← Nederland

Natuurbeheerplan Zeeland 2026 (Zeeland)

Natuurbeheerplan Zeeland 2026 Vastgesteld door Gedeputeerde Staten op 10 juni 2025 Op 10 juni 2025 (nr. 648749) hebben Gedeputeerde Staten de Planwijziging 2025 van het Natuurbeheerplan Zeeland vastgesteld. Het Natuurbeheerplan Zeeland bevat de begrenzing van natuurgebieden en agrarische beheergebieden van het Natuurnetwerk in Zeeland en dient onder andere voor de subsidiëring van het natuurbeheer via het Subsidiestelsel natuur en landschap (SNL). Zienswijzen De ontwerp-planwijziging 2025 van het Natuurbeheerplan Zeeland lag van 11 maart tot en met 22 april 2025 fysiek ter inzage voor het indienen van zienswijzen en kon verder digitaal worden ingezien op en gedownload van de provinciale website. De bijbehorende kaarten konden in deze periode in detail worden bekeken via de provinciale website op: https://kaarten.zeeland.nl/map/atlasvanzeeland. De zienswijzen zijn behandeld in een antwoordnota. Naar aanleiding van de zienswijzen en overige reacties is de planwijziging op enkele onderdelen aangepast. De planwijziging is verwerkt in het geconsolideerde Natuurbeheerplan Zeeland 2026, dat gelijktijdig met de planwijziging en de antwoordnota door Gedeputeerde Staten is vastgesteld en bekendgemaakt in het Provinciaal blad. De documenten zijn te raadplegen op https://www.zeeland.nl/natuur-en-landschap/natuurbeheer. Beroep instellen De Planwijziging 2025 van het Natuurbeheerplan Zeeland en de antwoordnota liggen van 1 september tot en met 13 oktober 2025 ter inzage op het provinciehuis, Abdij 6 te Middelburg en kunnen gedurende deze periode in de linker kolom onder ‘Bekijk documenten’ ingezien en/of gedownload worden. De bijbehorende kaarten kunnen in deze periode in detail worden bekeken via de provinciale website op: https://www.zeeland.nl/loket/kaarten-en-cijfers/kaarten/natuur-en-landschap-kaart. De documenten behorende bij het besluit zijn bovendien vanaf 1 september 2025 te raadplegen op https://www.zeeland.nl/natuur-en-landschap/natuurbeheer. Belanghebbenden die een zienswijze op de ontwerp-planwijziging hebben ingediend - en zij aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen zienswijze te hebben ingediend - kunnen beroep instellen tegen het besluit tot vaststelling van de Planwijziging 2025 van het Natuurbeheerplan Zeeland bij de rechtbank Zeeland-West Brabant, locatie Breda, team bestuursrecht, Postbus 90006, 4800 PA Breda. Voor de behandeling van een beroepschrift is griffierecht verschuldigd. In het beroepschrift neemt u ten minste op uw naam, uw adres, de datum, tegen welk besluit u beroep instelt (zo mogelijk een kopie meezenden) en waarom. Het beroepschrift dient te worden ondertekend. U moet het beroepschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop het besluit ter inzage is gelegd. Als u overweegt beroep in te stellen, kunt u een informatiefolder aanvragen op het telefoonnummer 0118-

  1. U kunt de informatie ook downloaden van: https://www.zeeland.nl/loket/klacht-bezwaar-melding-doorgeven/beroep-instellen. Wij wijzen u erop dat het beroep niet de werking van het besluit schorst. Indien u beroep hebt ingesteld, kunt u de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West Brabant, locatie Breda, team bestuursrecht, Postbus 90006, 4800 PA Breda, verzoeken een voorlopige voorziening te treffen, indien onverwijlde spoed dit, gelet op de betrokken belangen, vereist. Voor de behandeling van dit verzoek is eveneens griffierecht verschuldigd. 1.Wat is het Natuurbeheerplan? 1.1Inleiding Voor u ligt het Natuurbeheerplan Zeeland
  2. Dit plan beschrijft de beleidsdoelen en de subsidiemogelijkheden voor ontwikkeling en beheer van natuurgebieden, agrarische natuur en landschapselementen in de Provincie Zeeland. Het Natuurbeheerplan is verankerd in het Subsidiestelsel Natuur en Landschap (SNL)
  3. Dit stelsel bevat de ‘Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer 2016 (SVNL2016, kortweg SVNL) voor het beheer van natuurgebieden en agrarische leefgebieden en de ‘Subsidieregeling Kwaliteitsimpuls Natuur en Landschap (SKNL) voor investeringen in natuur en landschap (omvorming, inrichting en kwaliteitsontwikkeling). Met dit Natuurbeheerplan stelt de Provincie Zeeland de kaders vast voor de uitvoering van het natuur- en landschapsbeheer. Het Natuurbeheerplan geeft aan waar welke natuur aanwezig is en welke beheerdoelen voor deze begrensde gebieden gelden. De provincie vergoedt een aanzienlijk deel van de kosten voor de ontwikkeling en het beheer van natuur door middel van subsidies. Het Natuurbeheerplan vormt de basis voor het aanvragen van deze subsidies. Het Natuurbeheerplan is geen statisch document. Het plan wordt jaarlijks herzien. Verzoeken tot wijziging kunnen van 1 november tot en met 31 december worden ingediend en worden meegenomen in de daaropvolgende jaarlijkse Planwijziging. In verband met de jaarlijkse aanvraagperioden van de SNL-subsidies in oktober (SVNL agrarisch natuurbeheer), november-december (SVNL-natuurbeheer) en vanaf januari (SKNL (functieverandering en investeringen) stellen Gedeputeerde Staten de Planwijziging en het gewijzigde Natuurbeheerplan (geconsolideerde versie) uiterlijk in september vast. Voorgeschiedenis Op 6 november 2001 hebben Gedeputeerde Staten het Natuurgebiedsplan Zeeland 2001 vastgesteld. In dat Natuurgebiedsplan was de begrenzing van natuurgebieden en agrarische beheergebieden van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) voor het eerst voor de gehele provincie vastgelegd. De natuurdoelen werden per gebied beschreven en de subsidiemogelijkheden voor verwerving, inrichting en beheer via het toenmalige Programma Beheer werden globaal aangeduid. In het tweede Natuurgebiedsplan

(2005)is de begrenzing van de agrarische beheergebieden grondig herzien en is het nieuwe beleid voor particulier natuurbeheer en functieverandering vastgesteld. In 2009 is het Natuurbeheerplan integraal gewijzigd ten behoeve van de invoering van een nieuw subsidiestelsel voor natuurbeheer, de SNL, met onder andere ook de invoering van de Index Natuur en Landschap en de opname van het provinciale beleid voor de natte ecologische verbindingszones. In de daaropvolgende jaren zijn partiële wijzigingen doorgevoerd, waaronder de herijking van de EHS in 2013 en de begrenzing van akkervogelkerngebieden in
  1. Op 22 september 2015 hebben Gedeputeerde Staten het Natuurbeheerplan Zeeland 2016 vastgesteld. Daarin zijn verwerkt de Herijking EHS, diverse wijziging van de zoekgebieden voor akkervogels en het nieuwe beleid voor het collectief agrarisch natuurbeheer. 1.2Doel en status Natuurbeheerplan 1.2.1Beleidskader natuur en landschap Het Natuurbeheerplan is een provinciaal beleidskader om het Europese, rijks- en provinciale natuur- en landschapsbeleid te realiseren. Het gaat daarbij om bestaande natuurgebieden, gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt, landbouwgebieden die worden beheerd volgens agrarisch natuurbeheer en de Natura 2000-gebieden. Het Natuurbeheerplan beschrijft bovendien op detailniveau welke natuur- en landschapsdoelen in de begrensde gebieden nagestreefd worden. De begrenzingen en beheertypen zijn toegespitst op de internationale biodiversiteitsdoelen en op de internationale natuurgerichte agromilieu-, water- en klimaatdoelen. Het plan is het beleidskader voor de uitvoering van het provinciale natuurbeleid en ook voor de implementatie van artikel 65 van het Gemeenschappelijk Landbouw Beleid- Nationaal Strategisch Plan (GLB-NSP). Het plan is verankerd in de SVNL en SKNL en daarmee kaderstellend voor de SNL-subsidies. Begrenzing van natuur en landschap In het Natuurbeheerplan zijn het Natuur Netwerk Nederland en de agrarische gebieden met natuurwaarden aangeduid (‘begrensd’). Het Natuurbeheerplan Zeeland is het provinciale beleidskader voor: ontwikkeling en beheer van natuurgebieden; bescherming en beheer van agrarisch gebied van ecologische betekenis van het Natuurnetwerk in Zeeland; het agrarisch natuur- en landschapsbeheer van leefgebieden buiten het Natuurnetwerk in Zeeland. Het Natuurbeheerplan Zeeland is een nadere uitwerking van de Natuurvisie Zeeland 2017-2022 en gericht op de uitvoering van het provinciale beleid voor natuur en landschap. Begrenzingen in het Natuurbeheerplan Zeeland hebben geen directe planologische gevolgen. Het Natuurbeheerplan Zeeland is tevens een nadere uitwerking van het Omgevingsplan Zeeland. Het Natuurbeheerplan beschrijft de begrenzing en de wezenlijke kenmerken en waarden van het nationale Natuurnetwerk in Zeeland. De begrenzing van het Natuurnetwerk in Zeeland is vastgelegd in de Omgevingsverordening Zeeland. Het betreft de gebieden op het land zoals weergegeven in de volgende natuurkaarten: XII-1 Bestaande natuur; XII-2 Agrarisch gebied van ecologische betekenis; XII-3 Natuurontwikkelingsgebieden; XII-4 Afwegingszone natuurgebieden; XI Verdrogingsgevoelige natuurgebieden. Op grond van de artikelen 2.2 en 2.4 van het Delegatiebesluit Omgevingsverordening Zeeland zijn Gedeputeerde Staten bevoegd deze natuurkaarten te wijzigen. De gebieden die tot het Natuurnetwerk in Zeeland behoren zijn planologisch beschermd op grond van de Omgevingsverordening Zeeland. De natuurgebieden in rijkswater vallen onder het rijksplanologische kader van de Omgevingswet (voorheen SVIR, BARRO en Besluit water) en vallen dus niet onder de provinciale verordening. Het Natuurbeheerplan Zeeland wordt jaarlijks gewijzigd. Wijzigingen in de begrenzing van bestaande natuur, natuurontwikkelingsgebieden en agrarische gebieden van ecologische betekenis werken door naar de Omgevingsverordening Zeeland. De formele doorwerking komt tot stand door de gelijktijdige wijziging van de natuurkaarten in de bijlagen XII-1, XII-2, XII-3, XII-4 en XI van de Omgevingsverordening. Beide besluiten worden gelijktijdig genomen en op de daartoe voorgeschreven wijze bekend gemaakt. Het Natuurbeheerplan heeft geen directe planologische consequenties of consequenties voor bestemmingsplannen en heeft dus geen invloed op eigendomsrechten of bestaande gebruiksmogelijkheden. In het Natuurbeheerplan worden vooral de natuur- en beheerdoelen van het Natuurnetwerk in Zeeland vastgelegd en geactualiseerd. Daarmee wordt de uitvoering van het beleid via bescherming, ontwikkeling, herstel en beheer aangestuurd. Het Natuurbeheerplan heeft daarmee ook raakvlakken met ander provinciaal beleid, onder andere voor cultuurhistorie, landschap, water, milieu, ruimte, recreatie en beeldkwaliteit. Het Natuurbeheerplan is afgestemd op het groene beleid van de diverse andere overheden (provincies, Rijk, Europese Unie) en met het integrale omgevingsbeleid voor water, milieu en ruimtelijke ordening. Indien nieuwe ontwikkelingen een aanpassing noodzakelijk maken, zal het plan gewijzigd worden. Het Natuurbeheerplan Zeeland wordt vastgesteld door Gedeputeerde Staten van de Provincie Zeeland. Gedeputeerde Staten zijn hiertoe bevoegd op grond van de Omgevingsverordening Zeeland (artikelen 2.2 en 2.4 Delegatiebesluit Omgevingsverordening Zeeland), de Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer Zeeland 2016 (artikel 1.3) en de Subsidieregeling Kwaliteitsimpuls Natuur en landschap Zeeland (artikel 7). Het Natuurbeheerplan is een beleidsregel in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Aan dit plan kunnen geen rechten worden ontleend. Het plan heeft ook geen directe rechtsgevolgen en staat niet open voor bezwaar, wel voor beroep. Rechtsgevolgen kunnen wel verbonden zijn aan besluiten die op grond van dit plan worden genomen, zoals subsidiebeschikkingen. Deze subsidiebeschikkingen staan wel open voor bezwaar en beroep. Het Natuurbeheerplan bevat geen bindende regels of verplichtingen voor burgers. Opname van een terrein in het Natuurbeheerplan leidt dus niet vanzelfsprekend tot een positief besluit over subsidiëring van het beheer. Het zorgt er alleen voor dat natuurbeheerders en gecertificeerde agrarische collectieven van de gronden die zijn begrensd, de mogelijkheid krijgen om subsidie aan te vragen voor het beheer van deze gronden. Nieuw is dat er ook subsidie aangevraagd kan worden voor natuurgerichte doelen rond agromilieu, klimaat en water. Bepalen van huidige en gewenste beheerdoelen voor natuurgebieden In het Natuurbeheerplan zijn de huidige en de gewenste beheerdoelen voor de Natura 2000-gebieden, het Natuur Netwerk Nederland en agrarische gebieden met natuurwaarden opgenomen. In dit plan begrenst en beschrijft de Provincie de gebieden waar subsidiëring van beheer en ontwikkeling van natuur, agrarische natuur en landschapselementen plaats kan vinden. De begrenzing is aangeduid op twee kaarten: de beheertypenkaart en de ambitiekaart. Het natuurbeheerplan heeft geen planologische consequenties of consequenties voor beheerfuncties en heeft dus geen invloed op eigenomsrechten of bestaande gebruiksmogelijkheden. Het Natuurbeheerplan bevat geen bindende regels of verplichtingen voor burgers. Ook kunnen er geen rechten aan worden ontleend; opname van een terrein in het Natuurbeheerplan leidt dus niet vanzelfsprekend tot een positief besluit over subsidiëring van het beheer. Het zorgt er alleen voor dat beheerders en gecertificeerde agrarische collectieven van de gronden die zijn begrensd als natuurgebied, als agrarische natuur of als landschapselement de mogelijkheid krijgen om subsidie aan te vragen voor het beheer van deze gronden. Ook is het mogelijk om subsidie aan te vragen voor natuurgerichte agromilieu, klimaat en waterdoelen. 1.2.2Beleidskader agrarische leefgebieden Beheerdoelen voor agrarische leefgebieden Het beleidskader voor agrarische leefgebieden wordt in dit Natuurbeheerplan bepaald door begrenzing van agrarische leefgebieden en agrarische beheertypen, zoals weergegeven in kaartbijlage
  2. Door middel van agrarisch natuurbeheer kan in deze leefgebieden, met subsidie SVNL, een bijdrage worden geleverd aan het behoud van doelsoorten van internationale betekenis. Waterdoelen In het Natuurpact en de overeenkomst met de Manifestpartijen zijn afspraken gemaakt om naast internationale soortendoelen ook internationale Kaderrichtlijn Water (KRW)-doelen op te nemen. Als waterschappen voor waterbeheerdiensten (Blauwe diensten) gebruik willen maken van EU-cofinanciering, dan kan dit uitsluitend via gebiedsaanvragen van agrarische collectieven, op grond van het Natuurbeheerplan en de SVNL. De waterschappen geven daarvoor aan voor welke waterdoelen welke waterbeheerdiensten nodig zijn, inclusief randvoorwaarden en prioriteiten. Klimaatdoelen In het GLB-NSP (Nationaal Strategisch Plan in het kader van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid) is afgesproken om, naast de internationale soortendoelen en KRW-doelen, ook klimaatdoelen op te nemen. Het kader hiervoor wordt gevormd door het Klimaatakkoord, de nationale klimaatadaptatiestrategie en de bossenstrategie. Er wordt ingezet op klimaatadaptatie en mitigatie gericht op bijvoorbeeld het verminderen van effecten van extreme weersomstandigheden door water-, bodem- en teeltmanagement, en op reductie van de uitstoot van broeikasgassen. 1.3Wijzigingen Natuurbeheerplan Zeeland in 2025 Dit Natuurbeheerplan 2026 is op een aantal punten gewijzigd ten opzichte van het voorgaande Natuurbeheerplan. de tekst van het Natuurbeheerplan is geactualiseerd en aangepast aan recente beleidsontwikkelingen; de begrenzingen van het Natuurnetwerk in Zeeland, van de Agrarische leefgebieden en van de agrarische zoekgebieden zijn geactualiseerd naar aanleiding van beleidsontwikkelingen en ontwikkelingen in de uitvoering van het beleid; de beheertypenkaart en de ambitiekaart zijn geactualiseerd op grond van nieuwe informatie uit de gebieden. De wijzigingen zijn door Gedeputeerde Staten vastgesteld in een planwijziging. De Planwijzing 2025, de Antwoordnota en het Natuurbeheerplan Zeeland 2026 zijn door Gedeputeerde Staten vastgesteld bij besluit van 10 juni 2025 (nr. 648749). Bij de voorbereiding is de procedure afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht gevolgd. Er zijn 5 zienswijzen ingediend. Deze zijn behandeld in een antwoordnota en verwerkt in de planwijziging. De planwijziging op zijn beurt is verwerkt in het geconsolideerde Natuurbeheerplan Zeeland
  3. De ontwerp-planwijziging, de antwoordnota en de definitieve planwijziging zijn te raadplegen op: https://www.zeeland.nl/natuur-en-landschap/natuurbeheer. Het Natuurbeheerplan Zeeland 2026 treedt na vaststelling in werking op de dag na publicatie in het Provinciaal blad en vervangt daarbij het tot dan geldende Natuurbeheerplan Zeeland
  4. 1.4Leeswijzer In dit Natuurbeheerplan wordt achtereenvolgens beschreven: Wat is het Natuurbeheerplan? de achtergronden en status van het Natuurbeheerplan Beleidskader het beleidskader voor ontwikkeling en beheer van natuurnetwerk en leefgebieden Subsidiestelsel Natuur en Landschap de inhoud van het Subsidiestelsel Natuur en Landschap Natuur- en Landschapsdoelen de natuur- en landschapsdoelen voor natuurnetwerk en leefgebieden Subsidiemogelijkheden de uitvoering van het Subsidiestelsel Natuur en Landschap Meer informatie relevante nadere informatie, met links naar websites Tekstuele bijlagen Nadere tekstuele detailinformatie Kaartbijlagen de plankaarten De kaartbijlagen zijn om praktische redenen op een laag schaalniveau in dit plan opgenomen en tonen niet alle detailinformatie. De kaarten zijn in detail te bekijken en te downloaden op https://kaarten.zeeland.nl/map/atlasvanzeeland. 2.Beleidskader 2.1Europees kader natuur en landschap Het Natuurbeheerplan is gebaseerd op het vigerend beleid voor het landelijk gebied voor water, milieu en ruimtelijke ordening van de Europese Unie, het Rijk en de provincies. In dit hoofdstuk lichten wij de belangrijkste onderdelen van het vigerend beleid en de recente ontwikkelingen toe. De lidstaten van de EU hebben gezamenlijk specifieke wetten en beleidsdoelen vastgesteld voor het instandhouden van bepaalde planten- en diersoorten en natuurlijke habitats van internationale betekenis. Dit gebeurt via de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR) en Natura 2000, voor de instandhouding van gezonde watersystemen (Kaderrichtlijn water - KRW) en voor een schoon milieu (Nitraatrichtlijn). De Europese Commissie (EC) ziet erop toe dat de lidstaten deze afspraken nakomen. Naast de bovenstaande beleidskaders is zowel de Subsidieverordening Natuur- en Landschaps-beheer 2016 (SVNL2016) als de Subsidieregeling Kwaliteitsimpuls Natuur en Landschap 2016 (SKNL2016) getoetst op staatssteun. Op basis van de Richtsnoeren voor de land- en bosbouwsector heeft de Europese Commissie goedkeuring verleend aan de beide modelverordeningen en hebben de provincies zich daarmee gecommitteerd aan de bijbehorende vereisten. GLB-NSP 2023-2027 Voor het platteland zijn door de EC-beleidsdoelen en regels vastgesteld met betrekking tot de verduurzaming en vergroening van de landbouw. Dit wordt concreet geëffectueerd in de vorm van het GLB-NSP 2023-
  5. Het motto van het Nederlandse Strategisch Plan (NSP) is ‘Het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) gaat toekomstbestendig boeren beter belonen. Alle 9 doelen moeten in samenhang aan de orde komen, afhankelijk van de behoeften van de lidstaat. Daarin is de lidstaat niet helemaal vrij, het GLB kent een aantal Europese vereisten. Daarnaast worden ook de nationale vereisten meegenomen in het uit te werken Nationaal Strategisch Plan. Het GLB-NSP staat in het teken van de noodzaak om een toekomstbestendige landbouw te realiseren, aan de hand van 9 Europese specifieke doelstellingen en een overkoepelende opgave tot innoveren, netwerken en digitaliseren. Het GLB-NSP moet ook ingezet worden voor de Green Deal, met in het bijzonder de strategieën Farm2Fork (Boer tot Bord) en Biodiversiteit. Met het GLB-NSP zetten Rijk, Provincies en waterschappen samen de beleidslijnen uit voor beide subsidiefondsen van het GLB, zowel het Plattelandsfonds (pijler 2), als het Garantiefonds (pijler 1). Het Garantiefonds wordt deels ingezet via het nieuwe instrument eco-regelingen en door budget over te hevelen naar het plattelandsfonds, waardoor meer ruimte ontstaat voor investeringen, innovatie, samenwerken en kennisoverdracht voor toekomstgerichte bedrijven en verbreding en optimalisatie van het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer (ANLb). Duidelijk is inmiddels dat eco-regelingen en conditionaliteiten uit pijler 1 van het GLB-NSP en het agrarisch natuur- en landschapsbeheer uit pijler 2 van het GLB-NSP, naast elkaar kunnen worden ingezet en elkaar kunnen versterken. Ook is het mogelijk om ze beide in te zetten, mits zogenaamde double funding voorkomen wordt. Dit betekent dat voor hetzelfde perceel niet twee keer subsidie mag worden verleend. De eco-regelingen en conditionaliteiten hebben een meer nationale generieke invulling (met regionale gebiedsgerichte accenten). Het herstel en instandhouding van habitats en landschappen vergt een integrale aanpak die past bij het gebied. Het ANLb richt zich op gebiedsgerichte activiteiten die boeren samen ondernemen om doelsoorten en doelen uit de opgaven Water en Klimaat te ondersteunen. De bijdrage die de Nederlandse lidstaat levert aan het agromilieu en klimaat is vastgelegd in het GLB-NSP-fiche (art. 65), waarin de ambitie van Nederland is aangeduid. Het agrarisch natuurbeleid, het ecologisch waterbeheer en klimaatdoelen worden gekoppeld aan het ANLb en worden deels gefinancierd met Europees geld. Daarmee moet de uitvoering van het agrarisch natuurbeheer inclusief natuurgerelateerde water- en klimaatdoelen voldoen aan het GLB-NSP-fiche. In het fiche (fiche voor goedkeuring van het ANLb in Brussel) zijn drie leefgebieden (Open grasland, Open akkerland, Dooradering) en de categorieën Water en Klimaat opgenomen. Natuurherstelverordening Op 18 augustus 2024 is de Europese natuurherstelverordening in werking getreden. Deze verordening verplicht lidstaten om doeltreffende maatregelen te treffen om de natuur te herstellen, continu te verbeteren en niet te laten verslechteren. Het bevat oplopende kwantitiatieve doelstellingen voor terrestrische, kust- en zoetwaterecosystemen en mariene ecosystemen die nu niet in goede conditie verkeren, voor 2030, 2040 en
  6. Ook zijn er aanvullende doelstellingen, bijvoorbeeld voor landbouwecosystemen. Daarnaast gelden er verplichtingen m.b.t. het opstellen van een nationaal natuurherstelplan, monitoring en verslaglegging. Alle artikelen van de verordening zijn direct van toepassing. Op dit moment wordt uitgewerkt welke aanpassingen van het Rijks- en provinciaal beleid noodzakelijk zijn. 2.2Rijksbeleid natuur en landschap Het Rijk stelt in het kader van de internationale verplichtingen op hoofdlijnen de ambities voor de agromilieu- en klimaatdiensten vast en geeft de kaders aan waarbinnen die ambities gerealiseerd kunnen worden. Het Rijksbeleid heeft zich de afgelopen jaren ontwikkeld langs twee lijnen: de eerste lijn betreft het versterken en verbeteren van het bestaande natuurbeleid. Dit richt zich op natuurgebieden en de directe omgeving daarvan. Denk hierbij aan de uitvoering van het Natuurpact
(2013)door de provincies. Daarnaast heeft het Rijk verantwoordelijkheid voor het beheren en verbeteren van natuur in de grote wateren, duurzame bescherming van de Noordzee en het verder ontwikkelen van de Nationale Parken. Met het Programma Natuur is in het kader van de stikstofaanpak extra geld beschikbaar gesteld voor natuurherstel en -ontwikkeling met een focus op stikstofgevoelige natuurgebieden. De tweede lijn gaat over het verbreden van het natuurbeleid naar andere sectoren en domeinen. Hierin past de transitie naar een natuurinclusieve samenleving, waaronder de transitie in de landbouw richting kringlooplandbouw. Hierin werkt het Ministerie van LVVN via o.a. de Agenda Natuurinclusief, het Deltaplan Biodiversiteitsherstel en Basiskwaliteit Natuur samen met Provincies en maatschappelijke partijen aan de transitie naar een natuurinclusieve samenleving. De uitvoering van het stimuleringsbeleid voor natuur en platteland is met ingang van 2014 gedecentraliseerd naar de Provincies en vastgelegd in een decentralisatieakkoord 2014-2027 en een Natuurpact van overheden en maatschappelijke organisaties. Dit is op 18 september 2013 door staatssecretaris Dijksma aangeboden aan de Tweede kamer. In dit Natuurpact zijn de ambities vastgelegd met betrekking tot ontwikkeling en beheer van natuur in Nederland voor de periode tot en met 2027. Het Rijk draagt bij aan de realisatie van deze ambities door jaarlijks extra te investeren in natuur. De onderdelen van deze ambities zijn: Ontwikkeling Robuust Natuurnetwerk Nederland (NNN) inclusief Natura 2000-gebieden. Het NNN moet een robuuste ruggengraat van de natuur in Nederland zijn. Dat gaat gebeuren door het te vergroten, te verbeteren en belangrijke natuurlijke verbindingen te realiseren tussen natuurgebieden onderling en tussen natuurgebieden en hun omgeving. Soortenbescherming; Bescherming van afzonderlijke plant- en diersoorten is nodig vanwege Europese verplichtingen en afspraken waaraan Nederland zich in internationaal verband heeft gecommitteerd (VHR). Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het NNN door het nemen van juridische en/of fysieke maatregelen, die vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Natuur buiten het NNN; er zal een extra impuls gegeven worden aan het beheer van natuur buiten het NNN. Het is belangrijk dat er meer samenhang komt tussen de natuur in het NNN en daarbuiten. Agrarisch natuurbeheer; het ANLb kan buiten en binnen het NNN worden toegepast. De uitvoering van het agrarisch natuurbeheer moet eenvoudiger en met minder kosten, en zal een duidelijke meerwaarde voor natuur, landschap en agrarisch ondernemerschap moeten opleveren. Het ANLb moet vooral worden ingezet voor het beschermen en verbeteren van internationale soorten. Natuur en water; Er zijn diverse mogelijkheden om de ontwikkeling van de natuur, de vergroting van het NNN en de aanpak van de Natura 2000-gebieden optimaal te laten samengaan met het verbeteren van de condities van de kwantiteit en de kwaliteit van het water. Er wordt daarbij maximale synergie gezocht met maatregelen om te voldoen aan de KRW en de Nitraatrichtlijn. Aanpak Ruimte voor Landbouw en Natuur Het ministerie van LVVN heeft het Nationaal Programma Landelijk Gebied stopgezet en in de kamerbrief van 29 november 2024 aangekondigd deze te vervangen door de aanpak Ruimte voor Landbouw en Natuur. Deze aanpak beoogt een bijdrage te leveren aan het behalen van wettelijke doelstellingen voor natuur, water en klimaat. Concreet betreft het de Europese doelen van de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR), de Natuurherstelverordening (NHV), de Kaderrichtlijn water (KRW) en de (Europese) Klimaatverplichtingen voor de landbouw. Ook zal er in het kader van de inbreukprocedure voor de grutto, specifieke aandacht worden besteed aan uitbreiding van het ANLb bij weidevogelkerngebieden (met name ten behoeve van de grutto). Deze aanpak wordt momenteel uitgewerkt door het Rijk, in samenwerking met de provincies. Daarnaast is er naar aanleiding van twee rechterlijke uitspraken een ministeriële commissie Economie en Natuurherstel opgericht, die moet komen met een programma van maatregelen gericht op een gegarandeerde vermindering van stikstofuitstoot en natuurherstel. In de loop van 2025 wordt meer bekend over de inhoud van deze beleidslijnen. 2.3Provinciaal beleid De Provincies zijn – op grond van het decentralisatieakkoord natuur – volledig verantwoordelijk voor de uitvoering van het natuurbeleid. De doelen en middelen worden door de Provincies vastgelegd in onder andere dit Natuurbeheerplan. In dit provinciale Natuurbeheerplan, dat de kaders en ambities bevat waarbinnen een subsidieaanvraag kan worden ingediend, is aangegeven in welke gebieden bepaalde natuur-, agromilieu- en klimaatdiensten ingezet kunnen worden. Het provinciale beleid geeft invulling aan het Europese en Rijksbeleid en voegt daar provinciale doelen aan toe. Provincies houden bij de uitvoering van het natuurbeleid, conform de door Nederland geratificeerde Europese Landschapsconventie, rekening met beleidsdoelen van andere overheden en activiteiten in het landelijk gebied, zoals het waterbeleid, recreatiebeleid en milieubeleid, zodat synergie kan worden bereikt. De waterdoelen zijn in 2015 door de provincies vastgesteld in een omgevingsvisie en geactualiseerd in het Regionaal Waterplan
(2021). Als waterschappen voor waterbeheerdiensten gebruik willen maken van EU-cofinanciering, dan kan dit uitsluitend via gebiedsaanvragen van agrarische collectieven, het Natuurbeheerplan en de SVNL. De waterschappen geven daarvoor aan voor welke waterdoelen welke waterbeheerdiensten nodig zijn, inclusief randvoorwaarden en prioriteiten. Dit Natuurbeheerplan is een nadere uitwerking van de Zeeuwse Omgevingsvisie, vastgesteld door Provinciale Staten op 12 november 2021, voor het onderdeel natuur en landschap en hangt nauw samen met een aantal bredere provinciale beleidsdoelen voor balans in het landelijke gebied. De Provincie Zeeland zet zich in voor behoud van een vitaal en duurzaam platteland. Naast infrastructuur, leefbaarheid, waterbeheer en recreatieontwikkeling zijn ook natuur en landschap belangrijke doelstellingen. Het integrale beleid voor het platteland komt onder andere tot uiting in het Uitvoeringsprogramma landelijk gebied, vastgesteld door Gedeputeerde Staten op 10 juni 2021, waarin de provinciale investeringen voor natuur en platteland zijn samengebracht. In het kader van het Europese plattelandsbeleid investeert ook de Provincie Zeeland in projecten die bijdragen aan de Europese beleidsdoelen voor het platteland. Speerpunten daarbij zijn duurzaamheid, agrarisch natuurbeheer, en innovatie in de landbouw. Het provinciale natuurbeleid is nauw verweven met het recreatiebeleid. Dit komt tot uiting in het provinciale beleid voor openstelling van natuurgebieden, ontwikkeling van recreatieroutes en investeringen in recreatienatuur. Het beleid voor natuurbeleving en recreatieroutes is voor het eerst neergelegd in de Nota Natuurlijk genieten in Zeeland
(2009)en de Beleidsnota Wandelnetwerk Zeeland
(2006). Het beleid wordt thans uitgevoerd volgens Uitvoeringsprogramma Landelijk gebied. De Provincie Zeeland zet zich, op grond van de Europese Kaderrichtlijn Water, ook in voor gezonde oppervlaktewateren. Samen met het waterschap Scheldestromen worden projecten uitgevoerd ter verbetering van ecologie, waterkwaliteit en waterkwantiteit. Deze projecten dragen ook in hoge mate bij aan de beleidsdoelen voor natuur en landschap. 2.3.1Provinciaal beleid natuur en landschap De Provincie Zeeland is verantwoordelijk voor de instandhouding van het Nationale Natuurnetwerk in Zeeland. Het Natuurnetwerk omvat alle karakteristieke Zeeuwse natuurgebieden zoals schorren, kreken, welen, oudland-graslanden en dijken met hun karakteristieke flora, fauna en landschap, in hun onderlinge samenhang. Het betreft het natuurlijk erfgoed van Zeeland dat moet worden veiliggesteld voor toekomstige generaties. Bescherming, ontwikkeling, beheer en herstel zijn daarvoor noodzakelijk. Het provinciale beleid is, naar aanleiding van de Wet natuurbescherming, uitgewerkt in de Natuurvisie Zeeland 2017-2022, vastgesteld door Provinciale Staten op 21 april
  1. Het natuurbeleid is gericht op de pijlers: natuurbescherming, natuurbeheer, natuurontwikkeling, natuurherstel, natuurverbreding en natuurbeleving. De natuurvisie is geïntegreerd in de Zeeuwse Omgevingsvisie
  2. Het Natuurbeheerplan Zeeland is het beleidskader voor de uitvoering van het beleid tot bescherming, ontwikkeling en beheer van het Nationaal Natuurnetwerk in Zeeland en van het agrarisch natuur- en landschapsbeheer buiten het Natuurnetwerk in Zeeland. Bescherming Natuurnwetwerk op grond van de Omgevingsverordening Zeeland De Provincie Zeeland is op grond van de Omgevingswet verantwoordelijk voor de bescherming van het Natuurnetwerk op het land. De beschermde gebieden en de geldende regels zijn bepaald in de Omgevingsverordening Zeeland. De bescherming van natuur in rijkswateren is de bevoegdheid van het Rijk. Ontwikkeling, herstel en beheer van natuurgebieden Ontwikkeling, herstel en beheer van het Natuurnetwerk in Zeeland is de bevoegdheid van de Provincie. De bevoegdheid is bij het Natuurakkoord 2013 gedecentraliseerd van rijk naar provincies. De bevoegdheid strekt zich uit tot alle natuurgebieden van het Natuurnetwerk in Zeeland, inclusief de Natura 2000-gebieden en de natuurgebieden in rijkswateren. Het provinciale beleid voor ontwikkeling, herstel en beheer van de natuurgebieden is bepaald in het Natuurbeheerplan Zeeland. De uitvoering van het beleid vindt plaats door middel van het provinciale Subsidiestelsel natuur- en landschap (SNL). Beheer van agrarische leefgebieden Buiten het Natuurnetwerk in Zeeland stimuleert de Provincie het beheer van agrarische leefgebieden door boeren op eigen grond. Het provinciale beleid is bepaald in het Natuurbeheerplan Zeeland. De uitvoering van het beleid vindt eveneens plaats door middel van het provinciale Subsidiestelsel natuur en landschap (SNL). Verbreding en beleving De Provincie stimuleert de betrokkenheid van grondeigenaren en burgers bij het beheren en beleven van natuur en landschap. Hiervoor zijn programma’s ingericht in het Uitvoeringsprogramma landelijk gebied. 2.3.2Provinciaal beleid natuurnetwerk 2.3.2.1Begrenzing Natuurnetwerk De begrenzing van het Natuurnetwerk in Zeeland wordt in dit Natuurbeheerplan op kaart weergegeven in kaartbijlage
  3. Het Natuurnetwerk in Zeeland omvat verschillende gebiedscategorieën. 1- Bestaande natuur 1a Bestaande natuur (BN) op het land (groene gebieden op kaart 1, statuscodes 10, 11, 12, 15, 51, 52, 91, 92, 93). Dit zijn de bekende traditionele natuurgebieden op het land, zoals de duinen, de binnendijkse moerassen en karrenvelden, de kreekrestanten en inlagen, de binnendijken, bossen en de oudlandgebieden. Deze gebieden hebben een hoge natuurwaarde en genieten wettelijke bescherming via de Omgevingswet. De natuurwaarde wordt in stand houden door middel van beheermaatregelen. In de meeste gevallen gebeurt dat door een terrein beherende organisatie. Ook zijn veel bestaande natuurgebieden in particulier beheer. De Provincie stimuleert het natuurbeheer in deze gebieden op basis van het SNL. Sommige natuurgebieden op het land zijn in eigendom en beheer bij (semi-) overheidsinstellingen zoals Rijkswaterstaat, waterschap of waterwinbedrijf. Deze instellingen komen niet in aanmerking voor subsidie via het SNL. Alle binnendijken zijn bestaand natuurgebied van het Natuurnetwerk in Zeeland en staan als zodanig vermeld op kaartbijlage 1 (statuscodes 11, 12, 51 en 52). Beheerders van binnendijken kunnen in aanmerking komen voor subsidie natuurbeheer (statuscode 11 of 12) of subsidie agrarisch natuurbeheer (statuscode 51 en 52) via het SNL. Bij zeewerende dijken (gelegen aan getijdewater) staat de waterstaatkundige functie centraal. In dat geval is gesubsidieerd natuurbeheer niet mogelijk. De dijken langs de getijdewateren (inclusief het Kanaal door Zuid-Beveland) maken dan ook geen deel uit van het Natuurnetwerk. Ook spoordijken maken geen deel uit van het Natuurnetwerk. Dijken langs de afgesloten zeearmen maken wel deel uit van het Natuurnetwerk en komen wel in aanmerking voor beheersubsidie via het SNL. Ook alle natuurbossen maken deel uit van het Natuurnetwerk in Zeeland. Dit betreft tevens de bossen die de laatste decennia zijn aangelegd in het kader van landinrichting en gebiedsontwikkeling. Dit met uitzondering van de echte productiebossen en recreatiebossen zonder aanwezig natuurbeheertype; die maken geen deel uit van het Natuurnetwerk in Zeeland en zijn dus ook niet op kaart 1 vermeld. Het Groenproject 't Sloe is een multifunctioneel bosgebied als buffer voor het Sloegebied. Het gebied heeft in dit Natuurbeheerplan de status bestaande natuur, waarbij de recreatiefunctie voorop staat. Het Natuurbeheerplan beschrijft de natuurdoelen voor het natuur- en landschapsbeheer voor deze bossen. Ook de eilanden en oeverlanden in de deltawateren (statuscodes 91, 92, 93) vallen als bestaande natuur onder het regime van de provinciale Omgevingsverordening. De natuurgebieden vergen hier een actief natuurbeheer. 1b Bestaande natuur Deltawater (BND) Schorren, slikken, platen en open water in de deltawateren (lichtblauwe gebieden op kaartbijlage 1, statuscodes 94, 95, 96) vallen niet onder het planologische regime van de provinciale Omgevingsverordening, maar zijn wel bestaande natuur onder het rijksplanologische kader van de Omgevingswet (voorheen SVIR, Barro en Besluit water). Deze gebieden staan daarom als aparte categorie Bestaande natuur Deltawater (lichtblauwe gebieden) vermeld op de statuskaart bijlage 1 van het Natuurbeheerplan. Met name de schorren vergen actief natuurbeheer. De platen, slikken en het ondiep water vergen actief toezicht. De provincie subsidieert dit beheer via het SNL. 2- Agrarisch gebied van ecologische betekenis (AGB) (donkerblauwe gebieden op kaart 1, statuscode 53): dat zijn landbouwgronden (meest oude, reliëfrijke graslanden) met bestaande natuurwaarden, zoals kreekgraslanden, weidevogelgraslanden, en oudland-graslanden, waar landbouw kan worden gecombineerd met natuurbeheer door middel van agrarisch natuurbeheer via het SNL. 3- Nieuwe natuur (NN) (gele gebieden op kaart 1, statuscode 80): dat zijn hoofdzakelijk landbouwgronden waar omvorming van landbouw naar natuurgebied gewenst is. De percelen zijn kansrijk voor ontwikkeling van natuurbeheertypen en voor afronding van reeds bestaande natuurgebieden. De provincie stimuleert de omvorming via de Subsidieregeling kwaliteitsimpuls natuur en landschap (SKNL). 4- Natuurprojecten: dat zijn als zodanig begrensde gebieden waar besloten is tot ontwikkeling van natuur door middel van een natuurproject. Daarbij kan sprake zijn van een natuurcompensatieproject of een autonoom gebiedsgericht project. De gebieden behoren nog niet tot het Natuurnetwerk en kunnen pas na voltooiing als bestaande natuur worden toegevoegd. 4.1Natuurcompensatieproject (NCP) (oranje gebieden op de kaart 1, statuscode 85): verwerving en inrichting ten behoeve van natuur vinden plaats op grond van een compensatieopgave - na uitvoering wordt het gebied toegevoegd aan het Natuurnetwerk. Het betreft onder andere de door Gedeputeerde Staten vastgestelde projecten ter compensatie van natuurverlies door wegenbouw of uitbreiding van woon- of industriegebied. Het is de bedoeling dat ter plaatse natuur wordt hersteld die elders verloren is gegaan. De verwerving en inrichting van deze gebieden vinden plaats door de compensatie-plichtige. Zodra de projecten zijn uitgevoerd vallen deze gebieden onder de categorie bestaande natuur en komen deze in aanmerking voor beheersubsidie via het SNL. 4.2Gebiedsgericht project (GGP) (roze gebieden op kaart 1, statuscode 86): verwerving, omvorming, inrichting en beheer zijn onderdeel van een gebiedsgericht project. De gebieden worden toegevoegd aan het Natuurnetwerk in Zeeland, nadat de omvorming en inrichting hebben plaatsgevonden. 5- Ecologische verbindingszones: tot het Natuurnetwerk in Zeeland behoren ook de ecologische verbindingszones. Dat zijn lijnvormige landschapselementen zoals bermen en kreekoevers, die een belangrijke rol spelen voor de verbreiding van dieren van het ene naar het andere natuurgebied. De natte ecologische verbindingszones zijn afzonderlijk begrensd in de nota Natte Ecologische Verbindingszones (Provincie Zeeland, 2010). Het Natuurnetwerk in Zeeland omvat daarmee alle wezenlijke Zeeuwse natuurwaarden, zowel buitendijks als binnendijks. Voorgeschiedenis De begrenzing van het Natuurnetwerk (voorheen EHS) in Zeeland is begin jaren negentig tot stand gekomen in reactie op het grootschalige verlies aan natuur en biodiversiteit. Het Nationaal Natuurbeleidsplan uit 1990 was het startsein voor een omvangrijk herstelplan voor de natuur in Nederland dat in nauwe samenwerking tussen Rijk, Provincies en natuurorganisaties tot stand is gekomen, en nog steeds in uitvoering is. De kern van dit herstelplan was de zogenaamde Ecologische Hoofdstructuur, een landelijk netwerk van natuurgebieden, natuurontwikkelingsgebieden, beheergebieden en verbindingszones dat voldoende rust en ruimte moet kunnen bieden voor instandhouding van de natuur in Nederland. Daarbij worden de bestaande natuurgebieden, als kerngebieden voor flora en fauna, veiliggesteld via bescherming en beheer, worden hiaten in het netwerk opgevuld met nieuwe natuur en worden barrières voor de migratie van planten en dieren geslecht door middel van passages en verbindingszones. Deze beleidsvisie is midden jaren negentig ontwikkeld en wordt sindsdien in praktijk gebracht. Veel gebieden zijn sindsdien al opgeknapt of ontwikkeld en veel verbindingszones zijn aangelegd. De aanleg van het Natuurnetwerk in Zeeland vordert gestaag. Daarbij verschuift het accent de laatste jaren van het verwerven en inrichten van nieuwe natuurgebieden naar het beheren en opknappen van bestaande natuurgebieden en naar het natuurbeheer op landbouwgrond. De begrenzing van de bestaande natuurgebieden in Zeeland is voor het eerst vastgesteld in 1990 in de Nota Veiligstelling Natuurgebieden. De begrenzing van de nieuwe natuurgebieden is voor het eerst vastgelegd in de Zeeuwse uitwerking van het Natuurbeleidsplan (1991-1994). In de periode 1991-1994 is de begrenzing van de Zeeuwse Ecologische Hoofdstructuur door Gedeputeerde Staten verder vastgesteld in de vorm van de beleidsnota Zeeuwse uitwerking van het Natuurbeleidsplan. Vertrekpunt was het landelijke Natuurbeleidsplan (Ministerie van LNV, 1990) met daarbij een globale landelijke kaart van het Natuurnetwerk en een oppervlakte te begrenzen hectares. Door het ministerie van LNV is aan Zeeland toegekend 3009 ha beheergebied en 5372 ha nieuwe natuur. Na een uitgebreide voorlichtings- en inspraakronde in heel Zeeland heeft de Provincie deze opgave vertaald in beheer- en begrenzingenplannen voor Noord-Zeeland
(1993), Walcheren
(1993), Zeeuws-Vlaanderen
(1993)en de Bevelanden
(1994). Daarna zijn nog enkele aanvullende kleinere begrenzingen vastgesteld, namelijk het Begrenzingenplan Binnendijken Noord-Zeeland
(1996)en Binnendijken Zeeuws-Vlaanderen
(1996), het Begrenzingenplan Schouwen West
(1998), het Beheerplan Akkerranden
(1999), het Beheergebiedsplan Akkerranden
(2000)en diverse kleine planwijzigingen. Van de aanvankelijke 5372 ha te ontwikkelen nieuwe natuur resteerde in 2022 nog 500 ha. Bij de herijking van het Natuurnetwerk in Zeeland in 2013 is de ontwikkelopgave nieuwe natuur met ongeveer 1000 ha teruggebracht van 2200 ha naar 1150 ha en is 50 ha ontwikkelopgave omgezet in agrarisch beheergebied van ecologische betekenis. In het Natuurakkoord 2013 is besloten dat Provincies tot 2027 de tijd hebben om deze ontwikkelopgave te realiseren. Ecologische uitgangspunten Bij het begrenzen van natuurgebieden spelen ecologische en bestuurlijke uitgangspunten een rol. De versterking en ontwikkeling van natuurwaarden is primair gericht op het realiseren van duurzame ecosystemen van (inter-)nationaal belang als onderdeel van de nationale opgave. Voorop staan de typisch Zeeuwse kwaliteiten, zoals de overgangszones van land en water, zout en zoet, klei en zand. Juist in deze gradiënten liggen de beste mogelijkheden voor natuur. Het accent ligt bij de ontwikkeling van de karakteristieke natte natuur in de verschillende Zeeuwse landschapstypen (de duinen, de deltawateren, de poelgebieden en de kreken). Er is zoveel mogelijk sprake van zelfstandig functionerende gebieden, met een eigen waterhuishouding, die primair gericht is op de natuurfunctie. Natuurbegrenzing en waterconservering vallen waar mogelijk samen. Het waterbeheer speelt een sleutelrol bij het in stand houden en herstellen van natuur. Waar gewenst kan de begrenzing van gebieden worden aangepast met het oog op een optimale waterhuishouding, zowel binnen het natuurgebied als ook voor wat betreft de afstemming met de omgeving. Met het oog op duurzame, natuurlijke processen is bij voorkeur sprake van zo groot mogelijke, aaneengesloten natuurgebieden. Met logische afrondingen en het opheffen van enclaves wordt versnippering tegengegaan. Bij de begrenzing ligt het accent dan ook op uitbouw van al bestaande natuurgebieden, dan wel het creëren van forse nieuwe kerngebieden. Uit diverse evaluaties blijkt, dat voor een werkelijk duurzame natuur in Nederland gestreefd moet worden om de natuurgebieden zo robuust mogelijk te maken. De afzonderlijke natuurkerngebieden worden zoveel mogelijk verbonden via droge en natte ecologische verbindingszones. Hierdoor ontstaan op termijn regionale ecologische netwerken met mogelijkheden voor duurzaam behoud en ontwikkeling van de voor Zeeland relevante planten- en diersoorten van internationale betekenis. Bestuurlijke uitgangspunten Als gevolg van de klimaatverandering hebben natuur en landbouw in toenemende mate te kampen met perioden van wateroverlast en perioden van watertekort. Natuurgebieden in overlastgebieden hebben, vanwege hun lage ligging, vaak een goede uitgangssituatie voor natuurontwikkeling. Functiewijziging van landbouw naar “nieuwe natuur” kan dan een oplossing zijn. Doordat de natuur in Zeeland in het algemeen hoge waterstanden goed verdraagt, kunnen de natuurterreinen een bijdrage leveren aan het voorkomen van wateroverlast in de betreffende regio. In gebieden met watertekort kunnen natuurgebieden een belangrijke rol spelen bij de conservering van water (sponswerking). Daarmee kan watertekort in de betreffende regio door natuurgebieden worden gedempt. Natuurontwikkeling met waterconservering is zodoende een belangrijke klimaatmaatregel en leidt bovendien tot een forse kostenbesparing voor het waterschap. Veel natuurgebieden hebben inmiddels een waterconserverende functie. Door te werken volgens logische topografische begrenzingen wordt de randlengte tussen natuur en landbouwgebied beperkt, waardoor er minder kans is op wederzijdse overlast. De natuurontwikkeling wordt zoveel mogelijk uitgevoerd op zware, natte en zilte landbouwgrond. Goede landbouwgrond is zoveel mogelijk buiten de begrenzing gelaten. Verkoop van grond of het sluiten van beheerovereenkomsten vinden plaats op basis van vrijwilligheid. De overheid heeft een aankoopplicht voor nieuwe natuur. Dat betekent dat de overheid verplicht is om gebieden aan te kopen indien de eigenaar deze te koop aanbiedt en voldaan wordt aan het prijsbeleid. Planologische schaduwwerking wordt voorkomen: de bestemming natuur is alleen van toepassing op bestaande natuurgebieden, niet op nieuwe natuur zolang deze niet is aangekocht en ingericht en is ook niet van toepassing op agrarisch beheergebied. De bestaande agrarische functie, inclusief de daarbij behorende planologisch goedgekeurde ontwikkelingsmogelijkheden worden gerespecteerd. Concreet betekent dit, dat de eigenaren van gebieden, die in dit Natuurbeheerplan begrensd zijn als “nieuwe natuur”, benaderd kunnen worden om hun gronden te verkopen of zelf om te vormen naar natuur (particulier natuurbeheer). Of de eigenaar dit vervolgens ook doet, is een vrijwillige keuze die niet afgedwongen zal worden. Het hele grondgebied van de Provincie Zeeland is aangewezen als “ruilgebied”. Dit biedt de mogelijkheid om ook buiten de begrensde gebieden gronden te verwerven, met de bedoeling om deze uit te ruilen met begrensde gebieden. Deze werkwijze heeft de afgelopen jaren sterk bijgedragen aan het verkrijgen van een optimale ruimtelijke verkaveling van landbouwgronden en natuurgebieden. Ook planologisch heeft het principe van vrijwilligheid zijn doorwerking. Volgens de Omgevingsverordening Zeeland worden begrensde natuurontwikkelingsgebieden aangegeven als gewenste ontwikkelingsrichting. In het bestemmingsplan kunnen deze gebieden vervolgens worden aangeduid als “natuurontwikkelingsgebied”. Dat wil zeggen, dat de normale geldende agrarische bestemming en grondgebruik van kracht blijft met daarbij een wijzigingsmogelijkheid richting natuur. De bestemming “natuur” treedt pas in werking na gemeentelijke bestemmingswijziging en nadat de nagestreefde natuurfunctie gerealiseerd is; dat is pas na omvorming van de gronden op vrijwillige basis. Indien de eigenaar niet tot verkoop of particulier beheer overgaat, blijft dus de agrarische functie en bestemming van kracht, inclusief alle daarbij behorende planologisch goedgekeurde ontwikkelingsmogelijkheden. Voor natuurontwikkelingsgebieden geldt verder ook het zogenaamde “waarborgingsbeleid”, waardoor andere functies dan landbouw en natuur worden uitgesloten. Hierdoor worden onomkeerbare ingrepen, die natuurontwikkeling in de toekomst onmogelijk zouden maken, verhinderd. Bij de realisatie van nieuwe natuurgebieden wordt overlast tussen de nieuwe buren, landbouw en natuur, zoveel mogelijk voorkomen. Dit gebeurt door een logische begrenzing, een goede inrichting en een adequaat natuurbeheer. Mochten er zich onverhoopt toch problemen voordoen, dan dienen deze allereerst door goed overleg tussen de eigenaar en de gegadigde opgelost te worden. Indien dit niet leidt tot een bevredigende oplossing, kan uiteindelijk de zaak voorgelegd worden aan de Provinciale Commissie Nabuurschap, een subcommissie van de Provinciale Commissie Groene Ruimte. Bij de inrichting van nieuwe natuurgebieden wordt rekening gehouden met de omgeving. Met name het instellen van een eigen waterhuishouding in natuurgebieden mag niet leiden tot overlast (vernatting, verdroging, verzilting) voor het aanliggende agrarische gebied. Tot daadwerkelijke inrichting kan pas worden overgegaan als een zodanig aaneengesloten deel verworven is dat inrichten ecologisch efficiënt is en er geen overlast optreedt (zoals onkruidgroei) voor het nog niet verworven deel. Bij het uitwerken van de streefbeelden in concrete natuurontwikkelingsplannen blijken de lokale omstandigheden, zoals bodemopbouw en watersysteem, de realisering van het gestelde doel soms onmogelijk te maken. Dit kan ertoe leiden dat de begrenzing en/of de beheertypen van sommige gebieden alsnog worden gewijzigd. Het grootste deel van het Natuurnetwerk in Zeeland ligt buitendijks in de deltawateren en in de Voordelta. Hier worden de natuurwaarden primair in stand gehouden door middel van wettelijke bescherming (Natura 2000, Omgevingswet). Voor deze gebieden zijn wettelijke bepalingen van kracht. Verwerving en beheer van natuurgebied is hier in beginsel niet mogelijk. De algemene uitgangspunten van de Zeeuwse uitwerking van het Natuurbeleidsplan, zoals die gehanteerd zijn bij de begrenzing van het Natuurnetwerk, blijven ook de komende jaren van kracht. Vrijwilligheid bij verwerving, omvorming, ontwikkeling en beheer blijft het uitgangspunt. Samenwerking met alle partijen in het landelijke gebied en het streven naar consensus heeft bij de hele uitvoering van het Zeeuwse natuurbeleid vanaf het begin vooropgestaan. Het constructieve overleg via de Provinciale Commissie voor de Groene Ruimte en het optreden van de Commissie Nabuurschap zijn hiervoor illustratief. Maatschappelijke betekenis De Zeeuwse natuur is van groot economisch en maatschappelijk belang. De natuurgebieden dienen als rustpunt, als decor en als attractie voor de bewoners en bezoekers en zijn een bron van economische activiteit. Met name wonen, recreatie, horeca, zorg, visserij en landbouw zijn gebaat bij gezonde en aantrekkelijke natuurgebieden en een fraai landschap. Agrarisch natuurbeheer biedt mogelijkheden voor verbreding van het landbouwbedrijf. Naast directe inkomsten voor de boer uit landbouwproducten, kan het agrarisch natuurbeheer ook een belangrijke spin-off hebben naar andere neventakken, zoals minicamping, verkoop van landbouwproducten aan de boerderij, of combinaties mogelijk maken met andere beheertaken in het landelijke gebied (groenblauwe diensten). Natuur en landschap leveren ook een belangrijke bijdrage aan het recreatief product van Zeeland. De natuurterreinen, beheergebieden en landschapselementen hebben naast de primaire natuurdoelstelling ook een duidelijke recreatieve doelstelling. Naarmate het Natuurnetwerk in Zeeland groeit, kunnen we constateren dat de recreant in toenemende mate gebruik maakt van de nieuwe mogelijkheden en dat de natuurgerichte recreatie in Zeeland groeit. Meer dan 80% van alle natuurgebieden is fysiek opengesteld en de rest in het algemeen goed beleefbaar. Slechts 5% van alle gebieden is afgesloten en niet beleefbaar. Daaruit blijkt dat de natuurgebieden in Zeeland al in hoge mate geschikt zijn gemaakt voor recreatief medegebruik. Deze ontwikkeling wordt van provinciewege verder gestimuleerd. Daarbij wordt bijzondere aandacht besteed aan de recreatieve inrichting van natuurontwikkelingsgebieden, aan de openstelling van natuurgebieden voor minder validen en aan ontwikkeling van wandel- en fietsroutes en aan een goede zonering van de voorzieningen. Natuurgebieden kunnen ook een belangrijke rol spelen bij het bestrijden van wateroverlast in tijden van extreme neerslag. Waterretentie (het vasthouden van eigen water in natuurgebieden) is op ruime schaal mogelijk en wordt inmiddels al in praktijk gebracht. Natuurontwikkeling en waterberging gaan in Zeeland hand in hand. Door de aanleg van nieuwe natuur op laaggelegen, marginale landbouwgrond wordt een forse bijdrage geleverd aan de doelstellingen van Waterbeheer 21e eeuw en de Kaderrichtlijn Water. 2.3.2.2Bescherming in het kader van de Omgevingsverordening Zeeland Omgevingsvisie Zeeland 2021 In paragraaf 3.3 van de Omgevingsvisie Zeeland 2021 is bepaald dat bestaande natuurgebieden door de overheid worden beschermd. Het Natuurnetwerk in Zeeland is nog niet voltooid en vraagt tot 2027 extra inzet om de benodigde gronden te verwerven en in te richten. De nadruk komt (inter)nationaal steeds meer te liggen op intensivering van het natuurbeleid via het steeds meer vervlechten van natuur met andere sectoren van de samenleving en de economie. Dit is onlosmakelijk verbonden met de transitie naar een volhoudbare Zeeuwse landbouw. Een belangrijk juridisch instrument van de provincie hierbij is de Omgevingsverordening Zeeland. Deze bevat alle bindende provinciale regels over water, bodem, milieu, natuur, landschap, (vaar)wegen en ruimtelijke ontwikkeling. De provinciale Omgevingsverordening 2018 is daarbij als uitgangspunt genomen. De Provincie zet de Omgevingsverordening in als dat nodig is vanuit het provinciaal belang (realisatie van kerntaken), als dat belang niet doeltreffend en doelmatig kan worden behartigd door gemeente of waterschap, of als dat bij wet is voorgeschreven. Bestaande natuur In artikel 5.31 van de Omgevingsverordening Zeeland is bepaald, dat bestaande natuurgebieden zoals vermeld in de bijlage XII-1, planologisch worden beschermd. Het betreft de natuurgebieden op het land, inclusief de eilanden en oeverlanden in de Deltawateren. Het artikel 5.31 bevat ook de spelregels voor de bescherming van deze bestaande natuurgebieden. Gedeputeerde Staten kunnen de begrenzing en wezenlijke kenmerken en waarden van de bestaande natuurgebieden en agrarische gebieden van ecologische betekenis wijzigen ten behoeve van verbetering van de ecologische en planologische samenhang van het Natuurnetwerk in Zeeland of ten behoeve van de inpassing van kleinschalige ontwikkelingen, voor zover dit leidt tot een verbetering van de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk in Zeeland en voor zover de oppervlakte van het natuurnetwerk ten minste gelijk blijft. Gedeputeerde Staten zijn hiertoe bevoegd op grond van het Delegatiebesluit Omgevingsverordening Zeeland. De gemeenten nemen de bestaande natuurgebieden met een passende bestemming op in hun bestemmingsplan. Bestaand gebruik en bestaande bebouwing mogen positief worden bestemd. De ligging van de bestaande natuurgebieden is vermeld in bijlage XII-1 van de Omgevingsverordening. Binnendijken die in de Omgevingsverordening zijn aangeduid als regionale waterkering (artikel 2.22) worden primair bestemd voor waterkering en secundair voor natuur (beschermde of waardevolle dijk). Binnendijken die niet zijn aangeduid als regionale waterkering worden primair bestemd als natuur, beschermde dijk of waardevolle dijk. De bestemming natuur is gericht op de instandhouding van het dijklichaam en van de natuurbeheertypen zoals vermeld in het Natuurbeheerplan Zeeland. Hiervan kan alleen worden afgeweken indien er sprake is van groot openbaar belang, er geen reële alternatieven zijn en indien de negatieve effecten worden gecompenseerd. Alle binnendijken zijn onderdeel van het Natuurnetwerk in Zeeland en staan als zodanig vermeld in bijlage XII-1 van de Omgevingsverordening. De bestaande natuurgebieden zoals vermeld in bijlage XII-1 van de Omgevingsverordening, omvatten alleen de natuurgebieden waarop het planologische regime van de provinciale Omgevingsverordening van toepassing is. Dat betreft alle binnendijkse natuurgebieden en buitendijks alleen de eilanden en oeverlanden in de afgesloten zeearmen (Volkerak-Zoommeer, Veerse Meer, Grevelingen). Op grond van de Omgevingswet (voorheen Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en het Waterbesluit bijlage II onderdeel 1), geldt voor het open (rijks) water een nationaal planologisch regime. Volgens het rijksbeleid en in het Natuurakkoord valt groot open water echter wel onder het nationale Natuurnetwerk en zijn de provincies verantwoordelijk voor het natuurbeheer via het SNL van het hele natuurnetwerk, inclusief de buitendijkse schorren, platen en slikken in de getijdewateren. Dit onderscheid wordt in het Natuurbeheerplan expliciet gemaakt door begrenzing van de categorie Bestaande natuur deltawater. Onder deze categorie vallen alle rijkswateren waarop het rijksplanologische kader van toepassing is en waarbij de provincie op grond van het Natuurakkoord 2013 verantwoordelijk is voor het natuurbeheer via het SNL. Er worden steeds hogere eisen gesteld aan het detailniveau van de kaarten van het natuurnetwerk. In verband met Europese richtlijnen is in IPO-verband afgesproken om de kaarten op top10-niveau en volgens de Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT) in te tekenen en de kaarten ook op dat niveau te gebruiken. De kaarten van het Natuurnetwerk in Zeeland zijn, volgens deze interprovinciale afspraken, ontworpen op top10-niveau (schaal 1:10.000). Dat is voldoende voor een nauwkeurige weergave van percelen/ kaartvlakken ten behoeve van wettelijke bescherming en subsidieverlening en voldoet aan de eisen. De kaarten zijn, geometrisch gezien, echter niet nauwkeurig genoeg voor toepassingen op een lager (gedetailleerder) schaalniveau. Dit betekent onder andere dat sommige kleinere erven, gebouwen en infrastructuur, die geen deel uitmaken van het natuurnetwerk, wel als zodanig begrensd kunnen zijn. In de Omgevingsverordening Zeeland en in het Natuurbeheerplan Zeeland is bepaald dat bestaande erven, gebouwen en infrastructuur niet onder de begrenzing Bestaande natuur vallen. Dit betekent dus dat de planologische regels voor Bestaande natuur hierop niet van toepassing zijn. Indien het, voor toepassingen in planologie of subsidieverlening, noodzakelijk is om de bestaande begrenzing van een bestaand natuurgebied op kaart te detailleren, kunnen Gedeputeerde Staten hier in voorkomende gevallen, door middel van een planwijziging van het Natuurbeheerplan Zeeland en een daaraan gekoppelde wijziging van de bijlage XII-1 van de Omgevingsverordening Zeeland, toe besluiten. Agrarisch gebied van ecologische betekenis Artikel 5.32 van de Omgevingsverordening bevat de spelregels voor de bescherming van agrarische gebieden van ecologische betekenis. De gemeenten nemen deze agrarisch gebieden eveneens met een passende bestemming op in hun bestemmingsplan. Bestaand gebruik en bestaande bebouwing mogen positief worden bestemd. De bestemming is gericht op agrarisch grondgebruik met instandhouding van de natuurdoelen zoals vermeld in het Natuurbeheerplan Zeeland. Een andere bestemming kan alleen worden toegekend indien er sprake is van groot openbaar belang, er geen reële alternatieven zijn en indien de negatieve effecten worden gecompenseerd. Werken die de wezenlijke kenmerken van deze gebieden kunnen aantasten zijn alleen mogelijk op grond van een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders waaruit blijkt dat de wezenlijke kenmerken niet worden aangetast en dat de mogelijkheden tot herstel van de waarden niet worden verkleind. De ligging van de agrarische gebieden van ecologische betekenis is vermeld in bijlage XII-2 van de Omgevingsverordening. Gedeputeerde Staten zijn bevoegd deze bijlage te wijzigen op grond van het delegatiebesluit. Met ingang van 2016 zijn ook de agrarische leefgebieden in het Natuurbeheerplan Zeeland 2016 begrensd. Dat zijn landbouwgronden, gelegen buiten het Natuurnetwerk in Zeeland, die van belang zijn voor planten- en diersoorten van internationale betekenis. Om deze planten- en diersoorten in stand te kunnen houden, kunnen boeren op vrijwillige basis agrarisch natuurbeheer uitvoeren en hierbij gebruik maken van agrarische beheersubsidies via het Subsidiestelsel natuur en landschap (SNL). Op de agrarische leefgebieden buiten het Natuurnetwerk in Zeeland is geen specifiek natuurbeschermingsregime van toepassing. Natuurontwikkelingsgebieden (Nieuwe natuur) De begrensde nieuwe natuurontwikkelingsgebieden, waar omvorming van landbouw naar natuur kan plaatsvinden, zijn vastgelegd in bijlage 1 van het Natuurbeheerplan Zeeland en in bijlage XII-3 van de Omgevingsverordening. Gedeputeerde Staten zijn bevoegd om deze bijlage te wijzigen op grond van het delegatiebesluit. De begrenzing op kaart is ruimer dan de ontwikkelopgave. Deze grotere oppervlakte is het gevolg van de systematiek van flexibele begrenzing met zoekgebied. Voor de begrensde nieuwe natuurgebieden geldt – totdat zij zijn omgevormd - een planologische waarborging tegen onomkeerbare ingrepen. Artikel 5.33 van de Omgevingsverordening Zeeland bevat de spelregels. Bestaand (agrarisch) gebruik mag positief worden bestemd, maar nieuwe vormen van agrarisch gebruik of verzwaring van het agrarisch grondgebruik zijn niet toegestaan. Er worden geen nieuwe vormen van grondgebruik toegestaan anders dan natuur. Elk jaar worden nieuwe natuurontwikkelingsprojecten opgestart en worden ook nieuw ingerichte natuurgebieden ‘opgeleverd’. De oplevering is het moment waarop de status ‘nieuwe natuur’ moet worden gewijzigd (omgevlagd) in ‘bestaande natuur’. De provincie voert de wijziging door in de jaarlijkse planwijziging van het Natuurbeheerplan Zeeland. Vervolgens dient de betreffende gemeente hierop zijn omgevingsplan aan te passen. Aangezien hier veelal een tijdrovende procedure aan vooraf gaat, is het van belang dat de betreffende gemeente al in een vroeg stadium geïnformeerd wordt over de op handen zijnde wijziging. Met de gemeenten is afgesproken dat de provincie hen informeert zodra een natuurontwikkelingsproject van start gaat, door toezending van een afschrift van de verleende subsidiebeschikking of opdracht. Bovendien worden alle gemeenten door middel van de jaarlijkse planwijziging van het Natuurbeheerplan ook geïnformeerd over de omvormingen. De provincie ziet erop toe dat e.e.a. doorwerkt naar de gemeentelijke omgevingsplannen. Gedeputeerde Staten besluiten jaarlijks uiterlijk in september over de projecten die in aanmerking komen voor subsidie voor omvorming van landbouw naar natuur. Daarbij kan worden geanticipeerd op projecten die later dat jaar, volgens de beschikkingen, nog opgeleverd zullen worden en met ingang van het daaropvolgende kalenderjaar in beheer genomen kunnen worden. Indien een project vertraging oploopt en niet in het beoogde jaar wordt opgeleverd, kan dit ertoe leiden dat de status al gewijzigd is, terwijl de inrichting bij aanvang van het nieuwe kalenderjaar nog niet is voltooid. In dat geval kan het beheer via het SNL pas in het daaropvolgende kalenderjaar van start gaan. Afwegingszone natuurgebieden De bijlage XII-4 van de Omgevingsverordening Zeeland bevat een afwegingszone rond bestaande natuurgebieden, uitgezonderd binnendijken. De bijlage is onderdeel van een instructieregel volgens artikel 5.35 van de Omgevingsverordening voor gemeenten ter voorkoming van verstoring van natuurgebieden door activiteiten in deze zone. Aangezien er jaarlijks wijzigingen optreden in de begrenzing van bestaande natuurgebieden, dient ook de afwegingszone van bijlage XII-4 van de Omgevingsverordening jaarlijks geactualiseerd te worden. Gedeputeerde Staten zijn hiertoe bevoegd op grond van het Delegatiebesluit. Verdrogingsgevoelig natuurgebied De bijlage XI Verdrogingsgevoelige natuurgebieden van de Omgevingsverordening Zeeland is gebaseerd op de beheertypenkaart van het Natuurbeheerplan Zeeland. De bijlage is onderdeel van een instructieregel (artikel 5.50) voor het waterschap ter voorkoming van verdrogingseffecten van grondwateronttrekkingen op verdrogingsgevoelig natuurgebied. Aangezien de beheertypenkaart van het Natuurbeheerplan jaarlijks wijzigt, dient ook de bijlage XI-1 van de Omgevingsverordening jaarlijks geactualiseerd te worden. Gedeputeerde Staten zijn hiertoe bevoegd op grond van het Delegatiebesluit. Met ingang van 2021 is hiervoor in het Natuurbeheerplan een kaart Verdrogingsgevoelige beheertypen (bijlage 8.9) opgenomen, die jaarlijks geactualiseerd wordt. Deze kaartbijlage vormt de basis voor de jaarlijkse actualisering van bijlage 15 van de Omgevingsverordening door GS. Sinds 2023 wordt de kaart Verdrogingsgevoelige beheertypen bovendien ook geactualiseerd op wijzigingen van de Index Natuur en Landschap en op nieuwe gegevens over het voorkomen van beschermde amfibieën (Boomkikker en Kamsalamander) in drinkputten. Actualisering volgens Index Natuur en Landschap De beheertypen van de Index Natuur en Landschap zijn, sinds de inwerkingtreding van de Omgevingsverordening Zeeland 2018, nader hydrologisch getypeerd. Deze nadere typering is nog niet verwerkt in kaartbijlage van de Omgevingsverordening 2018. Een natuurbeheertype is verdrogingsgevoelig, wanneer de kwalificerende planten en dieren van dat beheertype afhankelijk zijn van en aangepast zijn aan ondiep grondwater en aan oppervlaktewater. De hydrologie en kwalificerende planten- en diersoorten van de beheertypen staan beschreven in de Index Natuur en Landschap. Deze is te raadplegen op: https://www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap/index-natuur-en-landschap/. Volgens de Index Natuur en Landschap zijn de volgende (in Zeeland voorkomende) beheertypen gevoelig voor verdroging: N01.02 - Duin- en kwelderlandschap N01.03 - Rivier- en moeraslandschap N04.02 - Zoete plas N04.03 - Brak water N05.04 - Dynamisch moeras N06.01 - Veenmosrietland en moerasheide N06.05 - Zwak-gebufferd ven N08.03 - Vochtige duinvallei N10.01 - Nat schraalland N10.02 - Vochtig hooiland N12.03 - Glanshaverhooiland N12.04 - Zilt- en overstromingsgrasland N13.01 - Vochtig weidevogelgrasland N14.01 - Rivier- en beek-begeleidend bos N15.01 – Duin-bos N17.03 - Park- en stinsenbos N17.04 - Eendenkooi N17.06 - Vochtig- en hellinghakhout L01.01 - Poel Aangezien de verdrogingsgevoelige beheertypen N04.03, N12.03 en N15.01 nog ontbraken op de provinciale kaart, zijn deze in 2023 toegevoegd. Actualisering op verdrogingsgevoelige drinkputten De begrenzing van verdrogingsgevoelige drinkputten is sinds de inwerkingtreding van de Omgevingsverordening Zeeland 2018 niet geactualiseerd. Voor het landschapsbeheertype L01.01 Poel, waaronder in Zeeland onder andere de drinkputten vallen, zijn in de Index Natuur en Landschap geen kwalificerende planten- en diersoorten bepaald. Voor dit beheertype dient minimaal rekening te worden gehouden met de bij de Omgevingswet beschermde planten- en diersoorten van lijst 1 van de Habitatrichtlijn die kunnen voorkomen in poelen in Zeeland, te weten Boomkikker en Kamsalamander. De drinkputten waarin deze soorten daadwerkelijk voorkomen worden bepaald op grond van de monitoringregistraties van de laatste 6 jaar in de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). Deze periode komt overeen met de monitoringcyclus van de SVNL. Op grond van nieuwe gegevens zijn in 2023 29 poelen met Boomkikker en/of Kamsalamander toegevoegd aan de begrenzing. 2.3.2.3Beheer en ontwikkeling Natuurnetwerk via het SNL Ontwikkeling Natuurnetwerk De ontwikkelopgave nieuwe natuur Zeeland bedroeg anno 2013 (Natuurakkoord) nog circa 1150 ha. Eind 2021 was daarvan 440 ha gerealiseerd en bedroeg de opgave nog 710 ha. Voor het halen van de eindstreep is een versnelling ingezet. De snelheid waarmee deze opgave kan worden gerealiseerd is afhankelijk van de bereidheid van grondeigenaren en van beschikbare middelen. De realisatie nieuwe natuur wordt jaarlijks door de provincie geprogrammeerd en gebudgetteerd via de begroting. Voor de uitvoering wordt gebruik gemaakt van het instrumentarium van de Subsidieregeling Kwaliteitsimpuls Natuur en Landschap. Beheer Natuurnetwerk Elk gerealiseerd natuurgebied moet worden beheerd. Beheermaatregelen zoals begrazing, maaien en afvoeren, beheer van beplantingen, soortgerichte maatregelen, landschapsbeheer en monitoring zijn nodig om de gebiedsspecifieke kwaliteiten in stand te kunnen houden. Dynamische, grootschalige gebieden zoals stuifduinen en getijdewateren kunnen zich met een lage beheerintensiteit in stand houden. Voor de meer kleinschalige, geconditioneerde natuur is doorgaans een zwaardere beheerinspanning nodig. Elk natuurbeheertype kent zo zijn eigen set aan beheermaatregelen. Die zijn beschreven in de Index Natuur en Landschap en vormen ook de basis voor de kostenberekening natuurbeheer. Omdat de karakteristieke natuurlijke processen zoals natuurlijke begrazing, overstroming en kwellend grondwater vaak onvoldoende aanwezig zijn, omdat veel natuurgebieden bovendien vaak te klein en te versnipperd zijn, omdat veel natuurgebieden te lijden hebben van milieuverontreiniging en verdroging, en omdat de oude, kleinschalige landbouwsystemen zijn verdwenen, zijn beheermaatregelen noodzakelijk om de natuurgebieden in stand te houden. De beheermaatregelen zijn erop gericht de genoemde tekortkomingen te compenseren en condities te scheppen waardoor de kwaliteit van natuur, landschap, flora en fauna behouden kan blijven. Natuurbeheer is, vanwege de vele externe omstandigheden, vaak een complexe zaak. Beheermaatregelen moeten goed worden gepland en gedoseerd en de effecten van het beheer moeten goed worden bijgehouden. De omvang van het actieve natuurbeheer in Zeeland bedroeg in 2022 circa 18.000 ha. De oppervlakte neemt verder toe door verzoeken van particuliere grondeigenaren en door het gereedkomen van compensatieprojecten en provinciale gebiedsgerichte projecten. Dit zal naar verwachting leiden tot een extra groei van de beheerde oppervlakte. Het beheer van de natuurgebieden van het Natuurnetwerk in Zeeland wordt door de Provincie gesubsidieerd via het Subsidiestelsel Natuur- en Landschapsbeheer. Uitbreiding van het natuurbeheer wordt door de provincie jaarlijks geprogrammeerd en is onder andere afhankelijk van aanmelding door beheerders en beschikbare middelen. De beheermaatregelen die via de SNL worden gesubsidieerd moeten in beginsel afdoende zijn om de kwaliteit van de natuurgebieden duurzaam in stand te kunnen houden. Voor kwetsbare Natura 2000-gebieden kunnen extra maatregelen nodig zijn om de kwaliteit te herstellen. De provincie subsidieert herstelmaatregelen onder andere met programma’s voor herstelmaatregelen N2000 via de SKNL. Natuurbeheer is een samenspel van maatregelen die in nauwe regie moeten kunnen worden uitgevoerd. Maatregelen op het gebied van waterbeheer en begrazing dienen op gebiedsschaal te worden geregeld, zodat natuurlijke processen zoveel mogelijk kans krijgen en de natuur zoveel mogelijk zijn gang kan gaan. Bij inrichting en natuurherstel verdwijnen in veel gevallen de kavelsloten en het prikkeldraad en zullen de oorspronkelijke kavelgrenzen dus vaak onzichtbaar worden. De bodemopbouw en het watersysteem worden bepalend voor de nieuwe structuur. Er wordt toegewerkt naar een integraal vegetatie- en faunabeheer, dikwijls door extensieve beweiding van het hele gebied. De beheerder moet, naargelang de omstandigheden, snel en adequaat kunnen ingrijpen. Het is daarom van belang dat de regie op het beheer in handen is van één beheerder of eigenaar. Dat geldt in het bijzonder voor grote, ongeperceleerde natuurgebieden. Uit oogpunt van efficiëntie heeft “eenheid van beheer” dus de voorkeur. Dat wil zeggen dat een natuurgebied in beginsel beheerd wordt door één beheerder. Het is niet wenselijk dat terreinbeheerders een deelgebied of enclave in een overigens particulier natuurgebied beheren. Anderzijds is het ook niet wenselijk dat particuliere grondeigenaren een deelgebied of enclave beheren in een groter natuurgebied dat vrijwel geheel door een terreinbeherende organisatie wordt beheerd. Dit principe is ook van toepassing bij de ontwikkeling van nieuwe natuur. Eenheid van beheer kan ook bereikt worden bij een gedeeld eigendom, als de betrokken eigenaren van deelgebieden zich verenigen in een rechtspersoon, zoals bijvoorbeeld een collectief of een milieucoöperatie, en het beheer uitvoeren op grond van een goedgekeurd beheerplan. Tenslotte kan eenheid van beheer ook bereikt worden wanneer een kleine beheerder de doelstellingen van het grotere natuurgebied onderschrijft. Daarbij ligt de regie op het beheer bij de hoofdbeheerder, doorgaans een terreinbeherende organisatie, en kunnen in het beheerplan afspraken worden gemaakt over het te voeren beheer. Bestaande particuliere natuurgebieden kunnen het beste door de particuliere eigenaar zelf worden beheerd. Aangezien de eigenaar zich daarbij inspant voor een maatschappelijk doel en hiervoor kosten moet maken, is een vergoeding van overheidswege gerechtvaardigd. Particuliere natuurbeheerders kunnen daarbij gebruik maken van diensten van de twee natuurcollectieven in Zeeland. Alleen wanneer de eigenaar niet bereid of niet in staat is het noodzakelijke natuurbeheer uit te voeren of uit te besteden, moet verwerving en/of beheer door een terreinbeherende organisatie mogelijk worden gemaakt. Ook nieuwe natuurgebieden kunnen door de particuliere eigenaar zelf worden ontwikkeld. Bij particulier natuurbeheer met functieverandering blijft de eigenaar verantwoordelijk voor het natuurbeheer. De waardedaling van de grond ten gevolge van de functieverandering van landbouw naar natuur wordt door de provincie via de SKNL gesubsidieerd. Alleen wanneer een particuliere eigenaar hiervoor geen belangstelling heeft kan de provincie of een terreinbeherende organisatie de nieuwe natuurgrond aankopen en omvormen. 2.3.3Natuurnetwerk en Natura 2000 Natura 2000 is het Europese netwerk van waardevolle, te beschermen natuurgebieden die zijn aangewezen onder de Vogel- en/of Habitatrichtlijn. Doel is de achteruitgang van de biodiversiteit een halt toe te roepen. Nederland kent 162 begrensde Natura 2000-gebieden. Deze worden aangewezen door het Rijk. Voor elk gebied wordt vastgesteld wat de flora- en faunadoelen zijn en welke soorten in een gebied behouden moeten blijven of ontwikkeld moeten worden. Voor deze gebieden moet een 6 jaar-geldend beheerplan gemaakt worden waarin staat welke maatregelen er in die periode genomen moeten worden om de doelen te behalen. Ook geeft het beheerplan aan welke huidige activiteiten in en rondom het gebied (´bestaand gebruik´) zonder meer kunnen worden voortgezet, omdat deze niet schadelijk zijn voor de doelen. De Natura 2000-gebieden voor Zeeland zijn aangeduid op kaart 8.4. Het specifieke provinciale beleid voor deze gebieden wordt door de provincie uitgewerkt in Natura 2000-beheerplannen per gebied. De instandhouding vindt plaats door middel van regelgeving op grond van de Omgevingswet en door middel van actief beheer. De bepalingen uit de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn zijn in de Omgevingswet verwerkt en van kracht. Alle Natura 2000-gebieden maken ook deel uit van het Natuurnetwerk in Zeeland. Dit Natuurbeheerplan is tevens het subsidiekader voor beheer- en herstelmaatregelen die op grond van de Natura 2000-beheerplannen via de SNL moeten worden getroffen. De beheertypen in het Natuurbeheerplan zijn in overeenstemming gebracht met de habitattypen N2000. Hiervoor dient ook de koppeltabel van bijlage 7.2. 2.3.4Provinciaal beleid agrarisch natuurbeheer Bij agrarisch natuurbeheer wordt landbouwproductie gecombineerd met natuurbeheer. Het landbouwkundige gebruik wordt zover geëxtensiveerd dat karakteristieke natuurwaarden, zoals weidevogels, akkervogels, dijkplanten of akkerplanten, weer de ruimte krijgen. De kosten van het beheer, zowel de kosten van de beheermaatregelen als de gederfde productie, worden met subsidies vergoed. De uitgangspunten voor het provinciale beleid voor het agrarisch natuurbeheer zijn in 1996 voor het eerst vastgesteld in een provinciale nota agrarisch natuurbeheer
(1996). Agrarisch natuurbeheer kan in sommige situaties een goed alternatief zijn voor natuurbeheer. Als een natuurdoel door middel van agrarisch natuurbeheer gehaald kan worden, dan heeft dat de voorkeur boven het omvormen tot natuurgebied. Dus: “agrarisch beheer waar mogelijk, eindbeheer waar nodig”. Waar boeren het beheer met succes kunnen combineren met landbouwproductie is geen bestaande natuur, maar agrarisch beheergebied begrensd en kan aankoop achterwege blijven. Dit geldt voor de agrarische beheergebieden van ecologische betekenis (donkerblauwe gebieden op de kaart 1). Voor de natuurwaarden op het platteland, buiten het Natuurnetwerk, kan het agrarisch natuurbeheer een zinvolle bijdrage leveren aan de instandhouding van landschap, flora en fauna. Daarbij gaat het met name om akkervogels, weidevogels, kustvogels, vleermuizen, zwaluwen, marterachtigen. De beleidsdoelen voor het agrarisch natuurbeheer binnen en buiten het Natuurnetwerk in Zeeland worden nader beschreven in hoofdstuk 4. 2.3.5Natuurnetwerk en uitvoering provinciale Bosvisie In de provinciale Bosvisie
(2020)zijn de uitgangspunten voor bosontwikkeling in Zeeland beschreven. De Provincie Zeeland zet zich in voor uitbreiding van bos binnen en buiten het Natuurnetwerk in Zeeland, zoals landelijk is overeengekomen in het kader van de Bossenstrategie. Bosontwikkeling kan een bijdrage leveren aan CO2-reductie, biodiversiteit en aan natuurherstel. Het Natuurbeheerplan Zeeland schept het beleidskader voor bosontwikkeling volgens de provinciale Bosvisie binnen het Natuurnetwerk in Zeeland. Locatiekeuze bosontwikkeling binnen het Natuurnetwerk in Zeeland Primaire zoeklocaties zijn locaties waarbij in het Natuurbeheerplan Zeeland al ambitietypen bos in nieuwe of bestaande natuur staan vermeld, maar waar nog geen bos aanwezig is; Secundaire zoeklocaties zijn locaties in bestaande natuur die op grond van de Bosvisie kansrijk zijn voor ontwikkeling van bos en waar onvoldoende mogelijkheden aanwezig zijn voor instandhouding of herstel van de huidige begrensde beheertypen; De begrenzing van de bosontwikkeling en het bostype worden, in overleg tussen natuurbeheerder en provincie, voorbereid en door GS vastgelegd bij wijziging van het Natuurbeheerplan Zeeland. Randvoorwaarden bosontwikkeling binnen het Natuurnetwerk in Zeeland Per saldo moet de biodiversiteit van een bestaand natuurgebied door de bosontwikkeling toenemen door het realiseren van bos met hoge natuurkwaliteit; Kwaliteitsverbetering wordt gebaseerd op inventarisatie, evaluatiecyclus en/of kwaliteitstoets; De bosontwikkeling mag niet ten koste gaan van zeldzame natuurtypen of landschapselementen met een hoge floristische of faunistische betekenis ter plaatse en in de omgeving. Dit vraagt om een integrale ecologische afweging per gebied; Bosontwikkeling binnen het Natuurnetwerk in Zeeland (bestaande en nieuwe natuur) betreft altijd een natuurbostype. Hiermee wordt bij ontwerp, inrichting en beheer rekening gehouden; Bosontwikkeling vindt plaats volgens een ecologisch ontwerp; Bosontwikkeling vindt bij voorkeur plaats door middel van spontane ontwikkeling vanuit bestaande boskernen, ruigten of struwelen. Uitvoering bosontwikkeling binnen het Natuurnetwerk in Zeeland De ecologische en landschappelijke onderbouwing en het ontwerp vinden plaats door de initiatiefnemer, in afstemming met de provincie; De ecologische- en landschappelijke onderbouwing en het ontwerp zijn gestoeld op de Zeeuwse Bosvisie en op het Natuurbeheerplan Zeeland; Kwaliteitsverbeteringen in bestaande natuur en Investeringen in nieuwe natuur komen in aanmerking voor subsidie via het SNL. Europese kaders In de planwijziging 2022 van het Natuurbeheerplan Zeeland (GS van 27 september 2022, nr. 199685) zijn de provinciale beleidsregels voor bosuitbreiding binnen het Natuurnetwerk in Zeeland vastgesteld. Uit het landbouwsteunkader als bedoeld in de SKNL van 21 december 2022 (Pb EU 2022/C 485/01) blijkt dat de Europese commissie steun voor bebossing en de aanleg van beboste gronden toelaatbaar acht als die steun in overeenstemming is met de desbetreffende voorwaarden uit dit steunkader. Voor het aanplanten van nieuw bos moet rekening gehouden worden bij de selectie van de soorten, rassen, ecotypen en herkomst van de bomen, met de vereiste weerbaarheid ten aanzien van klimaatverandering en natuurrampen en met de pedologische en hydrologische gesteldheid van het betrokken areaal, alsook met het potentiële invasieve karakter van de soorten. Verder moet de aanplant van bos geen ecologisch negatief effect hebben op gebieden met hoge ecologische waarde. In aangewezen Natura 2000-gebieden mag alleen bebossing worden toegestaan die strookt met de beheerdoelstellingen voor die gebieden. In paragraaf 4.6 zijn door BIJ12 aanvullende vereisten geformuleerd voor de aanleg van beboste gronden onder de SKNL. 2.4Overige beleidskaders Ook gemeenten en waterschap Scheldestromen zetten zich in voor het behoud van natuur en landschap op het platteland. Gemeenten richten zich vooral op natuur in en om dorp en stad en op natuurontwikkeling in en rond recreatiegebieden. Verder spelen gemeenten een belangrijke rol bij het handhaven van de natuurfunctie via de omgevingsplannen. Het waterschap richt zich vooral op behoud en ontwikkeling van gezonde watersystemen en natuurvriendelijke oevers. Dit Natuurbeheerplan bevat ook beleidskaders en subsidiemogelijkheden voor ontwikkeling, beheer en herstel van watersystemen, zodat sprake is van een gezamenlijke opgave. Het is van groot belang dat de organisaties nauw met elkaar blijven samenwerken op bestuurlijk niveau, onder ander door het overleg via de PCGR, en op uitvoeringsniveau door samenwerking bij de diverse natuurprojecten. 3.Subsidiestelsel Natuur en Landschap Het beschermen van dieren en planten is belangrijk voor de mens. Deze bescherming vindt plaats om ecologische, economische en ethische redenen. De diversiteit van dieren en planten verhoogt de spankracht van de natuur (ecologie). Daarnaast is de biodiversiteit een belangrijke productiefactor (economie). Tenslotte worden dieren en planten vanwege hun intrinsieke waarde beschermd (ethiek). De provincie hecht veel belang aan het behoud en de ontwikkeling van de provinciale natuur. Daarom verleent zij subsidie via het Subsidiestelsel Natuur en Landschap (SNL). De Provincie bepaalt in het Natuurbeheerplan in welke gebieden individuele natuurbeheerders, natuurcollectieven en agrarische collectieven subsidie kunnen ontvangen voor (agrarisch) natuur- en landschapsbeheer, blauwe diensten en klimaatdiensten. In het Natuurbeheerplan liggen de verschillende natuurbeheer- en landschapsbeheertypen van de Index Natuur en Landschap voor percelen en/of terreinen vast. Subsidie is alleen mogelijk voor het beheertype dat in het Natuurbeheerplan is aangegeven en begrensd. Subsidie voor beheer en kwaliteitsimpulsen In het Subsidiestelsel Natuur en Landschap wordt een onderscheid gemaakt tussen financiering van het beheer van de bestaande natuur en landschap en eenmalige investeringen ter verbetering van de natuurkwaliteit (kwaliteitsimpulsen). De subsidie voor het beheer van natuur, agrarische natuur en landschapselementen is geregeld in de Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer 2016 (SVNL 2016). De subsidie voor de kwaliteitsimpulsen is geregeld in de Subsidieregeling Kwaliteitsimpuls Natuur en Landschap (SKNL). Voor meer informatie over de subsidieverordening- en regelingen en subsidiemogelijkheden zie https://www.zeeland.nl/natuur-en-landschap/natuurbeheer of www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap/subsidiestelsel-natuur-en-landschap/verordeningen/. 3.1.Index Natuur en Landschap De basis voor het Natuurbeheerplan vormt de Index Natuur en Landschap. Deze Index is een landelijk uniforme en sterk gestandaardiseerde “natuurtaal” waarin de Nederlandse natuur- en landschapstypen zijn vastgelegd. De Index is van belang voor de aanduiding van de natuur- en landschapsdoelen door de overheid en voor de monitoring en bevordert ook een goede afstemming tussen beheerders onderling en tussen beheerders en overheden. De Index Natuur en Landschap bestaat uit de onderdelen natuur, agrarische natuur en landschap. In de Index worden twee niveaus onderscheiden: de natuurtypen voor de sturing op landelijk niveau en de beheertypen voor de operationele aansturing van het beheer op regionaal en lokaal niveau. Voor de begrenzing in het Natuurbeheerplan en voor de subsidieverlening wordt voor het natuurbeheer het niveau van de beheertypen gebruikt. Voor het agrarisch natuurbeheer kan ook het niveau van natuurtypen worden gebruikt. De natuurtypen zijn bedoeld als sturings- en verantwoordingsinstrument op landelijk niveau. Daarbij valt te denken aan afspraken en rapportages tussen Rijk en provincies. De beheertypen zijn geschikt voor de aansturing van het beheer op interprovinciaal, provinciaal en lokaal niveau. Zij vormen de basis voor afspraken over doelen en middelen tussen provincie en beheerder. De index telt 17 natuurtypen. Binnen elk van de natuurtypen worden één of meerdere natuurbeheertypen onderscheiden. In totaal zijn er 49 natuurbeheertypen. De index telt 4 landschapstypen met daaronder 13 landschapsbeheertypen. De index telt 3 agrarische natuurtypen. Dit zijn open grasland, open akkerland en dooradering. Binnen elk van de agrarische natuurtypen worden één of meerdere agrarische beheertypen onderscheiden. Verder telt de index een categorie Water en een categorie Klimaat met daaronder een aantal beheertypen voor agrarische gronden. In de Index Natuur en Landschap worden de natuurbeheertypen, landschapsbeheertypen en agrarische beheertypen beschreven. De beschrijving van de agrarische natuur- en beheertypen is gebaseerd op het advies dat is opgesteld door Alterra
(2014)met beschrijvingen van vier agrarische natuurtypen/leefgebieden en de daaronder vallende agrarische beheertypen met kwalitatieve en kwantitatieve criteria. Deze criteria zijn zo verwoord dat ecologische effectiviteit bevorderd wordt. Voor het advies van Alterra zie www.bij12.nl/wp-content/uploads/2024/02/16926_Alterra_Rapport-2585_Totaal_LR.pdf. Voor meer informatie over de Index Natuur en Landschap zie onderdeel thema ‘Index Natuur en Landschap’ op www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap. 3.2Het Natuurbeheerplan Het Natuurbeheerplan kent een beheertypenkaart en een ambitiekaart. Zij vormen met de beschrijving van de doelen de kern van het plan. De beheertypenkaart geeft alle bestaande en beheerwaardige (agrarische) natuur en landschap weer met de benamingen volgens de landelijk uniforme systematiek van de Index Natuur en Landschap. Met de beheertypenkaart stimuleert de provincie de instandhouding van de op die kaart aangegeven en begrensde beheertypen. Deze kaart vormt ook de basis voor het verlenen van beheersubsidies op grond van de SVNL. Voor een deel van de natuurgebieden en agrarische gebieden met natuurwaarden bestaat een ambitie om het huidige gebruik of beheer te veranderen. Het verschil tussen de beheertypenkaart en de ambitiekaart laat zien waar een verbetering van de natuurkwaliteit mogelijk en wenselijk is. De ambitiekaart vormt de basis voor de (subsidiëring van) kwaliteitsimpulsen op grond van de SKNL. De SKNL is niet van toepassing op inrichting op agrarische gronden ten behoeve van het agrarisch natuurbeheer. Het verstrekken van subsidies voor beheer en voor kwaliteitsimpulsen draagt bij aan de realisatie van het in hoofdstuk 2 beschreven beleid en de in hoofdstuk 4 beschreven provinciale natuur- en landschapsdoelen. Zowel de beheertypenkaart als de ambitiekaart zijn afgestemd op de beheerplannen die in het kader van Natura 2000 worden opgesteld. Het kaartmateriaal is onderdeel van dit Natuurbeheerplan. 3.2.1Beheertypenkaart natuur Voor het natuurbeheer staat op de beheertypenkaart aangegeven welke gebieden met welke beheertypen voor subsidie in aanmerking kunnen komen (zie kaartbijlage 8.2). Op de beheertypenkaart wordt alle bestaande natuur van het natuurnetwerk in de betreffende provincie weergegeven. Per natuurterrein en/of perceel en/of kaartvlak is één beheertype toegekend en een beheerder komt alleen voor subsidie van het aangewezen beheertype in aanmerking. Op bestaande natuur kan ook subsidie voor landschapsbeheer worden verstrekt. Op de beheertypenkaart is daarvoor aangegeven voor welke landschapsbeheertypen subsidies kan worden verstrekt. Individuele landschapselementen die in natuurbeheergebied liggen en door de provincie als zodanig worden erkend, zijn op de beheertypenkaart aangegeven. In 2022 zijn nieuwe intekenregels voor landschapsbeheertypen van de Index Natuur en Landschap in natuurgebied van kracht geworden (Besluit gecombineerde AACVP werkgroep natuurbeheer op 5 april 2022). Ook zijn de kenmerken van landschapsbeheertypen in de Index Natuur en Landschap op landelijk niveau verder uitgewerkt (https://www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap/index-natuur-en-landschap/). Daarbij is niet duidelijk welke kenmerken van de landschapsbeheertypen op provinciaal niveau in Zeeland van toepassing zijn. De begrenzing en het beheer van landschapsbeheertypen in natuurgebieden is bovendien geen onderdeel van het Natuurakkoord
  1. Provincies dienen een eigen afweging te maken bij het begrenzen, definiëren en subsidiëren van landschapsbeheertypen. Naar aanleiding hiervan worden de provinciale beleidsregels voor het begrenzen van landschapsbeheertypen in Zeeland hierbij nader beschreven. De volgende landschapsbeheertypen komen in aanmerking voor begrenzing in het Natuurbeheerplan Zeeland, voor zover deze voldoen aan de onderstaande kenmerken en intekening. Het betreft landschapsbeheertypen die karakteristiek zijn voor Zeeland en een grote betekenis hebben voor natuur, landschap, ecologie en biodiversiteit van het Natuurnetwerk in Zeeland: L01.01 Poel en klein historisch water Kenmerken: veedrinkput met geïsoleerd water Intekening: vlak met werkelijke afmetingen 50-5000 m2 L01.02 Houtwal en houtsingel Kenmerken: vrijliggende, lijnvormige begroeiing van oude, inheemse bomen en struiken Intekening: lijnvormig vlak met vaste breedte 3m en minimale lengte 25m L01.03 Elzensingel Kenmerken: vrijliggende, enkelvoudige rij oude zwarte elzen op natte bodem Intekening: lijnvormig vlak met vaste breedte 3m en minimale lengte 25m L01.05 Knip- of scheerheg Kenmerken: vrijliggende, lijnvormige oude, lage meidoornhaag in weidegebied Intekening: lijnvormig vlak met vaste breedte 3m en minimale lengte 25m L01.06 Struweelhaag Kenmerken: vrijliggende, lijnvormige, oude, hoge meidoornhaag in weidegebied Intekening: lijnvormig vlak met vaste breedte 3m en minimale lengte 25m L01.07 Laan Kenmerken: historische oprijlaan op oude boerderijen en landgoederen bestaande uit een onverharde oprit met aan weerszijden een rij oude, lijnvormige en vrijstaande laanbomen Intekening: twee parallelle lijnvormige vlakken met vaste breedte 5m en minimale lengte 50m, van elkaar gescheiden door een onverharde oprit L01.08 Knotboom Kenmerken: vrijstaande, lijnvormige rij knotwilgen in weide- of krekengebied Intekening: lijnvormig vlak met een vaste breedte van 3m en minimale lengte 50m L01.09 Hoogstamboomgaard Kenmerken: oude boomgaard met hoogstamfruitbomen op historische boerderijen of landgoederen; Intekening: vlak met werkelijke oppervlakte en dichtheid 50-150 bomen per ha. N.B.: de vaste breedtes gelden bij intekening met ingang van 2024 bij planwijzigingen, areaaluitbreidingen en bij continuering van subsidies natuurbeheer SVNL. Beheer Natura 2000-gebieden De beheertypenkaart van het Natuurbeheerplan is tevens het beleidskader voor de subsidiëring van het beheer van Natura 2000-gebieden. De beheertypen voor de Natura 2000-gebieden zijn afgestemd op de habitatkaarten van de betreffende gebieden. Zie daarvoor ook de vertaaltabel beheertypen-habitattypen van bijlage 7.
  2. 3.2.2Ambitiekaart De ambitiekaart geeft weer welke nieuw natuurgebieden moeten worden ingericht, welke bestaande natuurgebieden moeten worden opgeknapt en welk ambitietype daarbij per gebied wordt nagestreefd. De ambitiekaart vormt het toetsingskader voor het verstrekken van subsidies functieverandering en investeringen via de SKNL. De SKNL is niet van toepassing op agrarisch leefgebied. Investeringen ten behoeve van het ANLb zijn nader uitgewerkt in het GLB-NSP. Indien nog niet bekend is welk ambitietype de voorkeur heeft, dan kan de Provincie besluiten om tijdelijk het beheertype N00.01 ambitietype "nog niet bekend" toe te kennen. Op grond van dit ambitietype kan geen SNL-subsidie worden verleend. De ambitiekaart is weergegeven in kaartbijlage 8.
  3. Functieverandering op grond van de SKNL Landbouwgronden met de begrenzing Nieuwe natuur kunnen worden omgezet in natuur met een bepaald ambitietype, waarbij de waardevermindering van de grond wordt vergoed. Ook particuliere grondeigenaren kunnen voor deze subsidie in aanmerking komen. De particuliere grondeigenaar blijft in dat geval eigenaar van de grond en blijft verantwoordelijk voor de instandhouding van het natuurgebied en van het begrensde ambitietype respectievelijk beheertype. Voor deze functieverandering bestaat sinds 2005 een fiscale vrijstelling. De omvorming kan worden gesubsidieerd op grond van de Subsidieregeling kwaliteitsimpuls natuur en landschap (SKNL). Meer informatie op: https://www.zeeland.nl/subsidie-aanvragen/natuursubsidie. Investeringen nieuwe natuur Op de ambitiekaart is aangegeven welk ambitietype in een nieuw natuurgebied gewenst is. Bij nieuwe natuur worden de functieverandering en de inrichting op dat beheertype gericht. Na het toekennen van de subsidie (vanuit SKNL) en het uitvoeren van de inrichtingsmaatregelen, zal de beheertypenkaart van het Natuurbeheerplan moeten worden aangepast, zodat er voor het aanwezige beheertype beheersubsidie kan worden verkregen op basis van de SVNL. Kwaliteitsverbetering bestaande natuur Voor sommige bestaande natuurgebieden kan er een ambitie ontstaan om de natuurkwaliteit te verhogen. Dat kan betrekking hebben op verhoging van de kwaliteit van een aanwezige beheertype of verhoging van de kwaliteit voor realisatie van een ander beheertype. De kwaliteitsverbetering wordt in alle gevallen getoetst aan het ambitietype zoals vermeld op de ambitiekaart van het Natuurbeheerplan. Voor de specifieke voorwaarden met betrekking tot de verlening van een investeringssubsidie wordt verwezen naar www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap. 3.2.3Beheertypen ANLb en categorieën Water en Klimaat Voor het agrarisch natuur- en landschapsbeheer (ANLb) onderscheiden de provincies de volgende drie leefgebieden: Open grasland, Open akkerland en Dooradering. Deze drie leefgebieden zijn de drie agrarische natuurtypen van de Index Natuur en Landschap. Daarnaast wordt gewerkt met een categorie Water en een categorie Klimaat. In het Natuurbeheerplan worden de drie agrarische natuurtypen en de categorieën Water en Klimaat als zoekgebieden op de beheertypenkaart aangeduid. Alleen binnen de begrenzing van de zoekgebieden is ANLb-subsidie mogelijk (zie de kaartbijlagen 8.5 a-e). Voor de drie agrarische natuurtypen gelden subsidiecriteria. Deze criteria beschrijven de instapeisen voor een ecologisch effectieve subsidieaanvraag. Er wordt naar gestreefd om het agrarisch natuur- en landschapsbeheer in te zetten in de meest kansrijke gebieden voor stabiele populaties van vogelsoorten van internationale betekenis. Hierbij is de versterking van en/of verbinding voor het Natuur Netwerk Nederland (NNN) een belangrijk uitgangspunt. Tevens is het gericht op bevorderen van soorten die afhankelijk zijn van het agrarische cultuurlandschap. Op de beheertypenkaarten ANLb, Water en Klimaat worden geen specifieke doelsoorten of soortengroepen binnen de agrarische beheertypen aangeduid. Welke specifieke doelstellingen de Provincie heeft m.b.t. soorten of soortengroepen wordt beschreven in hoofdstuk
  4. Bij de begrenzing van de zoekgebieden in het Natuurbeheerplan en de keuze op welke soorten wordt ingezet, houdt de Provincie rekening met de naastgelegen provincies. Dit om een goed afgestemd soortenbeleid over de provincies te garanderen. 3.3Het subsidiekader SVNL en SKNL Voor de uitvoering van het provinciale natuurbeleid heeft de provincie de beschikking over een eigen Subsidiestelsel Natuur en landschap (SNL). Het subsidiestelsel bestaat uit twee regelingen, de SVNL2016 (Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer, kortweg SVNL) voor de subsidiëring van natuurbeheer en natuurmonitoring, en de SKNL (Subsidieregeling Kwaliteitsimpuls Natuur en Landschap) voor de subsidiëring van functieverandering en investeringen in natuur. De SVNL en SKNL bevatten het juridische kader, de spelregels en de werkwijze voor de subsidiëring van maatregelen door eigenaren en beheerders van natuur en landschap. Het Natuurbeheerplan is het provinciale beleidskader waaraan de subsidieaanvragen getoetst worden. De Index Natuur en Landschap is de landelijke beheertype-taal waarmee afspraken kunnen worden gemaakt over doelen en maatregelen voor verschillende soorten natuur. 3.3.1Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer Zeeland (SVNL) 2016 De SVNL is de provinciale subsidieverordening voor de subsidiëring van beheer en monitoring van natuurgebieden van het Natuurnetwerk in Zeeland en van het agrarisch natuurbeheer in de agrarische leefgebieden. De verordening is laatst gewijzigd vastgesteld door Gedeputeerde Staten op 13 december 2022 Pb 2022 nr.
  5. De Subsidieverordening bevat regels met betrekking tot onder andere: hoe subsidie wordt opengesteld, inhoud en functie van het Natuurbeheerplan, hoe men subsidie kan aanvragen, beslistermijnen, toezicht, wie subsidie kan aanvragen, waarvoor men subsidie kan aanvragen, weigeringsgronden, subsidievereisten, subsidiabele kosten, subsidiehoogte, hoe subsidieaanvragen worden beoordeeld, verplichtingen van de subsidieontvanger, hoe subsidie wordt betaald, en hoe subsidie wordt vastgesteld. De SVNL is te raadplegen op https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR364848 Zie verder ook paragraaf 5.
  6. SVNL Natuurbeheer De SVNL bevat een apart hoofdstuk met subsidiebepalingen voor het beheer van natuurgebieden. De subsidie kan worden aangevraagd door eigenaren en/of erfpachters van natuurgebied. Het Natuurbeheerplan is het inhoudelijke toetsingskader voor de subsidieverlening. De beheersubsidie is gericht op natuurbeheertypen en landschapsbeheertypen. Deze staan beschreven in het Natuurbeheerplan. Op de natuurbeheertypenkaart staat aangegeven welke beheertypen voor welke gebieden van toepassing zijn. Dit is voor alle bestaande natuur van het Natuurnetwerk in Zeeland weergegeven. Per beheereenheid (kaartvlak) is één beheertype toegekend. Er is alleen subsidie SVNL-natuurbeheer mogelijk voor gebieden die op de beheertypenkaart zijn vermeld en voor het beheertype dat daarbij is vastgesteld. De beheertypenkaart wordt nader beschreven in hoofdstuk
  7. Voor natuurgebieden kan ook subsidie voor landschapsbeheertypen worden verstrekt. Op de beheertypenkaart is aangegeven welke landschapselementen aanwezig zijn. Ook hierbij geldt dat alleen subsidie kan worden aangevraagd voor het landschapstype dat op de beheertypenkaart staat vermeld. Naast subsidie voor het natuur- en landschapsbeheer kent de SVNL ook aanvullende subsidiemogelijkheden (bijdragen) voor toegangsvoorzieningen, toezicht, vaarkosten, beheer met gescheperde schaapskudde en uitvoering natuurmonitoring. Zie paragraaf 5.
  8. SVNL agrarische natuurbeheer De SVNL bevat een apart hoofdstuk met regels voor het agrarisch natuur- en landschapsbeheer. Deze subsidie kan alleen worden aangevraagd door een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid bestaande uit landbouwers en andere grondgebruikers van landbouwgrond. De subsidie is bedoeld voor het verrichten van beheeractiviteiten in leefgebieden die vermeld staan in het Natuurbeheerplan. De leefgebieden voor Zeeland staan beschreven in hoofdstuk
  9. 3.3.2Subsidieregeling Kwaliteitsimpuls Natuur en Landschap De SKNL bevat de spelregels van de Provincie voor het verstrekken van subsidie voor functieverandering, inrichting nieuwe natuur en kwaliteitsverbetering bestaande natuur. De regeling is laatst gewijzigd bij besluit van Gedeputeerde Staten op 27 september 2022 (Pb 2022, 11601). De SKNL-regels hebben betrekking op: openstelling subsidie, wijze van subsidie aanvragen, behandeling van aanvragen en beslistermijnen, uitsluitingen van subsidie, ambitiekaart, wie kan aanvragen, subsidieverplichtingen, subsidiabele kosten, en hoogte subsidie. Functieverandering SKNL Landbouwgronden die in het Natuurbeheerplan zijn aangeduid als nieuwe natuur kunnen met subsidie van de Provincie definitief worden omgezet in natuurgebied. De Provincie subsidieert de waardevermindering van de grond via de SKNL. Op de subsidie functieverandering is het provinciale beleid voor omvorming nieuwe natuur (eenheid van beheer) van toepassing zoals beschreven in paragraaf 2.3.
  10. Ook particulieren (of samenwerkingsverbanden van particulieren) komen voor subsidie functieverandering in aanmerking. De particulieren zijn en blijven in dat geval eigenaar van de gronden. De subsidie functieverandering werd tot 2021 bepaald op een vast percentage van 85% van de waarde van de grond in het economische verkeer. Er werd uitgegaan van een vaste restwaarde van 15%. Met ingang van 2022 wordt de afwaardering bepaald op het verschil tussen de marktwaarde vóór en de marktwaarde ná de omvorming naar natuur. Voor deze functieverandering bestaat sinds 2005 een fiscale vrijstelling. Investering nieuwe natuur (inrichting) SKNL Landbouwgronden die in het Natuurbeheerplan zijn aangeduid als nieuwe natuur en waarop functieverandering heeft plaatsgevonden, dienen te worden ingericht ten behoeve van natuur. Op de ambitiekaart is aangegeven welk beheertype wordt nagestreefd. Voor elk te ontwikkelen nieuw natuurgebied via de SKNL dient een investeringsplan opgesteld te worden. Voor het opstellen en uitvoeren van het investeringsplan kan subsidie worden aangevraagd. Daarbij wordt overlegd met de provincie over onder andere activiteiten, uitvoering, interim beheer, inrichtingskosten, financiering en planning. De Provincie is ook betrokken bij de uitvoering van het project. Bij het opstellen van een investeringsplan behoort ook het overleg met de desbetreffende natuurverenigingen en voorlichting in de streek. Hierbij wordt ook de gemeente betrokken. Dit biedt de direct omwonenden de gelegenheid om op basis van informatie zelf te komen met ideeën en suggesties voor de nieuwe natuur, die in de toekomst immers hun eigen omgeving wordt. De initiatiefnemer, hetzij Provincie of beheerder, is ook eerste verantwoordelijke voor de communicatie rond het opstellen van het plan. De inrichting kan starten nadat de SKNL-beschikking door de provincie is afgegeven. Bij particulier natuurbeheer ligt het voortouw bij de inrichting bij de particuliere eigenaar. Deze kan voor advisering een beroep doen op de provincie (begrenzing, beheertypen, subsidie), en betrokken organisaties zoals Natuurcollectief Zeeland, Unie van Bosgroepen, Zeeuws particulier Grondbezit en Stichting Landschapsbeheer Zeeland. De eigenaar overlegt met de Provincie bij het uitwerken van natuurdoelen en maatregelen voor het desbetreffende gebied. De particuliere natuurbeheerder is verantwoordelijk voor afspraken met de betrokken organisaties, gemeente en voorlichting in de streek. Ook hierbij geldt dat de inrichting kan starten nadat de SKNL-beschikking door de Provincie is afgegeven. Investering bestaande natuur (kwaliteitsverbetering) SKNL Bestaande natuurgebieden waar het natuurbeheertype, als gevolg van ongunstige terreincondities, niet wordt gehaald en waar een kwaliteitsimpuls noodzakelijk is, kunnen door de beheerder worden opgeknapt. Deze kan hierbij advies of ondersteuning inroepen bij de provincie. Voor de maatregelen kan subsidie kwaliteitsverbetering bij de provincie worden aangevraagd via de SKNL. De subsidie is ook mogelijk voor kwaliteitsverbetering van een bestaand natuurbeheertype. De subsidie kan betrekking hebben op natuurgebieden van het Natuurnetwerk in Zeeland, zowel binnen als buiten de Natura 2000-begrenzing. Zie hiervoor ook paragraaf 5.
  11. Grondverwerving Voor het realiseren van de ontwikkelopgave nieuwe natuur kan de provincie gebruik maken van de provinciale grondbank. Begrensde percelen Nieuwe natuur die niet op particulier initiatief via de SKNL-functieverandering worden omgevormd, kunnen door de provincie worden aangekocht, omgevormd en ingericht. Een door de provincie omgevormd en ingericht natuurgebied wordt op basis van openbare belangstellingsregistratie overgedragen aan een natuurbeheerder. 3.4Monitoring, controle en certificering Monitoring Monitoring is een essentieel onderdeel van de beheercyclus van de (zesjarige) SVNL. De effecten van het beheer dienen gemeten te worden om te kunnen bepalen of de gestelde doelen gehaald worden. De uitvoering van het natuurbeleid dient gevolgd te worden om te weten of de afgesproken doelen ook gehaald worden. Behalve informatie over de gerealiseerde hectares en het daarvoor benodigde geld (output), is ook informatie nodig over de resultaten in termen van bijv. aantallen dieren en planten (outcome). Gegevens moeten beschikbaar zijn en mogen niet ouder dan 6 jaar zijn op het moment dat wordt gerapporteerd. Op basis van dit meerjarenprogramma wordt jaarlijks de monitoring voor zowel natuur in de natuurgebieden als natuur in de agrarische gebieden uitgevoerd. Gecertificeerde beheerders kunnen zelf de monitoring uitvoeren. De Provincie is verantwoordelijk voor de overige gebieden. Indien uit de evaluatie blijkt dat een beheertype niet wordt gerealiseerd, kan besloten worden tot herstelmaatregelen of tot het aanwijzen van een meer passend beheertype. Monitoring natuurbeheer Voor de monitoring van het natuurbeheer is door de gezamenlijke provincies in overleg met de natuurbeheerders een methodiek vastgesteld, die is beschreven in de “Werkwijze Monitoring en Beoordeling Natuurnetwerk en Natura 2000/PAS”, die te vinden is op de website van BIJ12 (www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap/productencatalogus/methodieken/werkwijze-monitoring/). Hierin wordt per beheertype beschreven welke monitoring noodzakelijk is en hoe deze moet worden uitgevoerd. Op de website van BIJ12 zijn ook bijlagen en achtergronddocumenten te downloaden. Gecertificeerde natuurbeheerders kunnen de monitoring zelf uit (laten) voeren en daarvoor de monitoringtoeslag SVNL aanvragen. Voor de overige natuurbeheerders voert de Provincie de monitoring uit. Monitoring agrarisch natuur- en landschapsbeheer, Water en Klimaat Voor de monitoring van het agrarisch natuurbeheer is in 2016 een systematiek ontwikkeld. Daarin wordt onderscheid gemaakt tussen beheermonitoring (het verzamelen van natuurgegevens die nodig zijn om het beheer (beter) uit te voeren) en beleidsmonitoring (het verzamelen van gegevens om de realisatie van de beleidsdoelen op provinciaal, landelijk en Europees niveau te evalueren). De verantwoordelijkheid voor de beheermonitoring bij het agrarisch natuurbeheer ligt bij de agrarische collectieven - de Provincies zijn verantwoordelijk voor de beleidsmonitoring. De blauwe diensten worden ingezet op een bijdrage aan de waterkwaliteit van de KRW-watergangen en het verhogen van het waterbergend vermogen. Hiervoor is een bestaand monitoringsprogramma van waterschappen en provincies (kwaliteit en kwantiteit) beschikbaar, waarbij alle relevante parameters worden gemonitord. Dit betekent dat voor blauwe diensten niet een apart monitoringsprogramma ontwikkeld hoeft te worden. Klimaatmaatregelen worden ingezet om een bijdrage te leveren aan CO2 vastlegging en het reduceren van broeikasgassen. Daarnaast wordt er ingezet op klimaatadaptatie door middelen van vernatten, het opvangen van waterpieken en droogte en omgaan met verzilting. Er is voor klimaatmaatregelen (ANLb) momenteel nog geen specifiek beleidsmonitoringsprogramma ontwikkeld. Monitoringplan De natuurmonitoring wordt door de Provincie Zeeland gecoördineerd via het SNL en door middel van het Provinciaal monitoringprogramma
(2016). Er wordt gewerkt aan een nieuw provinciaal monitoringplan voor natuurgebieden en ANLb-gebieden in samenwerking met de beheerders. Een belangrijk onderdeel daarin is de rapportagecyclus. Op basis van dit meerjarenprogramma wordt jaarlijks de monitoring voor zowel natuur in de natuurgebieden als natuur in de agrarische gebieden uitgevoerd. De verzamelde gegevens zijn opgeslagen in de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) en worden door beheerders en Provincie gebruikt voor natuurrapportages. Controle en certificering De subsidie natuurbeheer SVNL verplicht de beheerder om het beheertype waarvoor de subsidie is verstrekt, in stand te houden. De beheerders worden hierop niet gecontroleerd. In plaats daarvan wordt informatie verzameld over de effectiviteit en efficiëntie van het beheer door middel van certificering. Aan de hand van een kwaliteitshandboek, rapportages en interne en externe audits door de Certificeringscommissie, wordt nagegaan of een beheerder aan de eisen voldoet. Als de beheerder nalatig is kan deze worden verzocht het manco te herstellen. Bij volharding kan het certificaat worden ingetrokken. 3.5Digitale keten natuur De digitale keten natuur is het netwerk van digitale informatiedragers waarmee de organisaties hun informatie omtrent SNL uitwisselen. Dat gebeurt via de volgende systemen: Natuurinformatie BIJ12: de website van de gezamenlijk Provincies en BIJ12 voor SNL. Te raadplegen op: https://www.bij12.nl/onderwerp/natuurinformatie/. Informatiemodel Natuur (IMNA): digitale kaarten voor natuur en landschap van de gezamenlijke provincies volgens een vast format. Te raadplegen op: https://www.bij12.nl/onderwerp/natuurinformatie/natuurgegevens-uniform-uitwisselen/informatiemodel-natuur-imna/. Geo-loket: provinciale applicaties waarin de kaarten van het Natuurbeheerplan kunnen worden bekeken. Voor Zeeland in de vorm van Atlas van Zeeland, te raadplegen op: https://kaarten.zeeland.nl/map/atlasvanzeeland. VRN Voortgangsrapportage natuur: jaarlijkse rapportage van de 12 Provincies over voortgang uitvoering natuurbeleid. Te raadplegen op: https://www.bij12.nl/onderwerp/natuurinformatie/voortgangsrapportage-natuur/ Voor nadere informatie: zie bijlage
  1. 4.Natuur- en Landschapsdoelen Dit Natuurbeheerplan is gericht op de uitvoering van het in hoofstuk 2 beschreven natuur- en landschapsbeleid van de Europese Unie, het Rijk, de provincies en de waterschappen. In dit hoofdstuk worden de beleidsdoelen en criteria beschreven ten aanzien van onze natuur-, landschaps- en waterdoelen. Hieraan zullen de subsidieaanvragen van natuurbeheerders en de gebiedsaanvragen van de agrarische collectieven worden getoetst. 4.1Visie op behoud en ontwikkeling natuur en landschap Dit Natuurbeheerplan is gericht op het gehele buitengebied van de Provincie Zeeland. Het plan geldt zowel voor natuurgebieden van het Natuurnetwerk in Zeeland als voor de Natura 2000-gebieden en voor het agrarisch gebied buiten het natuurnetwerk. Tussen deze gebieden bestaat een nauwe samenhang. De natuurgebieden fungeren veelal als de natuurkernen, maar liggen vaak geïsoleerd. Belangrijk is daarom dat ook in het landbouwgebied kleine leefgebieden en verbindingszones (dooradering) aanwezig zijn, zodat planten en dieren zich van gebied tot gebied kunnen verplaatsen. Als droge verbindingen fungeren in Zeeland de binnendijken en wegbermen. Als natte verbindingen fungeren met name de kreken en watergangen. Samen vormen deze een netwerk, dat in samenhang moet worden ontwikkeld en beheerd. De overwegingen van de Provincie Zeeland bij het beschermen, ontwikkelen en beheren van natuur en landschap staan beschreven in paragraaf 2.3.
  2. 4.2Beleidsdoelen en criteria natuur- en landschapsbeheer 4.2.1Beheertypenkaart Het doelenkader voor het beheer van het Natuurnetwerk in Zeeland is vervat in de beheertypenkaart (kaartbijlage 8.2). Deze toont de actuele natuurtypen waarop het huidige natuurbeheer gericht is. De beheertypenkaart omvat alle karakteristieke natuurtypen van Zeeland. Voor een uitgebreide beschrijving van de natuurbeheertypen zie de Index natuur op https://www.bij12.nl/onderwerp/natuursubsidies/index-natuur-en-landschap/. De beheertypenkaart geeft alle bestaande, beheerwaardige (agrarische) natuur en landschap weer met de benamingen volgens de landelijke, uniforme systematiek van de Index Natuur en Landschap. Met de beheertypenkaart stimuleert de Provincie de instandhouding van de op die kaart aangegeven beheertypen. Deze kaart vormt ook de basis voor het verlenen van beheersubsidies op grond van de SVNL. De beheertypenkaart vermeldt het beheertype dat daadwerkelijk in een bestaand natuurgebied aanwezig is. Bij het bepalen welk beheertype aanwezig is, worden de kenmerken van het terrein getoetst aan de beschrijving van het beheertype in de Index Natuur en Landschap, zoals weergegeven op het Portaal Natuur en landschap. De toetsing heeft betrekking op: algemene kenmerken (terreintype), kwalificerende planten- en diersoorten, structuur, ruimtelijke- en milieucondities en kwaliteitsbepaling. Een beheertype kan worden toegekend indien het terrein voldoet aan de minimale vereisten volgens de index. Aan nieuwe natuur wordt geen natuurbeheertype toegekend. Ten eerste omdat er doorgaans geen beheertype aanwezig is. Ten tweede omdat nieuwe natuur na omvorming zo snel mogelijk moet worden ingericht. Een beheertype kan pas worden toegekend nadat de inrichting is afgerond en het beheertype in aanleg aanwezig is. Tabel 4.2 Oppervlakte natuurbeheertypen Natuurnetwerk in Zeeland beheertpe opp. (ha) N01.01 Zee en wad 98273,3 N01.02 Duin- en kwelderlandschap 773,9 N01.03 Rivier- en moeraslandschap 905,9 N04.02 Zoete plas 605,8 N04.03 Brak water 1145,5 N04.04 Afgesloten zeearm 9784,5 N05.02 Gemaaid rietland 0,3 N05.04 Dynamisch Moeras 558,5 N06.01 Veenmosrietland en moerasheide 20,8 N06.05 Zwakgebufferd ven 1,2 N08.01 Strand en embryonaal duin 145,7 N08.02 Open duin 1475,1 N08.03 Vochtige duinvallei 483,4 N08.04 Duinheide 11,8 N09.01 Schor of kwelder 4303,7 N10.02 Vochtig hooiland 961,6 N11.01 Droog schraalland 341,7 N12.01 Bloemdijk 473,2 N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland 4901,4 N12.03 Glanshaverhooiland 17,1 N12.04 Zilt- en overstromingsgrasland 2752,8 N12.05 Kruiden- en faunarijke akker 47,8 N12.06 Ruigteveld 458,6 N13.01 Vochtig weidevogelgrasland 364,5 N14.01 Rivier- en beekbegeleidend bos 16,4 N14.03 Haagbeuken- en essenbos 1045,1 N15.01 Duinbos 414,4 N15.02 Dennen-, eiken-, en beukenbos 214,4 N16.03 Droog bos met productie 224 N16.04 Vochtig bos met productie 1216,9 N17.03 Park- en stinzenbos 186,5 N17.04 Eendenkooi 18,1 N17.06 Vochtig en hellinghakhout 30,3 A01.01 Weidevogelgebied 190,2 A02.01 Botanisch waardevol grasland 2245,1 A01.01 Weidevogelgebied 190,2 A02.01 Botanisch waardevol grasland 2245,1 Totaal 137044,8 4.2.2Ambitiekaart De ambitiekaart (kaartbijlage 8.3) vormt de basis voor de (subsidiering van) functieverandering en kwaliteitsimpulsen op grond van de SKNL. Voor nieuwe natuur is het ambitietype het streefbeeld voor omvorming en investering. De natuurbeheertypen en ambitie in nieuwe natuur dienen te worden afgestemd op de optimale terreincondities die kunnen worden gerealiseerd door inrichting. Als bekend is dat de optimale milieucondities niet kunnen worden bereikt, wordt een realistisch natuurbeheertype en ambitie vastgesteld. Voor nog te ontwikkelen natuurterreinen is het niet altijd mogelijk om vooraf al een nauwkeurige prognose te doen over de begrenzing van de gewenste beheertypen. In dat geval is soms het beheertype N00.01 opgenomen (nog om te vormen naar natuur). Soms is wel globaal bekend welke natuurbeheertypen binnen een terrein kunnen worden gerealiseerd, maar kan de exacte ligging nog niet worden bepaald. In dat geval kunnen Gedeputeerde Staten besluiten om de ambities van een terrein te wijzigingen of te verfijnen. Dat laatste gebeurt vaak bij grote natuurontwikkelingsprojecten. Voor bestaande natuur is het ambitietype het streefbeeld voor kwaliteitsverbetering van een lager naar een hoger beheertype. Het verschil tussen de beheertypenkaart en de ambitiekaart laat de opgave zien. Voor bestaande natuur kan het ook nodig zijn om de kwaliteit van een bestaand beheertype te verhogen van laag naar hoog. Dit wordt niet aangestuurd door de ambitiekaart, maar door de kwaliteitsbeoordelingen op grond van de natuurmonitoring. Voor grote, bestaande natuurgebieden zoals de getijdewateren, de afgesloten zeearmen, de duinen en sommige krekengebieden, blijft op de langere termijn een grootschalig en extensief natuurbeheer gewenst op grond van de beheertype N01.01 Zee en wad, N01.02 Duin- en kwelderlandschap en N01.03 Rivier- en moeraslandschap. Dit biedt de beste waarborgen voor een effectief en efficiënt beheer en op duurzaam behoud van de kwaliteit van deze gebieden. Vanwege de nog aanwezige versnippering en de ontoereikende milieucondities wordt hier thans, op grond van de natuurbeheertypenkaart, nog een intensief en kleinschalig beheer gevoerd en zijn soms kwaliteitsverbeteringen noodzakelijk. Het is de bedoeling dit kleinschalige, intensieve beheer in deze grote natuurgebieden geleidelijk aan te extensiveren tot grootschalig beheer. Voor die bestaande natuurgebieden waar nu al duidelijk is dat de gewenste milieucondities voor grootschalige natuur onmogelijk op korte tot middellange termijn kunnen worden behaald, wordt het grootschalige beheertype vervangen door meer kleinschalige natuurbeheertypen. Dee ambitie voor weidevogelbeheer N13.01 Vochtig weidevogelgrasland blijft van toepassing binnen de reeds begrensde weidevogelkerngebieden. De ambitie voor bosgebieden blijft gericht op natuurlijke bostypen N14, N15 en N
  3. Bostypen met productie N16 worden omgevormd naar natuurlijke bostypen. 4.3Beleidsdoelen en criteria agrarisch natuur- en landschapsbeheer In deze paragraaf wordt beschreven welke beleidsdoelen de Provincie heeft, hoe de leefgebieden en categorieën begrensd zijn, hoe tot de begrenzing is gekomen en waar het gebied aan moet voldoen. Beleidsdoelen Voor het agrarisch natuur- en landschapsbeheer streeft de Provincie naar het behoud van een aantal soorten die van internationaal belang zijn. Op de website van BIJ12 is per agrarische beheertype een aantal soorten genoemd. Duiding van de soorten is eveneens te vinden via het rapport www.bij12.nl/wp-content/uploads/2024/02/Rap_2013-65_kansrijke_gebieden_voor_agrarisch_natuurbeheer.pdf. Naast de bekende soorten streeft de Provincie ook naar het behoud van soorten die tot nu toe weinig aandacht hebben gehad. De agrarische natuurtypen c.q. leefgebieden zijn gebieden die bijdragen aan de instandhouding en/of verbetering van een aantal soorten of soortengroepen uit de Vogel- en Habitat Richtlijn (VHR), aangevuld met provinciale soorten en/of bijdragen aan de versterking van het NNN, de kwaliteit van het landschap

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.