Verstrekkingenboek Maatschappelijke Ondersteuning Gemeente WestlandDe gemeente stelt het Verstrekkingenboek Maatschappelijke Ondersteuning Gemeente Westland vast. Hoofdstuk1.Vorm van de te verstrekken voorzieningen 1.1 Verschillende wijzen om voorzieningen te verstrekken. Artikel 6 van de Wmo bepaalt het volgende: " Het college van burgemeester en wethouders biedt personen die aanspraak hebben op een individuele voorziening de keuze tussen het ontvangen van een voorziening in natura of het ontvangen van een hiermee vergelijkbaar persoonsgebonden budget, tenzij hiertegen overwegende bezwaren bestaan." Gevolg van deze regel is dat er drie vormen van verstrekking van individuele voorzieningen mogelijk zijn: · Natura · Persoonsgebonden budget · Financiële tegemoetkoming Allereerst is er de voorziening in natura. Dat wil zeggen dat de gemeente de aanvrager een voorziening verstrekt die hij of zij kant-en-klaar krijgt. De voorziening wordt verstrekt. Artikel 6 Wmo bepaalt dat er een verplicht alternatief voor een voorziening in natura geboden moet worden en wel in de vorm van een persoonsgebonden budget. Dat is de tweede vorm van verstrekking. En de derde vorm van verstrekking is de financiële tegemoetkoming, zo blijkt uit artikel 7, lid 2 Wmo: "Een persoonsgebonden budget en een financiële tegemoetkoming voor een bouwkundige of woontechnische ingreep in of aan een woonruimte wordt verleend aan de eigenaar van de woonruimte. Artikel 6 is van overeenkomstige toepassing." In relatie tot bouwkundige woonvoorzieningen wordt - in navolging van de Wvg - de verplichting opgelegd om een financiële tegemoetkoming uit te betalen aan de eigenaar van de woning. Een dergelijke financiële tegemoetkoming kan alleen al om die reden in sommige situaties geen persoonsgebonden budget genoemd worden. Ook zal soms een financiële tegemoetkoming verstrekt worden als het gaat om een taxi- of een rolstoeltaxikostenvergoeding die op declaratiebasis wordt verstrekt. Het persoonsgebonden budget. Artikel 2.1 van de verordening bepaalt: "De persoon die aanspraak heeft op een individuele voorziening heeft de keuze tussen een voorziening in natura, een financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget." Dit artikel is een uitwerking van artikel 6 Wmo. In de parlementaire behandeling van de Wmo is aangegeven dat er uitzonderingen mogelijk zijn, met name als het gaat om personen waarvan verwacht kan worden dat zij niet met het beschikbare geld kunnen omgaan. Of er andere redenen zullen zijn waarom het toekennen van een persoonsgebonden budget geweigerd moet worden is op dit moment nog niet te overzien. In de uitvoering zal duidelijk worden of er ook andere situaties zijn waarin weigering op zijn plaats is. Deze nieuwe situaties zullen later toegevoegd worden. Artikel 2.2 van de verordening geeft een tweetal opties voor het van toepassing verklaren van een bruikleenovereenkomst, een huurovereenkomst of een dienstverleningsovereenkomst. De mogelijkheden zijn dat er een overeenkomst wordt afgesloten tussen de leverancier en de aanvrager en tussen de gemeente en de aanvrager. In deze overeenkomst worden de rechten en verplichtingen van de aanvrager en van de leverancier) 'indien van toepassing' vastgelegd. Artikel 2.4 van de verordening bepaalt de voorwaarden die van toepassing zijn op het persoonsgebonden budget. De eerste voorwaarde daarbij is dat een persoonsgebonden budget alleen verstrekt wordt ten aanzien van individuele voorzieningen. Dat betekent dat bij algemene voorzieningen geen persoonsgebonden budget verstrekt wordt. Dat vloeit ook voort uit de aard van de algemene voorzieningen: dat zijn immers oplossingen die van korte duur zijn, lichte, niet complexe zorg betreffen of betrekking hebben op incidentele zorgbehoeften. Om deze voorzieningen snel te realiseren worden geen eigen bijdragen gevraagd. Daarbij is er een alternatieve mogelijkheid: indien de aanvrager van mening is dat de algemene voorziening geen adequate oplossing is of een persoonsgebonden budget verstrekt moet worden, dan kan een aanvraag ingediend worden, of als al een aanvraag ingediend is, kan die volgens de reguliere regels van de Algemene wet bestuursrecht worden afgehandeld. De regels voor algemene voorzieningen zijn de volgende: · Het gaat om een voorziening die in tijd een korte duur heeft; · Het gaat om een voorziening die betrekking heeft op lichte, niet complexe zorg; · Of het gaat om een voorziening ten behoeve van een incidentele zorgbehoefte. Omvang van het persoonsgebonden budget. De omvang van het persoonsgebonden budget zal bepaald moeten worden. Hierbij worden twee mogelijkheden onderscheiden: Enerzijds het persoonsgebonden budget voor diensten, afkomstig uit de AWBZ, dat in de Wmo per 1 januari 2007 alleen maar betrekking heeft op hulp bij het huishouden, anderzijds het persoonsgebonden budget voor voorzieningen afkomstig uit de Wvg, zoals hulpmiddelen als woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelen. Bij diensten gaat het om de betaling van tijd aan dienstverleners. Dit is zorg afkomstig uit de AWBZ. De AWBZ kende al een dergelijk systeem van persoonsgebonden budgetten. Daarbij werd het persoonsgebonden budget vastgesteld op 75% van de tarieven zoals die berekend werden in de thuiszorg. Vanuit die tarieven werd het tarief voor de diverse functies bepaald. Diegenen die op basis van overgangsrecht op 31 december 2006 een indicatie hebben zullen ook in het jaar 2007 deze bedragen nog ontvangen zo lang als de indicatie duurt, doch maximaal tot en met 31 december 2007. Daarnaast vallen zij onder de gemeentelijke regels. In artikel 7.12 is aangegeven dat het PGB wordt vastgesteld op 75% van het bedrag per uur van de kosten in natura. Hiermede wordt dezelfde systematiek als in de Awbz gevolgd. In artikel 3.5 is bepaald dat het college deze bedragen per klasse jaarlijks vaststelt. Voor 2006 kunnen deze bedragen als volgt vastgesteld worden: Uurtarief Hulp bij het Huishouden 1-7-2006 € 22,90 (zie max.bedrag aanbesteding) 75% is € 17,175 per uur. Per klasse worden de volgende bedragen vastgesteld worden (systematiek Awbz) Klasse 1, 0 tot en met 1,9 uur per week = gemiddeld 1 uur x € 17,175 x 52 = € 833,00 per jaar Klasse 2, 2 tot en met 3,9 uur per week = gemiddeld 3 uur x € 17,175 x 52 = € 2.679,00 per jaar Klasse 3, 4 tot en met 6,9 uur per week = gemiddeld 5,5 uur x € 17,175 x 52 = € 4.912,00 per jaar Klasse 4, 7 tot en met 9,9 uur per week = gemiddeld 8,5 uur x € 17,175 x 52 = € 7691,00 per jaar Klasse 5, 10 tot en met 12,9 uur per week = gemiddeld 11,5 uur x € 17,175 x 52 = € 10.270,00 per jaar. Klasse 6, 13 tot en met 15,9 uur per week = gemiddeld 14,5 uur x € 17,175 x 52 = € 12.950,00 per jaar. Jaarlijks - dus per 1 januari 2007 voor het eerst - zullen deze bedragen aangepast worden aan de geldende tarieven. Uitbetaling persoonsgebonden budget. Als het persoonsgebonden budget berekend is, kan het bij beschikking aan de aanvrager worden bekendgemaakt. In deze beschikking wordt vermeld wat de omvang van het persoonsgebonden budget is en voor hoeveel jaar het persoonsgebonden budget bedoeld is. Om volstrekt duidelijk te laten zijn wat met het persoonsgebonden budget dient te worden aangeschaft en meer precies: aan welke vereisten de aan te schaffen voorziening dient te voldoen, wordt een zo nauwkeurig mogelijk omschreven program van eisen bij de beschikking gevoegd. Hierdoor wordt voorkomen dat door onduidelijkheid omtrent de eisen die aan de voorziening gesteld moeten worden een verkeerde voorziening wordt aangeschaft. Dat kan tot inadequate voorzieningen leiden, hetgeen op zich weer tot nieuwe aanvragen aanleiding zou kunnen zijn. Dit is uitsluitend te voorkomen door een program van eisen onderdeel uit te laten maken van de beschikking. Wordt dan toch een voorziening aangeschaft die niet aan dat program van eisen voldoet, dan is gehandeld in strijd met de beschikking. In de beschikking wordt ook opgenomen dat er een eigen bijdrage/eigen aandeel in de kosten verschuldigd is. Omdat die eigen bijdrage vastgesteld en geïnd wordt door het Centraal Administratie Kantoor (CAK), zal in de meeste gevallen uitsluitend een aankondiging opgenomen kunnen worden. Is de beschikking verzonden, dan wordt het persoonsgebonden budget beschikbaar gesteld. Dat kan in één keer, indien daar aanleiding voor is (een aan te schaffen voorziening zal ook in één keer betaald moeten worden), maar kan ook in termijnen, bijvoorbeeld bij een persoonsgebonden budget voor hulp bij het huishouden. Om de betaling overzichtelijk te houden wordt er voor gekozen dit persoonsgebonden budget per kwartaal of per half jaar beschikbaar te stellen. Daarbij zal er rekening mee worden gehouden dat bij betaling over een lange periode uitsluitend betaling achteraf problemen kan opleveren. Betaling per voorschot, of aan het begin van de periode, ligt dan voor de hand. De controle van het persoonsgebonden budget zal als volgt plaats vinden: Iedere budgethouder dient de volgende stukken te bewaren: de nota/factuur van de aangeschafte voorziening; een betalingsbewijs van aanschaf van de voorziening of een overzicht van de salarisadministratie met bewijsmiddelen Het college bepaalt steekproefsgewijs bij welke budgethouders deze stukken zullen worden opgevraagd om te controleren of het persoonsgebonden budget besteed is aan het doel waarvoor het verstrekt is. Is dat het geval, dan hoeft er verder niets te gebeuren. Is het persoonsgebonden budget anders besteed dan bedoeld, dan kan het persoonsgebonden budget geheel of gedeeltelijk teruggevorderd worden. Daarbij zal leidend zijn of er opzet in het spel is geweest, of dat sprake is geweest van onwetendheid. In die laatste situatie wordt overlegd hoe deze situatie in de toekomst vermeden dient te worden. Bij opzet moet afgewogen worden of terugvordering in verhouding staat tot wat er bewust onjuist is gedaan. Eigen bijdrage. Artikel 2.5 van de verordening bepaalt dat bij een te verstrekken persoonsgebonden budget een eigen bijdrage verschuldigd is. Deze eigen bijdrage wordt berekend door het Centraal Administratie Kantoor (CAK). Het CAK werkt met verzamelinkomens vanuit een peiljaar, welk jaar twee jaar voor het lopende jaar ligt. Dit is noodzakelijk om over de verzamelinkomens, die afkomstig zijn van de belastingdienst, te kunnen beschikken. In 2007 doet men aangifte over 2006, dus dat jaar is nog niet bekend. Vandaar dat het verzamelinkomen over 2005 in 2007 gebruikt wordt. Dit betekent dat er soms een voorlopige vaststelling zal plaatsvinden en achteraf een definitieve vaststelling.. De voorlopig vastgestelde eigen bijdrage wordt direct op het berekende persoonsgebonden budget in mindering gebracht. Hoofdstuk2.Woonvoorzieningen. Artikel 4 Wmo spreekt van: "a. een huishouden te voeren;", onder welke regel in de verordening zowel wordt verstaan de woonvoorziening als de hulp bij het huishouden. 2.1. Uitsluitingen Voor alles moeten worden bepaald of één van de uitsluitingen van artikel 4.3 van de verordening van toepassing is: "De bepalingen van hoofdstuk 4 zijn niet van toepassing op het treffen van voorzieningen aan hotels/pensions, trekkerswoonwagens, verzorgingstehuizen, vakantiewoningen, tweede woningen en kamerverhuur." Door dit artikel zijn enerzijds alle woonsituaties die niet gericht zijn op een permanent zelfstandig hoofdverblijf uitgesloten. Anderzijds zijn uitgesloten situaties waarbij gezien de aard van het soort gebouw verondersteld mag worden dat bepaalde voorzieningen standaard aanwezig zijn. Is er sprake van één van deze mogelijkheden dan is afwijzing op voorhand mogelijk. Primaat verhuizing. Artikel 4.4 regelt het primaat van de verhuizing. Dat wil zeggen dat als vast staat dat een aanpassing noodzakelijk is, eerst beoordeeld wordt of verhuizing naar een al geheel aangepaste woning, of verhuizing naar een goedkoper en gemakkelijker aan te passen woning een oplossing is die in aanmerking komt. In de Wvg-jurisprudentie is het hanteren van het primaat van de verhuizing geaccepteerd door de Centrale Raad van Beroep. Onder de Wmo zal dan ook van deze mogelijkheid gebruik worden gemaakt ter compensatie van woonproblemen. In feite gaat het bij het hanteren van het primaat van de verhuizing om een uitwerking van het principe dat wordt gekozen voor de goedkoopst-adequate oplossing. Er zijn echter wel grenzen aan het hanteren van het primaat van de verhuizing, met name op het gebied van de woonlasten, het tijdsbestek waarbinnen een oplossing kan/moet worden gevonden en de verhouding tussen de besparing van de gemeente bij toepassing van het primaat en de negatieve gevolgen voor de aanvrager. In alle gevallen dient een goed gemotiveerd besluit moeten worden genomen, waarin alle relevante factoren, in onderlinge samenhang bezien worden. Daarbij gaat het dus om factoren die spelen aan de kant van de gemeente en aan de kant van de belanghebbende. Als op verantwoorde wijze inhoud gegeven is aan toepassing van het primaat van de verhuizing, is daarmee een adequate oplossing geboden en heeft de gemeente aan haar compensatieverplichting voldaan. Het is niet mogelijk een uitputtend overzicht te geven van alle mogelijke afwegingsfactoren die een rol kunnen spelen, omdat elke situatie weer anders is. Wel wordt hieronder in grote lijnen een overzicht gegeven van een aantal vaak voorkomende factoren, die afhankelijk van de situatie, een rol kunnen spelen bij de besluitvorming. -De snelheid waarmee het probleem kan worden gecompenseerd. De snelheid waarmee het woonprobleem kan worden opgelost speelt een rol in het afwegingsproces. In een aantal gevallen kan verhuizen het woonprobleem sneller oplossen, als er snel een geschikte aangepaste of eenvoudig aan te passen woning beschikbaar is. Het hele traject van het maken van een plan, het vragen van offertes, de uitvoering en keuring vervalt dan of speelt een minder belangrijke rol. Omgekeerd kan het ook zo zijn dat het aanpassen van een woning een snellere oplossing biedt als er niet binnen een bepaalde tijd - niet ten minste binnen 9 maanden - een geschikte woning vrij komt. Uit de Wvg-jurisprudentie blijkt dat het essentieel is dat uit het indicatie-advies blijkt binnen welke medisch aanvaardbare termijn een oplossing gevonden moet zijn voor het woonprobleem. -Rekening houden met sociale factoren Sociale omstandigheden waarmee het college rekening houdt zijn bijvoorbeeld de voorkeur van de gehandicapte, de binding van de gehandicapte met de huidige woonomgeving, de nabijheid van voor de gehandicapte belangrijke voorzieningen. Ook de waardering van de aanwezigheid van vrienden, kennissen en familie in de nabijheid van de woning van de gehandicapte kan mede een rol spelen in het afwegingsproces, met name in situaties waarbij sprake is van mantelzorg. De sociale omstandigheden moeten in het indicatie-onderzoek zoveel mogelijk geobjectiveerd worden. De sociale factor zal minder zwaar wegen in het voordeel van aanpassen, als dicht in de buurt van de huidige woning een geschikte of goedkoper aan te passen woning kan worden gevonden. Als de beoogde nieuwe woning dicht bij belangrijke voorzieningen, zoals winkels en werkplek is gelegen, kan dat de beslissing in het voordeel van verhuizen beïnvloeden, bijvoorbeeld omdat dan ook minder vervoersvoorzieningen nodig zijn. Als de aanvrager zijn werk "aan huis" heeft (eigen bedrijf), dienen de consequenties van verhuizing ook vanuit de bedrijfsmatige kant meegewogen te worden. Het is immers mogelijk dat de vestiging van het bedrijf op een andere, in commercieel opzicht minder aantrekkelijke, locatie negatieve gevolgen voor het inkomen uit eigen bedrijf kan hebben. -Rekening houden met woonlasten enfinanciële draagkracht van de gehandicapte. Rekening houdend met eventuele mogelijkheden op het gebied, maakt het college een vergelijking tussen de woonlasten van de huidige en de mogelijke nieuwe woning. Alle relevante woonlasten moeten daarbij in aanmerking worden genomen. Als de aanvrager eigenaar van de woonruimte is, zal een verhuizing of woningaanpassing andere gevolgen met zich meebrengen dan wanneer deze de woning huurt. Het verhuizen vanuit een koopwoning heeft meer emotionele en financiële consequenties dan verhuizing vanuit een huurwoning. Bij het verkopen van een huis komen meer aspecten aan de orde dan bij het verlaten van een huurwoning. Een aantal aspecten zal pleiten voor het verkopen van de woning en verhuizen naar een huurwoning. Andere aspecten daarentegen zullen de balans naar het aanpassen van de eigen woning doen doorslaan. Een punt betreft de vraag in hoeverre vermogenswinsten of -verliezen optreden. Een eigenaar heeft doorgaans geld geleend en een recht van hypotheek op het huis gevestigd. Ook indien de aanvrager, al dan niet geheel op eigen kosten, veel aan de woning heeft verbeterd of aanpassingen heeft getroffen, ligt verhuizing soms minder voor de hand. Als de financiële situatie van een eigenaar van een woning, die gehandicapt raakt, door zijn handicap drastisch verandert (doorgaans brengt een handicap negatieve inkomensgevolgen met zich mee), kunnen moeilijkheden optreden met het opbrengen van de woonlasten van de eigen woning, en zal de aanvrager ook problemen hebben met verhuizen. -Vergelijking aanpassingskosten huidige versus nieuwe woonruimte Het college maakt een kostenafweging tussen het aanpassen van de huidige woonruimte enerzijds en verhuizen (inclusief eventuele aanpassingskosten in de nieuwe woonruimte) anderzijds. Daarbij worden de volgende kosten in elk geval meegenomen in de overwegingen: Huidige en voorzienbare toekomstige aanpassingskosten van de reeds bewoonde woonruimte; de kosten van het PGB voor verhuiskosten de eventuele aanpassingskosten van de nieuwe woning; kosten van het eventueel vrijmaken van de woning een eventuele financiële tegemoetkoming voor huurderving. De kosten zijn het uitgangspunt bij deze afweging, maar ook andere factoren kunnen een rol spelen. -De mogelijke gebruiksduur van de aanpassing. Er wordt ook rekening gehouden worden met het feit dat een aan te passen koopwoning naar alle waarschijnlijkheid minder makkelijk kans heeft om voor hergebruik in aanmerking te komen. Een revisiebeding, zoals bij huurwoningen, bestaat niet voor eigen woningen; de gemeente heeft geen instrument om de woning vrij te krijgen en het zal niet zo eenvoudig zijn om een geschikte kandidaat voor die woning te vinden, die zowel financieel als ergonomisch gezien geschikt is voor de betreffende woonruimte. Consequentie hiervan zal zijn dat eigen woningen meestal voor één enkele belanghebbende aangepast worden. Aanpassingen aan sociale huurwoningen zijn vaker opnieuw in te zetten dan aanpassingenaan koopwoningen, omdat deze huurwoningen opnieuw kunnen worden verhuurd aan personen met een beperking, waardoor de gebruiksduur van de aanpassing wordt verlengd. Dit speelt in de afweging dan ook een rol van belang. Ook de medische prognose speelt in dit verband een rol. Indien vaststaat dat iemands toestand naar verwachting zodanig zal verslechteren, en dat als gevolg daarvan de aanpassing slechts voor beperkte tijd zal volstaan, kan dat gegeven een rol spelen in de afweging tussen verhuizing aanpassen. Vaak zal een aangeboden mogelijkheid te verhuizen naar een andere woning door de aanvrager als negatief worden beoordeeld: vaak zal men graag willen blijven wonen in de vertrouwde woning. Als de bovenomschreven afweging in het voordeel van verhuizing uitvalt, is die wens niet meer doorslaggevend. Dat heeft gevolgen voor het weigeren van aangeboden geschikte woningen. Na weigering beoordeelt het college of er van uit kan worden gegaan dat voldoende is gedaan om een compenserende oplossing te bieden. Dit wordt afgemeten aan de oorzaak voor het weigeren. Na het afwegen van deze factoren kan een beslissing worden genomen over het al dan niet hanteren van het primaat van de verhuizing. Valt die afweging uit in het voordeel van verhuizing, dan gaat de verhuiskostenvergoeding een rol spelen. Een verhuiskostenvergoeding zal veelal in de vorm van een persoonsgebonden budget worden toegekend. Dit is in drie situaties mogelijk aan de orde: De aanvrager gaat vanwege problemen met het normale gebruik van de woning verhuizen naar een adequate woning; De aanvrager vraagt een woonvoorziening aan in de vorm van een woningaanpassing, maar na onderzoek blijkt verhuizing de goedkoopst adequate oplossing te zijn voor het woonprobleem. Ook mogelijk is dat de betreffende woning niet kan worden aangepast; Voor het vrijmaken van een aangepaste woning door een persoon die in een aangepaste woning woont. Een persoonsgebonden budget in de kosten van verhuis- en herinrichtingskosten is bedoeld als goedkoopst-adequaat alternatief voor een dure woningaanpassing in gevallen waarin die verhuizing niet algemeen gebruikelijk is, gelet op leeftijd, gezins- of woonsituatie. Verhuizingen wegens gezinsuitbreiding of om als jongvolwassene zelfstandig te gaan wonen zijn in beginsel algemeen gebruikelijk, evenals voorspelbare verhuizingen van senioren. Voor verhuizingen naar AWBZ-instellingen of andere zorginstellingen wordt geen persoonsgebonden budget verstrekt, evenmin voor verhuizingen naar woningen die niet geschikt of bestemd zijn voor permanente bewoning, zoals in artikel 4.3 van de verordening wordt bepaald. Een verhuis- en inrichtingskostenvergoeding kan verstrekt worden wanneer er sprake is van ondervonden belemmeringen bij het normale gebruik van de woning, die door middel van een verhuizing op de goedkoopst-adequate wijze kunnen worden opgelost. Deze eis wordt niet gesteld als het gaat om een verhuizing naar een ADL-woning en evenmin in situaties waarin het gaat om een persoon buiten de Wmo-doelgroep een aangepaste woning te laten vrijmaken. Alleen als het vrijmaken van de woning op verzoek van het college gebeurt, is er aanspraak op een persoonsgebonden budget voor verhuis- en herinrichtingskosten Het college verstrekt in beginsel geen persoonsgebonden budget voor verhuizing en herinrichting, indien de verhuizing heeft plaatsgevonden voordat op de aanvraag is beschikt, tenzij achteraf alsnog kan worden vastgesteld dat er problemen bij het normale gebruik van de woning werden ondervonden in de verlaten woning. Als dat laatste niet meer kan, is dat reden voor afwijzing. Aanpassen; primaat losse woonunit. Komt verhuizing niet in aanmerking, dan zal beoordeeld moeten worden welke aanpassingen noodzakelijk zijn. Hierbij geeft de verordening nog een tweede primaat aan, te weten het primaat van de losse woonunit (artikel 4.5): "Indien een bouwkundige woonvoorziening bestaat uit een aanbouw aan of een aanzienlijke verbouwing van een woning die niet het eigendom is van een verhuurder, die bereid is de aangepaste woning blijvend ter beschikking te stellen van personen die op basis van aantoonbare beperkingen ten gevolge van ziekte of gebrek behoefte hebben aan een dergelijke woning, zal het college een herplaatsbare losse woonunit verstrekken indien daartegen geen bezwaren van overwegende aard bestaan." Dit primaat heeft een plaats gekregen om te voorkomen dat grote bedragen over een gering aantal jaren afgeschreven moeten worden: na aanpassing van een eigen woning is de kans op hergebruik immers gering. Om van dit primaat gebruik te kunnen maken moet uiteraard de mogelijkheid tot het plaatsen van een losse unit bestaan, bijvoorbeeld doordat er voldoende ruimte is. Daarbij zal het meestal zo zijn dat als er voldoende ruimte is voor het plaatsen van een losse unit als er ook ruimte is voor het plaatsen van een aanbouw. Ook op dit punt geldt dat de wens van betrokkene een aanbouw te realiseren niet doorslaggevend is: een aanbouw is niet herbruikbaar, een losse unit wel. Het program van eisen zoals dat geldt voor een aanbouw kan gebruikt worden voor een losse woonunit. Het is daarbij van belang in de beschikking vast te leggen dat - als de unit niet meer nodig is - dit aan de gemeente gemeld dient te worden. De gemeente kan er dan zorg voor dragen dat de unit verwijderd wordt en de woning in de oude staat wordt teruggebracht. Deze kosten maken onderdeel uit van de verstrekking van een losse woonunit. Is een losse unit niet mogelijk, of is de aanpassing niet zodanig dat deze afweging gemaakt moet worden, dan kan de stap naar de al dan niet bouwkundige aanpassing worden gemaakt. Aanpassen. Overige (bouwkundige) voorzieningen. De aanpassing moet allereerst het normale gebruik van de woning betreffen. Het normale gebruik van de woning omvat de elementaire woonfuncties, dat zijn de activiteiten die de gemiddelde Nederlander in zijn woning in elk geval verricht. Het gaat daarbij om slapen, lichaamsreiniging, toiletgang, het bereiden en consumeren van voedsel, het zich horizontaal en verticaal verplaatsen in de woning. Voor kinderen komt daar bij het veilig kunnen spelen de woonruimte. Het feit dat alleen problemen bij het normale gebruik van de woning worden gecompenseerd, houdt in dat geen rekening wordt gehouden met voorzieningen met een therapeutisch doel (bijvoorbeeld dialyseruimten, therapeutisch baden). Evenmin wordt er rekening gehouden met problemen die een incidenteel karakter hebben, dan wel voorzieningen die puur als noodvoorziening hebben te gelden (bijvoorbeeld incidenteel gebruikte en niet-essentiële onderdelen van de woning respectievelijk vluchtvoorzieningen of branddeuren). Ook ten behoeve van het gebruik van hobbyruimtes en studeerkamers worden geen compenserende woonvoorzieningen getroffen, aangezien het daarbij niet gaat om ruimten met een elementaire woonfunctie. Uitzondering op het beginsel dat woonvoorzieningen worden verstrekt ter compensatie van problemen bij het normale gebruik van de woning vormt de uitraaskamer. Deze voorziening heeft een specifiek doel, namelijk het tot rust doen komen van personen met een specifieke beperking. Bij een indicatiestelling voor woonvoorzieningen wordt integraal beoordeeld in hoeverre hulp bij het huishouden en AWBZ-functies kunnen voorzien in respectievelijk compensatie en oplossing van de ondervonden woonproblematiek. Verder wordt - conform de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep onder de Wvg- beoordeeld in hoeverre de problematiek kan worden opgelost door redelijkerwijs te vergen inspanningen van huisgenoten, inclusief het treffen van redelijkerwijs te vergen oppasmaatregelen van ouders. Verder wordt rekening gehouden met algemeen gebruikelijke oplossingen als een andere organisatie van taken en een herschikking van de inrichting dan wel wijziging van de opstelling van inrichtingselementen in de woning. 2.2. Beperkingen Hoofdverblijf. Artikel 4.8 van de verordening bepaalt in lid 1: "1 Burgemeester en wethouders verlenen slechts een financiële tegemoetkoming in de kosten indien de gehandicapte zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woonruimte waaraan de voorziening wordt getroffen." Het hoofdverblijf is de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de betrokkenezijn vaste woon- en verblijfplaats heeft en in degemeentelijke basisadministratie staat ingeschreven dan wel zal staan ingeschreven Ook kan het gaan om het feitelijke adres, indien de betrokkene een briefadres heeft. De gemeente waar de woning staat heeft compensatieplicht, behalve in de situatie waarin de persoon uit de Wmo-doelgroep verhuist van de ene gemeente naar een andere gemeente. Een aanvraag voor een woonvoorziening in de vorm van een verhuiskostenvergoeding behoort dan tot de compensatieplicht van de vertrekgemeente. Artikel 4.8 biedt in de leden 2 tot en met 5 een uitzondering op deze hoofdregel: 2. "In afwijking van het gestelde in het eerste lid kan een financiële tegemoetkoming worden verleend in de kosten van het bezoekbaar maken van één woonruimte, niet zijnde de woonruimte waarin de gehandicapte zijn hoofdverblijf heeft. 3. De aanvraag wordt ingediend in de gemeente waar de aan te passen woonruimte staat. 4. De financiële tegemoetkoming bedoeld in het tweede lid wordt verleend onder de voorwaarde, dat de gemeente waar de gehandicapte zijn hoofdverblijf heeft, verklaart dat haar niet bekend is dat ten behoeve van de gehandicapte reeds eerder een woonruimte bezoekbaar is gemaakt. 5. De financiële tegemoetkoming betreft slechts een tegemoetkoming in de kosten van het bezoekbaar maken van de in het tweede lid bedoelde woonruimte. " Deze afwijking is optioneel, overgenomen uit de Wvg, waarin het zogenaamde bezoekbaar maken een bovenwettelijke voorziening was. Onder de Wmo is deze voorziening eveneens als bovenwettelijke voorziening in de verordening opgenomen, aangezien met invoering van de Wmo niet is beoogd het regime van de Wvg-woonvoorzieningen uit te breiden. Omdat het gaat om een bovenwettelijke bepaling betreft het uitsluitend de in lid 5 van dit artikelgenoemde zaken, te weten het kunnen bereiken van de woonruimte, de woonkamer en een toilet. Bereiken moet daarbij letterlijk worden opgevat: het gaat niet om gebruiken maar om bereiken. Op zich mag dat merkwaardig lijken. Bedacht moet worden dat gebruiken vaak hoge kosten met zich meebrengt, hetgeen niet past bij een bovenwettelijke taak. Overige beperkingen woonvoorzieningen. Als het gaat om woonvoorzieningen zijn er nog een aantal beperkingen, die verwoord zijn in de artikelen 4.12, 4.13 en 7.9. De in artikel 7.9 genoemde beperking ziet vooral op situaties waarbij vanuit een aangepaste en geschikte woning verhuisd wordt naar een niet of minder aangepaste en geschikte woning. Deze verhuizingen van adequaat naar inadequaat kunnen alleen leiden tot aanpassingen als daar een belangrijke reden voor is. Daaronder kan verstaan worden het aannemen van een functie op een zodanige afstand dat verhuizen noodzakelijk is, de situatie na een echtscheiding waarbij de aangepaste woning niet meer bewoond kan blijven worden enz. In deze uitzonderingssituaties mag verwacht worden dat de aanvrager tevoren contact opneemt met de gemeente, zodat de gemeente mee kan bepalen wat de goedkoopst-adequate oplossing is. Wanneer de voorziening ouder is dan 7-jaar, kan hiermee ruimhartiger worden omgegaan, omdat de verstrekte voorziening na 7-jaar geacht wordt te zijn afgeschreven. In artikel 4.13 wordt aangegeven dat (uiteraard) bij verhuizing gezocht wordt naar de meest geschikte woning, gezien de omstandigheden van betrokkene. Dat betekent dat als er een keuze is tussen een geschikte en een (minder) niet geschikte woning, gekozen dient te worden voor de geschikte woning. Gebeurt dat niet, dan zal dat aanleiding zijn tot afwijzing. Daarbij kan meegewogen worden of tevoren overleg heeft plaatsgevonden. Ook kan rekening gehouden worden met kennis die een gemeente heeft van op enig moment beschikbare geschikte woningen. Aanpassingen aan gemeenschappelijke ruimten kunnen, zo blijkt uit de jurisprudentie, gelimiteerd worden. Dit uitgangspunt is in artikel 4.12 vastgelegd. Andere dan de limitatief opgesomde voorzieningen hoeven niet verstrekt te worden. De keuze voor de limitatieve lijst moet natuurlijk wel gemotiveerd worden. 2.3. Overige woonvoorzieningen Uitbreiding van ruimten Als het gaat om uitbreiding van ruimten worden de volgende maxima aangehouden, tenzij medische noodzaak een ander maximum vergt. Uiteraard dient dat door een onafhankelijk adviserend orgaan (in de gemeente Westland is het Centraal Indicatiestelling zorg (CIZ) als onafhankelijk adviserend orgaan aangewezen) aangegeven te worden: Soort vertrek M2 bij aanbouw M2 bij uitbreiding woonkamer 30 6 Keuken 10 4 1 persoonsslaapkamer 10 4 2 persoonsslaapkamer 18 4 toiletruimte 2 1 badkamer -wastafelruimte 2 1 -doucheruimte 3 2 entree/hal/gang 5 2 berging 6 4 Bouwkundige en niet-bouwkundige voorzieningen. Of de cliënt in aanmerking komt voor een losse (roerende) of een vaste (onroerende) woonvoorziening, hangt af van de bouwkundige situatie van de woning en van de ondervonden beperkingen en belemmeringen. Het gaat bij losse woonvoorzieningen bijvoorbeeld om tilliften, badliften, douche/toiletstoelen, douchestretchers, badtransfer-planken. Waar mogelijk zal uit oogpunt van herbruikbaarheid gekozen worden voor verstrekking van losse woonvoorzieningen. Zoals al vermeld gaat het hier niet om inrichtingselementen. De losse woonvoorziening moet voorzien in een oplossing voor een elementaire woonfunctie, die eventueel ook kan worden geboden middels een bouwkundige voorziening. Meestal zal de losse voorziening een goedkoop en adequaat alternatief zijn voor een vast voorziening. Een voorbeeld: in plaats van een vaste plafondlift als transferhulpmiddel kan ook een losse tillift worden verstrekt of een transferplank. Ook zal bij voorkeur met losse voorzieningen worden gewerkt in situaties waarin mensen wachten op opname in een zorginstelling of in andere situaties waarin de voorziening langdurig noodzakelijk is, maar waarin de verstrekking van vaste woonvoorzieningen als risico met zich meebrengt dat deze voorziening op zichzelf niet efficiënt is. Voorbeelden zijn terminale situaties, maar ook situaties waarin mensen die in een slooppand wonen. Woningsanering in verband met CARA Financiële tegemoetkoming voor woningsanering Men kan in aanmerking komen voor een financiële tegemoetkoming voor woningsanering die als gevolg van allergie, astma of chronische bronchitis (CARA) noodzakelijk zijn. Sanering is slechts mogelijk als een duidelijke diagnose is gesteld door de huisarts of de longarts. De noodzaak voor het verstrekken van een vergoeding, wordt mede in relatie tot het levenspatroon en leefregels, de gehele woninginrichting en ventilatiemogelijkheden en -gedrag bepaald. Het college kan hierover advies vragen eventueel met inschakeling van een gespecialiseerde CARA-verpleegkundige. Verwacht wordt dat de betrokkene zich in het vervolg bij de aanschaf van nieuwe materialen aan het programma van eisen voor de woninginrichting zal houden. Ook mag verwacht worden dat betrokkenen zelf maatregelen treft ter voorkoming van CARA-klachten. In de regel kan een vergoeding worden verstrekt indien: de aanvrager bij de aanschaf niet van tevoren had kunnen weten dat CARA zou ontstaan/verergeren; vervanging van het artikel medisch gezien op zeer korte termijn noodzakelijk is. Geen vergoeding wordt verstrekt indien: het treffen van een voorziening niet tot verbetering van de situatie van de cliënt leidt; de cliënt bij aanschaf van het artikel redelijkerwijs had kunnen weten dat hij overgevoelig op bepaalde stoffen reageert. De woningsanering betreft in de regel het vervangen van tapijt in het slaapvertrek. De woonkamer kan ook worden gesaneerd indien de aanvrager jonger is dan vier jaar. Afschrijvingstermijn Een vergoeding wordt alleen verstrekt in die gevallen dat de betreffende te vervangen stoffering nog niet is afgeschreven. Indien een artikel is afgeschreven (in de regel na 7 jaar) wordt geen financiële tegemoetkoming verleend. Hierbij wordt voor de hoogte van de vergoeding als volgt rekening gehouden met de reeds verlopen afschrijvingsperiode. De vergoeding bedraagt een percentage van de kosten, afhankelijk van de afschrijvingsperiode: 100% indien het artikel nieuwer is dan twee jaar; 75% indien het artikel tussen de twee en vier jaar oud is; 50% indien het artikel tussen de vier en zes jaar oud is; 25% indien het artikel tussen de zes en acht jaar oud is. Indien het artikel acht jaar of ouder is, wordt geen vergoeding verstrekt; Hetzelfde geldt bij verhuizing, omdat bij verhuizing de woning opnieuw moet worden ingericht en dan rekening kan worden gehouden met de ondervonden klachten. Normbedragen -Voor normbedragen wordt verwezen naar de nibudnormen zoals deze in de Schulinck zijn opgenomen. De uitraasruimte. De uitraasruimte was voorheen, onder de Wvg, omschreven in de wet zelf, maar is onder de Wmo omschreven in de verordening in artikel 4.1 onder g. Het gaat om een ruimte die alleen ten behoeve van de persoon met een aantoonbare gedragsstoornis noodzakelijk is, om hem/haar tot rust te doen komen. Dit vloeit ook voort uit de algemene beperking dat individuele Wmo-voorzieningen in hoofdzaak op het individu gericht zijn. De uitraasruimte is dus uitdrukkelijk niet bedoeld om overlast voor huisgenoten te beperken, hoewel dat wel een mogelijk neveneffect kan zijn van verstrekking. Met het oog op de beperking, de gedragsstoornis met ernstig ontremd gedrag tot gevolg, zal de ruimte in de regel beperkt van omvang zijn. Aanwezige voorzieningen zijn gericht op het doel van de uitraaskamer, het tot rust laten komen. Doorgaans zal de ruimte daarom prikkelarm en veilig moeten zijn, en tevens zijn uitgerust met voorzieningen die toezicht mogelijk maken. Voor zover dat geen technische apparatuur is kan dat onder de voorziening vallen. Op basis van deskundigenadvies (met name een advies van een onafhankelijk psycholoog of orthopedagoog kan van belang zijn) zal op individuele basis worden vastgesteld aan welke eisen de uitraasruimte moet voldoen. Waar mogelijk zullen bestaande ruimten worden aangepast, bijvoorbeeld de slaapkamer van de persoon voor wie de uitraaskamer nodig is. 2.4. Procedure bij bouwkundige aanpassing. Procedure aanvraag woningaanpassing 1 Vaststellen programma van eisen Nadat de aanvraag is ingediend wordt een indicatie gesteld, waarbij een gemeentelijke functionaris met ergonomische, sociale en bouwtechnische deskundigheid of een externe adviseur een programma van eisen voor de goedkoopst adequate woningaanpassing opstelt. De woningeigenaar vraagt op basis van dat programma van eisen enkele offertes bij een aannemer op. 2 Het college beoordeelt welke offerte de goedkoopst adequate oplossing biedt De gemeente beoordeelt welke bouwofferte in aanmerking komt voor het verlenen van een financiële tegemoetkoming of als basis geldt voor het vaststellen van het PGB. 3 Het college geeft toestemming Het college geeft vervolgens toestemming voor de woningaanpassing, op voorwaarde dat niet reeds zonder toestemming een begin is gemaakt met de werkzaamheden waarop de financiële tegemoetkoming of het persoonsgebonden budget betrekking heeft. 4 De eigenaar voert uit De woningeigenaar is verantwoordelijk voor de uitvoering van de woningaanpassing conform het programma van eisen. 5 Het college controleert Het college verleent slechts een persoonsgebonden budget of een financiële tegemoetkoming voor een woningaanpassing indien de door hen aangewezen personen toegang is verstrekt tot de woonruimte waar de woningaanpassing wordt verricht. Controle vindt in beide gevallen achteraf plaats. De genoemde personen moeten ook inzicht krijgen in bescheiden en tekeningen, welke betrekking hebben op de woningaanpassing en de gelegenheid krijgen de woningaanpassing te controleren. 6 Uitbetaling aan de woningeigenaar en gereedmelding De financiële tegemoetkoming wordt uitbetaald aan de woningeigenaar. Terstond na de voltooiing van de werkzaamheden, doch uiterlijk binnen 1 jaar na het verlenen van toestemming voor het aanpassen van de woning, verklaart diegene aan wie de financiële tegemoetkoming wordt uitbetaald (de woningeigenaar) aan het college dat de bedoelde werkzaamheden zijn voltooid (de gereedmelding). Deze gereedmelding is tevens een verzoek om vaststelling en uitbetaling van de financiële tegemoetkoming. De gereedmelding gaat vergezeld van een verklaring dat bij het treffen van de voorziening is voldaan aan de voorwaarden waaronder het persoonsgebonden budget of de financiële tegemoetkoming is verleend. Diegene aan wie het persoonsgebonden budget of de financiële tegemoetkoming wordt uitbetaald, dient gedurende een periode van 5 jaar alle rekeningen en betalingsbewijzen met betrekking tot de werkzaamheden ter controle beschikbaar te houden. 2.5 Voorwaarden voor verstrekking pgb en uitbetaling financiële tegemoetkoming. Om te bewerkstelligen dat de woningaanpassing wordt uitgevoerd conform het programma van eisen en er aldus een adequate aanpassing wordt verstrekt is een aantal voorwaarden gesteld om de toegekende tegemoetkoming ook daadwerkelijk uit te betalen. De voorwaarden moeten ook middels de beschikking aan de aanvrager en eventueel aan de woningeigenaar, als die niet de aanvrager is, worden bekendgemaakt. Het zijn immers de voorwaarden waaraan het besluit is gebonden. De volgende voorwaarden zijn van toepassing: Er mag niet reeds voorafgaand aan de beschikking een begin worden gemaakt met de uitvoering van de werkzaamheden waarop de financiële tegemoetkoming betrekking heeft, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van het college; Aan door het college aangewezen personen wordt door de eigenaar of huurder toegang verstrekt tot de woonruimte waar de woningaanpassing wordt aangebracht; Aan de onder b. genoemde personen wordt inzicht wordt geboden in bescheiden en tekeningen, welke betrekking hebben op de woningaanpassing; Aan de onder b. genoemde personen wordt gelegenheid geboden tot het controleren van de woningaanpassing; Terstond na de voltooiing van de werkzaamheden doch uiterlijk binnen 12 maanden na het toekennen van de financiële tegemoetkoming verklaart de gerechtigde van de financiële tegemoetkoming aan het college dat de bedoelde werkzaamheden zijn voltooid conform het programma van eisen (PvE); De gereedmelding is tevens een verzoek om vaststelling en uitbetaling van de financiële tegemoetkoming; De gereedmelding, gaat vergezeld van een verklaring dat bij het treffen van de voorzieningen is voldaan aan de voorwaarden waaronder de financiële tegemoetkoming is verleend. Alle rekeningen en betalingsbewijzen worden bijgevoegd. 2.6. Kosten van woningaanpassingen. De volgende kosten in het kader van een woningaanpassing kunnen in aanmerking worden genomen bij de vaststelling van (het persoonsgebonden budget
- of)de financiële tegemoetkoming: 1 De aanneemsom (hierin begrepen de loon- en materiaalkosten) voor het treffen van de voorziening; 2 De risicoverrekening van loon- en materiaalkosten, met inachtneming van het bepaalde in de Risicoregeling woning- en utiliteitsbouw 1991; 3 Het architectenhonorarium tot ten hoogste 10% van de aanneemsom met dien verstande dat dit niet hoger is dan het maximale honorarium als bepaald in SR 1988 van de BNA. Alleen in die gevallen dat het noodzakelijk is dat een architect voor de woningaanpassing moet worden ingeschakeld worden deze kosten subsidiabel geacht. Het betreft dan veelal de ingrijpender woningaanpassingen. 4 De kosten voor het toezicht op de uitvoering, indien dit noodzakelijk is, tot een maximum van 2% van de aanneemsom; 5 De leges voorzover deze betrekking hebben op het treffen van de voorziening; 6 De verschuldigde en niet verrekenbare of terugvorderbare omzetbelasting; 7 Renteverlies, in verband met het verrichten van noodzakelijke betaling aan derden voordat de bijdrage is uitbetaald, voor zover deze verband houdt met de bouw dan wel het treffen van voorzieningen; 8 De prijs van bouwrijpe grond, indien noodzakelijk als niet binnen het oorspronkelijke kavel gebouwd kan worden, volgens bijgaande tabel. 9 De door burgemeester en wethouders (schriftelijk) goedgekeurde kostenverhogingen, die ten tijde van de raming van de kosten redelijkerwijs niet voorzien hadden kunnen zijn; 10De kosten in verband met noodzakelijk technisch onderzoek en adviezen met betrekking tot het verrichten van de aanpassing; 11 De kosten van aansluiting op een openbare nutsvoorziening; Indien de gemeente ook de administratiekosten van de verhuurder wil vergoeden kan het volgende opgenomen worden: 12De administratiekosten die verhuurder maakt ten behoeve van het treffen van een voorziening voor de gehandicapte, voor zover de kosten onder 1 tot en met 11 meer dan € 1000,-- bedragen, 10% van die kosten, met een maximum van € 350,--. 2.7. Opstalverzekering. Bij het vergroten van de woning wordt er van uitgegaan dat de eigenaar van de woning zijn opstalverzekering aan de hogere herbouwwaarde van de woning aanpast. De kosten hiervan komen niet voor vergoeding in aanmerking. Hoofdstuk3.Het voeren van een huishouden, onderdeel hulp bij het huishouden 3.1. Inleiding. De hulp bij het huishouden is afkomstig uit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, waar de functie Huishoudelijke Verzorging één van de zeven functies was die onder de AWBZ vielen en uitgewerkt werden in het besluit zorgaanspraken AWBZ. Op 1 januari 2007 is deze functie uit de AWBZ geschrapt (artikel 41, lid 2 Wmo) en heeft de Wmo op basis van artikel 4 lid 1 onder a. deze functie overgenomen. Hierbij wordt gesproken over het "een huishouden te voeren" waaronder in de verordening Wmo zowel hulp bij het huishouden wordt verstaan als de woonvoorzieningen uit de Wvg. Bij dit verstrekkingenboek zijn twee bijlagen opgenomen die bij dit hoofdstuk horen: Tijdelijke situaties overgangsrecht ex artikel 41 Wmo. Handreiking normering hulp bij het huishouden Er dient allereerst te worden nagegaan of er sprake is van aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek. Die ziekte of dat gebrek kunnen liggen op de terreinen als vermeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5 en 6 van de Wmo: mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem. De vaststelling hiervan zal op objectieve wijze plaats moeten vinden en in het grote deel van de gevallen op basis van een medische beoordeling. In dat kader kan het noodzakelijk zijn medisch advies te vragen aan een medisch adviseur die daartoe de nodige deskundigheid bezit. Daarbij dient bijzondere aandacht te bestaan voor de zogenaamde medisch moeilijk te objectiveren aandoeningen (mmoa's), waarbij gewaakt moet worden voor het verlenen van anti-revaliderende hulp. Daarnaast kan ook hulp bij het huishouden verstrekt worden in situaties dat de mantelzorg problemen heeft bij de uitvoering daarvan. In situaties dat die problemen (deels) opgelost kunnen worden door het toekennen van hulp bij het huishouden is dat een reden voor toekenning. Daarbij dient er van uitgegaan te worden dat de hulp bij het huishouden plaats vindt bij de hulpvrager, die de mantelzorg ontvangt, en niet bij de mantelzorger thuis, indien die een ander woonadres heeft als de hulpvrager. Is er sprake van aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek dan komt men in principe in aanmerking voor hulp bij het huishouden. 3.2. Gebruikelijke zorg en omvang hulp bij het huishouden Artikel 3.3 van de verordening bepaalt dat, "als tot de leefeenheid waar deze persoon deel van uitmaakt een of meer huisgenoten en/of kinderen behoren die wel in staat zijn (delen van) het huishoudelijke werk te verrichten. De richtlijnen van het "protocol gebruikelijke zorg" zijn hierop van toepassing" men niet in aanmerking komt voor hulp bij het huishouden. Deze beperking heet "gebruikelijke zorg" en is overgenomen uit de beleidsregels zoals het CIZ die hanteerde ten aanzien van de functie HV in de AWBZ tot de invoering van de Wmo. Gebruikelijke zorg wil zeggen dat als de hulpvrager huisgenoten heeft die het huishoudelijk werk over kunnen nemen, zij verondersteld worden dit door een herverdeling van taken te doen, zodat er geen ruimte meer bestaat hulp bij het huishouden te indiceren. Dit principe is gebaseerd op de achterliggende gedachte dat een leefeenheid in gezamenlijkheid verantwoordelijk is voor het huishoudelijke werk. Dat betekent dat indien degene die gewend is het huishoudelijk werk te doen hiertoe niet meer in staat is, andere leden van de leefeenheid veronderstelt worden dit over te nemen. Dit principe heeft een verplichtend karakter en betreft alle huisgenoten ouder dan 18 jaar. Vanaf 18 jaar wordt men verondersteld in verband met studie op kamers te kunnen wonen en een eenpersoonshuishouden te kunnen draaien. Vanaf 23 jaar wordt men verondersteld een volledig huishouden te kunnen draaien. Onder 18 jaar wordt men verondersteld te helpen bij het huishouden, zoals het bijhouden van de eigen kamer, het helpen dekken van de tafel, het helpen bij de afwas enz. Ook met deze activiteiten kan rekening gehouden worden bij de indicatie. Daarbij wordt er geen rekening mee gehouden of men het al dan niet wil of al dan niet gewend is te doen. In situaties dat personen uit de leefeenheid die nog nooit huishoudelijk werk hebben gedaan, dit niet kunnen, kan via een tijdelijke indicatie hulp geboden worden bij het aanleren hiervan. De taak wordt dan niet overgenomen maar via instructies gestuurd. Ook studie of werkzaamheden vormen in principe geen reden om van de gebruikelijke zorg af te zien. Immers, iedereen die werkt zal naast zijn werk het huishouden moeten doen of hier eigen oplossingen voor zoeken (zoals het inhuren van particuliere hulp). Dat geldt ook voor tweeverdieners. Ook ouderen die in staat zijn tot het verrichten van huishoudelijk werk vallen onder de gebruikelijke zorg. Een (zeer) hoge leeftijd kan in omstandigheden aanleiding zijn niet te vragen het huishoudelijk werk aan te leren. Bij werkenden wordt geen rekening gehouden met zeer drukke werkzaamheden en (zeer) lange werkweken. Over het algemeen kan alleen rekening worden gehouden met personen die vanwege hun werkzaamheden langdurig van huis zijn. Daardoor zijn zij immers de facto niet in staat het huishoudelijk werk over te nemen. Maar in alle situaties dat daarbij sprake is van een eigen keuze, zal daar geen rekening mee worden gehouden. De afwezigheid moet een verplichtend karakter hebben. Het gaat te ver chauffeurs die op het buitenland reizen, medewerkers in de off-shore of marinemensen die maanden achtereen van huis zijn, te dwingen een andere functie te zoeken. Onder personen die lid zijn van de leefeenheid worden niet verstaan personen die een (pension)kamer huren. Het moet dan gaan om personen die in generlei familiebetrekking staan tot elkaar en er moet daadwerkelijk een huurovereenkomst liggen. In die situaties worden overigens de werkzaamheden ten aanzien van de huurder door de verhuurder als zijnde beroepsmatig niet geïndiceerd! Er zijn situaties die op een grensgebied liggen. Bij kloostergemeenschappen bijvoorbeeld is wel sprake van een leefeenheid, maar is over het algemeen een taakverdeling, die zich niet leent voor overname. In die situatie kan wel geïndiceerd worden voor bijvoorbeeld het schoonmaken van de eigen kamer indien met dit niet zelf meer kan. Gemeenschappelijke ruimten die kenmerkend voor kloosters zijn kunnen niet worden geïndiceerd omdat zij het niveau sociale woningbouw te boven gaan (bibliotheken, gebedsruimten, gemeenschapsruimten, refters) en behoren tot de eigen verantwoordelijkheid van de gemeenschap. Voor AWBZ-instellingen geldt dat huishoudelijke verzorging in de functie verblijf is opgenomen en dus niet geïndiceerd kan worden. Voor particuliere tehuizen die verzorging bieden geldt dat daar hulp bij het huishouden voor het eigen appartement of de eigen kamer geïndiceerd kan worden in zoverre de zorg niet door betrokkene wordt betaald. Dan gaat het immers om reeds aanwezige professionele zorg en is er geen tekort of probleem. Dit geldt ook voor door het tehuis verzorgde wasverzorging of maaltijdverzorging. Is er geen sprake van gebruikelijke zorg, dan dient de omvang van de hulp bij het huishouden te worden vastgesteld. Hiervoor moet bepaald worden welke activiteiten de hulpvrager zelf niet kan uitvoeren en welke normtijden hiervoor gelden. Er is, in navolging van de AWBZ gekozen voor normtijden, om een uitgangspunt te hebben voor de omvang van de verschillende taken die in het huishoudelijk werk verricht moeten worden. De in de bijlage aangegeven normtijden worden gehanteerd. Deze normtijden zijn afkomstig uit het protocol huishoudelijke verzorging van het CIZ en samengesteld in overleg met de landelijke koepel van thuiszorginstellingen. Normering door de gemeente is nodig om een uitgangspunt te hebben en eindeloze discussies te voorkomen over de benodigde tijd voor bepaalde activiteiten (zie bijlage). 3.3. Voorliggende voorzieningen. Bij al deze onderdelen geldt dat voorliggende voorzieningen voorgaan. Op basis van de hardheidsclausule kan in bijzondere situaties altijd - maar bij uitzondering - van deze regels worden afgeweken. Aan de hand van de normtijden zoals genoemd in de bijlage kan voor de individuele situatie worden bepaald hoeveel tijd noodzakelijk is. Die tijd is indeling in klassen. Deze klasse-indeling is ook in de AWBZ toegepast. Overigens wordt de klasse-indeling in de AWBZ per 1 januari 2007 afgeschaft en wordt er weer geïndiceerd in uren. Dit in samenhang met de invoering van de zorgzwaartebekostiging ten aanzien van de functie verblijf. Bij toekenning in uren worden de tijden van de verschillende onderdelen inclusief meer/mindertijd opgeteld en is dat het in principe toe te kennen aantal uren. Bij toekenning in klassen wordt in principe de klasse toegekend waarbinnen het eindaantal uren valt. De toekenning is in principe, omdat er nog gekeken dient te worden naar voorliggende voorzieningen. Voorliggende voorzieningen, die altijd algemeen gebruikelijk zijn, kunnen gevonden worden in: kinderopvang (crèche, kinderdagverblijf, overblijfmogelijkheden op school, voor- of naschoolse opvang); oppascentrales; maaltijddiensten; hondenuitlaat-service; boodschappendiensten enz. De voorliggende voorziening moet ter plaatse wel beschikbaar zijn. Is dat niet zo, dan is er geen sprake van een voorliggende voorziening. Hiertoe is het nodig rekening te houden met de sociale kaart zoals die ter plekke bestaat. Niet relevant is of men gebruik wil maken van een voorliggende voorziening. Ook is in principe niet relevant welke kosten aan de voorliggende voorziening zijn verbonden, tenzij sprake zou kunnen zijn van een zogenaamd extreem laag inkomen als geldt bij het begrip algemeen gebruikelijk: een inkomen dat door kosten op grond van de ziekte of het probleem onder de bijstandsnorm uitkomt of dreigt uit te komen door deze kosten. Indien het gaat om zorg in natura, dan kan de toe te kennen hulp bij het huishouden bij beschikking worden toegekend en tevens doorgegeven worden aan de instelling die deze gaat verzorgen. Hierbij is relevant dat de instelling de inhoudelijke opbouw van de indicatie kent. Daardoor kan voorkomen worden dat activiteiten worden uitgevoerd waarvoor geen hulp is toegekend. Omdat sprake is van een eigen bijdrage moeten - indien daartoe is besloten - de benodigde gegevens worden doorgegeven aan het CAK, die deze eigen bijdragen int. Gaat het om een persoonsgebonden budget, dan kan, indien er geen overwegende bezwaren bestaan het persoonsgebonden budget bij beschikking worden toegekend. Ook in deze situatie dienen de benodigde gegevens voor het innen van de eigen bijdrage aan het CAK worden doorgegeven indien van toepassing. Hoofdstuk4Lokaal verplaatsen per vervoermiddel Artikel 5.1 van de verordening luidt: "De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het zich lokaal verplaatsen, te verstrekken voorziening kan bestaan uit: a.een voorziening in natura of persoonsgebonden budget: 1. een al dan niet aangepaste gesloten buitenwagen; 2. een open elektrische buitenwagen; 3. een ander verplaatsingsmiddel; b.een tegemoetkoming in de kosten van: 1. gebruik van regiotaxi, taxi, eigen auto of vervoer door derden; 2. gebruik van individueel (rolstoel)taxivervoer; c.een tegemoetkoming in de kosten van: 1. aanschaf van een auto; 2. overige vervoerskosten. d.een andere voorziening uit deze verordening indien die, op grond van de individuele omstandigheden de goedkoopst adequate compensatie biedt met betrekking tot de geconstateerde beperkingen." De uitdrukking uit artikel 5.2, 1e lid: "…het openbaar vervoer niet kunnen bereiken of geen gebruik kunnen maken van het openbaar vervoer" wordt door de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep geoperationaliseerd middels het loopafstands-criterium "maximale loopafstand 800 meter". Kan men geen 800 meter zelfstandig, al dan niet met hulpmiddelen en in een redelijk tempo, afleggen dan wordt men verondersteld het openbaar vervoer niet te kunnen bereiken. Kan men dat wel, maar is het onmogelijk in het openbaar vervoer te komen, dan ook komt men voor vervoersvoorzieningen in aanmerking. Er ligt overigens geen letterlijke relatie met het openbaar vervoer. Het opheffen van een buslijn, waardoor een halte op grote(
- re)afstand komt te liggen, is geen aanleiding een vervoersvoorziening te verstrekken. Indien nog gefietst kan worden over grotere afstanden kan hier ook rekening mee worden gehouden. Komt men op grond van deze criteria voor een vervoersvoorziening in aanmerking, dan zijn er twee terreinen waarop vervoer mogelijk is. Het eerste terrein is het vervoer op de korte afstand, in de woonomgeving, het "loop" en "fietsvervoer". Het tweede terrein is op wat langere afstand, de afstand waarvoor niet-gehandicapten het openbaar vervoer zouden kunnen nemen. Als op beide terreinen problemen bestaan moet op beide terreinen bekeken worden welke oplossingen noodzakelijk zijn. Alleen bij personen met een zeer beperkte loopafstand (dat is een loopafstand tot maximaal 100 meter) moet ingevolge de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep op beide terreinen een oplossing worden geboden. Dit wil niet zeggen dat dit niet hoeft bij mensen met een grotere loopafstand, maar tot 100 meter is het dwingend voorgeschreven! Wie problemen heeft op de afstanden gelijklopend met het openbaar vervoer komt op basis van artikel 5.2 van de verordening in aanmerking voor een vervoersvoorziening gebaseerd op de (meer)kosten van het collectieve vervoer (regiotaxi) indien dit medisch gezien adequaat is. Dat zal het in zeer veel gevallen zijn: uit de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep blijkt dat alleen bij onbeheersbare incontinentie (hetgeen zelden voorkomt) of bij ernstige gedragsproblemen of in andere uitzonderlijke situaties collectief vervoer niet adequaat geacht moet worden. In bijna alle andere situaties is collectief vervoer de eerste voorziening die in aanmerking komt voor verstrekking. Het collectieve vervoer en de kosten hiervan zijn uitgangspunt voor de vergoeding. Het gaat er daar bij niet om of daadwerkelijk gebruik wordt gemaakt van het collectieve vervoer. Immers de invulling staat vrij. Men kan gebruik maken van eigen vervoer, vervoer door derden, individueel taxivervoer of het vervoer op nog andere wijze invullen. De Tweede Kamer heeft op 29 maart 2006 tijdens een Algemeen Overleg over het bovenregionaal vervoer Valys uitgesproken dat bij aanwezigheid van collectief vervoer geen persoonsgebonden budget hoeft te worden verstrekt aangezien het niet de bedoeling is het collectief vervoer in gevaar te brengen. Voor de voorzieningen die vergelijkbaar zijn met het openbaar vervoer, zoals regiotaxi, geldt dat uitsluitend rekening gehouden moet worden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving. De directe woon- en leefomgeving kan het beste beschreven worden in te bereiken bestemmingen. Het gaat daarbij om het gehele Westland. Artikel 5.3, lid 1 van de verordening geeft, als gevolg van de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep ook nog aan welke omvang in kilometers geboden moet worden. Op basis van dit artikel moet iedereen tenminste 1700 kilometer, met een uitloop (bandbreedte) van 500 km, af kunnen leggen met de combinatie van voorzieningen die zijn verstrekt. Op deze manier wordt een compensatie geboden die voldoet aan de Wvg-jurisprudentie van de Centrale Raad. Als het collectieve vervoer niet adequaat is, zal een andere voorziening gekozen moeten worden. Het kan dan gaan om een hogere taxikostenvergoeding om gebruik te kunnen maken van het individuele (rolstoel)taxivervoer. Voor de verplaatsingen op de korte afstand kan gedacht worden aan een scootmobiel of een driewielfiets. Of een persoonsgebonden budget om dergelijke voorzieningen aan te schaffen. Met de combinatie: vervoersvoorziening - scootmobiel kan de persoon voor een deel in z'n vervoersbehoefte voorzien en kan hiermee rekening gehouden worden bij de vaststelling van de maximale vergoeding (jurisprudentie). Rekening houdend met jurisprudentie en de nota "verkenning ondergrens Wvg" behoeft artikel 5.3 nadere toelichting daar waar het gaat om tot de vaststelling van de maximale vervoersvergoeding te komen. Artikel 5.3.1 onder a. De maximale vergoeding bedraagt € 635,00 per jaar. Dit bedrag is gebaseerd op de zorgplicht/compensatieplicht waarin ondere andere bepaalt dat de gehandicapte ten minste 1700 km per jaar moet kunnen afleggen met de combinatie van voorzieningen. Vervolgens is het bedrag afgeleid van de meerkosten van het collectieve vervoer. Het gaat er overigens niet om of men al dan niet gebruik maakt of van plan is gebruik te maken van het collectieve vervoer. Het criterium collectief vervoer is slechts de (landelijke) afbakening van de compensatieplicht van de gemeente. Als er sprake is van situaties waarin deze afbakening geen stand kan houden, dan komt men in aanmerking voor een hogere vergoeding. Dit is in de hierna genoemde leden nader uitgewerkt. Artikel 5.3.1 onder b. Als een gehandicapte om medische of psychische redenen geen gebruik kan maken van het collectieve vervoer dan is er aanspraak op een hogere vergoeding om gebruik te kunnen maken van individueel (rolstoel)taxivervoer. Deze hogere vergoedingen bedragen momenteel € 1.379,00 wanneer men met eigen vervoer reist en/of gebruik maakt van vervoer door derden of individueel taxivervoer. Wanneer men aangewezen is op het individuele rolstoeltaxivervoer dan bedraagt de aanspraak € 2.090,00 per jaar. Artikel 5.3.1 onder c. In het visiedocument "Verkenning ondergrens Wvg", dat samen met het gehandicaptenplatform tot stand is gekomen is specifiek aandacht gevraagd voor de (vaak jongere) gehandicapten met een hoger vervoerspatroon. In de verordening is dit vastgelegd. Iedere gehandicapte met een hoger vervoerspatroon maakt aanspraak op dezelfde hogere vervoersvoorziening als onder artikel 5.3.1. b. Artikel 5.3.1 onder d Zoals hiervoor al is gesteld bestaat de compensatieplicht hieruit dat ten minste 1700km per jaar afgelegd moet kunnen worden met de combinatie van vervoersvoorzieningen. Als de gehandicapte dan ook de beschikking heeft over een scootmobiel of andere buitenwagen, waarmee in verplaatsingen op de korte afstand kan worden voorzien, dan wordt de aanspraak op de vergoeding gehalveerd. Er wordt rekening gehouden met het al dan niet gebruik kunnen maken van het collectieve vervoer en het al dan niet hebben van een eventueel hoger vervoerspatroon. In schema gaat de vaststelling als volgt: Basisvergoeding € 635,00 Is er een indicatie dat in principe geen gebruik kan worden gemaakt van ja taxivergoeding wordt € 1.379,00 het collectieve vervoer ? rolstoeltaxivergoeding wordt € 2.079,00 De maximale vergoeding is vastgesteld. Ga naar d. neen vergoeding blijft € 635,00. Ga naar c Is er een aantoonbaar hoger vervoers- ja maximale vergoeding wordt € 1.379,00 patroon dan 1700km per jaar De maximale vergoeding is Vastgesteld. Ga naar d. neen vergoeding blijft € 635,00. Ga naar d Heeft aanvra(a)g(st)er de beschikking ja De vastgestelde vergoeding wordt over een scootmobiel of andere verminderd met 50% buitenwagen ? neen De vastgestelde maximale vergoeding wordt toegekend. 4.1. Doel van het vervoer: in beginsel alleen sociaal vervoer in de eigen woon - of leefomgeving. Het leven van alledag in de directe woon- of leefomgeving De compensatieplicht voor vervoer is in beginsel gericht op het sociaal vervoer, ook wel "vervoer in het kader van het leven van alledag in de directe woon- of leefomgeving" genoemd. Het gaat in de Wmo in beginsel om verplaatsingen die de gemiddelde Nederlander in zijn/haar eigen woonomgeving maakt, zoals vervoer om boodschappen te doen, vrienden en familie te bezoeken, vervoer naar clubs en sociaal-culturele instellingen. Voorzieningen die worden aangevraagd om zich buiten de eigen leefomgeving te kunnen verplaatsen of om voorzieningen mee te nemen, zoals aanhangers en oprijplaten voor het meenemen van scootmobielen of een meeneembare scootmobiel, vallen dan ook niet onder de compensatieplicht. Recreatieve verplaatsingen kunnen deel uitmaken van het dagelijkse patroon van het leven van alledag. In dat geval wordt met het treffen van een Wmo-vervoersvoorziening ook met deze bestemmingen rekening gehouden. Een vervoersvoorziening die uitsluitend wordt aangevraagd met het oog op recreatie en ontspanning, wordt echter niet in het kader van de Wmo verstrekt. Te denken valt hierbij aan bewoners van een AWBZ-instelling die de voorziening uitsluitend aanvragen om het vervoer van het jaarlijkse uitje te kunnen bekostigen/regelen. Onder de Wvg is een uitgebreide jurisprudentie ontstaan uit zaken die handelden om het doel van het vervoer. Deze jurisprudentie behoudt zijn betekenis onder de Wmo en fungeert dan ook als kader voor de Wmo-compensatieplicht. Vervoer in verband met werk Bij de beoordeling van aanspraken op vervoersvoorzieningen wordt geen rekening gehouden met vervoersbehoefte in verband met werk. Voor mensen die in dienstbetrekking werken en mogelijk voor zelfstandigen zijn er voorliggende voorzieningen, zoals de voormalige Wet-Rea-voorzieningen die zijn overgeheveld naar WAO/WIA, Wajong, Waz en ZW. Deze regelingen worden uitgevoerd door het UWV. Werknemers die werkzaam zijn in de sociale werkvoorzieningen (Wsw) kunnen voor woon-werkverkeer op basis van de CAO-Wsw een beroep doen op hun werkgever. Vervoer in verband met vrijwilligerswerk Ook (extra) vervoersbehoefte in verband met vrijwilligerswerk is geen aanleiding voor verstrekking van vervoersvoorzieningen, zo heeft de Centrale Raad van Beroep bepaald. De Centrale Raad gaat er van uit dat vervoerskosten betaald kunnen worden door de organisatie waarvoor het vrijwilligerswerk verricht wordt. Vervoer in verband met therapie, dagbehandeling/dagopvang of bezoek aan medische behandelaars Vervoer van en naar medische behandelaars viel niet onder de Wvg en valt evenmin onder de Wmo. Het is niet te beschouwen als vervoer in het kader van het leven van alledag. Bovendien zijn er voor bepaalde situaties voorliggende voorzieningen, zoals de Regeling Zorgverzekering. Het vervoer naar bijvoorbeeld dagopvang of dagverzorging valt in principe evenmin onder de Wmo-compensatieplicht. Deze bestemmingen zijn niet te vatten onder de verplaatsingen die mensen - in de regel - van dag tot dag plegen te ondernemen, hoewel er op basis van jurisprudentie spaarzaam uitzonderingen worden gemaakt. Een duidelijke lijn is nog niet te ontdekken, omdat het in die uitspraken om uitzonderlijke gevallen ging. Aanvragen voor vervoersvoorzieningen met dit doel zullen daarom kritisch moeten worden beoordeeld. Medische noodzaak, het al dan niet (overwegend) therapeutische karakter van de dagopvang en de erkenning/financiering van de dagopvang op basis van de AWBZ spelen volgens de jurisprudentie een rol. Heeft de dagopvang een overwegend therapeutisch karakter, of wordt die erkend of gefinancierd in AWBZ-kader, dan is er aanleiding om het vervoer in verband daarmee niet te beschouwen als vervoer in het kader van het leven van alledag. Vervoer in verband met het volgen van onderwijs Vervoer in verband met onderwijs valt evenmin onder de Wmo-compensatieplicht. Er zijn voorliggende voorzieningen, zoals het leerlingenvervoer op grond van de onderwijswetgeving, en voorzieningen die via het UWV worden verstrekt, de voormalige Wet-Rea-voorzieningen. In het Westland is door de Raad een uitzondering gemaakt voor het vervoer van school naar een logeeradres. Dit vervoer wordt niet vergoed op grond van het leerlingenvervoer en kan derhalve aangemerkt worden als deelname aan het maatschappelijk verkeer dat als zodanig onder de vervoersvoorziening gerekend dient te worden. Vervoer van kinderen door ouders met een beperking Bij de verstrekking van vervoersvoorzieningen moet rekening worden gehouden met het verzorgen van kinderen door ouders met een beperking. Daarbij kan echter ook rekening worden gehouden met alternatieven voor vervoer door de ouders zelf, zo stelt de Centrale Raad van beroep. Vervoer voor AWBZ-instellingsbewoners. Op basis van artikel 2 van de Wvg werd een wettelijk onderscheid gemaakt tussen de reguliere inwoners van de gemeente en de in de gemeente woonachtige AWBZ-bewoners. Dat onderscheid werd via een ministeriële regeling, de Regeling sociaal vervoer AWBZ-instellingen, voor wat betreft vervoersvoorzieningen weer ongedaan gemaakt voor AWBZ-bewoners. Onder de Wmo is het wettelijk onderscheid tussen AWBZ-bewoners en overige Wmo-doelgroep inwoners van de gemeente komen te vervallen. Dat houdt overigens niet in dat er op gelijke wijze geoordeeld wordt ten aanzien van de vervoersbehoefte van AWBZ-bewoners. Deze categorie mensen zal in de regel een lagere vervoersbehoefte hebben dan zelfstandig wonenden, omdat zij bijvoorbeeld niet of in mindere mate boodschappen hoeven te doen. Soms wonen aanvragers in een complex waarin voorzieningen, zoals een winkel, kapper, recreatieruimte voor diverse sociale activiteiten, zijn ondergebracht of in de dichte nabijheid zijn gerealiseerd. Te denken valt met name aan verzorgingshuizen eventueel met aanleunwoningen erbij, verpleeghuizen en andere AWBZ-instellingen. Bovendien geldt dat een aantal 'bestemmingen in het kader van het leven van alledag' vervallen, omdat daarin op andere wijze wordt voorzien. Bewoners van intramurale instellingen hoeven bijvoorbeeld minder vaak boodschappen te doen, omdat de instellingen de maaltijden bereidt. Ook sommige gezamenlijke sociale activiteiten waarvoor vervoer nodig is, worden vanuit de AWBZ-instelling georganiseerd, inclusief vervoer. Met deze verminderde vervoersbehoefte wordt bij de beoordeling van aanvragen voor vervoersvoorzieningen dan ook rekening gehouden. Bijvoorbeeld door in individuele gevallen ervan uit te gaan dat voor bewoners van een intramurale instelling in een aanzienlijk gedeelte van hun bestemmingen in het kader van het leven van alledag is voorzien. Aan bewoners van een intramurale instelling kan bijvoorbeeld op basis van het Besluit maatschappelijke ondersteuning een gehalveerd PGB voor vervoerskosten worden verstrekt. Uitzonderingen moeten echter mogelijk blijven, als blijkt dat er een grotere vervoersbehoefte is. Begeleiding bij het vervoer van AWBZ-bewoners Ook hier heeft invulling plaatsgevonden op basis van jurisprudentie. Begeleidingskosten kunnen onder de compensatieplicht vallen. Bij AWBZ-bewoners kan er echter rekening gehouden worden met de agogische taak van personeel van de instelling, met name bij gezinsvervangende tehuizen. Ook bij grotere AWBZ-instellingen geldt een beperking bij de zorgplicht c.q. compensatieplicht ten aanzien van de begeleiding. Weekendvervoer voor AWBZ-bewoners Onder de Wvg is de omvang van de zorgplicht voor AWBZ-bewoners door jurisprudentie geconcretiseerd. Uitgangspunt is een gelijke zorgplicht voor AWBZ-bewoners en overige voor bewoners van de gemeente. Categoriale beperking van de omvang van de zorgplicht voor AWBZ-bewoners is ook mogelijk, maar daarop moeten uitzonderingen mogelijk zijn voor individuele gevallen. De compensatieplicht zal onder de Wmo voor AWBZ-bewoners niet afwijken van de bestaande jurisprudentie. De reguliere zorgplicht voor vervoer houdt in dat er in beginsel zorgplicht is voor regionaal vervoer voor AWBZ-bewoners, en slechts bij wijze van uitzondering - bij dreigende vereenzaming - zorgplicht voor bovenregionaal vervoer. Bij jonge, verstandelijk gehandicapte AWBZ-bewoners van grote instellingen is deze situatie onder de Wvg-jurisprudentie omgedraaid. Daarbij wordt uitgegaan van een dreigend sociaal isolement, tenzij het tegendeel kan worden aangetoond. Uitgangspunt is dat ook bovenregionaal weekendvervoer van en naar het ouderlijk huis onder de zorgplicht valt. Voor wat betreft de frequentie wordt in de Wvg-jurisprudentie uitgegaan van bezoek om en om, dus de ene week bezoek van ouders aan de instelling, de andere week bezoek van de AWBZ-bewoners aan het ouderlijk huis Recreatief vervoer voor AWBZ-bewoners vanuit het ouderlijk huis valt niet onder de Wvg-zorgplicht, zo blijkt uit de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep.. 4.2. Individuele vervoersvoorzieningen Leefkilometers De vervoerskostenvergoeding wordt beschikbaar gesteld in de vorm van een "gemaximeerde vervoerskostenvergoeding". Voor de hoogte wordt verwezen naar artikel 5.3 van de verordening Bij een inkomen van meer dan het grensinkomen wordt geen vergoeding verstrekt. Gebruik van regiotaxi, taxi, eigen auto of vervoer door derden De financiële tegemoetkoming is gebaseerd op de zogenaamde meerkosten van het collectieve openbare vervoer. Met de tegemoetkoming wordt men in staat geacht ten minste 1700 km per jaar te kunnen reizen. Indien vaststaat dat de gehandicapte geen gebruik kan maken van het collectieve vervoer, dan kan aanspraak gemaakt worden op de hogere vergoeding om de persoon in staat te stellen gebruik te maken van het individuele taxivervoer. Ook als er sprake is van een vervoerspatroon van meer dan 1700 km per jaar, kan aanspraak gemaakt worden op de hogere vergoeding. Gebruik van individueel (rolstoel)taxivervoer In principe kan ook de rolstoelgebruiker gebruik maken van het collectieve vervoer. In voorkomende gevallen is dit tengevolge van individuele omstandigheden niet (goed) mogelijk. Een rolstoeltaxi (over het algemeen een rolstoelbusje of een luxe personenwagen met de mogelijkheid hierin een persoon in een rolstoel gezeten te vervoeren) is duurder dan Regiotaxi of een gewone taxi. Daarom zijn de normvergoedingen hoger dan die voor het gebruik van een gewone taxi. Een al dan niet aangepaste gesloten buitenwagen Een gesloten buitenwagen is een specifiek invalidenvoertuig. Het is dan ook als zodanig omschreven in het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens en moet aan bepaalde eisen voldoen. Een invalidenvoertuig is een: "voertuig dat is ingericht voor het vervoer van een invalide, niet breder is dan één meter en niet is uitgerust met een motor dan wel is uitgerust met een verbrandingsmotor met een cilinderinhoud van ten hoogste 50 cm3 of met een elektromotor" (artikel 1 RVV-1990). De maximum-snelheid binnen de bebouwde kom is 30 km, buiten de bebouwde kom 40 km. Een invalidenvoertuig mag altijd, ook zonder parkeerontheffing, parkeren op een invalidenparkeerplaats algemeen. De gesloten invalidenwagens kunnen voor bepaalde gehandicapten een adequate voorziening zijn indien zich de volgende situatie voordoet: voorkomen van besmetting door anderen (indien de weerstand van de gehandicapte zeer laag is); geen gebruik kunnen/mogen maken van de taxi (bijvoorbeeld vanwege een sterke lichaamsgeur); indien de gehandicapte goed warm moet blijven. Een open elektrische buitenwagen De open elektrische buitenwagen is ofwel een speciale elektrische rolstoel ofwel een zogenaamde plateaurolstoel, beter bekend als de scootmobiel. Wanneer een gehandicapte een elektrische rolstoel heeft voor alleen binnengebruik, kan het gewenst zijn dat hij ook beschikt voor een elektrisch voertuig voor buiten, te gebruiken op korte afstand rond de woning. Voor deze verplaatsingen is het immers over het algemeen niet logisch of zelfs onmogelijk om een taxi te laten komen. De open buitenwagen is over het algemeen uitgevoerd met een elektrische aandrijving. De oude echte open invalidenwagens worden steeds meer vervangen door scootmobielen, waarbij langzamerhand ook een grotere keuze is aan scootmobielen voor gehandicapten met een slechte zitbalans. De scootmobiel is een modern ogend middel, waarmee met name op de kortere afstanden verplaatsingen mogelijk zijn. Om deze reden is er een groeiende vraag naar deze voertuigen. Een scootmobiel is geïndiceerd indien er een substantiële vervoersbehoefte is in de directe omgeving van de woning. Dat kan wanneer de gehandicapte bijvoorbeeld binnen een straal van 1 tot 1,5 kilometer met een scootmobiel zelf boodschappen kan doen, familie kan bezoeken en andere vormen van vrijetijdsbesteding beschikbaar heeft. Een scootmobiel kan in sommige situaties worden verstrekt als aanvulling op een vergoeding voor kosten van gebruik van een voertuig. Een ander verplaatsingsmiddel Er is een aantal andere verplaatsingsmiddelen dat gewenst kan zijn al dan niet in combinatie met een vergoeding voor gebruik van een voertuig. a.De drie- of vierwielfiets Het meest gebruikelijke verplaatsingsmiddel is de fiets. De fiets is een zodanig normaal vervoermiddel, dat de fiets als algemeen gebruikelijk beschouwd kan worden. Om deze reden zal een fiets niet voor verstrekking in aanmerking kunnen komen. Dit geldt evenzeer voor de bromfiets, de fiets met (elektrisch of verbrandingsmotor) trapondersteuning en de Spartamet. Deze redenering gaat niet op voor bijzondere fietsen. Te denken valt daarbij aan driewielfietsen of vierwielfietsen. Deze fietsen worden speciaal gebruikt door gehandicapten met een slecht evenwicht hetgeen het gebruik van een normale fiets gevaarlijk maakt. Deze verplaatsingsmiddelen worden in principe op basis van bruikleen verstrekt. Er wordt dus geen eigen bijdrage gevraagd. De kosten van onderhoud, verzekering en reparatie komen voor rekening van de gemeente. Het gemeentelijk beleid maakt het mogelijk een driewielfiets te verstrekken voor degenen die voor fietsvervoer daarop zijn aangewezen. Leeftijd hoeft daarbij niet van belang te zijn, hoewel er bij kinderen voor verstrekking wel sprake moet zijn van behoefte aan verplaatsing. Een normale (kinder)driewieler kan als algemeen gebruikelijk worden beschouwd en hoeft niet voor verstrekking in aanmerking te komen. Alle driewielfietsen voor kinderen in bijzondere uitvoering kunnen dat in principe wel. b.De tandem De tandem is een fietsmogelijkheid voor personen die zonder hulp van een bestuurder niet zelfstandig tot fietsen in staat zijn. Hierbij kan gedacht worden aan visueel gehandicapten (men is zeer slechtziend of blind) of aan sommige groepen motorisch gehandicapten of aan verstandelijk gehandicapten, waarvoor het noodzakelijk is dat een ander een vast tempo aangeeft en het stuur ter hand neemt. Een tandem is echter geen voorziening speciaal bestemd voor gehandicapten; een normale tandem kan worden beschouwd als algemeen gebruikelijk. Zoals alle algemeen gebruikelijke verplaatsingsmiddelen wordt een tandem dan ook niet verstrekt. Een uitzondering kan worden gemaakt indien sprake is van een tandem in speciale, op de handicap afgestemde uitvoering. In artikel 2.5, lid 5 van de verordening is bepaald dat dan een zogenaamde besparingsbijdrage wordt gevraagd van € 250,00. c.De loopfiets Een loopfiets stelt gehandicapten in staat zich over grotere afstanden te verplaatsen. De loopfiets kan een geschikt hulpmiddel zijn voor gehandicapten die voor het dagelijks verplaatsen gebruik maken van krukken of een stok. Vereist is een goed evenwicht. Indicatie voor een loopfiets zal vooral gelegen zijn in versleten heup- en kniegewrichten. Een goede loopmotoriek is noodzakelijk om van een loopfiets gebruik te kunnen maken. In het kader van de Wvg kan een loopfiets in bruikleen worden verstrekt als verplaatsingsmiddel voor buiten. Voor binnengebruik dient men een beroep te doen op de AWBZ. d.Begeleidingskosten Voor een aantal gehandicapten is het noodzakelijk dat zij bij het reizen begeleid worden. Zo zullen visueel gehandicapten in vreemde situaties grote moeite kunnen hebben de vertrekplaats van bussen te vinden. Auditief gehandicapten kunnen op een station de omroepberichten veelal niet verstaan, zodat zij van belangrijke informatie verstoken blijven. Voor motorisch gehandicapten is de ontoegankelijkheid van de openbare weg en van het openbaar vervoer vaak de oorzaak van een noodzakelijke begeleider bij het verplaatsen. Voor het bestaande openbaar vervoer is een zogenaamde begeleiderskaart beschikbaar. Een gehandicapte die over een begeleiderskaart beschikt kan in het openbaar vervoer, terwijl hij zelf wel betaalt, gratis een begeleider meenemen. Er blijft dan nog een probleem bestaan voor gehandicapten die begeleiding nodig hebben, wanneer zij weggebracht of opgehaald moeten worden. De begeleider zal dan steeds één reis alleen en derhalve als betalend passagier af moeten leggen. In deze gevallen bestaat de mogelijkheid tot het treffen van een zodanige voorziening dat hiermee de extra kosten die hiermee zijn gemoeid (gedeeltelijk) kunnen worden bestreden. Deze vergoeding wordt individueel bepaald en kan nooit hoger zijn dan de normvergoeding die aan de gehandicapte is toegekend. 4.3 Overige vervoerskosten Aanschaf van een auto In principe worden er geen auto's verstrekt, tenzij een medische noodzaak geïndiceerd is. Tot verstrekking kan slechts worden overgegaan indien is gebleken dat geen andere vervoersvoorziening, dan wel combinaties van vervoersvoorzieningen, kan worden beschouwd als goedkoop adequaat, terwijl de vervoerbehoefte aantoonbaar aanwezig is. Voor de aanschaf van een auto wordt een financiële tegemoetkoming verstrekt. Een auto wordt nooit in bruikleen verstrekt. De werkelijke kosten dienen als uitgangspunt genomen te worden bij de vaststelling van de hoogte van de vergoeding. Géén vergoeding wordt verstrekt indien het inkomen meer bedraagt dan het grensinkomen. Overige vervoerskosten Alle overige vervoerskosten komen alleen in aanmerking voor een financiële tegemoetkoming in de kosten indien de voorziening waar de aanvraag betrekking op heeft geïndiceerd is. Onder overige vervoerskosten kunnen verstaan worden: autoaanpassingen; parkeerfaciliteiten. Auto-aanpassingen zijn er op gericht het gebruik van een auto voor de gehandicapte mogelijk te maken voor die gehandicapten die op de auto aangewezen zijn voor het vervoer buitenshuis. Bij de verstrekking van auto-aanpassingen is dan primair de vraag aan de orde of het mogelijk maken van het gebruik van de auto een goedkopere oplossing is dan de verlening van andere adequate vervoersvoorzieningen. Vervolgens is van belang dat een autoaanpassing alleen op medische indicatie verstrekt wordt. Parkeerfaciliteiten kunnen ook voor vergoeding in aanmerking komen. Hoofdstuk5.Verplaatsen in en rond de woning: de rolstoel. 5.1 Verplaatsen in en rond de woning. Artikel 4 lid 1 Wmo, aanhef en onder b luidt: "1. Ter compensatie van de beperkingen die een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 4° , 5° en 6°, ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie, treft het college van burgemeester en wethouders voorzieningen op het gebied van maatschappelijke ondersteuning die hem in staat stellen: (………) zich te verplaatsen in en om de woning; (………)" Dit verplaatsen in en om de woning kan op verschillende wijzen plaatsvinden: met een rollator, lopend met krukken, met een trippelstoel, of met een rolstoel. Van deze voorzieningen valt uitsluitend de rolstoel, net als in de Wvg eerder het geval, onder de Wmo. De andere voorzieningen vallen onder andere wettelijke regelingen en zijn daarom op grond van artikel 3 Wmo uitgesloten. Er is van af gezien - net als in de Wvg - om een begripsomschrijving van een rolstoel te geven. Het is, ook na jaren proberen, nog steeds niet gelukt een kwalitatief goede begripsomschrijving van rolstoel te formuleren. Daarom blijft staan als eerder onder de Wvg: onder rolstoel dient te worden verstaan wat daar over het algemeen in het dagelijkse taalgebruik onder wordt verstaan: een rolstoel is een voorziening ter verplaatsing in en om de woning, soms ook in de directe woon- en leefomgeving, waarbij het gaat om 4 wielen, soms alle vier even groot (een transportrolstoel), soms 2 grote wielen achter en 2 kleine wielen voor, waarbij de rolstoel met de handen aan de achterste wielen kan worden aangedreven. Een rolstoel kan met de hand worden aangedreven, maar ook elektrisch. Ook zijn er motoren die op een rolstoel aangebracht kunnen worden om de rijden met de rolstoel te ondersteunen, lichter te maken. Naast rolstoelen voor verplaatsing zijn er ook rolstoelen, speciaal voor verplaatsing bij sportbeoefening, de zogenaamde sportrolstoelen. 5.2. Algemene uitgangspunten bij selectie rolstoel In artikel 6.2 van de Verordening wordt het recht op een rolstoel als volgt omschreven: Een persoon met beperkingen kan voor een rolstoel in aanmerking worden gebracht indien aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek in belangrijke mate zittend verplaatsen in en om de woning noodzakelijk maken en hulpmiddelen die verstrekt worden op grond van de AWBZ of een andere wettelijke regeling geen adequate oplossing bieden. Een persoon met beperkingen kan voor een sportrolstoel in aanmerking worden gebracht indien aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek het sporten zonder sportrolstoel onmogelijk maken. Mocht een gehandicapte aan bovenstaande voorwaarden voldoen, vraagt de gemeente in de meeste gevallen advies bij de externe medische adviseur. Indien uit het keuzeproces naar voren is gekomen dat een rolstoel de meeste goedkoop adequate voorziening is om de mobiliteitsbeperking van de gehandicapte te verminderen, is de selectie van de rolstoel aan de orde. Het selecteren van een rolstoel is maatwerk; de gekozen rolstoel moet passen bij de gebruiker. De gebruiker moet er goed mee overweg kunnen en de rolstoel moet bruikbaar zijn in de omgeving waar de gebruiker woont en voor de activiteiten die de gebruiker wil ondernemen. Hoewel de selectie van een rolstoel individueel bepaald is, kan een aantal factoren worden genoemd dat bij iedere selectie een rol speelt: a het gebruik; b het gebruiksgebied; c de aandrijving; d de zithouding; e de meeneembaarheid; f antropometrische gegevens. ad a het gebruik Tot de factor gebruik worden zowel de gebruiksfrequentie, de gebruiksduur als het gebruiksdoel gerekend. Bij gebruiksfrequentie en gebruiksduur wordt gekeken hoe vaak de rolstoel over een bepaalde periode gebruikt wordt. Het kan zijn dat een rolstoel gedurende een jaar dagelijks zeer intensief wordt gebruikt en daarna door een andersoortige rolstoel vervangen moet worden, bijvoorbeeld een rolstoel voor een kind in de groei. Het kan ook zijn dat een rolstoel slechts één of twee keer per week gebruikt wordt, maar in principe wel voor een periode van tien jaar met dezelfde rolstoel volstaan kan worden. In het kader van de Wmo is het gebruiksdoel van een rolstoel in eerste instantie verplaatsing binnen en buiten het huis. Een rolstoel wordt dus primair beschouwd als een verplaatsingsmiddel. Met name voor de groep gebruikers die volledig rolstoelafhankelijk is, heeft de rolstoel echter een multifunctioneel karakter. De rolstoel is niet alleen een verplaatsingsmiddel, maar kan tegelijkertijd ook dienen als werkstoel, ruststoel, sportrolstoel. Bij de keus voor een rolstoel moet hiermee rekening gehouden worden. Indien een rolstoel voor meerdere activiteiten geschikt moet zijn, moeten zekere concessies gedaan worden (bijvoorbeeld ten aanzien van de zithouding) of moeten meerdere rolstoelen verstrekt worden, bijvoorbeeld een ruststoel en een sportstoel. Uitgangspunt blijft echter dat de rolstoel in eerste instantie een verplaatsingsmiddel is. Bij bepaalde aanvragen is het van belang dit uitgangspunt in het oog te houden. ad b het gebruiksgebied Er zijn drie gebruiksgebieden te onderscheiden: gebruik binnen, gebruik buiten en gebruik binnen en buiten. Bij de keus van een type rolstoel dient meegewogen te worden of de rolstoel overwegend binnen of buiten gebruikt wordt. Aan rolstoelen voor overwegend buitengebruik worden hoge eisen gesteld aan met name de stabiliteit en de manoeuvreerbaarheid, dat wil zeggen het vermogen van de rolstoel hellingen en drempels te nemen, te draaien en rechtuit te rijden. Bij buitenrolstoelen is verder de actieradius van belang, dat wil zeggen het aantal kilometers dat gereden kan worden zonder dat de accu behoefd te worden opgeladen. Bij rolstoelen voor binnenshuis gelden met name eisen als een beperkte draaicirkel en zodanige afmetingen dat eenvoudig transfers te maken zijn. ad c de aandrijving Aandrijving kan op drie verschillende manieren geschieden: % door middel van het eigen lichaam; % door het bedienen van een aandrijfmechanisme; % voortduwen door anderen. Voor het aandrijven van de rolstoel met het eigen lichaam is kracht nodig. Niet alleen kracht om de rolstoel op gang te brengen, maar ook duwkracht om de rolstoel op gang te houden gedurende een bepaalde tijd. Afhankelijk van de fysieke mogelijkheden van de gebruiker wordt gekozen voor een bepaalde aandrijving (hoepels achter of voor, hefboom, koffiemolen). Indien de gebruiker voorafgaand aan de verstrekking rolstoeltraining heeft gehad in een revalidatiecentrum, kan tijdens deze training worden bekeken of de gebruiker voldoende kracht heeft om langere afstanden te rijden. Onder het bedienen van een aandrijfmechanisme wordt zowel het bedienen van de rem als het besturen van een elektrische rolstoel verstaan. Beschikt de gebruiker over voldoende armfuncties om te remmen en te sturen of zijn aanpassingen noodzakelijk en heeft hij voldoende oriëntatievermogen en verkeersinzicht om aan het verkeer buitenshuis deel te nemen. Dit wordt meestal in een proefopstelling uitgeprobeerd. Na deze proefopstelling wordt in een reële situatie getraind; met een elektrische buitenrolstoel wordt bijvoorbeeld buiten geoefend. Indien gekozen wordt voor een duwrolstoel is het essentieel na te gaan of de begeleider over voldoende kracht en uithoudingsvermogen beschikt om de rolstoelgebruiker voort te duwen, ook over langere afstanden. Verder is het zaak na te gaan of het gebruiksgebied geschikt is om een rolstoel te duwen. In een heuvelachtig gebied is het voortduwen van een rolstoel een zware opgave. Bij het aanmeten van de rolstoel dient tenslotte rekening gehouden te worden met de lengte van de begeleider in verband met de hoogte van de duwhandvaten. ad d de zithouding Mensen die het grootste deel van de dag in een rolstoel doorbrengen hebben belang bij een goede actieve dan wel passieve zithouding en een rust/slaaphouding. De diverse onderdelen van een rolstoel die het lichaam raken, dienen dan ook in afmeting goed aan te sluiten op de lichaamsmaten van de gebruiker. Rolstoelen met een inadequate zitting kunnen (op termijn) tot een scala aan gezondheidsproblemen leiden, zoals vergroeiingen en decubitus (doorzitten), en tot onnodig hoge kosten in de gezondheidszorg. Behalve diverse soorten zit- en rugkussens, al dan niet van anti-decubitusmateriaal, zijn er ook speciale zitorthesen (op maat gemaakte zitschalen) voor gehandicapten die niet in staat zijn zonder hulpmiddelen rechtop te zitten. Om een goede, dynamische zithouding te bevorderen en de druk op het lichaam te ontlasten zijn er verder verstelbare of kantelbare zittingen verkrijgbaar. De benodigde zithouding is niet alleen afhankelijk van de handicap/ functionele beperking, maar ook van de activiteiten die vanuit de rolstoel worden ondernemen. De rolstoel moet dan ook vaak een multifunctioneel karakter hebben. De gebruiker moet immers vanuit zijn rolstoel zichzelf kunnen verzorgen, zich kunnen ontspannen, het huishouden kunnen doen en allerlei andere dagelijkse activiteiten kunnen verrichten. Voor zelfverzorging is het bijvoorbeeld nodig dat de gebruiker eenvoudig transfers kan maken van de rolstoel naar het bed of het toilet. ad e de meeneembaarheid Indien de gebruiker de rolstoel eenvoudig moet kunnen transporteren, is het van belang dat de rolstoel door de gebruiker eenvoudig ineengeklapt, opgevouwen of gedemonteerd kan worden. Op die manier kan de rolstoel meegenomen worden in een kofferbak of achter de bestuurdersstoel. ad f antropometrische gegevens Om een goed passende rolstoel te verstrekken, moet de rolstoel letterlijk aangemeten worden aan de lichaamsmaten van de gebruiker (antropometrische gegevens). Dit aanmeten is niet alleen voor het zitcomfort van belang, maar ook voor een optimaal gebruik van de rolstoel. Een voorbeeld ter illustratie: voor gebruik in huis is het wenselijk dat de rolstoel zo smal en laag mogelijk is. Hierdoor is immers de draaicirkel relatief klein en maken de armleuningen minder kans tegen tafelbladen te stoten. Maatgevend voor de rolstoelzithoogte is de onderbeenlengte en de benodigde minimale vrije ruimte onder de voetplaat van de rolstoel. De onderbeenlengte varieert per persoon en dus varieert ook de zithoogte per persoon. Door de zithoogte per persoon te meten kan de rolstoel passend gemaakt worden en zo laag mogelijk gehouden worden. 6.1.1 Selectie rolstoel en kwaliteitsbeleid Op basis van de genoemde factoren kan een programma van eisen worden opgesteld waaraan de rolstoel moet voldoen om een adequate voorziening te zijn voor de betreffende gebruiker. Aan de hand van dit programma van eisen moet het goedkoopst adequate type rolstoel geselecteerd worden. Om een goede selectie te maken moeten gemeenten en/of adviseurs voldoende zicht hebben op de diverse merken rolstoelen die op de markt verkrijgbaar zijn en steeds over actuele productinformatie beschikken. 5.3 Soorten van rolstoelvoorzieningen Op basis van de vorenstaande keuzefactoren en het daaruit voortvloeiende programma van eisen kan een bepaald soort en merk rolstoel geselecteerd worden. De afgelopen jaren is het assortiment en de kwaliteit van rolstoelen sterk toegenomen. Er is dan ook een groot aanbod van uiteenlopende soorten rolstoelen op de markt, die passen bij diverse programma's van eisen. In deze paragraaf wordt geschetst wat voor soorten rolstoelen beschikbaar zijn. Gezien het uitgebreide assortiment aan rolstoelen en de snelle ontwikkelingen op de markt van rolstoelen, is dit overzicht niet uitputtend. Het tracht slechts een algemeen beeld te geven van de diverse soorten rolstoelen. Rolstoelen zijn meestal modulair ontwikkeld, dat wil zeggen dat fabrikanten rolstoelen ontwikkelen volgens een bouwdoossysteem. Een dergelijk bouwdoossysteem bestaat globaal uit de volgende basiselementen: a houdingsgedeelte: diverse geprofileerde ondersteunings- en fixatiemogelijkheden voor hoofd, romp en armen en benen (extremiteiten); b verplaatsingsgedeelte (frame): diverse standaard breedte- en (zit)hoogtematen en diverse instelmogelijkheden voor de heuphoek; c besturingsgedeelte: diverse typen besturing, zowel mechanisch als elektrisch. Al deze onderdelen zijn op elkaar afgestemd en uitwisselbaar. Veelal bestaat er één bouwdoossysteem voor de categorie mechanisch voortbewogen rolstoelen en één voor rolstoelen die elektronisch voortbewogen worden. De onderdelen van rolstoelen van één bepaald bouwdoossysteem zijn dus goed op elkaar afgestemd. De verschillende merken rolstoelen hebben echter ieder hun eigen bouwdoossysteem, waardoor de onderlinge uitwisseling van onderdelen van verschillende merken rolstoelen niet of nauwelijks mogelijk is. Voor de vorming van een depot en voor de voorraad onderdelen die een serviceorganisatie voor reparatie en onderhoud moet hebben heeft het dus grote voordelen te streven naar een beperkt aantal merken en bouwdoossystemen. In onderstaande alinea's wordt nader ingegaan op de genoemde basiselementen: houdingsgedeelte, verplaatsingsgedeelte en besturingsgedeelte. ad a houdingsgedeelte Om de zithouding te verbetering en actief zitgedrag te stimuleren zijn er rolstoelen met kantelverstelling. Door middel van gasveren kan de rugleuning of het gehele zitgedeelte door de gebruiker zelf gekanteld worden in meerdere standen. ad b verplaatsingsgedeelte Om een adequaat zitcomfort te bieden aan allerlei mensen worden rolstoelen in diverse maatvoeringen geleverd. Zo kunnen veel rolstoelen standaard geleverd worden in verschillende framehoogtes, bijvoorbeeld 45, 50 of 60 cm. De breedtematen van de zitting kunnen eveneens variëren van bijvoorbeeld 32 cm voor een klein kind tot 62 cm voor een zware volwassene. Bekleding kan vervaardigd zijn van kunstleer, nylon of textiel en is verkrijgbaar in meerdere kleuren en dessins. Voor mensen met een verhoogd risico op decubitus (doorzitten) zijn speciale anti-decubituskussens beschikbaar. Rolstoelframes worden gefabriceerd van stalen of aluminium buizen. De frames zijn verchroomd en in diverse lakkleuren leverbaar. ad c besturingsgedeelte Rolstoelen kunnen op diverse manieren aangedreven en bestuurd worden. De gebruiker kan de rolstoel zelf voortbewegen door middel van hoepels of hefbomen. In sommige gevallen kan dit in combinatie met voetbesturing gebeuren of voor lange(
- re)afstanden met een 'koffiemolen', een vijfde wiel dat voor de rolstoel wordt bevestigd en dat wordt voortbewogen door met de handen aan de pedalen te draaien. Een andere manier van voortbewegen is het duwen van de rolstoel door een begeleider. Daarnaast zijn elektrisch aangedreven rolstoelen verkrijgbaar. Tot slot kan onderscheid gemaakt worden in rolstoelen die uitsluitend voor binnen of buitengebruik geschikt zijn dan wel zowel voor binnen als buiten. Rolstoelen die binnenshuis gebruikt worden moeten in ieder geval een kleine draaicirkel hebben en bed, toilet, wasbak moeten goed te benaderen zijn. Deze rolstoelen zijn dan ook relatief smal en licht. Bij rolstoelen voor buitenshuis is vooral stabiliteit op ongelijk wegdek van belang en de mogelijkheid om hindernissen als stoepen en hellingen te nemen. Dergelijke rolstoelen zijn dan ook vaak relatief zwaar. In onderstaande paragrafen wordt nader ingegaan op een vijftal categorieën rolstoelen, te weten handbewogen, elektrische, sport- en kinderrolstoelen en scootmobielen. 5.3.1. Handbewogen rolstoelen Bij handbewogen rolstoelen kan onderscheid gemaakt worden tussen zelfbewegers en duwwandelwagens. Zelfbewegers zijn handbewogen rolstoelen die door de gehandicapte zelf door middel van hoepels (of soms hefbomen) worden voortbewogen. Besturing van deze zelfbewegers vereist een goede arm- en handfunctie en een redelijk uithoudingsvermogen. Zelfbewegers voor gehandicapten met een goede armfunctie hebben in het algemeen kleine wielen voor en grote wielen met hoepels achter. Een dergelijke wielconstructie stelt de gebruiker in staat makkelijk te manoeuvreren en rijdt relatief licht. Door te balanceren op de achterwielen kunnen hindernissen overwonnen worden. Voor gehandicapten die slechts in één hand of arm een sterke functie hebben zijn rolstoelen ontwikkeld met twee hoepels aan één zijde. Rolstoelen met kleine wielen achter en grote wielen voor kunnen voor gehandicapten met een beperkte arm/handfunctie geschikt zijn. De persoonlijke omstandigheden van de gebruiker in combinatie met de te verwachten gebruiksduur geven aanleiding om speciaal te letten op de zithouding en het zitcomfort. Naast handbewogen rolstoelen voor continu gebruik, zijn er tevens handbewogen rolstoelen voor actief gebruik. Deze rolstoelen geschikt voor zowel sportbeoefening als voor dagelijks gebruik als verplaatsingsmiddel. De actief-rolstoel is een lichte, gemakkelijk wendbare en meeneembare rolstoel. Het zitcomfort is echter beperkt. De gebruiker kan en wenst zichzelf over kortere en langere afstanden zelfstandig te verplaatsen. Bij gebruik buitenshuis en over langere afstanden is de aanwezigheid van een begeleider niet noodzakelijk. De persoonlijke omstandigheden van de gebruiker in combinatie met de te verwachten gebruiksduur en gebruiksomstandigheden geven aanleiding om speciaal te letten op: de maatvoering en uitvoering in detail; de in- en afstellingsmogelijkheden van de wielen, assen en delen van het frame; de zithouding en de zitpositie; het zitcomfort en preventie (voorkomen dat het ziektebeeld verslechtert). Deze voorziening is sober maar doelmatig en individueel uitgevoerd en is middels het afnemen van enkele componenten gemakkelijk opvouwbaar. Duwwandelwagens worden voortgeduwd door een begeleider en hebben kleine wielen. Duwwandelwagens kennen verschillende wielconstructies, zoals zwenkwielen voor of achter om het sturen te vergemakkelijken en zijn in de regel opvouwbaar. Er bestaan ook duwwandelwagens met vier vaste wielen. Deze rijden gemakkelijk rechtuit maar zijn moeilijker te besturen. Bij het verstrekken van een duwwandelwagen dient er ook gekeken te worden of deze ook past bij de vaste begeleider. 5.3.2 Elektrische rolstoelen en scootmobielen Mensen voor wie een handbewogen rolstoel niet geschikt of toepasbaar is kunnen in aanmerking komen voor een elektrische rolstoel. Het assortiment elektrische rolstoelen is groot en door voortschrijdende technieken komen er steeds nieuwe modellen met geavanceerde technieken op de markt. Elektrisch aangedreven rolstoelen zijn voor het sturen en rijden meestal voorzien van een zogenaamde joystick-besturing (een pookje dat in vier richtingen verplaatsbaar is om de rijbeweging en snelheid te bepalen). De elektrische rolstoel is uitgevoerd met een eenvoudige, complete en veilige bediening en is geschikt voor langdurig intensief gebruik. De snelheid is traploos regelbaar tot 6 kilometer per uur. De elektrische rolstoelen kunnen zowel binnen als buiten gebruikt worden. Bij gebruik buitenshuis dient de elektrische rolstoel WA-verzekerd te zijn. Nieuwe ontwikkelingen bij elektrische rolstoelen zijn computergestuurde rolstoelen, waarvan het zitgedeelte om zijn as kan draaien en starolstoelen. Starolstoelen hebben een zitgedeelte dat verticaal uitgeklapt kan worden, zodat de gebruiker in de rolstoel kan staan en staand kan rijden. Tot de elektrische rolstoelen worden ook de scootmobielen of plateaurolstoelen gerekend. Scootmobielen zijn de laatste jaren erg in trek. Met name voor ouderen met een goede zitbalans die moeilijk ter been zijn, is de scootmobiel een alternatief voor een duwrolstoel en een aantrekkelijke verplaatsingsmiddel voor de korte afstand (2 tot 3 kilometer). Door de vormgeving wordt de scootmobiel bovendien als minder stigmatiserend ervaren dan een gewone rolstoel. Er zijn 3 categorieën scootmobielen te onderscheiden: voor binnen, voor buiten en voor binnen en buiten. Scootmobielen kunnen geleverd worden met een overkapping, waardoor de scootmobiel het karakter van een gesloten buitenwagen krijgt. 5.3.3 Sportrolstoelen Voor een sportrolstoel komt men ingevolge artikel 6.2 van de verordening in aanmerking als sportbeoefening zonder sportrolstoel onmogelijk is door aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek. Dit om het ook mogelijk te maken aan niet-rolstoelgebruikers via een sportrolstoel aan sport te kunnen doen. Het gebruik van een sportrolstoel voor teamsporten is helder. Daarnaast zijn er ook individuele sporten (marathon bijvoorbeeld) waar men een sportrolstoel voor aan zal vragen. Recreatieve activiteiten worden niet onder sport gerekend. De aanvraag voor een sportrolstoel om in de natuur te zijn zal dan ook afgewezen worden. Om deze reden wordt wel de eis gesteld dat men actief lid is van een gehandicaptensportvereniging, hoewel dat lidmaatschap zijn ook niet alles zegt. Er moet op gewezen worden dat bij veel gehandicaptensportvereniging de mogelijkheid geschapen wordt een sportrolstoel te lenen om uit te proberen of een bepaalde sport die aantrekkelijk lijkt ook bij iemand past. Dit kan nuttig zijn om te voorkomen dat een aangeschafte rolstoel uiteindelijk niet of nauwelijks gebruikt wordt. Een sportrolstoel wordt uitsluitend als persoonsgebonden budget verstrekt. In het bedrag is een deel als bijdrage in de aanschaf van een sportrolstoel bedoeld en een deel voor onderhoud. In uitzonderlijke situaties, waarin bijvoorbeeld een elektrische rolstoel noodzakelijk is voor sport, kan met behulp van een beroep op de hardheidsclausule een hoger bedrag worden verstrekt. Dat zal mogelijk zijn als het inkomen de aanschaf van een elektrische sportrolstoel met een persoonsgebonden budget niet mogelijk maakt. Een uitgebreide individuele beoordeling is hiervoor noodzakelijk. Topsport zal net als bij niet-gehandicapten, vaak hoge uitgaven vergen voor sporthulpmiddelen. Deze regeling is daar niet voor bedoeld. Topsport zal vaak een beroep op sponsoring noodzakelijk maken. De enige sportvoorziening die wordt verstrekt is de sportrolstoel. Net als in de Wvg is gekozen tot deze beperking. Bij de Wvg is de sportrolstoel als uitzondering vanuit de AAW meegenomen. Dit gebeurt nu weer vanuit de Wvg naar de Wmo. Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep in de Wvg is dat terecht. Nu bij invoering van de Wmo geen extra geld beschikbaar is gekomen om ruimere sportvoorzieningen te verstrekken is deze regel vanuit de Wvg in de Wmo aangehouden. 5.3.4. Kinderrolstoelen Bij de verstrekking van kinderrolstoelen gelden enkele specifieke aandachtspunten. Derhalve wordt in dit hoofdstuk apart aandacht besteed aan kinderrolstoelen. Vanaf het moment dat kinderen normaliter kunnen lopen, kunnen zij in principe gebruik gaan maken van een rolstoel. Kinderen leren in het algemeen zeer snel omgaan met een rolstoel. Het gebruik van een rolstoel kan een belangrijke bijdrage leveren aan de ontwikkeling van gehandicapte kinderen. Zelf kunnen rondrijden in een rolstoel biedt het kind uitdagingen. Het stimuleert het kind zelfstandig te worden en zoveel mogelijk gewoon mee te doen en mee te spelen met niet-gehandicapte kinderen. Meestal hebben de kinderen zelf geen moeite de rolstoel te accepteren. Met behulp van de rolstoel kunnen zij namelijk (net als leeftijdsgenootjes) 'lopen' en zich vrij(
- er)bewegen. Kinderen die een zo beperkte arm- en/of handfunctie hebben dat zij aangewezen zijn op een elektrische rolstoel, zijn in het algemeen vanaf ongeveer hun vierde jaar in staat een elektrische rolstoel te bedienen. Tot dat moment zijn zij aangewezen op een buggy of kinderduwwandelwagen. Ouders zullen vaak geneigd zijn het moment van aanschaf van een rolstoel voor hun kind uit te stellen. Een kind dat in een buggy of kinderduwwandelwagen wordt vervoerd maakt immers geen of een minder gehandicapte indruk dan een kind in een rolstoel. De omgeving reageert vaak anders op een kind in een rolstoel dan in een buggy. Met name voor ouders is de aanschaf van de eerste rolstoel voor hun kind een zeer emotioneel moment. De algemene uitgangspunten bij de selectie van een rolstoel zijn ook van toepassing op kinderrolstoelen. Voor kinderrolstoelen geldt in nog hogere mate dan voor rolstoelen voor volwassenen dat de selectie zeer zorgvuldig moet gebeuren. De rolstoel moet op maat zijn. Aangezien kinderen voortdurend groeien is het aan te bevelen de rolstoel zodanig te selecteren dat deze niet jaarlijks vervangen hoeft te worden. Door een rolstoel te kiezen met diverse instel- en aanpassingsmogelijkheden kan de rolstoel met het kind 'meegroeien'. Zo kan een kind in het algemeen drie tot vier jaar met dezelfde rolstoel doen. Kinderrolstoelen moeten zeer wendbaar zijn om kinderen optimale bewegingsvrijheid te geven en te stimuleren actief te zijn. De vormgeving van de rolstoel moet zodanig zijn dat kinderen zich makkelijk kunnen bewegen. Handbewogen kinderrolstoelen zijn meestal van een licht materiaal gemaakt. De rolstoelen moeten echter wel tegen een stootje kunnen om kinderen ook onbezorgd te kunnen laten spelen. Bij kinderrolstoelen is het raadzaam een aantal voorzieningen standaard aan te brengen: anti-kiepwieltjes, duwhandvaten en spaakbeschermers. Wegdraaibare anti-kiepwieltjes zij bij een kinderrolstoel van belang om te voorkomen dat de rolstoel omvalt, indien iemand onverwachts aan de rolstoel trekt. Kinderen kunnen al spelend een rolstoel laten kieperen zonder zich bewust te zijn van de risico's. Omdat kinderen relatief licht zijn is er ook weinig kracht voor nodig om een rolstoel te laten omvallen. Wanneer kinderen moe zijn, is het belangrijk dat zij geduwd kunnen worden. Kinderrolstoelen behoren daarom voorzien te zijn van in hoogte verstelbare duwhandvaten. Indien het kind zelf rijdt, kunnen de handvatten in de laagste stand staan. Indien een ouder de rolstoel duwt, kunnen de handvatten worden uitgetrokken tot de hoogste stand. Op de wielen aangesloten spaakbeschermers zijn van belang om te voorkomen dat kinderen met hun vingers tussen de spaken komen. Op de markt is een ruim aanbod aan kleurrijke kinderrolstoelen verkrijgbaar. Het aanbod aan kinderrolstoelen voor zeer jonge kinderen (2 jaar) is echter beperkt. Hetzelfde geldt voor sportrolstoelen voor kinderen. Het aantal rolstoelen geschikt om in te sporten en te dansen is klein. Het is echter wel een markt die in opkomst is. Sta/zitrolstoelen voor kinderen Vanuit therapeutisch oogpunt is het belangrijk dat kinderen niet de hele dag in een rolstoel zitten, maar van tijd tot tijd rechtop kunnen staan en zich staand kunnen voortbewegen. Hiertoe zijn rolstoelen ontwikkeld, waar het zitgedeelte vervangen kan worden door een 'sta-gedeelte'. Op deze manier kan een kind met één en dezelfde rolstoel zowel zich staand als zittend voortbewegen. De financiering van deze rolstoelen is problematisch. Het 'sta-gedeelte' van de rolstoel is therapeutisch bedoeld en komt niet voor vergoeding via de Wvg in aanmerking. Vanuit de AWBZ kan wel de rolstoel met sta-gedeelte vergoed worden, maar niet het zitgedeelte. In de praktijk kan dit ertoe leiden dat vanuit de AWBZ en vanuit de Wvg een aparte voorziening wordt verstrekt: een loopvoorziening en een rolstoel. Deze dubbele verstrekking is per saldo duurder dan de verstrekking van één rolstoel waarop niet alleen een zitgedeelte maar ook een sta-gedeelte gemonteerd kan worden. Bij een dergelijke voorziening behoeft het onderstel immers slechts eenmaal gefinancierd te worden. In een voorkomend geval zal contact worden opgenomen met de ziektekostenverzekeraar om de kosten gezamenlijk te financieren. 5.3.5. Aanpassingen aan rolstoelen De diverse soorten rolstoelen, die hierboven beschreven zijn, worden in het algemeen in een standaarduitvoering geleverd. Door verbetering van de rolstoeltechniek is het inmiddels mogelijk diverse maatvoeringen van rolstoelen standaard te leveren, bijvoorbeeld extra breed zitdeel voor dikkere mensen. Desondanks is het vaak nodig om individuele aanpassingen (adaptaties) te realiseren om een rolstoel te verkrijgen die adequaat is. Een deel van deze aanpassingen kan worden gerealiseerd door standaardcomponenten aan de rolstoel toe te voegen. Bij handbewogen rolstoelen komen deze aanpassingen door middel van standaardcomponenten veelvuldig voor. Een ander deel van de benodigde aanpassingen zal individueel en op maat gemaakt moeten worden in de werkplaats van een leverancier of een revalidatiecentrum door een adaptatietechnicus. Met name deze laatste, individuele aanpassingen kunnen kostbaar zijn door de arbeidstijd die met het ontwerpen en vervaardigen van de aanpassing gepaard gaat. Dergelijke op maat te maken aanpassingen moeten meestal worden aangebracht bij elektrische rolstoelen. Dit ligt voor de hand, omdat de gebruikers van elektrische rolstoelen in het algemeen meerdere of zwaardere functiestoornissen hebben dan gebruikers van handbewogen rolstoelen. Aanpassingen aan rolstoelen zijn te onderscheiden in: a zit-, rug- en ondersteuningsdelen; b rijgedeelte: frame, aandrijving wielen en eventueel motoren; c bediening en/of besturing. ad a zit-, rug- en ondersteuningsdelen Voor mensen die de hele dag of een groot deel van de dag in een rolstoel zitten is de zithouding erg belangrijk. Gehandicapten die als gevolg van hun stoornis geen of een verminderde stabiele zithouding hebben, kunnen een goede zitbalans krijgen door specifieke zitkussens en op maat gemaakte zitschalen (zitorthesen), rugsteunen, fixatiegordels, kantel- en zithoekverstellingen, speciale arm-, hoofd- en beenondersteuningen en hoog/laag systemen (kussens met veerkracht) e.d. Bij gehandicapten met een sensibiliteitsstoornis (voelstoornis) ontbreekt de prikkel om regelmatig te gaan verzitten en zo problemen met bloeddoorstroming e.d. te voorkomen. Deze gehandicapten lopen hierdoor een verhoogd risico op decubitus (doorzitten). Door het aanbrengen van een anti-decubituskussen, drukrollen e.d. kunnen zwakke plekken in het weefsel zoveel mogelijk ontlast worden en kan een optimale drukverdeling van het lichaam bereikt worden. Hierdoor kan de kans op decubitus weggenomen of verminderd worden. Tot slot kunnen ook werkbladen voor ondersteuning of activiteiten aan de rolstoel worden bevestigd als aanpassing. De aanpassingen ten behoeve van een goede zithouding kunnen zowel worden toegepast bij handbewogen als bij elektrische rolstoelen. ad b rijgedeelte: frame, aandrijving wielen en eventueel motoren Bij deze aanpassingen dient gedacht te worden aan verzwaring van het frame bij zware personen, aan rubber hoepelovertrekken en aan hoepels met extra tussenruimte, kogelknoppen of staafjes bij handbewogen rolstoelen om een goede greep mogelijk te maken, ook bij een verminderde handfunctie. ad c bediening en/of besturing Aanpassingen aan het rijgedeelte zijn veelal alleen bestemd voor elektrische rolstoelen. Voor gehandicapten die niet meer over een handfunctie beschikken of ook met een arm- of handondersteuning geen joystick kunnen bedienen is een besturingsvorm door middel van de voet, kin of mond mogelijk, indien bij één van die bewegingen voldoende beweging en coördinatie aanwezig is. 5.3.6 Aanpassingen aan rolstoelen Wmo-geïndiceerde aanpassingen aan rolstoelen worden volledig vergoed. Om een adequate rolstoel te verstrekken kunnen aanpassingen noodzakelijk zijn. Deze aanpassingen vallen derhalve onder de zorgplicht van de gemeenten en dienen vergoed te worden. Zitorthesen Aanpassingen in de vorm van zitorthesen in rolstoelen en kinderduwwandelwagens (op maat gemaakte zitschalen ter correctie van zithouding, bijvoorbeeld bij spasticiteit) worden vanuit de AWBZ vergoed. Achterliggende gedachte voor financiering vanuit de AWBZ is dat zitorthesen (mede) tot doel hebben vergroeiing e.d. tegen te gaan en dus medische problemen voorkomen of uitstellen. Wanneer een rolstoel wordt aangepast met een zitorthese, is de huidige gang van zaken dat de leverancier van de rolstoel de rekening voor de zitorthese naar de betreffende zorgverzekeraar stuurt en de rekening voor de rolstoel naar het . Met het van kracht worden van de nieuwe Regeling hulpmiddelen AWBZ per 1 januari 1994 is hierin een wijziging opgetreden. Zitorthesen die onderdeel uitmaken van een rolstoel of kinderduwwandelwagen komen niet voor vergoeding via deze Regeling hulpmiddelen AWBZ in aanmerking. Indien het aanbrengen van een zitorthese in een rolstoel noodzakelijk is om de rolstoel of kinderduwwandelwagen adequaat te laten zijn, zullen gemeenten op grond van de Wvg een dergelijke zitorthese moeten financieren en verstrekken. Anti-decubituskussen Anti-decubituskussens worden regelmatig toegepast bij rolstoelen om doorzitten te voorkomen. Indien de toepassing van een anti-decubituskussen in een rolstoel nodig is om de rolstoel tot een adequate voorziening te maken, is de gemeente gehouden dergelijke kussens te financieren. 5.3.7. Rolstoeltraining Het goed kunnen omgaan met een rolstoel vereist een zekere vaardigheid die door middel van rolstoeltraining kan worden verkregen. Voor een adequaat en zorgvuldig gebruik van de rolstoel is het van belang dat de gebruiker goed met de rolstoel overweg kan. Dit vergroot niet alleen de zelfstandigheid van de gebruiker maar het zorgt er tevens voor dat de levensduur van de rolstoel wordt verlengd. Niet iedereen komt in aanmerking voor rolstoeltraining. Slechts in die gevallen waarin de adviseur aangeeft dat rolstoeltraining noodzakelijk is, komt de aanvrager voor een dergelijke training in aanmerking. 5.3.8. Rolstoelaccessoires Accessoires worden in bruikleen verstrekt indien daarvoor op verzoek van de gemeente een indicatie is afgegeven (bijvoorbeeld het aanbrengen van spaakbeschermers; voor kinderen en sommige ouderen kunnen deze van belang zijn om te voorkomen dat zij met de vingers tussen de spaken komen). Accessoires worden niet verstrekt wanneer deze kunnen worden beschouwd als algemeen gebruikelijk (een boodschappennet wordt beschouwd als een vervanging van een, algemeen gebruikelijke, boodschappentas en komt dus niet voor verstrekking in aanmerking). Een schootskleed en een been/voetzak worden op verzoek van de gehandicapte standaard meegeleverd met elke rolstoel bestemd voor gebruik buitenshuis. 5.3.9. Onderhoud en reparatie Rolstoelen hebben onderhoud nodig. Het soort onderhoud en de kosten van dit onderhoud variëren per type rolstoel. In principe komen alle onderhoudskosten voor rekening van de gemeente. Bij onderhoud en reparatie van handbewogen rolstoelen moet gedacht worden aan het vervangen van versleten banden of bekleding (bijvoorbeeld van armleuningen), maar ook aan mankementen aan remmen en frame. Bij elektrische rolstoelen en plateaurolstoelen oftewel scootmobielen gaat het om zaken als het bijvullen van de vloeistof in de accu, verhelpen van elektrische storingen en onderhoud van de motor. Een deel van het onderhoud, bijvoorbeeld het regelmatig bijvullen van de accuvloeistof, kan de gebruiker zelf doen. Onderhoudsbeurten en reparaties worden verricht door de leverancier. De kosten komen voor rekening van de gemeente. 5.3.10 Verzekering van de rolstoel Rolstoelen die uitgerust zijn met een (elektro)motor en die tevens gebruik maken van de openbare weg, dienen verplicht verzekerd te zijn tegen wettelijke aansprakelijkheid. In sommige gevallen kan de gemeente besluiten deze verzekering uit te breiden tegen de risico's van brand en diefstal (WA-casco). De kosten van de verzekering komen ten laste van de gemeente. 5.3.11. Kindervoorzieningen Zitondersteuningselementen Voor gehandicapte kinderen die niet in een gewone kinderstoel kunnen zitten zijn er zogenaamde zitondersteuningselementen. Afhankelijk van de beperkingen van een kind zijn er zitondersteuningselementen die meer of minder ondersteuning bieden. Kinderen brengen vaak een groot deel van de dag door in een dergelijke 'stoeltjes'. De specifieke vorm van zitondersteuningselementen heeft als doel vergroeiingen te voorkomen. De kuipvormige voorzieningen zijn bedoeld voor kinderen die veel ondersteuning en correctie nodig hebben om te kunnen zitten. Deze 'kuipstoeltjes' zijn geschikt voor kinderen vanaf ongeveer 14 maanden. Vaak is het de 'eerste voorziening' voor een kind. Zitondersteuningselementen zijn in meerdere maten verkrijgbaar. Aan het zitelement kunnen diverse aanpassingen worden aangebracht, zoals hoofdsteunen en schouderfixatiebeugels. In plaats van een riem is aan het zitelement een vestje vastgemaakt, zodat het kind op een vriendelijke manier gefixeerd kan worden. De kuipen kunnen op een onderstel geplaatst worden. Deze onderstellen zijn in het algemeen zodanig geconstrueerd dat kuipen van diverse maten erop geplaatst kunnen worden. Indien dus een groter kuipje nodig is, omdat het kind is gegroeid, kan het onderstel vaak nog gebruikt worden. Er zijn twee soorten onderstellen beschikbaar: met kleine wielen en met grote wielen. Onderstellen met kleine wielen zijn bedoeld voor gebruik binnen. Door de kuip op een onderstel met grote wielen te plaatsen ontstaat een duwwandelwagen, die geschikt is voor gebruik buiten. Afhankelijk hoe de spierfunctie van een kind zich ontwikkelt, kan een kind na verloop van tijd van een zitondersteuningselement overgaan naar een kinderrolstoel of aangewezen blijven op een duwwandelwagen met een zitorthese. Voor gehandicapte kinderen die een betere spierfunctie hebben en daardoor relatief minder ondersteuning nodig hebben bij het zitten zijn er houten zitondersteuningselementen. Deze stoeltjes lijken op het eerste oog op gewone kinderstoelen. Deze zitondersteuningselementen bieden echter meer steun dan gewone kinderstoelen. Bovendien zijn het voetenplankje en de zijdelen verstelbaar. Ook het onderstel van het zitelement is in hoogte verstelbaar. Door het onderstel in de hoogste stand te zetten kan het kind bijvoorbeeld aan tafel zitten. Vaak zijn deze zitondersteuningselementen voorzien van een werkblad. Voor deze zitondersteuningselementen zijn onderstellen met en zonder wielen verkrijgbaar. Zitelementen zonder wielen worden in het algemeen gebruikt op scholen. Zitelementen met wieltjes worden thuis gebruikt. Alle genoemde zitondersteuningselementen werden tot de invoering van de Wvg in het kader van de AAW verstrekt. Deze voorzieningen kunnen worden beschouwd als een soort voorloper van een rolstoel voor verplaatsing binnen, respectievelijk als vervoermiddel voor buiten en maken derhalve onderdeel uit van de Wvg. Een uitzondering vor