Participatieverordening gemeente Vlaardingen 2010De gemeenteraad van Vlaardingen, Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van gelet op artikel 147, eerste lid van de Gemeentewet, de artikelen 7, 8, 10 en 10a van de Wet werk en bijstand, de artikelen 34, 35, 36 en 38a van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de artikelen 34, 35, 36 en 38a van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen en de artikelen 8, 19, vijfde lid, 23, derde lid, en 35 van de Wet Inburgering; overwegende dat de gemeente het streven van het Rijk naar een hoge mate van participatie van de ingezetenen in de maatschappij onderschrijft, dat dit streven gebaat is bij een gezamenlijke aanpak van arbeidsintegratie, maatschappelijke integratie en inburgering en dat het door wijzigingen in de Wet werk en bijstand en de Wet inburgering noodzakelijk is de bestaande Participatieverordening te herzien, Besluit: vast te stellen de Participatieverordening gemeente Vlaardingen 2010: Hoofdstuk1Algemene bepalingen Artikel1Begripsbepalingen 1. In deze verordening wordt verstaan onder: a. het college het college van Burgemeester en Wethouders van Vlaardingen; b. uitkeringsgerechtigden personen jonger dan 65 jaar met een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), de IOAW of de IOAZ; c. inburgeringsplichtigen personen zoals omschreven in artikel 3 van de Wet Inburgering (WI); d. vrijwillige inburgeraars personen zoals omschreven in artikel 1, onderdeel r, van de WI; e. Anw-ers personen met een nabestaanden- of halfwezen- uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet; f. nuggers niet-uitkeringsgerechtigden als bedoeld in artikel 6, onderdeel a, van de WWB; g. doelgroep personen, die hun woonplaats hebben in Vlaardingen, en aan wie op grond van artikel 7, eerste lid, onderdeel a van de WWB, artikel 34, eerste lid, onderdeel a van de IOAW en artikel 34, eerste lid, onderdeel a van de IOAZ door het college ondersteuning kan worden geboden; h. voorziening de voorziening gericht op arbeidsinschakeling, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a van de WWB, artikel 34, eerste lid, onder a van de IOAW en artikel 34, eerste lid, onder a van de IOAZ; i. ondersteuning ondersteuning bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a van de WWB, artikel 34, eerste lid, onder a van de IOAW en artikel 34, eerste lid, onder a van de IOAZ j. IOAW Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers; k. IOAZ Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; l. UWV Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen Uitvoerder van de WW, WAO, WIA, Ziektewet, Wajong en Waz; m. subsidie de aanspraak op financiële middelen, door een bestuursorgaan verstrekt met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager anders dan als betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde goederen of diensten; n. premie financiële beloning ter bevordering van arbeidsinschakeling; o. algemeen geaccepteerde arbeid arbeid als bedoeld in artikel 9, eerste lid van de WWB; p. aflossingscapaciteit het door het college vastgestelde percentage van de bijstandsuitkering dat voor verrekening met schulden kan worden aangewend. q. vrijstellend examen een examen zoals bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit inburgering 2. De begripsbepalingen van de WWB en de WI zijn op deze verordening van toepassing, tenzij daarvan in deze verordening uitdrukkelijk wordt afgeweken. Hoofdstuk2WWB, IOAW en IOAZ Afdeling1Beleid en financiën Artikel2Opdracht college 1. Ingevolge artikel 7 van de WWB, artikel 34 van de IOAW en artikel 34 van de IOAZ biedt het college ondersteuning aan leden van de doelgroep en zorgt voor een voldoende gevarieerd aanbod van voorzieningen. Het college houdt daarbij rekening met de aard en de omvang van de verschillende binnen de doelgroep te onderscheiden groepen en de voorzieningen die het geschiktst zijn voor de leden van die groepen. 2. Het college kan bij het bepalen van het aanbod van voorzieningen prioriteiten stellen in verband met de financiële mogelijkheden dan wel de maatschappelijke, economische of conjuncturele ontwikkelingen. Artikel3Beleidsplan 1. Het college stelt ter nadere uitvoering van deze verordening vierjaarlijks een beleidsplan vast, waarin de doelstellingen en de beoogde resultaten worden aangegeven. 2. Het college doet eenmaal per jaar verslag aan de gemeenteraad over de doeltreffendheid en de resultaten van het beleid. Dit verslag wordt vormgegeven conform het verslag als bedoeld in artikel 77, eerste lid van de WWB. Artikel4Subsidie- of budgetplafonds en plafonds betreffende voorzieningen 1. Het college kan in het beleidsplan een of meer subsidie- of budgetplafonds vaststellen voor de verschillende voorzieningen. 2. Het college kan in het beleidsplan tevens een plafond instellen voor het aantal personen dat in aanmerking komt voor een specifieke voorziening. 3. Een door het college ingesteld plafond vormt enkel een weigeringsgrond bij de aanspraak op de desbetreffende specifieke voorziening. Afdeling2Aanspraken van de doelgroep Artikel5Aanspraak op ondersteuning 1. Leden van de doelgroep hebben aanspraak op ondersteuning bij de arbeidsinschakeling. 2. De in het eerste lid bedoelde ondersteuning kan bestaan uit: a. ondersteuning bij de verwerving van arbeid; b. ondersteuning bij het behoud van arbeid; alsmede c. een voorziening als bedoeld in artikel 6. Artikel6Voorzieningen 1. Het college kan een persoon binnen de doelgroep een voorziening aanbieden. Een voorziening wordt slechts aangeboden voor zover het college deze noodzakelijk acht voor de arbeidsinschakeling van de desbetreffende persoon. 2. De in het eerste lid bedoelde voorziening kan bestaan uit: a. ondersteuning bij het verwerven en behouden van arbeid; b. ondersteuning bij het verbeteren of behouden van de positie op de arbeidsmarkt of binnen de maatschappij; c. ondersteuning bij het wegnemen van belemmeringen voor de arbeidsinschakeling; d. ondersteuning bij de verwerving van een dienstverband als bedoeld in artikel 2, eerste lid van de Wet sociale werkvoorziening; en e. gesubsidieerde arbeid. 3. Onverminderd het tweede lid kan een voorziening tevens zien op: a. de noodzakelijke kosten samenhangende met de deelname aan een voorziening; b. de kosten ter bepaling van de noodzakelijkheid en inhoud van een voorziening; en c. de noodzakelijke kosten in verband met loonvormende arbeid. Artikel6aScholing bij onbeloonde additionele arbeid Voor zover een uitkeringsgerechtigde niet beschikt over een startkwalificatie wordt binnen zes maanden na aanvang van de onbeloonde additionele werkzaamheden, bedoeld in artikel 10a, eerste lid, WWB, artikel 38a IOAW en artikel 38a IOAZ, door het college beoordeeld in hoeverre scholing of opleiding kan bijdragen aan vergroting van de kans op arbeidsinschakeling. Het college betrekt bij deze beoordeling in ieder geval: a. het oordeel van degene in wiens opdracht de belanghebbende de additionele werkzaamheden uitvoert, b. de krachten en bekwaamheden van belanghebbende en c. de scholingswens van de belanghebbende. Artikel7Uitbreiding doelgroep In afwijking van artikel 5, eerste lid van deze verordening kan het college de aanspraak op bepaalde vormen van ondersteuning ook openstellen voor: a. personen die in de gemeente Vlaardingen hun woonplaats hebben en aan wie het UWV een uitkering verstrekt; en b. uitkeringsgerechtigden zonder adres als bedoeld in artikel 1 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, die staan ingeschreven op een door het college aangewezen postadres. Artikel8Uitvoeringsbesluit 1. Bij uitvoeringsbesluit kan het college ten aanzien van de verschillende vormen van ondersteuning, met inachtneming van hetgeen daarover in het Beleidsplan is bepaald, nadere regels stellen. Deze regels hebben in ieder geval betrekking op: a. aan wie, onder welke voorwaarden, welke vorm van ondersteuning kan worden aangeboden; b. de weigeringgronden; en c. de beëindiginggronden. 2. Daarnaast kunnen de regels bedoeld in het eerste lid tevens zien op: a. de verstrekking van subsidies; b. de intrekking of wijziging van de subsidieverlening of – vaststelling; c. de aanvraag van en de besluitvorming over subsidies en premies; d. de betaling van subsidies, inburgerings- of taalkennisvoorzieningen en het verlenen van voorschotten; e. het vragen van een eigen bijdrage; f. overige criteria voor het aanbieden van voorzieningen en het verstrekken van subsidies. Afdeling3Verplichtingen van de doelgroep en premies Artikel9Verplichtingen 1. Een uitkeringsgerechtigde is verplicht van de hem aangeboden vorm van ondersteuning gebruik te maken. 2. Elke persoon die deelneemt aan een voorziening is daarnaast gehouden aan de verplichtingen die voortvloeien uit de WWB, de IOAW, de IOAZ, de Wet Structuur Uitvoering Werk en Inkomen en deze verordening. 3. Het college kan in aanvulling op de in het tweede lid genoemde verplichtingen, voor een deelnemend persoon extra verplichtingen aan een voorziening verbinden. Deze persoon is dan tevens aan deze verplichtingen gehouden. 4. Indien een bijstandsgerechtigde die deelneemt aan een voorziening, niet voldoet aan de in het tweede en derde lid genoemde verplichtingen, kan het college de uitkering verlagen conform hetgeen hierover is bepaald in de verordening op basis van artikel 8, eerste lid, onder b van de WWB. 5. Indien een persoon, niet zijnde een uitkeringsgerechtigde, die gebruik maakt van een voorziening, niet voldoet aan de in het tweede en derde lid genoemde verplichtingen, kan het college de kosten van de ondersteuning en/of voorziening geheel of gedeeltelijk van hem terugvorderen. Artikel10Premies 1. Het college kan aan een werkgever, die personen - die behoren tot de doelgroep - duurzaam tewerkstelt, een premie verstrekken tot een maximum van € 2.500. 2. Het college verstrekt aan een uitkeringsgerechtigde, die gedurende zes maanden gemiddeld 20 uur of meer onbeloonde additionele arbeid op een participatieplaats heeft verricht conform artikel 10a, zesde lid van de WWB, artikel 38a van de IOAW en artikel 38a van de IOAZ, een premie, indien de uitkeringsgerechtigde naar het oordeel van het college voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kans op inschakeling in de arbeid. 3. De premie, bedoeld in het tweede lid bedraagt € 300 bij een werkweek van gemiddeld 32 uur en wordt bij een kortere werkweek naar evenredigheid verminderd. 4. Het recht op premie als bedoeld in het tweede lid, wordt elke zes maanden beoordeeld. 5. Onverminderd het tweede lid komen ook personen als bedoeld in artikel 7, derde lid, laatste volzin, van de WWB voor een premie in aanmerking indien zij aan alle voorwaarden voldoen. Hoofdstuk3Wet Inburgering Afdeling1Informatieverstrekking Artikel11De informatieverstrekking aan inburgeringsplichtigen 1. Het college draagt er zorg voor dat de inburgeringsplichtigen op een doeltreffende en doelmatige wijze worden geïnformeerd over hun rechten en plichten uit hoofde van de WI en over het aanbod van en de toegang tot inburgeringsvoorzieningen. 2. Het college richt ten behoeve van de informatieverstrekking aan inburgeringsplichtigen in ieder geval een gemeentelijk informatiepunt in. 3. Het college zal de (potentieel) inburgeringsplichtigen actief benaderen met informatie over de inburgeringsplichtigheid. 4. Het college beoordeelt tenminste eens in de twee jaren de doeltreffendheid en doelmatigheid van de informatieverstrekking aan de inburgeringsplichtigen en rapporteert daarover aan de raad. Afdeling2Doelgroepen en samenstelling van het aanbod aan de inburgeringsplichtige Artikel12Aanbod aan de inburgeringsplichtige 1. Het college kan – voor zover haar op basis van de WI daartoe de mogelijkheden worden geboden – aan de inburgeringsplichtige een aanbod doen. 2. De voorzieningen, bedoeld in artikel 6 van deze verordening kunnen onderdeel uitmaken van het in de voorgaande leden genoemde aanbod. 3. Op verzoek van de inburgeringsplichtige kan het college de inburgeringsvoorziening, de taalkennisvoorziening of de inburgeringscomponent van de gecombineerde voorziening aanbieden in de vorm van een persoonlijk inburgeringsbudget, indien de inburgeringsplichtige een projectplan heeft ingediend dat naar het oordeel van het college adequaat voorbereidt op het binnen de termijn, bedoeld in artikel 7 van de WI, afleggen van een examen dan wel het kunnen afronden van een beroepsopleiding, als bedoeld in artikel 19, derde lid van de WI. 4. Het college betaalt het persoonlijk inburgeringsbudget uit aan het inburgeringsbedrijf waarmee de inburgeringsplichtige een overeenkomst sluit. 5. Het college doet geen aanbod indien de IB-groep de inburgeringsplichtige een lening heeft verstrekt als bedoeld in artikel 16 van de WI of een persoonsvolgend budget als bedoeld in artikel 3 van de Regeling persoonsvolgend budget voor inburgering in de opvang. Artikel13De samenstelling van de inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening 1. Het college stemt de inburgeringsvoorziening of de taalkennisvoorziening zo veel mogelijk af op het startniveau alsmede de talenten, capaciteiten en ambities van de inburgeringsplichtige. 2. De inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening heeft tot doel dat de inburgeringsplichtige na het doorlopen van de voorziening het inburgeringsexamen dan wel een ander vrijstellend examen heeft behaald. Artikel14De eigen bijdrage 1. De eigen bijdrage, bedoeld in artikel 23, tweede lid, WI wordt in één termijn betaald. 2. De inning vindt na beëindiging van de inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening plaats. 3. Het college kan aan personen die met goed gevolg het inburgeringsexamen hebben doorlopen een vergoeding verstrekken. 4. De in het vorige lid bedoelde vergoeding wordt verrekend met de eigen bijdrage. Artikel15Uitzonderingen bij de inning van de eigen bijdrage 1. Indien de in het eerste lid van artikel 14 aangegeven vorm van inning voor de inburgeringsplichtige aantoonbaar problemen oplevert, kan het college in afwijking daarvan de inning over meerdere termijnen spreiden. 2. In afwijking van het eerste lid wordt bij een inburgeringsplichtige die algemene bijstand ontvangt het aantal termijnen afgestemd op de binnen zijn uitkering beschikbare aflossingcapaciteit. 3. Indien het college de eigen bijdrage verrekent met de uitkering van de uitkeringgerechtigde, wordt dat in de beschikking vastgelegd. Artikel16Opleggen van verplichtingen Het college kan een inburgeringsplichtige voor wie een inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening is vastgesteld bij beschikking een of meer van de volgende verplichtingen opleggen: a. het deelnemen aan de aangeboden en geaccepteerde inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening; b. het deelnemen aan door het college geïnitieerde (voortgangs-) gesprekken; c. het voor de eerste keer deelnemen aan het inburgeringsexamen of het staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II op een tijdstip dat door het college wordt bepaald; d. het melden van alle omstandigheden die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de deelname aan de inburgeringsvoorziening; alsmede e. het tijdig toestemming vragen om op vakantie te gaan. Afdeling3Het aanbod van een inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening Artikel17De procedure van het doen van een aanbod 1. Het college doet het aanbod, bedoeld in artikel 19, eerste of tweede lid van de WI schriftelijk. Het aanbod wordt gedaan tijdens het gesprek naar aanleiding van het inburgeringsonderzoek. 2. In het aanbod wordt een omschrijving gegeven van de inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening die wordt aangeboden en worden de rechten en verplichtingen vermeld die aan de inburgeringsvoorziening worden verbonden. 3. De inburgeringsplichtige kan het aanbod direct bij het in het eerste lid genoemde gesprek aanvaarden. Hij kan echter ook om een bedenktijd van maximaal 2 weken verzoeken. 4. Maakt de inburgeringsplichtige gebruik van de in het vorige lid genoemde bedenktijd, dan neemt het college – zo de inburgeringsplichtige het aanbod niet eerder heeft aanvaard of geweigerd – contact met de inburgeringsplichtige op. In dit contact dient de inburgeringsplichtige dan alsnog aan te geven of hij het aanbod al dan niet aanvaardt. 5. Indien de inburgeringsplichtige het aanbod aanvaardt, neemt het college binnen maximaal vier weken na ontvangst van deze mededeling het besluit tot toekenning van de inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening, overeenkomstig het gedane aanbod. Afdeling4De bestuurlijke boete Artikel18De hoogte van de bestuurlijke boetes voor de verschillende overtredingen 1. De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 200 indien de inburgeringsplichtige of de persoon ten aanzien van wie het college op redelijke gronden kan vermoeden dat deze inburgeringsplichtig is geen of onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek, bedoeld in artikel 25, vierde lid, van de WI. 2. De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 200 indien de inburgeringsplichtige geen of onvoldoende medewerking verleent aan de uitvoering van de voor hem vastgestelde inburgeringvoorziening of taalkennisvoorziening, bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de WI of aan de verplichtingen bedoeld in artikel 16 van deze verordening. 3. De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 200 indien de inburgeringsplichtige niet binnen de in artikel 7, eerste lid, van de WI bedoelde termijn of binnen de door het college op grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel a, van de WI verlengde termijn het inburgeringexamen heeft behaald. Artikel19Verhoging van de bestuurlijke boete bij herhaling van de overtreding 1. De bestuurlijke boete voor overtredingen, bedoeld in artikel 18, eerste lid, bedraagt ten hoogste € 250 indien de inburgeringsplichtige zich binnen twaalf maanden na de vorige als verwijtbaar aangemerkte overtreding opnieuw schuldig maakt aan dezelfde overtreding. 2. De bestuurlijke boete voor overtredingen, bedoeld in artikel 18, tweede lid, bedraagt ten hoogste € 400 indien de inburgeringsplichtige zich binnen twaalf maanden na de vorige als verwijtbaar aangemerkte overtreding opnieuw schuldig maakt aan dezelfde overtreding. 3. De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 400 indien de inburgeringsplichtige niet binnen de door het college op grond van artikel 32 van de WI vastgestelde termijn het inburgeringexamen heeft behaald. 4. De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 1.000 indien de inburgeringsplichtige niet binnen de door het college op grond van artikel 33 van de WI vastgestelde termijn het inburgeringexamen heeft behaald. Afdeling5Vrijwillige inburgering Artikel20Informatieverstrekking aan de vrijwillige inburgeraar Artikel 11 is van overeenkomstige toepassing. Artikel21Aanbod aan de vrijwillige inburgeraar 1. Het college kan een inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening aanbieden aan een vrijwillige inburgeraar. 2. Artikel 12, het eerste tot en met vierde lid, is van overeenkomstige toepassing. Artikel22Samenstelling van het aanbod Artikel 13 is van overeenkomstige toepassing. Artikel23Procedure van het doen van een aanbod 1. Alvorens een aanbod te doen, informeert het college naar de wensen van de vrijwillige inburgeraar ten aanzien van de totstandkoming en samenstelling van de inburgeringsvoorziening en treedt mondeling in overleg over de mogelijkheden om die wensen te verwezenlijken. 2. Artikel 17 is van overeenkomstige toepassing. Artikel24De eigen bijdrage Vrijwillige inburgeraars voor wie een inburgeringsvoorziening of een taalkennisvoorziening is vastgesteld, zijn geen eigen bijdrage verschuldigd. Artikel25Niet nakoming inburgeringsovereenkomst Het college kan de aangeboden inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening intrekken en de kosten van die voorziening geheel of gedeeltelijk van de vrijwillige inburgeraar terugvorderen, indien deze inburgeraar de overeenkomst, bedoeld in artikel 24d, tweede lid van de WI, niet of niet volledig nakomt. Artikel26Vaststellen identiteit Het college stelt de identiteit van de vrijwillige inburgeraar vast aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. Afdeling6Overige bepalingen Artikel27Bepalingen hoofdstuk 2 De bepalingen van hoofdstuk 2, afdeling 1 zijn op dit hoofdstuk van overeenkomstige toepassing. Hoofdstuk4Slotbepalingen Artikel28Hardheidsclausule Het college kan ten gunste van de belanghebbende afwijken van de bepalingen van deze verordening, indien de toepassing hiervan leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. Artikel29Situaties waarin deze verordening niet voorziet In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffende, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college. Artikel30Intrekking oude regeling De Participatieverordening gemeente Vlaardingen 2009 wordt ingetrokken. Artikel31Inwerkingtreding 1. Deze verordening treedt in werking met ingang van 1-10-10. 2. In afwijking van het eerste lid, treden de artikelen 20, 21, tweede lid, 22, 23, 25 en 26 in werking op het tijdstip dat de Wet tot Wijziging van de Wet inburgering (vrijwillige inburgering, persoonlijk inburgeringsbudget en harmoniseren handhavingstermijnen) in werking treedt. 3. De artikelen 6a en 10, tweede tot en met vijfde lid, werken terug tot en met 1 april 2009. Artikel32Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als “Participatieverordening gemeente Vlaardingen 2010”. Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van . De griffier, De voorzitter, drs. W.G. Amesz mr. T.P.J. BruinsmaNota-toelichting Algemeen De op 1 januari 2004 in werking getreden Wet Werk en Bijstand (WWB) regelt in artikel 7 dat het college verantwoordelijk is voor: a. het ondersteunen van personen die algemene bijstand ontvangen, personen met een nabestaanden- of halfwezenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw-ers) en niet-uitkeringsgerechtigden (nuggers) bij arbeidsinschakeling; b. het bepalen en aanbieden van voorzieningen, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling, indien het college deze daarbij noodzakelijk acht. In artikel 8, eerste lid, onderdeel a, WWB wordt aan de gemeenteraad de opdracht gegeven om bij verordening regels te stellen met betrekking tot het ondersteunen bij arbeidsinschakeling en het aanbieden van voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling. Vergelijkbare opdrachten worden gegeven in de artikelen 35, eerste lid, IOAW en 35, eerste lid, IOAZ. In artikel 8, tweede lid, onderdeel a, WWB wordt daaraan nog toegevoegd dat sprake moet zijn van een evenwichtige aandacht voor de hierboven genoemde groepen en voor verschillende doelgroepen daarbinnen en de op de wijze waarop rekening moet worden gehouden met zorgtaken. Daarnaast regelt de op 1 januari 2007 in werking getreden Wet Inburgering (WI) de inburgeringsplicht voor in beginsel alle onderdanen van derdelanden van 16 tot 65 jaar die duurzaam in Nederland willen en mogen verblijven. Ook in deze wet krijgen de gemeenten een aantal belangrijke taken op het vlak van integratie toebedeeld. Zo hebben gemeenten de opdracht om de inburgeringsplichtigen in de gemeente goed te informeren over de rechten en plichten die voortvloeien uit deze wet. Ze hebben de taak aan bepaalde groepen inburgeringsplichtigen een inburgeringsvoorziening aan te bieden en zijn daarnaast vrij ook aan andere groepen inburgeringsplichtigen een voorziening aan te bieden. Een inburgeringsvoorziening leidt inburgeringsplichtigen toe naar het inburgeringexamen. Tenslotte moeten gemeenten de inburgeringsplicht van inburgeringsplichtigen handhaven. Het college moet een bestuurlijke boete opleggen als een inburgeringsplichtige zich verwijtbaar niet houdt aan de verplichtingen die voor hem gelden. In verband met deze taken draagt de WI de gemeenteraad op om bij verordening regels te stellen over de volgende onderwerpen: 1. Regels over de informatieverstrekking door de gemeente aan inburgeringsplichtigen, ter zake van hun rechten en plichten uit hoofde van deze wet, alsmede van het aanbod van en de toegang tot inburgeringsvoorzieningen (artikel 8 WI). 2. Regels met betrekking tot het aanbieden van inburgeringsvoorzieningen aan bijzondere groepen inburgeringsplichtigen en over de rechten en plichten van de inburgeringsplichtige voor wie een inburgeringsvoorziening is vastgesteld (artikel 19, vijfde lid, en artikel 23, derde lid, WI). 3. Het vaststellen van het bedrag van de bestuurlijke boete die voor de verschillende overtredingen kan worden opgelegd (artikel 35 WI). De Participatieverordening 2009 was uitvloeisel van de hierboven genoemde opdrachten aan de gemeenteraad. Daarbij was overwogen dat beide hoofdtaken (re-integratie en inburgering) dusdanig met elkaar vervlochten zijn dat het gezamenlijk oppakken van deze beide taken de effectiviteit enkel ten goede kan komen. Extra argument daarbij vormde de bundeling van middelen voor re-integratie en inburgering op grond van de Wet op het Participatiebudget, waardoor een geïntegreerde aanpak op dit vlak ook meer dan wenselijk zal worden. Wetswijzigingen op beleidsterrein re-integratie en inburgering Inmiddels is er zowel op het terrein van re-integratie als inburgering een aantal ontwikkelingen geweest, die nopen tot aanpassing van de Participatieverordening 2009. Het betreft de volgende wijzigingen: * Inwerkingtreding van de Wet Stimulering arbeidsparticipatie (Wet STAP), die het mogelijk maakt om uitkeringsgerechtigden met een grote afstand tot de arbeidsmarkt participatieplaatsen aan te bieden. De gemeenteraad is verplicht om bij verordening regels te stellen over het verstrekken van een premie en het aanbieden van scholing (artikel 8, eerste lid, onderdeel e en f WWB, artikel 38a IOAW en artikel 38a IOAZ); * Inwerkingtreding van de Wet van 29 december 2008 tot wijziging van de Wet inburgering (inburgeringsvoorzieningen voor alle inburgeringsplichtigen gericht op het inburgeringsexamen of het staatsexamen Nederlands als tweede taal). Met ingang van 1 januari 2009 is de Wet inburgering (WI) gewijzigd. Het gaat daarbij om de volgende wijzigingen: o Het college van burgemeester en wethouders krijgt de bevoegdheid om aan iedere inburgeringsplichtige een inburgeringsvoorziening aan te bieden. Deze wijziging heeft terugwerkende kracht tot en met 1 november 2007. o Het college krijgt de mogelijkheid om een inburgeringsprogramma aan te bieden dat gericht is op het staatsexamen Nederlands als tweede taal. Deze wijziging heeft terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2008. o Het college krijgt de bevoegdheid om in plaats van een inburgeringsvoorziening een taalkennisvoorziening aan te bieden aan een inburgeringsplichtige die een mbo-opleiding op niveau 1 of 2 volgt of gaat volgen. Deze wijziging werkt terug tot en met 1 september 2008. o De gemeenteraad kan bij verordening bepalen dat het college een inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening kan vaststellen, zonder dat daar een procedure van aanbieden van een inburgeringsvoorziening door het college en aanvaarding daarvan door de inburgeringsplichtige aan vooraf hoeft te gaan. De inburgeringsplichtige is direct verplicht medewerking te verlenen aan de uitvoering van de vastgestelde voorziening. Participatieplaatsen In overeenstemming met de Wet STAP is ervoor gekozen om participatielaatsen als re-integratieinstrument in te voeren. Op een participatieplaats kan een uitkeringsgerechtigde, met behoud van uitkering, minimaal 6 maanden en maximaal 4 jaar additionele arbeid verrichten. In deze verordening wordt vastgelegd dat daarvoor een premie van € 300 per zes maanden wordt verstrekt bij een 32-urige werkweek en navenant lagere premie bij een kortere werkweek, die minimaal 20 uur beslaat. Indien de uitkeringsgerechtigde voldoende heeft meegewerkt aan de arbeidsinschakeling. Bovendien wordt geregeld dat na een half jaar onder voorwaarden scholing beschikbaar wordt gesteld. Wijzigingen Wet inburgering Met betrekking tot de wijzigingen in de Wet Inburgering is besloten om naast inburgeringsvoorzieningen ook taalkennisvoorzieningen beschikbaar te stellen, zowel voor inburgeringsplichtigen als voor vrijwillige inburgeraars. In een aantal artikelen van deze verordening is dat verwerkt. Van de wettelijk vastgelegd bevoegdheid om iedere inburgeringsplichtige een voorziening aan te bieden wordt reeds gebruik gemaakt. De bevoegdheid om een inburgeringsprogramma aan te bieden, gericht op het staatsexamen Nederlands als tweede taal, is verwerkt in deze verordening. De mogelijkheid ten slotte, om een inburgeringsvoorziening ‘vast te stellen’ in plaats van aan te bieden, is niet benut. De huidige praktijk voldoet. Daarnaast is, vooruitlopend op de invoering van de Wijziging van de Wet inburgering (vrijwillige inburgering, persoonlijk inburgeringsbudget en harmoniseren handhavingstermijnen, kortweg: Wet Vrijwillige inburgering, TK 31 791, EK 2008-2009, A) een aantal wijzigingen in deze verordening opgenomen. Het betreft: * het opnemen van de mogelijkheid om een persoonlijk inburgeringsbudget aan de inburgeraar toe te kennen en dat budget rechtstreeks aan het inburgeringsbedrijf te betalen (art. 19, tweede lid en 24a, tweede lid WI nieuw); * het afzien van de mogelijkheid om een eigen bijdrage te vragen voor het inburgeringstraject aan de vrijwillige inburgeraar (art. 24e, tweede lid WI nieuw); * het vaststellen van regels over de informatievoorziening aan vrijwillige inburgeraars over hun rechten en plichten, de niet-nakoming van de inburgeringsovereenkomst en het vaststellen van de identiteit van de inburgeraar (art. 24f WI nieuw); * de procedure en de criteria die gelden voor het doen van een aanbod inburgerings- of taalkennisvoorziening (art. 24a, vijfde lid, onderdeel a WI nieuw); * de wijze waarop het college tot een aanbod komt (art. 24a, vijfde lid, onderdeel b WI nieuw). Naar verwachting wordt wetsvoorstel 31 791 binnenkort aangenomen en treedt deze in werking met ingang van 1 januari 2010. Voor zover de wijzigingen betrekking hebben op de vrijwillige inburgering, zijn deze vastgelegd in afdeling 4a van de Participatieverordening 2010. Doelgroepen De verordening kent regelingen voor een vijftal groepen binnen de samenleving: * uitkeringsgerechtigden in de zin van de WWB, IOAW en IOAZ; * Anw-ers; * nuggers; * inburgeringsplichtigen, en * vrijwillige inburgeraars Uit oogpunt van overzichtelijkheid zullen de taakvelden re-integratie en inburgering afzonderlijk van elkaar in deze toelichting worden besproken. Re-integratie Volgens de WWB krijgt het college van burgemeester en wethouders de opdracht voor de re-integratie van uitkeringsgerechtigden, niet-uitkeringsgerechtigden en Anw-ers zorg te dragen. Gekozen is voor een participatieverordening waarin alleen wordt vastgelegd op welke wijze in de gemeente het beleid bepaald wordt en hoe de verhouding tussen raad en college is. Er zijn enkele algemene artikelen opgenomen over de opdracht aan het college, de aanspraak op voorzieningen, subsidie- en budgetplafonds, de inzet van voorzieningen en de rechten en plichten van de cliënt e.d.. In dat kader is aandacht besteed aan participatieplaatsen. Al het overige wordt vastgelegd in een Uitvoeringsbesluit en een vierjaarlijks Beleidsplan. In hoofdstuk 1 “Algemene bepalingen”, worden de begripsomschrijvingen gegeven van wat in deze verordening onder de betreffende begrippen moet worden verstaan. In hoofdstuk 2, afdeling 1 (Beleid en financiën) wordt de opdracht aan het college beschreven om in een Uitvoeringsbesluit vast te leggen op welke wijze de zorg voor ondersteuning en voorzieningen aan leden van de doelgroep wordt geregeld. Het college dient vierjaarlijks een beleidsplan vast te stellen en kan hierin voorzieningen- en subsidieplafonds opnemen. In afdeling 2 (Aanspraken van de doelgroep) zijn de aanspraken op ondersteuning en voorzieningen opgenomen, alsmede de mogelijkheden om de doelgroep uit te breiden met adreslozen en personen die een uitkering ontvangen via het UWV. In afdeling 3 (Verplichtingen en premies) zijn de verplichtingen die op de leden van de doelgroep rusten opgenomen en is de mogelijkheid gecreëerd om werkgevers te stimuleren een persoon uit de doelgroep duurzaam in dienst te nemen door middel van een premie. Inburgering Op basis van de WI is het aan de gemeente om een drietal taken op het vlak van inburgering uit te voeren: 1. de informerende -; 2. de handhavende -; en 3. de faciliterende taak (aanbieden van inburgeringsvoorzieningen). De wet bepaalt dat regels met betrekking tot deze taken zonder meer bij verordening moeten worden getroffen. Hoofdstuk 3 van deze verordening geeft invulling aan deze wettelijke plicht. Afdeling 1 van hoofdstuk 3 stelt regels met betrekking tot de informerende taak. Artikel 8 WI bepaalt wat dit betreft dat de gemeenteraad bij verordening regels vaststelt over de informatieverstrekking door de gemeente aan inburgeringsplichtigen. Het gaat dan om informatie over de rechten en plichten uit hoofde van de WI en informatie over het aanbod van inburgeringsvoorzieningen en taalkennisvoorzieningen en de toegang tot die voorzieningen. Na inwerkingtreding van de Wet Vrijwillige inburgering geldt dit ook ten aanzien van vrijwillige inburgeraars (artikel 24f WI nieuw). Afdeling 2 en 3 van hoofdstuk 3 gaan in op de faciliterende taak. Het uitgangspunt van de wet is de eigen verantwoordelijkheid van de inburgeringsplichtige om te bepalen hoe hij zich voorbereidt op het inburgeringexamen. Bij een tweetal groepen stelt de wet echter verplicht dat de gemeente een aanbod doet. Het gaat dan om: • asielgerechtigde nieuw- en oudkomers; en • nieuw- en oudkomers die werkzaam zijn als geestelijke bedienaar. Het aanbod behelst een inburgeringvoorziening die toe leidt naar het inburgeringexamen en het eenmaal gratis afleggen van dat examen of het staatsexamen Nederlands als tweede taal. Voor asielgerechtigde inburgeringsplichtigen bestaat een inburgeringsvoorziening ook uit maatschappelijke begeleiding. Daarnaast kan aan die groep ook een taalkennisvoorziening worden verstrekt. Met een taalkennisvoorziening wordt bedoeld een ondersteunende voorziening, die is gericht op de verwerving van de Nederlandse taal die noodzakelijk is voor het kunnen afronden van een beroepsopleiding op mbo 1 of 2 niveau. De WI draagt de gemeenteraden verder op om met betrekking tot een aantal specifieke aspecten van de aanbodverlening bij verordening regels te stellen. Meer specifiek gaat het dan om: * De procedure die door het college wordt gevolgd voor het doen van een aanbod aan inburgeringsplichtigen (artikel 19, vijfde lid, onderdeel a, WI; * De criteria die worden gehanteerd bij het doen van een aanbod aan inburgeringsplichtigen (artikel 19, vijfde lid, onderdeel a, WI); * De vaststelling door het college van een passende inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening, met inbegrip van de totstandkoming en de samenstelling van de inburgeringsvoorziening (artikel 19, vijfde lid, onderdeel b, WI; * De rechten en plichten van de inburgeringsplichtige voor wie een inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening is vastgesteld. Deze regels hebben in ieder geval betrekking op de inning van de eigen bijdrage door het college en de mogelijkheid van betaling in termijnen (artikel 23, derde lid, WI). Tenslotte ziet afdeling 4 op de handhavende taak. Artikel 35 van de WI draagt gemeenten wat dit betreft op bij verordening de hoogte van de bestuurlijke boete vast te stellen die voor de verschillende overtredingen kan worden opgelegd. Artikel 34 van de wet bepaalt het bedrag dat ten hoogste als bestuurlijke boete kan worden opgelegd. In afdeling 4a zijn de regels vastgelegd die gelden voor vrijwillige inburgeraars. Zoals hierboven reeds aangegeven komen deze regels grotendeels overeen met die voor inburgeringsplichtigen, mede gelet op de wens van het parlement om beide groepen zoveel mogelijk identiek te regelen. In afdeling 5 zijn tenslotte de algemene bepalingen met betrekking tot het Uitvoeringsbesluit en het beleidsplan zoals deze zijn opgenomen in het hoofdstuk dat ziet op re-integratie van overeenkomstige toepassing verklaart. Staatssteun De Europese regelgeving over staatssteun kan een beperking van de mogelijkheden voor het gemeentelijke re-integratiebeleid en inburgering opleveren. Van belang is dat per 1 januari 2009 de Europese vrijstellingsverordening werkgelegenheidssteun (Nr. 2204/2002) is komen te vervallen. Wel van toepassing zijn de Verordening de minimis-steun (Verordening (EG) Nr. 69/2001) en de Algemene groepsvrijstellingsverordening (nr. 800/2008). Vraag is of bepalingen uit de Participatieverordening in strijd zijn met deze Europese regelingen. Die strijdigheid kan er echter slechts zijn als sprake is van niet-generieke steunverlening, dwz. steun die specifiek gericht is op één of enkele ondernemingen, daarmee andere ondernemingen uitsluit en dus een discriminatoir karakter heeft. Uit de verordening kan dit echter niet worden afgeleid. De strekking van de verordening is ook niet op ondersteuning van één of meerdere ondernemingen. Ze schept slechts de randvoorwaarden waarbinnen met ondernemingen (bijv. re-integratiebedrijven) afspraken over dienstverlening kunnen worden gemaakt. In de praktische uitwerking zal echter terdege rekening moeten worden gehouden met de Europese regelgeving. Het college dient steunverlening aan ondernemingen achterwege te laten. Artikelsgewijze toelichting Artikel 1. Begripsbepalingen In lid 1 wordt bij het beschrijven van de begrippen die in de verordening voorkomen zoveel als mogelijk aangesloten bij de begripsbepalingen uit de Wet Werk en Bijstand (WWB) en de Wet Inburgering (WI). Daar waar mogelijk wordt naar de betreffende artikelen in de WWB of WI verwezen. Aan de begripsomschrijving van ‘uitkeringsgerechtigde’ in artikel 1, eerste lid, onderdeel b is toegevoegd dat het om personen jonger dan 65 jaar moet gaan. Zowel voor re-integratie als inburgering wordt deze leeftijdsgrens (nog) gehanteerd. In artikel 1, eerste lid, onderdeel d is de begripsomschrijving ‘inburgeringsbehoeftige’ gewijzigd in ‘vrijwillige inburgeraar’, conform artikel 1, eerste lid, onderdeel r van de komende Wet Vrijwillige inburgering. De begrippen ‘CWI’ (voorheen: onderdeel
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.