Verordening Jeugdhulp Gemeente Goes 2026De raad van de gemeente Goes, gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders; gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.12 en 8.1.1, derde lid, van de Jeugdwet; overwegende dat: de Jeugdwet de verantwoordelijkheid voor het organiseren van goede en toegankelijke jeugdhulp bij de gemeente heeft neergelegd; het uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouder(
- s)en de jeugdige zelf ligt; het noodzakelijk is om regels vast te stellen over: de door het college te verlenen individuele voorzieningen en algemene voorzieningen; de voorwaarden voor toekenning, de wijze van beoordeling van de hulpvraag en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening; de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen; de wijze waarop de hoogte van een pgb wordt vastgesteld; de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een pgb, alsmede misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet; de waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan; onder welke voorwaarden met een pgb een persoon uit het sociale netwerk kan worden ingekocht, besluit vast te stellen de Verordening Jeugdhulp Gemeente Goes 2026. Hoofdstuk1.Algemene bepalingen Artikel1.Begripsbepalingen 1.In deze verordening komen de volgende begrippen voor: algemene voorziening: jeugdhulpvoorziening op grond van de wet die vrij toegankelijk is zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige en/of ouder(
- s)andere voorziening: voorziening op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen, niet vallend onder de wet budgetbeheerder: een persoon uit het sociale netwerk of een curator, bewindvoerder, mentor, gemachtigde, gecertificeerde instelling of aanbieder van gesloten jeugdhulp die voor de budgethouder de taken verbonden aan een pgb uitvoert budgethouder: de persoon die een pgb ontvangt op grond van de wet cliëntondersteuner: onafhankelijk persoon die de jeugdige/en of ouder(
- s)ondersteunt met informatie, advies en algemene ondersteuning, die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve hulp, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Goes gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders hulpvraag: behoefte van een jeugdige en/of ouder(
- s)aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen individuele voorziening: een jeugdhulpvoorziening voor de jeugdige en/of ouder(
- s)die door het college in natura (zorg in natura) of in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) wordt verstrekt ondersteuningsplan: een plan waarin de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige en/of ouder(
- s)is vastgelegd, samen met de doelen (beoogde resultaten) en hoe deze te bereiken. Ook staan hierin de bijdragen die het college, de jeugdige en/of ouder(
- s)en het sociale netwerk hieraan kunnen leveren pgb: het persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 van de wet, zijnde een door het college verstrekt budget aan een jeugdige of ouder waarmee zij de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort bij derden kunnen inkopen sociaal netwerk: een familielid, huisgenoot, (voormalig) echtgenoot of andere personen met wie de jeugdige en/of ouder(
- s)een sociale relatie heeft wet: Jeugdwet zorg in natura: de hulp die aan personen wordt geleverd door aanbieders die door de gemeente zijn gecontracteerd 2.Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet, het Besluit Jeugdwet en de Algemene wet bestuursrecht. Hoofdstuk2.Algemene voorzieningen Artikel2.Beschikbare algemene voorzieningen 1.Een algemene voorziening is vrij toegankelijk. Het is een voorziening op basis van de wet, die voor elke jeugdige beschikbaar is. Er is geen of een beperkte toegangsbeoordeling. 2.De volgende algemene voorzieningen zijn beschikbaar: Opvoedondersteuning Praktijkondersteuner huisarts – Jeugd (POH-Jeugd) Informatie en advies Korte ambulante ondersteuning Groepstrainingen en cursussen Ondersteuning op locatie in het onderwijs Preventieve inzet door o.a. jongerenwerk, jgz, preventiewerkers 3.Het college kan in nadere regels vaststellen welke algemene voorzieningen concreet op basis van het eerste lid beschikbaar zijn en toelichten wat deze inhouden. Hoofdstuk3.Individuele voorzieningen Paragraaf1.Voorzieningen Artikel3.Beschikbare individuele voorzieningen 1.De volgende individuele voorzieningen zijn beschikbaar: Ambulante jeugdhulp Dagbehandeling Jeugd-ggz Jeugdhulp met verblijf (inclusief en exclusief behandeling) Kindergeneeskunde Persoonlijke verzorging Vervoersvoorziening Crisisjeugdhulp Activiteiten in het preventief justitieel kader Maatwerkarrangement Jeugdwet Landelijk ingekochte jeugdhulp 2.Het college kan nadere regels vaststellen welke individuele voorzieningen concreet op basis van het eerste lid beschikbaar zijn en toelichten wat deze inhouden. 3.Het college maakt in het kader van de inkoop- of subsidierelatie met aanbieders afspraken over de inhoud van de individuele voorzieningen. Paragraaf2.Toegang Toegang tot jeugdhulp is mogelijk door een verwijzing via het medisch domein, via een bepaling van de gecertificeerde instelling (GI), via de strafrechter, het Openbaar Ministerie of de justitiële jeugdinrichting in het kader van het jeugdstrafrecht en met een beschikking van het college. Artikel4.Toegang en aanvraag jeugdhulp via de gemeente 1.Een jeugdige, een ouder of een andere belanghebbende (zoals een pleegouder) kunnen schriftelijk een aanvraag voor jeugdhulp bij het college doen. 2.Het college wijst de aanvrager op de mogelijkheid gebruik te maken van een vertrouwenspersoon en/of gratis onafhankelijke cliëntondersteuning. 3.De ouder(
- s)en/of jeugdige kunnen zelf een familiegroepsplan opstellen, waarin zij samen met hun netwerk aangeven hoe ze de opvoed- en opgroeisituatie kunnen verbeteren. En waarin zij een oplossing kunnen aandragen om de problemen van de jeugdige in eigen kring op te lossen. De gemeente informeert de ouder(
- s)en/of jeugdige over deze mogelijkheid en geeft hen gelegenheid het plan te overhandigen. Als de ouder(
- s)en/of jeugdige daarom vragen, zorgt het college voor ondersteuning bij het opstellen van het familiegroepsplan. 4.Het college kan nadere regels vaststellen over de procedure voor de aanvraag van jeugdhulp. Artikel5.Toegang jeugdhulp via het medisch domein 1.Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp na verwijzing door een huisarts, medisch specialist of jeugdarts. 2.De huisarts, medisch specialist of jeugdarts mogen alleen naar gecontracteerde aanbieders verwijzen. 3.Het college is verantwoordelijk voor de betaling van de jeugdhulp waarnaar is verwezen en legt de inzet van de jeugdhulp vast in een beschikking. 4.Als de aanbieder na een verwijzing beoordeelt welke specifieke vorm van jeugdhulp nodig is en/of wat de omvang en de duur van de jeugdhulp is, houdt hij zich daarbij aan de regels in deze verordening, het Zeeuws medisch verwijsprotocol en de afspraken die hij met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de inkoop- of subsidierelatie. Artikel6.Toegang jeugdhulp via de GI, de strafrechter, het Openbaar Ministerie en de justitiële jeugdinrichting in het kader van het jeugdstrafrecht 1.Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp die de GI nodig vindt bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering. Ook draagt het college zorg voor de inzet van jeugdhulp die de strafrechter, het Openbaar Ministerie of de directeur of selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting nodig vindt bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing. 2.Het college is verantwoordelijk voor de betaling van de jeugdhulp waarnaar is verwezen. Het college verstrekt geen beschikking. Paragraaf3.Beoordeling aanvraag jeugdhulp via de gemeente Artikel7.Onderzoek en opstellen ondersteuningsplan 1.Het college onderzoekt, zo snel mogelijk, in een gesprek met de jeugdige en/of ouder(s): wat de hulpvraag is van de jeugdige en/of ouder(s); de behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren, veiligheid, ontwikkeling en gezinssituatie van de jeugdige en/of ouder(s); of sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en/of stoornissen bij de jeugdige en om welke problemen het concreet gaat; het gewenste resultaat van het verzoek om jeugdhulp; welke hulp gelet op de vastgestelde problematiek naar aard en omvang nodig is om de jeugdige in staat te stellen om gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en/of voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren; de mogelijkheid van de jeugdige en/of ouder(
- s)om zelf of met ondersteuning van het sociale netwerk een oplossing voor de hulpvraag te vinden; de mogelijkheden om de hulpvraag op te lossen door het inzetten van een algemene voorziening; of en welke ondersteuning nodig is in de vorm van een individuele voorziening; de manier waarop een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, of werk en inkomen. 2.Het college informeert jeugdige en/of ouder(
- s)over de mogelijkheid om een pgb aan te vragen en geeft uitleg over wat de regels, gevolgen en verantwoordelijkheden zijn van een pgb. 3.Ter voorbereiding van het gesprek verstrekken de jeugdige en/of zijn ouder(
- s)alle gegevens en stukken die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover de jeugdige en/of ouder(
- s)beschikken. 4.Het college kan, met instemming van de jeugdige en/of ouder(s), informatie opvragen bij andere instanties, zoals de huisarts, en met deze in gesprek gaan over de problemen en de meest passende hulp. Het opvragen van informatie bij de school van de jeugdige kan op grond van artikel 2.7, eerste lid, van de wet. 5.Na het gesprek onderzoekt de gemeente de hulpvraag van de jeugdige. Als het nodig is vraagt de gemeente daarbij om advies van een deskundige. 6.Het college waarborgt dat het onderzoek en de voorbereiding van de besluitvorming via de gemeente zorgvuldig plaatsvindt, in het bijzonder door te voorkomen dat (medewerkers van) de organisatie die de jeugdhulp biedt of mogelijk gaat bieden, ook het advies geeft over het al dan niet toekennen van jeugdhulp of het besluit daarover neemt. 7.Het college kan in overleg met de jeugdige en/of ouder(
- s)dan wel een wettelijke vertegenwoordiger afzien van een onderzoek als de aanvraag wordt ingetrokken. Dat wordt schriftelijk bevestigd. 8.De jeugdige en/of ouder(
- s)dan wel een wettelijk vertegenwoordiger kunnen in overleg met het college de aanvraag lopende het onderzoek wijzigen. 9.Het college kan in overleg met de jeugdige en/of ouder(
- s)afzien van een gesprek. 10.Het college legt de uitkomsten van het onderzoek vast in het ondersteuningsplan. De jeugdige en/of ouder(
- s)kunnen hierop reageren. Ook legt het college in afstemming met jeugdige en/of ouder(
- s)hierin afspraken vast over het bespreken van de resultaten van het ondersteuningsplan. 11.Het college kan nadere regels vaststellen over de inhoud van het onderzoek en de manier waarop het onderzoek wordt uitgevoerd. Artikel8.Identificatie 1.Bij het onderzoek stelt het college de identiteit van de jeugdige en/of ouder(
- s)dan wel een wettelijk vertegenwoordiger vast met een door hen ter inzage verstrekt document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. 2.Ten aanzien van personen zonder de Nederlandse nationaliteit merkt het college voor de wet als geldig identiteitsbewijs aan: een vreemdelingendocument van het type I, II, III, IV of EU/EER; een verblijfskaart Ministerie van Buitenlandse Zaken (legale vreemdelingen); een buitenlands paspoort; of een vreemdelingendocument van het type W (asielzoekers). Artikel9.Criteria individuele voorzieningen 1.Jeugdigen en/of ouder(
- s)komen slechts in aanmerking voor een individuele voorziening wanneer het college of een andere verwijzer vaststelt dat: sprake is van concrete opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en/of stoornissen bij de jeugdige; inzet noodzakelijk is om de jeugdige gelet op deze problemen in staat te stellen: gezond en veilig op te groeien; te groeien naar zelfstandigheid; voldoende redzaam te zijn en maatschappelijk te participeren; en de jeugdige en/of ouder(
- s)zelf of met hun sociale netwerk geen passende oplossing voor de hulpvraag kunnen vinden (eigen kracht). Wanneer hiervan sprake is, staat in artikel 10 van deze verordening en een algemene voorziening geen oplossing biedt voor de hulpvraag; en de jeugdige en/of ouder(
- s)geen aanspraak kunnen maken op een andere voorziening om de hulpvraag op te lossen. 2.Een algemene of andere voorziening kan de noodzaak verminderen of wegnemen als deze: daadwerkelijk beschikbaar is; en passend en toereikend is voor de hulpvraag. 3.Als een individuele voorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate, tijdig beschikbare voorziening. 4.Een individuele voorziening voor jeugdhulp wordt toegekend als de inzet van de voorziening doeltreffend geacht kan worden. De doeltreffendheid beoordeelt het college door vast te stellen of de individuele voorziening wezenlijk bijdraagt aan het oplossen van de hulpvraag en waar beschikbaar en passend er wordt gewerkt met een bewezen effectieve interventie. 5.Er is sprake van bewezen effectieve voorzieningen als de effectiviteit is vastgesteld in wetenschappelijk onderzoek en de interventie(
- s)zijn opgenomen als ‘erkend’ in: de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut; de zorgstandaarden van de GGZ Standaarden; de databank voor interventies gericht op jeugdigen met een beperking (databank interventies gehandicaptenzorg). 6.In situaties waarin de ouder(
- s)begeleiding, behandeling of ondersteuning nodig hebben ten gevolge van maatschappelijke of eigen psychische of relationele problemen en er naar het oordeel van het college geen sprake is van een hulpvraag als bedoeld in deze verordening, komt een jeugdige en/of ouder(
- s)niet in aanmerking voor een door het college te verlenen individuele voorziening als bedoeld in deze verordening. 7.Het voorgaande lid is niet van toepassing als er parallel aan een hulpvraag sprake is van meervoudige problematiek in de context van het gezin. 8.Als de aanvraag ziet op kosten voor jeugdhulp die de jeugdige en/of ouder(
- s)voorafgaand aan de aanvraag heeft gemaakt, verstrekt het college alleen een voorziening als sprake was of is van een crisissituatie en voor zover het college de noodzaak en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen. Artikel10.Beoordeling (boven)gebruikelijke hulp en eigen kracht 1.Jeugdigen en/of ouder(
- s)komen pas in aanmerking voor een individuele voorziening als zij zelf geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag binnen hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (eigen kracht). Hieronder wordt in ieder geval verstaan: gebruikelijke hulp van de ouder(
- s)en/of andere verzorgers of opvoeders; bovengebruikelijke hulp van de ouder(
- s)voor zover zij beschikbaar en in staat zijn de noodzakelijke hulp te bieden, dit geen (dreigende) overbelasting oplevert en door het bieden van de bovengebruikelijke hulp geen financiële problemen in het gezin ontstaan; de ondersteuning vanuit het sociale netwerk; het aanspreken van een aanvullende zorgverzekering die is afgesloten. 2.Gebruikelijke hulp is hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de ouder(
- s)en/of andere verzorgers of opvoeders. Zij zijn namelijk verplicht de tot hun gezin behorende minderjarige jeugdigen te verzorgen, op te voeden, te begeleiden en toezicht op hen te houden. Dit geldt ook als de jeugdige een ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek heeft. Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp over. Dit geldt ook bij gescheiden ouders. Er wordt dan ook rekening gehouden met de gebruikelijke hulp van de ouder waar de jeugdige niet woont. 3.Om vast te stellen of sprake is van gebruikelijke hulp beoordeelt het college of de benodigde hulp uitgaat boven de hulp die een jeugdige van dezelfde leeftijd zonder ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek nodig heeft. Het college houdt hierbij rekening met de volgende factoren: de leeftijd van de jeugdige; de mate van hulp bij activiteiten en handelingen, de mate van toezicht en de mate van begeleiding/stimulans die een jeugdige van die leeftijd nodig heeft; de aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit van de jeugdige; de mate van planbaarheid van de hulp; de behoeften en mogelijkheden van de jeugdige. 4.Als er sprake is van gebruikelijke hulp verstrekt het college geen individuele voorziening tot jeugdhulp. Hierop kan (tijdelijk) een uitzondering worden gemaakt als de ouder(
- s)door (dreigende) overbelasting de gebruikelijke hulp niet kunnen bieden. Er moet dan wel een verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de hulp aan de jeugdige. 5.Gaat het om hulp die de gebruikelijke hulp overstijgt, zijn de ouder(
- s)in eerste instantie nog steeds verantwoordelijk voor het bieden van deze bovengebruikelijke hulp. Het college beoordeelt dan of van de ouder(
- s)verwacht mag worden dat ze deze hulp bieden, zoals in lid 1 staat weergegeven. Het college maakt hierbij onderscheid tussen kortdurende en langdurende situaties: Kortdurend: er is uitzicht op herstel van het (gezondheids)probleem en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de jeugdige. Het gaat hierbij over een aaneengesloten éénmalige periode van maximaal drie maanden in één kalenderjaar. Langdurend: het gaat om chronische situaties waarbij naar verwachting de jeugdhulp langer dan drie maanden nodig is of voor meerdere periodes van drie maanden in één kalenderjaar. 6.Het college verwacht van de ouder(
- s)dat zij in kortdurende situaties de bovengebruikelijke hulp bieden, tenzij dit gelet op de aard van de hulp niet kan worden verwacht of de ouder(
- s)door (dreigende) overbelasting de hulp niet kunnen bieden. Er moet dan wel een verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de hulp aan de jeugdige. 7.Bij de beoordeling in langdurige situaties houdt het college rekening met de volgende factoren: de aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit van de jeugdige; de mate van planbaarheid van de hulp; het lichamelijk en geestelijk welzijn van de ouder(s); de manier van omgaan van de ouder(
- s)met de problemen van de jeugdige; vaardigheden van de ouder(
- s)om zelf hulp te bieden (bijvoorbeeld een verpleegachtergrond); of er sprake is van problematiek bij de ouder(s), zoals relationele problemen of schulden; welke verplichtingen de ouder(
- s)hebben, bijvoorbeeld voor werk en sociale verplichtingen; het belang van de ouder(
- s)om een inkomen uit arbeid te krijgen en het eventueel ontstaan van financiële problemen; de woonsituatie; de samenstelling van het gezin en de relatie tussen de gezinsleden (bijvoorbeeld of er sprake is van een wettelijke stiefouder of niet); is er een sociaal netwerk en zo ja, wat zijn de mogelijkheden en de bereidheid van het sociaal netwerk om de jeugdige en/of ouder(
- s)te ondersteunen; overige individuele omstandigheden die door de jeugdige en/of ouder(
- s)worden ingebracht. 8.Als bovengenoemde factoren niet leiden tot problemen bij het kunnen verlenen van de hulp door de ouder(s), bij de beschikbaarheid van de ouder(
- s)voor het verlenen van de hulp, bij de belasting van de ouder(
- s)en bij de financiële situatie van de ouder(
- s)wordt van hen verwacht dat zij de bovengebruikelijke hulp (eventueel deels) verlenen. Het college verstrekt dan geen individuele voorziening tot jeugdhulp. 9.Bij (dreigende) overbelasting geldt nog het volgende: Er moet een verband zijn tussen de overbelasting en de hulp aan de jeugdige. Als de overbelasting ziet op spanningen door het werk (bijvoorbeeld door te veel uren werken of stress) of door andere factoren buiten de hulp van de jeugdige om, moet de ouder eerst een oplossing zoeken in de oorzaak van die spanningen. Bij een aanvraag voor een individuele voorziening tot jeugdhulp bekijkt het college wat wordt gedaan om die spanningen te verminderen. Als de (dreigende) overbelasting kan worden verminderd door het herinrichten van het werk of andere sociale/maatschappelijke activiteiten wordt dit eerst van de ouder verwacht. Het verlenen van hulp aan je kind gaat voor op sociale/maatschappelijke activiteiten. Een pgb voor het verlenen van hulp aan een jeugdige door een ouder wordt beëindigd als er sprake is van (dreigende) overbelasting. Een andere hulpverlener moet het verlenen van hulp overnemen om de overbelasting te stoppen. 10.Als de ouder(
- s)een beroep kunnen doen op het sociale netwerk voor het bieden van ondersteuning bij de benodigde hulp aan de jeugdige wordt van hen verwacht dat ze hier gebruik van maken. De ondersteuning die het sociale netwerk biedt, valt onder de eigen kracht. Het college verstrekt hiervoor geen individuele voorziening tot jeugdhulp. 11.Het college kan van de ouder(
- s)verwachten het belang van hun kind voor het belang van hun (werk)carrière te stellen, mits dit geen financiële problemen oplevert. 12.Als de jeugdige en/of ouder(
- s)een aanvullende zorgverzekering hebben die de benodigde hulp (deels) vergoedt, wordt van de ouder(
- s)verwacht dat zij deze aanspreken. Het college verstrekt dan geen individuele voorziening tot jeugdhulp of alleen een aanvullende voorziening voor het gedeelte dat niet wordt vergoed. Artikel11.Vervoer 1.Uitgangspunt is dat de jeugdige en/of ouder(
- s)zelf verantwoordelijk zijn voor vervoer van de jeugdige naar en van de jeugdhulpaanbieder. Hierbij wordt twee keer brengen en halen per week met een voorziening met een duur van minimaal drie maanden beschouwd als behorend tot de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s), tenzij dit financiële problemen oplevert of vanwege eigen beperkingen of (praktische) problemen van de ouders naar het oordeel van het college niet kan worden verwacht. 2.Het college verstrekt alleen een vervoersvoorziening aan de jeugdige voor het vervoer van de jeugdige naar en van de locatie waar de jeugdhulp plaatsvindt. 3.Het college verstrekt alleen een vervoersvoorziening als: het ingekochte jeugdhulpproduct hier niet al in voorziet; blijkt dat de jeugdige vanwege een medische noodzaak of beperking in de zelfredzaamheid niet zelfstandig kan reizen én de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en/of ouder(
- s)ontoereikend zijn om zelf voor het vervoer te (laten) zorgen. Er is geen sprake van een beperking in de zelfredzaamheid als de ouder(
- s)hun kind vanwege werkverplichtingen niet van en naar de jeugdhulpaanbieder kunnen vervoeren. 4.Bij het beoordelen van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en/of ouder(
- s)worden ook de mogelijkheden en bereidheid meegewogen van iemand uit het sociale netwerk om de jeugdige te vervoeren. 5.Als aan de voorwaarden van vervoer is voldaan, beoordeelt het college welke (combinatie van) vervoersvoorziening(
- en)het meest passend is. 6.De volgende vervoersvoorzieningen zijn mogelijk: vervoer geregeld door de jeugdhulpaanbieder; een kilometervergoeding voor de ouder(s); een vergoeding voor openbaar vervoer voor de jeugdige en een volwassen begeleider op basis van de afstand enkele reis; en taxivervoer als een vervoersvoorziening onder a tot en met c niet mogelijk is of als dit goedkoper is. 7.Deze voorzieningen kunnen in natura of met een pgb worden verstrekt. In artikel 17 staat hoe de hoogte van een pgb voor de kosten van vervoer wordt bepaald. 8.Vervoerskosten worden niet met terugwerkende kracht toegekend. 9.Het college bepaalt bij de toekenning van de vervoersvoorziening de manier waarop de voorziening wordt verstrekt en met ingang van welke datum de voorziening of de uitbetaling van de vergoeding plaatsvindt. Ook bepaalt het college de tijdsduur van de toegekende vervoersvoorziening of vergoeding. 10.De noodzaak voor een vervoersvoorziening wordt opgenomen in het ondersteuningsplan. 11.Als naar het oordeel van het college een passende voorziening beschikbaar is waarvoor geen vervoer geïndiceerd hoeft te worden, is deze voorziening voorliggend op een indicatie waarvoor wel vervoer geïndiceerd moet worden. Artikel12.Dyslexie 1.De hulp aan kinderen tot 13 jaar met ernstige dyslexie (ED), dyslexiezorg, valt onder de wet. 2.Voor dyslexiezorg geldt dat deze alleen toegankelijk is voor een jeugdige voor wie diagnostiek dan wel behandeling van Ernstige Dyslexie noodzakelijk is op basis van het geldende Protocol Dyslexie Diagnostiek en Behandeling en factsheet dyslexie Zeeland en in overleg tussen de school, jeugdhulpaanbieder en gemeente. Artikel13.Vaktherapie 1.Vaktherapie is een non-verbale behandelvorm die uitgaat van doen en ervaren. Vaktherapie is de overkoepelende naam voor de volgende vaktherapeutische disciplines: beeldende therapie; danstherapie dramatherapie; muziektherapie; psychomotorische therapie; psychomotorische kindertherapie; en speltherapie. 2.Vaktherapie wordt uitgevoerd door een vaktherapeut. Dat is een professional die een erkende opleiding op hbo-/masterniveau voor vaktherapie heeft volbracht. Een erkende opleiding is een door de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie geaccrediteerde opleiding. 3.Vaktherapie kan alleen worden ingezet vanuit de wet als naar het oordeel van het college of andere wettelijke verwijzer sprake is van een noodzakelijke bijdrage aan de jeugdhulp en als er geen alternatief beschikbaar is. 4.De behandelaar van een jeugdhulpaanbieder of medewerker van het (stevige) lokale team/de toegang moet advies geven over vaktherapie als een noodzakelijk onderdeel van de totale behandeling. 5.Vaktherapie kan alleen worden ingezet onder verantwoordelijkheid van een regiebehandelaar. 6.Als de ouder(
- s)aanvullend verzekerd zijn, dan moet het aantal uren behandeling dat via de zorgverzekering wordt vergoed worden afgetrokken van de maximale inzet. Artikel14.Kinderopvang en buitenschoolse opvang 1.Reguliere kinderopvang en reguliere buitenschoolse opvang is geen vorm van jeugdhulp. 2.In uitzonderlijke situaties als een jeugdige extra begeleiding of specialistische begeleiding nodig heeft vanwege opgroei-, opvoedings- en/of psychische problemen en stoornissen, die niet door medewerkers van de opvang kan worden geboden en niet van de ouder(
- s)kan worden verwacht, kan vanuit de wet in het kader van de kinderopvang en buitenschoolse opvang begeleiding worden ingezet. Artikel15.Het besluit 1.Het college legt de beslissing over het toekennen of afwijzen van een individuele voorziening vast in een beschikking. 2.In spoedeisende gevallen treft het college zo snel mogelijk een passende voorziening. Het college legt de beslissing over de inzet van hulp in dat geval zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen vier weken na de start van de hulp, vast in een beschikking. 3.Het college neemt een beslissing op basis van de feiten en omstandigheden die volgen uit het onderzoek naar de hulpvraag. 4.De jeugdige en/of ouder(
- s)moeten zich binnen drie maanden na de besluitdatum hebben gemeld bij een jeugdhulpaanbieder of binnen drie maanden moet zijn gestart met het besteden van het pgb aan het doel waarvoor het is verstrekt. Artikel16.Inhoud en geldigheidsduur beschikking 1.In de beschikking tot verstrekking van een individuele voorziening staat in ieder geval: of de voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt; de termijn van drie maanden waarbinnen de jeugdige zich moet melden bij een jeugdhulpaanbieder, of moet zijn gestart met het besteden van het pgb aan het doel waarvoor het is verstrekt. Dit geldt niet voor een beschikking na een medische verwijzing. In dat geval geldt de geldigheidsduur van de verwijzing; hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt. 2.Bij het verstrekken van een voorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: welke jeugdhulp toegekend is; wie de jeugdhulp biedt; wat de gestelde doelen zijn; de aard, omvang en duur van de in te zetten jeugdhulp en vanaf welke datum de jeugdhulp start; indien van toepassing, welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn. 3.Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking in ieder geval, naast de in het eerste en tweede lid genoemde zaken, het volgende vastgelegd: de hoogte van het pgb en hoe deze is bepaald; welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; voor welk resultaat het pgb moet worden aangewend; welke voorwaarden aan het pgb verbonden zijn; wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld; en de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb. 4.Het ondersteuningsplan kan deel uitmaken van de beschikking. 5.In het besluit verstrekt het college informatie over de rechten en plichten van de jeugdige en/of ouder(
- s)op grond van de wet, verordening en nadere regels. 6.Het college kan periodiek onderzoeken of er een reden is een besluit te heroverwegen. Hoofdstuk4.Aanvullende regels voor een individuele voorziening in de vorm van een pgb Artikel17.Aanvullende criteria pgb 1.Op grond van artikel 8.1.1 van de wet kan een jeugdige en/of ouder(
- s)jeugdhulp inkopen met een pgb. Als een jeugdige en of ouder(
- s)een individuele voorziening met een pgb wenst in te kopen, moeten zij een budgetplan opstellen. In het budgetplan staat: de motivatie waarom het natura-aanbod van de gemeente niet passend is en waarom zij een pgb wensen; welke jeugdhulp de jeugdige en/of ouder(
- s)willen inkopen met een pgb, wat het beoogde resultaat is en hoe wordt geëvalueerd; bij welke aanbieder zij de jeugdhulp willen inkopen en hoe de jeugdhulp is georganiseerd; hoe de kwaliteit van de jeugdhulp is gewaarborgd; wat de kosten voor de jeugdhulp zijn; wie het pgb beheert, hoe deze taken worden uitgevoerd en de motivatie aan de hand van de tien punten benoemd in artikel 18 waaruit blijkt dat de budgethouder of budgetbeheerder in staat is de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren; en indien van toepassing, welke jeugdhulp de jeugdige en/of ouder(
- s)willen betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk. 2.Het pgb heeft geen vrij besteedbaar bedrag. 3.Het pgb mag niet gebruikt worden voor: kosten voor bemiddeling; kosten voor tussenpersonen of belangenbehartigers; kosten voor het voeren van een pgb-administratie; kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb; kosten voor feestdagenuitkering en een eenmalige uitkering; reiskosten; kosten die worden gemaakt voor zover het pgb is bestemd voor besteding in het buitenland, tenzij hiervoor expliciet toestemming is gegeven door het college; kosten voor vervoer als de jeugdige op grond van artikel 11 naar het oordeel van het college niet in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening; en kosten voor een aanvraag van een Verklaring Omtrent het Gedrag. 4.De persoon aan wie een pgb wordt verstrekt kan de jeugdhulp betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk. Dit geldt niet voor een ggz-behandeling. Een ggz-behandeling kan alleen door een professional worden verleend die niet tot het sociale netwerk van de jeugdige behoort. 5.Het college verstrekt een pgb als: de jeugdige en/of ouder(
- s)dan wel een wettelijk vertegenwoordiger beargumenteerd aangeven dat zij de individuele voorziening die wordt geleverd door een door het college gecontracteerde aanbieder, niet passend vinden; uit de beoordeling van de pgb-vaardigheid met inachtneming van artikel 18 blijkt dat de budgethouder of budgetbeheerder in staat is uitvoering te geven aan de eisen die het beheer van een pgb met zich meebrengt; en naar het oordeel van het college en met inachtneming van artikel 20 is gewaarborgd dat de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort en die de jeugdige en/of ouder(
- s)dan wel een wettelijk vertegenwoordiger van het budget willen betrekken, van goede kwaliteit is en in voldoende mate zal bijdragen aan het bereiken van het in het budgetplan opgenomen beoogde resultaat. 6.Het college verstrekt geen pgb als er twijfels zijn over de integriteit van de voorgenomen uitvoerder van de jeugdhulp, wat zich in ieder geval voordoet als de voorgenomen uitvoerder van de jeugdhulp in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag: fraude, in de zin van opzettelijke misleiding om financieel voordeel te verkrijgen, heeft gepleegd; betrokken is geweest bij strafbare feiten of overtredingen heeft begaan die de veiligheid en de kwaliteit van de hulp in gevaar brengen; veroordeeld is tot een gevangenisstraf wegens het plegen van strafbare feiten; of op basis van een Bibob-toets door het college is geweigerd als zorgaanbieder. 7.Het college weigert een pgb: als een wettelijke weigeringsgrond als bedoeld in artikel 8.1.1, vierde lid, van de wet van toepassing is; voor hulp die direct ingezet moet worden (crisishulp); en voor pleegzorg. 8.Het college kan nadere regels vaststellen over de aan het pgb verbonden voorwaarden en verplichtingen. Artikel18.Pgb-vaardigheid 1.Om aan de voorwaarden voor pgb-vaardigheid te voldoen moet de beoogd budgethouder of budgetbeheerder in ieder geval: een duidelijk beeld hebben van de hulpvraag; op de hoogte zijn van de regels en verplichtingen die horen bij het pgb of deze zelf (online) weten te vinden; in staat zijn om een overzichtelijke pgb-administratie bij te houden; voldoende vaardig zijn om in de Nederlandse taal te communiceren met de gemeente, de SVB en de hulpverleners; in staat zijn zelfstandig te handelen en onafhankelijk voor een hulpverlener te kiezen; in staat zijn om afspraken te maken en vast te leggen en om dit te verantwoorden aan het college; in staat zijn om te beoordelen en beargumenteren of de geleverde hulp passend en kwalitatief goed is; in staat zijn de inzet van hulpverleners te coördineren, waardoor de hulp ook bij verlof en ziekte door kan gaan; in staat zijn om als werk- of opdrachtgever de hulpverleners aan te sturen en aan te spreken op hun functioneren; en voldoende kennis hebben over het werk- of opdrachtgeverschap of deze kennis weten te vinden; als jeugdhulp geboden wordt door een persoon uit het sociale netwerk: aantonen dat het inzetten van een pgb tot betere en effectievere ondersteuning leidt en doelmatiger is dan een voorziening in natura en formele hulp met een pgb. 2.Een budgethouder of een budgetbeheerder wordt in beginsel niet in staat geacht de aan een pgb verbonden taken verantwoord te kunnen uitvoeren als sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden: het beheer wordt verricht door de persoon of organisatie die ook de jeugdhulp levert aan de budgethouder, tenzij hiervoor door het college toestemming is verleend; problematische schuldenproblematiek; ernstige verslavingsproblematiek; aangetoonde fraude, in de zin van opzettelijke misleiding om financieel voordeel te verkrijgen, in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag; een aanmerkelijke verstandelijke beperking; een ernstig psychiatrisch ziektebeeld; een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis; het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal in woord en geschrift; of het niet verkrijgen van een Verklaring Omtrent het Gedrag. Artikel19.Onderscheid formele en informele hulp 1.Van formele hulp is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen: personen die werkzaam zijn bij een organisatie met een aanbod dat past bij de hulpvraag waarvoor de jeugdige en/of ouder(
- s)het pgb krijgen. De organisatie staat ingeschreven in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007). De personen beschikken over de relevante diploma’s om de werkzaamheden die nodig zijn uit te voeren; of personen die als zelfstandige zonder personeel (zzp’
- er)werkzaamheden uitvoeren die passen bij de hulpvraag waarvoor de jeugdige en/of ouder(
- s)het pgb krijgen. De zzp’er staat voor deze werkzaamheden ingeschreven in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007). Ook beschikt de zzp’er over de relevante diploma’s of werkervaring die nodig zijn voor uitoefening van deze werkzaamheden; of personen die ingeschreven staan in het register, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG-registratie) en/of artikel 5.2.1 van het Besluit Jeugdwet, voor het uitoefenen van een beroep voor het verlenen van jeugdhulp (SKJ-registratie). 2.Als de hulp wordt verleend door een andere persoon dan beschreven in het eerste lid gaat het altijd om informele hulp. 3.Als de jeugdhulp geboden wordt door een persoon uit het sociale netwerk van de budgethouder is altijd sprake van informele hulp. Artikel20.Kwaliteitseisen individuele voorziening in de vorm van een pgb 1.Om de kwaliteit te waarborgen van de met een pgb in te kopen individuele voorziening voldoet de uitvoerder van de jeugdhulp aan de volgende eisen: beschikt over een Verklaring Omtrent het Gedrag die niet ouder is dan drie maanden bij aanvang van de hulpovereenkomst en gedurende de hulpverlening niet ouder dan drie jaar, waaruit blijkt dat er geen bezwaren zijn voor de uitoefening van diens functie. De ouder(
- s)zijn uitgesloten van deze eis; beschikt over de juiste vaardigheden en deskundigheid om verantwoorde hulp te bieden; houdt een deugdelijke administratie bij met een registratie van de geleverde hulp; is voldoende vaardig om in de Nederlandse taal te communiceren; werkt volgens een plan waarin activiteiten en doelen zijn vastgelegd; voert de hulp uit in overeenstemming met de beschikking van het college; stemt de hulp af op de persoonlijke situatie van de jeugdige en/of ouder(s); stemt de hulp af op andere voorzieningen, algemene voorzieningen en individuele voorzieningen waar de jeugdige en/of ouder(
- s)gebruik van maken; respecteert de privacy van de jeugdige en/of ouder(
- s)en gaat vertrouwelijk om met informatie over de persoonlijke situatie; neemt bij vermoedens van huiselijk geweld of kindermishandeling in het huishouden van de jeugdige en/of ouder(
- s)voor advies of het doen van een melding contact op met Veilig Thuis; meldt calamiteiten en geweldsincidenten bij de verlening van jeugdhulp aan het college; werkt mee aan toezicht en aangekondigd en onaangekondigd onderzoek door het college of daartoe aangewezen derden op inhoudelijke kwaliteit en op rechtmatigheid; en als jeugdhulp geboden wordt door een persoon uit het sociale netwerk: is of raakt door verlening van de jeugdhulp naar het oordeel van het college niet overbelast. 2.Om de kwaliteit te waarborgen van de met een pgb in te kopen individuele voorziening voldoet de uitvoerder van formele jeugdhulp aan de volgende aanvullende eisen: handelt in overeenstemming met de professionele standaard; werkt op basis van een hulpverleningsplan; werkt met een systeem voor kwaliteitsbewaking; hanteert de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling, de meldplicht calamiteiten en de meldplicht geweld bij de verlening van jeugdhulp; en stelt een vertrouwenspersoon in staat zijn taak uit te voeren. 3.Het college verstrekt geen pgb voor informele jeugdhulp als, conform het afwegingskader voor een verantwoorde werktoedeling op basis van het Kwaliteitskader Jeugd, formele jeugdhulp noodzakelijk is. Artikel21.Hoogte pgb 1.De hoogte van het pgb voor formele hulp bedraagt 75% van het tarief voor gecontracteerde jeugdhulp in natura, tenzij op basis van het door de jeugdige en/of ouder(
- s)ingediende budgetplan passende en toereikende jeugdhulp voor een lager tarief kan worden ingekocht. 2.Als het op basis van het eerste lid vastgestelde pgb in een individueel geval onvoldoende is om passende jeugdhulp te kunnen inkopen, wordt het tarief zodanig aangepast dat de hulp hiermee bij ten minste één jeugdhulpaanbieder kan worden ingekocht. 3.De hoogte van het pgb voor informele hulp is bij het bestaan van een arbeidsovereenkomst of overeenkomst van opdracht gelijk aan het dan geldende minimum uurloon, inclusief vakantiebijslag, zoals bedoeld in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag voor een persoon van 21 jaar of ouder met een 36-urige werkweek. 4.Bij jeugdhulp die wordt verleend op basis van een verklaring als bedoeld in artikel 8ab, eerste lid, van de Regeling Jeugdwet bedraagt het pgb: de maximale hoogte van de tegemoetkoming per kalendermaand voor een hulp uit het sociale netwerk zoals opgenomen in artikel 8ab, eerste lid, van de Regeling Jeugdwet, tenzij op basis van het budgetplan kan worden volstaan met een lagere tegemoetkoming; en/of de tegemoetkoming per kalendermaand voor schoonmaakmiddelen, levensmiddelen, kleding of reiskosten zoals bedoeld in artikel 8ab, eerste lid, van de Regeling Jeugdwet. De tegemoetkoming wordt berekend aan de hand van de door het college vastgestelde vergoedingenlijst die waar mogelijk gebaseerd is op richtbedragen van het Nibud. 5.Het college kan nadere regels vaststellen over de pgb-tarieven met inachtneming van voorgaande bepalingen. 6.Het college maakt minimaal één keer per jaar de tarieven bekend. Hoofdstuk5.Herziening, intrekking, beëindiging, wijziging, terugvordering en bestrijding misbruik Artikel22.Herziening, intrekking, beëindiging, wijziging en terugvordering 1.De jeugdige en/of ouder(
- s)aan wie het college een individuele voorziening heeft verstrekt, is verplicht zo snel mogelijk het college te informeren over veranderingen in hun situatie die tot een heroverweging van het besluit kunnen leiden. 2.Het college kan een besluit, genomen op grond van deze verordening, beëindigen, wijzigen, herzien of intrekken als het college één van deze gronden vaststelt: de jeugdige en/of ouder(
- s)onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en het college met de juiste of volledige gegevens een andere beslissing had genomen; de jeugdige en/of ouder(
- s)niet langer op de individuele voorziening of het daarmee samenhangende pgb zijn aangewezen; de individuele voorziening of het daarmee samenhangende pgb niet meer passend is; de jeugdige en/of ouder(
- s)niet voldoen aan de voorwaarden van de individuele voorziening of het pgb; of de jeugdige of zijn ouder(
- s)de individuele voorziening of het daarmee samenhangende pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het is bedoeld. 3.Het college kan een besluit, genomen op grond van deze verordening, (tijdelijk) opschorten als de jeugdige langer dan acht weken verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet. 4.Het college kan de kosten voor de verstrekte individuele voorziening waar de jeugdige en/of ouder(
- s)geen recht op hadden voor een deel of helemaal terugvorderen als de voorziening is ingetrokken op grond van het tweede lid onder a. Artikel23.Niet meewerken ouder(
- s)1.De jeugdige en/of ouder(
- s)zijn verplicht om, binnen de eigen mogelijkheden, mee te werken aan het onderzoek gericht op besluitvorming over en de doelmatige inzet van jeugdhulp. 2.Als de jeugdige en/of ouder(
- s)naar het oordeel van het college niet of onvoldoende meewerken, kan de omvang van de benodigde jeugdhulp niet worden vastgesteld of is de jeugdhulp niet effectief en kan door het college worden besloten geen individuele voorziening te verstrekken, een lagere omvang vast te stellen of een eerder toegekende individuele voorziening in te trekken. Artikel24.Misbruik en controle 1.Het college informeert jeugdigen en/of ouders duidelijk over de rechten en plichten die verbonden zijn aan de toegekende individuele voorziening (in natura of in pgb-vorm) en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de voorziening. 2.Het college wijst een toezichthouder aan die belast is met het houden van toezicht op de naleving van rechtmatige uitvoering van de wet, waaronder de bestrijding van misbruik, oneigenlijk gebruik en ondoelmatig gebruik van toegekende voorzieningen. 3.Het college kan nadere regels vaststellen over de bevoegdheden van de toezichthouder. Artikel25.Overige maatregelen ter voorkoming van oneigenlijk gebruik, misbruik en niet-gebruik 1.Het college maakt met de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde jeugdhulpaanbieders afspraken over de facturatie, resultaatsturing en accountantscontroles, zodat declaraties en uitbetalingen in overeenstemming zijn met de contractuele afspraken, de leveringsopdracht, de prestatieafspraken en de feitelijk geleverde prestaties. 2.Het college maakt met de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde jeugdhulpaanbieders afspraken over het monitoren van de gemiddelde trajectduur tijdens de looptijd van een contract. 3.Het college draagt zorg voor een meldpunt waar signalen over oneigenlijk gebruik en fraude kunnen worden gemeld in het kader van uitvoering van de wet. Hoofdstuk6.Afstemming met andere voorzieningen Artikel26.Voorliggende voorzieningen 1.Het college verstrekt geen voorziening voor jeugdhulp als: de jeugdige voor zijn problematiek recht heeft op zorg vanuit de Wet langdurige zorg, de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen of de Zorgverzekeringswet; het college oordeelt dat voor de problematiek van de jeugdige recht bestaat op een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling. Dit geldt niet voor een maatwerkvoorziening voor begeleiding als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; of het college gegronde redenen heeft om aan te nemen dat de jeugdige in aanmerking kan komen voor zorg vanuit de Wet langdurige zorg, maar de jeugdige en/of ouder(
- s)of wettelijke vertegenwoordiger weigeren mee te werken aan de aanvraag voor een Wlz-indicatie. 2.Als er meerdere oorzaken zijn voor de problematiek van de jeugdige en daardoor een vorm van zorg vanuit de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet en een soortgelijke voorziening vanuit de wet kan worden verkregen, moet het college deze voorziening op grond van de wet treffen. 3.Als de jeugdige en/of ouder(
- s)of wettelijk vertegenwoordiger een aanvraag voor jeugdhulp doen waarvoor ze een voorziening vanuit een andere wet kunnen krijgen, verwijst het college naar die instantie waar de aanvraag voor de voorziening kan worden behandeld. Artikel27.Afstemming Zorgverzekeringswet en Wet langdurige zorg 1.In artikel 5 (Toegang jeugdhulp via het medisch domein) is de mogelijkheid opgenomen dat de jeugdige en/of ouder(
- s)via het medisch domein jeugdhulp kunnen ontvangen. Het college maakt afspraken met de huisartsen, medisch specialisten, jeugdartsen en met de zorgverzekeraars, over de voorwaarden waaronder en de wijze waarop de verwijzing plaatsvindt. Dit volgt uit artikel 2.7, vierde lid, van de wet. 2.De inzet van hulp voor een jeugdige die 18 jaar wordt, kan wijzigen. Als het gaat om zorg die vanaf het 18e jaar onder de Zorgverzekeringswet valt, zorgt het college in samenwerking met de zorgverzekeraars voor een soepele overgang. Het college doet dit door afspraken te maken met de zorgverzekeraars en het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ). De afspraken gaan over hoe de continuïteit van hulp te garanderen voor jeugdigen die jeugdhulp ontvangen en de leeftijd van 18 jaar bereiken en daarmee onder de Zorgverzekeringswet of Wet langdurige zorg komen te vallen. Dit om te voorkomen dat jeugdigen tussen wal en schip vallen wanneer er discussie is over het wettelijke kader. 3.Het college zorgt ervoor dat de jeugdige en/of ouder(
- s)ondersteund worden richting het CIZ, als er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de jeugdige in aanmerking kan komen voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg. Artikel28.Afstemming andere vormen van hulp en ondersteuning 1.Aanvullend op artikel 27 stemt het college de jeugdhulp waaraan de jeugdige en/of ouder(
- s)behoefte hebben ten minste af op het aanbod van activiteiten, diensten of middelen op grond van: de Leerplichtwet; de onderwijswetten; de Participatiewet; de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening; de Wet inburgering 2021; de Wet kinderopvang; de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; de Wet publieke gezondheid; de Wet tijdelijk huisverbod; en de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg, zodat deze zo veel mogelijk op elkaar aansluiten en ondersteunt de jeugdige en/of ouder(
- s)actief bij het verkrijgen van toegang tot de andere voorziening(
- en)of bij behoud van de continuïteit van hulp op grond van de benodigde hulp. 2.De afgestemde jeugdhulp wordt zodanig ingezet dat deze leidt tot: het opheffen van een situatie die voor de jeugdige en/of ouder(
- s)of diens omgeving levensbedreigend is, of met grote waarschijnlijkheid leidt tot ernstige gezondheidsschade; stabilisatie van een crisissituatie, anders dan bedoeld onder a; een voldoende mate van duurzame zelfredzaamheid van de jeugdige en/of ouder(s), voor zover dat binnen het vermogen ligt. 3.Het college weegt bij de afstemming van de jeugdhulp de volgende aspecten mee: de behoefte aan hulp en ondersteuning van de jeugdige en/of ouder(s); de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van een jeugdige of een ouder zoals bedoeld in artikel 10 en de mogelijkheden van het sociale netwerk; welke volgorde van inzet van hulp en ondersteuning naar verwachting het meeste effect sorteert en in hoeverre hulp en ondersteuning gelijktijdig kan of moet worden ingezet; welke hulp en ondersteuning leidt tot de minste maatschappelijke kosten op lange termijn. 4.Als de jeugdige en/of ouder(
- s)dan wel een wettelijk vertegenwoordiger weigeren mee te werken aan ondersteuning als bedoeld in het eerste lid, kan het college het onderzoek beëindigen en een individuele voorziening weigeren. Artikel29.Afstemming gecertificeerde instellingen 1.Het college maakt afspraken met de gecertificeerde instellingen over de aansluiting tussen de algemene voorzieningen als bedoeld in hoofdstuk 2 en de gecertificeerde instellingen. 2.Het college maakt afspraken met de gecertificeerde instellingen over: het overleg over de jeugdhulp die nodig is als er een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering aan de jeugdige is opgelegd, zoals bedoeld in artikel 3.5, eerste lid, van de wet, het overleg over de eventueel gewenste jeugdhulp na beëindiging van de kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering; de vorm en inhoud van het besluit tot inzet van jeugdhulp van de gecertificeerde instelling en hoe het college daarvan op de hoogte gesteld wordt; wanneer en onder welke voorwaarden de gecertificeerde instelling budgethouder van een pgb kan zijn namens de jeugdige en/of ouder(s); en hoe te handelen wanneer de gecertificeerde instelling meent dat niet gecontracteerde jeugdhulp ingezet moet worden. 3.Het college en de gecertificeerde instelling leggen de bovengenoemde afspraken vast in een protocol (artikel 3.5, derde lid, van de wet). Artikel30.Afstemming justitiedomein 1.Het college maakt afspraken met de gecertificeerde instellingen, de Raad voor de Kinderbescherming en justitiële jeugdinrichtingen over het overleg over de inzet van jeugdhulp bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing en jeugdreclassering als bedoeld in artikel 2.4, tweede lid onder b, van de wet. 2.Het college en de betrokken gecertificeerde instellingen nemen de afspraken op in het protocol zoals bedoeld in artikel 29, derde lid, van deze verordening. Het college en de Raad voor de Kinderbescherming leggen de manier van samenwerken en de gemaakte afspraken vast in het protocol bedoeld in artikel 3.1, vijfde lid, van de wet. Artikel31.Afstemming voorschoolse voorzieningen, onderwijs en leerplicht 1.Het college zorgt ervoor dat alle locaties voor kinderopvang, peuterspeelzaal, primair en voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs een contactpersoon hebben bij het toegangsteam van de gemeente. 2.Het college draagt zorg voor een goede afstemming tussen de in het eerste lid genoemde contactpersonen en de leerplichtambtenaren. 3.Afspraken over de afstemming van jeugdhulpvoorzieningen, onderwijszorg en leerplichtzaken voor een jeugdige worden vastgelegd in het ondersteuningsplan van de jeugdige. Artikel32.Afstemming Veilig Thuis Het college maakt afspraken met Veilig Thuis over de toegang naar algemene en individuele voorzieningen. Artikel33.Afstemming Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 1.Het college draagt zorg voor een goede afstemming van voorzieningen op grond van deze verordening en voorzieningen voor jeugdigen en/of ouder(
- s)op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo). 2.Het college draagt zorg voor de continuïteit van hulp als de jeugdige 18 jaar wordt en de hulp vanaf het 18e jaar onder de Wmo valt. Artikel34.Afstemming werk en inkomen Het college zorgt ervoor dat het toegangsteam, jeugdhulpaanbieders en de gecertificeerde instellingen financiële belemmeringen voor het slagen van preventie en jeugdhulp vroegtijdig signaleren. Als het nodig is, zorgt het college ervoor dat jeugdigen en/of ouder(
- s)de juiste ondersteuning krijgen vanuit de gemeentelijke voorzieningen om deze belemmeringen weg te nemen, zoals schuldhulpverlening, inkomensvoorzieningen, re-integratievoorzieningen en armoedevoorzieningen. Artikel35.Overgang 18- naar 18+ 1.Als een jeugdige gebruik maakt van een individuele voorziening en bijna 18 jaar wordt, zorgt het college ervoor dat er op tijd een gesprek plaatsvindt over de veranderingen vanaf 18 jaar en welke voorziening vanaf 18 jaar nodig is. 2.De jeugdhulpaanbieder stelt voor jeugdigen die jeugdhulp krijgen vanaf het 16e jaar een perspectiefplan op waarin staat: welke hulp of ondersteuning nodig is vanaf 18 jaar; hoe en vanuit welke wet (Wmo, Wet langdurige zorg, Zorgverzekeringswet of verlengde Jeugdwet) de hulp vanaf 18 jaar wordt ingezet. 3.De jeugdhulpaanbieder betrekt de jeugdige, het gezin en het college bij (het opstellen van) het perspectiefplan. Hoofdstuk7.Waarborgen verhouding prijs en kwaliteit Artikel36.Verhouding prijs en kwaliteit jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen 1.De gemeente zorgt voor een goede prijs-kwaliteitverhouding bij het vaststellen van de tarieven voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering door: een vaste prijs te bepalen. Die prijs geldt dan voor inschrijving op een aanbesteding en voor een daaropvolgende overeenkomst met een aanbieder; of een reële prijs vast te stellen. 2.De gemeente houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren diensten, in ieder geval rekening met: de aard en omvang van de te verrichten taken; de voor de sector toepasselijke cao-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie; een redelijke toeslag voor overheadkosten, zoals huisvestingskosten; kosten van beroepskrachten cliëntgebonden, zoals kosten voor het opmaken van rapportages en het volgen van multidisciplinair overleg; kosten van beroepskrachten niet-cliëntgebonden, zoals een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg; cliëntgebonden kosten anders dan van beroepskrachten, bijvoorbeeld kosten van verblijf of voedingskosten; kosten van indexering. 3.De gemeente houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven voor door derden te leveren algemene voorzieningen, in ieder geval rekening met: de marktprijs van de voorziening; en de eventuele extra taken die in verband met de voorziening van de aanbieder worden gevraagd, zoals verplichte deelname aan samenwerkingsverbanden. 4.Het eerste, tweede en derde lid gelden ook voor subsidies als deze worden verstrekt voor de daadwerkelijke verlening van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering aan de jeugdige en/of ouder(
- s)en de subsidie bedoeld is om de te verrichten diensten volledig te betalen. 5.Het college bedingt bij de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde aanbieders van preventie, jeugdhulpaanbieders of gecertificeerde instellingen dat zij het verlenen van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering alleen aan derden uitbesteden als zij die derden daarvoor een reële prijs betalen, die tot stand is gekomen met gebruikmaking van de kostprijselementen bedoeld in het tweede lid. Hoofdstuk8.Klachten en medezeggenschap Artikel37.Klachtregeling Het college stelt een regeling vast voor de afhandeling van klachten van de jeugdige en/of ouder(
- s)dan wel een wettelijk vertegenwoordiger die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van meldingen, verzoeken en aanvragen als bedoeld in deze verordening. Artikel38.Betrekken ingezetenen bij ontwikkelen beleid 1.Het college betrekt de ingezetenen van de gemeente bij de voorbereiding van het beleid betreffende jeugdhulp overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend. 2.Het college stelt de jeugdige en/of ouder(
- s)en vertegenwoordigers van cliëntgroepen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende jeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. 3.Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning. 4.Het college kan nadere regels vaststellen ter uitvoering van het tweede en derde lid. Hoofdstuk9.Slotbepalingen Artikel39.Evaluatie Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt eenmaal per vier jaar geëvalueerd. Artikel40.Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen in het voordeel van de jeugdige en/of ouder(
- s)afwijken van de bepalingen van deze verordening als toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Artikel41.Intrekking oude verordening en overgangsrecht 1.De Verordening Jeugdhulp Gemeente Goes 2021 wordt ingetrokken. 2.De jeugdige en/of ouder(
- s)houden recht op een lopende voorziening, verstrekt op grond van de Verordening Jeugdhulp Gemeente Goes 2021, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen. 3.Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening Jeugdhulp Gemeente Goes 2021 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld op grond van deze verordening. Artikel42.Inwerkingtreding en citeertitel 1.Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na bekendmaking in het Gemeenteblad. 2.Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Jeugdhulp Gemeente Goes 2026. Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Goes in de openbare vergadering van 12 maart 2026de griffierdrs. B.C. van Doornumde voorzitterC.H. van den BosToelichting op de verordening Jeugdhulp Gemeente Goes 2026 Algemene toelichting Deze verordening geeft uitvoering aan de Jeugdwet (hierna: de wet). De wet kent een voorzieningenplicht voor de gemeente: de jeugdhulpplicht. Deze houdt kort gezegd in dat het college een jeugdhulpvoorziening moet verstrekken als de jeugdige en/of ouder(
- s)dit nodig hebben bij problemen met het veilig opgroeien, groeien naar zelfredzaamheid of deelname aan de maatschappij. De aard en omvang van deze jeugdhulpplicht wordt grotendeels door de gemeente bepaald (maatwerk). De wet schrijft in de artikelen 2.9, 2.10 en 2.12 voor dat de gemeenteraad in de verordening in ieder geval regels opstelt over: de door het college te verlenen individuele voorzieningen en algemene (vrij toegankelijke) voorzieningen; de voorwaarden voor toekenning, de wijze van beoordeling van en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening; hoe de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen; hoe de hoogte van een persoonsgebonden budget (pgb) wordt vastgesteld; de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of pgb en van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet; hoe ingezetenen worden betrokken bij de uitvoering van de wet; en hoe een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering gewaarborgd wordt en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan. Artikel 2.9 van de wet is niet uitputtend geformuleerd en biedt derhalve ruimte om, rekening houdend met wat in de wet staat, nog andere regels te stellen. Daarnaast kan de gemeenteraad op grond van artikel 8.1.1, derde lid, van de wet bepalen onder welke voorwaarden de persoon aan wie een pgb wordt verstrekt, de jeugdhulp kan inkopen bij een persoon die behoort tot zijn sociale netwerk. Deze verordening kan niet los worden gezien van het beleidsplan dat de gemeenteraad op grond van artikel 2.2 van de wet vaststelt. In dit beleidsplan wordt het door het gemeentebestuur te voeren beleid vastgelegd met betrekking tot preventie en jeugdhulp, de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering. Het huidige beleidsplan voor jeugdregio Zeeland is de regiovisie jeugdhulp Zeeland 2023-2028. Algemene (vrij toegankelijke) en individuele voorzieningen Een voorziening voor jeugdhulp kan verschillende soorten ondersteuning en hulp omvatten. De verordening maakt onderscheid tussen algemene (vrij toegankelijke) en individuele (niet-vrij toegankelijke) voorzieningen op het gebied van jeugdhulp. Voor een deel van de hulpvragen kan volstaan worden met een algemene voorziening. Hier kunnen de jeugdige en/of ouder(
- s)gebruik van maken zonder dat zij daarvoor een verwijzing of een besluit van de gemeente nodig hebben. De jeugdige en/of ouder(
- s)kunnen zich voor een algemene voorziening rechtstreeks bij de jeugdhulpaanbieder melden. Een individuele voorziening ziet vaak op meer gespecialiseerde hulp. Voor deze niet-vrij toegankelijke vormen van hulp beoordeelt het college eerst of de jeugdige en/of ouder(
- s)deze hulp daadwerkelijk nodig hebben. De gemeente bepaalt zelf welke hulp vrij toegankelijk is en welke niet. In deze verordening zijn de beschikbare algemene en individuele voorzieningen uitgewerkt in artikel 2 en 3. Toeleiding naar jeugdhulp De toeleiding naar jeugdhulp kan op verschillende manieren plaatsvinden, te weten: via de gemeente; na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts; via de gecertificeerde instellingen, de rechter, het Openbaar Ministerie of de justitiële jeugdinrichting; en via Veilig Thuis (geen rechtstreekse toegang tot jeugdhulp). Toegang jeugdhulp via de gemeente De hulpvraag van de jeugdige en/of ouder(
- s)kan binnenkomen bij het toegangsteam van de gemeente. Het toegangsteam onderzoekt dan of en zo ja, welke jeugdhulp nodig is. Is een individuele voorziening nodig? Dan geeft het college (althans een deskundige namens het college) daartoe een beschikking af. Toegang via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts De wet regelt daarnaast dat jeugdhulp toegankelijk is na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts. In de praktijk bepalen de huisarts, medisch specialist en jeugdarts vaak niet zelf welke specifieke vorm van hulp nodig is. Zij verwijzen naar een van de jeugdhulpaanbieders waarmee de gemeente een contract heeft. De jeugdhulpaanbieder beoordeelt vervolgens op basis van zijn professionele autonomie welke voorziening precies nodig is (de behandelvorm), hoe vaak iemand moet komen (de omvang) en hoe lang (de duur). Daarbij moet de jeugdhulpaanbieder zich houden aan de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de inkoop- of subsidierelatie, en met de regels die daarover zijn vastgelegd in deze verordening en in het Zeeuws medisch verwijsprotocol. Toegang via de gecertificeerde instelling, de strafrechter, het Openbaar Ministerie en de directeur of selectiefunctionaris van de justitiële inrichting In het kader van de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering kan de gecertificeerde instelling zelfstandig bepalen dat jeugdhulp nodig is (artikel 3.5, eerste lid, van de wet). In het kader van een strafrechtelijke beslissing in het jeugdstrafrecht kunnen ook andere instanties besluiten dat jeugdhulp nodig is. Deze andere instanties zijn de strafrechter, de officier van justitie en de directeur of selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting. De gemeente is er verantwoordelijk voor dat de jeugdhulp wordt ingezet die deze instanties nodig vinden ter uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel, jeugdreclassering of een strafrechtelijke beslissing. Hier geldt dus een leveringsplicht van de gemeente (zie artikel 2.4, tweede lid onder b, van de wet). Wel geldt als uitgangspunt dat rekening wordt gehouden met de jeugdhulp die de gemeente heeft ingekocht. Toegang via Veilig Thuis Veilig Thuis geeft advies over vermoedens en gevallen van huiselijk geweld en kindermishandeling. Op basis van een melding onderzoekt Veilig Thuis als dat nodig is of er sprake is van huiselijk geweld en/of kindermishandeling, Als uit dit onderzoek blijkt dat jeugdhulp nodig is, motiveert Veilig Thuis de ouder(
- s)tot het accepteren van jeugdhulp en legt contacten met de toegang van de gemeente. Afbakening reikwijdte jeugdhulpplicht De reikwijdte van de jeugdhulpplicht in de wet vormt al enkele jaren een belangrijk onderwerp in gesprekken over jeugdhulp. In de Hervormingsagenda Jeugd is de afspraak gemaakt dat de wetgever de wet gaat aanpassen om deze reikwijdte te verduidelijken en af te bakenen (te begrenzen). Dit om ervoor te zorgen dat jeugdhulp beschikbaar blijft voor de meest kwetsbare gezinnen of gezinnen in de meest kwetsbare situaties. Het doel is om duidelijk te maken wat er wél onder de jeugdhulpplicht valt, in plaats van wat er niet onder valt. Op dit moment geldt er geen jeugdhulpplicht voor hulp die op ‘eigen kracht’ kan worden geboden of worden georganiseerd, maar deze begrippen zijn niet gedefinieerd in de wet. Als er vrij toegankelijke voorzieningen zijn, dan gaan deze momenteel voor op niet-vrij toegankelijke voorzieningen. De verordening voorziet in: het scherper verwoorden en uitwerken van het beschikbare voorzieningenpakket; een verbeterde afstemming tussen de wet en andere wetgeving; het uitwerken van de verdeling van de verantwoordelijkheden tussen ouders en het college als verstrekker van individuele voorzieningen; een uitdrukkelijke opname van het stappenplan van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) verplicht stellen voor de medische verwijsroute; en duidelijke voorwaarden ter voorkoming van oneigenlijk gebruik en misbruik van de wet. Artikelsgewijze toelichting Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen Lid 1, onderdeel a: algemene voorziening Een algemene voorziening is een voorziening die vrij toegankelijk is voor jeugdigen en/of ouder(
- s)voor ondersteuning of hulp. Een toegangsbeoordeling is niet nodig. Dit betekent dat het college voorafgaand geen onderzoek doet naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de jeugdige en/of ouder(s). Voor een algemene voorziening is geen beschikking nodig (zie ook artikel 2 van deze verordening en de toelichting daarbij). De wet spreekt in artikel 2.9, onderdeel a, van ‘overige voorziening’. Maar in de memorie van toelichting op de wet spreekt de wetgever over een ‘algemene’ of ‘vrij toegankelijke voorziening’. Ook de praktijk spreekt vaak over algemene of vrij toegankelijke voorzieningen. Omdat ‘algemene voorziening’ de meest gangbare term is en ook binnen de Wmo 2015 gebruikt wordt, is deze overgenomen in de verordening. Lid 1, onderdeel b: andere voorziening Een andere voorziening is een voorziening die de jeugdige kan ontvangen op grond van een andere wet dan de Jeugdwet, bijvoorbeeld de Wmo 2015, de Zorgverzekeringswet (Zvw) of de Wet langdurige zorg (Wlz). Lid 1, onderdeel c: budgetbeheerder De budgetbeheerder voert de taken verbonden aan een pgb uit voor de budgethouder die op grond van de wet een pgb ontvangt om daarmee jeugdhulp in te kunnen kopen. Als de budgethouder namelijk niet zelf de taken verbonden aan een pgb kan uitvoeren, kan hij dit een budgetbeheerder laten doen. In artikel 8.1.1 van de wet staat wie als budgetbeheerder kunnen optreden, namelijk het sociale netwerk, de curator, de bewindvoerder, de mentor, een gemachtigde, de gecertificeerde instelling of een aanbieder van gesloten jeugdhulp. Lid 1, onderdeel d: budgethouder De budgethouder is degene die op grond van de wet een pgb ontvangt om daarmee jeugdhulp in te kunnen kopen. Zowel jeugdigen als ouders kunnen jeugdhulp krijgen, dus het gaat hier om de jeugdige en/of ouder(s). Lid 1, onderdeel e: cliëntondersteuner Zie de toelichting bij artikel 4, tweede lid. Lid 1, onderdeel f: college Deze bepaling spreekt voor zich. Lid 1, onderdeel g: gebruikelijke hulp Gebruikelijke hulp in het kader van de wet is hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders. Onder ‘andere verzorgers of opvoeders’ kunnen ook pleegouders vallen. Jeugdhulp kan slechts ingezet worden voor hulp die gebruikelijke hulp te boven gaat. Dat is bepaald in deze verordening. In artikel 10 van deze verordening is bepaald in welke situaties sprake is van (boven)gebruikelijke hulp. Lid 1, onderdeel h: hulpvraag Deze bepaling spreekt voor zich. Lid 1, onderdeel i: individuele voorziening Een individuele voorziening is een op de jeugdige of zijn ouders toegesneden vorm van jeugdhulp. Deze voorziening is niet vrij toegankelijk. Hiervoor is een individuele beoordeling en ook een beschikking nodig. Lid 1, onderdeel j: ondersteuningsplan Het ondersteuningsplan is het resultaat van het onderzoek dat de gemeente uitvoert naar de hulpvraag van de jeugdige en/of ouder(s). Het plan beschrijft de bijdragen die zowel het college, de hulpvrager als het sociale netwerk gaan leveren om gezamenlijk een oplossing te bieden voor de hulpvraag. Lid 1, onderdeel k: persoonsgebonden budget (pgb) De jeugdige en/of ouder(
- s)kunnen een individuele voorziening ontvangen in de vorm van een pgb. Met dit budget kunnen de jeugdige en/of ouder(
- s)zelf de benodigde hulp inkopen. Deze begripsomschrijving benadrukt dat het in deze verordening gaat om het pgb dat verleend kan worden op grond van artikel 8.1.1 van de wet. Lid 1, onderdeel l: sociaal netwerk Tot het sociale netwerk worden gerekend de personen uit de huiselijke kring (onder andere (ex-)partners, gezinsleden, familieleden of mantelzorgers) en andere personen met wie iemand een sociale relatie heeft. Met dat laatste worden personen bedoeld met wie de jeugdige en/of ouder(
- s)regelmatig contacten onderhouden, zoals buren, medeleden van een vereniging et cetera. Het begrip ‘sociaal netwerk’ komt ook voor in de Wmo 2015. Bij de uitvoering van de wet wordt aangesloten bij deze begripsomschrijving. De vraag of er personen in het sociale netwerk zijn die een bijdrage kunnen leveren aan de oplossing van de hulpvraag komt aan de orde bij het onderzoek dat de gemeente verricht als de jeugdige en/of ouder(
- s)zich melden met een hulpvraag. Lid 1, onderdeel m: wet Deze bepaling spreekt voor zich Lid 1, onderdeel n: zorg in natura Als het college aan de jeugdige en/of ouder(
- s)een individuele voorziening toekent, gaat het meestal om zorg in natura. De toegekende jeugdhulp wordt dan verleend door een aanbieder waarmee de gemeente een contract heeft. Lid 2 Het aantal definities van artikel 1 is beperkt aangezien de wet al veel definities kent die ook bindend zijn voor deze verordening. Deze wettelijke definities zijn dan ook niet nogmaals opgenomen in deze verordening. Ook de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kent een aantal definitiebepalingen die voor deze verordening van belang zijn, zoals: ‘aanvraag’ (artikel 1:3, derde lid, van de Awb) en ‘beschikking’ (artikel 1:2 van de Awb). Hoofdstuk 2. Algemene voorzieningen Artikel 2. Beschikbare algemene voorzieningen Algemene voorzieningen zijn vrij toegankelijk. Er vindt geen voorafgaand onderzoek plaats naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de jeugdige en/of ouder(s). Het college geeft hiervoor geen beschikking af. Het is wel mogelijk dat iemand een aanvraag indient voor een individuele voorziening en het college vervolgens na het onderzoek tot de conclusie komt dat een algemene voorziening beschikbaar en passend is. Het college verwijst dan naar de algemene voorziening en wijst de aanvraag voor een individuele voorziening dan af. Zie hiervoor ook artikel 7, eerste lid onder g, van deze verordening. Lid 2 Dit artikel geeft een nadere uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel 2.9, onderdeel a, van de wet, waarin is bepaald dat het college regels stelt over de te verlenen individuele en algemene jeugdhulpvoorzieningen. Uit de memorie van toelichting op de wet (Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3) komt naar voren dat de burger recht heeft op een duidelijk beeld van het aanbod van voorzieningen binnen de gemeente. Hoofdstuk 3. Individuele voorzieningen Paragraaf 1. Voorzieningen Artikel 3. Beschikbare individuele voorzieningen Soms is een algemene voorziening niet passend of niet voldoende compenserend. Dan kan de jeugdige en/of ouder(
- s)misschien gebruik maken van een individuele voorziening. Hiervoor is voorafgaand diepgaand onderzoek naar de hulpvraag en de behoefte en persoonskenmerken van de jeugdige nodig. De toegang tot een individuele voorziening is geregeld in paragraaf 3 van hoofdstuk 3 van deze verordening. In artikel 3 van deze verordening staan de beschikbare individuele voorzieningen. Dit artikel is gebaseerd op het gecontracteerde aanbod van de dertien Zeeuwse gemeenten vanaf 1 januari 2026. Lid 2 Hierin staat een grondslag opgenomen voor het college om de genoemde voorzieningen in nadere regels uit te werken en toe te lichten. Dit om meer grip te krijgen op de afbakening van de reikwijdte van de jeugdhulpplicht. Lid 3 Op grond van artikel 2.6, eerste lid onder a, van de wet is het aan het college om zorg te dragen voor een kwalitatief en kwantitatief aanbod. In het derde lid is bepaald dat het college in het kader van zijn inkoop- of subsidierelatie met de jeugdhulpaanbieders afspraken moet maken. Deze afspraken dragen bij aan duidelijkheid over het beschikbare voorzieningenpakket. De kwaliteitseisen waar jeugdhulpaanbieders moeten voldoen die onder verantwoordelijkheid van het college werkzaamheden uitvoeren, vloeien rechtstreeks voort uit de wet. Deze zijn daarom niet in de verordening opgenomen, maar moeten uiteraard wel in de contractafspraken worden opgenomen. Paragraaf 2. Toegang Artikel 4. Toegang en aanvraag jeugdhulp via de gemeente De hulpvraag van de jeugdige en/of ouder(
- s)kan binnenkomen bij het toegangsteam van de gemeente. Het toegangsteam onderzoekt dan of en zo ja, welke jeugdhulp nodig is. Lid 1 De jeugdige en/of ouder(
- s)kunnen een aanvraag (laten) indienen voor een individuele jeugdhulpvoorziening. Met ouder wordt hier bedoeld de ouder met gezag of een ouder zonder gezag, die de jeugdige verzorgt en opvoedt. Alleen dan is de ouder belanghebbende bij het jeugdhulpbesluit. Een jeugdige is belanghebbende bij een jeugdhulpbesluit als die in staat is tot een redelijke waardering van diens belangen. In de praktijk wordt ervan uitgegaan dat kinderen van 12 jaar of ouder daartoe in staat zijn. Het college beoordeelt per individueel geval of de betreffende jeugdige in staat is om een eigen mening te vormen. Dat kan ook het geval zijn bij jeugdigen die jonger zijn dan 12 jaar. Een belanghebbende is op grond van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Naast de ouder(
- s)en de jeugdige kan dit ook een ander zijn die de jeugdige verzorgt en opvoedt. Zoals een pleegouder, een familielid waar de jeugdige woont of een partner van de ouder waar de jeugdige woont. In dat geval is hun belang rechtstreeks bij het besluit betrokken, omdat het jeugdhulpbesluit de opvoeding(ssituatie) raakt. In de Awb staan regels over de aanvraag(procedure). Deze verordening wijkt daarvan niet af. Dat betekent in ieder geval dat, op grond van artikel 4:1 van de Awb, een aanvraag voor een individuele voorziening schriftelijk moet worden ingediend bij het college. Lid 2 Het college wijst de jeugdige en/of ouder(
- s)op de mogelijkheid om gebruik te maken van cliëntondersteuning. Cliëntondersteuning is onafhankelijke ondersteuning door middel van informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van onder andere jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning. Dit volgt uit artikel 1.1.1 van de Wmo 2015. Op grond van artikel 2.5 van de wet informeert het college jeugdigen, ouders en pleegouders tijdig over de mogelijkheid om gebruik te maken van een vertrouwenspersoon. Op grond van artikel 4.1.1 van het Besluit Jeugdwet heeft de informatie die het college verstrekt over de mogelijkheid gebruik te maken van de diensten van een vertrouwenspersoon in ieder geval betrekking op: de onafhankelijke rol van de vertrouwenspersoon; de aard van de ondersteuning door een vertrouwenspersoon; de vertrouwelijkheid van die ondersteuning; het feit dat de ondersteuning kosteloos is; en de bereikbaarheid en beschikbaarheid van de vertrouwenspersoon. Lid 3 Het familiegroepsplan is een hulpverleningsplan of plan van aanpak dat de ouder(
- s)opstellen samen met bloedverwanten, aanverwanten of anderen die tot de sociale omgeving van de jeugdige behoren. De jeugdhulpaanbieder moet de jeugdige en/of ouder(
- s)bij het leveren van hulp als eerste de mogelijkheid bieden een familiegroepsplan op te stellen. Dat geldt ook voor de gecertificeerde instelling als sprake is van een ondertoezichtstelling. Aanbieders en instellingen kunnen het familiegroepsplan gebruiken bij het bieden van hulp. De bedoeling van het familiegroepsplan is dat de ouder(s), familieleden en anderszins direct betrokkenen de mogelijkheid krijgen mee te denken en te helpen aan een oplossing voor gedwongen of vrijwillige jeugdhulp. Het familiegroepsplan is erop gericht om de ouder(
- s)en hun netwerk (met eventuele ondersteuning) in eigen kring de problemen op te kunnen laten lossen, in een prille fase waarin opgroei- en opvoedingsproblemen zijn gesignaleerd. Lid 4 Deze bepaling regelt dat het college nadere regels kan vaststellen over de aanvraagprocedure. Artikel 5. Toegang jeugdhulp via het medisch domein Zie de algemene toelichting onder ‘Toeleiding naar jeugdhulp’. Artikel 6. Toegang jeugdhulp via de GI, de strafrechter, het Openbaar Ministerie en de justitiële jeugdinrichting in het kader van het jeugdstrafrecht Zie de algemene toelichting onder ‘Toeleiding naar jeugdhulp’. Paragraaf 3. Beoordeling Artikel 7. Onderzoek en opstellen ondersteuningsplan Om de juiste hulp te kunnen inzetten en een zorgvuldig besluit te kunnen nemen, is het van belang dat alle feiten en omstandigheden van de hulpvraag worden onderzocht. In dit artikel wordt benadrukt dat een gesprek deel uitmaakt van het onderzoek en dat de omgeving van de jeugdige daar zo veel mogelijk bij betrokken wordt. Uitgangspunt is dat persoonlijk contact tussen de gemeente en de jeugdige en/of ouder(
- s)plaatsvindt. Lid 1 De onderdelen a tot en met i zijn de onderwerpen waar het college in ieder geval onderzoek naar moet doen. Zijn de jeugdige en/of ouder(
- s)al bekend bij de gemeente? Dan hoeven een aantal zaken niet meer uitgediept te worden en kan het college bijvoorbeeld alleen vragen of er nog nieuwe ontwikkelingen zijn. Ook kan besloten worden om helemaal van het gesprek af te zien als een gesprek gelet op de beschikbare informatie niet meer nodig is (negende lid). Komen een jeugdige en/of ouder(
- s)voor het eerst bij de gemeente? Dan is het gesprek nodig om een totaalbeeld van de jeugdige en/of ouder(
- s)en hun situatie te krijgen. De wet schept een jeugdhulpplicht voor gemeenten, maar die geldt alleen als de jeugdige en/of ouder(
- s)er zelf niet uitkomen. De jeugdhulp is bedoeld om de eigen kracht van de jeugdige en/of ouder(
- s)te versterken en om het gezin en andere mensen die dichtbij de jeugdige staan te leren om de jeugdige (nog) beter te helpen en te verzorgen, zodat de jeugdige gezond en veilig kan opgroeien en zo goed mogelijk mee kan doen in de maatschappij (CRvB 1 mei 2017, ECLI:NL:2017:1477, rov. 4.3.1.). Een zorgvuldig onderzoek vereist het achtereenvolgens doorlopen van de volgende stappen: Stap 1: inventariseer de vraag. Wat is de jeugdhulpvraag van de jeugdige en/of ouder(s)? In dit verband moet opgemerkt worden dat uit artikel 1.1 van de wet voortvloeit dat jeugdhulp niet alleen hulp aan de jeugdige is, maar ook dat de ouder(
- s)zelf in aanmerking kunnen komen voor jeugdhulp. Hierbij wordt ook nadrukkelijk gekeken naar hoe de situatie is ontstaan waarom de jeugdige en/of ouder(
- s)nu een beroep doen op de gemeente. Stap 2: breng de onderliggende problematiek minutieus in kaart leg dat vast. Welke opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen zijn er? Bij deze stap in het onderzoek wordt nadrukkelijk ook beoogd om de oorzaken van de waargenomen problematiek in de context van de systeem- en gezinsdynamiek in kaart te brengen. Stap 3: stel de aard en de omvang van de noodzakelijke hulp vast. De vraag of hulp noodzakelijk is en zo ja, welke hulp en met welke omvang, wordt aan de hand van de bevindingen uit de eerste twee stappen beantwoord. Hierbij wordt rekening gehouden met de leeftijd en het ontwikkelingsniveau van de jeugdige en met de godsdienstige gezindheid, levensovertuiging en culturele achtergrond van de jeugdige en/of ouder(s). Het doel van de noodzakelijke hulp moet zijn dat de jeugdige gezond en veilig kan opgroeien, kan groeien naar zelfstandigheid, voldoende zelfredzaam kan zijn en maatschappelijk kan participeren. Stap 4: kijk welk deel van de noodzakelijke hulp onder de eigen kracht valt. Onderzoek de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(
- s)en van het sociale netwerk en de vraag of de op basis van de eerste drie stappen bepaalde noodzakelijke hulp hiermee (deels) kan worden opgelost. Anders gezegd: het bepalen van de mate waarin de eigen kracht toereikend is. De stappen 1 tot en met 3 bouwen als het ware de jeugdhulpplicht eerst op tot een bepaald maximum. Stap 4 verkleint deze vervolgens weer, eventueel zelfs tot nul. Stap 5: stel vast welke voorziening nodig is voor de hulp waarin de ouder(
- s)of het sociale netwerk niet kunnen voorzien. Het verschil tussen de noodzakelijke hulp en de eigen kracht bepaalt uiteindelijk jeugdhulpplicht die op het college rust. Lid 2 Het college wijst de jeugdige en/of ouder(
- s)op de mogelijkheid een pgb aan te vragen. Het college moet hen dan volledig, objectief en in begrijpelijke woorden inlichten over de gevolgen van de keuze voor een pgb in plaats van zorg in natura (artikel 8.1.6 van de wet). De jeugdige en/of ouder(
- s)moet bij het maken van de keuze voor een pgb de relevante informatie van het college hebben gekregen. Alleen dan kan hij een verantwoorde keuze maken en instemmen met de verplichtingen bij een pgb. De jeugdige en/of ouder(
- s)moeten volledig en correct geïnformeerd zijn over alle gevolgen en risico’s van een pgb. Het college kan zelf bepalen hoe het invulling wil geven aan deze informatieplicht (zie TK 2012-2013, 33 684, nr. 3, p.233). Lid 3 en 4 Uit het gesprek tussen de jeugdige en/of ouder(
- s)en de hulpverlener kan naar voren komen dat er al professionals betrokken zijn. In dat geval kan de toegangsmedewerker ervoor kiezen informatie op te vragen namens en met instemming van de jeugdige en/of ouder(s). Ook kan ervoor gekozen worden dat gezamenlijk het gesprek aangegaan wordt met deze andere professional(s). Of de jeugdige en/of ouder(
- s)kunnen zelf voor de nodige informatie uit andere domeinen zorgen. Lid 6 Het college is op grond van artikel 2.3, eerste lid, van de wet verantwoordelijk voor het waarborgen van een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en inzet van de aangewezen jeugdhulpvoorziening. Het zesde lid waarborgt de zorgvuldige voorbereiding van besluiten over de toekenning of afwijzing van jeugdhulp, door te bepalen dat (medewerkers van) de organisatie die de jeugdhulp uitvoert, niet ook adviseert en/of besluit over het al dan niet toekennen van jeugdhulp (vergelijk CRvB 29 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1096, rov. 4.11). Lid 7 Het is mogelijk dat de jeugdige en/of ouder(
- s)na het indienen van de aanvraag tot de conclusie komen dat een (verder) onderzoek niet nodig is. Bijvoorbeeld omdat de jeugdige en/of ouder(
- s)zelf een oplossing hebben gevonden, of geholpen zijn met een algemene voorziening. Zij kunnen in dat geval hun aanvraag intrekken, waardoor het college geen besluit meer hoeft te nemen. Om misverstanden te voorkomen wordt dit schriftelijk bevestigd door het college. Lid 8 Mocht in het gesprek tussen de gemeente en de jeugdige en/of ouder(
- s)blijken dat het beter is om de aanvraag aan te passen, dan kan dit gedurende het onderzoek gebeuren. Een aanvraag hoeft dus niet afgewezen te worden als tijdens het onderzoek blijkt dat de oorspronkelijke aanvraag en oplossingsrichting bij nader inzien niet (volledig) passend zijn. Lid 10 De uitkomst van het onderzoek naar de hulpvraag wordt vastgelegd in een ondersteuningsplan. Uit het plan moet blijken welke doelen zijn opgesteld, hoe die gerealiseerd gaan worden en welke bijdragen daarin van alle partijen verwacht wordt. De in het eerste lid van dit artikel genoemde onderzoeksvragen moeten ook terugkomen in het ondersteuningsplan. Lid 11 Deze bepaling regelt dat het college nadere regels kan vaststellen over de inhoud van het onderzoek en de daarbij te volgen werkwijze. Artikel 8. Identificatie Het college stelt de identiteit vast van de jeugdige en/of ouder(s). Dit is noodzakelijk ten behoeve van het vaststellen van de rechtmatigheid: komt de eventuele inzet van jeugdhulp bij de juiste persoon terecht? Deze bepaling voorziet hierin. Het college kan beleidsregels vaststellen over hoe het de identiteit kan vaststellen en/of dit opnemen in de werkinstructie voor het (stevige) lokale team/de toegang. Artikel 9. Criteria individuele voorzieningen In artikel 2.9, onderdeel a, van de wet is bepaald dat de gemeenteraad bij verordening moet aangeven wat de voorwaarden voor toekenning van een individuele voorziening zijn. In dit artikel is ter uitwerking van deze verplichting een kader gegeven. Lid 1 Het college stelt vast of sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen (artikel 2.3 van de wet). Als daar sprake van is, moet het college concreet maken om welke problemen en/of stoornissen het gaat. Daarna onderzoekt het college welke hulp de jeugdige gelet op deze problematiek nodig heeft om gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en/of voldoende redzaam te zijn en maatschappelijk te participeren (artikel 2.3 van de wet). Vervolgens onderzoekt het college wat de jeugdige en/of ouder(
- s)zelf kunnen doen. Dit noemen we ook wel eigen kracht (zie meer hierover onder artikel 10). Tot slot kijkt het college of er een algemene of andere voorziening een oplossing biedt voor de hulpvraag. Een algemene voorziening gaat voor op een individuele voorziening. Dus als er een algemene voorziening passend is voor de hulpvraag van de jeugdige hoeft het college geen individuele voorziening te verstrekken. Hetzelfde geldt als de jeugdige en/of ouder(
- s)gebruik kunnen maken van een andere voorziening op grond van een andere wet dan de Jeugdwet (artikel 1.2 van de wet). Lid 2 en 3 Voorwaarde van de inzet van een algemene of andere voorziening is dat deze voorziening daadwerkelijk beschikbaar is en passend en toereikend is voor de hulpvraag. Een andere of overige voorziening waarvoor bijvoorbeeld een wachtlijst geldt terwijl de hulp aan de jeugdige niet kan wachten, is geen voorziening die aan deze criteria voldoet. Omgekeerd, als de jeugdige wel even kan wachten voordat hij daadwerkelijk van de voorziening gebruik kan maken, dan voldoet de voorziening wel aan deze criteria. Als een individuele voorziening nodig is, dan kiest het college de goedkoopst adequate voorziening. Ook dan is van belang dat de jeugdige hier voor hem tijdig gebruik van kan maken. Dit betreft een individuele beoordeling van de situatie van de jeugdige en het gezin. Lid 4 en 5 Het vierde en vijfde lid sluiten aan bij de rechtspraak waarin is geoordeeld dat een individuele voorziening waarvan de effectiviteit niet wetenschappelijk is bewezen, door het college geweigerd kan worden als deze geen toegevoegde waarde heeft ten opzichte van beschikbare voorzieningen (bijv. CRvB 12 september 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2785 en CRvB 26 januari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:254). Het college zal bij de weigering van een individuele voorziening waarvan de effectiviteit niet wetenschappelijk is bewezen, moeten motiveren waarom in die specifieke situatie een andere oplossing passender of eveneens passend is. Bij toepassing van deze bepaling kan het college gebruik maken van de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut (https://www.nji.nl/interventies), de zorgstandaarden van de GGZ Standaarden (https://www.ggzstandaarden.nl/ en de databank voor interventies gericht op jeugdigen met een beperking (databank interventies gehandicaptenzorg). Lid 6 en 7 Een opgave in de Hervormingsagenda Jeugd is dat jeugdhulp beschikbaar moet blijven voor jeugdigen en gezinnen in de meest kwetsbare situaties. Er is geconstateerd dat deze groep nu onvoldoende passende jeugdhulp ontvangt. De Hervormingsagenda Jeugd presenteert als onderdeel van de oplossing dat het voor de jeugdige en/of ouder(
- s)helder moet zijn waarvoor ze in het kader van jeugdhulp bij de overheid terecht kunnen en waarvoor niet. Niet elke hulpvraag behoeft een zorgantwoord. Het moet duidelijker worden wat jeugdhulp precies inhoudt en wat binnen de huidige wettelijke kaders onder jeugdhulp moet vallen en wat niet. In deze bepaling wordt als uitgangspunt genomen dat de gemeente op basis van de wet alleen aan zet is als er sprake is van een hulpvraag als bedoeld in de wet. Als er problemen zijn binnen een gezin die met name bij de ouder(
- s)liggen, zonder dat er een hulpvraag is vanuit de jeugdige, is er geen verplichting om jeugdhulp te verstrekken. Hierbij kan worden gedacht aan de situatie waarin ouders zich in een vechtscheiding bevinden en niet bereid zijn het gedrag aan te passen ten behoeve van de jeugdige, of geldproblemen binnen het gezin die direct effect hebben op de jeugdige en waar de ouder(
- s)via een andere weg dan de jeugdhulp deze geldproblemen kunnen verminderen. In die situatie is jeugdhulp mogelijk minder doelmatig dan een alternatieve optie zoals lotgenotencontact (bij een vechtscheiding) of schuldhulpverlening bij geldproblemen. In het zevende lid wordt dit uitgangspunt genuanceerd in die zin dat indien er sprake is van meervoudige problematiek in de context van het kind en gezin, en binnen die problematiek speelt ook een hulpvraag, de gemeente op grond van de wet dan wel verplicht is jeugdhulp te verstrekken. Deze bepalingen dwingen het college om bij problemen in de context van het gezin niet als automatisme jeugdhulp te verstrekken, maar om zich goed af te vragen of er daadwerkelijk sprake is van een hulpvraag en er sprake is van een jeugdhulpplicht. Lid 8 De gemeente kan beleid vaststellen over hoe om te gaan met verzoeken om jeugdhulp die de jeugdige en/of ouder(
- s)al hebben ingezet en daarna pas een aanvraag indienen. Dan ligt er een duidelijke toetsingsmaatstaf voor zowel de uitvoering, als uiteindelijk de rechter. Artikel 10. Beoordeling (boven)gebruikelijke hulp en eigen kracht In de wetgeving is niet bepaald wat precies onder eigen kracht moet worden verstaan. Het begrip komt op verschillende plekken terug in de parlementaire geschiedenis. Daaruit blijkt dat de kern is dat de ouder(
- s)op de eerste plaats zelf verantwoordelijk zijn voor het gezond en veilig opgroeien van hun kinderen. Hebben zij zelf mogelijkheden om de problemen het hoofd te bieden, dan is een voorziening niet nodig (zie bv. TK 2012-2013, 33684, nr. 3, p. 135 e.v.). Het is aan gemeenten overgelaten om dit begrip verder in te vullen. Conform rechtspraak van de CRvB (CRvB 29-5-2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1095, CRvB 29-5-2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1096 en CRvB 29-5-2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1097) moet dit in de verordening. De gemeenteraad moet in de verordening uitleggen wat eigen kracht is, welke voorwaarden daarbij gelden en wat de afwegingsfactoren zijn om dit vast te stellen. Artikel 10 geeft uitleg over wanneer sprake is van eigen kracht en biedt een duidelijk (afwegings)kader voor het college. Artikel 11. Vervoer In artikel 2.3, tweede lid, van de wet is bepaald dat voorzieningen op het gebied van jeugdhulp ook het vervoer van een jeugdige naar en van de locatie waar de jeugdhulp geboden wordt, omvatten. In deze bepaling worden de uitgangspunten voor verstrekking van vervoer geregeld. Als uitgangspunt geldt dat de ouders in beginsel zelf verantwoordelijk zijn voor het vervoer (eerste lid). Dat vervoer moet dan wel noodzakelijk zijn in verband met een medische noodzaak of met beperkingen in de zelfredzaamheid van de jeugdige. Dit betekent dat het vervoer noodzakelijk moet zijn om de locatie van de jeugdhulp te kunnen bereiken. Of daarvan sprake is staat ter beoordeling van het college (derde lid). Om te benadrukken dat het college daarbij de eigen verantwoordelijkheid van ouders als uitgangspunt neemt, wordt in het vierde en vijfde lid expliciet gemaakt dat het college in elke individuele situatie een afweging moet maken of er specifieke omstandigheden zijn waardoor er (ondanks de eigen verantwoordelijkheid van de ouders) een vervoersvoorziening moet worden verstrekt. Wanneer de ouders in staat zijn de jeugdige zelf te vervoeren, is er sprake van ‘eigen kracht’ die aan de toekenning van een vervoersvoorziening in de weg staat (CRvB, 5 april 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:655). Daarnaast geldt het uitgangspunt dat de met het oog op de vervoerskosten goedkoopste adequate voorziening kan worden getroffen. Dit wordt ten uitdrukking gebracht in het elfde lid. Artikel 12. Dyslexie Uit de parlementaire geschiedenis en rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep volgt dat de behandeling van ernstige dyslexie onder de wet valt, met dien verstande dat de wetgever bij de overheveling van de dyslexiezorg van de Zorgverzekeringswet naar de wet niet een ruimer of ander bereik van dyslexiezorg heeft beoogd. Hieruit volgt dat het college op grond van artikel 2.3 van de wet enkel verplicht is dyslexiezorg te verlenen als sprake is van de diagnose ED (Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3, p. 50, 104 en 118; CRvB 24 oktober 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3454; CRvB 22 juni 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1345; en CRvB 17 juli 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1430). Toegang tot dyslexiezorg is alleen aangewezen nadat in overleg tussen de school, jeugdhulpaanbieder en gemeente is vastgesteld dat dit noodzakelijk is. Daarbij worden het geldende Protocol Dyslexie Diagnostiek en Behandeling van het Nederlands Kwaliteitsinstituut Dyslexie (https://www.nkd.nl/professionals/protocol-dyslexie-diagnose-en-behandeling) en factsheet dyslexie Zeeland gehanteerd. Artikel 13. Vaktherapie De wet sluit niet uit dat vaktherapie, als die passend is, ingezet wordt als jeugdhulp. De wet schrijft namelijk niet voor welke vormen van hulp onder jeugdhulp vallen. De wettelijke opdracht is resultaatgericht geformuleerd. De in te zetten voorziening moet de jeugdige in staat stellen gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid, voldoende redzaam te zijn en maatschappelijk te participeren. Voor de vraag wie welke jeugdhulp nodig heeft, moet de gemeente zich baseren op het oordeel van een ter zake deskundige en de professionele standaarden te respecteren. Lid 1 Er is een aantal vaktherapieën waarvan het effect (nog) niet wetenschappelijk is aangetoond. Deze therapieën worden meestal ook niet door de zorgverzekeraar vergoed. In die situaties geldt het uitgangspunt dat de voorziening in beginsel ook niet vanuit de wet wordt verstrekt, tenzij er geen passend alternatief beschikbaar is. Het eerste lid geeft een opsomming van de beschikbare vaktherapeutische disciplines. Lid 2, 3, 4 en 5 Met het oog op de kwaliteitsborging en artikel 5.1.1, tweede lid, van het Besluit Jeugdwet zijn aan de inzet van vaktherapie een aantal voorwaarden gesteld. Zo moet de vaktherapie worden uitgevoerd door een professional die beschikt over een adequate opleiding. Het gaat om een door de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie erkende opleiding op hbo-/masterniveau voor vaktherapie. Ook beoordeelt het college of de inzet van vaktherapie als losse interventie een noodzakelijke bijdrage levert aan de geboden jeugdhulp en wint zij daartoe advies in bij de behandelaar of medewerker van het (stevige) lokale team/de toegang met het oog op de totale behandeling die wordt geboden. Aanvullend is als voorwaarde gesteld dat vaktherapie alleen wordt ingezet onder verantwoordelijkheid van een regiebehandelaar. Lid 6 Soms is het mogelijk om enkele sessies vergoed te krijgen vanuit een aanvullende verzekering. In dat geval wordt dit als eigen mogelijkheden beschouwd als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de wet die de ouders eerst moeten aanspreken voordat het college aan zet is (zie ook artikel 10, elfde lid). Het maximale aantal behandelingen dat aan vaktherapie door het college wordt vergoed, wordt in dat geval verminderd met het aantal sessies dat door de zorgverzekeraar wordt vergoed. Artikel 14. Kinderopvang en buitenschoolse opvang In dit artikel wordt geëxpliciteerd dat reguliere kinderopvang en buitenschoolse opvang geen jeugdhulp is waarvoor het college verantwoordelijk is. Kinderopvang en buitenschoolse opvang is de verantwoordelijkheid van de ouder(s), werkgever en overheid. Het leren omgaan van medewerkers van de kinderopvang met kinderen met een beperking is de verantwoordelijkheid van de ouder(
- s)en kinderopvang/buitenschoolse opvang. Kinderen die extra ondersteuning nodig hebben, kunnen ook terecht op een kinderdagverblijf. Dit is geregeld in de Wet op de kinderopvang. Alleen als er ten gevolge van een hulpvraag aanvullende begeleiding vereist is die niet door medewerkers kan worden geboden en niet van de ouder(
- s)kan worden verwacht, kan jeugdhulp worden ingezet. Dit kan alleen in de situaties waarbij opvang niet het doel is, maar er sprake is van ontwikkelingsdoelstellingen. Daarbij kan gedacht worden aan (ernstige) gedragsproblematiek. Deze bepaling laat onverlet dat het college daarnaast verschillende vormen van dagbesteding beschikbaar kan hebben gesteld, waaronder het medisch dagverblijf, een kinderdagcentrum of BSO+. Artikel 15. Het besluit Lid 1 en 3 Het college is verantwoordelijk voor de inzet van de noodzakelijke voorzieningen op het gebied van jeugdhulp. Een individuele voorziening wordt altijd toegekend (of afgewezen) op basis van een beschikking. Deze beschikking is gebaseerd op het onderzoek naar de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige en/of ouder(
- s)en de ingediende aanvraag. Lid 2 Deze bepaling regelt de toeleiding naar jeugdhulp in crisissituaties. In gevallen waar onmiddellijke start van de hulp nodig is (en het besluit niet kan worden afgewacht) kan het besluit tot inzet van een individuele voorziening genomen worden na de daadwerkelijke start van de hulp. Het besluit tot inzetten van de hulp moet vervolgens binnen vier weken na de start van de hulp zijn vastgelegd in een beschikking. Lid 4 Deze bepaling regelt dat van de jeugdige en/of ouder(
- s)wordt verwacht dat ze binnen drie maanden hun indicatie ‘verzilveren’ door zich te melden bij de jeugdhulpaanbieder. Of, als het bijvoorbeeld gaat om hulp uit het sociale netwerk, het pgb binnen drie maanden inzetten voor de toegekende jeugdhulp. Dit om te voorkomen dat een indicatie veroudert en de situatie op termijn zo wijzigt dat eigenlijk een nieuwe indicatie nodig is. Voldoen de jeugdige en/of ouder(
- s)niet aan deze voorwaarde, kan dat een grond opleveren om de aanspraak op de jeugdhulpvoorziening in te trekken. Er wordt dan niet voldaan aan de voorwaarden van de individuele voorziening (zie artikel 22, tweede lid onder d, van deze verordening). Artikel 16. Inhoud en geldigheidsduur beschikking Het college geeft een schriftelijke beschikking af als het jeugdhulp toekent of als in de tussentijd de rechten en plichten rondom een jeugdhulpvoorziening wijzigen. Hiertegen kan de jeugdige en/of ouder(
- s)bezwaar en beroep indienen. De mogelijkheid om bezwaar in te dienen tegen de beschikking en ook de daaropvolgende mogelijkheid van beroep bij de rechter is geregeld in de Awb en geldt in beginsel voor alle beschikkingen. De jeugdige en/of ouder(
- s)moeten met de beschikking de informatie krijgen die nodig is om hun rechtspositie te bepalen en te begrijpen. Hiervoor is nodig dat de beschikking de jeugdige en/of ouder(
- s)goed en volledig informeert. In dit artikel zijn de essentialia opgenomen die in ieder geval in de beschikking moeten worden opgenomen. Hoofdstuk 4. Aanvullende regels voor een individuele voorziening in de vorm van een pgb Artikel 17. Aanvullende criteria pgb Lid 1 Als de jeugdige en/of ouder(
- s)in aanmerking willen komen voor een pgb, moeten zij een budgetplan opstellen. In het eerste lid van dit artikel is aangegeven welke onderdelen in ieder geval opgenomen moeten zijn in dat budgetplan. Een aantal zaken vloeit rechtstreeks voort uit de wet. Die noemt in artikel 8.1.1 namelijk een aantal criteria om in aanmerking te kunnen komen voor een pgb. Deze criteria komen terug in het budgetplan en het college kan op deze manier toetsen of aan de wettelijke voorwaarden wordt voldaan. Lid 2 Er is geen vrij besteedbaar bedrag. De budgethouder of budgetbeheerder moet over het gehele pgb verantwoording afleggen. Lid 3 In deze bepaling zijn een aantal kostenposten genoemd die niet uit het pgb gefinancierd mogen worden. Het pgb is alleen bedoeld voor financiering van de noodzakelijke jeugdhulp. Lid 4 Voordat het college een pgb toekent toetst het college aan de criteria zoals vastgelegd in artikel 8.1.1, tweede lid, van de wet (zie ook de toelichting bij het eerste lid). Een van die criteria is dat de kwaliteit van de in te kopen hulp naar het oordeel van het college geborgd is. In dat kader moet het college, bij de wens om hulp van het sociale netwerk te betrekken, beoordelen of de benodigde hulp wel door het sociale netwerk geboden kan worden. Als de conclusie is dat de ontwikkeldoelen niet bereikt kunnen worden als de betreffende hulp door iemand uit het sociale netwerk wordt geboden, kan dat reden zijn om het pgb te weigeren. De kwaliteit van de in te zetten hulp is dan immers niet geborgd. Tegen deze achtergrond is in deze verordening een uitsluitingsgrond opgenomen voor het ontvangen van ggz-behandeling die wordt geboden door een persoon uit het sociale netwerk. Ggz-behandeling kan, gelet op de aard van de hulp, alleen door een professional worden geboden. Professionele hulp vergt een objectieve en onafhankelijke blik. Een persoon uit het sociale netwerk is door de relatie met de jeugdige, ongeacht zijn of haar diploma’s en werkervaring, niet in staat een professionele afstand tot de jeugdige te bewaren en dus de vereiste professionaliteit te bieden die vereist is voor dit type jeugdhulp. Lid 5 De in het vijfde lid opgenomen voorwaarden concretiseren de wettelijke verleningsvoorwaarden die staan in artikel 8.1.1, tweede lid, van de wet. In de wet zijn de voorwaarden voor het verstrekken van een pgb in het kort als volgt geformuleerd: de jeugdige en/of ouder(
- s)zijn op eigen kracht of met gekwalificeerde hulp voldoende in staat tot een redelijke waardering van hun belangen ter zake, en in staat de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren; de jeugdige en/of ouder(
- s)kunnen beargumenteerd aangeven dat zij de individuele voorziening die wordt geleverd door een gecontracteerde aanbieder, niet passend vinden; en de individuele voorziening die ze in willen kopen is van goede kwaliteit. Lid 6 In het zesde lid wordt niet-limitatief geregeld wanneer een pgb niet wordt verstrekt omdat er twijfels zijn met betrekking tot de integriteit van de beoogde uitvoerder van de jeugdhulp. Deze gronden hebben betrekking op omstandigheden die tot de conclusie leiden dat niet aan de voorwaarden van artikel 8.1.1, tweede lid, van de wet is voldaan, in het bijzonder dat de kwaliteit voldoende zal zijn geborgd. De gronden zien op de betrouwbaarheid van de pgb-aanbieder. Als deze twijfelachtig is, heeft het college ruimte om geen pgb te verstrekken omdat in die situatie de kwaliteit niet geborgd kan worden. Daarmee wordt niet voldaan aan een van de verleningsvoorwaarden als bedoeld in artikel 8.1.1, tweede lid, van de wet. Lid 7 Een pgb wordt geweigerd als er een weigeringsgrond uit artikel 8.1.1, vierde lid, van de wet van toepassing is, voor hulp die direct ingezet moet worden (crisishulp) en voor pleegzorg. Lid 8 Deze bepaling regelt dat het college nadere regels kan vaststellen over de aan het pgb verbonden voorwaarden en verplichtingen. Artikel 18. Pgb-vaardigheid Lid 1 Om in aanmerking te komen voor een pgb moet een budgethouder of budgetbeheerder in staat zijn tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake, en in staat zijn de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren (artikel 8.1.1, tweede lid, van de wet). Het gaat daarbij om de vraag of de budgethouder (en/of met een vertegenwoordiger: de budgetbeheerder) voldoende zelfstandig beslissingen kan nemen over de ondersteuning en de financiering daarvan. De bekwaamheid voor het hebben van een pgb wordt in samenspraak met de aanvrager getoetst. Het oordeel van het college is hierin leidend. Mocht het college van oordeel zijn dat de persoon niet bekwaam is voor het houden of beheren van een pgb, dan weigert het college de aanvraag voor het pgb. Een goed beheer van een toegekend pgb vraagt volgens een in opdracht van het Ministerie van VWS opgesteld rapport om de volgende vaardigheden en basisvoorwaarden (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/blg-833053.pdf): Aanvragen van de ondersteuning (inclusief formuleren ondersteunings- of hulpvraag) Inkopen en aansturen van de hulp (ook als de hulpvraag wijzigt) Goed werkgeverschap Coördinatie van hulpverleners en betrokkenheid familie en mantelzorg Voeren van een administratie Verantwoording afleggen en contact met de gemeente In algemene zin taalvaardig in de Nederlandse taal en ICT-vaardig. Deze taken dienen als basis om op basis van een budgetplan de benodigde kennis en vaardigheden van de budgethouder of budgetbeheerder vast te stellen. Deze taken zijn door VWS uitgewerkt in het document ‘10 punten pgb-vaardigheid’ (https://open.overheid.nl/documenten/ronl-277e25d6-4c27-4356-8950-2f1e9f27e89b/pdf). In deze bepaling wordt daarbij aangesloten. Daarbij wordt in aanvulling op het belang van de beheersing van de Nederlandse taal gewezen op artikel 2:6 van de Awb, waaruit volgt dat er in de Nederlandse taal met bestuursorganen wordt gecommuniceerd. Mocht een budgethouder die zelf niet over deze vaardigheden beschikt alsnog een pgb wensen, dan moet er een vertegenwoordiger zijn die de aan het pgb verbonden taken kan uitvoeren (de budgetbeheerder). Ook de budgetbeheerder dient te voldoen aan de gestelde eisen en wordt eveneens getoetst op de genoemde aspecten. Lid 2 In het tweede lid wordt uitgewerkt onder welke omstandigheden de budgethouder of budgetbeheerder niet in staat wordt geacht de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. Deze omstandigheden geven het signaal aan de beoordelaar van de aanvraag van het pgb dat dóór de omstandigheden de budgethouder niet in staat wordt geacht zelf een pgb te kunnen beheren. In de afwijzende beschikking dient deze beoordeling per geval goed onderbouwd en gemotiveerd te worden. Van een categorale uitsluiting is derhalve geen sprake. 1°. Problematische schuldenproblematiek: problematische schuldenproblematiek maakt de kans groot en aannemelijk dat de budgethouder of budgetbeheerder voor het beheren van een pgb belangrijke financiële vaardigheden en verantwoordelijkheden mist. Het is daarom niet wenselijk dat deze persoon, zolang hij zijn financiële zaken niet goed en zelfstandig op orde heeft, een pgb beheert. Signalen die kunnen wijzen op problematische schulden zijn bijvoorbeeld dat de budgethouder of budgetbeheerder zelf aangeeft dat er verwijtbare schulden zijn, in de schuldhulpverlening of schuldsanering zit, onder bewind staat, dan wel een indicatie heeft gekregen voor het resultaatgebied ‘Financiën’. Er is sprake van problematische schulden als voorzien kan worden dat een natuurlijke persoon schulden niet zal kunnen blijven afbetalen of is gestopt met afbetalen. 2° Ernstige verslavingsproblematiek: ernstige verslavingsproblematiek bij een budgethouder of budgetbeheerder maakt dat deze vanwege de verslaving niet in staat is regie te voeren over zijn eigen leven, laat staan over een pgb. Ook de omstandigheid van een problematische ex-verslaving of de omstandigheid dat de budgethouder of budgetbeheerder bezig is de verslaving de baas te worden maakt dat deze persoon minder in staat geacht wordt om regie te voeren over zijn eigen leven, of over een pgb. Bij vermoedens van ernstige verslaving kan daar nader onderzoek naar gedaan worden, bijvoorbeeld door het opvragen van een medische verklaring dan wel inschakeling van het verslavingsteam, consultatie- en diagnoseteam of expertiseteam jeugd. Signalen die kunnen wijzen op verslavingsproblematiek bij de budgethouder of budgetbeheerder zijn bijvoorbeeld dat dit onderdeel is van de melding en uit het onderzoek komt, of dat hij verslaving-gerelateerd gedrag vertoont. 3°. Aangetoonde fraude begaan in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag: als de budgethouder of budgetbeheerder eerder frauduleus heeft gehandeld, op welk terrein dan ook, is het aannemelijk dat de verleidingsrisico’s bij het verstrekken van een pgb te groot zijn. Dit geldt te meer als de budgethouder of budgetbeheerder, dan wel het bedrijf waar hij werkt, dan wel de beoogde pgb-aanbieder, eerder betrokken is geweest bij pgb-fraude. 4°. Een aanmerkelijke verstandelijke beperking: een indicatie voor een verstandelijke beperking is een laag of zeer laag IQ. Tevens zijn er beperkingen in de sociale aanpassing die, zonder ondersteuning, participatie in de weg staan. Er is vaak sprake van moeite met concentratie en aandacht en een laag zelfbeeld. Soms zijn er bijkomende lichamelijke problemen dan wel een kwetsbare gezondheid. 5°. Een ernstig psychiatrisch ziektebeeld: bij ggz-problematiek die in ernstige mate aanwezig is, is de kans groot dat het vrijwel onmogelijk is voor de budgethouder of budgetbeheerder om op stabiele en consistente wijze de regie te kunnen voeren over een pgb. Met name de beoordeling of de geleverde hulp doeltreffend en professioneel is, zal ingewikkeld zijn. Dat maakt dat er een verhoogd risico is op niet-wenselijke afhankelijkheidsrelaties tussen de budgethouder of budgetbeheerder en de pgb-aanbieder. Zorg in natura past vaak beter in het hulpbelang van de jeugdige en/of ouder(s). 6°. Vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis: als de budgethouder of budgetbeheerder een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis heeft, is het aannemelijk dat hij daarmee de regie over zijn leven niet in de hand heeft. Voorbeelden van blijvende cognitieve stoornissen zijn diverse vormen van dementie en de gevolgen van niet-aangeboren hersenletsel. 7°. Het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal, in woord en geschrift: het beheren van een pgb is niet mogelijk wanneer de budgethouder of budgetbeheerder de Nederlandse taal onvoldoende beheerst. Het voldoende kunnen begrijpen, en daarmee kunnen lezen, van alle voorwaarden en eisen ten aanzien van een pgb, is niet mogelijk bij een onvoldoende beheersing van het Nederlands. Ook het opstellen en afsluiten van bijvoorbeeld hulpovereenkomsten, is dan buiten bereik. Hiervan afgeleid kan tevens worden gesteld dat de budgethouder of budgetbeheerder voldoende kennis moet hebben van de Nederlandse samenleving, zodat hij bijvoorbeeld de vraag kan beantwoorden wat de Sociale Verzekeringsbank (SVB) is en doet in relatie tot het pgb. 8°. Het niet verkrijgen van een Verklaring Omtrent het Gedrag waaruit blijkt dat er geen bezwaren bestaan tegen het uitvoeren van de werkzaamheden als budgethouder of budgetbeheerder. Artikel 19. Onderscheid formele en informele hulp Afhankelijk van de hulpvraag kan het college formele of informele hulp inzetten met een pgb. Met een goed vastgelegd onderscheid tussen formele en informele hulp in de verordening kan de gemeente voor informele hulp een ander tarief hanteren. Dit sluit aan bij de systematiek die de Wlz en de Zvw hanteren. Wanneer het formele en wanneer het informele tarief geldt, moet de gemeenteraad in de verordening regelen. Formele hulp Van formele hulp is kortweg sprake als de hulp verleend wordt in het kader van de uitoefening van een bedrijf of beroep. De hulp wordt dan verleend door een jeugdhulpaanbieder of door een zelfstandige jeugdhulpverlener (zzp’er), die onder toezicht staan van de in de wet aangewezen inspecties. Van formele hulp is ook sprake als de hulpverlener een BIG- of SKJ-registratie heeft. Hierop geldt één (belangrijke) uitzondering en dat is wanneer de hulpverlener uit het sociale netwerk van de budgethouder komt. Bij hulpverlening door een persoon uit het sociale netwerk is altijd sprake van informele hulp. Ook al gaat het om een hulpverlener die bijvoorbeeld BIG-geregistreerd is en voldoet aan de criteria genoemd in het eerste lid van deze bepaling. In het kader van deze verordening geldt dat als informele hulp. De achtergrond daarvan is dat ook personen uit het sociale netwerk met een zorg-gerelateerd beroep of opleiding in eerste instantie een affectieve relatie hebben met de budgethouder. Dat is dan ook doorslaggevend voor het bijbehorende pgb-tarief. Informele hulp Informele hulp is alle hulp die geboden wordt door personen uit het sociale netwerk of door personen die niet beroeps- of bedrijfsmatig jeugdhulp verlenen. Artikel 20. Kwaliteitseisen individuele voorziening in de vorm van een pgb Om te waarborgen dat jeugdhulp in de vorm van een pgb, evenals jeugdhulp in de vorm van zorg in natura, op een verantwoorde manier wordt verleend, zijn in deze bepaling kwaliteitseisen uitgewerkt. Dit moet ervoor zorgen dat de jeugdhulp van goed niveau is en in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt verleend en is afgestemd op de reële behoefte van de jeugdige en/of ouder(s). Artikel 21. Hoogte pgb In de verordening wordt in ieder geval bepaald hoe de hoogte van een pgb wordt vastgesteld (artikel 2.9, onderdeel c, van de wet). Daarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn om de benodigde hulp in te kunnen kopen. Ook als de hulp wordt betrokken van het sociale netwerk. In deze verordening wordt het pgb-tarief voor informele hulp daarom vastgesteld op het wettelijk minimumloon (zie de toelichting bij het derde lid). Lid 1 In deze bepaling is het tarief vastgelegd voor formele hulp, die dus voldoet aan alle kwaliteitseisen uit de wet. Het tarief wordt bepaald aan de hand van de zorg in natura-tarieven, tenzij uit het budgetplan blijkt dat de hulp voor een lager tarief ingekocht kan worden. Dan mag uitgegaan worden van dit lagere tarief. Lid 2 In deze bepaling is in feite een minimum vastgelegd voor de hoogte van het pgb in individuele gevallen. Uit de wet volgt dat de hoogte van een pgb zodanig moet zijn dat hiermee passende hulp kan worden ingekocht. Met de hoogte van het pgb-tarief zoals vastgelegd in het eerste lid is over het algemeen aan deze voorwaarde voldaan. Wel moet het college in ieder individueel geval toetsen of met het vastgestelde tarief inderdaad de benodigde hulp kan worden ingekocht. Blijkt dat niet zo te zijn, dan moet de hoogte van het pgb voor die individuele situatie worden aangepast. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de passende jeugdhulp bij ten minste één aanbieder moet kunnen worden ingekocht. Dit hoeft niet de gewenste aanbieder van de jeugdige en/of ouder(
- s)te zijn. Als zij toch bij die aanbieder hulp willen inkopen, kunnen ze de meerkosten zelf bijbetalen. Daarmee wordt aangesloten bij Wmo-jurisprudentie, die naar alle waarschijnlijkheid ook voor de Jeugdwet geldt (zie CRvB 19-09-2012, nr. 10/3482 WMO en Rechtbank Overijssel 20-02-2017, nr. 16/1676 AK/ZWO). Lid 3 Bij het inzetten van een pgb binnen het sociale netwerk kan sprake zijn van een arbeidsovereenkomst of een overeenkomst van opdracht. Voor beide type overeenkomsten geldt sinds 1 januari 2018 de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml). Sindsdien wordt voor het tarief voor informele hulp hierbij aangesloten. Gemeenten die voor het pgb-tarief voor het sociale netwerk willen aansluiten bij het minimumloon geldt dat het tarief hoog genoeg moet zijn om ten minste het wettelijke minimumloon en vakantiegeld (8% vakantietoeslag) te betalen. Het geldende minimumloon staat op: Bedragen minimumloon | Minimumloon | Rijksoverheid.nl. Lid 4 De minister van VWS is van mening dat zorg en ondersteuning die vanuit sociale en morele overwegingen wordt verricht en via een pgb wordt betaald, niet aangemerkt zou moeten worden als een arbeidsrelatie waarop de Wml van toepassing is. Met de ministeriële regeling voor hulp uit het sociale netwerk bestaat daarom per 1 mei 2019 de mogelijkheid om de verstrekking van vergoedingen voor informele hulp uit een pgb zó te regelen dat er niet ongewenst een arbeidsrelatie ontstaat. Op basis van deze regeling kunnen budgethouders aan hun informele hulpverlener vanuit het pgb een tegemoetkoming of vergoeding voor gemaakte kosten geven. Deze tegemoetkoming/onkostenvergoeding valt niet onder de werking van de Wml of overige wetten van het arbeidsrecht. De gemeente heeft ervoor gekozen om deze regeling toe te passen door aan budgethouders die geen arbeidsovereenkomst of een overeenkomst van opdracht met hun informele hulpverlener wensen, per kalendermaand een vaste tegemoetkoming te verstrekken. De budgethouder moet een verklaring indienen bij de SVB om de tegemoetkoming uit te laten betalen aan zijn hulpverlener. Een budgethouder mag voor dezelfde hulpverlener niet zowel een verklaring als een overeenkomst bij de SVB indienen. De budgethouder moet dus de keuze maken tussen het verstrekken van een tegemoetkoming/onkostenvergoeding aan zijn informele hulpverlener of het sluiten van een overeenkomst met zijn hulpverlener waarop de Wml van toepassing is. Lid 5 en 6 Deze bepaling regelt dat het college nadere regels kan vaststellen over de pgb-tarieven en dat het college minimaal jaarlijks de tarieven publiceert. Hoofdstuk 5. Herziening, intrekking, beëindiging, wijziging, terugvordering en bestrijding misbruik Artikel 22. Herziening, intrekking, beëindiging, wijziging en terugvordering Lid 1 Deze bepaling berust mede op artikel 8.1.2, eerste lid, van de wet, waarin is vastgelegd dat de jeugdige en/of ouder(
- s)het college alle informatie verstrekt die van belang kan zijn voor de verlening van een pgb. In deze verordening wordt de toepassing van deze informatieplicht ve