Nadere regeling initiatiefvoorstellen gemeente Neder-BetuweRaadsbesluit Datum besluit: 28 oktober 2004 De raad van de gemeente Neder-Betuwe; gelezen het voorstel van het presidium, d.d. 20 september 2004; gelet op het bepaalde in artikel 147a, lid 3 van de Gemeentewet: BESLUIT: De Nadere regeling initiatiefvoorstellen gemeente Neder-Betuwe als volgt vaststellen: De nadere regeling initiatiefvoorstellen geeft de overwegingen en voorwaarden aan waaronder een initiatiefvoorstel in de gemeente Neder-Betuwe dient te worden ingediend. Bij het indienen van een initiatiefvoorstel staan twee vragen staan centraal: 1. Een initiatiefvoorstel, ja of nee? Wanneer is een initiatiefvoorstel een goed instrument voor een raadslid bij het vervullen van zijn volksvertegenwoordigende en kaderstellende rol? 2. Een initiatiefvoorstel, hoe dan? Als het zinvol is een initiatiefvoorstel in te dienen, waaraan moet een raadslid dan denken bij het opstellen ervan? Deel1Een initiatiefvoorstel: ja of nee? Artikel Het opstellen van een initiatiefvoorstel vergt een flinke investering van tijd en energie. Het is daarom verstandig van te voren goed na te gaan of een initiatiefvoorstel mogelijk en wenselijk is. Onderstaande vijf vragen bieden daartoe aanknopingspunten. Artikelvraag 1Onderwerpkeuze De eerste vraag is uiteraard waar het initiatiefvoorstel ongeveer over gaat. Op welk onderwerp heeft het betrekking? Gaat het over een onderwerp dat de burgers bezig houdt of betreft het juist een meer interne kwestie? In beide gevallen kan het indienen van een initiatiefvoorstel nuttig zijn. Als een raadslid besluit een initiatiefvoorstel in te dienen, dan is het van belang af te wegen of: a. hij met het desbetreffende onderwerp wil worden geassocieerd; b. hij voldoende tijd, expertise en motivatie heeft om de gehele procedure van een initiatiefvoorstel tot een goed einde te brengen. ArtikelVraag 2Aard van het op te lossen probleem Als het onderwerp globaal is vastgesteld, moet een preciezere probleemstelling worden geformuleerd. Anders gezegd: welk probleem wil het raadslid aanpakken? Dikwijls is het zaak een complex en/of diffuus probleem tot hanteerbare proporties terug te brengen. ArtikelVraag 3Wat kan de gemeentelijke overheid doen aan de oplossing van het probleem? De derde stap is het beantwoorden van de vraag wat de gemeentelijke overheid kan doen aan de oplossing van het probleem? Deze vraag valt in twee deelvragen uiteen: In hoeverre is de oplossing van het probleem überhaupt vatbaar voor beïnvloeding door de overheid? Zo ja, ligt het dan op de weg van de gemeentelijke overheid op dit vlak stappen te ondernemen? Als beide vragen positief zijn beantwoord, ligt de volgende vraag voor de hand. ArtikelVraag 4Bestaat er ten aanzien van het onderwerp al gemeentelijk beleid of is er beleid in ontwikkeling? Vaak bestaat er op het vlak van het gekozen onderwerp al enig gemeentelijk beleid of is dat in ontwikkeling. Ook kan er sprake zijn van een grote verwevenheid met ander beleid van de gemeente. In die gevallen moet het raadslid zichzelf de vraag stellen wat zijn initiatiefvoorstel daaraan toevoegt. Als de toegevoegde waarde gelet op het al bestaande of toekomstige gemeentelijke beleid voldoende is, ligt een initiatiefvoorstel mogelijk in het verschiet. ArtikelVraag 5Alternatieven voor een initiatiefvoorstel De laatste stap die een raadslid zet, voordat hij echt aan de slag kan met zijn initiatiefvoorstel, is het beantwoorden van de vraag of er niet een beter alternatief voorhanden is voor het vervullen van zijn volksvertegenwoordigende rol. Kan hij niet beter een motie indienen bij de begroting of de voorjaarsnota (of bij een andere geschikte gelegenheid)? Of het onderwerp als agendapunt opvoeren voor een commissievergadering of een plenaire raadsvergadering? Of mondelinge dan wel schriftelijke vragen stellen aan het college? Deze alternatieven zijn vooral relevant indien het onderwerp primair de uitoefening van een collegebevoegdheid betreft. Denkbaar is ook het ene te doen zonder het andere te laten. Soms, bijvoorbeeld als het om een gevoelig onderwerp gaat, kan het namelijk verstandig zijn eerst een minder zwaar instrument in te zetten. Als in zo’n geval dan blijkt dat het college niet of onvoldoende bereid is de zaak aan te pakken, bijvoorbeeld doordat het een aangenomen motie naast zich neerlegt, is indiening van een initiatiefvoorstel te overwegen. Deel2Een initiatiefvoorstel: hoe dan? Artikel Als een raadslid na beantwoording van de hiervoor vermelde vragen tot de conclusie komt dat indiening van een initiatiefvoorstel verstandig is, dan komt het opstellen van een dergelijk voorstel aan de orde. Hierbij zijn drie stappen te onderscheiden. ArtikelStap 1Wat moet er in het initiatiefvoorstel? In het verlengde van de vijf bij punt 1 gestelde vragen komt het raadslid voor de vraag te staan, wat de inhoud van zijn initiatiefvoorstel moet zijn. Met name de aangescherpte probleemstelling uit vraag 2 kan daarbij dienstig zijn. Betrekkelijk eenvoudig is de optie dat hij een initiatiefvoorstel indient om in de raad (en mogelijk ook met burgers en maatschappelijke organisaties) een discussie over een bepaald probleem te voeren. Deze optie is meer gericht op het proces. Daarbij hoeven niet direct oplossingen aangedragen te worden. Oplossingen zouden eventueel voorwerp van een vervolgvoorstel kunnen zijn. Ingewikkelder is het wanneer het raadslid ook uitgewerkte voorstellen voor inhoudelijke oplossingen wil aanreiken. Daarbij kan het gaan om: • gemeentelijke regelgeving; • feitelijk beleid (voorzover het tot de bevoegdheid van de raad behoort); • een verzoek aan het college ten aanzien van de uitoefening van zijn bevoegdheden; • een combinatie van de vorige drie mogelijke onderwerpen. Als een raadslid overweegt een initiatiefvoorstel in te dienen dat een verzoek inhoudt aan het college met betrekking tot een van zijn bevoegdheden lijkt het raadzaam een goede afweging te maken tussen het indienen van een initiatiefvoorstel en de eerder genoemde alternatieven die de raad ten dienste staan (motie, vragen). ArtikelStap 2Andere praktische voorbereidingen Als de contouren van het initiatiefvoorstel zijn getrokken, kan het eigenlijke werk bijna beginnen. Daarbij moet het raadslid zich nog wel afvragen of hij het voorstel in zijn eentje (of met één of meer fractiegenoten of misschien met raadsleden van andere partijen samen) schrijft of dat hij hulp van buiten inroept. Daarbij kan gedacht worden aan bijvoorbeeld ambtenaren, deskundigen van belangengroepen, groepen burgers, de steunfractie of (geestverwante) raadsleden van andere gemeenten die al een soortgelijk voorstel hebben ingediend. Met name in het kader van de vertegenwoordigende rol van het raadslid kan het inschakelen van externen een zeker positief effect sorteren. Verder is het zaak om in dit stadium (of nog eerder) na te denken over zaken als: • de te volgen tactiek (is een breed politiek draagvlak vooraf gewenst of juist niet vanwege de profilering); • het tijdschema (handig voor de formele procedure en voor externe communicatie); • relevante communicatieve aspecten (persbericht, berichten op website, persconferentie). ArtikelStap 3Het schrijven van het initiatiefvoorstel Een initiatiefvoorstel bestaat in het algemeen uit een ontwerpbesluit, een toelichting en een aanbiedingsbrief. Deze drie onderdelen behoeven elk de nodige aandacht. Het ontwerpbesluit De kern van het initiatiefvoorstel is het ontwerpbesluit. Dit ontwerpbesluit bevat deelbesluiten van zowel inhoudelijke als procedurele aard. De inhoudelijke besluiten betreffen één of meer van de drie eerder genoemde onderwerpen: regelgeving, feitelijk (raads)beleid en verzoeken aan het college. De procedurele aspecten betreffen: a. de verdere tenuitvoerlegging van de besluiten (meestal opgedragen aan het college); b. de datum van inwerkingtreding van de besluiten; c. de eventuele evaluatie van de besluiten; d. de eventuele datum van buitenwerkingtreding van de besluiten (horizonbepaling). Kenmerk van (de onderdelen van) een ontwerpbesluit is dat de formulering voldoende precies moet zijn om geen onduidelijkheid te laten bestaan bij de uitvoerende instanties en anderen aan wie het besluit iets opdraagt. Verder moet de formulering dusdanig helder zijn dat amendering mogelijk is. Voor het overige varieert de vorm van onderdelen van ontwerpbesluiten nogal. Indien gemeentelijke verordeningen moeten worden aangepast of aangevuld, vraagt dat een hoge mate van nauwkeurigheid. Dat geldt uiteraard evenzeer als het initiatiefvoorstel een geheel nieuwe verordening betreft. Tijdige controle of ambtelijke ondersteuning door een terzake juridisch geschoolde ambtenaar van de gemeente is in deze gevallen dan ook zeer aan te bevelen. Zie bijlage I voor voorbeelden van formuleringen van een ontwerp-besluit. Besloten in de raadsvergadering van 28 oktober 2004, de griffier, de voorzitter A.J.D. Fukkink ir. A.P. HeidemaNota-toelichting De toelichting is vormvrij. Bij een wat omvangrijker ontwerpbesluit kan het geen kwaad om naast een algemene toelichting een op de afzonderlijke deelbesluiten gerichte, meer gedetailleerde toelichting (bijvoorbeeld per artikel) op te nemen. Zowel de algemene als de onderdeelsgewijze toelichting moeten een adequaat antwoord geven op twee vragen: 1. waarom is terzake gemeentelijk beleid nodig? 2. waarom is dit beleid nodig? 3. waarom zijn de regels zo geformuleerd als in het voorstel staat; hoe helpt dat het gewenste doel naderbij te brengen? Ontwerpbesluit en toelichting worden aan de raad aangeboden met een aanbiedingsbrief. Het verdient aanbeveling deze aanbiedingsbrief kort te houden. Met een korte aanduiding van het hoe en waarom van het voorstel kan worden volstaan. Tevens kunnen enkele elementaire procedurele aspecten worden vermeld, met name de data van behandeling door de raadscommissie(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.