De wet: de Wet werk en bijstand (WWB);
Het opleggen van een maatregel 1Als de belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan dan wel de uit de wet voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig misdragen, kan overeenkomstig deze verordening een maatregel worden opgelegd. 2Als de belanghebbende naar het oordeel van het college een verplichting als bedoeld in artikel 13 IOAW of de IOAZ of een op grond van
III IOAW of de IOAZ aan de uitkering verbonden verplichting – anders dan de verplichting, bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel c IOAZ - schendt, wordt overeenkomstig deze verordening een maatregel opgelegd. Daarnaast wordt tevens een maatregel opgelegd indien belanghebbende onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de IOAW of de IOAZ zich jegens het college zeer ernstig misdraagt. 3Het tweede lid is gelijkelijk van toepassing op de belanghebbende die een uitkering ontvangt op grond van de IOAW, wanneer hij de op basis van artikel 30c, tweede en derde lid van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen op hem rustende verplichtingen schendt. 4Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert.
Berekeningsgrondslag De maatregel wordt toegepast op de voor de belanghebbende van toepassing zijnde bijstandsnorm plus de eventuele toeslag of de grondslag.
Het besluit tot opleggen van een maatregel In het besluit tot opleggen van een maatregel worden in ieder geval vermeld: de reden van de maatregel, de duur van de maatregel, het percentage waarmee de bijstand of de grondslag wordt verlaagd, het bedrag waarmee de bijstand of de grondslag wordt verlaagd uitgaande van de uitkeringsnorm of de grondslag en, indien van toepassing, de reden om af te wijken van een standaardmaatregel.
Horen van de belanghebbende 1Voordat een maatregel wordt opgelegd, wordt de belanghebbende in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. 2Het horen van belanghebbende kan achterwege worden gelaten indien: a. de vereiste spoed zich daartegen verzet; b. de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan; c. de belanghebbende niet heeft voldaan aan een verzoek van het college of van een derde aan wie het college met toepassing van artikel 7 van de WWB, artikel 24 van de IOAW of artikel 24 van de IOAZ, werkzaamheden in het kader van de WWB, IOAW of IOAZ heeft uitbesteed, om binnen een gestelde termijn inlichtingen te verstrekken als bedoeld in artikel 17 van de WWB, artikel 13 van de IOAW of artikel 13 van de IOAZ; d. het college het horen niet nodig acht voor het vaststellen van de ernst van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid; e. de maatregel wordt opgelegd wegens ernstige misdragingen als bedoeld in artikel 15.
Afzien van het opleggen van een maatregel 1Het college ziet af van het opleggen van een maatregel indien: a. elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of b. de gedraging meer dan één jaar vóór constatering van die gedraging door het college heeft plaatsgevonden, tenzij de gedraging een schending van de inlichtingenplicht inhoudt en als gevolg van die gedraging ten onrechte bijstand is verleend. Een maatregel wegens schending van de inlichtingenplicht wordt niet opgelegd na verloop van vijf jaren nadat de betreffende gedraging heeft plaatsgevonden. 2Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. 3Indien het college afziet van het opleggen of uitvoeren van een maatregel op grond van dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan schriftelijk mededeling gedaan.
Ingangsdatum en tijdvak 1De maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerst volgende kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot het opleggen van de maatregel aan de belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende bijstandsnorm of grondslag. 2In afwijking van het eerste lid kan de maatregel met terugwerkende kracht worden opgelegd, voor zover de bijstand of de grondslag nog niet is uitbetaald. 3Indien geen maatregel opgelegd of uitgevoerd kan worden omdat de bijstandsuitkering of uitkering wordt beëindigd, kan alsnog een maatregel worden opgelegd of uitgevoerd indien de belanghebbende binnen een termijn van een jaar opnieuw recht heeft op een bijstandsuitkering, een IOAW uitkering of een IOAZ uitkering.
Recidive en samenloop 1De duur van de maatregel wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen 24 maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan het schenden van de inlichtingenplicht of aan een verwijtbare gedraging van dezelfde of hogere categorie. 2Indien een belanghebbende zich, na een besluit als bedoeld in het eerste lid, wederom schuldig maakt aan een of meerdere verwijtbare gedragingen zoals genoemd in artikel 9, 11, 12, 13, 14 en 15 van deze verordening, en die plaatsvinden binnen een periode van 24 maanden na het laatste maatregel-recidivebesluit, kan het college al individualiserend de hoogte en de duur van de toe te passen maatregel vaststellen. 3Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 6, tweede lid. 4Indien sprake is van een gedraging die schending oplevert van meerdere in de wet, de IOAW of de IOAZ, genoemde verplichtingen, wordt één maatregel opgelegd. Indien voor schending van die verplichtingen maatregelen van verschillende hoogten gelden, wordt de hoogste maatregel opgelegd. 5Indien sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van één of meerdere in de wet, de IOAW of de IOAZ, genoemde verplichtingen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke maatregel opgelegd. Deze maatregelen worden gelijktijdig opgelegd, tenzij dit gelet op artikel 6, tweede lid, niet verantwoord is.
2Geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid Artikel9Indeling in categorieën De gedragingen bedoeld in artikel 18, eerste en tweede lid van de WWB, en gedragingen van de belanghebbende waardoor de verplichtingen op grond van
III van de IOAW en IOAZ, anders dan de verplichtingen, bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel c IOAW en IOAZ, niet of onvoldoende zijn nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën:
3Niet nakomen van de inlichtingenplicht Artikel11Te laat verstrekken van gegevens 1Indien een belanghebbende de verplichting op grond van artikel 17 van de wet, artikel 13 van de IOAW of artikel 13 van de IOAZ niet is nagekomen door informatie die van belang is voor de verlening van bijstand of de voortzetting daarvan niet binnen de door het college daartoe gestelde termijn te verstrekken, kan met toepassing van artikel 18 lid 2 van de wet, artikel 20 van de IOAW, artikel 20 van de IOAZ een maatregel worden opgelegd van vijf procent van de bijstandsnorm, de IOAW of IOAZ uitkering, gedurende een maand, onverminderd artikel 2, vierde lid. 2Van het opleggen van de maatregel kan worden afgezien en worden volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een schriftelijke waarschuwing is gegeven. Artikel12Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen met gevolgen voor de bijstand 1Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht bedoeld in artikel 17 van de wet, artikel 13 van de IOAW of artikel 13 van de IOAZ, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand of grondslag, wordt de maatregel afgestemd op de hoogte van het benadelingsbedrag. 2Onverminderd artikel 2, vierde lid, wordt de maatregel op de volgende wijze vastgesteld: a. bij een benadelingsbedrag tot € 1000,-: 10% van de bijstandsnorm of de grondslag gedurende een maand; b. bij een benadelingsbedrag van € 1000,- tot € 2000,-: 20% van de bijstandsnorm of de grondslag gedurende een maand; c. bij een benadelingsbedrag van € 2000,- tot € 4000,-: 40% van de bijstandsnorm of de grondslag gedurende een maand; d. bij een benadelingsbedrag van € 4000,- of meer: 100% van de bijstandsnorm of de grondslag gedurende een maand. 3Van een maatregel wordt afgezien: a. zodra ter zake van de gedraging strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen; b. zodra het recht tot strafvervolging is vervallen, doordat het Openbaar Ministerie een schikking met belanghebbende heeft getroffen. 4Indien de strafvervolging vervalt omdat door het Openbaar Ministerie wordt geseponeerd, vindt alsnog een maatregelbeoordeling plaats Artikel13Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen zonder gevolgen voor de bijstand of de uitkering 1Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht bedoeld in artikel 17 van de wet, artikel 13 van de IOAW of artikel 13 van de IOAZ niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand of grondslag, bedraagt de maatregel, onverminderd artikel 2, vierde lid, vijf procent van de bijstand of de grondslag gedurende een maand. 2Van het opleggen van de maatregel bedoeld in het eerste lid kan worden afgezien en worden volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van 24 maanden te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een schriftelijke waarschuwing is gegeven.
4Overige gedragingen die leiden tot een maatregel Artikel14Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid 1Indien een belanghebbende een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de wet, wordt een maatregel opgelegd die wordt afgestemd op de hoogte van het benadelingsbedrag. 2Met inachtneming van artikel 20, vierde lid van de IOAW en IOAZ, legt het college een maatregel op van 100% voor de duur van een maand indien de belanghebbende door eigen toedoen een inkomen uit of in verband met arbeid is verloren en: a. aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende reden ten grondslag ligtin de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek; dan wel b. de dienstbetrekkingis beëindigd door of op verzoek van de belanghebbende zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd. 3Onverminderd artikel 2, vierde lid, wordt de maatregel op de volgende wijze vastgesteld: a. bij een benadelingsbedrag tot € 1000,-: 10% van de bijstandsnorm of de grondslag gedurende een maand; b. bij een benadelingsbedrag van € 1000,- tot € 2000,-: 20% van de bijstandsnorm of de grondslag gedurende een maand; c. bij een benadelingsbedrag van € 2000,- tot € 4000,-: 40% van de bijstandsnorm of de grondslag gedurende een maand; d. bij een benadelingsbedrag van € 4000,- of meer: 100% van de bijstandsnorm of de grondslag gedurende een maand. Artikel15Ernstige misdragingen Indien een belanghebbende zich ernstig misdraagt tegenover het college of zijn ambtenaren, personeel van het UWVwerkbedrijf of door de gemeente ingehuurde re-integratiebedrijven onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de wet, als bedoeld in artikel 18, tweede lid van de wet, de uitvoering van de IOAW en de IOAZ zal onverminderd artikel 2, vierde lid, een maatregel worden opgelegd van 100% procent van de bijstandsnorm of de grondslag gedurende een maand.
5Slotbepaling Artikel16De inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 juli 2010. Bij de inwerkingtreding van deze verordening komt de “Afstemmingsverordening WWB 2008” te vervallen. Artikel17Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: de Afstemmingsverordening WWB IOAW IOAZ 2010 Aldus vastgesteld door de gemeenteraad. BijlageBijlagen Afstemmingsverordening Toelichting
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.