Regeling bezoldiging Het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Meppel; overwegende, dat de gemeente zich heeft aangesloten bij de Uitwerkingsovereenkomst (UWO); dat als gevolg hiervan, alsmede door aanpassingen in de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling CAR en de UWO het noodzakelijk is de gemeentelijke bezoldigingsregeling te herzien; gelet op het bepaalde in artikel 3:1 van de CAR; gelet op het bepaalde in artikel 160 van de Gemeentewet, waarin de bevoegdheid tot het vaststellen, wijzigen en intrekken van rechtspositieregelingen voor het gemeentelijk personeel en gewezen personeel is opgedragen aan het college; gehoord de commissie voor Georganiseerd Overleg; b e s l u i t: vast te stellen de: REGELING BEZOLDIGING Artikel1Begripsomschrijving Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder: 1. Medewerker: De ambtenaar in de zin van artikel 1:1 lid 1 sub a van de CAR. 2 Bezoldiging: De bezoldiging als bedoeld in artikel 3:2 lid 2 sub c van de CAR. 3 Salaris: Het salaris als bedoeld in artikel 3:1 lid 2 sub b van de CAR. 4. Salarisschaal (functieschaal): De schaal als bedoeld in artikel 3:1 lid 2 sub a en bijlage IIa van de CAR/UWO. 5. Aanloopschaal: De aanloopschaal is de salarisschaal die één
(1)periodiek verhoogd, indien het naast hoger gelegen salaris in de nieuwe schaal een groei van minder dan 75% van het salarisverschil bedraagt, welke de medewerker zou hebben ontvangen indien hij in zijn oude schaal een periodieke verhoging zou hebben gekregen. Lid 3 Voor de medewerker die het maximum van de oude schaal heeft bereikt, moet de groei minimaal 75% van het salarisverschil bedragen, welke de medewerker met de voorgaande periodieke verhoging in de oude schaal heeft gekregen. Artikel10Benoeming in uitloopschaal Lid 1 De medewerker die het maximumsalaris van de voor hem geldende functieschaal heeft bereikt en die na beoordeling blijk heeft gegeven de functie op gemiddeld goede wijze te vervullen kan worden benoemd in de uitloopschaal. Het salaris in de uitloopschaal wordt dan vastgesteld conform artikel 9 van deze regeling. Lid 2 De ingangsdatum van de salariëring volgens de uitloopschaal is voor medewerkers die de leeftijd van 50 jaar hebben bereikt de eerste dag van het jaar waarin deze leeftijd wordt bereikt. Lid 3 Voor medewerkers bezoldigd volgens een van de schalen 1 t/m 7 is de ingangsdatum twee jaar na het behalen van het maximumsalaris van de functieschaal. Voor medewerkers bezoldigd volgens een van de schalen 8 t/m 14 is de ingangsdatum drie jaar na het behalen van het maximumsalaris van de functieschaal. Lid 3 Ter uitvoering van het bepaalde in dit artikel kan het college nadere regels vaststellen. Artikel11Persoonlijke toelage Lid 1 Aan de medewerker die het maximum van de voor hem geldende schaal heeft bereikt kan, wanneer daartoe op gronden van buitengewone bekwaamheid, geschiktheid of ijver aanleiding voor is, een toelage worden toegekend tot een bedrag van ten hoogste 10% van het salaris. Lid 2 Toekenning van de in lid 1 van dit artikel genoemde toelage vindt plaats als hier naar het oordeel van het college aanleiding toe is. Lid 3 Het salaris en de toelage bedragen samen niet meer dan het hoogste bedrag van de naast hogere salarisschaal. Lid 4 De toelage wordt ingetrokken, indien de gronden waarop de toelage werd toegekend niet meer aanwezig zijn, tenzij het college van oordeel is dat er omstandigheden zijn om de toelage geheel of gedeeltelijk te handhaven. Lid 5 Bij het beëindigen van de toelage als bedoeld in het eerste lid, ongeacht de duur en de hoogte van de toelage, kan de betreffende medewerker geen aanspraak maken op de afbouwregeling op grond van artikel 24 van deze regeling. Artikel12Tijdelijke persoonlijke toelage Lid 1 Aan de medewerker, die gedurende een tijdvak van 3 jaar een uitstekende individuele prestatie heeft geleverd, kan in specifieke situaties een tijdelijke persoonlijke toelage worden toegekend van ten hoogste 10% van het salaris. Lid 2 Toekenning van de in lid 1 van dit artikel genoemde toelage vindt plaats als hier naar het oordeel van het college aanleiding toe is. Lid 3 De toelage gaat vergezeld met schriftelijk vastgelegde afspraken over de duur, de grond, de hoogte en de ingangs- en einddatum van de toelage. Lid 4 De toelage kan verlengd worden tot een maximumduur van twee jaar. Lid 5 De toelage wordt in één keer uitbetaald na afloop van de periode van de toekenning, met dien verstande dat, indien de periode van de toelage een kalenderjaar overschrijdt er een tussentijdse uitbetaling plaatsvindt in de maand december. Lid 6 De toelage wordt ingetrokken, indien de gronden waarop de toelage werd toegekend niet meer aanwezig zijn, tenzij het college van oordeel is dat er omstandigheden zijn om de toelage geheel of gedeeltelijk te handhaven. Lid 7 Bij het beëindigen van de toelage als bedoeld in het eerste lid, ongeacht de duur en de hoogte van de toelage, kan de betreffende medewerker geen aanspraak maken op de afbouwregeling op grond van artikel 24 van deze regeling. Artikel13Arbeidsmarkttoelage Lid 1 Aan de medewerker kan een arbeidsmarkttoelage worden toegekend. Lid 2 Mogelijke redenen om de arbeidsmarkttoelage toe te kennen is het aantrekken van potentiële medewerkers, die zonder een dergelijke toelage niet in diensttreden. Lid 3 De toelage wordt toegekend voor een tijdvak van minimaal 1 jaar en maximaal 3 jaar. Lid 4 De toelage bedraagt maximaal vier periodieke salarisverhogingen. Het jaarbedrag van de arbeidsmarkttoelage gaat in geen geval het maandbedrag van schaal 17 salarisnummer 11 te boven. Lid 5 De toelage eindigt in ieder geval op de ingevolge het derde lid vastgestelde vervaldatum. Lid 6 Wanneer de situatie van de arbeidsmarkt waarop de toelage is gebaseerd nog steeds bestaat, kan opnieuw een toelage als bedoeld in het eerste lid worden toegekend. Lid 7 De toelage wordt ingetrokken, indien de gronden waarop de toelage werd toegekend niet meer aanwezig zijn, tenzij het college van oordeel is dat er omstandigheden zijn om de toelage geheel of gedeeltelijk te handhaven. Lid 8 Bij het beëindigen van de toelage, ongeacht de duur en de hoogte van de toelage, kan de betreffende medewerker geen aanspraak maken op de afbouwregeling op grond van artikel 24 van deze regeling. Lid 9 Reserveren Lid 10 Reserveren Lid 11 Reserveren Artikel14Gratificatie Lid 1 Indien een medewerker naar het oordeel van het college een uitstekende kortdurende of eenmalige prestatie heeft geleverd, kan een gratificatie als bedoeld in artikel 15:1:28 van de UWO worden toegekend. Lid 2 De in lid 1 bedoelde prestatie betreft een activiteit die niet uit de functiebeschrijving voortvloeit. (hierin voorziet artikel 8 van deze regeling). Lid 3 De gratificatie wordt netto uitgekeerd. Artikel15Groepsgratificatie Lid 1 Indien een groep medewerkers als collectief een uitstekende kortdurende of eenmalige prestatie heeft geleverd, kan naar het oordeel van het college een gratificatie als bedoeld in artikel 15:1:28 van de UWO worden toegekend. Lid 2 De in lid 1 bedoelde prestatie betreft een activiteit die niet uit de functiebeschrijving voortvloeit. (hierin voorziet artikel 8 van deze regeling). Lid 3 De groepsgratificatie wordt netto uitgekeerd. Artikel16Nadere regels Ter uitvoering van het bepaalde in de artikelen 11 tot en met 15 van deze regeling kan het college nadere regels vaststellen. Artikel17Gereserveerd Artikel18Waarnemingstoelage Lid 1 De medewerker die tijdelijk een functie waarneemt waarvoor een hogere salarisschaal geldt dan voor zijn eigen functie, ontvangt een toelage conform het in artikel 3:1:2 van de UWO bepaalde. Artikel19Overwerk Lid 1 Onder overwerk wordt verstaan hetgeen in artikel 1:1 lid sub l CAR is bepaald. Lid 2 De vergoeding voor overwerk vindt plaats conform artikel 3:2:1 van de UWO uitsluitend voor volledig gewerkte uren en op basis van een door de leidinggevende vooraf verstrekte schriftelijke opdracht. Lid 3 De medewerker die is benoemd in een functie genoemd in bijlage Ia van deze regeling ontvangt voor het verrichten van overwerk uitsluitend verlof gelijk aan het aantal uren van het overwerk. De medewerker kan geen aanspraak maken op het in artikel 3:2:1, lid 1 van de UWO genoemde bedrag. Lid 4 In bijzondere gevallen kan, uitsluitend met een expliciete schriftelijke opdracht van het afdelingsmanager of de daarboven staande leidinggevende, een uitzondering worden gemaakt van het bepaalde in lid
- Artikel20Gereserveerd Artikel21Onregelmatige dienst Lid 1 Aan de medewerker die, anders dan bij wijze van overwerk, volgens een werkrooster geregeld of naar de aard van zijn functie vrij geregeld arbeid verricht op andere tijden dan op de werkdagen van maandag tot en met vrijdag tussen 8:00 en 18:00 uur, wordt een toelage toegekend. De medewerker die is benoemd in een functie genoemd in bijlage Ib van deze regeling komt niet voor een toelage als bedoeld in dit artikel in aanmerking. Lid 2 De toelage zoals bedoeld in het eerste lid bedraagt per gewerkt uur een percentage van het voor de medewerker geldende salaris per uur en wel: a. 20% voor de uren op maandag tot en met vrijdag tussen 6:00 en 8:00 uur en tussen 18:00 en 22:.00 uur; b. 40% voor de uren op maandag tot en met vrijdag tussen 0:00 en 6:00 uur en tussen 22:00 en 24:00 uur; c. 45% voor de uren op zaterdag; d. 70% voor de uren op zondag; e. 100% voor de uren op feestdagen genoemd in artikel 4:2:1, derde lid 3 UWO, alsmede Goede Vrijdag en 5 mei met dien verstande dat genoemde percentages worden berekend over ten hoogste het salaris per uur (uurloon), dat is afgeleid van het salaris behorende bij het maximum van salarisschaal
- Lid 3 Voor de in het vorige lid onder sub a genoemde ochtend- en avonduren wordt de toelage slechts toegekend, indien de arbeid is aangevangen voor 7.00 uur, respectievelijk is beëindigd na 19.00 uur. Lid 4 Dit artikel is niet van toepassing op de medewerker voor wie bij de vaststelling van de bezoldiging rekening is gehouden met onregelmatige diensten. Lid 5 In bijzondere gevallen kan het college een regeling treffen die afwijkt van of aanvullend is op het bepaalde in de voorgaande leden. Artikel22Bereikbaarheids- en beschikbaarheidsdienst Lid 1 Behoudens de uitzondering in artikel 3:3:1 tweede volzin UWO, wordt aan de medewerker voor wie een salarisschaal geldt met een lager maximumsalaris dan dat van schaal 9 en die zich buiten de werktijdenregeling als bedoeld in artikel 4:1 en 4:2 van de CAR ingevolge een schriftelijke aanwijzing van het college regelmatig of vrij regelmatig bereikbaar en beschikbaar moet houden om bij oproep arbeid te verrichten, een toelage toegekend. Lid 2 De toelage zoals bedoeld in het eerste lid bedraagt per heel gewerkt uur een percentage van het voor de medewerker geldende salaris per uur en berekend over ten hoogste het maximum salaris van schaal 7 en wel: a. 5% voor de uren op maandag tot en met vrijdag tussen 6:00 en 22:00 uur b. 3% voor de uren op maandag tot en met vrijdag tussen 0:00 en 6:00 uur en 22:00 en 24:00 uur; c. 10% voor de uren op zaterdag, zondag en op de feestdagen genoemd in artikel 4:2:1, derde lid 3 CAR/UWO, alsmede op Goede Vrijdag en 5 mei. Lid 3 Voor de in het vorige lid onder sub a genoemde ochtend- en avonduren wordt de toelage slechts toegekend, indien de arbeid is aangevangen voor 7 uur, respectievelijk is beëindigd na 19.00 uur. Lid 4 De medewerker voor wie naar het oordeel van het college bij de vaststelling van de bezoldiging of bij de regeling van de overige rechtstoestand rekening is gehouden met bereikbaarheids- of beschikbaarheidsdiensten komt niet in aanmerking voor een toelage als in dit artikel bedoeld. Lid 5 De op basis van het tweede lid berekende toelage wordt verhoogd met 100% over de uren waarop aan de opgedragen bereikbaarheid en beschikbaarheid een extra plaatsgebondenheid op of rond de plaats van tewerkstelling is verbonden. Lid 6 In bijzondere gevallen kan het college een regeling treffen die afwijkt van of aanvullend is op het bepaalde in voorgaande leden. Artikel23Garantieregelingen Lid 1 De medewerker die een garantietoelage ontvangt, die niet in deze regeling is opgenomen, blijft deze toelage ontvangen. Lid 2 De toegekende garantietoelagen worden aangepast aan algemene trendmatige salarisaanpassingen zoals deze worden vastgesteld voor het gemeentelijk personeel. Lid 3 Bij bevordering naar een hogere salarisschaal wordt het bedrag van de garantietoelage geïncorporeerd in het toe te kennen salarisbedrag en vervalt gelijktijdig de garantietoelage. Lid 4 Het college kan nadere regels stellen. Artikel24Afbouwtoelage Lid 1 Aan de medewerker wiens bezoldiging een blijvende verlaging ondergaat van ten minste 3% van de som van het salaris en de toelage, als gevolg van het buiten zijn toedoen beëindigen of verminderen van een toelage als bedoeld in de artikelen 20 tot en met 22, wordt een aflopende toelage toegekend, mits hij de betreffende toelage, direct voorafgaande aan het tijdstip van vorenbedoelde beëindiging of vermindering daarvan, gedurende ten minste 2 jaren zonder een onderbreking van langer dan twee maanden heeft ontvangen. Lid 2 De hoogte van de in het eerste lid van dit artikel bedoelde toelage is het bedrag dat overeenkomt met hetgeen in de drie maanden voorafgaande aan de datum waarop de verhindering tot het vervullen van de betrekking is ontstaan, gemiddeld per maand toegekend aan de betreffende vergoeding of toelage. Lid 3 De in het eerste lid van dit artikel bedoelde toelage wordt afgebouwd in een periode van drie jaar, waarbij de toelage jaarlijks verminderd wordt met 33 1/3%. Lid 4 De medewerker van 55 jaar of ouder ontvangt in afwijking van het eerste lid een blijvende toelage, mits hij de betreffende toelage direct voorafgaande aan het tijdstip van beëindiging of vermindering ervan, gedurende tenminste 10 jaar zonder een onderbreking van langer dan twee maanden heeft ontvangen. Lid 5 De aflopende toelage als bedoeld in lid 1 wordt omgezet in een blijvende toelage, zodra de medewerker 55 jaar wordt en mits hij de betreffende toelage direct voorafgaande aan het tijdstip van beëindiging of vermindering ervan, gedurende tenminste 5 jaar zonder een onderbreking van langer dan twee maanden heeft ontvangen. Lid 6 De periode doorgebracht vanwege arbeidsongeschiktheid, zwangerschaps-, bevallings- of ouderschapsverlof wordt niet aangemerkt als onderbreking in de zin van de vorige leden. Artikel25Ambtsjubilea In afwijking van artikel 3:5:1 van de CAR/UWO geldt als minimale gratificatie bij een diensttijd van: a. 25 jaar een bedrag overeenkomende met salarisschaal 1, salarisnummer 11 van de bijlage IIa van de CAR; b. 40 jaar een bedrag overeenkomende met salarisschaal 8, salarisnummer 11 van de bijlage IIa van de CAR. Lid 2 Als de ambtenaar geen volledige betrekking vervult, wordt de gratificatie proportioneel berekend, waarbij de teller wordt gevormd door het aantal uren van de betreffende deelbetrekking en de noemer door het aantal uren van een volledige betrekking. Artikel26Gereserveerd Artikel27Onvoorziene gevallen In individuele gevallen waarin deze regeling niet of niet in redelijkheid voorziet, kan het college een bijzondere voorziening treffen. Artikel28Inwerkingtreding Lid 1 Deze regeling kan worden aangehaald als "Regeling bezoldiging". Lid 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2006 Vastgesteld door burgemeester en wethouders van Meppel in de vergadering van 13 december
- burgemeester en wethouders van Meppel, de secretaris, de voorzitter, Datum bekendmaking: 21 december 2005 Datum inwerkingtreding: 1 januari 2005