaris niet leidt tot een ook voor het raadslid bevredigende oplossing, kan deze de burgemeester verzoeken met de griffier en de gemeentesecretaris, en zo nodig het raadslid, in overleg te treden over de aan hem verleende bijstand. De burgemeester geeft zo spoedig mogelijk gehoor aan dit verzoek. Artikel71.Ambtelijke toetsing 1.Raads- en commissieleden kunnen verzoeken om ambtelijke toetsing van door hen opgestelde moties, amendementen en initiatiefvoorstellen. Deze toetsing ziet uitsluitend op juridische correctheid, uitvoerbaarheid, consistentie met bestaand beleid en regelgeving, en het signaleren van technische onvolkomenheden. 2.De griffie is verantwoordelijk voor de ambtelijke toetsing en voert deze in beginsel zelf uit. Indien voor een zorgvuldige beoordeling aanvullende expertise nodig is, kan de griffier, indien nodig in overleg met de gemeentesecretaris, een ambtenaar verzoeken om de toetsing te verrichten. 3.Het bepaalde in artikel 68 en artikel 69 inzake verantwoordelijkheid en vertrouwelijkheid zijn van overeenkomstige toepassing op een ambtenaar die wordt verzocht om de toetsing te verrichten. Artikel72.Informeel ambtelijk gesprek 1.Raads- en commissieleden kunnen, ter ondersteuning van de uitoefening van hun werkzaamheden, via de raadsgriffie verzoeken om een informeel ambtelijk gesprek met onder het college werkzame ambtenaren voor feitelijke, technische of procedurele toelichting op informatie of stukken. 2.Bij een verzoek om een informeel ambtelijk gesprek worden het gespreksonderwerp en belangrijkste vragen vermeld. 3.Een informeel ambtelijk gesprek heeft uitsluitend tot doel feitelijke of technische informatie te verkrijgen of bestaande informatie te verduidelijken. Tijdens deze gesprekken vindt geen politieke of bestuurlijke oordeelsvorming plaats en worden geen opdrachten of aanwijzingen aan ambtenaren gegeven. 4.De griffie ondersteunt de organisatie en afstemming van informele ambtelijke gesprekken en bewaakt een zorgvuldig en transparant verloop. 5.Indien tijdens een informeel ambtelijk gesprek informatie naar voren komt die relevant kan zijn voor raads- of commissieleden zorgt de griffie voor het op passende wijze delen van deze informatie via het raadsinformatiesysteem. 6.Indien meerdere raads- of commissieleden een vergelijkbaar verzoek hebben, of het gespreksonderwerp voor meerdere leden relevant is, kan de griffie verzoeken combineren tot één gezamenlijk informeel ambtelijk gesprek. Het indienen van een verzoek geeft geen recht op een individueel gesprek. 7.Indien een verzoek om een informeel ambtelijk gesprek niet kan worden gehonoreerd, voeren de griffie en de betreffende leidinggevende van de ambtelijke organisatie overleg over de mogelijkheden tot het alsnog faciliteren van het gesprek. Indien ook dit overleg niet leidt tot het kunnen inwilligen van het verzoek, kan het gesprek worden geweigerd. De griffie wijst het raadslid of commissielid in dat geval op de inzet van passende alternatieve instrumenten voor het verkrijgen van informatie. Paragraaf5.3.Fractieondersteuning Artikel73.Recht op financiële bijdrage 1.De raad stelt voor een fractie jaarlijks een bijdrage ter ondersteuning van het functioneren van de fractie beschikbaar. 2.De financiële bijdrage bestaat uit een basisbedrag van € 1.000 per fractie, die niet is gevormd als resultaat van een afsplitsing van een reeds bestaande fractie, en een variabel deel van alle fracties van € 80 per raadszetel die de betreffende fractie bezet in de gemeenteraad. 3.In afwijking van het eerste lid verstrekt de raad in een jaar waarin raadsleden aftreden op grond van artikel C 4, tweede lid, van de Kieswet aan een fractie een financiële bijdrage voor de periode omvattende de resterende maanden. Deze financiële bijdrage bestaan uit een twaalfde deel van de bedragen, bedoeld in het tweede lid, vermenigvuldigd met het aantal maanden dat de periode omvat. Artikel74.Besteding financiële bijdrage 1.Een fractie besteedt de financiële bijdrage uitsluitend om de volksvertegenwoordigende, kaderstellende of controlerende rol van de fractie te versterken. 2.De financiële bijdrage mag in ieder geval niet worden gebruikt ter bekostiging van: uitgaven die in strijd zijn met enige wettelijke bepaling; betalingen, inclusief die ter voldoening van contributie, aan politieke partijen, met politieke partijen verbonden instellingen of natuurlijke personen anders dan ter vergoeding van diensten of goederen geleverd ten behoeve van de versterking van de fractie op basis van een gespecificeerde, reële declaratie of arbeidsovereenkomst; giften, leningen, beleggingen en voorschotten; uitgaven die op grond van enige andere wettelijke regeling in aanmerking komen voor vergoeding van overheidswege, waaronder uitgaven in verband met verkiezingsactiviteiten, of de kosten voor niet-partijpolitiek georiënteerde scholing in verband met de vervulling van de functie van raads- of commissielid, voor zover deze door of namens de gemeente wordt aangeboden of verzorgd. Artikel75.Bevoorschotting en declaratie 1.Voor een fractie wordt jaarlijks vóór 31 januari een voorschot beschikbaar gesteld ter hoogte van de financiële bijdrage voor het betreffende kalenderjaar verrekend met nog niet verrekende teveel ontvangen voorschotten in perioden waarvoor de financiële bijdrage overeenkomstig artikel 80 is vastgesteld, alsmede het conform artikel 79, tweede lid door de fractie gereserveerde deel van het voorgaande jaar. 2.In een jaar waarin de raadsleden aftreden na reguliere raadsverkiezingen of op grond van artikel 56d of 56e van de Wet algemene regels herindeling wordt, in afwijking van het eerste lid, aan een fractie een voorschot beschikbaar gesteld voor de periode tot en met de maand maart en een voorschot voor de periode omvattende de resterende maanden. Het eerste voorschot wordt vóór 31 januari van dat jaar verstrekt; het tweede voorschot vóór het eind van de maand april. 3.De financiële bijdrage is in beheer bij de griffier. Via de griffier kunnen uit het voorschot uitgaven worden gedeclareerd. Artikel76.Gevolgen splitsen, einde bestaan fractie, ontstaan nieuwe fractie 1.Als één of meer raadsleden van één of meer fracties als zelfstandige fractie gaan optreden of zich aansluiten bij een andere fractie, wordt het voor elk van deze zetels beschikbaar gestelde variabele deel van de financiële bijdrage toebedeeld aan de nieuwgevormde fractie of aan de fractie waarbij aangesloten wordt. 2.Als zich een situatie als bedoeld in het eerste lid voordoet, worden de verleende voorschotten onverwijld bijgesteld overeenkomstig de uit het eerste lid voortvloeiende verdeling. 3.Als één of meer raadsleden van één of meer fracties als zelfstandige fractie gaan optreden ontvangt deze nieuw gevormde fractie de in artikel 73, tweede lid, vastgelegde financiële bijdrage naar rato van het resterende deel van het kalenderjaar. 4.Als een fractie tijdens een zittingsperiode ophoudt te bestaan, vervalt de aanspraak op de financiële bijdrage met ingang van de maand volgend op de maand waarin de fractie hiervan kennisgeving heeft gedaan. 5.Als een fractie als gevolg van verkiezingen ophoudt te bestaan, vervalt de aanspraak op de financiële bijdrage met ingang van de datum dat de raad in de nieuwe samenstelling aantreedt. Artikel77.Reserve 1.De raad reserveert het in enig jaar niet gebruikte gedeelte van de financiële bijdrage toekomend aan een fractie voor het kunnen verlenen van een aanvullende financiële bijdrage aan die fractie in volgende jaren. 2.Een reserve is niet groter dan 30% van de financiële bijdrage die de fractie in het voorgaande kalenderjaar toekwam op grond van artikel 73, tweede lid. 3.Het beroep in enig jaar op de opgebouwde reserve komt tot uitdrukking in de afrekening over dat jaar. Bevoorschotting vindt desgevraagd plaats. 4.Een reserve blijft na verkiezingen beschikbaar voor de fractie die onder dezelfde naam terugkeert, dan wel voor de fractie die naar het oordeel van de raad als rechtsopvolger daarvan kan worden beschouwd. 5.Als zich een situatie als bedoeld in artikel 76, eerste lid, voordoet, wordt een eventuele reserve van de fractie waar de betreffende leden uittreden toebedeeld aan de betrokken fracties naar evenredigheid van de resulterende zetelaantallen. Artikel78.Administratieve verplichtingen 1.Fracties voeren zelf een financiële administratie op basis van het stelsel van baten en lasten. Deze administratie wordt op een zodanige wijze gevoerd dat deze steeds een volledig en juist inzicht geeft in alle bezittingen en schulden, verplichtingen, reserves, baten en lasten, alsmede overige gegevens die voor de financiële verantwoording van belang zijn. 2.Andere inkomensbronnen dan de financiële bijdrage worden afzonderlijk geadministreerd. 3.De administratie wordt zodanig ingericht dat bij declaratie via de griffier nadere informatie kan worden gegeven en bescheiden of bewijsstukken met betrekking tot de uitgaven kunnen worden overgelegd. Artikel79.Verantwoording, controle en vaststelling financiële bijdrage 1.Een fractie legt uiterlijk drie maanden na het einde van een kalenderjaar aan de raad verantwoording af over de besteding van de financiële bijdrage gedurende het vorige kalenderjaar, onder overlegging van een verslag. 2.De griffier controleert het verslag en brengt advies uit aan de raad. De griffier kan besluiten bij de controle advies in te winnen bij de accountant. 3.De raad stelt na ontvangst van het advies van de griffier de hoogte vast van: de financiële bijdrage; het te verrekenen verschil tussen de vastgestelde financiële bijdrage en het door de raad verstrekte voorschot; de wijziging van de reserve, en de resterende reserve. Artikel80.Toepassing Awb en Algemene Subsidieverordening 1.De financiële bijdrage voor de fractieondersteuning is een subsidie als bedoeld in artikel 4:21, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. 2.De Algemene Subsidieverordening De Bilt 2019 is niet van toepassing. Hoofdstuk6.Beslotenheid en geheimhouding Paragraaf6.1.Algemene bepaling Artikel81.Geheimhouding als uitzondering 1.In de informatievoorziening van college of burgemeester naar de raad, en in de beraadslagingen tussen college, burgemeester, raad en commissies is openbaarheid de regel en geheimhouding de uitzondering. 2.De keuze voor geheimhouding dient altijd in openbaarheid te worden gemotiveerd. Paragraaf6.2.Geheimhouding van informatie Artikel82.Geheim hanteren 1.Informatie die wordt aangeboden aan de raad, raadscommissies of overige gremia van de raad is openbaar óf geheim. De term 'vertrouwelijk' wordt niet gehanteerd. 2.Informatie waarop geen geheimhouding is gelegd, is openbaar. Artikel83.Vertrouwelijk delen door burgemeester 1.Indien de burgemeester het noodzakelijk acht, kan hij, in afwijking van artikel 82, vertrouwelijk schriftelijke informatie of een mondelinge mededeling delen aan de leden van het presidium of de agendacommissie. 2.In deze gevallen geldt de vertrouwelijkheidsbepaling van artikel 2:5 uit de Algemene wet bestuursrecht. 3.De leden van het presidium of de agendacommissie nemen vertrouwelijkheid in acht voor de duur die de burgemeester bij het delen van de informatie heeft aangegeven. 4.De burgemeester kan de agendacommissie gemotiveerd verzoeken overige bijeenkomsten van de raad, zoals bedoeld in artikel 7, achtste lid, onderdeel g, niet-openbaar te laten plaatsvinden, indien de aard of inhoud van de bijeenkomst daartoe aanleiding geeft, en daarbij aangeven dat een vertrouwelijke behandeling van de inhoud van die bijeenkomst de norm is. Artikel84.Opleggen geheimhouding door college, burgemeester, commissie of raad 1.Het college of de burgemeester delen enkel informatie onder geheimhouding als een belang genoemd in artikel 5.1, eerste en tweede lid, van de Wet open overheid van toepassing is. 2.De raad of een commissie legt enkel geheimhouding op als een belang genoemd in artikel 5.1, eerste en tweede lid, van de Wet open overheid van toepassing is. 3.Een verplichting tot geheimhouding wordt duidelijk op het betreffende stuk en in de bestandsnaam vermeld. 4.De informatie die geheim moet blijven wordt in een bijlage opgenomen zodat de informatie die openbaar kan zijn ook openbaar is. Indien de geheime informatie niet zelfstandig leesbaar en begrijpelijk is, wordt naast de geheime versie, een gelakte (publieks)versie aangeboden zodat de informatie die openbaar is, openbaar geplaatst kan worden. Wanneer een document (vrijwel) volledig geheime informatie bevat dan wel onleesbaar is wegens de vele gelakte informatie, volstaat het aanbieden van alleen het geheime document. 5.Als het college of de burgemeester geheime informatie aan de commissie of de raad overlegt, wordt daarbij vermeld: motivatie, onder vermelding van de grond(en) uit artikel 5.1, eerste en tweede lid van de Wet open overheid; voorgestelde datum om geheimhouding op te heffen of te evalueren, met een beschrijving van de voorwaarde waaronder geheimhouding naar verwachting kan worden opgeheven; Artikel85.Inzage geheime informatie Geheime informatie blijft onder berusting van de griffier. Schriftelijke geheime informatie wordt geplaatst in het deel van het raadsinformatiesysteem dat alleen toegankelijk is voor de raadsleden en de commissieleden, tenzij de griffier oordeelt dat terinzagelegging fysiek bij de griffier op het gemeentehuis noodzakelijk is. Artikel86.Delen geheime informatie met anderen 1.Indien geheime informatie door het college of de burgemeester schriftelijk wordt verstrekt aan een commissie waarin raadsleden zitten, beschikt de raad als geheel hier ook over. 2.Raads- en commissieleden mogen de inhoud van een geheim verslag van een besloten commissievergadering mondeling bespreken met andere raads- en commissieleden die niet aanwezig waren. 3.Raadsleden mogen de inhoud van een geheim verslag van een besloten raadsvergadering mondeling bespreken met andere raadsleden die niet aanwezig waren. 4.De raad kan besluiten informatie waarop een verplichting tot geheimhouding is gelegd tevens onder geheimhouding aan anderen te verstrekken. 5.De griffier kan informatie waarop een verplichting tot geheimhouding is gelegd namens de raad onder geheimhouding verstrekken ten behoeve van een onderzoek door de Rekenkamer, de accountantsdienst of een, op grond van 155a wet, door de raad ingestelde onderzoekscommissie. 6.Indien de griffier overeenkomstig het vijfde lid informatie verstrekt aan anderen, informeert hij de raad binnen zeven kalenderdagen welke informatie om welke reden aan wie is verstrekt. 7.Uitsluitend voor zover dit voor de werkzaamheden van het college noodzakelijk is in het kader van het dagelijks bestuur, mag het college informatie waarop het geheimhouding heeft opgelegd en die verstrekt is aan de raad, ook delen met anderen, onder de vermelding dat geheimhouding in acht wordt genomen door eenieder die kennis van die informatie draagt, totdat de raad deze opheft. Het college of de burgemeester informeert de raad binnen 7 kalenderdagen over welke informatie om welke reden aan wie is verstrekt. Artikel87.Het stellen van schriftelijke vragen of verzoeken inlichtingen over geheime informatie 1.Raadsleden kunnen het college schriftelijke vragen stellen of een verzoek om inlichtingen doen over geheime informatie. De vragen en antwoorden volgen de grondslag van het oorspronkelijke document en zijn derhalve geheim. 2.Indien de vragen of inlichtingen betrekking hebben op een document dat gedeeltelijk geheim is, dient het college een afweging te maken welke onderdelen van de vragen en antwoorden openbaar gepubliceerd kunnen worden. Paragraaf6.3.Vergaderen in beslotenheid Artikel88.Openbare aankondiging en opening 1.Alle raads- en commissievergaderingen worden in ieder geval in het openbaar aangekondigd en geopend, behoudens vergaderingen in het kader van (her)benoeming van de burgemeester. 2.Op de openbare agenda wordt een agendapunt, dat met gesloten deuren moet worden besproken, in algemene termen benoemd. 3.Een verzoek van het college om in beslotenheid te treden wordt altijd schriftelijk gedaan aan de agendacommissie of de voorzitter onder opgave van onderwerp, grond, motivering en urgentie. 4.Een verzoek van raads- en commissieleden om in beslotenheid te treden over een eigen initiatiefvoorstel of eigen agenderingsverzoek als bedoeld in artikel 17, wordt altijd schriftelijk gedaan aan de agendacommissie bij het versturen van het initiatiefvoorstel of indienen van het agenderingsverzoek onder opgave van onderwerp, grond, motivering en urgentie. Artikel89.Het sluiten van de deuren 1.Op verzoek van ten minste één vijfde deel van het aantal leden dat de presentielijst heeft getekend dan wel als de voorzitter dit nodig vindt, worden de deuren gesloten, onder vermelding van de uitzonderingsgrond uit de Woo, inclusief motivering, die voor het orgaan aanleiding geeft tot in beslotenheid vergaderen. 2.Als de deuren worden gesloten besluit het orgaan of er naast de leden zelf, de (commissie)griffier, de betrokken leden van het college en de door het college aangemelde direct betrokken ambtenaren nog andere personen aanwezig mogen zijn. 3.Als de deuren worden gesloten zorgt de griffie ervoor dat de uitzending via internet wordt stopgezet en dat de vergadering niet langer in nevenruimtes is te volgen. Artikel90.Vergaderen achter gesloten deuren 1.Nadat de deuren zijn gesloten legt de voorzitter eerst het voorstel om met gesloten deuren te vergaderen voor ter bespreking. Alleen als het orgaan in meerderheid hiertoe besluit zal daadwerkelijk met gesloten deuren worden vergaderd. 2.Alle aanwezigen bij de besloten vergadering tekenen de presentielijst, alle namen van aanwezigen worden ook vastgelegd in het woordelijk verslag. 3.Bij aanvang van de besloten vergadering licht de voorzitter de consequenties van vergaderen in beslotenheid nog een keer kort toe. 4.Indien met gesloten deuren wordt vergaderd, geldt een verplichting tot geheimhouding omtrent informatie die in die vergadering ter kennis van de aanwezigen komt. De verplichting duurt voort, totdat de raad haar opheft. 5.Het orgaan legt bij aanvang van een besloten vergadering, onder vermelding van de grondslag uit de Wet open overheid, geheimhouding op eventuele documenten die in de besloten vergadering zijn aangeboden en waarop door het college of de burgemeester nog geen geheimhouding is gelegd (zoals presentaties). Het college of de burgemeester geven bij aanbieding onderbouwd aan welke informatie in de betreffende documenten geheim zou moeten zijn, zodat zoveel mogelijk informatie openbaar blijft. 6.Leden die na aanvang van een besloten vergadering aankomen, tekenen terstond de presentielijst. Voor het verslag maakt de voorzitter tevens melding van leden die tijdens de besloten vergadering aankomen of vertrekken en attendeert hen op de beslotenheid van de vergadering. 7.Als de raad of commissie de geheimhouding op hetgeen in de besloten vergadering is besproken, heeft opgeheven, wordt het verslag openbaar gepubliceerd. Artikel91.Verslaglegging besloten vergaderingen 1.Van een besloten vergadering wordt altijd een audio-opname gemaakt door de griffie. Deze opname wordt gebruikt om een woordelijk verslag van de vergadering op te maken. 2.Concepten van woordelijke verslagen van besloten commissievergaderingen worden zo spoedig mogelijk nadat deze beschikbaar zijn, geplaatst in het deel van het raadsinformatiesysteem dat alleen toegankelijk is voor de raadsleden en de commissieleden. 3.Concepten van woordelijke verslagen van besloten raadsvergaderingen worden zo spoedig mogelijk na ontvangst van de notulist ter inzage gelegd voor raadsleden. 4.Concepten van woordelijke verslagen van besloten vergaderingen worden zo spoedig mogelijk ter vaststelling aangeboden in een volgende vergadering. Dit geschiedt in de openbare vergadering zolang vaststelling kan geschieden zonder het verslag te bespreken. 5.Indien om bespreking van het verslag is verzocht, kan het orgaan in beslotenheid treden, tevens kan in casu vaststelling plaatsvinden in de besloten vergadering. 6.Tijdens deze vergadering neemt het orgaan tevens een besluit over het al dan niet (gedeeltelijk) opheffen van de geheimhouding op het vastgestelde verslag. Paragraaf6.4.Opheffen en schending geheimhouding Artikel92.Opheffen geheimhouding 1.Het orgaan dat geheimhouding oplegt is bevoegd de geheimhouding op te heffen. 2.Het orgaan dat geheimhouding oplegt kan bij het besluit tot opleggen van geheimhouding bepalen dat deze geheimhouding van rechtswege vervalt op een daarbij aangegeven datum of bij een daarbij aangegeven gebeurtenis. In dat geval is geen afzonderlijk opheffingsbesluit nodig. 3.Als een commissie geheimhouding heeft opgelegd, is naast deze commissie ook de raad (als orgaan dat de commissie heeft ingesteld) bevoegd tot opheffing van de geheimhouding. 4.Zodra het college of de burgemeester informatie met de raad heeft gedeeld, is de raad exclusief bevoegd tot opheffing van de geheimhouding. Artikel93.Initiatief tot opheffen geheimhouding 1.Als de raad op eigen initiatief voornemens is de geheimhouding van aan de raad verstrekte informatie op te heffen, wordt daarover, voor zover daar bij de raad en/of het orgaan dat de geheimhouding heeft opgelegd behoefte aan is, in een besloten raadsvergadering met dit orgaan overleg gevoerd. 2.Zodra het college of de burgemeester er kennis van draagt dat de grond voor geheimhouding niet langer bestaat, doet het college of de burgemeester zo spoedig mogelijk de raad een voorstel tot opheffing van opgelegde geheimhouding over overgelegde en toegezonden informatie. Het is aan de raad om hierover te besluiten. 3.Zodra het college of de burgemeester er kennis van draagt dat de grond voor geheimhouding op verslagen van besloten vergaderingen van raad of commissie niet langer bestaat, doet het college of de burgemeester zo spoedig mogelijk het orgaan een voorstel tot opheffing van de geheimhouding. Het is aan de raad of commissie om hierover te besluiten. Artikel94.Schending geheimhouding 1.Bij schending van de geheimhouding kan de raad besluiten het betreffende raads- of commissielid voor ten hoogste drie maanden uit te sluiten van het ontvangen van informatie waarop de verplichting tot geheimhouding rust. Alvorens daartoe te besluiten, wordt het betreffende lid in de gelegenheid gesteld zijn of haar zienswijze mondeling of schriftelijk naar voren te brengen. De raad neemt pas een besluit nadat hoor en wederhoor heeft plaatsgevonden. 2.Bij schending van de geheimhouding besluit de burgemeester, als voorzitter van de raad, of hij namens de gemeente aangifte doet. Artikel95.Publicatie openbaar geworden informatie Nadat de geheimhouding is opgeheven, wordt de desbetreffende informatie door de griffie op het openbare deel van het raadsinformatiesysteem geplaatst. Paragraaf6.5.Registratie geheime informatie Artikel96.Register geheime informatie 1.De griffie houdt in samenwerking met het college een register bij van alle geheime documenten die door het college en de burgemeester aan de commissie of de raad zijn aangeboden en van alle documenten waar de commissie of raad zelf geheimhouding op heeft gelegd. 2.De griffie houdt in samenwerking met het college in het register tevens bij welke delen van raads-en commissievergaderingen in beslotenheid zijn gehouden waardoor op het verhandelde van rechtswege geheimhouding rust. 3.Het register bevat een korte omschrijving van het geheime document/verslag, het orgaan dat de geheimhouding heeft opgelegd, de datum van oplegging van geheimhouding, de grondslag voor de geheimhouding en de termijn waarop de geheimhouding kan worden opgeheven. 4.In het register wordt vermeld met wie geheime informatie is gedeeld, indien op grond van artikel 86, vierde lid tot en met zevende lid, heeft plaatsgevonden. 5.De griffie en het college zorgen ervoor dat het register in elk geval ieder kwartaal ter kennisname aan het presidium wordt aangeboden. Hoofdstuk7.Slotbepalingen Artikel97.Uitleg reglement buiten vergaderingen In gevallen waarin dit reglement niet voorziet, of bij twijfel omtrent de toepassing van het reglement, en waar de toepassing van het reglement geen directe betrekking heeft op het verloop van een vergadering en zich derhalve niet leent voor stemming zoals bedoeld in de artikelen 34 en 63, legt de voorzitter deze kwestie ter advisering voor aan het presidium. Artikel98.Overgangsbepaling 1.De Verordening ambtelijke bijstand en fractieondersteuning gemeente De Bilt 2019 blijft van toepassing ten aanzien van de op basis van die verordening verleende financiële bijdragen en de verantwoording, controle, vaststelling en afrekening van die financiële bijdragen. 2.Vergaderingen of processen die aangevangen zijn voor het vaststellen van deze verordening en nog niet zijn afgesloten vinden hun afronding over de op het moment van aanvang geldende verordeningen. Artikel99.Duur en herziening van deze verordening 1.Deze verordening geldt in beginsel voor de bestuursperiode 2026-2030 van de gemeenteraad. Bij de start van een nieuwe bestuursperiode stelt de raad deze verordening opnieuw aan de orde ten behoeve van een actualisatie of herziening. 2.Tussentijdse (partiële) herziening van deze verordening vindt in beginsel plaats op initiatief van het presidium, waarbij geldt dat een meerderheid van de leden van het presidium instemt met het aanpassen van de verordening. 3.Het presidium kan nadere voorstellen doen voor werkafspraken, instructies en protocollen ter ondersteuning van het bepaalde in deze verordening. Indien nodig, worden deze ter besluitvorming aan de raad aangeboden. Artikel100.Intrekking eerdere regelingen, inwerkingtreding en citeertitel 1.Met inwerkingtreding van deze verordening worden de volgende regelingen ingetrokken: Reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad gemeente De Bilt 2023; de Verordening op de raadscommissies De Bilt 2023; de Verordening ambtelijke bijstand en fractieondersteuning De Bilt 2019. 2.Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking. 3.Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Raadswerk Gemeente De Bilt 2026. Toelichting Algemene toelichting De verordening heeft een brede opzet en grote reikwijdte om een samenhangende werkwijze van door raadscommissies en raad te borgen. De grote lijnen van de verordening bouwen voort op eerdere verordeningen van de raad, welke op haar beurt weer in belangrijke mate zijn gebaseerd op modelverordeningen van de VNG. Voor hoofdstukken 1 tot en met 4, paragrafen 5.1 en 5.3 van hoofdstuk 5, en hoofdstuk 7 geldt dat zij zijn gebaseerd op de modelverordeningen van de VNG. Paragraaf 5.2 van hoofdstuk 5 is gebaseerd op de Verordening ambtelijke bijstand gemeente Utrecht. Redactionele wijzigingen uitgezonderd volgt de toelichting op deze verordening ook de toelichting van deze bronnen. Daar waar de griffie aanvullende toelichting geeft of inhoudelijk afwijkt van de toelichting wordt dit in de tekst inzichtelijk gemaakt. Hoofdstuk 6 is gebaseerd op de Verordening geheimhouding gemeenteraad Amersfoort. Bij deze verordening zit geen toelichting. Waar nodig heeft de griffie hier voor de verordening nadere toelichting toegevoegd. Met name daar waar dit stuk afwijkt van de oorspronkelijke verordeningen wordt aanvullende toelichting geboden door noten van de griffie onder de betreffende artikelen. Hoofdstuk 1.

Artikel 1

. Begripsbepalingen In artikel 1 worden een aantal begrippen uit deze verordening gedefinieerd. Deze spreken grotendeels voor zich. Voor wat betreft het begrip ‘voorzitter’ zij nog vermeld dat de burgemeester voorzitter is van de raad. Artikel 9 van de Gemeentewet (hierna: wet) schrijft dit dwingend voor. In artikel 77, eerste lid, van de wet is bepaald dat het langstzittende raadslid het raadsvoorzitterschap waarneemt bij verhindering of ontstentenis van de burgemeester. Als twee raadsleden even lang zitting hebben, is de oudste in jaren degene die het raadsvoorzitterschap waarneemt. Daarnaast heeft de raad altijd de mogelijkheid zelf te kiezen voor een andere waarnemer. De burgemeester heeft het recht op grond van artikel 21 van de wet in de vergadering aan de beraadslaging deel te nemen. Als voorzitter zorgt hij onder andere voor de handhaving van de orde in de vergadering. Toevoeging griffie: Bij de definitie van agendacommissie en raadscommissie is gespecificeerd welk type door de raad ingestelde commissie het betreft. Voor de agendacommissie betekent dit dat deze, conform artikel 87 van de wet geheimhouding kan opleggen ten aanzien van informatie die bij de commissie berust. Artikel 2. Doel en reikwijdte Toevoeging griffie: Artikel toegevoegd door griffie om doel en reikwijdte van verordening te definiëren. Vanwege de brede reikwijdte van de verordening ten opzichte van eerdere regelgeving van de raad, en raadscommissies is deze verduidelijking noodzakelijk. Hoofdstuk 2. Organisatie van de raad Artikel 3. De raad en zijn leden Toevoeging griffie: Artikel toegevoegd door griffie. Kadert werkzaamheden raad in en specificeert dat deze verordening geldt als het in artikel 16 van de wet bedoelde reglement van orde voor vergaderingen en werkzaamheden van de raad. Verder worden in dit artikel in het derde lid nadere regels gesteld tot het instellen van een reces in de periode voorafgaand aan de periodieke gemeenteraadsverkiezingen. Artikel 4. De voorzitter van de raad Toevoeging griffie: Artikel toegevoegd door de griffie. Specificeert de rol van de voorzitter van de raad in vergadering en in het naleven van deze verordening in het algemeen. Tevens wordt de vervanging van de voorzitter door de plaatsvervangend voorzitter tijdens raadsvergaderingen geregeld. Artikel 5. De griffier De raad is verplicht een griffier te benoemen (artikelen 100 en 107 van de wet). De griffier is in eerste instantie verantwoordelijk voor de bijstand aan de raad. Hij is in principe in elke vergadering van de raad aanwezig (eerste lid). De wet eist dat de raad de vervanging van de griffier regelt (artikel 107d, eerste lid, van de wet). In het tweede lid is daarover een bepaling opgenomen. In verband met artikel 22 van de wet (verschoningsrecht) is in het derde lid een bepaling opgenomen met betrekking tot het deelnemen van de griffier aan de beraadslaging. Artikel 6. Het presidium Het presidium heeft voornamelijk een algemeen adviserende rol (aanbevelingen aan de raad inzake de organisatie en het functioneren van de raad). Diverse gemeenten hebben dit takenpakket uitgebreid met meer inhoudelijke taken. De VNG is van mening dat het presidium voor wat betreft de inhoudelijke aspecten van het raadswerk een ondergeschikte rol dient te vervullen, omdat anders het gevaar bestaat dat er binnen de raad een nieuw bestuursorgaan wordt gecreëerd, hetgeen niet strookt met de Grondwet, die het primaat immers expliciet bij de raad legt (artikel 125, eerste lid, van de Grondwet). Het presidium als zodanig kan niet ook optreden als werkgeverscommissie. De werkgeverscommissie, ingesteld op basis van artikel 83 van de wet, bestaat immers enkel uit raadsleden (en dus niet, zoals het presidium, ook de voorzitter van de raad). Het presidium heeft voornamelijk een procedurele rol zoals hierboven aangegeven. In de VNG handreiking ‘De (rechts)positie van de griffie(

  1. r)in het decentrale bestuur’ is een modelbesluit voor het instellen van een werkgeverscommissie opgenomen. Het is wel mogelijk om de raadsleden van het presidium te benoemen in de werkgeverscommissie en de vergaderingen van deze commissie te laten aansluiten op de vergaderingen van het presidium, zodat er, indien nodig, snel overlegd kan worden. Men zou er voor kunnen kiezen de regie van enkele interne of organisatorische kwesties bij het presidium neer te leggen. In artikel 6 is als aanvullende taak opgenomen dat het presidium aanbevelingen doet aan de raad inzake de organisatie en het functioneren van de raad en de raadscommissies. Hieronder vallen taken als: het initiëren van een aanpassing van de Verordening Raadswerk Gemeente De Bilt, het instrueren van de griffier en het bespreken van agenda-technische zaken. Het is van belang dat in het presidium elke partij een stem heeft die even zwaar weegt. Op deze wijze wordt de positie van minderheidsfracties in een dualistisch stelsel versterkt. Tevens kan dit de betrokkenheid van alle fracties bij de raadsvergaderingen vergroten. De griffier is bij elke vergadering van het presidium aanwezig (artikel 5, eerste lid), omdat de griffier voor de ondersteuning van de raad zorgt. Hij moet weten hoe de agenda eruit komt te zien en welke punten besproken gaan worden. De aanwezigheid van de secretaris kan ook gewenst zijn, omdat de secretaris aandacht moet kunnen vragen voor of een toelichting kan geven op onderwerpen die worden voorbereid door de ambtelijke organisatie. Overeenkomstig het derde lid kan de secretaris worden uitgenodigd. Als dit een ‘staande’ uitnodiging wordt, dan kan overwogen worden zijn aanwezigheid expliciet in de Verordening Raadswerk Gemeente De Bilt te regelen. Toevoeging griffie: In aanvulling op de modelverordening heeft de griffie het voorzitterschap van het presidium door de burgemeester en de aanwezigheid van de griffier geëxpliciteerd (tweede lid). Tevens wordt duidelijk gemaakt dat het presidium derden kan uitnodigen voor zijn vergaderingen (vierde lid). Tot slot wordt in het zevende lid ook het vertrouwelijke karakter van het presidium geëxpliciteerd. Hierbij wordt het begrip van vertrouwelijkheid gevolgd zoals geformuleerd in artikel 2:5 van de AWB. Artikel 7. De agendacommissie De agendacommissie vervult een belangrijke (coördinerende) rol bij de agendering van zaken in de raadscommissies en de raad. De agendacommissie heeft het overzicht van alle onderwerpen waar de raad zich mee bezig houdt en zorgt voor de planning. In veel gemeenten wordt gewerkt met jaaroverzichten waarbij specifieke vergaderingen lang van te voren bekend zijn. Denk hierbij aan de begroting en jaarrekening. In het geval een gemeente deelneemt in een gemeenschappelijke regeling is in deze regeling opgenomen hoe de raad geïnformeerd wordt door de vertegenwoordiger van de gemeente in de gemeenschappelijke regeling en hoe verantwoording wordt afgelegd (artikelen 16 t/m 19 van de Wet gemeenschappelijke regelingen). Van belang is dat de agendacommissie de vergadercyclus van deze besturen kent. Het kan nodig zijn dat de raad voorafgaand aan een vergadering van het bestuur van de gemeenschappelijke regeling de gemeentelijke vertegenwoordiger informatie of opvattingen wil meegeven. Ook de begrotingscyclus van de gemeenschappelijke regeling is relevant voor de agendacommissie zodat de raad tijdig noodzakelijke informatie kan leveren. Het is aan de agendacommissie om de planning in te vullen maar ook om deze te bewaken. Hetzelfde geldt met betrekking tot andere organisaties waar de gemeente mogelijk in vertegenwoordigd is (stichtingen, vennootschappen). Ook deze vergadercycli kunnen voor een agendacommissie aanleiding zijn om deze te agenderen voor een raads- of commissievergadering, zodat er informatie uitgewisseld kan worden tussen de vertegenwoordiger van de gemeente en de raad. De commissie stelt de agenda's van de raadscommissies en de raad voorlopig vast. De definitieve vaststelling van de agenda van de raadscommissies en de raad geschiedt bij de aanvang van de betreffende vergadering. Ingevolge artikel 17 van de wet vergadert de raad zo vaak hij daartoe heeft besloten en voorts indien de burgemeester het nodig oordeelt of indien ten minste een vijfde van het aantal leden van de raad schriftelijk met opgave van redenen daarom vraagt. De voorzitter pleegt in het bepalen van een andere dag en ander aanvangsuur zoveel mogelijk overleg met de agendacommissie. Op deze wijze houdt de agendacommissie ook bij vergaderingen die niet op het gebruikelijke tijdstip plaatsvinden, invloed op de datum, het tijdstip en de plaats van de vergadering. Het wijzigen van het aanvangsuur is van gemeenschappelijk belang, omdat het merendeel van de raadsleden het raadslidmaatschap combineert met een andere (on)betaalde functie. Toevoeging griffie: Aan het eerste lid is een specifiek aantal commissievoorzitters toegevoegd. Tevens is het begrip plaatsvervangend voorzitters verwijderd. De commissievoorzitters, tevens de leden van de agendacommissie, zijn in gezamenlijkheid binnen de agendacommissie verantwoordelijk voor de planning en voorbereiding van de werkzaamheden van raadscommissies en gemeenteraad. Voor iedere raadscyclus wijst de agendacommissie uit haar midden de commissievoorzitters, en eventuele plaatsvervangers aan om de commissievergaderingen van de komende raadscyclus voor te zitten. Het tweede lid is ontleent aan artikel 82 van de wet bepaalde evenwichtige vertegenwoordiging, en verwijst naar de a-politieke plannings- en procesrol van de agendacommissie om te benadrukken dat het voor het functioneren van de agendacommissie van belang is dat de leden van de agendacommissie in hun werkzaamheden in staat zijn particulier politiek belang van de fractie te scheiden van het collectieve bestuurlijke belang van een ordentelijke organisatie en planning van het vergaderproces van de raadscommissies en gemeenteraad. Het derde lid legt vast dat de kaders waarbinnen de agendacommissie haar werkzaamheden uitoefent afzonderlijk door de raad worden uitgewerkt en vastgelegd. Het vierde lid legt aanwezigheid en adviserende rol van de griffie vast; om deze rol in te vullen kunnen griffier en andere op de griffie werkzame ambtenaren, aanwezig zijn bij de vergaderingen van de agendacommissie. Het vijfde lid regelt aanwezigheid en rol voorzitter van de raad. In het zesde lid wordt de mogelijkheid van de agendacommissie geregeld om derden uit te nodigen voor zijn vergadering. De openbaarheid van de vergaderingen van de agendacommissie (zevende lid) volgt uit het feit dat met deze verordening de agendacommissie als commissie zoals beschreven in artikel 84 van de wet wordt beschouwd. Voor dit type commissies geldt openbaarheid. In het achtste lid worden de taken en bevoegdheden van de agendacommissie nader uitgewerkt. De toegevoegde taken, het vaststellen van de langetermijnagenda (sub a), classificeren van onderwerpen naar bestuurlijk belang en gewicht (sub
  2. b)en het opstellen van een procesvoorstel voor commissievergaderingen (sub
  3. h)moeten in samenhang zorgen voor een betrouwbaardere planning van de raad voor zowel de langetermijnplanning van de raad en het verloop van de maandelijkse vergadercyclus van de raadscommissies en gemeenteraad. De classificatie van de relatieve bestuurlijke zwaarte (bijvoorbeeld uitgedrukt in A-, B- of C-dossiers) kan in de maandelijkse vergadercyclus doorwerken door met het procesvoorstel aan de raadscommissie ook een indicatie van de maximale bespreektijd van dit onderwerp in de commissie voor te stellen, en aanvullende maatregelen te treffen om de bespreking conform planning te laten verlopen (bijvoorbeeld het hanteren van spreektijden per fractie). De taak tot het laten aansluiten van de raad bij onderwerpen of thema’s waar de raad een beleidsvormende rol wil invullen (sub
  4. c)is bedoeld voor zware bestuurlijke dossiers (zgn. ‘A-dossiers’). Nadere uitwerking hoe deze taak precies wordt ingevuld is passend in de in het derde lid vastgelegde kader dat door de raad wordt vastgelegd voor de werkzaamheden van de agendacommissie. In het negende lid is opgenomen dat de agendacommissie in aanvulling op reeds vastgestelde vergaderingen van de raadscommissies ook aanvullende vergaderingen kan uitschrijven. In de eerdere verordening kon een extra vergadering van de raadscommissie technisch gezien worden afgedwongen door een vijfde deel van de in de raad vertegenwoordigde fracties. Er is nog altijd een agenderingsrecht voor onderwerpen opgenomen in deze verordening, in artikel 17. De afweging of hier een extra vergadering voor nodig is wordt met de bepaling in dit lid bij de agendacommissie gehouden. Artikel 8. Onderzoek van geloofsbrieven en beëdiging Met de geloofsbrief geeft de voorzitter van het centraal stembureau aan de benoemde kennis van zijn benoeming (artikel V 1 van de Kieswet). Voor dit benoemingsbesluit is bij ministeriële regeling een model vastgesteld. De benoemde meldt schriftelijk aan de raad of hij de benoeming aanneemt (artikel V 2 van de Kieswet). Tegelijk met de mededeling dat hij zijn benoeming aanneemt legt hij aan de raad stukken over waaruit blijkt dat de benoemde voldoet aan de eisen om als lid van de raad toegelaten te worden. Dit omvat de volgende stukken: een ondertekende verklaring met de openbare betrekkingen die hij bekleedt, een uittreksel uit de basisregistratie personen met zijn woonplaats, geboorteplaats en -datum en (indien niet-Nederlander) stukken waaruit blijkt dat hij voldoet aan de vereisten van artikel 10, tweede lid, van de wet (artikel V 3 van de Kieswet). Het onderzoek van de geloofsbrieven en de beslissing over de toelating moeten in een openbare vergadering gebeuren. Bij het onderzoek zal ook de gedragscode (artikel 15, derde lid, van de wet) betrokken worden. In deze code zijn onder meer bepalingen opgenomen over al dan niet toegestane nevenfuncties. De commissie die de geloofsbrieven onderzoekt brengt verslag uit. Dit kan zowel mondeling als schriftelijk. Ingevolge artikel V 4 van de Kieswet beslist de raad over de toelating van zijn leden. Daarbij is er een verschil in de procedure bij de samenstelling van een nieuwe raad of bij de vervulling van een tussentijdse vacature. Na de raadsverkiezingen beslist de raad in oude samenstelling in zijn laatste vergadering over de toelating van de nieuw gekozen leden. Met ingang van 00:00 uur de volgende dag treedt de nieuwe raad aan (artikel 18 van de wet en artikel C 4, tweede lid, van de Kieswet). Eerste en tweede lid De formulering van het eerste lid benadrukt dat de raad en niet de voorzitter een commissie instelt, die het zogenaamde geloofsbrievenonderzoek verricht nadat de voorzitter van het centraal stembureau nieuwe leden heeft benoemd. Derde lid Het onderzoek van het proces-verbaal (onderzoek naar het verloop van de verkiezing of de vaststelling van de uitslag) gebeurt door de oude raad vlak voor de eerste samenkomst van de nieuwe raad na de gemeenteraadsverkiezingen. Het onderzoek van het proces-verbaal strekt zich niet uit tot de geldigheid van de kandidatenlijsten. Het derde lid ziet op de specifieke taak die de raad heeft na de raadsverkiezingen. Na de gemeenteraadsverkiezingen heeft de commissie voor het geloofsbrievenonderzoek een extra taak, zij adviseert de raad ook over het verloop van de verkiezingen (of dit op wettige wijze is gebeurd) en het vaststellen van de uitslag (of deze juist is vastgesteld). Zij doet dit op basis van het proces-verbaal van het centraal stembureau. De raad dient op basis van dit advies een besluit te nemen over het verloop van de verkiezingen en de vaststelling van de uitslag. Dit besluit is van belang omdat de raad de bevoegdheid heeft om te besluiten tot het hertellen van de stemmen en zelfs de bevoegdheid om te besluiten tot een herstemming, beide eventueel in een deel van de gemeente bij een aantal specifieke stembureaus. Het proces-verbaal vormt de aanleiding tot een besluit tot hertelling of herstemming. Dit dient concrete aanwijzingen te bevatten waarop de raad een dergelijk besluit kan baseren. Op 28 februari 2014 heeft de minister van BZK een circulaire uitgebracht waarin toegelicht wordt wanneer de raad gebruik kan maken van deze bevoegdheid (Gemeenteraadverkiezingen: hertellingen, kenmerk 2014-0000116196, 28 februari 2014, Ministerie van BZK. Zie: https://vng.nl/files/vng/publicatie_bijlagen/2014/20140319-hertelling-gemraadsverk-bzk2014-0000116196.pdf). Deze circulaire was ook bij de raadsverkiezingen in 2018 en 2022 van toepassing. In deze circulaire wordt onder meer uiteengezet wanneer de raad tot hertelling kan besluiten. Het ligt niet voor de hand dat besloten wordt tot een hertelling waarvan tevoren duidelijk is dat deze niet tot een andere samenstelling in de raad kan leiden. Ook een verschil in zetels tussen de voorlopige uitslag en de definitieve uitslag is geen reden om over te gaan tot hertelling. Vierde en vijfde lid Na een raadsverkiezing kunnen de toegelaten raadsleden op de eerste vergadering van de raad in nieuwe samenstelling als bedoeld in artikel 18 van de wet de eed of verklaring en belofte afleggen. De voorzitter zal hen hiervoor oproepen (vierde lid). Bij tussentijdse vacaturevervulling kan de eed of verklaring en belofte aansluitend aan de beslissing van de raad over de toelating van het betrokken raadslid plaatsvinden (vijfde lid). De tekst van de eed of verklaring en belofte die een raadslid bij het aanvaarden van het raadslidmaatschap moet afleggen, is in artikel 14 van de wet vastgelegd. Artikel 9. Benoeming wethouders Artikel 9 geeft invulling aan een leemte in de wet. Uit de Kieswet vloeit het geloofsbrievenonderzoek van raadsleden voort. Aangezien de wethouder geen gekozen volksvertegenwoordiger is, is hierover niets in de Kieswet geregeld. De wet geeft wel aan welke formele eisen gesteld worden aan een wethouder maar niet op welk moment deze getoetst worden. Het ligt voor de hand om voor het benoemen van wethouders ook een commissie voor het onderzoek naar de geloofsbrieven in te stellen (eerste lid). De formele eisen voor het wethouderschap zijn grotendeels vergelijkbaar met de vereisten voor het raadlidmaatschap (artikelen 36a, 36b, 41b en 41c van de wet). Voor wethouders is er de aanvullende verplichting om een verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) te kunnen overleggen (artikel 36a, tweede lid, van de wet). De VOG kent een screeningsprofiel voor politieke ambtsdragers. Bij de benoeming van een wethouder kan er een integriteitstoets plaatsvinden. De gedragscode integriteit speelt hierbij een rol (zie Model Gedragscode Integriteit volksvertegenwoordigers in gemeenten, provincies en waterschappen 2015). Na het onderzoek, bedoeld in het tweede lid, brengt de commissie advies uit aan de raad over de benoeming tot wethouder (derde lid). De kandidaat-wethouders kunnen in opdracht van de burgemeester voor aanvang van iedere ambtstermijn aan een integriteitstoets worden onderworpen. De burgemeester krijgt zicht op de volledige rapportage van de risicoanalyse. Zo heeft hij een goed beeld van de kandidaat en kan hij met de kandidaat een gesprek voeren over de uitkomsten. De burgemeester kan ten aanzien van de risicoanalyse en de conclusies geheimhouding opleggen aan de raad. Met de Wet bevorderen integriteit en functioneren decentraal bestuur (artikel 87 van de wet) is de burgemeester hiertoe expliciet bevoegd gemaakt (vierde lid). Artikel 9 is ook van toepassing als er geen wethouder van buiten maar uit de raad wordt benoemd. De incompatibiliteiten en nevenfuncties dienen dan immers opnieuw beoordeeld te worden. Een raadslid dat benoemd wordt tot wethouder mag raadslid blijven totdat de geloofsbrieven van zijn opvolger zijn goedgekeurd (artikel 36b, tweede lid, van de wet). Artikel 10. Fracties Eerste en tweede lid De Kieswet en de wet kennen het begrip fractie niet. In artikel 33, tweede lid, van de wet wordt wel uitgegaan van het bestaan van in de raad vertegenwoordigde groeperingen (recht op fractieondersteuning). Vanaf de aanvang van de eerste zitting van de nieuwe raad na de verkiezingen, worden de leden die op dezelfde lijst hebben gestaan als één fractie beschouwd. Is onder een lijstnummer slechts één lid verkozen, dan wordt dit lid als een afzonderlijke fractie beschouwd (eerste lid). De fractie gebruikt in de vergadering van de raad de aanduiding die zij boven de kandidatenlijst had staan. Op deze wijze is de relatie tussen de fractie in de raad en de fractie op de kandidatenlijst voor de burger duidelijk. Het kan echter voorkomen dat een fractie geen aanduiding boven de kandidatenlijst heeft staan. In een dergelijk geval deelt de fractie in de eerste vergadering de aanduiding mee (tweede lid). Vierde lid In de loop van een zittingsperiode kan het voorkomen dat leden de raad verlaten. In een dergelijk geval vindt er een verandering in de samenstelling van de fractie plaats. Als dit het geval is, deelt de fractie dit aan de voorzitter mede (vierde lid). Het is ook mogelijk dat een raadslid zijn lidmaatschap niet opzegt maar uit een fractie stapt. Hij kan als zelfstandige fractie verdergaan of zich aansluiten bij een bestaande fractie. Ook andere wijzigingen zijn mogelijk, bijvoorbeeld een fusie van twee fracties. Een andere (tijdelijke) wisseling in een fractie kan het gevolg zijn van ziekte of zwangerschap van een raadslid. Voor deze gevallen is in de Kieswet een vervangingsregeling opgenomen. Uitgangspunt van ons kiesstelsel is dat volksvertegenwoordigers op persoonlijke titel worden verkozen en benoemd. Dit uitgangspunt is gebaseerd op artikel 27 van de wet en artikel 129 van de Grondwet, waarin is bepaald dat elk bindend mandaat van een lid van de raad nietig is. De volksvertegenwoordiger handelt naar eigen overtuiging en is bij stemmingen niet gebonden aan een lastgeving. Geen andere persoon of instantie kan hem rechtens bindende instructies opleggen met betrekking tot zijn stemgedrag. Het is de individuele volksvertegenwoordiger die een mandaat van de kiezer heeft gekregen. De volksvertegenwoordiger heeft daardoor ook de mogelijkheid om tussentijds van fractie te veranderen of zelfstandig verder te gaan. Ook de Kieswet gaat niet uit van politieke partijen. Een zetel 'hoort' dan ook niet bij een partij, maar is verbonden aan de volksvertegenwoordiger die daardoor ook de mogelijkheid heeft om tussentijds van fractie te veranderen of zelfstandig verder te gaan. Ook kan een fractie besluiten om haar naam te veranderen. Dit staat de fractie vrij om te doen. Op grond van deze bepalingen heeft de raad geen zeggenschap over wijzigingen in de samenstelling, fusies en splitsingen van fracties en de naamvoering. De raad kan hier dus geen besluit over nemen. Een mededeling aan de voorzitter van de raad is voldoende. De raad is gehouden met ingang van de eerstvolgende vergadering nadat hiervan mededeling is gedaan rekening te houden met de nieuwe situatie. Dit betekent ook dat: kandidaten die van een kandidatenlijst deel uitmaken en binnen die lijst/partij een onderlinge schriftelijke (en soms notariële) afspraak maken, bijvoorbeeld dat men onder bepaalde voorwaarden zal afzien van aanvaarding van het raadslidmaatschap, zich dienen te realiseren dat dergelijke afspraken nietig zijn vanwege strijd met de wet en de Kieswet; personen die tussentijds van partij veranderen hun raadslidmaatschap niet verliezen; als men uit een partij stapt en als eigen partij verder gaat, de verlatende partij geen middelen heeft om het raadslid uit de raad te weren. Fractieafsplitsing en het ontstaan van een nieuwe fractie kan diverse praktische gevolgen hebben. Te denken valt aan: fractievergoedingen en -faciliteiten, fractievoorzitterschap dan wel vertegenwoordiging in het presidium, zo nodig andere zitplaatsen in de raadszaal, bezetting in raadscommissies en eventueel de bezetting in raadscommissies door burgerraadsleden. Als moet worden voorzien in de vacature van een raadslid dat zich heeft afgesplitst, wordt teruggegrepen op de lijst waarop betrokkene oorspronkelijk was gekozen (artikel P 19 van de Kieswet). Vijfde lid De naam van de fractie dient getoetst te worden aan de afwijzingsgronden uit artikel G 3, vierde lid, van de Kieswet. Dit is een logische voorwaarde: deze toetsing vindt immers ook plaats wanneer een politieke groepering zich voor het eerst wil laten registreren. Op grond van artikel G 3, vierde lid, van de Kieswet wordt de naam van de nieuwe fractie onder meer geweigerd als deze in strijd is met de openbare orde of als deze overeenkomt met of erg lijkt op de naam van een politieke groepering die al geregistreerd is voor de Tweede Kamer- of Statenverkiezingen, én daardoor verwarring te duchten is. Voor het overige is de nieuwe fractie vrij in het kiezen van een naam. Hoofdstuk 3. Raadscommissies Artikel 11. Instelling raadscommissies Het opstellen van de voorlopige agenda’s van de raadscommissies gebeurt door de agendacommissie. De toedeling van de werkzaamheden voor beide raadscommissies vindt plaats volgens de klassieke verdeling van BB-onderwerpen en OR-onderwerpen, tenzij de werkverdeling uit balans raakt. Dit betekent dat de agendacommissie streeft naar een gebalanceerde werkverdeling voor beide raadscommissies, zodat zij de ruimte heeft om een OR-onderwerp op de BB-agenda te plaatsen en andersom. Artikel 12. Taken De taken van de raadscommissies zijn vastgelegd in artikel 82, eerste lid, van de Gemeentewet (hierna: wet). De raadscommissies bereiden de besluitvorming van de raad voor en overleggen met het college of de burgemeester. Wat betreft de invulling van de taken van de raadscommissies zijn ruwweg twee modellen te onderscheiden. In het eerste model is een raadscommissie vooral gericht op voorbereiding en informatievoorziening en vindt het politieke debat plaats in de raad, in het tweede vindt het politieke debat plaats in een raadscommissie en geschiedt de besluitvorming door de raad. De taak om de besluitvorming van de raad voor te bereiden komt tot uitdrukking in de taak advies uit te brengen over een voorstel of onderwerp. De raadscommissie kan ook uit eigener beweging advies aan de raad uitbrengen, ook dit advies kan aanleiding zijn voor besluitvorming in de raad. De taken van de raadscommissie zijn in essentie dezelfde als die van de raad, die van kaderstellend, controlerend en volksvertegenwoordigend orgaan. De raadscommissie bepaalt evenals de raad haar eigen agenda. Dit betekent dat niet het college, maar (de voorzitter van) de raadscommissie bepaalt of een voorstel aan de raadscommissie wordt voorgelegd alvorens het in de raad wordt besproken. In artikel 7 van de Verordening Raadswerk Gemeente De Bilt is om dit te coördineren een agendacommissie ingericht. Deze commissie is verantwoordelijk voor de inhoudelijke afstemming van raads- en commissievergaderingen. Veelal zal het echter wel zo zijn dat een onderwerp eerst in een raadscommissie wordt besproken. Tegenwoordig komen varianten van vergaderen voor die geen vaste samenstelling hebben. Te denken valt aan vergaderingen in sessies en vergadertafel. De wettelijke bepalingen omtrent de raadscommissies zijn, ondanks het feit dat er niet gesproken kan worden van een vaste samenstelling, op deze varianten van vergaderen van toepassing. Indien vergaderingen in het teken staan van de voorbereiding van besluitvorming van de raad en het overleg met het college of de burgemeester, is er sprake van een raadscommissie. Dergelijke voorbereiding van de besluitvorming van de raad is exclusief voorbehouden aan de raadscommissies en kan niet worden opgedragen aan overige commissies. Er dient bij deze varianten van vergaderen dus rekening gehouden te worden met alle vereisten die voor een raadscommissie gelden zoals een evenwichtige vertegenwoordiging (artikel 82, derde lid, van de wet). Artikel 13. Samenstelling commissie De raad bepaalt de samenstelling van de raadscommissies. Wel schrijft artikel 82, derde lid, van de wet voor dat de raad moet zorgen voor een evenwichtige vertegenwoordiging van de in de raad vertegenwoordigde politieke groeperingen. Om dit te bereiken schrijft het eerste lid voor dat een raadscommissie bestaat uit een minimum en maximum aantal leden per fractie. De verhoudingen in de raadscommissies hoeven overigens blijkens jurisprudentie niet exact overeen te komen met de verhoudingen in de raad. De commissieleden worden door de raad benoemd, op voordracht van de fracties (tweede lid). Dit houdt in dat het aan de fracties zelf is om te bepalen wie de betreffende fractie vertegenwoordigen in de verschillende commissies. Het is enkel mogelijk – overeenkomstig het derde lid zelfs verplicht – de benoeming van een voorgedragen lid te weigeren als het een ‘burgerlid’ betreft dat niet voldoet aan bepaalde vereisten van de wet (zie verder de toelichting op het derde lid). Uit het derde lid volgt dat de leden van een raadscommissie geen raadslid hoeven te zijn. Wel zijn het de fracties die de leden voordragen. Op grond van het derde lid moeten commissieleden, evenals raadsleden, voldoen aan hetgeen is bepaald in de artikelen 10, 11, 12 en 13 van de wet. Dit betekent onder andere dat zij achttien jaar moeten zijn, over een geldige verblijfstitel moeten beschikken, hun nevenfuncties openbaar moeten maken en geen functie als bedoeld in artikel 13 van de wet mogen vervullen. Om te beoordelen of wordt voldaan aan de eisen van de wet ligt het voor de hand om gebruik te maken van een geloofsbrievenonderzoek. Het verdient aanbeveling dit onderzoek uit te laten voeren door de commissie die voor raadsleden en wethouders het op basis van artikel V 4 van de Kieswet verplichte geloofsbrievenonderzoek uitvoert. De vereisten die onderzocht moeten worden zijn immers gelijk. Dit onderzoek (alleen naar de niet-raadsleden) gaat vooraf aan het raadsbesluit waarmee de commissieleden benoemd worden. Artikel 14. Commissievoorzitters De raad benoemt de commissievoorzitters (eerste lid). Op grond van artikel 82, vierde lid, van de wet kan enkel een raadslid als voorzitter van een raadscommissie benoemd worden. Een voorstel van de regering om dit vereiste op te heffen is in 2014 in de Tweede Kamer gesneuveld. Toevoeging griffie: Het tweede lid is toegevoegd om expliciet te maken dat er geen vaste commissievoorzitter is voor de raadscommissies. De benoemde commissievoorzitters wijzen per maandelijkse vergadercyclus een voorzitter en plaatsvervanger aan voor de aankomende raadscyclus. Over de planning en vaststellen van vergaderingen voeren zij overleg binnen de agendacommissie. Het derde lid expliciteert de procesrol van de commissievoorzitter op basis van de vastgestelde agenda en vastgesteld proces. Dit biedt de commissievoorzitter om de kwaliteit en voortgang van de vergadering zoals deze is voorzien en gepland door de agendacommissie door te laten werken in de vergadering. Artikel 15. Zittingsduur en vacatures De zittingsperiode van de leden en de voorzitter is even lang als de zittingsperiode van raadsleden, in principe dus vier jaar. De benoeming eindigt derhalve van rechtswege, de raad hoeft hen niet te ontslaan. Het lidmaatschap van een raadscommissie eindigt eveneens van rechtswege, indien een lid niet meer voldoet aan de in artikel 12, derde lid, gestelde eisen (tweede lid) en indien een lid is benoemd op voordracht van een fractie die niet meer vertegenwoordigd is in de raad (zevende lid). De raad kan een lid van een raadscommissie op voorstel van de fractie die het lid heeft voorgedragen ontslaan (derde lid). Deze situatie kan zich voordoen in geval van een splitsing van een fractie. De ontstane nieuwe fractie heeft dan overigens op grond van het eerste lid recht op een eigen lid. Artikel 17. Agenderingsverzoeken Toevoeging griffie: Artikel toegevoegd om ook over onderwerpen, niet zijnde raads- of initiatiefvoorstellen invulling te geven aan de taken van de raadscommissie zoals uitgewerkt in de taken van de raadscommissies in artikel 12 van deze verordening. In de modelverordening van de VNG kon dit worden afgedwongen door met twee fracties een extra vergadering te verzoeken. Hoewel er een belang is voor de raadscommissie en de fracties die erin vertegenwoordigd zijn om breed onderwerpen te agenderen, kan met artikel 17 van deze verordening dit recht om onderwerpen te bespreken ingebed worden in een ordentelijk proces. In het eerste lid is opgenomen dat onderwerpen niet in aanmerking komen als bespreking, volgens de langetermijnagenda van de raad, reeds in de komende drie maanden is voorzien. De overweging hier is dat hetgeen men wenst te bespreken in dit geval betrokken kan worden bij het voorstel dat tegen die tijd besproken wordt. Tevens is een drempel voor het aandragen voor onderwerpen opgenomen. Deze is parallel aan het bepaalde in artikel 17, tweede lid van de wet gedefinieerd. Met deze drempel kan een minderheid van de raad onderwerpen agenderen voor bespreking in de raadscommissies, maar wordt tevens voorkomen dat een meerderheid het agenderingsrecht van de minderheid frustreert. In het tweede lid tot en met het vijfde lid wordt het agenderingsproces nader uitgewerkt, waarbij moet worden aangetekend dat de agendacommissie onderwerpen die aan de procedurele eisen altijd dient te agenderen. Het zesde lid regelt dat ingekomen stukken die door de raad worden doorgezonden voor bespreking in de commissie ook volgens het bepaalde in dit artikel moet worden geagendeerd. De initiatiefnemer om de brief voor bespreking in de commissie voor te dragen is verantwoordelijk voor tijdige aanlevering van het agenderingsverzoek bij de agendacommissie. In het zevende lid wordt expliciet opgenomen dat de raadscommissie kan adviseren aan de raad om een onderwerp in een afzonderlijk agendapunt in de eerstvolgende raad te bespreken. Dit kan zijn als fracties gevolg willen geven aan de commissiebespreking met een motie, of omdat nadere verantwoording aan de raad door het college van B&W door de raadscommissie nodig wordt geacht. Artikel 18. Spreekrecht inwoners en belanghebbenden Het geven van spreekrecht aan burgers is een manier om burgers meer te betrekken bij de besluitvorming van de raad. Doordat de raadsvergadering het sluitstuk is van het besluitvormingsproces dat lang daarvoor is begonnen (ambtelijke organisatie, college, commissies) is ervoor gekozen het spreekrecht op binnen de Verordening op de raadscommissies De Bilt 2023 op te nemen binnen de raadscommissies. In die fase zijn de fracties nog bezig hun mening te vormen. Een inspreekmogelijkheid tijdens de raadsvergadering is doorgaans minder effectief (‘schijnspreekrecht’). Het spreekrecht geldt alleen voor onderwerpen die op de agenda van de commissie staan (eerste lid). In veel gemeenten is er een mogelijkheid voor een burgerinitiatief. Burgers hebben daarmee het instrument van een initiatief om onderwerpen op de agenda te plaatsen. Onderwerpen die burgers belangrijk vinden kunnen op deze manier geagendeerd worden. De burgers die wensen in te spreken kunnen zich binnen een ‘redelijke termijn’ voor de vergadering melden bij de commissiegriffier. Procedureel is het handig om als ‘redelijke termijn’ circa 48 uur aan te houden. Toelichting griffie: In het derde lid is gekozen voor een maximale spreektermijn voor insprekers van drie minuten. Over het stellen van aanvullende vragen vanuit de raadscommissie is geen expliciete bepaling opgenomen, maar de commissievoorzitter kan hier in zijn procesvoorstel een nader voorstel voor doen. Met het vierde lid wordt geregeld dat alle aangemelde insprekers voor een commissievergadering in een afzonderlijk agendapunt als eerst het woord krijgen over een bepaald onderwerp. Dit zorgt voor inwoners en belanghebbenden die komen inspreken voor duidelijkheid. Zij weten dat ze direct bij aanvang van de vergadering aan bod komen, en niet de bespreking van andere onderwerpen hoeven af te wachten. Door de inspraak te bundelen houdt de commissievoorzitter bovendien beter overzicht over de voortgang van de vergadering en kan in de gaten worden gehouden dat de inspraak binnen de geplande tijd wordt afgerond zodat de inhoudelijke bespreking van onderwerpen na afronding van de inspraak ook volgens planning kan verlopen. Artikel 19. Oproep, agenda en procesvoorstel Het eerste lid stelt verplicht dat de commissievoorzitter een vastgesteld aantal dagen vóór een vergadering de leden van zijn raadscommissie een schriftelijke opro

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.