Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning SteenwijkerlandHet college van burgemeester en wethouders van Steenwijkerland; Gelet op: titel 4.3 van de Algemene wet bestuursrecht; De wet maatschappelijke ondersteuning 2015; De Verordening maatschappelijke ondersteuning Steenwijkerland; Overwegende dat: het college op grond van artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht bevoegd is beleidsregels vast te stellen; de Verordening maatschappelijke ondersteuning Steenwijkerland het kader vormt voor de uitvoering van de Wmo 2015; het college bij de uitvoering daarvan beoordelingsvrijheid heeft; het gewenst is beleidsregels vast te stellen over de invulling van de beoordelingsvrijheid die het college heeft zodat uitvoerders en inwoners weten waar zij aan toe zijn; Besluit: per 1 juni 2026 de volgende regels in te trekken: Beleidsregels Wmo 2015 gemeente Steenwijkerland 2020; Nadere regels kwaliteitseisen voor voorzieningen beschermd wonen in pgb; Beleidsregels Wmo beschermd wonen gemeente Steenwijkerland; de volgende Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Steenwijkerland vast te stellen en te bepalen dat deze met terugwerkende kracht in werking treden per 1 juni
(02). Indien noodzakelijk kan er een professional (bijvoorbeeld ergotherapeut/huishoudcoach of opruim coach) worden ingezet voor het (re)organiseren van de woning om te komen tot een omgeving waarin zowel de inwoners meer zelfstandig activiteiten kan uitvoeren als de ingezette hulp meer efficiënt en binnen de beschikbare tijd kan worden uitgevoerd. Hiervoor kunnen voor een periode van maximaal vier weken extra uren worden geïndiceerd. 3.2.2.1Advies, instructie, voorlichting, gericht op het huishouden Het kan hierbij gaan om instructie over: het omgaan met hulpmiddelen, uitvoeren van licht huishoudelijk werk, het doen van de was, boodschappen doen of maaltijden bereiden (ook koken). 3.2.2.2Dagelijkse organisatie van het huishouden Het kan hierbij gaan om lichte administratieve werkzaamheden, controle van houdbaarheidsdata etc. 3.2.2.
- Zorg voor minderjarige kinderen Het thuis zorgen voor de minderjarige kinderen die tot het huishouden behoren (die niet voor zichzelf kunnen zorgen) Structurele opvang valt niet onder huishoudelijke hulp. Het is de eigen verantwoordelijkheid van de ouder(s) om daarvoor te zorgen. Kinderopvang gaat voor op het verlenen van huishoudelijke hulp en is gangbaar tot en met vijf dagen per week. Het college verstrekt alleen bij hoge uitzondering en voor een zeer korte periode (max 4 weken) ondersteuning voor oppas en opvang van kinderen, zodat ouders de gelegenheid hebben om met gebruik van eigen kracht een structurele oplossing te vinden. 3.2.3Uitzonderingssituaties In zeer incidentele situaties kan er tijdelijk ondersteuning noodzakelijk zijn voor ondersteuning bij maaltijden, boodschappen doen en de verzorging van kinderen. De inzet is altijd gericht op het ingang zetten en opstarten van voorliggende oplossingen. De maximale periode waarvoor inzet op deze gebieden kan worden geïndiceerd is zes weken. 3.3Administratieve tabel In deze tabel omvat de officieel vastgestelde omschrijving en codes zoals bij de aanbesteding in 2024 is uitgevraagd en wordt hier voor de volledigheid gepubliceerd. Productcategorie Productcategorie omschrijving Productcode Eenheid Frequentie HH1 Schoonmaakondersteuning 010A01 Minuut Per week HH2 Schoonmaakondersteuning Regie en zorg 10A00 Minuut Per week 3.4Normenkader Huishoudelijke ondersteuning Voor het vaststellen van de taken wordt gebruik gemaakt van het HHM-Normenkader. Bijlage X geeft het normenkader voor de Huishoudelijke Ondersteuning weer. Per resultaatgebied is uitgewerkt hoeveel professionele inzet nodig is voor de verschillende resultaten in de gemiddelde inwonersituatie en wat het effect hierop is van verschillende factoren. De normtijden zijn weergegeven als ‘uren per jaar’ en ‘minuten per week’. Deze sluiten aan bij het Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2019 van HHM. Indien nodig kan het college gemotiveerd afwijken van de norm. 3.5Communicatie In deze beleidsregels is ervoor gekozen om voor iedere productcategorie een unieke specifiek communicatieparagraaf op te nemen. De communicatie rondom huishoudelijk hulp kent een aantal stappen. Het landelijke i-Wmo berichtenverkeer is hiervan een integraal onderdeel en regelt de administratieve processen met de aanbieder met betrekking tot toekenning (301 bericht), start (305 bericht)/stop (307 bericht) - en declaraties (323 bericht). In een administratie protocol (in de aanbesteding 2024 opgenomen) zijn deze afspraken op detail ingeregeld. 3.6Proces op hoofdlijnen Na de melding van de hulpvraag doet het college onderzoek en maakt het een onderzoeksverslag. Uit het onderzoeksverslag kan blijken dat de inwoner is aangewezen op huishoudelijke ondersteuning. Hiervoor wordt dan een besluit met indicatie afgegeven op uren/minuten per week en eventuele frequentie voorkeur. In de het verslag worden de afgesproken werkzaamheden en de te behalen doelen beschreven. (Plan van aanpak) Deze worden ook gecommuniceerd met de aanbieder (zie ook verordening) Na ontvangst van een Toekenningsbericht maakt de aanbieder met de inwoner een ondersteuningsplan op basis van het plan van aanpak. In dat ondersteuningsplan staat hoe de indicatie wordt gerealiseerd. Ook staat daarin voor de meeste taken de frequentie en de duur benoemd: hoe vaak wordt een bepaalde huishoudelijke taak geboden. Het ondersteuningsplan is integraal onderdeel van de beschikking en kan door de gemeente worden opgevraagd. Het ondersteuningsplan moet door de inwoner en de aanbieder worden getekend voor akkoord. Zodra de zorg wordt ingezet meldt de aanbieder dit bij de gemeente met het berichtenverkeer met een Start Zorg bericht. 3.7Eigen bijdrage Voor inzet van huishoudelijke ondersteuning vanuit de Wmo is een eigen bijdrage verschuldigd Voor de inzet van Huishoudelijke ondersteuning gelden de huidige landelijke regels met betrekking tot eigen bijdrage volgens het abonnementstarief. Deze processen zijn ingeregeld met landelijk berichtenverkeer. Na ontvangst van een melding Start Zorg geeft de gemeente de gegevens van de inwoner door aan het CAK. Inwoners dienen er rekening mee te houden dat dit landelijke beleid in de komende jaren naar verwachting zal worden aangepast en de lopende indicaties aangepast moeten worden. De eigen bijdrage kan alleen worden stopgezet bij een onderbreking van meer dan 6 weken van alle door de Wmo verstrekte voorzieningen waarop de eigen bijdrage van toepassing is. Hoofdstuk4.Ondersteuning gericht op het wonen Ondersteuning gericht op het wonen is een mogelijke maatwerk oplossingen in het kader van de Wet Maatschappelijke ondersteuning. Het college verleent zo nodig een maatwerkvoorziening in de vorm van: een verhuiskostenvergoeding of een woningaanpassingen; en/of hulpmiddelen om zich in en om de woning verplaatsen, of om de elementaire woonfuncties uit te voeren. Denk aan een rolstoel of een tillift. 4.1Beleid en richtlijnen Voor woonvoorzieningen gelden een aantal beleidsmatige uitgangspunten en voorwaarden die het fundament vormen voor het toekennen van maatwerkvoorzieningen gericht op het wonen welke bijdragen tot het bereiken van uitgangspunten van de Wmo. 4.1.1Normaal gebruik van de woning Bij het verstrekken van maatwerkoplossingen voor de woning gaat het alleen om de ruimten waarop de inwoner is aangewezen voor het verrichten van elementaire woonfuncties en het bereiken van die ruimten. Onder specifiek omschreven en gemotiveerde omstandigheden kan het te bereiken resultaat ook betrekking hebben op de berging, of de toegang van de tuin of balkon van de woning. Het college houdt geen rekening met voorzieningen met een therapeutisch doel (bijvoorbeeld dialyseruimten, therapeutisch baden). Voor het gebruik van hobbyruimten en studeerkamers worden geen woonvoorzieningen getroffen, omdat dit geen ruimten zijn met een elementaire woonfunctie. 4.1.2Primaat van verhuizen Als er veel kosten zijn gemoeid met het aanpassen van een woning (richtlijn: twee keer het bedrag van de in het financieel besluit vastgestelde bedrag voor een verhuiskostenvergoeding), kan verhuizen de (goedkoopst) passende oplossing zijn. Het college kan dan een verhuiskostenvergoeding verstrekken, eventueel aangevuld met losse woonvoorzieningen en/of noodzakelijke aanpassingen. Bij het maken van de afweging tussen aanpassen en verhuizen, maakt het college een kostenafweging tussen het aanpassen van de huidige woonruimte enerzijds en het verhuizen (inclusief eventuele aanpassingskosten in de nieuwe woning) anderzijds. Voor de kosten die met het verhuizen gemoeid zijn, geldt de hoogte van de verhuiskosten en/of inrichtingskosten. Het college weegt de kosten vervolgens af tegen de belangen van inwoner. Er kunnen zwaarwegende redenen zijn waardoor een uitzondering moet worden gemaakt op het verhuisprimaat. Voorbeelden hiervan zijn: De aanwezigheid van mantelzorg door mensen in de directe omgeving van de woning maakt het niet acceptabel dat de inwoner verhuist. Daarvan is sprake als de mantelzorg een wezenlijke bijdrage levert aan het behoud van de zelfredzaamheid van de inwoner, met het oog op het doel om zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving te kunnen blijven wonen. Dat is bijvoorbeeld het geval als de mantelzorg ondersteuning vanuit de Wmo (grotendeels) overbodig maakt en duidelijk is dat de mantelzorg in zijn bestaande omvang en intensiteit bij een eventuele nieuwe woning niet (meer) kan worden verleend. Het college weegt de belangen van huisgenoten die onderdeel uitmaken van de leefeenheid mee bij de beoordeling of het primaat van verhuizen kan worden toegepast. De verhuizing leidt tot inkomstenderving doordat bedrijfsmatige activiteiten niet meer kunnen worden uitgeoefend of het verplaatsen van het bedrijf onredelijke kosten met zich meebrengt. Hierbij kan het gaan om de inwoner zelf maar ook om zijn partner. De woning waarnaar moet worden verhuisd, brengt een substantiële stijging van de totale woonlasten met zich mee die redelijkerwijs niet aanvaardbaar is. Het hebben van erg lage woonlasten betekent niet zondermeer dat het primaat van verhuizen niet kan worden toegepast. Bij een koopwoning wordt het primaat van verhuizen niet toegepast als de inwoner en/of de mede-eigenaar van de woning, bijvoorbeeld diens partner, met een aanzienlijke restschuld blijft/blijven zitten na de verkoop van de woning. Of daarvan sprake is, beoordeelt het college in het individuele geval. De financiële tegemoetkoming voor verhuiskosten en/of inrichtingskosten wordt pas uitbetaald nadat de inwoner is verhuisd naar een door het college geschikt bevonden woning. 4.2Woningaanpassing 4.2.1Uitgangspunten Een woningaanpassing is alleen mogelijk wanneer de woning is onderhouden en de woningaanpassing een toevoeging is aan de woning. Als de inwoner is aangewezen op een woningaanpassing, dan wordt een programma van eisen opgesteld door de gemeente. De geadviseerde woningaanpassingen zijn altijd gebaseerd op de goedkoopste passende oplossing. Indien het eigen woning betreft dient de eigenaar twee offertes te overleggen binnen de gestelde termijn De woningaanpassing moet volgens het programma van eisen worden uitgevoerd. Alleen met de door het college verleende toestemming kan worden begonnen met de werkzaamheden. Nadat de werkzaamheden zijn voltooid, kan het college controleren of aan het programma van eisen is voldaan. Meerwerk inclusief uitvoeringskosten bij aanvang van de woningaanpassing dient separaat te worden geoffreerd aan de inwoner en kan alleen in overleg en met schriftelijke toestemming op kosten van de inwoner vanuit de gemeente worden uitgevoerd wanneer dit het meerwerk past binnen het opgestelde programma van eisen. 4.2.2Algemeen gebruikelijk Aanpassingen als benoemd in bijlage 2 komen niet voor vergoeding via de Wmo in aanmerking. 4.2.3Convenant Woningbouw corporaties Voor het uitvoeren van woningaanpassingen bij woningen die toe behoren aan Woonconcept en Wetland wonen gelden de uitvoeringsafspraken zoals vastgelegd in het woonconvenant vastgesteld op 6 mei
- Bij de overige verhuurinstanties is de inwoners zelf verantwoordelijk voor het aanleveren van een offerte in samenspraak met de verhuurder. De verhuurder dient toestemming te geven voor de aanpassingen. 4.2.4Collectieve voorzieningen Voorzieningen die aangebracht worden in collectieve/algemene ruimten worden in overleg met de eigenaar van de collectieve toegang of algemene ruimte bij de eerste verstrekking altijd op een individuele inwoner afgegeven inclusief het onderhoud. Na verhuizing, overlijden of andere reden waardoor de voorziening niet meer adequaat is voor de inwoner wordt de voorziening aangeboden aan de eigenaar van de algemene ruimte. Het onderhoud wordt overgedragen aan de woningeigenaar. Als de eigenaar deze voorziening niet wenst over te nemen dan wordt het onderhoudscontract beëindigd en de voorziening indien gewenst verwijderd op kosten van de eigenaar van de voorziening. 4.2.5Onvoorziene Meerkosten Achteraf gemaakt meerkosten bovenop een door de gemeente goedgekeurde offerte is alleen mogelijk als dit de kosten betreft met betrekking tot een onvoorziene meerprijs van materialen. (e.g. duurdere tegels). Deze meerkosten dienen voor uitvoering in een separate offerte te worden aangeleverd en te worden goedgekeurd. 4.3Trapliften De gemeente heeft regionale collectieve afspraken over de inzet, het plaatsen en verwijderen van trapliften met een vaste leverancier. Deze leverancier heeft deze opdracht verkregen via een Europese aanbesteding. Na het vaststellen van de noodzaak voor een traplift wordt de aanvraag voor inmeten en het beoordelen door de indicatiesteller bij de trapliftenleverancier gedaan. De indicatiesteller geeft hierbij de gewenste plaatsingszijde aan. De verantwoordelijkheid voor het beoordelen van het type traplift, het inmeten, de plaatsing en het onderhoud van de traplift is belegd bij de leverancier. Als na het inmeten van de leverancier het noodzakelijk blijkt dat het een traplift betreft welke valt buiten het standaard assortiment brengt de leverancier een offerte uit volgens de vastgelegde afspraken. 4.4Roerende hulpmiddelen ten behoeve van het wonen Roerende hulpmiddelen zijn verplaatsbare, niet aan de woning bevestigde voorzieningen die een inwoner ondersteunen bij het voeren van een huishouden, het zich verplaatsen in en om de woning, of het verrichten van algemene dagelijkse levensverrichtingen. De hulpmiddelen maken geen onderdeel uit van de woning en kunnen door de inwoner worden meegenomen wanneer deze verhuist. Deze categorie hulpmiddelen wordt onderscheiden van woningaanpassingen, die wél aard- en nagelvast aan de woning zijn verbonden. 4.4.1Verstrekking en gebruik Roerende hulpmiddelen worden in principe in bruikleen verstrekt via de gecontracteerde leverancier van de gemeente. (zie bijlage 6) Bij verhuizing binnen de gemeente neemt de inwoner het hulpmiddel mee, tenzij het hulpmiddel locatie gebonden is of de gemeente anders bepaalt. In overleg kunnen er afspraken worden gemaakt met de gemeente waar de inwoner naar toe verhuist of op basis van het verhuisconvenant met het Zilveren kruis als het een WLZ- verhuizing betreft. 4.5Proces op hoofdlijnen Na de melding van de hulpvraag doet het college onderzoek en maakt het een onderzoeksverslag. Uit het onderzoeksverslag kan blijken dat de inwoner is aangewezen op een woonvoorziening. In de het verslag worden de hiermee te behalen doelen beschreven en de afgesproken aanpassingen beschreven. Het te verwachten bedrag van de aanpassing wordt op basis van het programma van eisen of door de inwoner via een offerte opgevraagd of/er wordt een inschatting gemaakt door de woningcorporatie. Hiervoor wordt dan een besluit met indicatie afgegeven met een programma van eisen en een indicatie van de hoogte van het bedrag. Het definitieve bedrag wordt vastgesteld nadat de aanpassingen zijn gerealiseerd en dit bedrag wordt doorgegeven aan het CAK als basis voor de eigen bijdrage. 4.6Eigen bijdrage Voor een woonvoorziening vanuit de Wmo is een eigen bijdrage verschuldigd. Voor de vertrekking van woningaanpassingen en roerende woonvoorzieningen gelden de huidige landelijke regels met betrekking tot eigen bijdrage volgens het abonnementstarief. Na ontvangst van een melding dat de aanpassingen is afgerond of het hulpmiddel is geleverd geeft de gemeente de gegevens van de inwoners door aan het CAK. Voor woningaanpassingen geldt dat het bedrag van de woningaanpassing aan het CAK wordt doorgegeven en de periode van de Eigen bijdrage eindigt wanneer het volledige bedrag is betaald. Echter wanneer er meerdere voorzieningen in het kader van de Wmo zijn verstrekt loopt de eigen bijdrage door zolang de inwoner gebruik blijft maken van deze voorzieningen. Deze processen zijn ingeregeld met landelijk berichtenverkeer. Inwoners dienen er rekening mee te houden dat dit landelijke beleid in de komende jaren naar verwachting zal worden aangepast en de lopende indicaties aangepast moeten worden. Hoofdstuk5.Rolstoelen- en vervoersvoorzieningen 5.1Inleiding Het college kan een rolstoel of vervoersvoorziening toekennen als compensatie van beperkingen bij participatie aan het dagelijkse leven. Het gaat daarbij altijd om het zich kunnen verplaatsen in de directe en nabije leefomgeving zodat de inwoner kan deelnemen aan het maatschappelijke verkeer. Het te bereiken resultaat van het zich kunnen verplaatsen met als doel participatie kan bestaan uit: het kunnen bereiken van winkels en andere noodzakelijke voorzieningen; het kunnen onderhouden van sociale contacten; het deelnemen aan activiteiten binnen de leefomgeving van de inwoner. 5.2Beleid en richtlijnen 5.2.1.Algemeen gebruikelijke vervoersvoorzieningen Bij de beoordeling van de aanspraak op een vervoersvoorziening wordt bekeken of een algemeen gebruikelijke voorziening, zoals bijvoorbeeld een fiets met hulpmotor of brommer, een adequaat vervoermiddel is voor de inwoner. 5.2.2Bereiken en gebruiken van het openbaar vervoer Bij de beoordeling wordt onderzocht of het openbaar vervoer kan worden bereikt. Daarbij gaat het college ervan uit dat een afstand van 800 meter in 20 minuten kan worden afgelegd. Mogelijk kan dat met de fiets of met de gebruikelijke loophulpmiddelen zoals een rollator of een stok. 5.2.3Vervoersbehoefte Bij het onderzoek naar de goedkoopst passende bijdrage wordt de vervoersbehoefte van de inwoner vastgesteld. Het college onderzoekt deze behoefte aan de hand van de volgende kenmerken: verplaatsingsgedrag (afstand en frequentie); het verplaatsingsmotief (waarom); de verplaatsingsbestemming (waarheen) 5.2.4Leefomgeving Onder leefomgeving in het kader van deelname aan het maatschappelijk verkeer wordt een afstand aangehouden van maximaal 20 kilometer rondom de woning. 5.2.5Vervoer buiten de leefomgeving Voor vervoer buiten de leefomgeving verstrekt het college geen voorziening. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de eigen auto of het openbaar vervoer. Als het reguliere openbaar vervoer om medische redenen niet mogelijk is, bestaan de mogelijkheden van Valys. Zijn er geen mogelijkheden en is Valys niet (meer) mogelijk, dan kan het college overgaan tot het verlenen van een maatwerkvoorziening. Dan moet wel sprake zijn van een uitzonderingssituatie. Dat is alleen het geval bij een bovenregionaal sociaal contact, dat uitsluitend door de inwoner zelf bezocht kan worden en het bezoek voor de inwoner noodzakelijk is om dreigende vereenzaming te voorkomen. 5.2.6Omvang Het college gaat uit van een vervoersbehoefte met een omvang van maximaal 2000 kilometer per jaar. 5.2.7Eigen kracht Het college kent geen voorziening toe als aanspraak bestaat op een voorziening op grond van een andere wet, waarmee een gelijk doel kan worden bereikt. In dat geval behoort het tot de eigen verantwoordelijkheid van de inwoner om de aanspraak te gelde te maken. Hieronder staat een aantal voorbeelden genoemd. 5.2.8Ziekenvervoer Op grond van de ZVW bestaat aanspraak op zittend ziekenvervoer als de inwoner onder de doelgroep valt (nierdialyses moet ondergaan, oncologische behandelingen met chemotherapie of radiotherapie moet ondergaan, zich uitsluitend per rolstoel kan verplaatsen of het gezichtsvermogen zodanig is beperkt dat hij zich niet zonder begeleiding kan verplaatsen) of met succes een beroep kan doen op de hardheidsclausule. Ook ambulancevervoer valt onder de ZVW. 5.2.9Verplaatsen op of naar het werk of opleiding. Het college verstrekt geen voorziening vanuit de Wmo voor vervoer op of naar het werk. Hiervoor zijn landelijke regelingen beschikbaar die worden uitgevoerd door het UWV. Het behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van de aanvrager deze voorziening aan te vragen. 5.2.10Verplaatsen naar de maatwerk dagbesteding De gecontracteerde aanbieders voor dagbesteding zijn naar verwachting vanaf 2027verantwoordelijk voor het organiseren van het vervoer van en naar de dagbesteding 5.3.Aanspraak vervoersvoorziening 5.3.1Criteria Tijdens het onderzoek worden ook de hiernavolgende zaken meegewogen. Mobiliteit maximale loopafstand op goede dag; maximale loopafstand op slechte dag; gebruik loophulpmiddel: (rollator, wandelstok, kruk, etc.); gebruik rolstoel/scootmobiel: (type, bijvoorbeeld elektrische rolstoel); in staat gebruik te maken van de scootmobielpool (indien aanwezig en geschikt). Uithoudingsvermogen: maximale reisduur; kan gedurende de reis overstappen; invloed weersomstandigheden op functioneren; invloed tijdstip (overdag/avond) op functioneren. Organisatie en begeleiding van de reis kan zonder begeleiding met het OV; kan met begeleiding in het OV, zonder begeleiding met de taxi; kan met begeleiding in het OV en met begeleiding met de taxi; kan alleen met begeleiding met de taxi. Combinatiemogelijkheden bij vervoer in de taxi kan met iedereen gecombineerd worden; kan alleen met eigen doelgroep gecombineerd worden; kan met niemand gecombineerd worden. 5.3.2Proces Na het vaststellen van de noodzaak voor een vervoershulpmiddel wordt de aanvraag voor inmeten en het beoordelen door de indicatiesteller bij de hulpmiddelenleverancier gedaan. De verantwoordelijkheid voor het beoordelen van het type hulpmiddel, het inmeten, de passing, levering en het onderhoud van het hulpmiddel is belegd bij de leverancier. 5.3.3Eigen bijdrage vervoershulpmiddelen Voor het gebruik van een vervoershulpmiddel vanuit de Wmo is een eigen bijdrage verschuldigd uitgezonderd de vervoerskostenvergoeding. Voor de inzet van vervoershulpmiddelen gelden de huidige landelijke regels met betrekking tot eigen bijdrage volgens het abonnementstarief. Deze processen zijn ingeregeld met landelijk berichtenverkeer. Na ontvangst van de leveringsdatum geeft de gemeente de gegevens van de inwoner door aan het CAK. Inwoners dienen er rekening mee te houden dat dit landelijke beleid in de komende jaren naar verwachting zal worden aangepast en de lopende indicaties aangepast moeten worden. 5.3.4Producten vervoersvoorzieningen Onder vervoersvoorzieningen vallen in ieder geval: meerdere vormen van vervoerskostenvergoedingen bijzondere fietsen gericht op mensen met een beperking; scootmobiel; aanpassing van de eigen auto. LET OP: In Steenwijkerland is er lokaal geen mogelijkheid om gebruik te maken van collectief vervoer. Voor vervoersbewegingen binnen de gemeente wordt er intensief gebruik gemaakt van het vrijwilligersvervoer. Dit staat los van de gemeente. In 2027 wordt hier onderzoek naar gedaan. 5.3.4.1Vervoerskostenvergoeding Een vervoerskostenvergoeding wordt verstrekt als maatwerkvoorziening wanneer: Het vervoer noodzakelijk is om de inwoner in staat te stellen tot deelname aan de samenleving. De vergoeding wordt verstrekt voor de meerkosten die de inwoner maakt door zijn beperking, wanneer andere vervoersopties niet beschikbaar of niet geschikt zijn. De vergoeding kan betrekking hebben op: kosten voor individueel taxivervoer; gebruik van een eigen auto (vergoeding per kilometer); rolstoel- of aangepast vervoer De normen voor het vaststellen van de hoogte van een vervoerskostenvergoeding zijn opgenomen in het financiële besluit. 5.3.4.2Incidenteel rolstoelgebruik Een rolstoel voor incidenteel gebruik (ook wel transportrolstoel genoemd) is niet voor dagelijks zittend gebruik noodzakelijk en wordt niet verstrekt vanuit de Wmo. Doorgaans wordt deze gebruikt als men zich elders moet verplaatsen en dat zonder een rolstoel niet kan, zoals tijdens een uitstapje. Voor dit soort rolstoelen kan gebruik worden gemaakt van speciaal hiervoor beschikbare uitleendepots op grond van de ZVW of van rolstoelen die op de plaats van bestemming beschikbaar zijn, zoals in pretparken, dierentuinen, in het winkelcentrum, bij ziekenhuizen en dergelijke. 5.3.4.3Bijzondere fietsen gericht op mensen met een beperking Bijzondere fietsen kunnen voor verstrekking in aanmerking komen. Denk daarbij aan driewielfietsen of handbikes. Het indiceren van de noodzaak voor bijzonder fiets ligt bij de consulent, wanneer het een elektrische voorziening betreft is hiervoor een extra toets moment voorafgaand aan het afgeven van een beschikking door kwaliteit noodzakelijk. Een driewielfiets wordt alleen verstrekt als: er sprake is van een beperkte sta- en loopfunctie, ook gelet op het kunnen maken van transfers; en het overbruggen van afstanden op de plaats van bestemming de inwoner een beperkte loopafstand heeft (minimaal 250 meter met of zonder loophulpmiddel) en gelet op de beperkingen en de vervoersbehoefte op de middellange korte afstand (directe omgeving) is aangewezen op een driewielfiets; de inwoner in staat is om een eventueel aanvullend loophulpmiddel voor korte afstanden mee te nemen. niet op een andere wijze kan worden voorzien in deze vervoersbehoefte zoals een algemeen gebruikelijk verkrijgbare (elektrische) fiets; de inwoner zelf het voertuig veilig kan bedienen en besturen. Dit wordt zo nodig beoordeeld aan de hand van een rijvaardigheidstest; er een mogelijkheid is om de fiets te stallen en op te laden op een brandveilige plek de inwoner de fiets zelfstandig kan stallen en opladen Kinderen: Een normale kinderdriewieler wordt voor kinderen als algemeen gebruikelijk beschouwd en komt niet voor verstrekking in aanmerking. Driewielfietsen die speciaal bedoeld zijn voor kinderen met beperkingen kunnen voor verstrekking in aanmerking komen. 5.3.4.4Scootmobiel Een scootmobiel is een open elektrische buitenwagen bestemd voor gebruikers met een matige tot slechte sta- loopfunctie. De scootmobiel is bedoeld voor verplaatsingen in de directe omgeving van de woning, het onderhouden van sociale contacten, het doen van boodschappen, et cetera. 5.3.4.4.1 Criteria Een scootmobiel wordt alleen verstrekt als: er sprake is van een zekere sta- en loopfunctie, ook gelet op het kunnen maken van transfers; de inwoner een beperkte loopafstand heeft (maximaal 100 meter eventueel met loophulpmiddel) en gelet op de beperkingen en de vervoersbehoefte op de korte afstand (directe omgeving) is aangewezen op een scootmobiel; De inwoner in staat is om een eventueel aanvullend loophulpmiddel voor korte afstanden mee te nemen op de scootmobiel. niet op een andere wijze kan worden voorzien in deze vervoersbehoefte zoals met een hand- of duwstoel of een aangepaste fiets; de inwoner zelf het voertuig veilig kan bedienen en besturen. Dit wordt zo nodig beoordeeld aan de hand van een rijvaardigheidstest; er een mogelijkheid is om de scootmobiel te stallen en op te laden op een brandveilige plek de inwoner of een begeleider de scootmobiel zelf kan stallen en opladen 5.3.4.5Stalling scootmobielen en elektrisch aangedreven driewielfietsen Vervoersvoorzieningen, zoals een scootmobiel, en een elektrisch aangedreven driewielfiets moeten op een adequate wijze gestald worden. Het college onderzoekt of de inwoner zelf mogelijkheden heeft om hiervoor te zorgen, door bijvoorbeeld herinrichten of opruimen van de beoogde (stallings-)ruimte. Dit valt onder eigen kracht. Het college verstrekt alleen een voorziening voor stalling als de inwoner geen eigen mogelijkheden tot het stallen heeft en het (vergunning)technisch uitvoerbaar is. Een stalling heeft een dak, is aan drie zijden gesloten en indien nodig voorzien van een oplaadpunt. De inwoner die een woning huurt moet toestemming hebben van de verhuurder voor het stallen van een scootmobiel of elektrisch aangedreven driewielfiets 5.3.4.6(Electrische) Rolstoel Hoewel een rolstoel strikt genomen geen vervoersvoorziening is, kan daar in het kader van deelname aan het maatschappelijk verkeer wel rekening mee worden gehouden. De inwoner kan een (elektrische) rolstoel namelijk ook gebruiken voor verplaatsingen in de directe woon-en leefomgeving. 5.3.4.7Autoaanpassingen Als uit het onderzoek blijkt dat de inwoner geen gebruik kan maken van (rolstoel)taxivervoer, dan kan in uitzonderingssituaties een aanpassing van de eigen auto aangewezen zijn. Daarbij wordt een aantal uitgangspunten gehanteerd: Is het gebruik van de eigen auto nodig voor het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel én is het (individueel) vervoer geen passende bijdrage? Is een autoaanpassing de goedkoopst passende bijdrage? Wat is de ouderdom en technische staat van de auto? Een auto moet minimaal zeven jaar veilig kunnen rijden. Als een auto zeven jaar of ouder of is er al 75.000 kilometer of meer mee gereden, dan kan een technische keuring van de auto door een onafhankelijke instantie (bijvoorbeeld de ANWB) nodig zijn om te kunnen beoordelen of de aanpassing nog verantwoord is met het oog op de technische staat en de verwachte levensduur van de auto. Heeft een auto al meer dan 75.000 kilometer gereden dan gaat het college daar niet van uit. Is de inwoner eigenaar en bestuurder van de auto? Onder de eigenaar van de auto kan ook de wettelijk vertegenwoordiger van het kind worden verstaan waar de autoaanpassing voor bestemd is. Fondsenwerving Het kan voor komen dat een inwoner met behulp van fondsen een auto of bus kan aanschaffen. Vaak moeten aan zo’n auto of bus nog aanpassingen verricht worden. Inwoner moet daarom voor de aanschaf toestemming verkrijgen van het college. 5.4Aanspraak rolstoel (semi)permanent gebruik Wanneer een inwoner voor al zijn verplaatsingen binnen- en buitenshuis (semi)afhankelijk en langdurig afhankelijk is van een rolstoel komt de inwoner in aanmerking voor een maatwerk rolstoel voor (semi)permanent gebruik. 5.4.1.Criteria De consulent stelt samen met de inwoner en eventueel ondersteund door een extern adviseur (ergotherapeut) een programma van eisen op waarin minimaal de volgende onderwerpen worden beschreven: medische noodzaak (duur en omvang van beperkingen) loopafstand gebruik overige loophulpmiddel: (rollator, wandelstok, kruk, etc.); wijze van transfers zithouding/zitbalans handfunctie woonsituatie Het programma van eisen wordt aan de gecontracteerde leverancier opgestuurd waarbij een advies wordt gegeven voor de categorie waarbinnen het geïndiceerde hulpmiddel zou moeten vallen. Een overzicht van de te indiceren categorieën is opgenomen in bijlage 7 5.4.2Proces Na het vaststellen van de noodzaak voor een rolstoel wordt de aanvraag voor inmeten en het beoordelen door de indicatiesteller bij de hulpmiddelenleverancier gedaan. De verantwoordelijkheid voor het beoordelen van het type hulpmiddel, het inmeten, de passing, levering en het onderhoud van het hulpmiddel is belegd bij de leverancier. 5.4.3Eigen bijdrage Rolstoelen (semi)permanent gebruik Inwoners die gebruik maken van een rolstoel zoals bedoeld onder 5.4 hoeven hiervoor geen eigen bijdrage af te dragen aan het CAK. 5.5Sportvoorziening Een sportvoorziening is een op de inwoner afgestemde maatwerkvoorziening die gebruikt kan worden voor die sportbeoefening mogelijk maakt. Vastgesteld moet worden of de inwoner structureel deelneemt aan sportactiviteiten, of de inwoner heeft onderzocht in hoeverre er voorliggende mogelijkheden zijn om de sportvoorziening te financieren Sportvoorzieningen zijn geen onderdeel van de Wmo en worden alleen verstrekt in de vorm van een vergoeding. In de verordening van Steenwijkerland is dit opgenomen als bovenwettelijke vergoeding. In Steenwijkerland kan een inwoner eenmaal per drie jaar een aanvraag doen voor een bijdrage voor een sportvoorziening. De gemeente kan de inwoner achteraf verzoeken om aan te tonen dat deze vergoeding is ingezet voor het afgesproken doel. Hoofdstuk6Begeleiding LET OP: In Steenwijkerland worden in 2026/2027 de uitgangpunten, de maatwerkmogelijkheden en de contractafspraken en de wijze van financieren met betrekking tot de ondersteuning in de vorm van WMO—begeleiding herzien. Vanaf medio 2027 zal hierbij het “Landelijke normenkader Begeleiding” van HHM leidend zijn bij het beleid en de indicatiestellingen. Naar verwachting zullen in 2027 de beleidsregels hierop moeten worden aangepast. De huidige beleidsregels worden in deze versie zeer beperkt uitgewerkt. 6.1Algemeen Wmo-Begeleiding bestaat uit activiteiten die gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, zodat inwoners zo lang mogelijk thuis kunnen blijven wonen. Binnen Steenwijkerland bestaat dit uit Ambulante begeleiding en Dagbesteding 6.1.1Begeleiding individueel Begeleiding individueel wordt ingezet voor inwoners die ondersteuning nodig hebben bij: plannen, structureren en organiseren; persoonlijke verzorging en dagstructuur; administratie en financiën (beperkt ondersteunend, geen overname); sociale vaardigheden; aanleren van vaardigheden ter vergroting van zelfstandigheid. 6.1.2Begeleiding groep (dagbesteding) Dagbesteding wordt ingezet wanneer: structuur en sociale activering essentieel zijn; individuele begeleiding onvoldoende is; het bijdraagt aan voorkomen van eenzaamheid en stabiliteit. Dit sluit aan op de gemeentelijke informatie waar dagbesteding als maatwerkvoorziening wordt genoemd. 6.2Vaststellen omvang Indicatie voor begeleiding worden afgeven op basis van een budgetfinanciering waarbij het budget berekend wordt via een specifiek voor Steenwijkerland vastgestelde formule. Het gebruik van deze formule is onderdeel van de contracten met de zorgaanbieders. Deze formule gaat uit van een maximale uitnutting van de indicatie van 65% van de geïndiceerde tijd. 6.3Inzet PGB Begeleiding 6.3.1Voorwaarden pgb Het college biedt een maatwerkvoorziening in beginsel aan in de vorm van zorg in natura. Indien de cliënt/inwoner gemotiveerd aangeeft een persoonsgebonden budget te wensen, beoordeelt het college of een pgb, gelet op de vereisten van artikel 2.3.6 Wmo 2015, een passende vorm van ondersteuning is. De cliënt moet beschikken over voldoende pgb vaardigheden, zoals het voeren van administratie, het selecteren van zorgverleners en bewaken van kwaliteit. De cliënt dient een pgb plan in. Het budget wordt vastgesteld op basis van inzet en tarieven in overeenstemming met gemeentelijk beleid zoals vastgesteld in het financiële besluit. Hoofdstuk7.Beschermd wonen, Begeleid Wonen en Beschermd Thuis 7.1Algemeen Beschermd Wonen is het wonen in een accommodatie van een instelling met daarbij behorend toezicht en begeleiding, gericht op: Het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie en het psychisch en psychosociaal functioneren; Stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld; Voorkomen van verwaarlozing en/of maatschappelijke overlast; Het afwenden van gevaar voor de inwoner of anderen. Er kan daarbij sprake zijn van (meervoudige) complexe problematiek, verslaving en/of (licht) verstandelijke beperking, echter de psychiatrische problematiek staat op de voorgrond. Begeleid Wonen is het zoveel mogelijk zelfstandig wonen in een accommodatie van een aanbieder. Inwoners ontvangen ondersteuning op maat, gericht op persoonlijke groei en zelfredzaamheid. Begeleid Wonen is een tussenvorm tussen Beschermd Wonen en Beschermd Thuis, waarbij de inwoner kan toegroeien naar de benodigde relatieve zelfstandigheid voor Beschermd Thuis. Beschermd Thuis is het wonen in een zelfstandige woning met daarbij behorende begeleiding en kan worden ingezet: als er sprake is van psychische of psychosociale problemen, maar verblijft in de beschermde woonomgeving van een instelling niet noodzakelijk is; als er sprake is van een duidelijke begeleidings- en ondersteuningsbehoefte ten aanzien van het dagelijks leven en waarbij het 24/7 kunnen inschakelen van begeleiding/nabijheid voldoende houvast biedt. 7.2Producten 7.2.1Beschermd Wonen producten Beschermd Wonen kent verschillende intensiteiten, waarop twee producten zijn ingericht: Beschermd Wonen Plus: intensieve begeleiding, 24/7 toezicht en gedragsregulering; Beschermd Wonen Basis: intensieve begeleiding, 24/7 toezicht. Op de bovenstaande producten kan een aanvullende module worden afgegeven: Module Dagbesteding; Module Verblijf kind bij ouder; Module Nazorg (na einddatum beschikking Beschermd Wonen). De gemeenten van de regio IJssel-Vecht ((Gemeenten Dalfsen, Hardenberg, Kampen, Ommen, Steenwijkerland, Staphorst, Zwartewaterland en centrumgemeente Zwolle) werken nauw samen op het gebied van Beschermd Wonen. 7.2.2Product Begeleid Wonen Het product Begeleid Wonen bestaat uit reguliere tot intensieve begeleiding met 24/7 bereikbaarheid. Op het product Begeleid Wonen kan een aanvullende module worden afgegeven: Module Dagbesteding; Module Verblijf kind bij ouder; Module Nazorg (na einddatum beschikking Begeleid Wonen). Begeleid Wonen is, in tegenstelling tot de Beschermd Wonen producten, vanaf 1 juli 2026, een lokaal gefinancierd product. 7.2.3Product Beschermd Thuis Naast de regionale producten Beschermd Wonen en het lokale product Begeleid Wonen biedt de gemeente Steenwijkerland ook het product Beschermd Thuis: Wonen in een zelfstandige woning met reguliere tot intensieve begeleiding, 24/7 bereikbaarheid. Beschermd Thuis is onderscheidend van Beschermd- of Begeleid Wonen in die zin dat de inwoner niet in een instelling of instellingswoning verblijft, maar in staat is om zelfstandig te wonen met huur op eigen naam, met reguliere tot intensieve begeleiding en 24/7 bereikbaarheid van de begeleiding. Beschermd Thuis kan ook worden ingezet als overbrugging voor een inwoner die met een Beschermd- of Begeleid Wonen beschikking op de wachtlijst staat. Daarnaast wordt Beschermd Thuis ingezet voor inwoners die de overstap maken van Beschermd- of Begeleid Wonen naar Beschermd Thuis. Waarna mogelijk in een later stadium de begeleiding stapsgewijs kan worden afgebouwd. 7.3Lokale toegang Voor zowel de Beschermd Wonen producten, voor Begeleid Wonen als voor het product Beschermd Thuis geeft de lokale toegang van de gemeente Steenwijkerland de beschikking af. Voor de regionale producten Beschermd Wonen Basis en Beschermd Wonen Plus wordt de inwoner na de toekenning op de regionale wachtlijst van de regio IJssel-Vecht geplaatst en zoeken de wachtlijstbeheerders van GGD-IJsselland een passende plek bij een gecontracteerde aanbieder. Voor de lokale producten Begeleid Wonen en Beschermd Thuis wordt de inwoner na de toekenning op de lokale wachtlijst geplaatst en zoekt het Wmo-team van de gemeente Steenwijkerland een passende plek bij een gecontracteerde aanbieder. 7.4Verstrekkingsvorm: ZIN of PGB Steenwijkerland gaat uit van voldoende passend aanbod in de vorm van zorg in natura (ZIN), bij de lokaal en regionaal gecontracteerde aanbieders. Als de inwoner van mening is dat er niet voldoende passend aanbod is of een andere vorm van ondersteuning wenst, is het onder voorwaarden mogelijk de ondersteuning bij een niet-gecontracteerde zorgaanbieder af te nemen. De gemeente kan hiervoor een persoonsgebonden budget afgeven. De voorwaarden voor het toekennen van een persoonsgebonden budget en de pgb-aanvraag procedure staan beschreven in artikel 12 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Steenwijkerland. 7.5Tarieven regionaal en lokaal De producten Beschermd Wonen Basis en Beschermd Wonen Plus worden regionaal ingekocht binnen de regio IJssel-Vecht en jaarlijks per kalenderjaar vastgesteld door de centrumgemeente Zwolle. De tarieven voor Begeleid Wonen en Beschermd Thuis en de PGB tarieven worden jaarlijks door Burgemeester en wethouders van de gemeente Steenwijkerland vastgesteld in het Financieel besluit Wmo gemeente Steenwijkerland. 7.6 PGB De hoogte van dit pgb wordt bepaald op basis van: het uurtarief passend bij het van toepassing zijnde arrangement; het aantal geïndiceerde uren. Het aantal geïndiceerde uren bestaat uit twee componenten: Collectieve component: deze component bedraagt 4 uur. Individuele component: deze component betreft de benodigde begeleiding die past bij de individuele zorgvraag van de inwoner. Uitgangspunt bij het bepalen van de omvang van deze component is de omvang van het geïndiceerde arrangement. Binnen de bandbreedte van het arrangement wordt gemotiveerd welke omvang voor de inwoner noodzakelijk is. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in begeleiding basis (mbo) en begeleiding specialistische (hbo). 7.7Landelijke toegankelijkheid Beschermd Wonen is landelijk toegankelijk. Inwoners kunnen zich dus ook tot andere gemeenten wenden voor beschermd wonen. De handreiking en beleidsregels landelijke toegankelijkheid zijn van toepassing. Hoofdstuk8.Maatschappelijke Opvang Maatschappelijke opvang bestaat uit het aanbieden van onderdak en begeleiding aan inwoners die de thuissituatie hebben verlaten en niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving. Maatschappelijke opvang heeft als doel inwoners zo snel mogelijk weer in staat te stellen zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving. 8.1Centrale toegang De gemeenten van de regio IJssel-Vecht hebben de maatschappelijke opvang regionaal georganiseerd. Als een inwoner van Steenwijkerland dak- of thuisloos raakt wordt hij of zij doorverwezen naar de Centrale Toegang van de GGD-IJsselland. De Centrale Toegang beslist over de aanvragen en kan ook beslissen over het herzien of intrekken van een beslissing. Het besluit tot toekenning van maatschappelijke opvang is maatwerk en is afhankelijk van verschillende factoren. De Centrale Toegang beoordeelt of iemand aan de voorwaarden voldoet. 8.2Tarieven De tarieven Maatschappelijke Opvang voor de regio IJssel-Vecht worden jaarlijks vastgesteld door de centrumgemeente Zwolle en worden gepubliceerd in het financieel besluit. 8.3Landelijke toegankelijkheid Maatschappelijke Opvang is landelijk toegankelijk. Inwoners kunnen zich dus ook tot andere gemeenten wenden voor maatschappelijke opvang. De handreiking en beleidsregels landelijke toegankelijkheid zijn van toepassing. Hoofdstuk9Persoonsgebonden budget 9.1Beoordeling van de voorwaarden 9.1.1PGB -vaardigheid Bij het vaststellen of de inwoner dan wel zijn vertegenwoordiger in staat is te achten de aan een pgb verbonden taken op een verantwoorde wijze uit te oefenen, beoordeelt het college de volgende aspecten. De inwoner dan wel zijn vertegenwoordiger moeten in ieder geval: kunnen overzien wat de situatie is en een duidelijk beeld hebben van de zorgvraag; op de hoogte zijn van de regels en verplichtingen die horen bij het pgb of die zelf weten te vinden bij de desbetreffende instanties (online); in staat zijn om een overzichtelijke pgb-administratie bij te houden; voldoende kunnen communiceren met de gemeente, de SVB en zorgverleners; in staat zijn om zelfstandig te handelen en onafhankelijk voor een zorgverlener te kiezen; in staat zijn om afspraken te maken en vast te leggen en om deze te verantwoorden; kunnen beoordelen en beargumenteren of de geleverde zorg passend en kwalitatief goed is; de inzet van zorgverleners kunnen coördineren waardoor de zorg door kan gaan, ook bij verlof en ziekte; in staat zijn om als werk- of opdrachtgever de zorgverleners aan te sturen en aan te spreken op hun functioneren; voldoende (juridische) kennis hebben over het werk- of opdrachtgeverschap, of deze kennis weten te vinden. In de volgende situaties is in ieder geval sprake van een ernstig vermoeden dat de inwoner dan wel zijn vertegenwoordiger problemen zal krijgen met het uitvoeren van de taken die horen bij een pgb: er is sprake van schuldenproblematiek; er is sprake van een gok- of drugsverslaving; er is sprake van sterke vergeetachtigheid. 9.1.2Kwaliteit Bij het beoordelen van de kwaliteit van de met een pgb in te kopen ondersteuning houdt het college in ieder geval rekening met de hiernavolgende aspecten met het oog op de te bieden kwaliteit van de ondersteuning en de veiligheid van de inwoner. er moet een geldig uittreksel va de kamer van koophandel worden overlegd (Niet ouder dan 6 maanden) en van de volgende, geldige en bij de opdracht passende kwaliteitscertificaten dient te worden overlegd: ISO-9000, EN15224, HKZ, Prezo of Een actueel kwaliteitsplan/kwaliteitshandboek, passend bij de ondersteuning (inclusief protocollen, opleidingen etc. een kopie van de polis van een marktconforme en adequate verzekering of voorziening voor bedrijfsaansprakelijkheid van minimaal twee miljoen euro per gebeurtenis; een regeling voor de afhandeling van klachten; een regeling voor medezeggenschap en inspraak; een gedragsverklaring Aanbesteden of een VOG als er gene sprake is van een rechtspersoon. 9.1.3Professionele ondersteuner De geboden ondersteuning sluit aan bij de beperkingen die de inwoner ondervindt. De ondersteuning is in overeenstemming met het onderzoeksverslag. De ondersteuner die, al dan niet werkzaam via een professionele instelling, de geïndiceerde ondersteuning biedt, beschikt over een relevante opleiding en de juiste erkenningen. Indien de ondersteuner niet beschikt over een relevante opleiding, dient op een voor het college verifieerbare wijze te worden aangetoond dat deze beschikt over relevante werkervaring, bijvoorbeeld door middel van controleerbare referenties. Een EVC wordt niet aangemerkt als voldoende bewijsmiddel. Afhankelijk van de aard van de ondersteuning en de beperkingen en kwetsbaarheid van de inwoner beschikt de ondersteuner over een geldige Verklaring Omtrent Gedrag (VOG). Deze verklaring mag op het moment van aanvraag van de ondersteuning niet ouder zijn dan 12 maanden. 9.1.4Dubbelrol vertegenwoordiger Als degene die de inwoner vertegenwoordigt ook de ondersteuning verleent, beoordeelt het college of het persoonsgebonden budget op een verantwoorde en controleerbare wijze kan worden beheerd en of sprake is van voldoende waarborgen tegen oneigenlijk gebruik of misbruik. Indien het college van oordeel is dat deze waarborgen ontbreken, kan het college besluiten geen persoonsgebonden budget te verstrekken. Ondersteuning door personen die behoren tot het sociaal netwerk Personen behorend tot het sociaal netwerk van de inwoner worden niet als professionele ondersteuner beschouwd. 9.1.5Twijfels over integriteit ondersteuner Het college verstrekt geen pgb als er twijfels zijn over integriteit van de uitvoerder van de maatwerkvoorziening. Dit doet zich in ieder geval voor als die uitvoerder: fraude heeft gepleegd; betrokken is geweest bij strafbare feiten of overtredingen heeft begaan die de veiligheid en de kwaliteit van de maatwerkvoorziening in gevaar brengt; bestuursrechtelijke en/of fiscaalrechtelijke boetes opgelegd heeft gekregen; bestuursrechtelijke handhavingsmaatregelen opgelegd heeft gekregen in de vorm van een last onder bestuursdwang en/of dwangsom; en/of zijn directie en/of de aan hen gelieerde vennootschappen een zakelijk samenwerkingsverband onderhouden met derden die in relatie staan tot strafbare feiten of daarvan verdacht worden; zich niet professioneel gedraagt. Dit is bijvoorbeeld zoals de pgb-aanbieder zich intimiderend opstelt, geen voorbeeldfunctie toont of incidenten hebben plaatsgevonden binnen de uitvoering van zijn functie. 9.2Weigering pgb Het college kan een pgb weigeren als het college in de twee jaar voorafgaande aan de aanvraag een besluit heeft ingetrokken met toepassing van artikel 2.3.10, eerste lid onder a, d of e van de wet. 9.3Onderhoud en reparatie Een pgb wordt aangevuld met een component voor onderhoud en reparatie van: hef- en trapliften; patiënten tilliften; mechanisme voor een hoog /laag verstelbaar keukenblok; elektromechanische openings - en sluitingsmechanisme van deuren; intercom met elektrische slotplaat; (elektrische) rolstoelen; scootmobielen. 9.4Woningaanpassingen In tegenstelling tot diensten lopen pgb’s voor woningaanpassingen niet via de SVB. Deze pgb’s worden door het college aan de aannemer (de uitvoerder van de woningaanpassing) uitbetaald. Hoofdstuk10.Slotbepalingen 10.1Inwerkingtreding Deze beleidsregels treden met terugwerkende kracht per 1 juni 2026 onder de gelijktijdige intrekking van de Beleidsregels WMO 2015 gemeente Steenwijkerland 2020 in. Bijlagen Algemeen: Verordening Maatschappelijke ondersteuning Steenwijkerland zoals vastgesteld op 20 januari 2026 Financieel besluit Maatschappelijke Ondersteuning Steenwijkerland zoals vastgesteld maart 2026 Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2025 Bijlage1Voorbeelden van algemeen (gebruikelijke) voorzieningen Vervoer (Elektrische)Tandem (met uitzondering van een ouder-kind tandem) Fiets met lage instap, ligfiets Spartamet/tandemmet Elektrische fiets (al dan niet met lage instap) (Elektrische) bakfiets, fietskar, aanhangfiets uit de reguliere handel De gebruikskosten van een personenauto Brommer of scooter Wonen Verhoogd toilet Handgrepen Doucheglijstang Thermostaatkraan Eenhendelmengkraan Kookplaat (alle varianten) Verrijdbare airco Luchtbevochtiger Zonwering Korfladen Vervanging van vloerbedekking en gordijnen Dorpels in de woning verwijderen Welzijn Welzijnswerk; Algemeen maatschappelijk werk; Cliëntondersteuning; Mantelzorgnetwerk; Slachtofferhulp; Advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling; Bureau vrijwilligerswerk; Rechtswinkel; Huishouden Wasmachine Wasdroger Stofzuiger Glazenwasser Boodschappenservice Kinderopvang Maaltijdenservice Bijlage2Maatschappelijke ondersteuning voor mensen met Wlz-zorg Mensen met een Wlz-indicatie krijgen bijna alle zorg vanuit de Wlz. Maar voor sommige voorzieningen is de gemeente verantwoordelijk op grond van de Wmo. Het gaat dan om maatschappelijke ondersteuning en woningaanpassing en hulpmiddelen (zie art. 2.3.5 lid 6, hoofdregel en art. 8.6a onder de Wmo 2015 voor mensen met Wlz die thuis wonen. Wie wat betaald is onder meer afhankelijk van waar u woont: in een zorginstelling, thuis of beide (deeltijdverblijf). In het schema hieronder staat per woonsituatie welke zorg en voorzieningen vanuit de Wlz komen, en welke vanuit de gemeente. Schema samenloop Wlz en Wmo Woonsituatie Wlz Wmo Thuiswonend Hulp bij het huishouden Begeleiding Logeeropvang Sociaal vervoer (regiotaxi) Rolstoel Vervoermiddelen1 Woningaanpassingen Woonvoorzieningen/hulpmiddelen1 Deeltijdverblijf Hulp bij het huishouden Begeleiding Woonvoorzieningen/hulpmiddelen2 Rolstoel Vervoermiddelen (mobiliteitshulpmiddelen) Zo nodig: 2e woonvoorziening/ hulpmiddel voor thuis Sociaal vervoer (regiotaxi)3 Woningaanpassingen Verblijf (wonen in een Wlz-zorginstelling) Hulp bij het huishouden Begeleiding Rolstoel Vervoermiddelen (mobiliteitshulpmiddelen) Sociaal vervoer (regiotaxi)2 Woning bezoekbaar maken Zoals een scootmobiel of aangepaste fiets, zoals een douchestoel, tillift of drempelhulp U kunt de regiotaxi gebruiken als dit een algemene voorziening is. Is de regiotaxi in uw gemeente een maatwerkvoorziening? Dan kán de gemeente u hiervoor een pasje geven, maar de gemeente hoeft dat niet te doen. Bijlage3Niet limitatieve lijst algemeen gebruikelijke voorzieningen
- Doel en reikwijdte Deze tabel geeft richting aan de beoordeling van algemeen gebruikelijke voorzieningen binnen de uitvoering van de Wmo
- De opgenomen lijst bevat voorbeelden van voorzieningen die in de regel als algemeen gebruikelijk worden beschouwd. De lijst is niet limitatief: ook andere, vergelijkbare voorzieningen kunnen hieronder vallen.
- Begripsbepaling Een voorziening wordt als algemeen gebruikelijk aangemerkt wanneer deze: normaal verkrijgbaar is in de reguliere handel, qua prijs en kwaliteit past binnen wat gebruikelijk is voor personen in vergelijkbare omstandigheden, niet specifiek bedoeld is voor mensen met een beperking, en financieel gedragen kan worden uit een normaal inkomen.
- Niet limitatieve lijst van algemeen gebruikelijke voorzieningen De onderstaande opsomming bevat voorbeelden van voorzieningen die doorgaans als algemeen gebruikelijk worden beschouwd. Deze lijst is niet uitputtend. Standaard huishoudelijke apparaten (bijv. stofzuigers, magnetrons, waterkokers, wasmachines). Reguliere meubels (bijv. tafels, stoelen, banken, bedden). Fietsen zonder aanpassingen, inclusief gangbare elektrische fietsen. Reguliere kinderwagens en buggy’s zonder medische aanpassingen. Standaard tuinonderhoudsmiddelen (bijv. grasmaaiers, snoeigereedschap). Algemeen verkrijgbare veiligheids- en comfortproducten (bijv. eenvoudige wandbeugels, antislipmatten, douchestoelen). Reguliere ICT middelen (bijv. smartphones, tablets, laptops, standaard software). Standaard verlichting en algemeen verkrijgbare domotica producten. Overige voorzieningen die qua aard, prijs en verkrijgbaarheid vergelijkbaar zijn met bovenstaande categorieën.
- Afwegingskader Bij de beoordeling of een voorziening als algemeen gebruikelijk wordt aangemerkt, hanteert het college de volgende uitgangspunten: De lijst is niet limitatief: voorzieningen die niet expliciet zijn genoemd kunnen alsnog als algemeen gebruikelijk worden beschouwd. De beoordeling vindt plaats op basis van de kenmerken van de voorziening én de actuele maatschappelijke normen. De persoonlijke financiële situatie van de cliënt vormt in beginsel geen reden om een algemeen gebruikelijke voorziening als maatwerkvoorziening te verstrekken. Indien een voorziening niet als algemeen gebruikelijk wordt aangemerkt, volgt beoordeling via het reguliere maatwerkproces. Bijlage4Toelichting Vijf stappen CRVB-onderzoeksverslag Deze beleidsregels structureren het Wmo-onderzoek en de verslaglegging volgens het stappenplan van de Centrale Raad van Beroep (CRvB). De juridische basis ligt in art. 3:2 Awb en art. 2.3.2 en 2.3.5 Wmo
- Daarbij wordt aangesloten bij de tussenuitspraak van de CRvB van 21 maart 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:819). Juridische onderbouwing Algemene wet bestuursrecht (Awb) art. 3:2 – zorgvuldige voorbereiding: het college moet voldoende kennis vergaren over de relevante feiten en belangen. Wmo 2015 art. 2.3.2 – onderzoek: vaststellen hulpvraag, problemen/belemmeringen, benodigde ondersteuning en eigen mogelijkheden/algemene voorzieningen. Wmo 2015 art. 2.3.5 – maatwerkvoorziening: slechts voor zover eigen kracht, gebruikelijke hulp, mantelzorg, sociaal netwerk en algemene voorzieningen ontoereikend zijn. CRvB 21-03-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:819 – formuleert het vijf stappenplan voor Wmo onderzoek en besluitvorming (tussenuitspraak; college moet gebreken herstellen). Praktische voorbeelden per stap Stap 1 Hulpvraag Voorbeeld: inwoner vraagt “scootmobiel”; hulpvraag vertaald: zelfstandig boodschappen doen en sociale contacten behouden. Verslaglegging: benoem doelen (mobiliteit voor boodschappen 2× per week; bezoek sociale activiteit 1× per week). Stap 2 Belemmeringen Voorbeeld: ernstige artrose en beperkte loopafstand (<100 m); angstklachten bij drukte. Verslaglegging: objectieve belemmeringen in zelfredzaamheid/participatie, inclusief frequentie en impact. Stap 3 Nodige ondersteuning Voorbeeld: behoefte aan mobiliteitsoplossing met actieradius >5 km en stabiliteit; begeleiding bij dagstructuur 2 uur per week. Verslaglegging: aard (mobiliteit/begeleiding), omvang (uren, intensiteit, frequentie), doelbereik. Stap 4 Eigen mogelijkheden en bronnen Voorbeeld: partner kan huishoudelijke taken overnemen; buurvrouw biedt incidenteel vervoer; algemene voorziening: regiotaxi beschikbaar. Verslaglegging: weeg gebruikelijke hulp, mantelzorg, netwerk en algemene voorzieningen; motiveer waarom (on)toereikend. Stap 5 Conclusie/compensatie Voorbeeld: algemene voorziening (regiotaxi) onvoldoende vanwege onvoorspelbare werktijden; maatwerkvoorziening: scootmobiel type X met indicatie van gebruik; begeleiding individueel 2 uur/week voor dagstructuur. Verslaglegging: heldere motivering koppeling tussen ondersteuningsbehoefte en voorziening. Format voor besluitmotivering (sjabloon) Hulpvraag: Beschrijf de doelen van de inwoner (behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren). Problemen/belemmeringen: Concretiseer de beperkingen in zelfredzaamheid/participatie (met feiten, evt. deskundigeninfo). Benodigde ondersteuning: Aard en omvang per hulpvraag (uren, intensiteit, frequentie, doel). Eigen mogelijkheden en andere bronnen: Gebruikelijke hulp, mantelzorg, netwerk, algemene voorzieningen; beoordeling (on)toereikendheid. Afweging en besluit: Welke maatwerkvoorziening wordt verstrekt (type, omvang, duur), waarom deze een passende bijdrage levert; verwijzing naar juridische grondslag. Evaluatie/monitoring: Hoe en wanneer herbeoordeling plaatsvindt. Verwijzingen naar jurisprudentie en bronnen CRvB 21 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:819 (tussenuitspraak; stappenplan Wmo). AKD (blog) “Het Wmo stappenplan bij een melding van behoefte aan maatschappelijke ondersteuning”, 4 mei 2018 (samenvatting van de uitspraak). VBK Legal Update “CRvB stappenplan en de Wmo 2015”, 14 mei
- Stimulansz (artikel) “Goed rapporteren in de Wmo vraagt om zorgvuldigheid en zelfreflectie”, 29 november
- Schulinck Infographic “Stappen in het Wmo onderzoek” (praktische weergave van de vijf stappen). Bijlage5Stappenplan bij problematisch gedrag Waarschuwing en gesprek Bij risicovol of onredelijk gedrag wordt altijd eerst een gesprek gevoerd. De inwoner krijgt uitleg over: waarom dit gedrag ondersteuning belemmert wat wél van hem/haar verwacht wordt welke alternatieven en mogelijkheden er zijn Schriftelijke waarschuwing Als het gedrag aanhoudt, volgt een schriftelijke waarschuwing waarin staat: welke gedragingen onacceptabel zijn welke risico's dit oplevert welke gevolgen dit heeft voor ondersteuning welke aanpassingen van de inwoner worden verwacht Tijdelijke opschorting of aanpassing ondersteuning Indien nodig kan ondersteuning tijdelijk worden opgeschort of aangepast, bijvoorbeeld doordat een medewerker niet meer veilig kan werken. Afwijzing of beëindiging Als het gedrag structureel en ernstig blijft en ondersteuning daardoor niet uitvoerbaar is, kan de gemeente besluiten tot: afwijzing van een nog niet toegekende ondersteuning beëindiging van al lopende ondersteuning alternatieve vormen van ondersteuning, indien mogelijk en veilig Besluiten worden altijd concreet, individueel en feitelijk gemotiveerd Belangenafweging en proportionaliteit Bij elke beslissing wordt beoordeeld: of de maatregel proportioneel is of minder ingrijpende alternatieven mogelijk zijn welke gevolgen de maatregel heeft voor de inwoner hoe de veiligheid van medewerkers is geborgd of er sprake is van kwetsbaarheid of beperkingen die het gedrag beïnvloeden Bij twijfel wordt advies van deskundigen ingewonnen. Herstel en hervatting van ondersteuning Wanneer de inwoner bereid is tot constructief en respectvol contact, kan ondersteuning altijd opnieuw worden opgestart. De gemeente ondersteunt waar mogelijk bij herstel van de relatie en duidelijke afspraken. Registratie en zorgvuldigheid Alle stappen worden vastgelegd in het dossier, waaronder: Gesprekken en waarschuwingen klachten of incidenten belangenafweging motivering van het besluit Dit waarborgt juridische houdbaarheid en transparantie. Bijlage6Voorbeelden roerende woonvoorzieningen (niet limitatief) Wassen en toiletgebruik Douche- of toiletstoel Verrijdbare douche-toiletstoel Douchestoeltje (los, niet aan de muur bevestigd) Douchebrancard Verplaatsen binnen de woning Binnenrolstoel Ondersteuning bij dagelijkse handelingen Draaischijven of transferhulpmiddelen Tillift (mobiele varianten) Sta-lift Bijlage7Categorieën Hulpmiddelen Categorie Productcode Categorie omschrijving Cat. 1 11H01 Rolstoel, kortdurend gebruik volwassenen en kinderen Cat. 2 11H02 Rolstoel, actief permanent gebruik volwassenen en kinderen Cat. 3 11H03 Rolstoel, semi-actief permanent gebruik volwassenen en kinderen Cat. 4A 11H04 Zorgrolstoel Volwassenen en kinderen Cat. 4B 11H05 Zorgrolstoel met geïntegreerde ondersteuning volwassenen en kinderen Cat. 5 11H06 Vast frame actief rolstoel volwassenen en kinderen Cat. 6 11H07 Duw/rij ondersteuning t.b.v. rolstoel (geen handbikes dat is 12H07) Cat. 7A 11H08 Elektrische rolstoel volwassen en kinderen - basis eenvoudige configuratie Cat. 7B 11H09 Elektrische rolstoel volwassenen en kinderen - complexe configuratie Cat. 8A 12H07 Aankoppelbare fietsdeel/handbike geschikt voor de met het kernassortiment te voeren rolstoelen Cat. 8B 12H02 Fietsvoorzieningen met of zonder trapondersteuning volwassenen en kinderen (3-wiel fietsen) Cat. 8B 12H03 Fietsvoorzieningen met of zonder trapondersteuning volwassenen en kinderen (2-wiel fiets/tandem) Cat. 9A 12H04 Scootmobiel eenvoudig uitgebreid Cat. 9B 12H05 Scootmobiel uitzondering, extra geveerd Cat. 9C 12H21 Scootmobiel uitzondering speciale configuratie Cat. 10 12H06 Autostoeltjes Cat. 11A 13H02 (Laag BTW) Toiletstoel volwassenen en kinderen Cat. 11A 13H03 (Hoog BTW) Toiletstoel volwassenen en kinderen ( Cat. 11B 13H04 Douchestoel, staand model op poten, volwassenen en kinderen Cat. 11C 13H05 Douchestoel, verrijdbaar, volwassenen en kinderen Cat. 11D 13H10 (Laag BTW) Zorgdouchestoel brancards volwassenen en kinderen) Cat. 11D 13H11 (Hoog BTW) Zorgdouchestoel brancards volwassenen en kinderen Cat. 12A 13H07 Transferhulpmiddelen volwassenen en kinderen Cat. 12B 13H08 Verrijdbare tillift passief volwassenen en kinderen Cat. 12C 13H09 Verrijdbare tillift actief volwassenen en kinderen (