← Nederland

Verordening Jeugdhulp gemeente Son en Breugel 2026 (Son en Breugel)

Verordening Jeugdhulp gemeente Son en Breugel 2026De raad van de gemeente Son en Breugel, gelet op de artikelen 2.9, 2.10 en 8.1.1, derde lid, van de Jeugdwet; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 20 januari 2026; gezien het advies van de Adviesraad Sociaal Domein Son en Breugel; Overwegende dat: de Jeugdwet de verantwoordelijkheid voor de organisatie van goede en toegankelijke jeugdhulp bij de gemeente heeft belegd; het uitgangspunt is dat de primaire verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt, ook als er sprake is van een jeugdige met een psychisch probleem of stoornis, een psychosociaal probleem, een gedragsprobleem of een beperking. Als dit niet lukt op eigen kracht of met het netwerk van het gezin, dan treft de gemeente de noodzakelijke maatregelen om het gezin hierbij te ondersteunen. door de gemeenteraad regels gesteld moeten worden over: de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige voorzieningen; de voorwaarden voor toekenning, de wijze van beoordeling van en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening; wat wordt verstaan onder 'eigen mogelijkheden' en 'probleemoplossend vermogen' en wanneer die voorliggend zijn op jeugdhulp; de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met voorliggende voorzieningen; de wijze waarop de hoogte van een pgb wordt vastgesteld; de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een pgb, alsmede misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet; de borging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan; onder welke voorwaarden degene aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot diens sociale netwerk; de wijze waarop ingezetenen, waaronder in elk geval de jeugdigen of hun ouder(s), worden betrokken bij de uitvoering van de wet. B E S L U I T : De verordening Jeugdhulp gemeente Son en Breugel 2026 vast te stellen. Hoofdstuk1– Inleiding In de gemeente Son en Breugel vinden we het belangrijk dat kinderen gezond en veilig opgroeien. Ouders en jeugdigen zorgen daar in de eerste plaats zelf voor. Ontstaan er problemen, dan kunnen zij deze meestal zelf oplossen. Lukt dat niet, dan denkt de gemeente mee in de richting van een oplossing en worden ouders en jeugdigen ondersteund. Dit is geregeld in de Jeugdwet. Daarin staat in hoofdlijnen welke rol de gemeente én de ouders en jeugdigen hebben. In deze verordening stellen we aanvullende regels op de wet. Het college stelt vervolgens een Uitvoeringsbesluit op. Hierin worden sommige regels uit de verordening verder uitgewerkt. Uitgangspunten Bij de uitvoering van de Jeugdwet gaan we uit van de volgende uitgangspunten: Het belang van de jeugdige staat voorop. De ouders doen zelf wat zij zelf kunnen, zo nodig met hulp van hun sociaal netwerk. Als dat niet lukt, denkt de gemeente mee over een oplossing die past bij de situatie van de jeugdige en het gezin. De gemeente heeft zo nodig een breed aanbod dat aansluit bij de situatie van de jeugdige en het gezin. Hulp zetten we dan zo licht en kortdurend als mogelijk, maar zo intensief als nodig in. Er is sprake van passende hulp. Als jeugdzorg nodig is, dan doen we dat integraal met datgene wat er nog meer nodig is in het gezin. Ook al is dit niet de eerste hulpvraag van de ouders of de jeugdige. Zorg en ondersteuning stemmen we zoveel mogelijk af op de jeugdige en zijn/haar ouder(

  1. s)en wordt zo dichtbij mogelijk geboden in de vertrouwde omgeving, passend bij de behoefte van de jeugdige. De ingezette hulp moet een positief effect hebben op de jeugdige, daarom sturen we op resultaat. Artikel1.1Begripsomschrijving In deze verordening wordt verstaan onder: Algemene of vrij toegankelijke voorziening: een jeugdhulpvoorziening die een oplossing kan bieden voor de hulpvraag van de jeugdige en/of zijn ouders en die rechtstreeks toegankelijk is zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige of zijn ouders en zonder beschikking; Awb: Algemene wet bestuursrecht; BIG: beroepen in de individuele gezondheidszorg; Budgetbeheerder: wettelijk vertegenwoordiger of gemachtigde van de budgethouder; Budgethouder: de persoon die een pgb ontvangt op grond van de Jeugdwet; Centrum Maatschappelijke Deelname (CMD): een multidisciplinaire organisatie die de toegangspoort vormt tot ondersteuning en hulpverlening; College: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Son en Breugel; Eigen kracht: alles wat ouder(
  2. s)en/of jeugdige zelf kunnen doen om het probleem op te lossen, of wat zij kunnen doen met behulp van andere personen uit het sociale netwerk, van andere organisaties of met andere mogelijkheden, zoals een aanvullende zorgverzekering; Familiegroepsplan: plan van aanpak dat de ouder(
  3. s)kunnen opstellen samen met familie of anderen die tot de sociale omgeving van de jeugdige behoren. Hierin kunnen zij aangeven hoe ze zelf kunnen bijdragen aan het verbeteren van de opvoed- en opgroeisituatie van de jeugdige; Gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders. Zij zijn namelijk verplicht de tot hun gezin behorende minderjarige jeugdigen te verzorgen, op te voeden, te begeleiden en toezicht op hen te houden. Dit geldt ook als de jeugdige een ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek heeft. Bij uitval van een van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp over. Dit geldt ook bij gescheiden ouders. Er wordt dan ook rekening gehouden met de gebruikelijke hulp van de ouder waar de jeugdige niet woont; Gecertificeerde instelling (GI): van overheidswege gecertificeerde instelling bevoegd om maatregelen in het kader van de jeugdreclassering en jeugdbescherming te mogen uitvoeren; Gezin: elk leefverband van een of meer volwassenen die de verantwoordelijkheid dragen voor de verzorging en opvoeding van een of meerdere kinderen; Hulpvraag: behoefte van een jeugdige en/of zijn ouder(
  4. s)aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, als bedoeld in artikel 1.1, definitie: opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, van de Jeugdwet. Individuele voorziening: op de jeugdige of zijn ouder(
  5. s)toegesneden, niet vrij-toegankelijke voorziening als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van deze verordening waarvoor het college een beschikking afgeeft volgens de Product Diensten Catalogus (PDC). Indien de jeugdige een voorziening nodig heeft buiten de PDC om, is er een maatwerkovereenkomst mogelijk. Er worden dan aparte afspraken gemaakt met de jeugdhulpaanbieder; iJw: door het Zorginstituut beheerde standaarden als bedoeld in artikel 2.15, derde lid, van de wet bestaande uit bedrijfsregels, berichtenstandaarden en berichtspecificaties, overeenkomstig artikel 1, van de Regeling Jeugdwet; Jeugdhulp: hulp als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet; Jeugdhulpaanbieder: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die hulp verleent aan de ouder(
  6. s)en/of jeugdige op grond van een besluit van de gemeente, een bepaling van een gecertificeerde instelling of een medische verwijzing; Jeugdige: de persoon als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet; Onafhankelijke cliëntondersteuning: onafhankelijke en kosteloze ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen; Onderzoeksverslag: vormvrij hulpverleningsplan dat opgesteld wordt door het college in samenspraak met de jeugdige en/of zijn ouder(
  7. s)en wanneer noodzakelijk samen met de bloedverwanten, aanverwanten of anderen die tot de sociale omgeving van de jeugdige behoren. In het onderzoeksverslag staan alle vormen van ondersteuning en hulp die ten behoeve van de jeugdige of zijn oude(
  8. s)worden ingezet en de doelen waaraan gewerkt wordt; Onderzoek: werkwijze waarbij het college, de jeugdige en eventueel de ouder(
  9. s)de leefgebieden in kaart brengen, bekijken welke oplossingen mogelijk zijn en dit vervolgens verwerken in een onderzoeksverslag; Ouder: gezaghebbende ouder, adoptiefouder, stiefouder of een ander die een jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, niet zijnde een pleegouder; Producten Diensten Catalogus (PDC): het overzicht van de producten die in het kader van de regionaal gecontracteerde jeugdhulp geleverd kunnen worden, waarbij een product de voorziening is die de jeugdhulpaanbieder levert; Persoonsgebonden budget: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 van de wet, zijnde een door het college toegekende voorziening aan een jeugdige of zijn ouder(s), die hen in staat stelt de jeugdhulp van derden te betrekken; Pgb-plan: een plan van aanpak dat de ouder(
  10. s)en/of jeugdige opstelt over de hulp die hij nodig heeft en die hij met het pgb wil inkopen. In het plan moet onder meer staan welke hulpverlener op welke manier en op welke momenten de noodzakelijke hulp gaat geven en hoe de kwaliteit en de continuïteit van die hulp gewaarborgd worden; Sociaal netwerk: een familielid, huisgenoot, (voormalig) echtgenoot of andere personen met wie de jeugdige of ouder een sociale relatie heeft; SVB: de Sociale Verzekeringsbank (SVB) regelt en betaalt verplichte volksverzekeringen en uitkeringen voor verschillende groepen in Nederland. Hierbij hoort ook het regelen van het pgb onder de verschillende zorgwetten. Veilig Thuis: het regionale advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet; Voorliggende voorziening: een voorziening al dan niet ontleend aan een andere wettelijke regeling dan de Jeugdwet waarmee aan de hulpvraag van de jeugdige of de ouder(
  11. s)wordt tegemoetgekomen; Wet: Jeugdwet; Wlz: Wet langdurige zorg; ZZP: zelfstandige zonder personeel; Hoofdstuk2– Vormen van jeugdhulp Artikel2.1Vormen van jeugdhulp 1.De volgende vormen van algemeen toegankelijke hulp zijn beschikbaar: informatie, consultatie en advies (waaronder opvoedondersteuning); kortdurende onafhankelijke cliëntondersteuning; ondersteuningstrajecten, een vorm van hulp waarvoor geen beschikking wordt afgegeven. 2.Het college biedt als individuele voorzieningen voor jeugdhulp alle producten die zijn opgenomen in de Producten Diensten Catalogus (PDC). Zie voor de richtlijnen van de duur en frequentie de meest actuele versie van het PDC op de website www.jeugdwmo.nl. De mogelijkheid tot afwijken hiervan kan in uitzonderlijke gevallen en gemotiveerd door het college. 3.In het uitzonderlijke geval dat er geen passend(
  12. e)product of aanbieder uit de PDC mogelijk is, kan het college een individuele voorziening in de vorm van een maatwerkovereenkomst aanbieden. 4.Het college maakt in het kader van de inkoop- of subsidierelatie en met inachtneming van het tweede lid met aanbieders op geaggregeerd niveau afspraken over in ieder geval de volgende aspecten van de individuele voorzieningen: doelgroepen; activiteiten; doorlooptijd; intensiteit; kwaliteit; beoogd resultaat; en vermelding productcode iJw. 5.Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de jeugdhulpvoorzieningen als bedoeld in het eerste en tweede lid en de uitwerking daarvan. Hoofdstuk3– Toegang tot jeugdhulpvoorzieningen Artikel3.1Toegang tot jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist, jeugdarts of gecertificeerde instelling 1.Het college draagt zorg, overeenkomstig artikel 2.6, eerste lid, aanhef en onder e van de wet, voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist, jeugdarts of gecertificeerde instelling naar een jeugdhulpaanbieder, als en voor zover de jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is, en geeft hiervoor aan de aanbieder een toekenning af zonder inhoudelijke beoordeling en zonder ondersteuningsplan. 2.Het college behoudt zich het recht voor om te controleren of verwijzers en aanbieders het medisch verwijsprotocol volgen. 3.Bij toegang tot jeugdhulp via een verwijzing van een gecertificeerde instelling, moet deze instelling afstemming zoeken met het CMD (tandemfunctie). Dit vindt plaats conform de regionale samenwerkingsafspraken tussen de gecertificeerde instellingen en de 21 gemeenten van regio Zuidoost-Brabant. 4.Jeugdhulp die na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts aan een jeugdige of zijn ouder(
  13. s)is verleend door een aanbieder van jeugdhulp die geen contract of subsidierelatie met de gemeente heeft, komt, niet voor vergoeding door de gemeente in aanmerking als het college soortgelijke jeugdhulp kan laten leveren door een jeugdhulpaanbieder waarmee de gemeente wel een contract- of subsidierelatie heeft. In het geval dat er toch wordt gekozen voor een aanbieder die niet gecontracteerd is, kunnen jeugdige of ouder(
  14. s)zich melden bij het college waarbij er onderzoek wordt gedaan naar de mogelijkheden voor een pgb. 5.Van het vierde lid kan uitsluitend worden afgeweken als het college daarmee schriftelijk heeft ingestemd voorafgaand aan de start van de zorgverlening op grond van bijzondere feiten of omstandigheden. 6.De jeugdhulpaanbieder houdt zich bij het beoordelen van de hulpvraag na een verwijzing aan de regels in deze verordening en de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie. Deze afspraken zijn, voor de gecontracteerde aanbieders, opgenomen in bijlage 5 ‘Protocol jeugdhulp na verwijzing’ van de Overeenkomst inzake Individuele voorziening Jeugd, te vinden op de website: www.jeugdwmo.nl. Afwijking van het protocol is alleen mogelijk wanneer daar specifieke contractafspraken over zijn gemaakt of als dit is benoemd in de PDC. Artikel3.2Toeleiding tot jeugdhulp via de gemeente 1.Jeugdigen of ouder(
  15. s)met een hulpvraag kunnen terecht bij het college en hiervoor rechtstreeks contact opnemen met het CMD. 2.Jeugdigen of ouder(
  16. s)met een hulpvraag kunnen bij het college een aanvraag indienen voor een individuele voorziening, conform artikel 4.5. 3.Het eerste contact over de hulpvraag wordt aangemerkt als een aanvraag in de zin van de Algemene wet bestuursrecht als is voldaan aan de vormvoorschriften bedoeld in de artikelen 4:1 en 4:2, van de Algemene wet bestuursrecht. 4.Het college merkt een ondertekend onderzoeksverslag van het gesprek als bedoeld in artikel 4.4 aan als een aanvraag als er, gelet op het derde lid, nog geen aanvraag is ingediend en dit daarop door de ouders en/of jeugdige is aangegeven. 5.Als een jeugdige of zijn ouder(
  17. s)dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger jeugdhulp zelf wenst in te kopen met een pgb, dient hij daartoe een pgb-plan in als bedoeld in artikel 5.1. 6.Het college neemt het besluit op een aanvraag uiterlijk binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag. 7.Het college legt het besluit op een aanvraag voor een individuele voorziening vast in een beschikking. 8.In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijk een passende individuele voorziening. Het college legt de beslissing omtrent de inzet van hulp in dat geval zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen 4 weken na de start van de hulp, vast in een beschikking. Artikel3.3Kwaliteit toeleiding 1.Het college waarborgt een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen voorziening op grond van deze verordening. 2.Om de in het eerste lid bedoelde deskundigheid te waarborgen draagt het college zorg dat: het lokaal team over relevante deskundigheid beschikt met betrekking tot de in artikel 2.1 onder a t/m f van het Besluit Jeugdwet genoemde problematieken; het lokaal team beschikt over expertise voor het uitvoeren van diagnostiek ten behoeve van het verhelderen van de hulpvraag; het lokaal team bestaat uit een combinatie van in ieder geval de volgende SKJ, BIG of NIP geregistreerde professionals: jeugd- en gezinsprofessional; gedragswetenschapper de in het eerste lid bedoelde taken worden uitgevoerd door of onder verantwoordelijkheid van een geregistreerde professional die beschikt over de specifieke kennis en vaardigheden behorend bij de hulpvraag; het lokaal team houdt zich bij de uitvoering van de in het eerste lid bedoelde taken aan de professionele standaarden die zijn opgesteld door de beroepsgroep waartoe de professional behoort en met inachtneming van de voor de doelgroep ontwikkelde instrumenten voor oordeels- en besluitvorming; het besluit tot inzet van jeugdhulp genomen wordt door een gemandateerde professional van het lokale team op basis van het gesprek met de jeugdige en/of zijn ouders en overleg met tenminste één andere professional van het lokale team. Hoofdstuk4– behandeling van een aanvraag voor een individuele voorziening; onderzoek en besluitvorming via de gemeente Artikel4.1Gesprek en onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren 1.Na het melden van een hulpvraag, verzamelt het college, in overleg met de jeugdige en/of de ouder(
  18. s)de noodzakelijke en toegankelijke gegevens over de jeugdige en zijn situatie en maakt zo spoedig mogelijk een afspraak voor een gesprek. 2.Het college wijst voor het onderzoek op de mogelijkheid om gebruik te maken van een vertrouwenspersoon als bedoeld in artikel 2.5, van de wet en van gratis onafhankelijke cliëntondersteuning. 3.Voordat het onderzoek van start gaat, kunnen de jeugdige of zijn ouder(
  19. s)het college een familiegroepsplan verstrekken. Het college brengt hen van deze mogelijkheid op de hoogte en stelt hen gedurende twee weken na de aanvraag of het stellen van de hulpvraag in de gelegenheid het plan te overhandigen. Als de jeugdige of zijn ouder(
  20. s)daarom verzoeken, zorgt het college voor ondersteuning bij het opstellen van het familiegroepsplan. Het college betrekt dit plan bij het onderzoek. 4.De jeugdige of zijn ouder(
  21. s)verstrekken voorafgaand aan het onderzoek aan het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover zij redelijkerwijs de beschikking kunnen krijgen. De jeugdige of zijn ouder(
  22. s)verstrekken in ieder geval desgevraagd een identificatiedocument ter inzage als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. 5.In het gesprek of de gesprekken over de hulpvraag tussen de jeugdige, de ouder(
  23. s)en het college en eventueel andere professionals kan gesproken worden over: wat de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouder(
  24. s)is en wat die hulpvraag heeft doen ontstaan; de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de jeugdige en zijn ouder(s), de veiligheid en ontwikkeling van de jeugdige en de gezinssituatie. of er sprake is van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouder(
  25. s)of adoptiegerelateerde problemen, en zo ja dan onderzoekt het college achtereenvolgens: welke problemen of stoornissen dat zijn; welke hulp naar aard en omvang nodig is voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren; of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouders(
  26. s)en van he sociale netwerk toereikend zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden; en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, de mogelijkheden om met de inzet van een andere voorziening, overige voorziening of individuele voorziening te voorzien in de nodige ondersteuning en hulp. 6.Het college bevordert het gebruik van voorliggende en preventieve voorzieningen, zoals opvoedondersteuning, algemene voorzieningen en ondersteuning via het CMD, indien deze passend zijn bij de hulpvraag van de jeugdige en/of diens ouders. 7.De toegang tot jeugdhulp geschiedt op basis van een individuele en integrale beoordeling van de hulpvraag, waarbij wordt vastgesteld of het voorliggend aanbod toereikend is om in de hulpbehoefte te voorzien. 8.Indien uit de beoordeling blijkt dat gespecialiseerde jeugdhulp noodzakelijk is, wordt deze niet onthouden op grond van het niet-gebruik van voorliggende voorzieningen. 9.De wijze waarop een mogelijk toe te kennen individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen; 10.Hoe rekening zal worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouder(
  27. s)en; 11.De mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de jeugdige of zijn ouder(
  28. s)in begrijpelijke bewoordingen worden ingelicht over de gevolgen van die keuze. 12.Het college informeert de jeugdige of de ouder(
  29. s)over de gang van zaken bij het gesprek, hun rechten en plichten en de vervolgprocedure en vraagt hen gerichte toestemming om hun persoonsgegevens te verwerken. 13.De jeugdige en/of zijn ouders worden actief betrokken bij het proces van beoordeling en besluitvorming, waarbij hun perspectief en voorkeuren worden meegewogen. 14.Het college en de jeugdige of de ouder(
  30. s)kunnen in overleg afzien van een onderzoek als de aanvraag wordt ingetrokken. Dat wordt schriftelijk bevestigd. Artikel4.2Deskundig oordeel, advies en voorbereiding van de besluitvorming 1.Het college wint, met in achtneming van artikel 2.1, van het Besluit Jeugdwet, een specifiek deskundig oordeel en advies in, als het onderzoek of de beoordeling van een aanvraag dit vereist. 2.Het in het eerste lid bedoelde advies wordt uitgebracht door of onder verantwoordelijkheid van een adviseur die beschikt over een registratie als professional: bij de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd in het kwaliteitsregister jeugd; bij het Nederlands Instituut van Psychologen in het register Kinder- en Jeugdpsychologen; of op grond van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in het BIG-register. 3.Het college treft maatregelen waarmee is gewaarborgd dat het onderzoek en de voorbereiding van de besluitvorming via de gemeente op zorgvuldige wijze plaatsvindt, in het bijzonder door te voorkomen dat (medewerkers van) de organisatie die de jeugdhulp biedt of mogelijk gaat bieden, ook het advies geeft over het al dan niet toekennen van jeugdhulp of het daarop betrekking hebbende besluit neemt. Artikel4.3Verificatie van het Burgerservicenummer 1.Het college vergewist zich conform artikel 7.2.3 van de Jeugdwet bij het eerste contactmoment met de jeugdige of diens ouder(
  31. s)van de juistheid van het Burgerservicenummer (BSN), door dit te controleren aan de hand van gegevens uit de Basisregistratie Personen (BRP). De verificatie van het BSN dient ter waarborging van een correcte en veilige verwerking van persoonsgegevens in het kader van de uitvoering van de Jeugdwet. 2.Het college verlangt geen identificatiebewijs van de jeugdige of diens ouder(s), tenzij er gegronde twijfel bestaat over de identiteit en de juistheid van het BSN, en verificatie via de BRP niet mogelijk is. 3.Het college draagt zorg voor een zorgvuldige registratie van het BSN en de bijbehorende persoonsgegevens, conform de eisen van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). 4.In uitzonderlijke gevallen waarin het BSN niet beschikbaar is, kan het college besluiten tot alternatieve identificatie en registratie, mits dit noodzakelijk is voor het verlenen van passende jeugdhulp en met inachtneming van privacywetgeving. 5.Ten aanzien van personen zonder de Nederlandse nationaliteit kunnen de volgende documenten worden gebruikt ter waarborging van een correcte en veilige verwerking van persoonsgegevens in het kader van de uitvoering van de Jeugdwet: een vreemdelingendocument van het type I, II, III, IV of EU/EER; een verblijfskaart Ministerie van Buitenlandse Zaken (legale vreemdelingen); een buitenlands paspoort; of een vreemdelingendocument van het type W (asielzoekers). Artikel4.4Onderzoeksverslag 1.Het college neemt de uitkomsten van het gesprek of de gesprekken en het onderzoek op in het onderzoeksverslag. 2.Indien het onderzoek naar het oordeel van het college leidt tot de inzet van een ondersteuningstraject of de toekenning van een individuele voorziening, worden zo spoedig mogelijk doelen vastgesteld in het onderzoeksverslag. 3.Binnen 10 werkdagen nadat het onderzoek is afgerond, verstrekt het college aan de jeugdige of zijn ouder(
  32. s)dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger een schriftelijke weergave van het uitgevoerde onderzoek en het in verband daarmee gevoerde gesprek. 4.Het college vergewist zich ervan dat de jeugdige en zijn ouder(
  33. s)dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger de uitleg over de uitkomsten van het onderzoek hebben begrepen. 5.Opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige en/of de ouder(
  34. s)kunnen op het onderzoeksverslag worden aangevuld in het veld: “aanvullingen/opmerkingen”. 6.Als uit het verslag blijkt dat gezamenlijke conclusie is dat de hulpvraag kan worden opgelost met eigen mogelijkheden en het eigen probleemoplossend vermogen, dan wel door gebruik van een andere of voorliggende voorziening, dan wordt het verslag ondertekend door de jeugdige of de jeugdige en zijn ouder(
  35. s)dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger en door deze teruggestuurd. In dat geval geldt het ondertekende verslag voor zover er een aanvraag was ingediend als intrekking van die aanvraag voor een individuele voorziening. 7.Afhankelijk van de leeftijd van de jeugdige moet het onderzoeksverslag als volgt worden ondertekend voor akkoord: jeugdige onder de 12 jaar: ouder(
  36. s)met gezag of toeziend voogd ondertekenen het onderzoeksverslag; jeugdige 12 jaar tot en met 15 jaar: naast de ouder(
  37. s)met gezag of toeziend voogd, ondertekent ook de jeugdige zelf het onderzoeksverslag; jeugdige 16 jaar en ouder: de jeugdige zelf moet tekenen voor akkoord. Ouder(
  38. s)met gezag of toeziend voogd tekent ook, maar dit is niet noodzakelijk; jeugdige tot 18 jaar met product verblijf: ouder(
  39. s)met gezag of toeziend voogd en jeugdige ondertekenen het onderzoeksverslag. Artikel4.5Indienen aanvraag 1.Jeugdigen en/of hun ouder(
  40. s)kunnen een aanvraag voor een individuele voorziening schriftelijk of digitaal via een e-mail of formulier indienen bij het college. 2.Na het indienen van de aanvraag beslist het college binnen een periode van acht weken. 3.Het college kan de beslistermijn zoals genoemd in het vorige lid verlengen met maximaal acht weken. De ouder(
  41. s)en of de jeugdige worden hier schriftelijk van op de hoogte gesteld door het college. 4.Wanneer eerder niet is voldaan aan de voorwaarden voor een aanvraag, dan kan een voor akkoord of gezien ondertekend onderzoeksverslag, als bedoeld in artikel 4.4, worden beschouwd als aanvraag voor een individuele voorziening 5.Wanneer er tijdens het onderzoek in overleg met de jeugdige of ouder(
  42. s)wordt afgezien van het indienen van een aanvraag, wordt er wel een onderzoeksverslag opgesteld. De conclusie die wordt opgenomen is dat er geen aanvraag wordt ingediend. 6.Het college legt de beslissing op een aanvraag voor een individuele voorziening vast in een beschikking als bedoeld in artikel 4.9. 7.Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning, de wijze van beoordeling van en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening. Artikel4.6Criteria voor toekenning van een individuele voorziening 1.Onverminderd dat jeugdhulp toegankelijk is na verwijzing door de huisarts, de medisch specialist en de jeugdarts, komt een jeugdige of ouder in aanmerking voor een door het college verleende individuele voorziening als het college van oordeel is dat de jeugdige of ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn en gebruikmaking van een andere of overige voorziening deze noodzaak niet kan verminderen of wegnemen. 2.Overeenkomstig de definitie van jeugdhulp uit artikel 1.1, van de wet wordt geen individuele voorziening verstrekt voor hulp of ondersteuning aan een jeugdige die niet noodzakelijk is op grond van een psychisch probleem of stoornis, psychosociaal probleem, gedragsprobleem of beperking, maar die voortkomt uit een behoefte die past bij de normale ontwikkeling van de jeugdige van een bepaalde leeftijd. Bij de beoordeling hiervan wordt aangesloten bij de uitgangspunten voor gebruikelijke zorg uit hoofdstuk 4 van de Beleidsregels indicatiestelling Wlz 2024 zoals deze luidden op 1 januari 2024. 3.Een andere of voorliggende voorziening kan de noodzaak verminderen of wegnemen als deze: daadwerkelijk beschikbaar is; en passend en toereikend is voor de hulpvraag. 4.Als een individuele voorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate, tijdig beschikbare voorziening. 5.Een individuele voorziening jeugdhulp wordt toegekend als de inzet van de voorziening doeltreffend geacht kan worden. De doeltreffendheid beoordeelt het college door vast te stellen of de individuele voorziening wezenlijk bijdraagt aan het oplossen van de hulpvraag en [waar beschikbaar] er wordt gewerkt met een bewezen effectieve interventie en nooit met een bewezen niet effectieve interventie. 6.Er is sprake van bewezen effectieve voorzieningen als de effectiviteit is vastgesteld in wetenschappelijk onderzoek en de interventie(
  43. s)zijn opgenomen als zijnde ‘erkend’ in: de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut; de zorgstandaarden van de GGZ Standaarden; de databank voor interventies gericht op jeugdigen met een beperking (databank interventies gehandicaptenzorg). 7.In situaties waarbij ouders begeleiding, behandeling of ondersteuning ten gevolge van maatschappelijke of eigen psychische of relationele problemen nodig hebben en er naar het oordeel van het college geen sprake is van een hulpvraag als bedoeld in deze verordening, komt een jeugdige of zijn ouder(
  44. s)niet in aanmerking voor een door het college te verlenen individuele voorziening als bedoeld in deze verordening. Ouders krijgen dan een alternatief hulpaanbod. 8.Het voorgaande lid is niet van toepassing als er parallel aan een hulpvraag sprake is van meervoudige problematiek in de context van het gezin. 9.Het college is bevoegd om, al dan niet steekproefsgewijs, te onderzoeken of de verstrekte voorzieningen worden gebruikt of besteed ten behoeve van het doel waarvoor ze verstrekt zijn. Het college kan in het uitvoeringsbesluit nadere regels stellen met betrekking tot de controle op de besteding. Artikel4.7Beoordeling eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen 1.Een individuele voorziening wordt niet verstrekt als naar het oordeel van het college uit het onderzoek blijkt dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of zijn ouder(
  45. s)toereikend zijn om binnen de eigen mogelijkheden, zo nodig met inzet van het sociale netwerk of met ondersteuning van andere (hulpverlenende) instellingen, de hulp te bieden die passend is bij de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouder(s). 2.Tot het sociale netwerk behoren andere personen binnen de kring van familie, vrienden, kennissen en bekenden die van betekenis zijn voor- en bijdragen aan het welzijn en welbevinden van de jeugdige of zijn ouder(s). 3.Tot de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen behoort in elk geval het aanspreken van een aanvullende zorgverzekering als die is afgesloten. 4.Bij de beoordeling van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen, bedoeld in het eerste lid, neemt het college, gelet op het bepaalde in de artikelen 82 en 247, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, tot uitgangspunt dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen, ook als sprake is van psychische problemen of stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of beperkingen, allereerst bij de ouder(
  46. s)zelf ligt en dat de hulp die daarvoor nodig is in beginsel ook door hen geleverd kan worden. Uit het onderzoek kan evenwel blijken dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(
  47. s)tekortschiet, omdat sprake is van: geobjectiveerde beperkingen om noodzakelijke hulp te bieden; een gebrek aan kennis of vaardigheden om noodzakelijke hulp te bieden; of overbelasting of dreigende overbelasting, waardoor geen noodzakelijke hulp kan worden verwacht totdat deze belasting of dreigende overbelasting is opgeheven. 5.Bij de beoordeling van het vierde lid, onder c, wordt ook vastgesteld welke mogelijkheden de ouder(
  48. s)hebben om de overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen, waarbij redelijkerwijs verwacht mag worden dat de ouder(
  49. s)maatschappelijke activiteiten beperken en betaalde arbeid verminderen of anders organiseren om overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen. Hierbij houdt het college ook rekening met: de behoefte en mogelijkheden van de jeugdige; de duur van de inzet, waarbij als uitgangspunt geldt dat kortdurende inzet van niet langer dan 3 maanden in een jaar, niet tot overbelasting leidt. Het college verwacht van ouders dat zij in kortdurende situaties de bovengebruikelijke hulp bieden, tenzij dit gelet op de aard van de hulp niet kan worden verwacht of de ouders door (dreigende) overbelasting de hulp niet kunnen bieden. Er moet dan wel een verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de hulp aan de jeugdige; de planbaarheid van de hulp; de benodigde ondersteuningsintensiteit; Het lichamelijke en geestelijke welzijn van de ouders; de samenstelling van het gezin en de woonsituatie; de noodzaak van de ouder(
  50. s)om in een inkomen te voorzien. 6.Als bovengenoemde factoren niet leiden tot problemen bij het kunnen verlenen van de hulp door de ouders, bij de beschikbaarheid van de ouders voor het verlenen van de hulp, bij de belasting van de ouders en bij de financiële situatie van de ouders wordt van hen verwacht dat zij de bovengebruikelijke hulp (eventueel deels) verlenen. Het college verstrekt dan geen individuele voorziening tot jeugdhulp. 7.Als een ouder hulp verleent aan een jeugdige middels een pgb en er is sprake van (dreigende) overbelasting, dan wordt het pgb beëindigd. Een andere zorgverlener moet het verlenen van hulp overnemen om de overbelasting te stoppen. Artikel4.8Vervoer naar een jeugdhulpaanbieder 1.Uitgangspunt is dat ouder(
  51. s)zelf verantwoordelijk zijn voor vervoer van de jeugdige van en naar de jeugdhulpaanbieder. 2.Een vervoersvoorziening wordt alleen verstrekt aan de jeugdige ten behoeve van het vervoer van de jeugdige naar en van de locatie waar de jeugdhulp plaatsvindt. 3.Een vervoersvoorziening wordt alleen aan de jeugdige toegekend als naar het oordeel van het college is aangetoond dat er een noodzaak bestaat tot inzet van deze voorziening. 4.Het college beoordeelt, overeenkomstig artikel 4.7 in elke individuele situatie of er specifieke omstandigheden zijn waardoor de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of zijn ouder(
  52. s)onvoldoende zijn om de eigen verantwoordelijkheid voor het vervoer op zich te nemen. 5.Als naar het oordeel van het college een passende voorziening beschikbaar is waarvoor geen vervoer geïndiceerd hoeft te worden, is deze voorziening voorliggend op een indicatie waarvoor wel vervoer geïndiceerd moet worden. Artikel4.9Inhoud beschikking 1.In de beschikking tot toekenning van een individuele voorziening wordt ten minste aangegeven of de voorziening in natura wordt verleend of als pgb wordt verstrekt en op welke wijze bezwaar gemaakt kan worden. 2.Tevens wordt bij het verlenen van een voorziening in natura in de beschikking tenminste vastgelegd: welke voorziening wordt verleend; indien bekend welke zorgaanbieder de verleende voorziening gaat uitvoeren; voor welke periode en omvang de voorziening verleend wordt; Welke doelen zijn opgesteld en welk resultaat of resultaten wordt/worden beoogd met de te verlenen voorziening; Hoe de voorziening wordt verleend, en indien van toepassing; Welke andere voorziening relevant zijn of kunnen zijn. 3.Tevens wordt bij het verlenen van een voorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking ten minste vastgelegd: voor welk(
  53. e)resultaat/resultaten het pgb wordt aangewend; welke zorgaanbieder wordt aangewend voor het in te zetten pgb; voor welke periode het pgb verstrekt wordt; wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe gekomen is; wat de wijze van verantwoording is van de besteding van het pgb. Hoofdstuk5– aanvullende regels voor een individuele jeugdhulpvoorziening in de vorm van een pgb Artikel5.1Aanvullende regels om in aanmerking te komen voor een pgb 1.Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 8.1.1 van de wet. 2.Het college verstrekt een pgb als: de jeugdige of zijn ouder(
  54. s)dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger zich gemotiveerd op het standpunt stellen dat zij de individuele voorziening die wordt geleverd door een door het college gecontracteerde aanbieder, niet passend achten; uit de beoordeling van de pgb-vaardigheid met inachtneming van artikel 5.2 blijkt dat de budgethouder of, indien van toepassing, de budgetbeheerder in staat is uitvoering te geven aan de eisen die het beheer van een pgb met zich meebrengt; en naar het oordeel van het college met inachtneming van artikel 5.4 is gewaarborgd dat de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort en die de jeugdige of zijn ouder(
  55. s)dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger van het budget willen betrekken, van goede kwaliteit is en in voldoende mate zal bijdragen aan het bereiken van het in het pgb-plan opgenomen beoogde resultaat. 3.Indien de cliënt ondersteuning of begeleiding wenst te betrekken van een persoon uit het sociale netwerk: wordt door de cliënt gemotiveerd aangegeven dat dit tot een gelijkwaardig of beter resultaat leidt dan bij de inzet van een professional; kan het college via een onafhankelijke en daartoe deskundige derde laten toetsen of deze persoon verantwoorde en passende ondersteuning kan leveren. 4.Het college verstrekt geen pgb als er twijfels zijn over de integriteit van de voorgenomen uitvoerder van de jeugdhulp, wat zich in ieder geval voordoet indien de voorgenomen uitvoerder van de jeugdhulp in de vier jaar voorafgaande aan de aanvraag: fraude, in de zin van opzettelijke misleiding om financieel voordeel te verkrijgen, heeft gepleegd; betrokken is geweest bij strafbare feiten of overtredingen heeft begaan die de veiligheid en de kwaliteit van de hulp in gevaar brengen; veroordeeld is wegens het plegen van strafbare feiten tot een gevangenisstraf; op basis van een Bibob-toets door het college is geweigerd als zorgaanbieder. 5.Het college weigert een pgb als een wettelijke weigeringsgrond als bedoeld in artikel 8.1.1, vierde lid, van de wet van toepassing is. 6.Het is verplicht om de modelovereenkomsten van de Sociale Verzekeringsbank te gebruiken. 7.Het college kan nadere regels stellen aan de beschikbaarheid tot en het gebruik van het persoonsgebonden budget. Artikel5.2Pgb-vaardigheid 1.Om aan de voorwaarden voor pgb-vaardigheid te voldoen dient de beoogd budgethouder, al dan niet met hulp vanuit het sociaal netwerk of, indien van toepassing, een budgetbeheerder, in ieder geval: een duidelijk beeld te hebben van de hulpvraag; op de hoogte te zijn van de regels en verplichtingen die horen bij het pgb of deze zelf (online) weten te vinden; in staat te zijn om een overzichtelijke pgb-administratie bij te houden; voldoende vaardig te zijn om in de Nederlandse taal te communiceren met de gemeente, de Sociale Verzekeringsbank ( SVB) en de zorgverleners; in staat te zijn zelfstandig te handelen en onafhankelijk voor een zorgverlener te kiezen; in staat te zijn om afspraken te maken en vast te leggen en om dit te verantwoorden aan het college; in staat te zijn om te beoordelen en te beargumenteren of de geleverde zorg passend en kwalitatief goed is; in staat te zijn de inzet van zorgverleners te coördineren, waardoor de zorg door kan gaan, ook bij verlof en ziekte; in staat te zijn om als werk- of opdrachtgever de zorgverleners aan te sturen en aan te spreken op hun functioneren; en voldoende kennis te hebben over het werk- of opdrachtgeverschap of deze kennis weten te vinden. 2.Als een jeugdige of zijn ouder(
  56. s)in aanmerking komen voor een individuele voorziening, maar de jeugdhulp zelf wensen in te kopen door middel van een pgb, dienen de jeugdige of zijn ouder(
  57. s)dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger daartoe een pgb-plan in [volgens een door het college ter beschikking gesteld format]. In het pgb-plan is opgenomen: De motivatie waarom het natura-aanbod van de gemeente volgens de jeugdige of zijn ouder(
  58. s)niet passend is en een pgb gewenst is; welke jeugdhulp de jeugdige of zijn ouder(
  59. s)willen inkopen met een pgb, wat het beoogde resultaat is en wanneer en hoe wordt geëvalueerd; de voorgenomen uitvoerder van de individuele voorziening en de wijze waarop de jeugdhulp georganiseerd wordt; op welke wijze de kwaliteit van de in te kopen jeugdhulp is gewaarborgd; de kosten van de uitvoering, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief; indien van toepassing, welke jeugdhulp de jeugdige of zijn ouder(
  60. s)willen betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk; de motivatie aan de hand van de tien punten benoemd in artikel 5.2 eerste lid, waaruit blijkt dat de budgethouder of budgetbeheerder in staat is de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. 3.Een budgethouder of een budgetbeheerder wordt in beginsel niet in staat geacht de aan een pgb verbonden taken verantwoord te kunnen uitvoeren als sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden: Het beheer wordt verricht door de persoon of organisatie die ook de jeugdhulp levert aan de budgethouder; Er is sprake van één of meer van de volgende omstandigheden: Schuldenproblematiek; Ernstige verslavingsproblematiek; aangetoonde fraude, in de zin van opzettelijke misleiding om financieel voordeel te verkrijgen, begaan in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag; een aanmerkelijke verstandelijke beperking; een ernstig psychiatrisch ziektebeeld; een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis; het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal in woord en geschrift; het niet verkrijgen van een Verklaring Omtrent het Gedrag. Artikel5.3Onderscheid formele en informele hulp 1.Van formele hulp is sprake als de jeugdhulp verleend wordt door onderstaande personen: personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister, conform artikel 5, van de Handelsregisterwet 2007, en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken; of personen die aangemerkt zijn als zelfstandige zonder personeel die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister conform artikel 5, van de Handelsregisterwet 2007 en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken. 2.Formele hulp wordt geleverd door personen die ingeschreven staan in het register, bedoeld in artikel 3, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg of artikel 5.2.1, van het Besluit Jeugdwet, voor het uitoefenen van een beroep voor het verlenen van jeugdhulp. 3.Als de jeugdhulp geboden wordt door een bloed- of aanverwant in de eerste- of tweede graad van de budgethouder, is altijd sprake van informele hulp, ongeacht de achtergrond, omdat zij onderdeel uitmaken van het sociale netwerk. 4.Als de hulp wordt verleend door een andere persoon dan beschreven in het eerste lid, onder a of b, en er niet voldaan is aan het tweede lid, is er sprake van informele hulp. 5.Het college bepaalt bij nadere regeling onder welke voorwaarden de persoon aan wie een pgb wordt verstrekt de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk of van anderen. Artikel5.4Kwaliteitseisen individuele voorziening in de vorm van een pgb 1.Ter waarborging van de kwaliteit van de met een pgb in te kopen individuele voorziening voldoet de formele of informele uitvoerder van de jeugdhulp aan de volgende eisen: beschikt over een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) die niet ouder is dan drie maanden bij aanvang van de zorgovereenkomst en gedurende de hulpverlening niet ouder dan drie jaar, waaruit blijkt dat er geen bezwaren zijn voor de uitoefening van diens functie. Ouder(
  61. s)die hulp verlenen aan hun kind zijn uitgesloten van deze eis; Beschikt over een SKJ registratie indien er werkzaamheden worden uitgevoerd onder de norm van verantwoorde toedeling (artikel 4.1.1a van de wet). Hieronder vallen onder andere complexe of risicovolle werkzaamheden. Een SKJ registratie is niet verplicht als de hulpverlener onder verantwoordelijkheid van een SKJ-geregistreerde collega werkt, met een heldere taakverdeling en inhoudelijke afstemming. De gedelegeerde taken moeten ook passen bij het deskundigheidsniveau van de uitvoerende hulpverlener. Daarnaast is deze constructie geborgd in het kwaliteitssysteem van de jeugdhulpaanbieder; beschikt over de juiste vaardigheden en deskundigheid om verantwoorde hulp te bieden; houdt een deugdelijke administratie bij met een registratie van de geleverde hulp; is voldoende vaardig om in de Nederlandse taal te communiceren; werkt volgens een plan waarin activiteiten en doelen zijn vastgelegd; voert de hulp uit in overeenstemming met de beschikking van het college; stemt de hulp af op de persoonlijke situatie van de jeugdige of zijn ouder(s); stemt de hulp af op andere voorzieningen, overige voorzieningen en individuele voorzieningen waar de jeugdige of zijn ouder(
  62. s)gebruik van maken; respecteert de privacy van de jeugdige of zijn ouder(
  63. s)en gaat vertrouwelijk om met informatie over de persoonlijke situatie; neemt bij vermoedens van huiselijk geweld of kindermishandeling in het huishouden van de jeugdige of zijn ouder(
  64. s)voor advies of het doen van een melding contact op met Veilig Thuis; meldt calamiteiten en geweldsincidenten bij de verlening van jeugdhulp aan het college; werkt mee aan toezicht en aangekondigd en onaangekondigd onderzoek door het college of daartoe aangewezen derden op inhoudelijke kwaliteit en op rechtmatigheid; en is of raakt door verlening van de jeugdhulp naar het oordeel van het college niet overbelast. 2.Ter waarborging van de kwaliteit van de met een pgb in te kopen individuele voorziening voldoet de uitvoerder van formele jeugdhulp aan de volgende aanvullende eisen: hetgeen is bepaald in artikel 5.3, eerste en tweede lid; handelt in overeenstemming met de professionele standaard; werkt met een systeem voor kwaliteitsbewaking; en stelt een vertrouwenspersoon in staat zijn taak uit te voeren. staat als formele zorgaanbieder of als zzp-er als zodanig ingeschreven bij de Kamer van Koophandel met de van toepassing zijnde SBI-code. heeft een opleiding succesvol afgerond gelijk aan de eisen die worden gesteld aan de medewerkers van de gecontracteerde in natura zorgaanbieders; heeft kennis en ervaring met het bieden van de ondersteuning die een cliënt met problematiek van dergelijke zwaarte nodig heeft. 3.Wanneer een zorgaanbieder aan de eisen voldoet zoals gesteld in de vorige bepaling, wordt hij beschouwd als een formele zorgaanbieder of hulpverlener. Als de aanbieder of hulpverlener niet voldoet aan al deze eisen spreken we van een informele hulpverlener. 4.Er wordt geen pgb voor informele jeugdhulp verstrekt als, conform het afwegingskader voor een verantwoorde werktoedeling op basis van het Kwaliteitskader Jeugd, formele jeugdhulp noodzakelijk is. 5.Indien een jeugdige en/of ouder(
  65. s)een pgb wenst in te zetten voor diensten van een informele hulpverlener (bijvoorbeeld personen uit het sociaal netwerk) worden hieraan de volgende voorwaarden gesteld: de ondersteuning van de informele hulpverlener overstijgt de algemeen gebruikelijke hulp en inzet voor elkaar; de zorg aan de ontvanger van het pgb zorgt niet voor overbelasting bij de informele hulpverlener; er is geen druk op de ontvanger uitgeoefend bij de besluitvorming om de ondersteuning uit te laten voeren door de informele hulpverlener; er is een ondersteuningsplan of plan van aanpak opgesteld door de hulpverlener; de ondersteuning door de informele hulpverlener leidt naar het oordeel van het college aantoonbaar tot het geïndiceerde resultaat. Artikel5.5Hoogte pgb 1.De hoogte van het pgb voor jeugdhulp geboden door een professionele organisatie en als zodanig ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, bedraagt maximaal 100% van het laagste adequate gecontracteerde tarief voor dezelfde jeugdhulp in natura. 2.De hoogte van het pgb voor jeugdhulp geboden door een formele hulpverlener in de vorm van een zzp-er, geldt een tarief van maximaal 90% van het tarief voor de geldende voorziening in zorg in natura, tenzij daarmee geen passende ondersteuning kan worden ingekocht. Hierbij gelden de kwaliteitseisen zoals genoemd in artikel 5.4 tweede lid. 3.De hoogte van het pgb voor informele jeugdhulp, niet zijnde vanuit het sociaal netwerk, bedraagt maximaal 75% van het tarief voor de geldende voorziening in zorg in natura, tenzij daarmee geen passende ondersteuning kan worden ingekocht. 4.De hoogte van het pgb voor informele jeugdhulp waarbij het sociaal netwerk wordt ingezet bedraagt minimaal 100% van het wettelijke minimumloon. 5.De tarieven voor het pgb voor formele hulp worden jaarlijks geïndexeerd conform de indexatie voor aanbieders van zorg in natura. Hierbij worden de landelijke contractstandaarden gevolgd. 6.Het tarief is lager als op basis van het door de jeugdige of zijn ouder(
  66. s)dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger ingediende pgb-plan passende en toereikende jeugdhulp voor een lager tarief kan worden ingekocht. 7.Met inachtneming van voorgaande bepalingen stelt het college de pgb-tarieven vast in nadere regels. 8.Het college maakt minimaal eenmaal per jaar de tarieven bekend. 9.Het pgb mag niet worden besteed aan: kosten voor bemiddeling, tussenpersonen of belangenbehartigers; kosten voor het voeren van een pgb-administratie; kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb; kosten voor een feestdagenuitkering en een eenmalige uitkering; reiskosten van de zorgverlener. Dit is al in het tarief verwerkt. kosten die worden gemaakt voor zover het pgb is bestemd voor besteding in het buitenland, tenzij hiervoor expliciet toestemming is gegeven door het college; kosten voor vervoer als de jeugdige op grond van artikel 4.6 naar het oordeel van het college niet in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening; kosten voor hulp die direct ingezet moet worden (crisishulp); kosten voor een aanvraag van een Verklaring Omtrent het Gedrag; 10.Binnen het pgb is geen sprake van een verantwoordingsvrij bedrag. 11.Enkel geleverde zorg wordt uitbetaald. Om die reden is het niet toegestaan om een vast bedrag per maand aan de zorgverlener uit te laten betalen via de SVB. De budgetbeheerder levert maandelijks een factuur aan van de geleverde zorg aan de SVB. 12.Het college kan nadere regels stellen over de voorwaarden die worden verbonden aan het pgb. Artikel5.6Weigeringsgronden persoonsgebonden budget 1.Het college kan een persoonsgebonden budget weigeren dan wel intrekken wanneer gebleken is dat: de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; de cliënt het persoonsgebonden budget niet of voor een ander doel heeft gebruikt; er eerder een persoonsgebonden budget is verleend op grond van de verordening dan wel de hieraan voorafgaande verordening(
  67. en)en de cliënt zich niet heeft gehouden aan de bij de verlening van dat eerdere persoonsgebonden budget opgelegde verplichtingen; de cliënt geen overzicht van de voorgenomen besteding van het te verlenen persoonsgebonden budget (waaruit blijkt dat de ondersteuning veilig, cliëntgericht en doeltreffend
  68. is)kan overleggen. er naar het oordeel van college het ernstige vermoeden bestaat dat de cliënt of degene die cliënt hierbij ondersteunt, problemen heeft bij het omgaan met een persoonsgebonden budget; de cliënt niet voldoet aan de overige aan het pgb verbonden voorwaarden, genoemd in de Jeugdwet, deze Verordening en/of de nadere regels. 2.Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen zes maanden na toekenning niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. Hoofdstuk6– herziening, intrekking, terugvordering, bestrijding misbruik en prijs-kwaliteit. Artikel6.1Inlichtingen 1.Het college informeert de jeugdige of zijn ouder(
  69. s)dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. 2.Mede overeenkomstig het bepaalde in artikel 8.1.2, eerste lid, van de wet doen de jeugdige of zijn ouder(
  70. s)dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb. Artikel6.2Niet meewerken ouder(
  71. s)1.De jeugdige en zijn ouder(
  72. s)is (zijn) verplicht om, binnen de eigen mogelijkheden, mee te werken aan onderzoek gericht op besluitvorming over en de doelmatige inzet van jeugdhulp. 2.Als de jeugdige of zijn ouder(
  73. s)naar het oordeel van het college niet of onvoldoende meewerkt (meewerken), kan de omvang van de benodigde jeugdhulp niet worden vastgesteld of is de jeugdhulp niet effectief en kan door het college worden besloten geen individuele voorziening te verstrekken, een lagere omvang vast te stellen of een eerder toegekende individuele voorziening in te trekken. Artikel6.3Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking, opschorting of terugvordering 1.Het college onderzoekt periodiek of er aanleiding is een beslissing aangaande een verstrekking van een individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb te heroverwegen en kan hierover nadere regels stellen. 2.een jeugdige of zijn ouder(
  74. s)doen op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hen redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een individuele voorziening in zorg in natura of pgb. 3.het college kan een besluit aangaande een individuele voorziening herzien dan wel intrekken indien het college vaststelt dat: de jeugdige of zijn ouder(
  75. s)onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; de jeugdige of zijn ouder(
  76. s)niet langer op de individuele voorziening zijn aangewezen; de individuele voorziening niet meer toereikend is te achten; de jeugdige of zijn ouder(
  77. s)niet voldoen aan de voorwaarden van de individuele voorziening; de jeugdige of zijn ouder(
  78. s)de individuele voorziening niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het is bestemd; de jeugdige of zijn ouder(
  79. s)dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger met het pgb jeugdhulp betrekken van een jeugdhulpaanbieder tegen wie bezwaren zijn ontstaan, als bedoeld in artikel 5.1, vierde lid; het pgb binnen zes maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. De jeugdige of zijn ouder(
  80. s)zich niet binnen drie maanden na de besluitdatum hebben gemeld bij de jeugdhulpaanbieder. de jeugdige langer dan 6 weken verblijft in een instelling als bedoeld in de Zorgverzekeringswet. De jeugdige verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg. 4.Als het college een besluit op grond van het derde lid onder a heeft ingetrokken, kan het college geheel of gedeeltelijk de geldswaarde terugvorderen van de jeugdige of zijn ouder(s), van de ten onrechte genoten individuele voorziening in natura of het te veel of ten onrechte genoten pgb. 5.Als het college een beslissing op grond van het derde lid, onder a, heeft ingetrokken, kan het college bij dwangbevel geheel of gedeeltelijk het ten onrechte genoten pgb invorderen. 6.Het college kan, bij een gegrond vermoeden van een omstandigheid als bedoeld in het derde lid, onder a, d, e of f, de SVB gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een geheel of gedeeltelijke onderbreking van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken. Artikel6.4Onderzoek naar recht- en doelmatigheid individuele voorzieningen in natura en in de vorm van pgb’s 1.Het college wijst een toezichthouder aan die belast is met het toezicht op de naleving van de rechtmatige uitvoering van de wet, waaronder de bestrijding van misbruik, oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van deze wet. 2.Het college onderzoekt met inachtneming van de paragrafen 6a en 6b, van de Regeling Jeugdwet de rechtmatigheid en doelmatigheid van individuele voorzieningen. 3.Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van pgb’s met het oog op de beoordeling van de recht- en doelmatigheid daarvan en kan hiervoor nadere regels stellen. Artikel6.5Overige maatregelen ter voorkoming oneigenlijk gebruik, misbruik en niet gebruik 1.Het college maakt met de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde jeugdhulpaanbieders afspraken over de facturatie, resultaatsturing en accountantscontroles, zodat declaraties en uitbetalingen in overeenstemming zijn met de contractuele afspraken, de leveringsopdracht, de prestatieafspraken en de feitelijk geleverde prestaties. 2.Het college maakt met de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde jeugdhulpaanbieders afspraken over het monitoren van de gemiddelde trajectduur tijdens de looptijd van een contract. Artikel6.6Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering 1.Het college baseert in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, op ten minste de volgende kostprijselementen: cliëntgebonden en niet-cliëntgebonden kosten van beroepskrachten; cliëntgebonden kosten anders dan van beroepskrachten; overheadkosten; kosten voor indexering; en 2.Het college bedingt bij de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde aanbieders van preventie, jeugdhulpaanbieders of gecertificeerde instellingen dat zij het verlenen van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering alleen aan derden uitbesteden als zij die derden daarvoor een reële prijs betalen, die tot stand is gekomen met gebruikmaking van de kostprijselementen bedoeld in het eerste lid. 3.Het eerste en tweede lid gelden voor subsidies slechts voor zover zij worden verstrekt voor de daadwerkelijke verlening van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering aan jeugdigen of hun ouders en de omvang van de subsidie direct of indirect wordt gebaseerd op de hoeveelheid verrichte diensten. Hoofdstuk7– afstemming met andere voorzieningen Artikel7.1Voorliggende voorzieningen 1.Het college verstrekt geen voorziening voor jeugdhulp als er: met betrekking tot de problematiek een recht bestaat op zorg als bedoeld bij of krachtens de Wet langdurige zorg, de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen of de Zorgverzekeringswet; naar het oordeel van het college met betrekking tot de problematiek een aanspraak bestaat op een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling, met uitzondering van een maatwerkvoorziening inhoudende begeleiding als bedoeld in artikel 1.1.1, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; of gegronde redenen zijn voor het college om aan te nemen dat de jeugdige in aanmerking kan komen voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg en de jeugdige of zijn wettelijke vertegenwoordiger weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit daartoe. 2.Als er meerdere oorzaken ten grondslag liggen aan de betreffende problematiek en daardoor zowel een vorm van zorg, op grond van een recht op zorg als bedoeld bij of krachtens de Wet langdurige zorg of een zorgverzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, als een soortgelijke voorziening op grond van de wet kan worden verkregen, is het college gehouden deze voorziening op grond van de wet te treffen. 3.De jeugdige of zijn ouder(
  81. s)dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger die een aanvraag voor jeugdhulp doen, worden verwezen naar de instantie waar een aanvraag voor een voorziening op basis van de voornoemde wetten kan worden behandeld. 4.Bij een verwijzing als bedoeld in het vorige lid naar Wet langdurige zorg kan cliëntondersteuning worden ingeschakeld. Artikel7.2Afstemming met voorliggende voorzieningen en andere vormen van hulp en ondersteuning 1.Het college stemt de jeugdhulp waaraan een jeugdige of een ouder behoefte heeft, ten minste af op het aanbod van activiteiten, diensten of middelen op grond van: de Leerplichtwet; de Participatiewet; de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening; de Wet Inburgering 2021; de Wet kinderopvang; de Wet langdurige zorg; de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; de Wet passend onderwijs; de Wet publieke gezondheid; de Wet tijdelijk huisverbod; de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg; en de Zorgverzekeringswet, zodat deze zoveel mogelijk op elkaar aansluiten en ondersteunt de jeugdige en zijn ouder(
  82. s)actief bij het verkrijgen van toegang tot de andere voorziening(
  83. en)of bij behoud van de continuïteit van de zorg op grond van de benodigde zorg. 2.De afgestemde jeugdhulp wordt zodanig ingezet dat dit leidt tot: het opheffen van een situatie die voor een jeugdige of een ouder of diens omgeving levensbedreigend is, of met grote waarschijnlijkheid leidt tot ernstige gezondheidsschade; stabilisatie van een crisissituatie, anders dan bedoeld onder a; een voldoende mate van duurzame zelfredzaamheid van een jeugdige of een ouder, voor zover dat binnen het vermogen ligt. 3.Het college weegt bij de afstemming van de jeugdhulp de volgende aspecten mee: de behoefte aan hulp en ondersteuning van een jeugdige of een ouder; de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van een jeugdige of een ouder zoals bedoeld in artikel 4.7 en de mogelijkheden van het sociale netwerk; welke volgorde van inzet van hulp en ondersteuning naar verwachting het meeste effect sorteert en in hoeverre hulp en ondersteuning gelijktijdig kan of moet worden ingezet; welke hulp en ondersteuning leidt tot de minste maatschappelijke kosten op lange termijn. 4.Als een jeugdige of een ouder of wettelijk vertegenwoordiger weigert mee te werken aan ondersteuning als bedoeld in het eerste lid, kan het college het onderzoek beëindigen en een individuele voorziening weigeren. 5.Als een jeugdige van 16 jaar of ouder die hulp op grond van de wet ontvangt naar alle waarschijnlijkheid na het achttiende levensjaar hulp of ondersteuning nodig heeft vanuit een wettelijke kader als bedoeld in het eerste lid, is het college gehouden om: voor het achttiende levensjaar zodanige hulp en ondersteuning te bieden dat de benodigde hulp en ondersteuning vanaf het achttiende jaar zo beperkt mogelijk kan zijn; en de continuïteit van hulp en ondersteuning te waarborgen voor zover dat nodig is. 6.Ter uitvoering van het vijfde lid, onderzoekt het college tijdig welke andere voorziening nodig is, vanaf de achttiende verjaardag en op welke wijze en vanuit welke andere voorzieningen (Wet maatschappelijke ondersteuning, Wet langdurige zorg, of de Zorgverzekeringswet) deze ondersteuning vanaf het achttiende levensjaar wordt ingezet. Voor de gecontracteerde aanbieders geldt dat ze dienen te voldoen aan wat is omschreven in de overeenkomst. Hoofdstuk8– Klachten en medezeggenschap Artikel8.1Vertrouwenspersoon en onafhankelijke cliëntondersteuning 1.Het college zorgt ervoor dat jeugdige en ouder(
  84. s)een beroep kunnen doen op een vertrouwenspersoon. 2.Het college wijst de jeugdige en ouder(
  85. s)op de mogelijkheid om gebruik te maken van kosteloze, onafhankelijke cliëntondersteuning. Artikel8.2Privacy Het college draagt zorg voor een privacy protocol dat voldoet aan de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Artikel8.3Klachtregeling Het college stelt een regeling vast voor de afhandeling van klachten van jeugdigen en ouder(
  86. s)die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van meldingen en aanvragen als bedoeld in deze verordening. Artikel8.4Cliëntenparticipatie 1.Het college betrekt de ingezetenen van de gemeente bij de voorbereiding van het beleid betreffende jeugdhulp conform de gestelde regels in artikel 150 van de Gemeentewet over de wijze waarop inspraak wordt verleend. 2.Het college stelt cliënten en vertegenwoordigers van cliëntgroepen omtrent jeugdhulp vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen en evaluaties betreffende jeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. 3.Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning. 4.Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het tweede en derde lid. Hoofdstuk9– Slotbepalingen Artikel9.1Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen in het voordeel van de jeugdige en/of ouder(
  87. s)afwijken van de bepalingen van deze verordening als toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Artikel9.2Overgangsrecht 1.Een jeugdige of zijn ouder(
  88. s)houdt recht op een lopende voorziening, verstrekt op grond van de Verordening Jeugdhulp Son en Breugel 2023 totdat het college een nieuw besluit heeft genomen ten aanzien van die voorziening. 2.Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening Jeugdhulp Son en Breugel 2023 waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening. 3.Voor het pgb met inzet vanuit het sociaal netwerk geldt: het tarief dat is toegekend onder de Verordening Jeugdhulp Son en Breugel 2023 blijft van kracht tot de termijn waarvoor zij is verleend, is verstreken of totdat zij wordt ingetrokken. Het nieuwe tarief wordt toegekend op basis van aanvragen na inwerkingtreding van de Verordening Jeugdhulp Son en Breugel 2026. 4.Bezwaarschriften gericht tegen besluiten die zijn genomen voor de inwerkingtreding van deze verordening, worden behandeld op grond van Verordening Jeugdhulp Son en Breugel 2023 die ten aanzien van de betreffende zaak zijn rechtskracht behoudt. Hier kan ten gunste van de jeugdige of zijn ouder(
  89. s)van worden afgeweken als heroverweging op grond van de huidige Verordening Jeugdhulp gemeente Son en Breugel 2023 leidt tot een gunstiger uitkomst. 5.Het college is bevoegd een besluit, dat is genomen op grond van de Verordening Jeugdhulp Son en Breugel 2023 te herzien: op de gronden, vermeld in de Verordening Jeugdhulp Son en Breugel 2023; indien uit een door het college uitgevoerd heronderzoek blijkt dat er met toepassing van de ten tijde van het onderzoek geldende verordening een afwijkend besluit zou zijn genomen; indien de cliënt wenst te veranderen van aanbieder of van verstrekkingsvorm. 6.Het college heeft de bevoegdheid om een pgb dat is verstrekt onder Verordening Jeugdhulp Son en Breugel 2023, terug te vorderen op de in deze verordening[en] genoemde gronden. Artikel9.3Inwerkingtreding en citeertitel 1.Deze verordening treedt in werking op 4 juni 2026. 2.Op het tijdstip genoemd in het eerste lid wordt de Verordening Jeugdhulp gemeente Son en Breugel 2023 ingetrokken. 3.Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Jeugdhulp gemeente Son en Breugel 2026. Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van DE RAAD VOORNOEMD,De griffier, Moniek WeertsDe voorzitter,Suzanne Otters-BruijnenToelichting ALGEMEEN Opbouw van de verordening Deze verordening begint in hoofdstuk 1 met een begrippenlijst. In hoofdstuk 2 leest u welke vormen van jeugdhulp de gemeente kan bieden. Hoofdstuk 3 behandelt de verschillende wegen die leiden naar toegang tot jeugdhulp. Hoofdstuk 4 gaat over de manier waarop een verzoek om jeugdhulp wordt beoordeeld en hoe een besluit daarover wordt voorbereid. Hoofdstuk 5 bevat aanvullende regels voor het bieden van jeugdhulp in de vorm van een persoonsgebonden budget. De hoofdstukken 6 tot en met 10 bevatten overige (algemene) regels, onder meer over rechten, (medewerkings)plichten en de herziening van besluiten. De opdracht van de wetgever: wat moet de Verordening regelen? Sinds 1 januari 2015 zijn gemeenten verantwoordelijk voor alle jeugdhulp. De taken van de gemeenten zijn geregeld in de Jeugdwet (hierna: de wet). Gemeenten moeten ervoor zorgen dat jongeren met een beperking, stoornis of aandoening de jeugdhulp en ondersteuning krijgen die nodig is. Eén van de doelen van de wet is om gebruik te maken van de eigen kracht van jongeren, ouders en hun sociale netwerk, zodat jeugdhulp wordt geboden aan jeugdigen en gezinnen in de meest kwetsbare situaties, waarbij de inzet van jeugdhulp noodzakelijk is gezien de aard en ernst van de hulpvraag. Deze verordening geeft uitvoering aan de wet die de gemeenteraad opdraagt om bij verordening regels vast te stellen over: de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige voorzieningen, met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening; de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen; de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld; en de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Daarnaast regelt deze verordening, overeenkomstig de wet, op welke wijze inwoners, waaronder in ieder geval jeugdigen of hun vertegenwoordigers, worden betrokken bij de uitvoering van de wet, waarbij wordt geregeld de wijze waarop zij: in de gelegenheid worden gesteld voorstellen voor het beleid te doen; vroegtijdig in staat worden gesteld gevraagd en ongevraagd advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen; worden voorzien van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen, deel kunnen nemen aan periodiek overleg; onderwerpen voor de agenda van dit overleg kunnen aanmelden; en worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie. De verordening bevat ook regels ter waarborging van: een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van diensten door derden en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan; en de continuïteit van de jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering. Tot slot wordt in deze verordening bepaald onder welke voorwaarden de persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk. Achtergronden De wet maakt deel uit van de in 2015 ingezette bestuurlijke en financiële decentralisatie naar gemeenten van de jeugdzorg, de jeugd-ggz, de zorg voor verstandelijk beperkte jeugdigen en de begeleiding en persoonlijke verzorging van jeugdigen. Eén van de uitgangspunten hierbij was dat een omslag gemaakt zou worden van een stelsel gebaseerd op een wettelijk recht op zorg (aanspraak) naar een stelsel op basis van een voorzieningenplicht voor gemeenten (voorziening), op een wijze zoals eerder is gebeurd met de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015). Het wettelijke recht op jeugdzorg en individuele aanspraken op jeugdzorg zijn vervangen door een voorzieningenplicht, waarvan de aard en omvang in beginsel door de gemeente worden bepaald (maatwerk). Het doel van het jeugdzorgstelsel blijft echter onverminderd het waar nodig tijdig bieden aan jeugdigen en ouders van bij hun situatie passende hulp, met als beoogd doel ervoor te zorgen de eigen kracht van de jongere en het zorgend en probleemoplossend vermogen van het gezin wordt versterkt. Deze verordening kan niet los worden gezien van het beleidsplan, dat de raad op grond van artikel 2.2, van de wet heeft vastgesteld. In dit beleidsplan is het door het gemeentebestuur te voeren beleid vastgelegd met betrekking tot preventie en jeugdhulp, de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering. Vrij toegankelijk en niet vrij toegankelijk In de verordening is onderscheid gemaakt tussen voorliggende (vrij-toegankelijke) en individuele (niet vrij-toegankelijke) voorzieningen op het gebied van jeugdhulp. Voor een deel van de hulpvragen zal volstaan kunnen worden met een vrij-toegankelijke voorziening. Hier kunnen de jeugdige en/of zijn ouders gebruik van maken zonder dat zij daarvoor een verwijzing of een besluit van de gemeente nodig hebben. De jeugdige en zijn ouders kunnen zich voor deze jeugdhulp dus rechtstreeks tot de jeugdhulpaanbieder wenden. Toegang jeugdhulp via de gemeente Een hulpvraag van een jeugdige of zijn ouder kan binnenkomen bij de gemeente (in sommige gevallen nadat zij naar de gemeente zijn doorverwezen door het Advies- en Meldpunt Huiselijk Geweld en Kindermishandeling). De beslissing door de gemeente welke hulp een jeugdige of zijn ouder precies nodig heeft, komt vervolgens tot stand op basis van het onderzoek dat namens het college in samenspraak met die jeugdige en zijn ouders wordt uitgevoerd. Veelal zal op basis van één of meerdere gesprekken tussen een door de gemeente ingezette deskundige en de jeugdige en zijn ouders gekeken worden wat de jeugdige en zijn ouders eventueel zelf of met behulp van hun netwerk kunnen doen aan het probleem. Als aanvullend daarop een voorziening op het gebied van jeugdhulp nodig is, dan zal eerst gekeken worden of dit een vrij-toegankelijke voorziening is of een niet vrij-toegankelijke voorziening. Is het laatste het geval neemt het college een besluit tot verstrekking van de voorziening en worden de jeugdige en zijn ouders doorverwezen naar een jeugdhulpaanbieder die in staat is om de betreffende problematiek aan te pakken. Dit proces is in deze verordening nader ingekaderd. Toegang via de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist De wet regelt daarnaast dat de jeugdhulp toegankelijk is na een verwijzing door de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist. Na een dergelijke verwijzing staat echter nog niet vast welke specifieke behandelvorm van jeugdhulp (dus bijvoorbeeld welke therapie) een jeugdige of zijn ouder precies nodig heeft. Een jeugdige kan op dat moment terecht bij de jeugdhulpaanbieders die de gemeente heeft gecontracteerd. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder zelf zijn die op basis van zijn professionele autonomie na de verwijzing beoordeelt welke voorziening precies nodig is (de behandelvorm), hoe vaak iemand moet komen (de omvang) en hoe lang (de duur). Bij deze beoordeling dient de jeugdhulpaanbieder zich te houden aan de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie. Deze afspraken zien toe op hoe de gemeente haar regierol kan waarmaken en op de omvang van het pakket. Deze afspraken zullen verder ook ingaan op hoe de artsen en de gemeentelijke toegang goed van elkaar op de hoogte zijn van de doorverwijzing of behandeling van een kind, zodat de integrale benadering rond het kind en het principe van 1 gezin – 1 regisseur – 1 plan, met name bij meervoudige problematiek, kan worden geborgd en er geen nieuwe ‘verkokering’ zal plaatsvinden, waarbij professionals niet goed van elkaar weten dat zij bij het gezin betrokken zijn. Daarnaast zal de jeugdhulpaanbieder rekening moeten houden met de regels die in deze verordening zijn gesteld. Deze verordening regelt welk aanbod van de gemeente alleen via verwijzing of met een besluit van de gemeente toegankelijk is en stuurt op collectief niveau op de omvang en duur van de beschikte individuele voorzieningen (zie artikel 2.1, tweede lid). De bepalingen in de verordening over het onderzoek naar de hulpvraag zijn onverkort op jeugdhulpaanbieders van toepassing, ook bij de toegang via de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist (zie artikel 3.1). Toegang via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter, het Openbaar Ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting Een andere ingang tot de jeugdhulp is via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter (via een kinderbeschermingsmaatregel of een maatregel tot jeugdreclassering), het Openbaar Ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting. De gecertificeerde instelling is verplicht om bij de bepaling van de in te zetten jeugdhulp in het kader van een door de rechter opgelegde kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering te overleggen met de gemeente. Uiteraard kan bij dit overleg een kostenafweging plaatsvinden. De gemeente is op haar beurt vervolgens gehouden de jeugdhulp in te zetten die deze partijen nodig achten ter uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel of de jeugdreclassering. Deze leveringsplicht van de gemeente vloeit voort uit het feit dat uitspraken van rechters te allen tijde moeten worden uitgevoerd om rechtsgelijkheid en rechtszekerheid te kunnen garanderen. Ook hier geldt dat de gecertificeerde instelling in beginsel gebonden is aan de jeugdhulp die de gemeente heeft ingekocht. Als de kinderrechter een ondertoezichtstelling of beëindiging van het gezag uitspreekt, wijst hij gelijktijdig in de beschikking de gecertificeerde instelling aan die de maatregel gaat uitvoeren. Dit kan de rechter juist omdat de raad voor de kinderbescherming in zijn verzoekschrift een concreet advies geeft over welke gecertificeerde instelling de maatregel zou moeten uitvoeren. De raad voor de kinderbescherming neemt een gecertificeerde instelling in zijn verzoekschrift op die na overleg met de gemeente en gezien de concrete omstandigheden van het geval hiervoor het meest geschikt lijkt. De raad voor de kinderbescherming is verplicht om hierover met de gemeente te overleggen. Deze toegang wordt al in de wet zelf geregeld en komt verder dus niet terug in deze verordening. Afbakening jeugdhulpplicht De reikwijdte van de jeugdhulpplicht in de wet vormt al enkele jaren een belangrijk onderwerp in gesprekken over de jeugdzorg. In de Hervormingsagenda Jeugd is de afspraak gemaakt dat de wetgever de wet gaat aanpassen om deze reikwijdte te verduidelijken en af te bakenen c.q. te begrenzen. Dit om ervoor te zorgen dat de jeugdhulp terechtkomt bij de meest kwetsbare gezinnen of gezinnen in de meest kwetsbare situaties. Het doel is om duidelijk te maken wat er wel onder de jeugdhulpplicht valt, in plaats van wat er niet onder valt. Op dit moment geldt er geen jeugdhulpplicht voor hulp die op ‘eigen kracht’ kan worden geboden of worden georganiseerd, maar deze begrippen zijn echter niet gedefinieerd in de wet. Als er vrij toegankelijke voorzieningen zijn, dan gaan deze momenteel voor op niet-vrij toegankelijke voorzieningen. De verordening voorziet in: Het scherper verwoorden en uitwerken van het beschikbare voorzieningenpakket; Een verbeterde afstemming tussen de wet en andere wetgeving; Het uitwerken van de verdeling van de verantwoordelijkheden tussen ouders en het college als verstrekker van individuele voorzieningen; Een uitdrukkelijke opname van het stappenplan van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) verplicht stellen voor de medische verwijsroute; en Duidelijke voorwaarden ter voorkoming van oneigenlijk gebruik en misbruik van de wet. Deze verordening vormt het normstellend kader waarmee de jeugdhulp nader wordt geregeld, met inachtneming van de wet. ARTIKELSGEWIJS In deze artikelsgewijze toelichting worden enkel die (onderdelen) van bepalingen behandeld die nadere toelichting behoeven. HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1. Begripsomschrijving Het aantal definities in artikel 1 is beperkt aangezien de wet al een aantal definities kent die ook bindend zijn voor deze verordening. Een aantal wettelijke definities zijn alsnog opgenomen voor de volledigheid en leesbaarheid van deze verordening. In artikel 1.1 van de wet is jeugdhulp als volgt gedefinieerd: ondersteuning van en hulp en zorg, niet zijnde preventie, aan jeugdigen en hun ouders bij het verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen van of omgaan met de gevolgen van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptiegerelateerde problemen; het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren van jeugdigen met een somatische, verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking, een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem en die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, en het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging gericht op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij jeugdigen met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking of een somatische of psychiatrische aandoening of beperking, die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, met dien verstande dat de leeftijdgrens van achttien jaar niet geldt voor jeugdhulp in het kader van jeugdstrafrecht’. Ook de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kent een aantal definitiebepalingen die voor deze verordening van belang zijn, zoals: ‘aanvraag’ (artikel 1:3, derde lid, van de Awb) en ‘beschikking’ (artikel1:3, tweede lid, van de Awb). ‘Andere voorziening’: onder het begrip ‘andere voorziening’ wordt in deze verordening verstaan een voorziening die niet op grond van de wet wordt getroffen, maar in het kader van maatschappelijke ondersteuning, onderwijs, werk en inkomen of zorg. Zie ook artikel 2.9, onder b, van de wet. De verschillende beschikbare vormen van jeugdhulp zijn opgenomen in artikel 2.1 (individuele voorzieningen en voorliggende voorzieningen). Hoe individuele voorzieningen verkregen kunnen worden, is nader geregeld in artikel 3.1 en verder. ‘iJw’: is in de Regeling Jeugdwet gedefinieerd als de ‘door het Zorginstituut beheerde standaarden als bedoeld in artikel 2.15, derde lid, van de wet bestaande uit bedrijfsregels, berichtenstandaarden en berichtspecificaties’. De iJw is de iStandaard om cliënten in alle fasen van de Jeugdwet-keten te volgen: van de toewijzing tot de zorglevering en de declaratie. Het doel is een snelle en efficiënte inzet van zorg ondersteunen en bijdragen aan een afname van administratieve lasten. Daarnaast moet iJw een betrouwbare en duurzame bron van informatie zijn over Jeugdwet-zorg (https://www.istandaarden.nl/ijw). HOOFDSTUK 2. VORMEN VAN JEUGDHULP Artikel 2. Vormen van jeugdhulp Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.9, onder a, van de wet, op grond waarvan de gemeente verplicht is bij verordening regels te stellen over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en voorliggende voorzieningen. Daarnaast beoogt deze verordening voor iedereen duidelijk te maken wat het gemeentelijke aanbod aan jeugdhulpvoorzieningen is. Ook vindt de gemeente het belangrijk dat op voorhand duidelijk is – uitgaande van toegang tot de jeugdhulp via de gemeente (zie artikel 3.2) – welke vormen van voorzieningen alleen toegankelijk zijn na een besluit van de gemeente (de ‘individuele voorzieningen’) en welke in beginsel vrij toegankelijk zijn voor iedereen waarvoor ze bedoeld zijn (de ‘voorliggende voorzieningen’). Gelet op het voornoemde belang bevat dit artikel een opsomming van de vormen van jeugdhulp die de gemeente biedt. Van verschillende van de hier genoemde vormen van jeugdhulp bestaan diverse varianten. Welke variant wordt ingezet zal steeds afhankelijk zijn van de uitkomst van het onderzoek en de betreffende situatie en de specifieke behoeften van de jeugdige en zijn ouders. Tweede lid Uit de parlementaire geschiedenis bij de wet volgt dat de gemeenteraad, ter uitvoering van het bepaalde in artikel 2.9, van de wet, in de verordening (op geaggregeerd niveau) kan sturen op duur, omvang en frequentie van individuele voorzieningen (Kamerstukken II 2013/14, 33 684, nr. 3, p. 148 en KamerstukkenII 2013/14, 33 684, nr. 10, p. 40). In het tweede lid wordt daarom bij bepaalde individuele voorzieningen op collectief niveau op deze elementen gestuurd. Hiervoor is er gekozen om een verwijzing te maken naar de Producten Diensten Catalogus (PDC) van de inkoopregio Een 10 voor de Jeugd. Op de website www.jeugdwmo.nl is een actuele productenkaart te vinden waarin de beschikbare producten met uurtarief, duur, frequentie en kwaliteitseisen wordt vermeld. Daarnaast staan alle gecontracteerde aanbieders vermeld op www.beschikbaarheidswijzer.nl. Per aanbieder wordt vermeld voor welke producten deze is gecontracteerd. Door deze verwijzing blijft de verordening leesbaar en hoeft deze ook niet te worden aangepast bij wijzigingen in de producten. Tevens blijft de gemeenteraad hierdoor het orgaan dat de voorzieningen vaststelt. Het college moet op basis van het vierde lid deze elementen overnemen in de afspraken die zij maakt met jeugdhulpaanbieders in het kader van de inkoop- en subsidierelatie. Het feit dat deze omvang in beginsel wordt aangehouden maakt dat in zeer bijzondere individuele situaties van de in de verordening bepaalde omvang kan worden afgeweken. Vierde lid Op grond van artikel 2.6, eerste lid, onder a, van de wet is het aan het college om zorg te dragen voor een kwalitatief en kwantitatief aanbod. In het vierde lid is bepaald over welke elementen het college in het kader van zijn inkoop- of subsidierelatie met de jeugdhulpaanbieders afspraken moet maken. Deze afspraken dragen bij aan duidelijkheid over het beschikbare voorzieningenpakket. De kwaliteitseisen waaraan jeugdhulpaanbieders moeten voldoen die onder verantwoordelijkheid van het college werkzaamheden uitvoeren vloeien rechtstreeks voort uit de wet. Deze zijn daarom niet in de verordening opgenomen, maar moeten uiteraard wel in de contractuele afspraken worden opgenomen. HOOFDSTUK 3. TOEGANG TOT JEUGDHULPVOORZIENINGEN In het voorgaande hoofdstuk zijn de beschikbare vormen van jeugdhulp geregeld. In dit hoofdstuk worden de toegangsmogelijkheden tot jeugdhulp in het vrijwillig kader (nader) geregeld. Zoals in het algemeen deel van de toelichting is aangegeven wordt de toegang in het gedwongen kader, via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter, het Openbaar Ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting hier niet geregeld. Artikel 3.1 Toegang tot jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist, jeugdarts, gecertificeerde instelling Eerste lid Naast de gemeentelijk georganiseerde toegang tot jeugdhulp (zie hierna), bestaat ook de directe verwijzingsmogelijkheid door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar de jeugdhulp (artikel 2.6, eerste lid, onder e, van de wet). Dit laatste geldt zowel voor de vrij-toegankelijke (overige) voorzieningen als de niet vrij-toegankelijke (individuele) voorzieningen. Met een dergelijke verwijzing kan de jeugdige rechtstreeks aankloppen bij de jeugdhulpaanbieder. Deze toegang is ook mogelijk via een gecertificeerde instelling (GI), al hebben de GI’s een wettelijke verplichting om af te stemmen met de gemeente voordat er jeugdhulp ingezet wordt. Hier zijn regionaal (de 21 gemeenten) afspraken over gemaakt in een samenwerkingsprotocol. Tweede en derde lid Voor de toegang tot jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist, jeugdarts, gecertificeerde instelling is een medisch verwijsprotocol opgesteld. In dit protocol is uitgewerkt hoe de procedure verloopt en welke (samenwerkings)afspraken er zijn gemaakt. In de regio Zuidoost-Brabant is de tandemfunctie opgenomen in het protocol. Deze spitst zich toe op de gecertificeerde instellingen. Deze tandemfunctie houdt in dat als een jeugdige die onder de verantwoordelijkheid van een gecertificeerde instelling valt jeugdhulp nodig heeft, dat de instelling met het lokale team van de gemeente moet overleggen alvorens de instelling een jeugdbepaling afgeeft. De instelling bepaalt dat er jeugdhulp nodig is en welke behandelvorm er nodig is, maar de gemeente mag hierop regie houden. Dit geldt ook als de instelling een verwijzing wil maken naar een zorgaanbieder die niet gecontracteerd is. Het lokaal team toetst dan eerst of er alternatieven zijn binnen het gecontracteerde aanbod, voordat een jeugdbepaling wordt goedgekeurd. Vierde en vijfde lid De huisarts, medisch specialist en jeugdarts moeten in beginsel verwijzen naar een door de gemeente gecontracteerde jeugdhulpaanbieder. Als de jeugdige of zijn ouders na een verwijzing door de huisarts kiezen voor een aanbieder van jeugdhulp die geen contract of subsidierelatie met de gemeente heeft, en de gemeente soortgelijke jeugdhulp wel kan laten leveren door een jeugdhulpaanbieder waarmee zij een contract of subsidierelatie heeft, is de gemeente niet gehouden de andere keuze te vergoeden (Kamerstukken II 2013/14, 33 684, nr. 3, p. 149). De gemeente bepaalt bij de medische verwijsroute niet welke jeugdhulp moet worden geleverd, maar heeft wel de regie over wie de jeugdhulp verleent (Rb. Oost-Brabant 26 maart 2020, ECLI:NL:RBOBR:2020:1761). De verordening sluit vergoeding van deze kosten in een dergelijke situatie dan ook uit. De jeugdige of zijn ouders kunnen in een situatie als deze wel een pgb aanvragen. Het college zal deze aanvraag dan beoordelen op basis van de aan de verkrijging van een pgb gestelde voorwaarden (zie hoofdstuk 5). Van dit uitgangspunt kan enkel worden afgeweken als het college heeft ingestemd met de levering van de jeugdhulp door een aanbieder die niet is gecontracteerd of gesubsidieerd. Deze instemming dient voorafgaand aan de zorgverlening schriftelijk te worden verkregen. De gemeente betaalt dan de aanbieder. De instemming van het college is geen automatisme. Er zal sprake moeten zijn van een bijzondere situatie die dit rechtvaardigt en waarbij de jeugdige of zijn ouders geen gebruik kunnen maken van een pgb. Zesde lid In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder (bijvoorbeeld de jeugdpsychiater, de gezinswerker of de orthopedagoog) zijn die na de verwijzing (stap 1) beoordeelt welke jeugdhulp precies nodig is. Deze bepaalt in overleg met de jeugdige of zijn ouders daadwerkelijk de concrete inhoud, vorm, omvang en duur van de benodigde jeugdhulp. Deze aanbieder stelt dus feitelijk vast wat naar zijn oordeel de inhoud van de benodigde voorziening dient te zijn en hij zal zijn oordeel mede baseren op de protocollen en richtlijnen die voor een professional de basis van zijn handelen vormen (stap 2). Op grond van het eerste lid zorgt het college voor de inzet van deze jeugdhulp. Het vierde lid bepaalt dat de jeugdhulpaanbieder daarbij wel gehouden is aan hetgeen volgt uit de contract- of subsidierelatie met de gemeente. Ook is hij gehouden aan hetgeen volgt uit deze verordening. Dit betekent concreet dat hij zich onder meer houdt aan het beoordelingskader dat in artikel 4.1 is voorgeschreven en dat het stappenplan van de CRvB volgt. Ook dient hij zich in beginsel te beperken tot de inzet van individuele voorzieningen die in artikel 2.1 zijn opgesomd. Zie ook de algemene toelichting en de toelichting bij artikel 2.1. Aldus legt de verordening een koppeling tussen de beschikbare vormen van individuele voorzieningen en de toegang via de medische verwijsroute. Artikel 3.2 Toegang tot jeugdhulp via de gemeente Deze en volgende bepalingen regelen de toegang tot jeugdhulp via de gemeente. Dit artikel regelt in algemene zin het toegangs- en besluitvormingsproces en de daaraan verbonden beslistermijnen. De CRvB heeft geoordeeld dat de toegang tot jeugdhulp via de gemeente onderverdeeld kan worden in verschillende “stappen” (CRvB 1 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1477). Die stappen zijn in dit artikel en in artikel 4.1 verdisconteerd en zijn opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen. Het college is daarbij verantwoordelijk voor de inzet van de noodzakelijke voorzieningen op het gebied van jeugdhulp en bevoegd om de toegang tot jeugdhulp te verlenen op grond van de wet. In de praktijk zal het college de beslissing over het inzetten van jeugdhulp niet altijd zelf uitvoeren, maar mandateren aan deskundigen. In gemeente Son en Breugel ligt dit mandaat bij de medewerkers Toegang en de consulenten van het Centrum Maatschappelijke Deelname (CMD). Eerste tot en met vierde lid Jeugdigen en ouders kunnen bij het college terecht met hun hulpvraag. Terecht kunnen betekent ook dat zij geholpen worden bij het vaststellen wat de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouders is. Het college is (mede)verantwoordelijk voor het verkennen of verhelderen van de hulpvraag. Dat kan door het voeren van een of meer gesprekken. Hierbij wordt overeenkomstig de jurisprudentie een zekere medewerking van de jeugdige of de ouders verlangd (CRvB 16 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:276). Vijfde lid Vervolgens wordt op basis van een (geconcretiseerde) aanvraag een besluit genomen op de aanvraag, in overeenstemming met de Awb en de in de wet en de verordening opgenomen beoordelingskaders. Als de jeugdige of zijn ouders een pgb wensen dan zullen zij daartoe in het kader van de aanvraag ook een pgb-plan in moeten dienen. Zesde lid In beginsel wordt in algemene zin acht weken redelijk geacht om een besluit te nemen. Dit volgt uit de Awb. Hiervan zou afgeweken kunnen worden, omdat gezinnen de mogelijkheid krijgen om een familiegroepsplan aan te leveren, voordat het onderzoek bij de gemeente start. Hierdoor kan worden afgeweken van de gestelde beslistermijn in de Awb. Echter kiest gemeente Son en Breugel ervoor om niet af te wijken en een beslistermijn van acht weken aan te houden. De reden hiervoor is dat in de praktijk het familiegroepsplan zeer zelden wordt aangeleverd vooraf aan het onderzoek. In het geval dat een gezin toch hiervoor kiest, kan dit tijdens het onderzoek worden meegenomen. Zevende lid Het college is verantwoordelijk voor de inzet van de noodzakelijke voorzieningen op het gebied van jeugdhulp. Een individuele voorziening wordt altijd toegekend (of afgewezen) op basis van een beschikking. Deze verplichting vloeit ook voort uit de Awb. Achtste lid Deze bepaling regelt de toeleiding naar jeugdhulp in spoedsituaties of crisissituaties. In gevallen waar onmiddellijke start van de hulp nodig is (en het besluit niet kan worden afgewacht) kan het besluit tot inzet van een individuele voorziening genomen worden na de daadwerkelijke start van de hulp. Het besluit tot inzetten van de hulp moet vervolgens binnen 4 weken na de start van de hulp zijn vastgelegd in een beschikking. HOOFDSTUK 4. BEHANDELING VAN EEN AANVRAAG OM EEN INDIVIDUELE VOORZIENING; ONDERZOEK EN BESLUITVORMING VIA DE GEMEENTE Artikel 4.1 Gesprek en onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren Eerste lid Voor een zorgvuldig te nemen besluit is het van belang dat alle relevante feiten en omstandigheden van de specifieke hulpvraag worden onderzocht. Daarbij is het van belang dat het onderzoek in samenspraak met de jeugdige en zijn ouders dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger wordt verricht. Voor een zorgvuldig onderzoek is veelal persoonlijk contact nodig om een goed beeld van de jeugdige en zijn ouders en de gezinssituatie te krijgen. Het ligt daarom ook voor de hand dat er één of meerdere gesprekken gevoerd worden met de jeugdige en zijn ouders dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger. Tweede lid Op grond van artikel 2.5, van de wet informeert het college jeugdigen, ouders en pleegouders tijdig over de mogelijkheid om gebruik te maken van een vertrouwenspersoon. Ter verduidelijking van deze tijdige informatieverplichting is deze verplichting in het tweede lid opgenomen. Op grond van artikel 4.1.1, van het Besluit Jeugdwet heeft de informatie die het college verstrekt over de mogelijkheid gebruik te maken van de diensten van een vertrouwenspersoon in ieder geval betrekking op: de onafhankelijke rol van de vertrouwenspersoon; de aard van de ondersteuning door een vertrouwenspersoon; de vertrouwelijkheid van die ondersteuning; het feit dat de ondersteuning kosteloos is; en de bereikbaarheid en beschikbaarheid van de vertrouwenspersoon. Op grond van artikel 2.2.4, van de Wmo 2015, stelt het college onafhankelijke cliëntondersteuning beschikbaar. Op grond van artikel 2.3.2, derde lid, van de Wmo 2015, wijst het college op de mogelijkheid om hier gebruik van te maken. Deze cliëntondersteuning beperkt zich niet tot de Wmo 2015, maar strekt zich onder andere ook uit tot de wet. Daarom is in het tweede lid, ter verduidelijking, deze informatieverplichting opgenomen. Derde lid Ouders hebben het recht een zelf (al dan niet met ondersteuning) opgesteld familiegroepsplan in te dienen. Het college betrekt dit plan bij zijn onderzoek. Om dit mogelijk te maken is er een termijn van twee weken gesteld om een familiegroepsplan in te dienen bij het college. Ouders kunnen om een langere termijn verzoeken als zij instemmen met het aanhouden van de beslistermijn gedurende de extra tijd die zij nodig hebben om het familiegroepsplan bij het college in te dienen. Als de jeugdige of zijn ouder(
  90. s)een familiegroepsplan aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek. Bij het onderzoek wordt ook de jeugdige zoveel mogelijk betrokken en gehoord. Hiermee wordt artikel 12, van het Verdrag inzake de rechten van het kind in acht genomen. Op grond van de Wet geneeskundige behandelingsovereenkomst mogen jeugdigen vanaf 16 jaar over de eigen behandeling een beslissing nemen en is het mede afhankelijk van de wens van de jongere of de ouders al dan niet geïnformeerd mogen worden door de behandelaar. Vijfde t/m dertiende lid De wet schept een jeugdhulpplicht voor gemeenten, maar die geldt alleen als de jeugdige en zijn ouders er zelf niet uitkomen. De jeugdhulp is bedoeld om de eigen kracht van de jeugdige en zijn ouders te versterken en om het gezin en andere mensen die dichtbij de jeugdige staan te leren om de jeugdige (nog) beter te helpen en te verzorgen, zodat de jeugdige gezond en veilig op kan groeien en zo goed mogelijk mee kan doen in de maatschappij (CRvB 1 mei 2017, ECLI:NL:2017:1477, rov. 4.3.1.). Een zorgvuldig onderzoek vereist het achtereenvolgens doorlopen van de volgende stappen: Stap 1 - inventariseer de vraag Wat is de jeugdhulpvraag van de jeugdige of zijn ouders? In dit verband moet opgemerkt worden dat uit artikel 1.1, van de wet voortvloeit dat jeugdhulp niet alleen de hulp aan de jeugdige is, maar ook dat de ouder zelf in aanmerking kan komen voor jeugdhulp. Hierbij wordt ook nadrukkelijk gekeken naar hoe de situatie is ontstaan waarom de jeugdige of zijn ouders nu een beroep doen op de gemeente. Stap 2 - breng de onderliggende problematiek minutieus in kaart en leg dat vast Welke opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen zijn er? Bij deze stap in het onderzoek wordt nadrukkelijk ook beoogd om de oorzaken van de waargenomen problematiek in de context van de systeem- en gezinsdynamiek in kaart te brengen. Stap 3 - stel de aard en de omvang van de noodzakelijke hulp vast De vraag of hulp noodzakelijk is en zo ja, met welke omvang moet, met inachtneming van de bevindingen uit de eerste twee stappen, worden beantwoord op een wijze die rekening houdt met de leeftijd en het ontwikkelingsniveau van de jeugdige, alsmede (zoveel mogelijk) met de godsdienstige gezindheid, levensovertuiging en culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders, met als doelstelling dat de jeugdige gezond en veilig kan opgroeien, dat hij kan groeien naar zelfstandigheid en dat hij voldoende zelfredzaam kan zijn en maatschappelijk kan participeren. Stap 4 - kijk wat de discrepantie tussen noodzaak en eigen kracht is Onderzoek naar de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(
  91. s)en van het sociale netwerk en of de op basis van de eerste drie stappen als noodzakelijk bepaalde hulp hiermee al dan niet volledig kan worden ondervangen. Anders gezegd: het bepalen van de mate waarin de eigen kracht toereikend is. De stappen 1 tot en met 3 bouwen als het ware de jeugdhulpplicht eerst op tot een bepaald maximum. Stap 4 verkleint deze vervolgens weer, eventueel zelfs tot nul. Stap 5 - stel vast welke voorziening de geconstateerde discrepantie adequaat oplost Het is deze discrepantie tussen zorgvuldig geïnventariseerde noodzaak en eigen kracht die uiteindelijk de jeugdhulpplicht concretiseert, welke op het college rust. Ten aanzien van de afstemmingsplicht in lid 5 onderdeel g valt te denken aan een voorziening die een jeugdige ontvangt op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015), Wet langdurige zorg (hierna: Wlz) of de Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) en een voorziening op het gebied van passend onderwijs (artikel 27 e.v.). Veertiende lid Het is mogelijk dat een jeugdige of zijn ouders, na het indienen van de aanvraag tot de conclusie komt dat een (verder) onderzoek niet nodig is. Bijvoorbeeld omdat de jeugdige of zijn ouders zelf een oplossing heeft gevonden, of geholpen is met een algemene voorziening. Zij kunnen in dat geval hun aanvraag intrekken, waardoor het college geen besluit meer hoeft te nemen. Om misverstanden te voorkomen wordt dit schriftelijk bevestigd door het college. Artikel 4.2 Deskundig oordeel, advies en voorbereiding van de besluitvorming Het college is op grond van artikel, 2.3 eerste lid, van de wet verantwoordelijk voor het waarborgen van een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen jeugdhulpvoorziening. Voor iedere stap in artikel 4.1 geldt dat het college de deskundigheid inzet die nodig is om de stap goed af te kunnen ronden. Ook kan (medisch) advies worden ingezet om bepaalde medische stukken te laten beoordelen. Als dit noodzakelijk is voor het onderzoek, zal de jeugdige of zijn ouder(
  92. s)hieraan mee moeten werken, omdat anders niet vastgesteld kan worden hoe een hulpvraag opgelost kan worden. De verschillende stadia van onderzoek vragen op die stadia aangepaste deskundigheid. In artikel 2.1, van het Besluit Jeugdwet is nader uitgewerkt dat het gaat om relevante deskundigheid met betrekking tot: opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen; opvoedingssituaties waardoor jeugdigen mogelijk in hun ontwikkeling worden bedreigd; taal- en leerproblemen; somatische aandoeningen; lichamelijke of verstandelijke beperkingen; en kindermishandeling en huiselijk geweld. Het college moet ervoor zorgen dat die deskundigheid gewaarborgd is en dat deze naar discipline van deskundigheid concreet kenbaar is voor de hulpvrager. De rechtspraak over de wet vereist dat adviseurs beschikken over de voor het uitbrengen van hun adviezen noodzakelijke deskundigheid en dat dit vereiste wordt vastgelegd in de verordening (CRvB 29 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1097, rov. 4.9 (slot)). Daartoe bepaalt artikel 4.2, tweede lid, van de verordening dat adviezen worden uitgebracht door of onder verantwoordelijkheid van een adviseur die beschikt over een registratie bij Stichting Kwaliteitsregister Jeugd in het kwaliteitsregister jeugd, een registratie bij het Nederlands Instituut van Psychologen in het register Kinder- en Jeugdpsychologen, of een registratie op grond van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in het BIG-register. Daarmee is vastgesteld welke vakbekwaamheid van hen verwacht mag worden en is gezekerd dat de (eindverantwoordelijke) adviseur zich toetsbaar opstelt. Geregistreerden in de betreffende registers vallen namelijk onder het tuchtrecht. Het derde lid waarborgt de zorgvuldige voorbereiding van besluiten over de toekenning of afwijzing van jeugdhulp, door te bepalen dat (medewerkers van) de organisatie die de jeugdhulp uitvoert, niet ook adviseert en/of besluit over het al dan niet toekennen van jeugdhulp (vergelijk CRvB 29 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1096, rov. 4.11). Daarnaast blijft het college – in het kader van een zorgvuldige voorbereiding van het besluit – ook altijd verplicht om zich ervan te vergewissen of het advies concludent is, dat wil zeggen of inzichtelijk is op grond van welke vormen van onderzoek en op basis van welke gegevens de adviseur tot zijn bevindingen is gekomen, of de gegevens actueel en betrouwbaar zijn, of het onderzoek volledig is geweest en met de juiste deskundigheid is uitgevoerd en of de uit het onderzoek getrokken conclusies logisch voortvloeien uit het onderzoek. Artikel 4.3 Identificatie Het college is verplicht de identiteit vast te stellen van de jeugdige en zijn ouders. Dit is noodzakelijk ten behoeve van het vast te stellen van de rechtmatigheid: komt de eventuele inzet van jeugdhulp bij de juiste persoon terecht. Deze bepaling voorziet hierin. Artikel 4.4 Onderzoeksverslag In het kader van het onderzoek naar aanleiding van een hulpvraag, vindt een gesprek plaats. De bevindingen van het onderzoek en hetgeen in het gesprek aan de orde is gekomen, worden vastgelegd in een onderzoeksverslag. De jeugdige en zijn ouders krijgen daarbij de gelegenheid om eventuele opmerkingen of aanvullingen aan dit verslag toe te voegen, voordat het college dit verslag gebruikt als basis voor haar besluitvorming. Vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid vergewist het college zich ervan dat de jeugdige en diens ouders de uitleg over de uitkomsten van het onderzoek, zoals neergelegd in het verslag, hebben begrepen. De voorwaarde van ondertekening en terugsturen van het verslag ziet op het compleet maken van de aanvraag. De ondertekening is immers een vormvoorschrift voor die aanvraag (artikel 4:2, eerste lid, van de Awb). Daarnaast moet ook duidelijk zijn wat er precies wordt aangevraagd, de aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd (artikel 4:2, eerste lid, onder c, van de Awb). De oorspronkelijke hulpvraag hoeft immers niet hetzelfde te zijn als de jeugdhulpvoorziening die uiteindelijk nodig is en wordt aangevraagd. Het is ook mogelijk dat de jeugdige of zijn ouders het niet eens zijn met de uitkomsten van het onderzoek van het college en vinden dat zij wel zijn aangewezen op een individuele voorziening, of dat zij vinden dat zij een andere individuele voorziening nodig hebben dan de individuele voorziening die het college op basis van het onderzoek aangewezen acht. De jeugdige en zijn ouders doen dan een afwijkende aanvraag, die schriftelijk voldoende concreet moet zijn voor het college om een besluit op te kunnen nemen. Het zesde lid stelt buiten twijfel dat ondertekening van het verslag ook nodig is als het college en (de ouders of wettelijk vertegenwoordiger van) de jeugdige het erover eens zijn dat de hulpvraag kan worden opgelost op eigen kracht, door het sociaal netwerk, door een andere voorziening of overige voorziening. In dat geval wordt de aanvraag niet verder doorgezet. De hulpvraag is namelijk opgelost en een individuele voorziening is niet nodig. Het verslag dient hier als weergave van het onderzoek en daarmee is de hulpvraag opgelost. Het ondertekende verslag geldt dan, voor zover er een aanvraag ligt, als intrekking van de aanvraag om een individuele voorziening, zodat het college op grond van de Awb ook niet langer gehouden is een besluit te nemen. Artikel 4.6 Criteria voor toekenning van een individuele voorziening In artikel 2.9, aanhef en onder a, van de wet is onder meer bepaald dat de raad bij verordening regels moet stellen over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige voorzieningen, met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening. Daaraan is onder andere in dit artikel uitvoering gegeven, met de kanttekening dat het bij het verstrekken van een individuele voorziening altijd op maatwerk aankomt. Eerste lid Het eerste lid bevat de algemene beoordelingscriteria om in aanmerking te komen voor een individuele voorziening op grond van de wet. Deze criteria worden in volgende leden en artikelen verder uitgewerkt. Tweede lid Jeugdhulp is in artikel 1.1, van de wet gedefinieerd (zie ook de toelichting bij artikel 1). Met deze definitie wordt de taak van de gemeente in algemene zin afgebakend. Niet alle hulp en zorg, bevordering van deelname aan het maatschappelijk verkeer en ondersteuning bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging ten behoeve van een jeugdige valt onder de definitie van jeugdhulp. Om onder jeugdhulp te vallen moet er een psychisch probleem of stoornis, psychosociaal probleem, gedragsprobleem of beperking aan de behoefte ten grondslag liggen. Deze bepaling maakt duidelijk dat de gemeente niet verantwoordelijk is voor het bieden van hulp en ondersteuning op grond van de wet als de noodzaak van die hulp en ondersteuning van de jeugdige past bij het normale ontwikkelingspatroon van die jeugdige, gezien zijn leeftijd. Dit betekent dat er bijvoorbeeld geen individuele voorziening voor het voeden van een baby wordt verstrekt. Om te bepalen welke hulp en ondersteuning niet geboden hoeft te worden vindt een beoordeling plaats op basis van de uitgangspunten voor gebruikelijke zorg uit hoofdstuk 4 van de Beleidsregels indicatiestelling Wlz 2024 zoals deze luidden op 1 januari 2024. Derde en vierde lid Inzet van een individuele voorziening vormt een laatste vangnet. Eerst wordt gekeken naar de mogelijkheid om de noodzaak voor de inzet van jeugdhulp te verminderen of weg te nemen met een andere of overige voorziening. Voorwaarde is wel dat deze voorziening daadwerkelijk beschikbaar is en passend en toereikend is voor de hulpvraag. Een andere of overige voorziening waarvoor bijvoorbeeld een wachtlijst geldt terwijl de hulp aan de jeugdige niet kan wachten, is geen voorziening die aan deze criteria voldoet. Omgekeerd, als de jeugdige wel even kan wachten voordat hij daadwerkelijk van de voorziening gebruik kan maken, dan voldoet de voorziening wel aan deze criteria. Als er wel een individuele voorziening nodig is, dan kiest het college de goedkoopst adequate voorziening. Ook dan is van belang dat de jeugdige hier voor hem tijdig gebruik van kan maken. Dit betreft een individuele beoordeling van de situatie van de jeugdige en het gezin. Vijfde en zesde lid Het vijfde en zesde lid sluiten aan bij de rechtspraak waarin is geoordeeld dat een individuele voorziening waarvan de effectiviteit niet wetenschappelijk is bewezen, door het college geweigerd kan worden indien deze geen toegevoegde waarde heeft ten opzichte van beschikbare voorzieningen (bijv. CRvB 12 september 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2785 en CRvB 26 januari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:254). Het college zal bij de weigering van een individuele voorziening waarvan de effectiviteit niet wetenschappelijk is bewezen moeten motiveren waarom in die specifieke situatie een andere oplossing passender of eveneens passend is. Bij toepassing van deze bepaling kan het college gebruik maken van de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut (https://www.nji.nl/interventies) , de zorgstandaarden van de GGZ Standaarden (https://www.ggzstandaarden.nl/), de databank voor interventies gericht op jeugdigen met een beperking (databank interventies gehandicaptenzorg). Het college kan in beleid regelen welke vormen van jeugdhulp zij aantoonbaar niet effectief acht. Het college kan daarbij gebruik maken van de door de praktijk opgestelde zogenaamde ‘niet doen-lijst’ die in het kader van de Hervormingsagenda Jeugd zal worden gepubliceerd. Zevende en achtste lid Een opgave van de Hervormingsagenda Jeugd 2023-2028 is dat de jeugdhulp beschikbaar moet zijn voor jeugdigen en gezinnen in de meest kwetsbare situaties. Er is geconstateerd dat deze groep nu onvoldoende passende jeugdhulp ontvangt. De Hervormingsagenda presenteert als onderdeel van de oplossing dat het voor jeugdigen en hun ouders helder moet zijn waarvoor ze in het kader van jeugdhulp bij de overheid terecht kunnen en waarvoor niet. Niet elke hulpvraag behoeft een zorgantwoord. Het moet duidelijker worden wat jeugdhulp precies inhoudt en wat binnen de huidige wettelijke kaders onder jeugdhulp moet vallen en wat niet. In deze bepaling wordt als uitgangspunt genomen dat de gemeente op basis van de wet louter aan zet is als er sprake is van een hulpvraag als bedoeld in de wet. Als er problemen zijn binnen een gezin, die met name bij de ouders liggen, zonder dat er een hulpvraag is vanuit het kind, is er geen verplichting om jeugdhulp te verstrekken. Hierbij kan worden gedacht aan de situatie waarin ouders zich in een vechtscheiding bevinden en niet bereid zijn hun eigen gedrag aan te passen ten behoeve van de jeugdige, of geldproblemen binnen het gezin die direct effect hebben op de jeugdige en waar ouders via een andere weg dan de jeugdhulp deze geldproblemen kunnen verminderen. In die situatie is jeugdhulp mogelijk minder doelmatig dan een alternatieve optie zoals lotgenotencontact (bij een vechtscheiding) of schuldhulpverlening bij geldproblemen. In het achtste lid wordt dit uitgangspunt genuanceerd in die zin dat indien er sprake is van meervoudige problematiek in de context van het kind en gezin, en binnen die problematiek speelt ook een hulpvraag, de gemeente op grond van de wet dan wel verplicht is jeugdhulp te verstrekken. Deze bepalingen dwingen het college om bij problemen in de context van het gezin niet als automatisme jeugdhulp te verstrekken, maar om zich goed af te vragen of er daadwerkelijk sprake is van een hulpvraag en er sprake is van een jeugdhulpplicht. Artikel 4.7 Beoordeling eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen Algemeen Artikel 2.3, van de wet legt als uitgangspunt vast dat het college op grond van de wet alleen een voorziening moet treffen als de jeugdige en zijn ouders er op eigen kracht niet uitkomen. De eigen kracht van de jeugdige en zijn ouders staat voorop. Pas als zij zelf – zo nodig met hulp van het sociale netwerk en/of andere hulpverlenende instellingen – niet in staat zijn de noodzakelijke hulp te bieden, moet de gemeente hulp bieden. Dit uitgangspunt wordt in artikel 4.7 geconcretiseerd. De verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen ligt allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf. Van ouders mag worden verwacht dat zij de nodige aanpassingen doen om de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen te realiseren. Dat kan betekenen dat zij hun eigen loopbaanplannen, de wijze waarop zij hun betaalde arbeid hebben georganiseerd of hun financiële situatie moeten bijstellen om voor het kind beschikbaar te zijn en de noodzakelijke hulp te bieden. Als uit zorgvuldig uitgevoerd onderzoek blijkt dat de noodzakelijke hulp met eigen mogelijkheden en het eigen probleemoplossend vermogen kan worden geboden, hoeft het college geen voorziening te treffen. Ouders behoren de tot hun gezin behorende minderjarige kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht op hen te houden, ook als het kind een ziekte, aandoening of beperking heeft. Ook bovengebruikelijke hulp kan in beginsel van ouders worden verwacht, zo blijkt uit rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep. Deze oordeelde dat de ouder, die haar baan had opgezegd in verband met de zorg voor haar kind, de zorg aankon en verleende en het dus van haar mocht worden verwacht. Er was sprake van voldoende eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (CRvB 17 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2362). De in de wet bedoelde maatstaven eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen van de ouder(
  93. s)bieden geen ruimte voor een beoordeling van de financiële draagkracht van een gezin om zelf jeugdhulp te kunnen verlenen (CRVB 26 mei 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1326). Dit laat onverlet dat het belang van de ouders om te voorzien in een inkomen wel door de Centrale Raad in de beoordeling wordt betrokken. Bij gescheiden ouders geldt als uitgangspunt dat beide ouders met gezag verantwoordelijk zijn voor het bieden van ondersteuning. Ook stiefouders zijn verantwoordelijk voor het bieden van ondersteuning aan tot het gezin behorende (stief)kinderen. Ook uit de parlementaire geschiedenis bij artikel 2.3, van de wet volgt dat het college alleen gehouden is een voorziening te treffen als de jeugdige en zijn ouders er op eigen kracht niet uitkomen. De eigen kracht van de jeugdige en zijn ouders staat voorop. Pas als zij er zelf niet uitkomen, moet de gemeente hulp bieden. De wetgever formuleert het als volgt: “(…) Allereerst is het college niet gehouden om voor een jeugdige of zijn ouders een voorziening op het gebied van jeugdhulp te treffen voor zover de jeugdige en zijn ouders de problemen zelf het hoofd kunnen bieden, eventueel met behulp van personen uit het sociale netwerk of andere instellingen die ondersteuning bieden. Om dit buiten twijfel te stellen is in het eerste lid opgenomen dat een gemeente alleen een voorziening hoeft te treffen voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en zijn ouder ontoereikend zijn. Dit zou ook strijdig zijn met het uitgangspunten van artikel 2.1, waarbij ervan uit wordt gegaan dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt en waarin tot uitdrukking komt dat moet worden uitgegaan van de eigen kracht van de jeugdige, zijn ouders en het sociale netwerk. Hierbij past een actieve rol van de ouders en het kind om in eerste instantie te trachten de op hun weg komende problemen zelf of met behulp van hun eigen netwerk op lossen. (…) Als de jeugdige en zijn ouders zelf mogelijkheden hebben om de problemen op te lossen of het hoofd te bieden, is een voorziening niet nodig (…)” (Kamerstukken II, 2012/13, 33 684, nr. 3, p. 135-136). Eerste lid Het eerste lid van artikel 4.7 geeft invulling aan de hiervoor geformuleerde uitgangspunten. Daarbij wordt een ruime beoordelingsruimte aan het college toegekend. Het college maakt in de individuele situatie een beoordeling van de mogelijkheden en neemt daarbij de geformuleerde uitgangspunten als basis. Tweede lid Het tweede lid geeft nader invulling aan welke personen tot het sociale netwerk van de jeugdige of zijn ouders gerekend worden. Het college zal concreet moeten beoordelen welke hulp zij kunnen bieden, waardoor er geen of in mindere mate een beroep gedaan hoeft te worden op een individuele voorziening. De jeugdige en de ouder(
  94. s)verlenen, op grond van hun medewerkingsplicht, medewerking aan dit onderzoek. Derde lid Het derde lid bevat een concrete plicht van ouders om hun eigen mogelijkheden eerst te benutten. Op het moment dat ouders een aanvullende verzekering hebben afgesloten op basis waarvan zij (al da

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.