← Nederland

Beleidsregels Maatschappelijke Ondersteuning, Jeugdhulp en Leerlingenvervoer gemeente Winterswijk 2026 (Winterswijk)

Beleidsregels Maatschappelijke Ondersteuning, Jeugdhulp en Leerlingenvervoer gemeente Winterswijk 2026 Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Winterswijk; Overwegende dat het de bevoegdheid heeft om beleidsregels te stellen voor zover noodzakelijk voor de uitvoering van de Verordening Sociaal Domein Winterswijk 2026, nader te noemen; de Verordening. Gelet op de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, de Jeugdwet en het bepaalde artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht; Besluit vast te stellen de Beleidsregels Maatschappelijke Ondersteuning, Jeugdhulp en Leerlingenvervoer gemeente Winterswijk 2026 1.ALGEMEEN 1.1.Definities en begrippen Een aantal voorkomende definities en begrippen worden in dit hoofdstuk uitgelegd. Aanbieder: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die goederen of diensten levert op grond van een besluit van de gemeente; Algemene (vrij toegankelijke) voorziening (i.h.k.v. de Jeugdwet): een voorziening die zonder beschikking van de gemeente toegankelijk is; Backoffice: de jeugd- en/of Wmo-consulent(

  1. en)en de administratie- en facturatieafdeling van de gemeente Winterswijk m.b.t. zorg en welzijn; Cliënt: een persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening of aan wie een maatwerkvoorziening in natura of pgb is verstrekt of door of namens wie een melding is gedaan als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo 2015. Betreft het een hulpvraag in het kader van de Jeugdwet, dan wordt onder cliënt verstaan: de jeugdige en/of zijn ouder(s)/verzorger(
  2. s)die aanspraak maakt op jeugdhulp, als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet College: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Winterswijk Gemeente: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Winterswijk; Goedkoopst adequaat: de gemeente mag de voorziening inzetten die het goedkoopst is, als het doelmatig is; Hulp-op-maat: een op de inwoner afgestemde voorziening; Als het gaat om een voorziening in het kader van de Wmo: een maatwerkvoorziening; Als het gaat om een voorziening in het kader van de Jeugdwet: een voorziening die op een jongere of zijn ouders is afgestemd als bedoeld in artikel 2.3 van de Jeugdwet; Hulpverlener: een hulpverlener is iedere professional in dienst of opdracht van een opdracht- of onderaannemer die contact heeft met cliënten en/of familie en/of naastbetrokkenen. Een hulpverlener heeft een opleiding die past bij de aard en problematiek van de cliënt.Inkoop documenten: Individuele voorzieningen Jeugdhulp en Maatwerkvoorzieningen Wmo: het Inkoopdocument Individuele voorzieningen Jeugdhulp, Maatwerkvoorzieningen Wmo (Acht Achterhoekse Gemeenten) en Huishoudelijke ondersteuning 2026 e.v. (zes Achterhoekse Gemeenten); Inwoner: de persoon die zijn woonplaats heeft binnen de gemeente volgens de regels van het Burgerlijk Wetboek (titel 3, Boek 1 BW) en die daar rechtmatig verblijft. Gaat het om: Wmo-hulp, dan betreft het de ingezetene van de gemeente als bedoeld in artikel 1.2.1 Wmo en de ingezetene van Nederland die zich bij de gemeente meldt voor maatschappelijke opvang of Wmo wonen; Jeugdhulp, dan betreft het de jeugdige die zijn woonplaats in de gemeente heeft op grond van artikel 1.1 Jeugdwet; Melding: kenbaar maken van de hulpvraag aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo 2015; Ondersteuningsplan: het ondersteuningsplan wordt samen met de inwoner opgesteld door de gemeente. Hierin staan de te bereiken resultaten, welke ondersteuning het betreft, de duur van de indicatie, de aanbieder en afspraken over evaluatie(momenten); Pgb: persoonsgebonden budget; Pgb-budgethouder: Iemand die een pgb ontvangt en zorg krijgt; Pgb-plan: de “zorgbeschrijving persoonsgebonden budget Wmo en Jeugdwet” van de gemeente. In dit plan wordt aangegeven welke ondersteuning de inwoner wenst in te kopen, welke doelen de inwoner hiermee wil bereiken en op welke wijze aan de doelen wordt gewerkt; Verordening: de Verordening sociaal domein Winterswijk 2026 en haar rechtsopvolger; (Wettelijke) vertegenwoordiger: iedereen die, omdat hij benoemd is vanuit de wet, bevoegd is of door de inwoner is aangewezen om de belangen van die inwoner te behartigen; Wet: de Wet Maatschappelijke ondersteuning 2015 of Jeugdwet, afhankelijk van de hulpvraag; Wlz: Wet langdurige zorg; Wmo: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; ZIN: zorg in natura. Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet, de verordening en de Algemene wet bestuursrecht. 1.2.Onderzoek naar de ondersteuningsbehoefte [Jeugdwet, Wmo] Bij ontvangst van een melding zal eerst onderzoek worden gedaan welke behoefte aan ondersteuning er is op het gebied van zelfredzaamheid en/of participatie. Hiervoor volgt de gemeente in principe de volgende stappen: Stap 1: De gemeente stelt eerst vast wat de hulpvraag van de inwoner is. Stap 2: De gemeente stelt hierna vast welke (on)mogelijkheden, problemen of beperkingen er precies zijn die van belang zijn voor het beoordelen van de hulpvraag. Stap 3: De gemeente brengt in kaart welk effect/resultaat de inwoner wil bereiken. Stap 4: De gemeente onderzoekt wat de inwoner zelf kan doen om het probleem op te lossen (eigen kracht), bijvoorbeeld met hulp van huisgenoten, met hulp van anderen uit het sociale netwerk of met hulp van andere organisaties. Stap 5: De gemeente bepaalt welke aanvullende hulp de gemeente kan geven om het probleem op te lossen en het gewenste effect te bereiken. 1.3.Eigen kracht [Jeugdwet, Wmo] Voorafgaand aan een eventuele verstrekking van een hulp-op-maat vindt een onderzoek plaats. Hierbij wordt onderzocht of de inwoner in staat is zijn hulpvraag op te lossen door middel van eigen kracht, met inzet van zijn sociaal netwerk of algemene voorzieningen. Met eigen kracht wordt bedoeld wat kan de inwoner zelf, dan wel met hulp van anderen. Als er voldoende probleemoplossend vermogen is in eigen kracht hoeft er geen hulp-op-maat te worden verstrekt. Artikel 4.2 van de Verordening Sociaal Domein 2026 geeft, voor de toepassing van de Jeugdwet, een nadere invulling aan het begrip ‘eigen kracht’. 1.4.Gebruikelijke hulp [Jeugdwet, Wmo] In de Wmo 2015 kennen we gebruikelijke hulp en niet gebruikelijke hulp. Alles wat iedereen normaal gesproken, volgens maatschappelijke normen en waarden, doet voor een ander is gebruikelijk. Gebruikelijke hulp is de hulp die over het algemeen mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. Voor de Jeugdwet worden met ouders ook andere opvoeders en verzorgers bedoeld. Onder huisgenoot wordt verstaan: een persoon die -ofwel op basis van een familieband, ofwel op basis van een bewuste keuze -één huishouden vormt met de inwoner die een hulpvraag heeft. Of er sprake van inwoning is, wordt naar de concrete feitelijke situatie beoordeeld. Voor zover gebruikelijke hulp kan worden verwacht, hoeft het college geen hulp-op-maat toe te kennen. Ook als sprake is van niet gebruikelijke hulp is hulp-op-maat niet vanzelfsprekend, als dit de draagkracht niet te boven gaat. Afwegingskaders dienen als uitgangspunt, maar elke individuele situatie moet los worden beoordeeld. 1.4.1.Afwegingskader gebruikelijke hulp bij een normaal ontwikkelingsprofiel Om gebruikelijke en niet gebruikelijke zorg en/of hulp vast te kunnen stellen, wordt een omschrijving gevraagd van de zorgtaken en het aantal minuten die nodig zijn voor het uitvoeren van de zorgtaken. Deze informatie wordt vergeleken met de omschrijving van gebruikelijke zorg en/of hulp in onderstaande tabel. Ook kan de expertise van de Gedragswetenschapper Jeugd worden ingeschakeld. Onderstaande tabel gaat uit van jeugdigen met een normaal ontwikkelingsprofiel in verschillende levensfasen, die opgroeien in een veilige opvoedingssituatie. Kinderen van 0 tot 3 jaar Hebben bij alle activiteiten zorg van een ouder nodig; Ouderlijk toezicht is zeer nabij nodig; Zijn in toenemende mate in staat tot zelf bewegen en verplaatsen Hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling Hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en waarbinnen een passend pedagogisch klimaat wordt geboden Kinderen van 3 tot 5 jaar Kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan binnenshuis korte tijd op gehoorafstand (bijv. ouder kan was ophangen in andere kamer) Hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling Kunnen zelf zitten, en op gelijkvloerse plaatsen zelf staan en lopen. Ontvangen zindelijkheidstraining van ouder(s)/verzorgers Hebben gedeeltelijk hulp en volledig stimulans en toezicht nodig bij aan- en uitkleden, eten en wassen, in en uit bed komen, dag- en nachtritme en dagindeling bepalen Hebben begeleiding nodig bij hun spel en vrijetijdsbesteding Zijn niet in staat zich zonder begeleiding in het verkeer te bewegen Hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en waarbinnen een passend pedagogisch klimaat wordt aangeboden Jeugdigen van 5 tot 12 jaar Kinderen vanaf 5 jaar hebben een reguliere dagbesteding op school, oplopend van 22 tot 25 uur/week Kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan op enige afstand (bijv. kind kan buitenspelen in directe omgeving van de woning als ouder thuis
  3. is)Hebben toezicht nodig en nog maar weinig hulp bij hun persoonlijke verzorging Hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling Zijn overdag zindelijk, en ‘s nachts merendeels ook; ontvangen zo nodig zindelijkheidstraining van de ouder(s)/verzorgers. Hebben begeleiding van een volwassenen nodig in het verkeer wanneer zij van en naar school, activiteiten ter vervanging van school of vrijetijdsbesteding gaan Hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en waarbinnen een passend pedagogisch klimaat wordt geboden Jeugdigen van 12 tot 18 jaar Hebben geen voortdurend toezicht nodig van volwassenen Kunnen vanaf 12 jaar enkele uren alleen gelaten worden Kunnen vanaf 16 jaar dag en nacht alleen gelaten worden Hebben bij hun persoonlijke verzorging geen hulp en maar weinig toezicht nodig Hebben tot 18 jaar een reguliere dagbesteding op school/opleiding Hebben begeleiding en stimulans nodig bij ontplooiing en ontwikkeling (b.v. huiswerk of het zelfstandig wonen) Hebben, in ieder geval tot 17 jaar, een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en waarbinnen een passend pedagogisch klimaat wordt geboden Volwassenen van 18 tot 23 jaar Taken van huisgenoten van 18 tot 23 jaar. Van een volwassen gezonde huisgenoot wordt verwacht dat deze de huishoudelijke taken overneemt wanneer de primaire verzorger uitvalt. Een 18-23-jarige wordt verondersteld een eenpersoonshuishouden te kunnen voeren. De huishoudelijke taken voor een éénpersoonshuishouden zijn: Schoonhouden van sanitaire ruimte; Schoonhouden van keuken, kamer en slaapkamer; De was doen; Boodschappen doen; Maaltijd verzorgen; Gebruikelijke begeleiding In de hierboven beschreven groepen valt gebruikelijke begeleiding onder gebruikelijke zorg e/o hulp. Onder gebruikelijke begeleiding valt: Het geven van begeleiding op het terrein van de maatschappelijke participatie; Het geven van begeleiding binnen de persoonlijke levenssfeer, zoals familiebezoek en huisarts; Het bieden van hulp of het overnemen van taken die bij een gezamenlijk huishouden horen, zoals het doen van de administratie; Het leren omgaan van derden (familie en vrienden) met de inwoner; Het bieden van een beschermende woonomgeving van ouders aan kinderen is tenminste tot een leeftijd van 17 jaar zowel in kortdurende als langdurige situaties gebruikelijk. 1.4.2.Afwegingskader gebruikelijke hulp bij huishoudelijke taken In principe is het hele huishouden verantwoordelijk voor de huishoudelijke taken. Elke huisgenoot draagt bij los van de relatie onderling. Wel wordt er rekening gehouden met de leeftijd van de huisgenoot. Een volwassen huisgenoot van 21 jaar en ouder dient het huishouden in principe geheel over te nemen, ook naast een volledige baan; Een 18- tot 21-jarige wordt verondersteld een huishouden te kunnen voeren, ook naast een volledige baan of studie. Voor minderjarige kinderen gelden de volgende uitgangspunten: Kinderen tot 5 jaar leveren geen bijdrage aan de huishouding; Kinderen tussen de 5 en 12 jaar worden naar eigen mogelijkheden betrokken bij de lichte huishoudelijke taken als opruimen, tafeldekken/afruimen, afwassen/afdrogen, boodschap doen en kleding in de wasmand gooien; Kinderen vanaf 13 jaar kunnen naast bovengenoemde taken hun eigen kamer op orde houden, rommel opruimen, stofzuigen en bed verschonen. 1.4.3.Afwijken van gebruikelijke hulp Er zijn uitzonderingen dat er toch een hulp-op-maat verstrekt moet worden door de gemeente ondanks de aanwezigheid van gebruikelijke hulp. Elke situatie dient los beoordeeld te worden. Bij de volgende situaties kan er een uitzondering gemaakt worden: Een zeer korte bekende levensverwachting; Gezondheidsproblemen waardoor de te verwachte gebruikelijke hulp niet uitgevoerd kan worden; (Dreigende) overbelasting van echtgenoot, ouder, kind en/of andere volwassen huisgenoot; Niet uitstelbare hulp. Elke situatie blijft natuurlijk maatwerk. In alle gevallen dient de afweging gemotiveerd te worden en verwoord in het ondersteuningsplan. 1.4.4.Algemeen gebruikelijke voorzieningen In artikel 2.3.5, derde lid van de Wmo 2015 is bepaald dat er geen hulp-op-maat verstrekt hoeft te worden als een algemeen gebruikelijke voorziening de hulpvraag van de inwoner kan oplossen. Afwegingskader Een dienst, hulpmiddel, woningaanpassing of andere maatregel is algemeen gebruikelijk als deze: Niet specifiek bedoel is voor personen met een beperking; Daadwerkelijk beschikbaar is; Een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de inwoner tot zelfredzaamheid of participatie in staat is; Financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau. Niet specifiek bedoeld voor personen met een beperking: Er moet worden beoordeeld of op basis van maatschappelijke normen kan worden gezegd dat iedereen over de ‘voorziening’ kan beschikken ongeacht de beperkingen. Daadwerkelijk beschikbaar: Er moet feitelijk worden beoordeeld of de ‘voorziening’ daadwerkelijk beschikbaar is voor de specifieke inwoner. Een passende bijdrage: Dit is onderdeel van het onderzoek wat altijd plaats vindt na de melding van de inwoner. De ‘voorziening’ moet een passende bijdrage leveren zodat er een situatie ontstaat waarbij de inwoner in staat is tot zelfredzaamheid of participatie. Financieel draagbaar Sinds de uitspraak van de CRvB in 2019 hoeft niet beoordeeld te worden of de specifieke inwoner de kosten kan dragen, maar of iemand met een minimuminkomen de kosten kan dragen. Om te beoordelen of de ‘voorziening’ financieel draagbaar is kan de volgende berekening toegepast worden: Bijstandsnorm x 5% x 36 maanden = de maximaal te dragen kosten. Hier wordt uitgegaan dat iemand binnen een termijn van 36 maanden de kosten kan betalen bij een aflossing van 5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm. 1.4.5.Uitzonderingen op de beoordelingscriteria Als de beperking van de inwoner plotseling ontstaat waardoor er in één keer veel ‘voorzieningen’ aangeschaft moeten worden moet gekeken worden naar de totaal kosten van de aanschaf. Voorzieningen kunnen op zichzelf algemeen gebruikelijk zijn. Per geval moet echter een beoordeling plaatsvinden. Relevant is de vraag of een zaak, die op zichzelf als algemeen gebruikelijk te beschouwen is, ook voor de aanvrager algemeen gebruikelijk is. Dit kan bijvoorbeeld niet zo zijn als: Gelijktijdig meerdere algemeen gebruikelijke zaken moeten worden aangeschaft; Door de beperking zoveel meerkosten ontstaan, dat iemands besteedbaar inkomen onder de voor hem geldende bijstandsnorm ligt. 1.4.6.Voorbeelden van algemeen gebruikelijke voorzieningen: Er is geen complete lijst beschikbaar, dit zijn voorbeelden: Wasdroger, wasmachine; Vaatwasser; Kreuk- en strijkvrije kleding; Drempels verwijderen cq. drempelhulpen plaatsen in de woning; Spoelföhn installatie toilet; Tandem (inclusief een ouder-kind tandem); Fiets met lage instap, ligfiets; Fiets met elektrische ondersteuning 1 In recente uitspraken (ECLI:NL:CRVB:2024:1364 & ECLI:NL:CRVB:2024:1362) over de verstrekking van elektrische fietsen onder de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) geoordeeld dat elektrische fietsen niet als algemeen gebruikelijk kunnen worden beschouwd, vooral niet voor mensen met een inkomen op minimumniveau. De CRvB (Centrale Raad van Beroep) had in een eerdere uitspraak al een extra criterium toegevoegd om te bepalen of een voorziening algemeen gebruikelijk is: een inwoner met een minimuminkomen moet de voorziening kunnen betalen. In de uitspraken van 3 juli 2024 voegt de CRvB daar nog een nieuw criterium aan toe, namelijk of de voorziening naar algemeen aanvaarde maatschappelijke opvattingen gangbaar is onder de gehele bevolking. De CRvB oordeelt dat dat niet geldt voor de elektrische fiets. Er zijn bij de uitspraken wel enkele kanttekeningen te maken. De VNG noemt de uitspraken zelfs arbitrair. Uit cijfers, afkomstig uit het jaarlijkse onderzoek van marktonderzoeksbureau GfK in opdracht van RAI Vereniging en BOVAG, blijkt dat in 2023 57% van de nieuw verkochte fietsen een e-bike was. Van de totale omzet was zelfs 80% toe te schrijven aan e-bikes. Verder is bekend dat e-bikes gebruikt worden door alle leeftijdsgroepen. De kosten van een e-bike zijn de afgelopen jaren flink gedaald. En ook zijn er volop tweedehands e-bikes te koop waarvan de prijs vergelijkbaar is met de kosten van een gewone nieuwe fiets. Derhalve handhaaft Winterswijk het beleid om de fiets met elektrische ondersteuning als Algemeen Gebruikelijk te zien. Daarnaast kan onderzocht worden of een gewone fiets in een aantal gevallen ook toereikend kan zijn om te kunnen participeren en de gewone fiets is sowieso een algemeen gebruikelijke voorziening. Voor het (weer) kunnen fietsen op een gewone fiets kan zonodig ook nog Herstelgerichte Ondersteuning ingezet worden. ; Bakfiets, fietskar, aanhangfiets; Rollator/krukken, looprekken, loophulpen met 3 of 4 poten; Driewieler, buggy, commode, box tot 4 jaar; Personenauto en de gebruikskosten die daaraan verbonden zijn; Autoaccessoires: airconditioning, stuurbekrachtiging, elektrisch bedienbare ruiten, trekhaak; Autorijlessen, autoverzekering; Eenhendelmengkranen, thermostatische kranen; (Inductie)kookplaat; Verhoogd toilet of toiletverhoger, tweede toilet; Renovatie van badkamer en keuken; Antislipvloer/coating; Wandbeugels; Zonwering (inclusief elektrische bediening); Ophogen tuin/bestrating bij verzakking; 1.5.Algemene Voorzieningen [Wmo] De definitie van een algemene voorziening in de Wmo 2015 luidt: een aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op het versterken van zelfredzaamheid en participatie, of op opvang; Hierbij kan een onderscheid gemaakt worden tussen voorzieningen in de markt, waarmee de gemeente geen bemoeienis heeft en voorzieningen die geheel of gedeeltelijk door de gemeente worden bekostigd. Deze voorzieningen zijn voorliggend aan de hulp-op-maat. Dit betekent dat als de hulpvraag opgelost kan worden door inzet van een algemene voorziening de gemeente geen hulp-opmaat verstrekt. De landelijke eigen bijdrageregeling is niet van toepassing op algemene voorzieningen. De gebruiker betaalt of de marktprijs of een al dan niet kostendekkend tarief waar het een door de gemeente gesubsidieerde voorziening betreft. De zin ”zonder voorafgaand onderzoek toegankelijk” moet wel in de context worden bekeken. Het betekent in dit verband dat de gemeente voor deze voorziening geen beschikking afgeeft. De voorziening in kwestie zal wel een toegangstoets doen of iemand tot de doelgroep van de voorziening behoort. Bijvoorbeeld: om gebruik te maken van een passantenverblijf zal de inwoner moeten aantonen dat hij dakloos is. 1.6.Voorliggende voorzieningen [Wmo] Een voorliggende voorziening is een aanbod van diensten of activiteiten waar eerst een beroep op kan worden gedaan alvorens een hulp-op-maat wordt overwogen. Dit kan bijvoorbeeld zijn op basis van verzekering of een andere wet. Algemene voorzieningen zijn hier een onderdeel van. Als er een voorliggende voorziening passend is om de hulpvraag van de inwoner op te lossen hoeft de gemeente geen hulp-op-maat te verstrekken. Wet landurige zorg (Wlz) Bij het onderzoek door de gemeente moet beoordeeld worden of iemand in aanmerking komt voor een indicatie vanuit de Wlz of daarover al beschikt. Als dit zo is, kan Wmo hulp-op-maat op basis van artikel 2.3.5, lid 6 Wmo worden geweigerd. Een uitzondering hierop zijn hulpmiddelen en woningaanpassingen voor thuiswonende Wlz-cliënten. Er is geen noodzaak om een woningaanpassing of hulmiddel te verstrekken als de hulpvraag opgelost kan worden met inzet van zorg uit de Wlz-indicatie. Het is goed om recht op Wlz eerst te onderzoeken om onnodig onderzoek vanuit de gemeente te voorkomen. Als inwoner weigert mee te werken aan het onderzoek kan hulp-op-maat vanuit de Wmo geweigerd worden. Een cliëntondersteuner kan inwoner helpen bij het aanvragen van een Wlzindicatie. Zorgverzekeringswet (Zvw) De zorgverzekeringswet is voorliggend op de Wmo. Er moet daarom onderzocht worden of er een mogelijkheid is om de hulpvraag op te lossen vanuit de Zvw. Een voorbeeld hiervan is behandeling. Als de behandeling invloed heeft op de hulpvraag kan hulp-op-maat vanuit de Wmo geweigerd worden. Pas als iemand uitbehandeld is kan dan gekeken worden of de hulpvraag nog aanwezig is en of er nog hulp-op-maat nodig is. We verliezen bij deze afweging het belang van de inwoner niet uit het oog. Regresrecht Wanneer een inwoner slachtoffer is van een ongeluk waarbij een andere partij aansprakelijk is voor de letselschade en een beroep doet op Wmo-voorzieningen, dan zal de gemeente de kosten hiervoor in kaart brengen voor de inwoner. De inwoner wordt dan geacht om de kosten voor de Wmovoorzieningen mee te nemen bij het verhalen van de letselschade bij de aansprakelijke partij. Wanneer dit niet mogelijk is zijn de kosten van de Wmo-voorzieningen voor de gemeente. De gemeente zal dan onderzoeken of en welke verhaalmogelijkheden er zijn. Jeugdgezondheidszorg In de Wet publieke gezondheid is het basispakket jeugdgezondheidszorg vastgesteld. De jeugdgezondheidszorg heeft o.a. als taak het geven van voorlichting, advies, instructie en begeleiding over thema’s die betrekking hebben op opvoeden en opgroeien. Onderwijs Vanuit de Wet passend onderwijs is het onderwijs ervoor verantwoordelijk om alle leerlingen een goede onderwijsplek te bieden. Ook voor leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben. De scholen in de gemeente zijn verenigd in samenwerkingsverbanden waar afspraken zijn gemaakt over (basis) ondersteuning voor jeugdigen. Leerlingen die speciale of intensieve begeleiding nodig hebben kunnen naar het speciaal onderwijs. Als toezicht en begeleiding van een kind meer vraagt dan van school en ouders kan worden verwacht, kan hulp-op-maat ingezet worden. Kinderopvang Kinderen die extra ondersteuning nodig hebben, kunnen ook terecht op een kinderdagverblijf, buitenschoolse opvang of bij een gastouder. Dit is geregeld in de Wet op de kinderopvang. Kinderopvangmedewerkers leren omgaan met een kind met een beperking wordt gerekend tot de gebruikelijke hulp van ouders. Alleen in uitzonderlijke situaties als een kind extra begeleiding nodig heeft die niet door kinderopvangmedewerkers kan worden geboden en niet van ouders kan worden verwacht, kan hulp-op-maat worden ingezet. 1.7.Mantelzorg en niet gebruikelijke hulp [Wmo] Mantelzorg wordt in de Wmo 2015 gedefinieerd als “hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen en opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zvw die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en niet wordt verleend in het kader van hulpverlenend beroep”. Mantelzorg overstijgt gewoonlijk de gebruikelijke zorg en wordt boven gebruikelijke zorg genoemd. In de Wmo 2015 blijft mantelzorg in principe vrijwillig. Wel heeft de gemeente vanuit de Wmo 2015 de opdracht om eerst na te gaan of het probleem van de inwoner met inzet van eigen netwerk kan worden opgelost. Dat zou kunnen inhouden dat met het eigen sociaal netwerk of de mantelzorger wordt afgesproken dat deze boven gebruikelijke zorg levert. Bij deze afweging dient de gemeente de belangen en de draagkracht van de mantelzorger mee te wegen. Inzet van respijtzorgvoorzieningen kan de draagkracht van de mantelzorger versterken. (Respijtzorg biedt mantelzorgers de mogelijkheid hun zorgtaken even helemaal aan een ander over te laten. De bedoeling is dat de mantelzorger even vrijaf van de zorg heeft). Een mantelzorger heeft onder de Wmo 2015 geen eigenstandig recht op een hulp-op-maat. De hulp-op-maat wordt altijd toegekend aan degene met de beperking. Wel krijgt de gemeenten de opdracht de mantelzorger(
  4. s)te betrekken bij het gesprek en na te gaan of zij behoefte hebben aan ondersteuning vanuit algemene voorzieningen. 1.8.Sociaal-Medisch advies [Wmo] Uit jurisprudentie van de CRvB blijkt inmiddels ook dat de sociaal-medische noodzaak in de ogen van de Raad aanwezig moet zijn om hulp-op-maat te verstrekken. Dit heeft tot gevolg dat een sociaalmedisch advies van een onafhankelijk sociaal-medisch adviseur van cruciaal belang kan zijn. Onder de Wmo en de Jeugdwet kan ook een advies van een anders deskundige dan een medicus noodzakelijk zijn, dit hangt af van de hulpvraag. Waar het altijd om gaat is dat, waar nodig, deskundigheid wordt ingeschakeld om op zorgvuldige wijze en dus op basis van voldoende en adequate gegevens, te kunnen besluiten. Het uitgangspunt is daarbij dat de adviseur onafhankelijk is en er is dan geen sprake van een cliënt/patiëntrelatie. Advies kan bijvoorbeeld worden gevraagd bij een inwoner die nog niet eerder een aanvraag heeft ingediend, dus niet bekend is bij de gemeente. Het belang van een medisch advies in een dergelijke situatie is dat er voor de gemeente een uitgangssituatie geschapen wordt, waarin (medisch) geobjectiveerd is vastgesteld wat er met de inwoner (medisch) aan de hand is, welke problemen ervaren worden en wat de prognose is. Daarnaast kan een advies voor de consulent zinvol zijn om te beoordelen wat de grondslag voor de aanvraag is en voor het in kaart brengen van de behandel- en ontwikkelingsmogelijkheden van de inwoner. Het verstrekken van voorzieningen zonder een objectieve bepaling van de huidige (uitgangs-)situatie brengt het risico met zich mee dat in situaties waarbij vanuit medisch oogpunt beter geen verstrekking plaats had kunnen vinden, bijvoorbeeld omdat verstrekking van een voorziening anti-revaliderend werkt, of zelfs afhankelijk maakt, toch voorzieningen worden verstrekt. Voorzieningen kunnen dan – goed onderbouwd- worden geweigerd (zie bijvoorbeeld de uitspraak LJN BH1077). Een kostenafweging kan ook reden zijn om (medisch) advies te vragen. Het kan dan gaan om een aanschafbedrag van een voorziening en/of een geschat bedrag dat de gemeente denkt per jaar kwijt te zijn aan bijvoorbeeld hulp bij het huishouden of begeleiding. Daarnaast wordt de medisch adviseur om een advies gevraagd als te verwachten is dat een aanvraag om medische reden zal worden afgewezen. Tot slot kan de gemeente aanleiding zien om medisch advies te vragen bij bijvoorbeeld een progressief ziektebeeld, maar zeker ook bij medisch moeilijk te objectiveren aandoeningen. Per situatie zal dit beoordeeld worden. Bij twijfel wordt altijd een medisch advies gevraagd. De gemeente beoordeelt het medisch advies en neemt dit advies mee in de beoordeling van de melding. Wanneer een inwoner zelf een medisch advies, bijvoorbeeld als second opinion, wil aanvragen, kan hij dit via de eigen zorgverzekering doen. Dit advies wordt dan tevens meegenomen in het onderzoek. 2.HULP-OP-MAAT 2.1.Algemeen [Jeugdwet, Wmo] Als ‘hulp op maat’ nodig is, is de inzet het vergroten van de zelfredzaamheid van de inwoner en dat alle kinderen en jongeren gezond, kansrijk en veilig kunnen opgroeien. Het uitgangspunt is wat de inwoner en het netwerk van de inwoner nog wél kunnen. Of hoe de inwoner geholpen kan worden dingen ánders te organiseren, waardoor weer meer mogelijk wordt voor de inwoner. De gemeente vindt het belangrijk dat de zorgaanbieder doet wat nodig is om de inwoner te helpen. Al dan niet met hulp van het eigen netwerk en een clientondersteuner bepaalt de inwoner wat hij wil bereiken (het resultaat) en de aanbieder krijgt de ruimte om een passend ondersteuningstraject te bieden. De gemeente heeft de regie (en besluit) over de inzet van de ondersteuning. Zij legt dit vast in het ondersteuningsplan. De zorgaanbieder verbindt zich aan het behalen van een resultaat voor de inwoner en kan daarbij zelf, met de inwoner, bepalen hoe dit resultaat het beste gerealiseerd kan worden. Dit legt de zorgaanbieder vast in het zorgplan. Dit plan sluit aan op de behoefte en eigen mogelijkheden van de inwoner en zijn/haar omgeving. Tussentijds en aan het eind van het ondersteuningstraject evalueren de inwoner, de gemeente en de zorgaanbieder de zorg en of het resultaat is bereikt. Worden de resultaten en effecten behaald? Is de inwoner tevreden? Middels deze evaluaties ontstaat meer contact tussen de inwoner en zorgaanbieder en de gemeente. 2.2.Herstelgerichte Ondersteuning [Wmo] Om vanuit de inzet op preventie de zelfredzaamheid te stimuleren, richten we ons op andere manieren van ondersteunen van onze inwoners. De focus verschuift daarmee naar het bevorderen en herstellen van het zelfstandig functioneren van inwoners in hun eigen leefomgeving. Herstelgerichte ondersteuning in plaats van de inzet van overnemende ondersteuning of hulpmiddelen. Zie hiervoor ook artikel 3.7.1 van de Verordening. Als sprake is van (dreigende) beperkingen in de zelfredzaamheid, kan herstelgerichte ondersteuning als hulp-op-maat vanuit de Wmo ingezet worden. Herstelgerichte ondersteuning is een interventie die zich richt op het in beweging komen van 55-plussers, die niet of minder actief zijn. Door de inzet van herstelgerichte ondersteuning (gerichte fysiotherapie) wordt voor een langere periode gewerkt aan het versterken van de explosieve spiermassa. Dit leidt tot verhoging van de dagelijkse fysieke activiteit, verbetering van de ervaren gezondheid en kwaliteit van leven en verbetering van fysiek functioneren waardoor de burger zelfredzamer wordt. Het doel is dat de 55-plussers zelfstandig zijn en blijven en maatschappelijk kunnen blijven meedoen. De groepstrainingen zorgen ervoor dat eenzame ouderen onder de mensen komen. Meer en langer zelfstandig blijven, zorgt er niet alleen voor dat inwoners minder zorg en ondersteuning nodig hebben, maar ze voelen zich ook beter. Herstelgerichte ondersteuning kan worden ingezet bij inwoners van 55 jaar en ouder, die zich bij de gemeente melden met een hulpvraag in het kader van de Wmo. Het gaat specifiek om hulpvragen die zich richten op problemen in het huishouden, vervoer of de woning. Er wordt deskundig advies ingewonnen om te beoordelen of herstelgerichte ondersteuning een passende voorziening voor de inwoner is. 2.2.1.Nadere beschrijving herstelgerichte ondersteuning Herstelgerichte ondersteuning is opgebouwd uit een aantal fases. De eerste fase duurt 14 weken met 2 trainingen per week in klein groepsverband. De training bestaat uit: snelheid- en wendbaarheidstraining, functionele activiteiten (ADL), balans, reactiesnelheid en (explosieve) krachttraining. De 14 weken durende training wordt afgesloten met een eindmeting en rapportage. Wanneer de eerste fase positief is doorlopen, komt de inwoner in aanmerking voor de borgingfase. Tijdens het borgingsjaar wordt 2 keer in de week in groter groepsverband gewerkt aan het behouden van de opgebouwde vaardigheden. Als nodig, kan een tweede borgingsjaar worden ingezet. De trainingen worden gegeven door de hiervoor geselecteerde en opgeleide fysiotherapeuten, werkzaam binnen de gemeente Winterswijk. Afwegingskader Een inwoner van 55 jaar of ouder kan in aanmerking komen voor herstelgerichte ondersteuning, als uit het deskundig advies (artikel 2.1.2 lid 2 van de Verordening) blijkt dat herstelgerichte ondersteuning een passende voorziening is. Herstelgerichte ondersteuning kan op zichzelf staand worden geïndiceerd, maar kan ook gecombineerd worden met andere hulp-op-maat, als uit het deskundig advies hiervoor de noodzaak blijkt. Andere hulp-op-maat wordt niet ingezet als uit het advies van de deskundige blijkt dat die voorziening(
  5. en)anti-revaliderend werken voor de inwoner. (ECLI:NL:CRVB:2013:2254 en ECLI:NL:CRVB:2016:1741). Andere hulp-op-maat wordt niet ingezet als herstelgerichte ondersteuning is ingezet als goedkoopste voorziening, die geschikt is om het gewenste effect te bereiken (artikel 2.3.2. lid 3 van de Verordening). Als de herstelgerichte ondersteuning voortijds is beëindigd, ontvangt de gemeente een afrondende rapportage van de deskundige. Als herstelgerichte ondersteuning is ingezet als goedkoopst passende voorziening (artikel 2.3.2 lid 3 van de Verordening) en hiervan zonder gegronde reden geen gebruik wordt gemaakt, dan bestaat er ten aanzien van de ondersteuningsbehoefte waarvoor de voorziening is ingezet, geen aanspraak op andere hulp-op-maat. Gegronde reden wil zeggen dat uit het advies van de deskundige blijkt dat er redenen zijn waardoor deelname niet mogelijk is. Denk daarbij bijvoorbeeld aan het niet veilig kunnen deelnemen in de trainingsgroep, de instructies niet kunnen opvolgen of bijvoorbeeld een acute klacht hebben waardoor bewegen niet kan of mag (bijvoorbeeld een gebroken been). 2.3.Ondersteuning Wmo [Wmo] Als ‘hulp op maat’ nodig is, is de inzet het vergroten van de zelfredzaamheid van de inwoner. Het uitgangspunt is wat de inwoner en het netwerk van de inwoner nog wél kunnen. Of hoe de inwoner geholpen kan worden dingen ánders te organiseren, waardoor weer meer mogelijk wordt voor de inwoner. 2.3.1.Algemene doelstellingen ondersteuning Wmo; Iedere inwoner heeft een passende daginvulling, die aansluit bij zijn/haar eigen talenten en capaciteiten; De ondersteuning sluit aan op de behoeften en leefwereld van de inwoner; De ondersteuning is zoveel mogelijk gericht op behoud en ontwikkelen van de regie op het eigen leven; De ondersteuning is zo licht en kort als mogelijk, zo zwaar en lang als nodig; Inwoners zijn tevreden over de ontvangen zorg en ondersteuning. Inwoners ervaren: Een verbetering van hun dagelijks functioneren en kwaliteit van leven; Meer controle over het proces van ondersteuning/zorg; Een goede samenwerking tussen hulpverleners en maatschappelijke partners; Gelijkwaardig contact met de hulpverlener. 2.3.2.Wmo begeleiding Begeleiding individueel De inwoner ervaart op één of enkele leefgebieden beperkingen in de zelfredzaamheid en het meedoen in de maatschappij. Dit als gevolg van (chronische) psychische of psychosociale problemen, een verstandelijke of lichamelijke beperking en/of verslavingsproblematiek. De onderliggende problematiek van de inwoner is stabiel (evenals evt. medicijngebruik), maar er kunnen wel schommelingen optreden. Deze schommelingen leiden niet tot een instabiele situatie die (acuut) ingrijpen vergt. Er kan ook sprake zijn van een ziektebeeld waarbij op den duur verslechtering wordt verwacht (psycho-geriatrie). Dit kan leiden tot een sociaal isolement, afnemende vaardigheden en het langzaam verliezen van de regie over het leven. De inwoner: Beseft dat er begeleiding nodig is en staat hiervoor open maar heeft soms hulp nodig in het formuleren van zijn of haar vraag. Is leerbaar en heeft mogelijkheden tot het aanleren en ontwikkelen van vaardigheden. Kan ook beperkt of niet leerbaar zijn. Het lukt dan niet of heel langzaam om te ontwikkelen naar een hogere mate van zelfstandigheid. Heeft mogelijk het maximaal haalbare bereikt. Begeleiding zal moeten aansluiten bij de beperkte ontwikkelmogelijkheden. Deze inwoner heeft baat bij veel herhaling. Heeft (vaak structurele) begeleiding nodig welke gericht is op activeren, stimuleren, samendoen (praktische begeleiding), oefenen, structuur bieden, ventileren, overvraging voorkomen en doorontwikkeling/ verdieping van de aangeleerde vaardigheden. Soms is overname van taken noodzakelijk. Kan zijn hulpvraag uitstellen tot een volgend contactmoment. De hulpvraag is voorspelbaar. Leert omgaan met zijn of haar problematiek. Begeleiding individueel extra De inwoner ervaart beperkingen in de zelfredzaamheid en/of deelname aan de maatschappij. Dit als gevolg van (chronische) psychische of psychosociale problemen, een verstandelijke of lichamelijke beperking en/of verslavingsproblematiek. De onderliggende problematiek van inwoner is niet stabiel en er kunnen schommelingen optreden. Die leiden tot een instabiele situatie wat incidenteel acuut ingrijpen vergt. De situatie is niet zodanig instabiel dat 24/7 bereikbaarheid noodzakelijk is.Er is sprake van multi problematiek waarbij de inwoner (en zijn systeem) tegelijkertijd problemen ervaart(/ervaren) op meerdere leefgebieden. Dit maakt dat de kans op ernstige gevolgen op deze leefgebieden op korte of lange termijn aanwezig zijn of het risico daarop groot is. De inwoner: Heeft beperkt of geen inzicht in de eigen problematiek en de gevolgen daarvan op zijn dagelijks leven. Hierbij is ondersteuning nodig. Is over het algemeen gemotiveerd en staat open voor hulpverlening. Heeft soms een moeizame relatie met de hulpverlening. Dan is er extra inspanning nodig om inwoner gemotiveerd te krijgen en te houden voor hulpverlening. Is (beperkt) leerbaar en heeft in principe mogelijkheden tot het aanleren en ontwikkelen van vaardigheden, het aanbrengen van structuur en regie te leren voeren over zijn eigen leven. Kan over het algemeen zijn of haar hulpvraag uitstellen en de begeleiding op geplande momenten ontvangen. Soms is contact buiten de geplande momenten, maar tijdens kantoortijden, noodzakelijk als de (acute) situatie daar om vraagt. Reageert soms onvoorspelbaar. De inwoner is beperkt belastbaar en kan snel (psychisch) uit balans raken. Begeleiding individueel beschermd thuis De inwoner ervaart beperkingen in de zelfredzaamheid en/of deelname aan de maatschappij. Dit als gevolg van (chronische) psychische of psychosociale problemen, een verstandelijke beperking en/of verslavingsproblematiek. De problematiek van de inwoner is in principe stabiel, maar er kunnen schommelingen optreden die maken dat acuut ingrijpen noodzakelijk is. Inwoner is daarom aangewezen op 24/7 bereikbaarheid naast de geplande contactmomenten. Soms is overname van regie nodig. Er kan sprake zijn van multi problematiek waarbij de inwoner problemen ervaart op meerdere leefgebieden. Beschermd thuis kan ook van toepassing zijn bij een stabiele situatie, waarbij de stap van een beschermde woonsetting naar zelfstandig wonen (nog) te groot is. Beschermd thuis kan ook nodig zijn om juist het zelfstandig wonen te kunnen behouden. Bijvoorbeeld bij een terugval op het gebied van psychiatrie of verslaving of het doorkomen van een moeilijke periode. Soms is er extra inspanning nodig op het gebied van communicatie. Afstemmen met het (informele) netwerk, begeleiders/behandelaren en andere relevante ketenpartners is dan noodzakelijk. De inwoner: Kan zelfstandig wonen. Kan grotendeels zelf de hulpvraag stellen maar niet uitstellen. Hierdoor is planbare begeleiding onvoldoende. Is gemotiveerd en staat open voor hulpverlening. Is bereid de situatie aan te pakken, maar wordt soms overvallen door de eigen problematiek. Inwoner weet dan niet meer wat te doen of wat nodig is om het probleem op te lossen. Inwoner is dan het overzicht kwijt, heeft tijdelijk geen grip meer en kan niet uit het (vaste) patroon komen. Heeft een ontwikkelpotentieel: is leerbaar, heeft voldoende verandercapaciteit en kan vaardigheden ontwikkelen. Het kan ook gaan om de inwoner met hardnekkige patronen of juist onvoorspelbaar gedrag. Leert vaardigheden om voldoende te participeren, dagelijkse levensverrichtingen uit te voeren en het persoonlijk leven te structureren en daar zo veel mogelijk regie over te voeren. Begeleiding groep belevingsgericht De inwoner heeft meer ondersteuning nodig dan in het voorliggend veld/sociale basis geboden kan worden en ontwikkelingsgerichte (geïndiceerde) dag invulling is voor deze groep een stap te ver of niet meer mogelijk. Bij de inwoner kan sprake zijn van een onomkeerbaar verlies van regie en afhankelijkheid van ondersteuning. Het kan gaan om inwoners die beperkt zijn in hun zelfredzaamheid (denk aan cognitieve en/of fysieke beperkingen ten gevolge van ziekte of ouderdom) en die (nagenoeg) niet meer in staat zijn om hun eigen dag structuur vorm te geven. Wanneer een inwoner beperkt is in de zelfredzaamheid kan dit leiden tot sociaal isolement, afnemende vaardigheden en het langzaam verliezen van de regie over het leven. Cognitieve beperkingen kunnen ook al op jonge leeftijd optreden. De inwoner heeft behoefte aan dagactiviteiten die structuur en een zinvolle invulling van de dag geven, ter voorkoming van een sociaal isolement. De begeleiding draagt bij aan het behouden van vaardigheden en ontlasten van de mantelzorger of thuissituatie. Begeleiding groep ontwikkelgericht De inwoner heeft ontwikkelpotentieel, maar kan nog niet zelfstandig werken of naar school gaan, maar kan dit met ondersteuning (deels) wel leren en in de toekomst wel (deels) in een reguliere baan werken of onderwijs. De inwoner heeft ondersteuning en groepsbegeleiding nodig om tot maatschappelijke participatie en zelfredzaamheid te komen, de schoolgang te herstellen/starten en te profiteren van effecten op hun welbevinden en welzijn. Inwoner kan naar verwachting beter in een groep de gestelde doelen halen. De inwoner profiteert van de sociale interactie in een groep; het leren van elkaar en ook steun ervaren en tips krijgen van lotgenoten wordt ingezet als instrument. De inwoner heeft ondersteuning nodig om vaardigheden aan te leren die noodzakelijk zijn om uitstroom vanuit de maatwerkvoorziening naar een vervolgplek mogelijk te maken. Ondersteuning geboden vanuit de Participatiewet (werkbedrijf) is voorliggend, maar niet haalbaar of passend voor deze inwoner. 2.3.3.Stapelingsmatrix Wmo Begeleiding Het volgende schema geeft aan welke vormen van begeleiding gecombineerd ingezet kunnen worden. Let wel: Er kan maximaal 1 product begeleiding individueel en 1 product begeleiding groep naast elkaar geïndiceerd worden. Tijdens de begeleiding groep kan gelijktijdig geen individuele begeleiding worden ingezet. 2.3.4.Wmo wonen Beschermd wonen De inwoner is bekend met psychische- en/of psychosociale problematiek en/of een licht verstandelijke beperking en/of verslavingsproblematiek. Vanwege deze problematiek is de inwoner (tijdelijk) aangewezen op wonen in een accommodatie van een instelling met daarbij behorende toezicht en begeleiding. Beschermd wonen kan passend zijn bij verschillende inwoneren. De inwoner met het lerende vermogen en de inwoner die een beperkte ontwikkelmogelijkheid heeft. Dit betekent dat een inwoner kan doorstromen naar een lichtere vorm van ondersteuning of mogelijk doorstroomt naar een langdurige vorm van zorg en ondersteuning. Er is meestal sprake van meervoudige problematiek waarbij er tegelijkertijd problemen spelen op verschillende leefgebieden. Het betreft inwoners met een wisselend ziektebeeld. Er is sprake van actieve psychiatrie en/of psychosociale problematiek en problemen met het regievoeren. Er kan ook sprake zijn van verslavingsproblematiek; de ondersteuningsvraag van de inwoner kan gericht zijn op het stabiel houden hiervan na- of in combinatie met behandeling. Het ziektebeeld van de inwoner vraagt om een continue vorm van directe nabijheid waarbij de inwoner op ieder moment van de dag een beroep op de begeleiding kan doen. De inwoner: Heeft psychische problematiek of een ziektebeeld met een wisselend karakter Heeft onvoldoende inzicht in eigen problematiek. Heeft ondersteuning nodig bij het (h)erkennen van en leren omgaan met zijn of haar problematiek. Is tijdelijk niet in staat om zelfstandig te wonen. Heeft een niet uitstelbare hulpvraag. Is gebaat bij een beschermde woonomgeving, met agogisch klimaat (woonzorg) en met 24- uurs directe nabijheid. Heeft dagelijkse begeleiding nodig gericht op stabilisatie, herstel, stimuleren, samendoen, oefenen, structuur bieden, ventileren, overvraging voorkomen en doorontwikkeling/ verdieping van de aangeleerde vaardigheden. (En zijn omgeving) leert (leren) vaardigheden om voldoende te participeren, dagelijkse levensverrichtingen uit te voeren en het persoonlijk leven te structureren en daar zo veel mogelijk regie over te voeren. Beschermd wonen is er in 3 vormen. Zonder begeleiding, met begeleiding individueel basis en met begeleiding individueel plus. Begeleiding is flexibel inzetbaar. Afstemmen met het informele netwerk, begeleiders/behandelaren en andere relevante partners is noodzakelijk en onderdeel van de integrale begeleiding. De begeleiding heeft ook een signalerende rol. Begeleiding individueel basis Gemiddeld 3 uren per week Begeleiding individueel plus Gemiddeld 6 uren per week In de basis gaan we uit van een gemiddelde inzet van 3 uren per week. Als er sprake is van een instabiel psychiatrisch ziektebeeld al dan niet in combinatie met regieverlies, waarbij sturing en overname noodzakelijk is, kan een hoger gemiddeld aantal uren van toepassing zijn. De mate van ondersteuningsbehoefte is bepalend voor hoeveel uur er per week ingezet wordt. Hierbij valt te denken aan: Verkrijgen van inzicht in en leren omgaan met de eigen psychische problematiek in de eigen woonomgeving en/of de aangeleerde vaardigheden uit de behandeling vertalen naar het dagelijks leven. Ondersteunen bij contacten onderhouden met naasten, behandelaren en instanties. Overzicht aanbrengen op het gebied van post, administratie en financiën. Werken aan een zinvolle daginvulling. Bij inwoners die geen gebruik maken van individuele begeleiding kan ervoor gekozen worden om beschermd wonen zonder toevoeging van individuele uren in te zetten. Hierbij valt te denken aan inwoners die klaar zijn om uit te stromen of inwoners die langer dan 4, maar korter dan 12, weken afwezig zijn bijvoorbeeld als gevolg van een opname. Dagbesteding maakt geen onderdeel uit van dit product en kan indien nodig apart geïndiceerd worden. De toegang indiceert of de dagbesteding ontwikkelings- of belevingsgericht is. Dit kan bij een andere aanbieder plaatsvinden dan bij de woonaanbieder. Beschut wonen De inwoner is bekend met psychische- en/of psychosociale problematiek en/of een licht verstandelijke beperkingen en/of verslavingsproblematiek De inwoner ervaart beperkingen in de zelfredzaamheid en/of deelname aan de maatschappij. Er is meestal sprake van meervoudige problematiek waarbij er tegelijkertijd problemen spelen op verschillende leefgebieden. De inwoner is tijdelijk niet in staat om zelfstandig te wonen en gebaat bij een beschutte woonomgeving. De inwoner: Heeft een stabiel ziektebeeld, maar het kan voorkomen dat er in periodes sprake is van een instabieler beeld. Is in stabiele periodes in staat om zelf hulp te vragen. Kan omgaan met een uitgestelde hulpvraag, waarbij nabijheid volstaat. Over het algemeen kan de inwoner een minder stabiele periode bij zichzelf herkennen en weet dat hij dan een beroep op de begeleiding moet doen. Tevens heeft de begeleiding een signalerende rol om passende interventies uit te voeren. Heeft beperkt of voldoende inzicht in eigen problematiek. Heeft ondersteuning nodig bij het (h)erkennen van en leren omgaan met zijn of haar problematiek. Is tijdelijk niet in staat om zelfstandig te wonen. Heeft een niet uitstelbare hulpvraag. Is gebaat bij een beschutte en geclusterde woonomgeving, met agogisch klimaat (woonzorg) en met 24- uurs nabijheid door bereikbaarheid en een kantoor in de nabije omgeving. Heeft dagelijkse begeleiding nodig gericht op stabilisatie, herstel, stimuleren, samendoen, oefenen, structuur bieden, ventileren, overvraging voorkomen en doorontwikkeling/ verdieping van de aangeleerde vaardigheden. (En zijn omgeving) leert (leren) vaardigheden om voldoende te participeren, dagelijkse levensverrichtingen uit te voeren en het persoonlijk leven te structureren en daar zo veel mogelijk regie over te voeren. Beschut wonen is er in 3 vormen. Zonder begeleiding, met begeleiding individueel basis en met begeleiding individueel plus. Begeleiding individueel basis Gemiddeld 2 uren per week Begeleiding individueel plus Gemiddeld 5 uren per week In de basis gaan we uit van een gemiddelde inzet van 2 uren per week. Als er sprake is van een instabiel psychiatrisch ziektebeeld al dan niet in combinatie met regieverlies, waarbij sturing en overname noodzakelijk is, kan een hoger gemiddeld aantal uren van toepassing zijn. De mate van ondersteuningsbehoefte is bepalend voor hoeveel uur er per week ingezet wordt. Hierbij valt te denken aan: Verkrijgen van inzicht in en leren omgaan met de eigen psychische problematiek in de eigen woonomgeving en/of de aangeleerde vaardigheden uit de behandeling vertalen naar het dagelijks leven. Ondersteunen bij contacten onderhouden met naasten, behandelaren en instanties. Overzicht aanbrengen op het gebied van post, administratie en financiën. Werken aan een zinvolle daginvulling. Bij inwoners die geen gebruik maken van individuele begeleiding kan ervoor gekozen om beschut wonen zonder toevoeging van individuele uren in te zetten. Hierbij valt te denken inwoners die klaar zijn om uit te stromen of inwoners die langer dan 4, maar korter dan 12, weken afwezig zijn bijvoorbeeld als gevolg van een opname. Dagbesteding maakt geen onderdeel uit van dit product en kan indien nodig apart geïndiceerd worden. De toegang indiceert of de dagbesteding ontwikkelings- of belevingsgericht is. Dit kan bij een andere aanbieder plaatsvinden dan bij de woonaanbieder. 2.3.5.Stapelingsmatrix Wmo Wonen: 2.3.6.Wonen gericht op zelfstandigheid 18-/18+ Dit product richt zich op inwoners die veelal in de leeftijdscategorie tussen de 17 en 27 jaar zitten. Het doel van dit product is onder andere om een soepele overgang van Jeugdwet naar Wmo te bewerkstelligen. Instroom vanuit Wmo is mogelijk. De inwoner dient vaardigheden te ontwikkelen passend bij de hersenontwikkeling die doorgaans plaatsvindt op de leeftijd van 17 tot 27 jaar. Bij deze inwoner kan sprake zijn van psychiatrische problematiek en/of psychosociale problematiek die van invloed is op het zelfstandig functioneren in het dagelijks leven. Ook kan er sprake zijn van een verslaving of een licht verstandelijke beperking. De inwoner werkt toe naar het zo zelfstandig mogelijk deel kunnen nemen aan de maatschappij en het vergroten van vaardigheden die daarbij nodig zijn. Het gaat hierbij om: Praktische vaardigheden, zoals wassen, schoonmaken, koken, budgetteren. Vaardigheden die horen bij het volwassen worden, zoals onderwijs en/of werk volgen, vrije tijd zinvol invullen, sociale contacten onderhouden, omgaan met instanties en zorgdragen voor gezondheid, persoonlijke verzorging en een gezond dag- en nacht ritme. Het verkrijgen van inzicht in en leren omgaan met de eigen psychische en/ of psychosociale problematiek. De inwoner leert in welke situaties hij/zij om hulp kan vragen. En weet bij wie hij hiervoor terecht kan. Inwoners die over voldoende basisvaardigheden beschikken wonen in een pand van de zorgaanbieder waar de begeleiding dagelijks aanwezig is. We gaan hierbij uit van een gemiddelde collectieve (fysieke) inzet van 24 uur per week bij een gemiddelde groepsgrootte van 6 cliënten. Minimaal één van de bezoeken wordt door de persoonlijk begeleider gedaan. Samen met de inwoner wordt door de persoonlijk begeleider gevolgd hoe het werken aan de doelen uit het perspectiefplan/begeleidingsplan verloopt. Tijdens de dagelijkse begeleidingsmomenten werken de inwoner en begeleiding aan het aanleren van vaardigheden, zoals hierboven genoemd. Naast de dagelijkse begeleiding die geboden wordt vanuit het agogische klimaat kan de inwoner een individuele begeleidingsbehoefte hebben. Hierbij valt te denken aan: Ondersteunen bij contacten onderhouden met naasten, behandelaren en instanties; Overzicht aanbrengen op het gebied van post, administratie en financiën. Deze individuele begeleiding is onderdeel van dit product. We gaan hierbij uit van een gemiddelde begeleidingsintensiteit van 1,5 uur per week per cliënt. Dagbesteding maakt geen onderdeel uit van dit product en kan indien nodig apart geïndiceerd worden. De toegang indiceert de dagbesteding. Dit kan bij een andere aanbieder plaatsvinden dan bij de woonaanbieder. Voor de inwoner van 18+ geldt dat zij een eigen bijdrage aan het CAK verschuldigd zijn. 2.3.7.Stapelingsmatrix wonen 18-/18+ 2.3.7.1. Bijzondere omstandigheden Wanneer Beschermd Wonen niet direct beschikbaar is. Wanneer een passende plek nog niet beschikbaar is wordt de inwoner op de wachtlijst van de instelling geplaatst. De inwoner is hier mede verantwoordelijk voor, in samenspraak met de betrokken consulent en indien nodig in overleg met de aanbieder die reeds betrokken is. Met hem wordt besproken hoe de periode tot plaatsing kan worden overbrugd. Wanneer de inwoner ter overbrugging naar de beschermd wonen plek ondersteuning nodig heeft kan er worden besloten om andere vormen van Wmo begeleiding toe te kennen. In bepaalde situaties heeft de inwoner al ondersteuning die geïndiceerd is door de gemeente. Voorwaarde voor deze begeleiding is dat de ondersteuning gericht is op het voorbereiden en toewerken naar de beschermd wonen plek. Waar mogelijk wordt de begeleidinggeboden door de aanbieder waar de inwoner ook wil gaan wonen, of een andere beschermd wonen aanbieder. Tijdelijk verblijf in een andere regio Het kan voorkomen dat een inwoner uit de gemeente Winterswijk tijdelijk in een instelling in een andere gemeente/regio moet verblijven wanneer er geen passend aanbod in de eigen gemeente is. ‘Tijdelijk verblijf’ is verblijf van maximaal één jaar, waarbij vanaf het begin de intentie aanwezig is om de inwoner terug te laten keren naar de gemeente Winterswijk. In dergelijke gevallen zal er door de gemeente met de (centrum) gemeente van plaatsing onderling worden afgestemd en afspraken worden gemaakt. Tijdelijke afwezigheid bij instelling Indien een inwoner, tijdelijk als gevolg van een behandeling in een ziekenhuis of behandelcentrum of detentie elders wordt opgenomen, moet dit binnen een week na vertrek bij de aanbieder bij de gemeente worden gerapporteerd door de aanbieder Wmo Wonen. Dit geldt ook wanneer de inwoner op eigen initiatief de beschermde woonplek heeft verlaten. Wanneer duidelijk wordt dat de inwoner langer dan twaalf weken elders zal verblijven, zal in principe zijn plek bij de aanbieder vervallen. Wanneer de inwoner na deze periode weer beschermd wil gaan wonen, kan de inwoner hiervoor een melding doen bij de gemeente. De inwoner kan in overleg met de consulent ervoor kiezen zijn ondersteuning bij een andere aanbieder voor Beschermd Wonen te verzilveren. De inwoner kan pas weer instromen bij de aanbieder als er plaats is. 2.3.8.Persoonlijke verzorging Persoonlijke verzorging is bedoeld om de zelfredzaamheid van cliënten te behouden of te vergroten op het gebied van de Algemene Dagelijkse Levensverrichtingen (hierna: ADL) zoals wassen, aankleden, eten en uiterlijke verzorging. Het gaat om mensen die door (chronische) psychische of psychosociale problemen, een verstandelijke of lichamelijke beperking en/of verslavingsproblematiek tijdelijk niet zelfstandig zijn, maar wel fysiek in staat zijn om de handelingen zelf uit te voeren en medisch stabiel zijn. De inwoner: Heeft hulp of aansturing nodig op het vlak van zelfverzorging; Is fysiek in staat om de zelfzorg uit te voeren; Is medisch stabiel en er is geen sprake van een medische behandeling en zorgsituatie. Er zijn dus geen dreigende gezondheidsrisico’s. Er wordt gelet op signalen van veranderende of onveilige situaties en beoordeelt of de hulpvraag nog binnen de Wmo past. De begeleiding is praktisch, gericht op zelfredzaamheid in ADL en sluit aan bij de mogelijkheden van de cliënt. Daarbij wordt het cliëntsysteem zoveel mogelijk betrokken en wordt de cliënt losgelaten zodra hij of zij zelfstandig verder kan. De begeleiding gebeurt thuis bij de cliënt. Beeldbellen kan worden ingezet als aanvullende vorm van begeleiding. Dit vervangt het persoonlijke contact nooit en gebeurt alleen als het aansluit bij de hulpvraag en mogelijkheden van de cliënt. 2.3.9.Safehouse De cliënt heeft een behandeling gevolgd voor verslavingsproblematiek en zoekt een veilige, abstinente woonomgeving om verder te werken aan herstel. Daarbij ervaart de cliënt beperkingen in de zelfregie en het zelfstandig functioneren. Vaak is er sprake van meervoudige problematiek, zoals psychische klachten, schulden, justitiële problemen en relationele spanningen. Veel cliënten hebben eerder pogingen gedaan tot detox of behandeling, maar zijn teruggevallen. Een safehouse biedt deze cliënten een veilige, beschermde woonvorm, weg van oude verleidingen en risicovolle netwerken. Hier leren zij methodisch en gestructureerd de vaardigheden aan die nodig zijn om langdurig abstinent te blijven en zelfstandig verder te leven. De ondersteuning is herstelgericht, tijdelijk van aard en intensief. Het richt zich op het aanleren van praktische vaardigheden, gedragsverandering en het herstellen van regie over het eigen leven. Het programma is gebaseerd op erkende methodieken, zoals het 12-stappen Minnesota model. Het verblijf is maximaal één jaar. De inwoner: Heeft een verslavingsverleden en heeft (recent) een behandeling afgerond. Wil werken aan blijvend herstel in een veilige, abstinente woonomgeving. Heeft te maken met psychosociale en/of psychiatrische problematiek. Heeft ondersteuning nodig bij het aanleren van vaardigheden om abstinent te blijven. Heeft behoefte aan structuur, ritme en daginvulling. Heeft ondersteuning nodig bij het verkrijgen van regie over het eigen leven. Heeft baat bij sociale steun en wil positieve sociale contacten opbouwen. Heeft ondersteuning nodig bij het herkennen en hanteren van terugvalrisico's. Heeft vaak een beperkt of negatief sociaal netwerk en wordt, indien nodig, buiten de regio geplaatst. De ondersteuning is gericht op het ontwikkelen van vaardigheden die bijdragen aan het behouden van abstinentie, het vergroten van de eigen kracht en het nemen van verantwoordelijkheid. Daarnaast ligt de focus op het opbouwen en vasthouden van een dagstructuur en dagelijkse routines en het verkrijgen van inzicht in de eigen verslavings- en psychosociale problematiek. Er wordt gewerkt aan het herstellen en ontwikkelen van gezonde sociale relaties en het bieden van handvatten voor het omgaan met terugval of escalatie. Tot slot wordt er aandacht besteed aan het aanleren van vaardigheden op het gebied van zelfzorg, wonen en financiën, met als doel het opbouwen van een toekomstperspectief na het verblijf. De ondersteuning wordt geboden op een door de aanbieder beheerde locatie in Nederland. De locatie is ingericht op herstelgericht wonen en biedt zowel individuele begeleiding als groepsmomenten. Er is een gemeenschappelijke ruimte beschikbaar voor gezamenlijke activiteiten en er is een kantoor op of nabij de locatie aanwezig. Er is daarnaast 24-uurs bereikbaarheid via telefoon en fysieke aanwezigheid van begeleiding kan binnen 45 minuten worden gerealiseerd. De cliënt ontvangt gemiddeld 14 uur per week groepsbegeleiding en 2 uur individuele begeleiding. Voor deze voorziening betaalt de cliënt een bijdrage in de huur- en vaste lasten en is een eigen bijdrage aan het CAK verschuldigd. Vanaf de start wordt samen met de cliënt een begeleidingsplan opgesteld, waarin ook de uitstroom wordt voorbereid. Indien het verblijf voortijdig moet worden beëindigd, blijft de aanbieder verantwoordelijk voor een passend alternatief, inclusief begeleiding en warme overdracht. Over de voortgang en uitstroom voert de aanbieder periodiek overleg met de gemeente van herkomst. Ondersteuning wordt uitgevoerd door een team van zorgprofessionals, waarvan ten minste 30% beschikt over een hbo-diploma. Alle begeleiders hebben minimaal mbo-niveau 4. De eindverantwoordelijkheid voor het begeleidingsplan ligt bij een hbo-geschoolde professional. Daarnaast is binnen het team ten minste één ervaringsdeskundige werkzaam die beschikt over een afgeronde mbo 4-opleiding tot ervaringsdeskundige. De professionals zijn bekwaam en beschikken aantoonbaar over de noodzakelijke vaardigheden. 2.3.10.Vervoer naar begeleiding groep Voor vervoer wordt er gekeken naar de eigen mogelijkheden van inwoners. Indien de inwoner en/of zijn sociale omgeving niet in staat zijn om zelfstandig vervoer te regelen naar dagbesteding, dan kan de gemeente aanvullend een indicatie voor vervoer afgeven. Kan iemand bijvoorbeeld in de zomer wel zelfstandig reizen maar in de winter niet, dan wordt de indicatie voor vervoer daarop aangepast. De gemeente regelt in samenspraak met de inwoner en de aanbieder passend en veilig vervoer. Dit betekent dat een inwoner binnen een redelijke tijd voor aanvang en na afloop van de dagbesteding wordt opgehaald en thuisgebracht. Dit vervoer wordt in principe uitgevoerd door ZOOV Actief, tenzij sprake is van een uitzonderingssituatie. Uitzonderingsituaties: Is er psychische en/of lichamelijke zorg voor, tijdens of aansluitend aan het vervoer nodig die de chauffeur niet biedt? Dan kan er een indicatie voor vervoer via de aanbieder worden afgegeven. De betreffende aanbieder vervoert reeds een groot aantal van zijn cliënten zelf, omdat zij vallen onder de eerste uitzondering. De cliënten die niet onder deze uitzondering vallen worden vanwege de efficiëntie ook door deze aanbieder uitgevoerd. De aanbieder rijdt reeds zelf op de route met Wlz-vervoer en kan cliënt ophalen. De contractmanager beslist over deze uitzonderingssituatie. Als de betreffende inwoner reeds zelfstandig gebruik maakt van een indicatie voor ZOOV Op Maat, kan géén beroep worden gedaan op deze uitzonderingssituatie en wordt het vervoer naar dagbesteding ingezet via ZOOV Actief. Hierbij is namelijk reeds gebleken dat iemand zelfstandig met ZOOV kan reizen hierdoor kan iemand (in principe) ook zelfstandig met ZOOV Actief reizen. Van aanbieder wordt het volgende verwacht: Begrip dat niet alle inwoners op hetzelfde moment gehaald respectievelijk gebracht kunnen worden en dat gestreefd wordt naar een zo efficiënt mogelijk vervoer van inwoners. Een open en flexibele (gespreks-)houding met betrekking tot de begin- en eindtijden van de ondersteuning of behandeling, met de volgende uitgangspunten: Basis voor de planning zijn de door de zorgaanbieder gewenste begin- en eindtijden met een marge van 15 minuten; De begin- en eindtijden worden per inwoner per dag van de week afgesproken; De begin-/eindtijden kunnen per inwoner onderling verschillen; De inwoner is voldoende lang op de zorglocatie; Proactief informeren van de vervoerder bij wijzigingen (bijvoorbeeld andere zorglocatie). 2.3.11.Wmo Logeren Logeren is een vorm van respijtzorg, kortdurend verblijf, vervangende mantelzorg, ofwel een time-out voorziening. Het gaat om het tijdelijk opvangen van mensen met een zorg-of ondersteuningsvraag in een accommodatie van een aanbieder. Doel is om de mantelzorger te ontlasten of stabiliteit in de situatie van de cliënt te creëren. De inwoner ervaart op één of enkele leefgebieden beperkingen in de zelfredzaamheid en het meedoen in de maatschappij. Dit als gevolg van (chronische) psychische of psychosociale problemen, een verstandelijke of lichamelijke beperking en/of verslavingsproblematiek. Het kan hier bijv. gaan om geestelijke achteruitgang/dementie of algemene beperkingen door ouderdom. De inwoner Woont (nog) in een zelfstandige woonruimte; Heeft hulp van een mantelzorger nodig en/of is afhankelijk van deze hulp; Heeft een mantelzorger, die ontlast moet worden en/of tijdelijk niet in staat is om voor de cliënt te zorgen; Heeft te maken met complexe problematiek waardoor een tijdelijke time-out nodig is waarbij de cliënt tijdelijk buiten zijn eigen woning verblijft; Heeft (tijdelijk) een beschermde woonomgeving nodig, waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd. Het doel van logeren is het tijdelijk overnemen van de zorg(taken) voor de inwoner en/of creëren van stabiliteit in de (thuis)situatie van de inwoner. Door middel van het: Ondersteunen en verzorgen tijdens het verblijf en bij ADL-taken; Ondersteunen en verzorgen tijdens het verblijf en bij ADL-taken; Ondersteunen in de nabijheid van de cliënt tijdens het verblijf, vergelijkbaar met de situatie waarin de mantelzorger de ondersteuning uitvoert; Bieden van activiteiten gericht op sociale interactie en activering; Ruimte geven om op adem te komen en te herstellen. 2.3.12.Ondersteuning bij het lokaal verplaatsen per vervoermiddel [Wmo, Jeugdwet] Als er een vervoersvoorziening wordt ingezet, dan gaat het om het verplaatsen in de eigen woon- en leefomgeving. Er wordt gesproken over lokaal verplaatsen, waarbij gedacht moet worden aan verplaatsingen in een straal tot 20 kilometer rond de woning. Buiten dit gebied kan gebruik worden gemaakt van de mogelijkheden van het bovenregionale vervoer Valys. Er wordt geen onbeperkte kosteloze vervoermogelijkheid aangeboden. Ook personen zonder beperkingen betalen de kosten voor hun vervoer. Collectief Vraagafhankelijk Vervoer (CVV) is in de gemeente geregeld via “ZOOV”. ZOOV is een collectief vervoerssysteem met (rolstoel)busjes en taxi's dat vervoer van deur tot deur biedt. De inwoner kan een loophulpmiddel, rolstoel of scootmobiel meenemen in het vervoer. ZOOV is een gezamenlijk initiatief van de Achterhoekse gemeenten en heeft prioriteit als ondersteuningsmogelijkheid. Een auto (al dan niet in deelgebruik) kan doorgaans als een algemeen gebruikelijke oplossing worden gezien. Als er na het optreden van beperkingen geen sprake is van een andere situatie op vervoersgebied dan daarvoor is er geen noodzaak om hulp-op-maat te verstrekken. Iemand heeft bijvoorbeeld al 40 jaar een auto, is gewend daar alles mee te doen en kan deze met zijn beperkingen ook nog gebruiken, dan is er geen vervoersprobleem. Diegene kan het zelf oplossen. Dat kan anders zijn als door het optreden van de beperkingen bijvoorbeeld ook het inkomen aanmerkelijk daalt. Afwegingskader bij het lokaal verplaatsen per vervoermiddel Om voor hulp-op-maat voor lokaal verplaatsen in aanmerking te komen, gaat de gemeente na of in het onderzoek alle mogelijke alternatieven al zijn beoordeeld. Allereerst wordt er gekeken of iemand bijvoorbeeld nog zelf kan fietsen. Dat kan ook op een fiets in bijzondere uitvoering zijn, zoals een fiets met lage instap. Ook kan het gewone openbaar vervoer of de buurtbus voorliggend zijn, voor alle of voor bepaalde verplaatsingen op langere afstanden. Hetzelfde geldt voor de mogelijkheden om mee te rijden met huisgenoten, mantelzorgers of vrijwilligers. Ook het zelf “leren” reizen kan de voorkeur hebben boven het verstrekken van hulp-op-maat. Omvang en vorm van de vervoersbehoefte Als de gemeentehulp-op-maat moet verstrekken zal allereerst gekeken worden waaruit de vervoersbehoefte van de inwoner bestaat. Daarbij wordt gekeken naar de persoonskenmerken en (vervoers)behoefte op de korte en lange afstanden, de frequentie en het motief van de verplaatsingen en eventuele bijzondere eisen. Ook wordt gekeken naar en eventuele (loop)hulpmiddelen voor het lokaal verplaatsen in plaats van een vervoersvoorziening. Ook bewoners van een Wlz-instelling kunnen een vervoersbehoefte hebben die onder de Wmo valt. Vaak hebben zij een beperkte vervoersbehoefte, soms door hun beperkingen, maar ook door het feit dat zij geen boodschappen hoeven te doen. Bij het bepalen van de vervoersbehoefte gaat het niet om de vraag hoe vaak de inwoner een bepaalde bestemming wil kunnen bereiken, maar hoe vaak hij bestemmingen moet kunnen bereiken om deel te nemen aan het leven van alle dag en om de wezenlijke contacten die daarvan deel uit maken te kunnen onderhouden. Daarnaast is het van belang hoe de inwoner zich tot nu toe heeft gered, al dan niet met behulp van anderen en wat hij daarbij als belemmeringen heeft ondervonden. De Wmo kan niet alle beperkingen wegnemen. De verplichting om hulp-op-maat te bieden gaat echter niet zo ver dat de aanvrager in exact dezelfde of wellicht zelfs betere positie wordt gebracht dan waarin hij verkeerde voor hij de ondersteuning nodig had, dat is in de Memorie van Toelichting genoemd, zoals ook aangegeven in onderdeel 5.6.2 van deze uitspraak. De gevraagde ondersteuning moet in een redelijke verhouding staan tot wat de situatie van de aanvrager was voor hij ondersteuning nodig had (Kamerstukken II, 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 149 en 150). Leeftijd en vervoersbehoefte Er bestaat een duidelijke relatie tussen de leeftijd van een inwoner en diens verplaatsingsgedrag. Kinderen jonger dan 5 jaar hebben geen zelfstandige verplaatsingsbehoefte. Uitzonderingen worden in verband met het bieden van maatwerk individueel beoordeeld. Kinderen van 5 tot en met 11 jaar hebben geen zelfstandig verplaatsingsgedrag maar wel in toenemende mate een individuele vervoersbehoefte voor deelname aan het maatschappelijk verkeer (dit is verplaatsingsgedrag naast het reguliere woon-schoolverkeer). Kinderen van 12 jaar en ouder hebben over het algemeen een beperkt zelfstandig verplaatsingsgedrag. De verplaatsingen spelen zich veelal af binnen de mogelijkheden van de fietsafstand of openbaar vervoer. Vanaf de volwassen leeftijd van 18 jaar kan sprake zijn van een individueel vervoersprobleem. In elke situatie geldt echter een individuele beoordeling van die specifieke situatie zodat een oplossing op maat geboden kan worden. Loopafstand Aan de hand van de vastgestelde vervoersbehoefte zal de gemeente beoordelen of deze behoefte bij een inwoner met een maximale loopafstand van 800 meter opgelost kan worden door gebruik van ZOOV. Hierbij houdt de gemeente rekening met de individuele situatie, de persoonskenmerken en de behoeften van de inwoner. Doel van het vervoer Relevant is voor de Wmo het zogenaamde sociaal vervoer, oftewel vervoer in het kader van het leven van alledag in de eigen woon- of leefomgeving. Het gaat niet alleen om het vervoer van A naar B, maar ook vervoer om sociale contacten te onderhouden en een sociaal isolement te voorkomen. Vervoer in verband met werk en het volgen van onderwijs hoort daar niet bij, vervoer in verband met bezoek aan (para-)medische behandelaars in de eigen regio wel. Voor noodzakelijk vervoer in verband met dagbesteding gelden afwijkende regels. ZOOV mag niet worden ingezet voor woonwerkverkeer, tenzij gereisd wordt op basis van het OV-tarief (dus zonder korting). Ook recreatief gebruik kan soms onder de Wmo vallen. Maar dat is alleen het geval als iemand nu onvoldoende kan participeren. Uitgangspunt in de Wmo is dat iemand in aanvaardbare mate kan deelnemen aan het leven van alledag en dat hij of zij sociale contacten in de directe woon- en leefomgeving kan onderhouden. Iemand moet zich lokaal kunnen verplaatsen met een vervoermiddel. Maar er moet dan wel een vervoersbehoefte zijn. En als er ook andere vervoermiddelen beschikbaar zijn, dan is het niet nodig nog apart iets te verstrekken voor recreatief vervoer. Reikwijdte ondersteuningsplicht Lokaal vervoer is een wettelijk uitgangspunt. In bijzondere gevallen van (dreigende) vereenzaming kan de ondersteuningsverplichting van de gemeente op dit terrein verder gaan. Of er sprake is van dreigende vereenzaming wordt beoordeeld aan de hand van de volgende criteria: Er is sprake van dusdanig wezenlijke -uitsluitend door persoonlijk bezoek te onderhouden- contacten, dat zonder die contacten een sociaal isolement ontstaat. Er zijn bijzondere omstandigheden waardoor bijvoorbeeld ouders hun volwassen kind niet kunnen bezoeken, zoals een slechte gezondheid waardoor men moeilijk of niet kan reizen. Bepalend voor het beoordelen van de aanvraag is de psychosociale betekenis van het weekendbezoek aan ouders en familie. Ernstig beperkte mobiliteit Bij personen met een loopafstand van minder dan 100 meter en een relevante vervoersbehoefte op korte afstanden zal de gemeente beoordelen of naast een voorziening als ZOOV ook nog een voorziening verstrekt moet worden voor de zeer korte afstand. In veel gevallen zal men overigens kunnen volstaan met een verstrekte rolstoel voor het verplaatsen in en rond de woning. Collectief vervoer is voorliggend Als het collectief vervoer van ZOOV een passende oplossing kan bieden, heeft die oplossing voorrang. Als collectief vervoer geen adequate ondersteuning biedt of niet beschikbaar is, kan de gemeente andere hulp-op-maat voor een vervoersvoorziening verstrekken. Welke voorziening dat is, hangt helemaal af van de vervoersbehoefte op korte en langere afstanden, en de fysieke en geestelijke mogelijkheden van de inwoner. Het kan bijvoorbeeld – in zeer uitzonderlijke situaties- gaan om een aangepaste auto, maar ook om een scootmobiel, een aangepaste driewielfiets of andere hulpop-maat voor lokaal verplaatsen. Kilometerbudget ZOOV Met collectief vervoer of met andere hulp-op-maat of combinatie van hulp-op-maat moet in beginsel tenminste een afstand van 1500 - 2000 km per jaar kunnen worden afgelegd. Het jaarlijkse maximum kilometerbudget van ZOOV is 2000 kilometer. Binnen dit kilometerbudget kan iemand met korting reizen. Buiten dit budget betaalt iemand het reguliere OV-tarief. Het reisbereik tegen Wmo-tarief bedraagt 20 kilometer per rit. Bij dit aantal kilometers kan het gebruik van een andere verstrekte voorziening zoals een scootmobiel meegenomen worden, hetgeen invloed kan hebben op het aantal kilometers. De volgende budgetten zijn mogelijk: Jaarlijkse standaard maximum kilometerbudget voor Wmo-geïndiceerden van 2.000 kilometer. Als de inwoner in het bezit is van een andere passende vervoersvoorziening (vanuit de Wmo) zoals een scootmobiel, driewielfiets, etc., bedraagt het jaarlijkse maximum kilometerbudget 1.000 kilometer. Afhankelijk van de situatie kan (enkel in zéér uitzonderlijke gevallen) dit aantal naar boven of beneden worden bijgesteld door de Wmo-consulent. Persoonlijke puntbestemmingen ZOOV Een geïndiceerde inwoner kan 2 persoonlijke puntbestemming toegewezen krijgen. Deze mogen 1x per jaar worden gewijzigd. Te denken valt aan situaties waarin iemand met grote regelmaat naar een bestemming net iets verder dan 20 kilometer moet reizen en Valys niet voldoet (i.v.m. zone-indeling), met een maximale afstand van 40 kilometer. Begeleiding bij vervoer ZOOV Er kan voor twee soorten begeleiding een indicatie worden toegekend voor ZOOV: medische begeleiding en sociale begeleiding. De gemeente betaalt daarvoor een opslag aan de vervoerder. Verplichte/medische begeleiding Van medische begeleiding is sprake als de inwoner vanwege medische of andere redenen (zoals vanwege psychiatrische, psychische of psychogeriatrische problematiek) niet in staat is zelfstandig te reizen. Hierbij moet gedacht worden aan situaties waarbij de begeleider moet kunnen ingrijpen tijdens de rit. Als er medische redenen zijn, kan de gemeente een indicatie afgeven voor verplichte/medische begeleiding. De ZOOV-reiziger met verplichte/medische begeleiding mag niet alleen reizen. De medische begeleider is ten minste 12 jaar oud, is in staat om hulp te verlenen als dat nodig is en gebruikt zelf geen rolstoel. Ze reizen gezamenlijk van A naar B. De medische begeleider betaalt geen reizigersbijdrage. De indicatie wordt verwerkt als een toeslag van 10% op de reiseenheden van de rit van de Wmo-reiziger. Voor de begeleider worden geen aparte reiseenheden bij de gemeente in rekening gebracht. Sociale begeleiding In gevallen waar de inwoner (zo goed als) structureel zowel thuis als op de locatie van bestemming ondersteuning nodig heeft van een begeleider kan er een indicatie voor sociale begeleiding worden toegekend. Er hoeft hierbij geen sprake te zijn van acuut handelen om medische redenen. De begeleider betaalt hetzelfde reizigerstarief als de inwoner met een indicatie. Zij reizen gezamenlijk van A naar B. De indicatie wordt verwerkt als een toeslag van 10% op de reiseenheden van de rit van de ZOOV-reiziger. Voor de begeleider worden geen aparte reiseenheden bij de gemeente in rekening gebracht. Indien een begeleider meereist zonder deze indicatie van de gemeente, reist die als ovreiziger mee en betaalt het ov-tarief. 2.3.12.1.Vervoersmiddelen voor inwoners met een beperking Er is een breed scala aan vervoersmiddelen voor mensen met een beperking, die tegenwoordig niet alleen via bedrijven voor revalidatietechniek maar ook steeds meer rechtsreeks aan inwoners worden aangeboden. Hierdoor zijn deze voorzieningen toegankelijker geworden, mensen kunnen zelf kiezen hoeveel ze eraan willen besteden. Steeds meer van deze voorzieningen worden als algemeen gebruikelijk beschouwd en komen dus niet meer voor een vergoeding in aanmerking. Een goed advies over waar op te letten bij de aanschaf en het wijzen op de mogelijkheden van rijles e.d. kan dan nog steeds wel een taak van de gemeente zijn. Een aantal veelgevraagde vervoersmiddelen voor inwoners met een beperking zijn: Aangepaste fietsen: Er zijn fietsen zoals de driewielfiets en een duofiets die speciaal ontworpen en bestemd zijn voor mensen met een beperking en alleen bij gespecialiseerde bedrijven worden verkocht. Scootmobiel: is bedoeld voor vervoer over de korte en middellange afstanden en kan worden gebruikt als aanvulling op het collectief vervoer. Autoaanpassing: Als een inwoner zonder autoaanpassingen langdurig geen gebruik kan maken van zijn auto en het openbaar en collectief vervoer niet voldoet, en het vervoer met de auto voor inwoner noodzakelijk is voor het behoud van zelfredzaamheid en participatie, kunnen autoaanpassingen worden vergoed. Bij autoaanpassingen wordt beoordeeld of het specifiek voor mensen met een beperking bedoelde voorzieningen betreft die meer kosten dan gebruikelijke autoaanpassingen (dus geen stuurbekrachtiging of cruise control). In de Wmo werd uitgegaan van een levensduur van minimaal 5 jaar van de aanpassingen; dit is in de praktijk een redelijke termijn gebleken waarop nieuwe aanpassingen kunnen worden verstrekt (uiteraard rekening houdend met de persoonskenmerken van de aanvrager op dat moment). Bij verstrekking van autoaanpassingen is het daarom redelijk om van de aanvrager te verlangen dat hij aantoont dat de aan te passen auto de investering nog waard is (dus naar verwachting nog minimaal 5 jaar mee kan). 2.3.12.2.Rolstoelvoorziening [Wmo] Dat inwoners zich in en om hun woning kunnen verplaatsen, is essentieel bij zelfredzaamheid en participatie. Dit verplaatsen kan op verschillende manieren plaatsvinden: bijvoorbeeld met een rollator, lopend met krukken, met een trippelstoel, maar ook met een rolstoel (artikel 3.7.5 Verordening). Inwoners die voor het dagelijks verplaatsen zijn aangewezen op een rolstoel voor gebruik langer dan een half jaar kunnen deze voorziening aanvragen bij de Wmo. Het gaat hier dan om een rolstoel voor dagelijks zittend gebruik. Rolstoelen voor het zogenaamde incidenteel en kortdurend gebruik worden in principe niet verstrekt; de incidentele rolstoel is dan bedoeld voor verplaatsingen over langere afstanden elders, bijvoorbeeld tijdens uitstapjes. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de uitleenservice en/of de verhuurservice. Als een noodzaak bestaat voor een rolstoel voor het dagelijks verplaatsen langer dan een half jaar, zal via een ergotherapeutisch (of medisch) advies door de Wmo-consulent een programma van eisen worden opgesteld. Een rolstoel wordt in principe in bruikleen verstrekt en hierbij vallen alle kosten van onderhoud en verzekering onder de verstrekking. Ten aanzien van mantelzorgers wordt rekening gehouden met hun belangen. Bij een verstrekking als pgb wordt de rolstoel die inwoner zou hebben gekregen als voorziening in natura als uitgangspunt genomen. Wij onderscheiden de volgende rolstoelvoorzieningen: handmatig voortbewogen rolstoel elektrisch voortbewogen rolstoel Daarnaast kan het zijn dat er aanpassingen moeten worden gedaan aan een rolstoel. Het gaat hier enkel om extra onderdelen die niet al standaard op een rolstoel zitten zoals comfort beensteunen of een werkblad. Voor rolstoelen geldt geen eigen bijdrage. Een rolstoel voor het dagelijks gebruik die korter dan een half jaar nodig is, is gratis te leen via de Ziektekostenverzekeringswet. Een eigen bijdrage is wel van toepassing als er een accessoire op een rolstoel nodig is voor verplaatsingen buitenshuis. Bijvoorbeeld een duwondersteuning die noodzakelijk is voor het zich buitenshuis verplaatsen. Er geldt dan voor de duwondersteuning wel een eigen bijdrage. 2.3.13.Sportvoorziening [Wmo] Sporten kan een belangrijk middel tot participatie zijn. Wanneer het voor de inwoner zonder sporthulpmiddel niet mogelijk is om op een aanvaardbaar niveau te participeren kan eens in de 3 jaar een financiële bijdrage voor een sportvoorziening worden verstrekt. Dat kan voor een sportrolstoel zijn, maar ook voor een ander hulpmiddel. De inwoner moet aantonen dat sprake is van een actieve, niet beroepsmatige, sportbeoefening. Voor de hoogte van de bijdrage wordt aansluiting gezocht bij de kosten van het hulpmiddel, maar is niet hoger dan het vastgestelde maximale bedrag van de financiële tegemoetkoming. Het maximale bedrag dat wordt verstrekt is vastgesteld in de Verordening en is een tegemoetkoming en dus niet kostendekkend. De ervaring leert dat sportclubs, sponsors of fondsen vaak bereid zijn een deel van de kosten te vergoeden. Tijdens de onderzoeksfase worden mogelijkheden van sponsoring of fondsenwerving in kaart gebracht. Als de voorziening ook via sponsoring aangeschaft kan worden, dan valt dit onder de eigen kracht van inwoner. Inwoner kan dan zijn beperkingen op eigen kracht oplossen door gebruik te maken van de sponsoring. Soms zijn er bij sportverenigingen algemene sporthulpmiddelen aanwezig voor algemeen gebruik door leden. Deze hulpmiddelen gaan vóór op het verstrekken van een tegemoetkoming voor een eigen sportvoorzieningen. 2.3.14.Woonvoorziening [Wmo] Om langer zelfstandig te kunnen blijven wonen zijn er tegenwoordig veel voorzieningen die dit mogelijk maken. Zelfstandig blijven wonen kan in de eigen woning maar kan ook in een geschiktere woning zijn. De inwoner is zelf verantwoordelijk om te zorgen dat hij over een woning beschikt en hij bij de keus van de woning rekening houdt met de eigen situatie. Dat betekent ook dat de inwoner bij de keuze van zijn woning rekening moet houden met zijn huidige of in de toekomst redelijkerwijs te verwachten beperkingen. Ondanks dat hier rekening mee gehouden is, kan het voorkomen dat door veranderde omstandigheden ondersteuning nodig is in de vorm van een woonvoorziening. Er zijn twee soorten woonvoorzieningen: Niet bouwkundige (losse) woonvoorzieningen: voorzieningen die niet nagelvast, dus verplaatsbaar zijn (bijvoorbeeld een toiletstoel); Bouwkundige woonvoorzieningen; nagelvaste voorzieningen (bijvoorbeeld een douchezitje aan de muur of het rolstoeltoegankelijk maken van een badkamer). Niet bouwkundige voorzieningen zijn voorliggend op bouwkundige woonvoorzieningen. Deze zijn vaak voor meerdere doeleinden bruikbaar en kunnen meegenomen worden in geval van verhuizing. Niet bouwkundige woonvoorzieningen en hulpmiddelen worden in bruikleen verstrekt. Van de inwoner wordt verwacht dat hij zorgvuldig met de voorziening omgaat zodat de normale afschrijvingsduur niet verkort wordt. Daarnaast kan de gemeente ondersteunen bij: Bezoekbaar maken van de woning Tijdelijke huisvesting Verhuizing Hoofdverblijf inwoner Een eventuele woonvoorziening heeft altijd betrekking op het hoofdverblijf van de inwoner. Een eigen woning kan zowel een gekochte woning zijn als een huurwoning. In het geval van hotels/pensions trekkerswoonwagens, toer- en stacaravans, kloosters, tweede woningen, vakantiewoningen, recreatiewoningen, die niet bestemd zijn om het gehele jaar door bewoond te worden en kamerverhuur wordt niet gesproken van een woning. Bij specifiek op gehandicapten en ouderen gerichte woongebouwen, voor wat betreft voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten of voorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kunnen worden, worden ook geen voorzieningen getroffen. Toekomstbestendig wonen regeling Bouwende op de eigen kracht van de inwoners stelt de gemeente Winterswijk een lening beschikbaar aan inwoners om hun woning levensloopbestendig te laten kunnen maken. Om gebruik te kunnen maken van een lening, moet een aanvrager voldoen aan de voorwaarden gesteld in de Verordening Toekomstbestendig Wonen regeling Winterswijk. Informatie over de Toekomstbestendig Wonen Lening is te vinden op de website van de gemeente Winterswijk. De gemeente kan de lening consumptief of hypothecair verstrekken, afhangende van het leningsbedrag. Zorg en wonen onlosmakelijk met elkaar verbonden Binnen de gemeente bevinden zich een aantal kleinschalige woonvormen waar zorg en wonen onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. In deze gevallen moet goed gekeken worden naar de overeenkomst tussen inwoner en aanbieder/verhuurder. Als de zorg en het wonen onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden kan op die gronden hulp-op-maat worden afgewezen. Over het algemeen geldt dat inwoners met een Wlz thuis wel hulp-op-maat kunnen aanvragen bij de Wmo. De groep waar zorg en wonen onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden is hier een uitzondering op. (Uitspraak van de rechtbank: ECLI:NL:RBOBR:2022:448) Primaat van verhuizen Als er geen gebruik kan worden gemaakt van de Toekomstbestendig Wonen-lening zal er verder worden gekeken naar de mogelijkheden. Het college beoordeelt allereerst of het resultaat: wonen in een geschikt huis, ook te bereiken is via een verhuizing. Onder het primaat van verhuizen wordt verstaan dat de verlening van de voorziening van verhuizing en inrichting voorrang heeft op andere woonvoorzieningen. De achterliggende gedachte bij het primaat van verhuizing is dat er zo efficiënt mogelijk met de beschikbare middelen en de woningvoorraad wordt omgegaan (goedkoopst adequate voorziening). In de jurisprudentie is het hanteren van het primaat van verhuizing op zichzelf geaccepteerd. Het onderzoek zal zich moeten richten op de beperkingen van de ondersteuningsvrager, de bouw- en woon-technische kenmerken van zijn woning en alle andere voor die beoordeling relevante feiten en omstandigheden. Een zeer zorgvuldige afweging van alle argumenten zal aan het besluit ten grondslag worden gelegd. Het is niet mogelijk een uitputtend overzicht te geven van alle mogelijke afwegingsfactoren die een rol kunnen spelen, omdat elke situatie weer anders is. Wel wordt hieronder in grote lijnen een overzicht gegeven van een aantal vaak voorkomende factoren, die afhankelijk van de situatie, een rol kunnen spelen bij de besluitvorming: De aanwezigheid van aangepaste of eenvoudig aan te passen woningen De snelheid waarmee het woonprobleem kan worden opgelost: De realisatie van een woningaanpassing kan een langdurig en intensief traject zijn. Soms is een verhuizing naar een geschikte woning sneller te realiseren. Een belangrijk aspect daarbij is het termijn waarbinnen een verhuizing kan plaatst vinden. Indien binnen de medisch aanvaardbare termijn geen woning beschikbaar is, is verhuizen niet de juiste oplossing. Sociale omstandigheden: De binding die de inwoner heeft met de huidige woonomgeving, aanwezigheid van familie en/of vrienden in verband met (mogelijke) mantelzorg die door verhuizing mogelijk weg zou vallen, afstand tot voorzieningen zoals winkels. Een kostenafweging: De gemeente maakt een vergelijking tussen de woonlasten van de huidige en mogelijk nieuwe woning. Alle relevante woonlasten moeten daarbij meegenomen worden. Aanpassingskosten voor de huidige woning worden afgezet tegen de financiële tegemoetkoming voor verhuizing en inrichting van de nieuwe woning. Als de inwoner eigenaar van de woonruimte is, zal een verhuizing of woningaanpassing andere gevolgen met zich meebrengen dan wanneer deze de woning huurt. Het verhuizen vanuit een koopwoning heeft meer financiële consequenties dan verhuizing vanuit een huurwoning. Bij het verkopen van een huis komen meer aspecten aan de orde dan bij het verlaten van een huurwoning. Een aantal aspecten zal pleiten voor het verkopen van de woning en verhuizen naar een huurwoning. Andere aspecten daarentegen zullen de balans naar het aanpassen van de eigen woning doen doorslaan. Een punt betreft de vraag in hoeverre vermogenswinsten of -verliezen optreden. Een eigenaar heeft doorgaans geld geleend en/of een hypotheek op het huis. Ook als de belanghebbende, al dan niet geheel op eigen kosten, veel aan de woning heeft verbeterd of aanpassingen heeft getroffen, ligt verhuizing soms minder voor de hand. Als de financiële situatie van een eigenaar van een woning, die gehandicapt raakt, door zijn handicap drastisch verandert (doorgaans brengt een handicap negatieve inkomensgevolgen met zich mee), kunnen moeilijkheden optreden met het opbrengen van de woonlasten van de eigen woning, en zal de belanghebbende ook problemen hebben met verhuizen. Het kan echter ook zo zijn dat het huis vrij van hypotheek is. Dit kan ook tot een oplossing leiden, bijvoorbeeld het gebruik van overwaarde voor het betalen van de huur na verhuizing. Natuurlijk kan, als een woning vrij van hypotheek is, de overwaarde gebruikt worden voor een woningaanpassing, of kan een nieuwe hypotheek worden gevestigd. Er wordt ook rekening gehouden met het feit dat een aan te passen koopwoning naar alle waarschijnlijkheid minder makkelijk kans heeft om voor hergebruik in aanmerking te komen. Een revisiebeding (het terugbrengen in oorspronkelijke staat), zoals bij huurwoningen, bestaat niet voor eigen woningen; De gemeente heeft geen instrument om de woning vrij te krijgen; Het zal niet zo eenvoudig zijn om een geschikte kandidaat voor die woning te vinden, die zowel financieel als ergonomisch gezien geschikt is voor de betreffende woonruimte. Consequentie hiervan zal zijn dat eigen woningen meestal voor één enkele belanghebbende aangepast worden. Aanpassingen aan sociale huurwoningen zijn vaker opnieuw in te zetten dan aanpassingen aan koopwoningen, omdat deze huurwoningen opnieuw kunnen worden verhuurd aan personen met een beperking, waardoor de gebruiksduur van de aanpassing wordt verlengd. Dit speelt in de afweging dan ook een rol van belang. Ook de medische prognose speelt in dit verband een rol. Indien vaststaat dat iemands toestand naar verwachting zodanig zal verslechteren en dat als gevolg daarvan de aanpassing slechts voor beperkte tijd zal volstaan, kan dat gegeven een rol spelen in de afweging tussen verhuizing en aanpassen. Vaak zal een aangeboden mogelijkheid te verhuizen naar een andere woning door de belanghebbende als negatief worden beoordeeld: vaak zal men graag willen blijven wonen in de vertrouwde woning. Als de bovenomschreven afweging in het voordeel van verhuizing uitvalt, is die wens niet meer doorslaggevend. Dat heeft gevolgen voor het weigeren van aangeboden geschikte woningen. Na weigering beoordeelt het college of er van uit kan worden gegaan dat voldoende is gedaan om een compenserende oplossing te bieden. Dit wordt afgemeten aan de oorzaak voor het weigeren. Bezoekbaar maken van een woning Alleen het hoofdverblijf van de inwoner kan worden aangepast. Onder sommige omstandigheden is het noodzakelijk dat een tweede woning bezoekbaar gemaakt moet worden. Doordat het aantal echtscheidingen en co-ouderschap stijgt ontstaat de vraag naar het aanpassen van woningen van beide ouders. Hier geldt ook het eerdergenoemde principe dat de ex-echtgenoten bij de keuze van hun nieuwe woning(
  6. en)rekening moeten houden met hun situatie en op zoek moeten gaan naar een woning die voor hun beperking of die van hun kinderen passend is. Dit zal niet altijd mogelijk zijn. Een alternatief kan zijn dat beide ouders om beurten in het aangepaste hoofdverblijf wonen. Kan dat niet van de belanghebbende gevraagd worden, dan moet een hulp-op-maat geboden worden. Een bijzondere situatie doet zich voor wanneer degene met de beperking intramuraal woont en de weekenden doorbrengt in de woning van de ouder(s). De gemeente is niet gehouden om de woning van de ouders(
  7. s)geheel aan te passen. Wel kan de woning ”bezoekbaar” gemaakt worden als hiervoor niet al te grote aanpassingen voor nodig zijn. Mantelzorgwoning Een mantelzorgwoning is tijdelijke woonruimte op het terrein van een inwoner, en is bedoeld om goede mantelzorg mogelijk te maken. De mantelzorgwoning kan bewoond worden door de mantelzorger of door de inwoner die mantelzorg ontvangt. Als sprake is van een aanvraag van een mantelzorgwoning wordt uitgegaan van de eigen verantwoordelijkheid voor het hebben van een woning. Dit kan door zelf een woning te bouwen of te huren die op het terrein nabij de woning van de mantelzorgers kan worden geplaatst. Daarbij is uitgangspunt dat de uitgaven die de verzorgde(
  8. n)had(den) vóór de situatie van de mantelzorg in de mantelzorgwoning, aan het wonen in deze woning besteed kunnen worden. Daarbij kan gedacht worden aan huur, kosten nutsvoorzieningen, verzekeringen enz. Met die middelen zou een mantelzorgwoning gehuurd kunnen worden. Ook zouden deze middelen besteed kunnen worden aan een lening of hypotheek om een mantelzorgwoning (deels) van te betalen. De gemeente kan adviseren en ondersteunen als het gaat om de nodige vergunningen op het gebied van de ruimtelijke ordening. 2.3.14.1.Woningaanpassing Aanbouw Als voor het bereiken van het resultaat noodzakelijk is dat er een aanbouw geplaatst wordt besluit het college vanwege financieel-economische argumenten alleen tot een aanbouw als tevoren vast staat dat de aanbouw hergebruikt kan worden, zoals bij huurwoningen van woningcorporaties. In alle situaties waarin belanghebbende geen gebruik meer maakt van de aangepaste huurwoning (bijv. overlijden, verhuizing naar Wlz –instelling of verhuizing na scheiding) wordt verwacht dat de overige gezinsleden de aangepaste woning verlaten. Dit wordt tijdens beoordeling van de aanvraag besproken met betrokkenen en vastgelegd in de rapportage en beschikking. Het aanpassen van woningen brengt vaak hoge kosten met zich mee. De gemeente heeft er daarom belang bij dat eenmaal aangepaste woningen blijvend beschikbaar zijn voor personen met beperkingen of problemen. Het kan voorkomen dat een huurwoning die vrijkomt niet direct verhuurd kan worden aan een andere persoon met beperkingen of problemen voor wie de woning geschikt is. In die gevallen treedt de gemeente in overleg met de verhuurder. Bij eigen woningen zal de kans op hergebruik miniem zijn. Daarom kiest het college bij eigen woningen als het maar enigszins kan voor het plaatsen van een herbruikbare losse woonunit en heeft het aandacht voor de RO-vergunning. Er is in een dergelijke situatie (woonunit) geen plaats voor een verstrekking in de vorm van een pgb. Een losse woonunit is een opnieuw te gebruiken als verplaatsbare unit die tijdelijk kan worden ingezet. Zo’n unit kan een extra woonkamer of een complete slaapkamer met natte cel betreffen. Om van dit primaat gebruik te kunnen maken moet uiteraard de mogelijkheid tot het plaatsen van een losse unit bestaan, bijvoorbeeld doordat er voldoende ruimte is. Daarbij zal het meestal zo zijn dat als er voldoende ruimte is voor het plaatsen van een losse unit, er ook ruimte is voor het plaatsen van een aanbouw. Hier geldt dat de wens van betrokkene om een aanbouw te realiseren niet doorslaggevend is: een aanbouw is niet herbruikbaar, een losse unit wel. Het programma van eisen zoals dat geldt voor een aanbouw kan gebruikt worden voor een losse woonunit. Het is daarbij van belang in de beschikking vast te leggen dat – als de unit niet meer nodig is – dit aan de gemeente gemeld dient te worden. De gemeente kan er dan zorg voor dragen dat de unit verwijderd wordt en de woning in de oude staat wordt teruggebracht. Deze kosten maken onderdeel uit van de verstrekking van een losse woonunit. Is een losse unit niet mogelijk, of is de aanpassing niet zodanig dat deze afweging gemaakt moet worden, dan kan de stap naar de al dan niet bouwkundige aanpassing worden gemaakt. Als het gaat om een aanbouw bij een eigen woning zal het college allereerst beoordelen wat iemands mogelijkheden zijn om uit een oogpunt van kosten zelf in de compenserende voorziening te voorzien. Als het mogelijk is deze aanbouw zelf te financieren, bijvoorbeeld door een hypotheek op de woning te vestigen waarvan niet wordt afgelost, zodat de kosten beperkt blijven tot de rentekosten, waarop bij belastingaangifte renteaftrek mogelijk is, zal eerst naar deze mogelijkheid gekeken worden. Als het gaat om een aanbouw bij een eigen woning van partner/ medebewoner van de aanvrager en de aanvrager niet de eigenaar/mede eigenaar is, worden afspraken met aanvrager en eigenaar gemaakt om dit middels een samenlevingscontract en/of testament vast te leggen. Hierbij is het uitgangspunt dat aanvrager na het beëindigen van de relatie en of overlijden van eigenaar/partner kan blijven wonen in de aangepaste woning. Inpandige aanpassing Als een inpandige aanpassing mogelijk is, bijvoorbeeld in de situatie van een ruime benedenverdieping, zal het college allereerst die situatie beoordelen, voordat uitbreiding van de woning aan de orde komt. In die gevallen waarin de belanghebbende tijdens het aanbrengen van woonvoorzieningen redelijkerwijs niet in de (aan te passen) woonruimte kan blijven wonen en om deze reden tijdelijk naar een andere woonruimte moet uitwijken, kan het college voor de periode dat dit noodzakelijk is een financiële tegemoetkoming voor tijdelijke huisvesting verstrekken. Ook in die gevallen waarin de ondersteuningsvrager langer de huidige woonruimte moet aanhouden in verband met aanpassingen in een nog te betrekken woonruimte, kan het college voor de periode dat dit noodzakelijk is een financiële tegemoetkoming voor tijdelijke huisvesting verstrekken. De maximale termijn dat een tegemoetkoming in de kosten van tijdelijke huisvesting wordt verstrekt is 4 maanden. De bedragen hiervoor zijn opgenomen in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Winterswijk. Aanpassing gemeenschappelijke ruimten Over het algemeen zal de woningcorporatie dan wel de Vereniging van Eigenaars (VvE) een verantwoordelijkheid hebben. Bij aanpassingen aan gemeenschappelijke ruimten zal het college beoordelen of het verantwoord is voorzieningen als trapliften op een voor eenieder bereikbare plaats te zetten. Ook kijkt het college naar zaken als slijtage door weer en wind. Voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten mogen geen overlast opleveren voor overige bewoners en moeten voldoen aan bouwvoorschriften. Voorwaarde is dat de voorzieningen voor de inwoner noodzakelijk zijn om de woning te kunnen bereiken. Doelgroepengebouwen Bij een doelgroepengebouw is de eigenaar verantwoordelijk voor dat het gebouw en de woning geschikt is voor de doelgroep van het gebouw. Dit is niet de verantwoordelijkheid van de gemeente. Grote bouwkundige aanpassingen Bij grotere bouwkundige aanpassingen aan de woning werkt het college altijd eerst met een programma van eisen, waarmee zo nodig meerdere offertes opgevraagd kunnen worden en een bouwkundige calculatie kan worden opgevraagd bij een deskundige. Hierbij wordt de volgende lijn gehanteerd: Bij bouwkundige aanpassingen onder de € 2.500, - wordt minimaal 1 offerte opgevraagd Bij bouwkundige aanpassingen tussen € 2.500, - en € 10.000, - worden 2 offertes opgevraagd; Bij bouwkundige aanpassingen hoger dan €10.000 worden 3 offertes opgevraagd. De hoogte van de vergoeding zal maximaal ten bedrage van de laagste offerte zijn en enkel voor die zaken die zijn opgenomen in het programma van eisen. Berekening hoogte vergoeding van Bouwkundige aanpassingen De volgende kosten in het kader van een woningaanpassing kunnen, voor zover van toepassing, in aanmerking worden genomen bij de bepaling van de kosten van de hulp-op-maat: De aanneemsom (hierin begrepen de loon- en materiaalkosten) voor het treffen van de voorziening; De risicoverrekening van loon- en materiaalkosten, met inachtneming van het bepaalde in de Risicoregeling Woning- en Utiliteitsbouw 2025; Het architectenhonorarium tot ten hoogste 10% van de aanneemsom met dien verstande dat dit niet hoger is dan het maximale honorarium als bepaald in SR 1997 van de BNA. Alleen in die gevallen dat de gemeente vindt dat het noodzakelijk is dat een architect voor de woningaanpassing moet worden ingeschakeld, komen deze kosten voor vergoeding in aanmerking. Het betreft dan veelal de ingrijpende woningaanpassingen. Hierbij wordt de inwoner gevraagd minimaal 2 offertes door een architect te laten opstellen, waarbij de hoogte van de vergoeding maximaal ten bedrage van de laagste offerte zal zijn; De door de gemeente (schriftelijk) goedgekeurde kostenverhogingen, die ten tijde van de raming van de kosten redelijkerwijs niet voorzien hadden kunnen zijn; De kosten in verband met noodzakelijk technisch onderzoek en adviezen met betrekking tot het verrichten van de aanpassing; De kosten van aansluiting op een openbare nutsvoorziening. Het uitgangspunt is “kale oplevering”, zoals ook een huurwoning wordt opgeleverd. Dat betekent dat schilderwerk en stoffering etc. geen onderdeel is van de voorziening. De gemeente is niet verantwoordelijk om ervoor te zorgen dat de aanwezige kinderen in de leefsituatie van de inwoner beschikken over hun eigen slaapkamer in de aan te passen woning. Een bouwkundige aanpassing aan een woning wordt vanwege artikel 2.6.2 Wmo door het college uitbetaald als éénmalig pgb die door de gemeente wordt uitbetaald i.p.v. door de SVB. Dit gebeurd op basis van de factuur. De beschikking wordt verstuurd aan de belanghebbende (aanvrager) met een afschrift naar de eigenaar. De woningeigenaar kan een coöperatie zijn of een particuliere eigenaar. De belanghebbende en eigenaar kunnen ook dezelfde zijn. Woningaanpassingen en Wlz Er is geen noodzaak om een woningaanpassing of hulpmiddel te verstrekken aan een thuiswonende Wlz-cliënt, als de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie voldoende kunnen worden gecompenseerd met inzet van zorg uit de Wlz-indicatie. (CRvB 5-8-2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1747) In de situatie dat inwoners met een modulair pakket thuis (MPT) of volledig pakket thuis (VPT) extramuraal verblijven op een speciaal door de woningcorporatie daarvoor aangewezen locatie, kan van bijvoorbeeld de woningcorporatie of VvE verwacht worden dat deze locaties toegankelijk en bouwkundig geschikt zijn en blijven voor deze doelgroep. Woningsanering Hulp-op-maat voor woningsanering is mogelijk in gevallen waarin dit als gevolg van allergie, astma of chronische bronchitis (Chronic Obstructive Pulmonary Disease = COPD) noodzakelijk is. De noodzaak voor het verstrekken van een vergoeding, wordt mede in relatie tot het leefpatroon en leefregels, de gehele woninginrichting en ventilatiemogelijkheden bepaald en op basis van een onafhankelijk deskundig medisch advies. Verwacht wordt dat de inwoner zich in het vervolg bij de aanschaf van nieuwe materialen aan het programma van eisen voor de woninginrichting zal houden. Ook mag verwacht worden dat inwoner zelf maatregelen treft ter voorkoming van COPD-klachten. De woningsanering betreft in de regel het vervangen van gestoffeerde gebruiksruimten waar mensen vaak of langere tijd achtereen verblijven, zoals de woon- en slaapkamer. Voor stoffering bij een verhuizing wordt geen hulp-op-maat verstrekt omdat dit bij een verhuizing algemeen gebruikelijke kosten zijn. Ook als de te vervangen stoffering volledig is afgeschreven wordt geen hulp-op-maat verstrekt. In de regel kan voor woningsanering hulp-op-maat worden verstrekt als: er een duidelijke recente diagnose door een medisch specialist (niet zijnde de huisarts) is; de inwoner bij de aanschaf van de woning of voorziening niet van tevoren had kunnen weten dat COPD zou ontstaan/verergeren; vervanging van de voorziening medisch gezien op zeer korte termijn noodzakelijk is; Uitraasruimte Bepaalde stoornissen van inwoners (met een verstandelijk beperking) bijvoorbeeld hyperactiviteit en moeilijkheden in het doseren van omgevingsprikkels, kunnen aanleiding geven tot problemen bij het verblijf in de woning. Deze problemen kunnen worden opgevangen door in de woning over een uitraaskamer te beschikken. Onder een uitraasruimte wordt verstaan een verblijfsruimte waarin een inwoner die vanwege een gedragsstoornis ernstig ontremd gedrag vertoont zich kan afzonderen of tot rust kan komen. Indicaties waaruit blijkt dat iemand aangewezen kan zijn op een uitraasruimte zijn: De inwoner beschadigt zichzelf (zelfverwonding); De inwoner beschadigt de omgeving (vernielzucht); Er is sprake van niet corrigeerbaar gedrag door ongecontroleerde driftbuien of overmatige apathie. Het gaat om hulp-op-maat voor (aanpassen van) een ruimte die alleen ten behoeve van de persoon met een aantoonbare gedragsstoornis noodzakelijk is, om hem/haar tot rust te doen komen. Op basis van deskundigenadvies (met name een advies van een onafhankelijk psycholoog of orthopedagoog is hierbij van belang en verplicht) zal op individuele basis worden vastgesteld aan welke eisen de uitraasruimte moet voldoen. Waar mogelijk zullen bestaande ruimten in de woning worden aangepast. Toepassing van een uitraaskamer moet zorgvuldig zijn: geen uitraaskamer als isolatie-maatregel en alleen in combinatie met zorgplan, duidelijke regels en toezicht. In sommige situaties kan het verstandig zijn om eerst bij wijze van proef, een tijdelijke mobiele uitraasruimte te plaatsen. De effectiviteit varieert namelijk per persoon, door verschillen in problematiek, behandeltraject en omgeving. 2.3.14.2.Verhuis- en herinrichtingskosten Als een inwoner verhuist in het kader van een normale wooncarrière hoeft geen tegemoetkoming in de verhuiskosten verstrekt te worden. Denk hierbij aan voor het eerst zelfstandig gaan wonen, verhuizingen vanwege gezinsuitbreiding, echtscheiding, de wens om kleiner te wonen etc. Een tegemoetkoming is dan niet aan de orde omdat ook personen zonder beperkingen deze kosten hebben. Enkel als de inwoner door de beperkingen (onverwacht) moet verhuizen, (dit blijkt uit een urgentieverklaring of noodzaak voor een Wmo-indicatie) kan een financiële tegemoetkoming verstrekt worden in de kosten van verhuizing en (her)inrichting. De hoogte van de financiële tegemoetkoming in de verhuiskosten is opgenomen in de Verordening Sociaal Domein Winterswijk. Inboedelkosten (meubels, lampen, apparatuur) worden niet vergoed. De inwoner dient zelf te zoeken naar een geschikte woonruimte. Het weigeren van een geschikte woning kan effect hebben op de mogelijkheid om nog een beroep te doen op de Wmo voor het aanpassen van een niet geschikte woning. 2.4.Het voeren van een huishouden [Wmo] Hulp-op-maat in de vorm van huishoudelijke ondersteuning bevat de volgende resultaten: Schoon en leefbaar huis Wasverzorging Maaltijden Boodschappen Advies, instructie en voorlichting Kindzorg Voor het bepalen van de omvang van de ondersteuning, maakt de gemeente gebruik van het HHMnormenkader. Het normenkader en een toelichting daarop staat in bijlage 1. 2.4.1.Schoon en leefbaar huis Schoon betekent een basishygiëne borgen, leefbaar betekent opgeruimd en functioneel. Een huis is schoon en leefbaar als het normaal bewoond en gebruikt kan worden en voldoet aan de basale hygiëne-eisen. Tot een schoon en leefbaar huis behoren de zware en lichte huishoudelijke activiteiten. Het gaat daarbij concreet om het stofzuigen van de woning, het soppen van de badkamer, keuken, toilet, het dweilen van vloeren en het schoonhouden van de overige ruimten. Dat zijn de ruimten die, conform het normenkader HHM in bijlage 1, voor dagelijks gebruik noodzakelijk zijn. Soms maken individuele kenmerken en –behoeften van de belanghebbende het noodzakelijk hiervan af te wijken. Afwegingskader Het resultaat “een schoon en leefbaar huis” omvat alle activiteiten die erop gericht zijn het huis, exclusief balkon, berging en tuin schoon en leefbaar te houden. Het beperkt zich tot de binnenzijde van de woning. Een inwoner kan in aanmerking komen voor huishoudelijke ondersteuning als er is sprake van: Beperkingen die het voeren van een huishouden geheel of gedeeltelijk belemmeren; Én waarbij uit onderzoek volgens artikel 2.3.2 Wmo 2015 is gebleken dat de inwoner aangewezen is op een hulp-op-maat in de vorm van ondersteuning bij het huishouden. Uitgangspunt is dat de inwoner en/of een meerderjarige huisgenoot zelf de regie heeft over het huishouden en deze regie kan uitvoeren. Is dit niet het geval dan kan het nodig zijn om ook ondersteuning te leveren in de dagelijkse organisatie van het huishouden. Allereerst beoordeelt het college of in het gesprek, als dat met de inwoner heeft plaatsgevonden, alle voorliggende en algemeen gebruikelijke voorzieningen meegenomen zijn. Een voorbeeld van een algemeen gebruikelijke voorziening is een wasmachine, wasdroger of vaatwasser, maar ook een glazenwasser voor het reinigen van de ramen aan de buitenkant. Zie hiervoor ook 1.1.1. algemeen gebruikelijke voorzieningen. Vervolgens beoordeelt het college of de inwoner andere eigen mogelijkheden heeft om zijn huis schoon te krijgen. Die mogelijkheden zijn: De aanschaf van een robotstofzuiger. Een robotstofzuiger is een algemeen gebruikelijke voorziening De situatie waarin de belanghebbende al jaren op eigen kosten iemand voor de huishoudelijke activiteiten inhuurt. Als tegelijk met het optreden van de beperking geen inkomenswijziging heeft plaatsgevonden en er geen aantoonbare meerkosten zijn in relatie tot de beperking, kan het oordeel luiden dat er geen hulp-op-maat nodig is, omdat er al een oplossing is voor het schoonmaken van het huis. Dit is uiteraard anders als aangetoond kan worden dat er sprake is van een zodanige daling van het inkomen als gevolg van de beperking dat het redelijkerwijs niet meer mogelijk is deze hulp zelf te betalen. Heeft de inwoner een latrelatie, dan beoordeelt het college in hoeverre deze partner bij kan dragen aan het huishouden. De beschikbaarheid van voorzieningen in de markt zoals commerciële thuiszorgaanbieders, zorgverzekeraars die gemaksdiensten aanbieden, Kruiswerk Achterhoek of een particuliere schoonmaakkracht. Daarna beoordeelt het college of er sprake is van gebruikelijke hulp. Van gebruikelijke hulp is sprake als er een huisgenoot aanwezig is, die in staat kan worden geacht de huishoudelijk activiteiten over te nemen. Zie 1.1.4. Eigen kracht en gebruikelijke hulp. Als het voorafgaande niet geleid heeft tot het bereiken van het resultaat of als de gemeente geen algemene voorzieningen heeft, moet het college een hulp-op-maat verstrekken. Meestal gaat het dan om een vraag voor intensieve huishoudelijke ondersteuning zoals ondersteuning bij een ontregeld huishouden of zorg voor kinderen. Huishoudelijke ondersteuning wordt alleen toegekend voor noodzakelijke activiteiten. Er wordt in principe niet meer geïndiceerd dan nodig is om verantwoorde huishoudelijke ondersteuning te bieden in de essentiële woonfuncties van de aanvrager en de andere inwoners (partner/kinderen). Alleen de ruimtes die door de bewoner(
  9. s)in gebruik zijn worden schoongemaakt/gehouden. Hieronder verstaan we limitatief de volgende ruimtes: - sanitaire ruimte(s), - keuken, - woonkamer, - de door de bewoner(
  10. s)gebruikte slaapkamer(s), de hal/trap die toe leidt naar bovengenoemde ruimtes. We gaan uit van het principe ‘zorgen dat’ in plaats van ‘zorgen voor’. Dit betekent dat we daar waar mogelijk stimuleren dat de inwoner zelf huishoudelijke activiteiten uit blijft voeren. Indiceren in combinatie met het Deense concept van Re-ablement (herstelgericht werken). Dit houdt in dat de eerste weken de huishoudelijke ondersteuning gericht is op de inwoner weer te motiveren, te trainen en te stimuleren tot het zelfstandig verrichten van de huishoudelijke activiteiten, eventueel in combinatie met een ergotherapeut. Na een periode van 6 tot 12 weken wordt definitief bepaald wat de benodigde professionele inzet is. Dit kan op den duur ervoor zorgen dat inwoners zelfstandig worden en blijven. Wanneer er naar de mening van de arts nog behandelmogelijkheden zijn voor aandoeningen die de oorzaak vormen voor het niet zelf kunnen voeren van het huishouden, wordt in de regel geen ondersteuning bij het huishouden toegekend. Huishoudelijke ondersteuning kan in een dergelijke situatie immers anti-revaliderend werken. Wel kan huishoudelijke ondersteuning naast een te volgen behandeling of revalidatie worden toegekend. Hierover is (met toestemming van de inwoner) afstemming met de behandelaar nodig. Een dergelijk indicatie heeft dan in principe een korte geldigheidsduur, afgeleid van de duur van het behandel- of revalidatietraject. Een extreem bewerkelijke inrichting van de woning leidt in principe niet tot de toekenning van extra ondersteuning. Dit heeft bijvoorbeeld betrekking op extra veel beeldjes of fotolijstjes in de woonkamer of een groot aantal meubelstukken in de ruimte. Het gaat in dit geval om de extreme situaties waarin de inrichting een aanzienlijke extra ondersteuning vergt. De inwoner wordt geacht zelf bij te dragen aan het efficiënt kunnen uitvoeren van de ondersteuningsactiviteiten. De inrichting van de woning is namelijk een keuze waar de inwoner invloed op kan uitoefenen. Bij huishoudelijke ondersteuning kent het college ondersteuning toe in uren /minuten. Hiervoor wordt verwezen naar bijlage 1: HHM-Normenkader. Ook mantelzorgers kunnen problemen krijgen met het schoonhouden van hun huis. Mantelzorgers hebben geen zelfstandig recht op compensatie, maar hun draagkracht moet bij de afweging wel betrokken worden. Men zou kunnen spreken van de inwoner met de beperking afgeleid recht op compensatie. De mantelzorger komt aantoonbaar niet toe aan een bijdrage tot een schoon en leefbaar huis van de inwoner met de beperking. Dat zou kunnen als gevolg van (dreigende) overbelasting. Dan kan op naam van de inwoner huishoudelijke ondersteuning worden geïndiceerd. 2.4.2.Was verzorging De dagelijkse kleding moet met enige regelmaat schoongemaakt worden. Dit betekent het wassen, drogen en in bepaalde situaties strijken van kleding. En soms gaat het om een los naadje of knoopje. We spreken hier uitsluitend over normale kleding voor alledag. Daarbij is het uitgangspunt dat zo min mogelijk kleding gestreken hoeft te worden. Met het kopen van kleding kan hier rekening mee worden gehouden. Strijkvrije kleding is namelijk voorliggend. Bij het wassen en drogen van kleding is het normaal gebruik te maken van de beschikbare - algemeen gebruikelijke - moderne hulpmiddelen, zoals een wasmachine en een droger. Voor het verstellen van kleding kan gebruik gemaakt worden van bedrijven die deze service bieden. Het plaatsen van de wasmachine en droger op een verhoging is de verantwoordelijkheid van de inwoner. Daarnaast wordt van de inwoner verwacht al het mogelijke te doen om het ontstaan van extra was te beperken. Door bijvoorbeeld incontinentiemateriaal of antiallergieproducten te gebruiken. Afwegingskader Allereerst beoordeelt het college of in het gesprek, als dat heeft plaatsgevonden, alle voorliggende en algemeen gebruikelijke voorzieningen meegenomen zijn. Hierbij valt te denken aan het gebruik van een wasserij. Vervolgens zal het college beoordelen of er andere eigen mogelijkheden zijn die benut kunnen worden. Hierbij kan gedacht worden aan de aanschaf door inwoner van een wasmachine en/of droger, een wasmachineverhoger en/of strijkvrije kleding. Daarna beoordeelt het college of er sprake is van gebruikelijke hulp. Van gebruikelijke hulp is sprake als er een huisgenoot aanwezig is die in staat kan worden geacht de huishoudelijk activiteiten over te nemen. Voor een verdere toelichting gebruikelijke hulp zie 1.1.4. Eigen kracht en gebruikelijke hulp. Bij beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding zal het over het algemeen gaan om uitstelbare taken. Alleen als de was niet kan blijven liggen zal dat direct moeten gebeuren. Hier zal dan ondanks de gedeeltelijke gebruikelijke hulp wel voor geïndiceerd kunnen worden. Als al het voorafgaande niet geleid heeft tot een oplossing van het probleem zal het college compenseren met hulp-op-maat Wat betreft het strijken van kleding worden er geen lakens, theedoeken, zakdoeken en ondergoed etc. gestreken. Wat betreft de kleding wordt uitgegaan van een eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van de keuze van kleding, die in principe niet hoeft te worden gestreken. Er zal met de mantelzorger rekening worden gehouden met het oog op dreigende overbelasting. Als er een indicatie wordt gesteld, gebeurt dat als afgeleide van de verzorgde op zijn of haar naam. De normtijden hiervoor zijn weer de normen uit het normenkader HHM genoemd in bijlage 1. 2.4.3.Maaltijden en boodschappen In elk huishouden zijn boodschappen voor de dagelijkse activiteiten nodig. De eventuele hulp-op-maat is beperkt tot de levensmiddelen en schoonmaakmiddelen, zaken die dagelijks/wekelijks gebruikt worden in elk huishouden. Niet hieronder vallen de grotere inkopen zoals kleding en duurzame goederen, zoals apparaten. Het is gebruikelijk dat mensen éénmaal per week een grote voorraad boodschappen in huis halen. Daar kan de Wmo bij aansluiten door uit te gaan van eenmaal per week boodschappen. Indien mogelijk wordt daarbij gebruik gemaakt van boodschappendiensten. De meeste supermarkten hebben inmiddels een dagelijkse bezorg- of afhaalservice. Een boodschappendienst wordt volgens de jurisprudentie aanvaardbaar geacht als er niet al te hoge kosten aan verbonden zijn. Ook het bereiden van maaltijden valt onder dit resultaat. In sommige situaties kan van een maaltijdservice gebruik worden gemaakt. Ook zijn er bijvoorbeeld kant- en klaar maaltijden te koop in de supermarkt die soms (tijdelijk) een oplossing kunnen bieden. Afwegingskader Onder dit resultaat worden gerekend de boodschappen zoals levens- en schoonmaakmiddelen die dagelijks nodig zijn en zo nodig de bereiding/opwarming van maaltijden. Allereerst beoordeelt het college of in het gesprek, als dat heeft plaatsgevonden, alle voorliggende en algemeen gebruikelijke voorzieningen een oplossing kunnen zijn. Vervolgens zal het college beoordelen of er andere eigen mogelijkheden zijn. Hierbij kan gedacht worden aan de situatie dat in de omgeving wonende bekenden en/of kinderen gewend of bereid zijn deze boodschappen te doen. Daarna beoordeelt het college of er sprake is van gebruikelijke hulp. Zie 1.1.4. Eigen kracht en gebruikelijke hulp. Bij de zware en lichte huishoudelijk activiteiten gaat het veelal om uitstelbare taken. Het doen van boodschappen is uitstelbare hulp, het bereiden/opwarmen van maaltijden is niet-uitstelbare hulp. Hier kan wel voor geï

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.