LeerlingenvervoerVastgesteld door de gemeenteraad op 30 januari 2007 Titeldeel1Algemene Bepalingen Artikel1Begripsomschrijving 1In deze verordening wordt verstaan onder school:- een basisschool of speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs (Stb. 1998, 495);- een school voor speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra (Stb. 1998, 496);- een school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs (Stb. 1998, 512);- een school voor speciaal voortgezet onderwijs als bedoeld in deel II van de Wet op het voortgezet onderwijs; ouders: de ouders, voogden of verzorgers van de leerling; leerling: een leerling van een school als bedoeld onder a.; woning: de plaats waar de leerling feitelijk zijn hoofdverblijf heeft; afstand: de afstand tussen de woning en de school, gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg; vervoer: openbaar vervoer, aangepast vervoer of eigen vervoer tussen de woning dan wel de opstapplaats en de school dat plaatsvindt in aansluiting op het begin en einde van de schooldag volgens het schoolplan, tenzij de structurele handicap van een leerplichtige leerling die aansluiting onmogelijk maakt; openbaar vervoer: voor een ieder openstaand personenvervoer volgens een dienstregeling per trein, metro, tram, bus, veerdienst of auto; aangepast vervoer: vervoer per besloten (school)busvervoer, taxi, treintaxi of bustaxi; eigen vervoer: vervoer per eigen motorvoertuig, bromfiets of fiets; reistijd: de totale tijdsduur die ligt tussen het verlaten van de woning en de aanvang van de schooldag volgens het schoolplan, minus maximaal 10 minuten indien en voor zover de leerling het schoolgebouw met bijbehorend terrein gewoonlijk eerder bereikt dan het schoolplan aangeeft, dan wel de totale tijdsduur die ligt tussen het einde van de schooldag volgens het schoolplan en de aankomst bij de woning; toegankelijke school: voor basisscholen en speciale scholen voor basisonderwijs: de basisschool van de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting, dan wel de openbare school of de speciale school voor basisonderwijs waarop de leerling is aangewezen van de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting dan wel de openbare school; voor scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs en scholen voor voortgezet onderwijs: de school van de soort waarop de leerling is aangewezen van de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting dan wel de openbare school van de soort waarop de leerling is aangewezen; inkomen: het ingevolge de Wet op de inkomstenbelasting 2001 (Stb. 200, 215) vastgestelde gecorrigeerde verzamelinkomen van de ouders in het tweede kalenderjaar voorafgaande aan het schooljaar waarvoor bekostiging van de vervoerskosten wordt gevraagd. opstapplaats: plaats aangewezen door het college, vanaf waar de leerling gebruik kan maken van het vervoer; commissie voor begeleiding: de commissie die is ingesteld door het bevoegd gezag van een school als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra, niet zijnde een instelling, of de bevoegde gezagsorganen van twee of meer scholen als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra, niet zijnde instellingen die hetzelfde regionaal expertisecentrum in stand houden; vervoersvoorziening: een gehele of gedeeltelijke bekostiging van de door het college noodzakelijk geachte vervoerskosten van de leerling en zo nodig diens begeleider;- de verstrekking van een abonnement of strippenkaart voor de leerling en zo nodig diens begeleider, of - aanbieding van aangepast vervoer dat de gemeente verzorgt of doet verzorgen; permanente commissie leerlingenzorg: de commissie als bedoeld in artikel 23 van de Wet op primair onderwijs; samenwerkingsverband: het samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 18 van de Wet op het primair onderwijs; regionale verwijzingscommissie: de commissie als bedoeld in artikel 10g van de Wet op het voortgezet onderwijs; OPDC: orthopedagogische en -didactisch centrum als bedoeld in artikel 10h, derde lid van de Wet op het voortgezet onderwijs; ambulante begeleiding: de begeleiding door een personeelslid van een school of instelling als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra van leerlingen die zijn geplaatst op een basisschool of leerlingen die zijn geplaatst op een school voor voortgezet onderwijs en naar het oordeel van het bevoegd gezag zonder die begeleiding zouden zijn aangewezen op het speciaal onderwijs of het voortgezet speciaal onderwijs. Commissie voor de indicatiestelling: de commissie als bedoeld in artikel 28c van de Wet op de expertisecentra Artikel2Bekostiging van de door het college noodzakelijk te achten vervoerskosten 1.Ten behoeve van het schoolbezoek kent het college aan de ouders van in de gemeente verblijvende leerlingen op aanvraag een vervoersvoorziening toe met inachtneming van het bepaalde in deze verordening. 2.Indien het college toepassing geeft aan het eerste lid, verlangt het dat de ouders aan wie slechts een gedeeltelijke vergoeding van de vervoerskosten toekomt, hun kinderen van het aldus verzorgde vervoer gebruik laten maken tegen betaling van een bijdrage tot ten hoogste het bedrag dat de ouders ingevolge het bepaalde in deze verordening moeten bijdragen aan de kosten van het vervoer. Weigering van of nalatigheid in de betaling van de in de vorige volzin bedoelde bijdrage doet de aanspraak op bekostiging vervallen. 3.De bepalingen in deze verordening laten onverlet de verantwoordelijkheid van de ouders voor het schoolbezoek van hun kinderen. 4.Indien de leerling meerderjarig en handelingsbekwaam is, wordt de bekostiging op aanvraag verstrekt aan de leerling. Artikel3Bekostiging naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school 1.Bekostiging van de vervoerskosten wordt toegekend over de afstand tussen de woning dan wel de opstapplaats en de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school, tenzij vervoer naar een verder weg gelegen school voor de gemeente minder kosten met zich mee zou brengen en de ouders met het vervoer naar die school schriftelijk instemmen. 2.Indien ouders bekostiging van de vervoerskosten aanvragen voor het bezoeken van een school, die op grotere afstand van de woning is gelegen dan in artikel 11 of 15 is bepaald, terwijl een of meer scholen van dezelfde onderwijssoort dichterbij de woning zijn gelegen, ontstaat slechts aanspraak op bekostiging naar de eerstgenoemde school als door de ouders schriftelijk wordt verklaard dat zij overwegende bezwaren hebben tegen het openbaar onderwijs dan wel tegen de richting van het onderwijs van alle bijzondere scholen, van de soort waarop de leerling is aangewezen, die dichterbij de woning zijn gelegen. 3.Voor de leerling die een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs uit cluster 4 bezoek geldt als dichtstbijzijnde toegankelijke school, de school die door de commissie voor de indicatiestelling is geadviseerd. Dit is van toepassing zolang de leerling zijn woonplaats heeft in het gebied van het regionaal expertisecentrum waaraan voornoemde commissie is verbonden. Artikel4Uitbetaling van de bekostiging 1Het college bepaalt bij het verstrekken van bekostiging van de vervoerskosten de wijze en het tijdstip van uitbetaling, alsmede de tijdsduur van de verstrekte bekostiging. Artikel5Aanvraagprocedure 1.Een aanvraag voor bekostiging van de vervoerskosten wordt gedaan door indiening bij het college van een volledig ingevuld en door de ouders ondertekend formulier, voorzien van de op het formulier vermelde gegevens. 2.De aanvraag wordt, indien het een aanvraag voor het eerstvolgende schooljaar betreft, voor 1 juni voorafgaand aan dat schooljaar ingediend. 3.Indien dit voor een juiste beoordeling van de aanvraag noodzakelijk is, kan het college de ouders verzoeken aanvullende gegevens te verstrekken. 4.Het college besluit over de aanvraag binnen acht weken na ontvangst van alle benodigde gegevens. 5.Het college kan het in het vorige lid bedoelde besluit met ten hoogste vier weken verdagen. Het stelt de aanvrager hiervan schriftelijk in kennis. 6.Indien een vervoersvoorziening wordt toegekend wordt deze getroffen: met ingang van het nieuwe schooljaar indien de aanvraag voor 1 juni is ingediend; met ingang van de door de ouders verzochte datum als het een aanvraag gedurende het schooljaar betreft, met dien verstande dat de datum waarop de vergoeding wordt toegewezen niet ligt voor de datum van ontvangst door het college. Artikel6Doorgeven van wijzigingen 1.De ouders zijn verplicht wijzigingen, die van invloed kunnen zijn op de verstrekte bekostiging van de vervoerskosten, onder vermelding van de datum van wijziging, onverwijld schriftelijk mede te delen aan het college. 2.Indien sprake is van een wijziging die van invloed is op de verstrekte bekostiging, vervalt de aanspraak op bekostiging en verstrekt het college al dan niet opnieuw bekostiging van de vervoerskosten. 3.Indien de ouders niet voldoen aan het bepaalde in het eerste lid en het college een wijziging als bedoeld in het tweede lid vaststelt, waardoor blijkt dat ten onrechte bekostiging is verstrekt, vervalt de aanspraak op bekostiging van de vervoerskosten terstond en verstrekt het college al dan niet opnieuw bekostiging van de vervoerskosten. 4.Het college deelt zijn besluit schriftelijk mee aan de ouders. 5.Ten onrechte genoten bekostiging kan van de ouders worden teruggevorderd, dan wel worden verrekend bij een eventuele nieuwe verstrekking van bekostiging. Artikel7Peildatum leeftijd leerling 1Voor het verstrekken van bekostiging op basis van artikel 12 is bepalend de leeftijd van de leerling op 1 augustus van het schooljaar waarop de bekostiging betrekking heeft. Artikel8Andere vergoedingen 1De aanspraak op bekostiging wordt verminderd met de aanspraak op een toelage, voor zover die voor de betreffende leerling betrekking heeft op de reiskosten. Titeldeel2bepalingen omtrent het vervoer van de leerlingen van scholen voor primair onderwijs Artikel9Bekostiging voor de dichtstbijzijnde toegankelijke speciale school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband 1Met inachtneming van het bepaalde in artikel 3 wordt bekostiging verstrekt van de kosten van het vervoer over de afstand tussen de woning dan wel de opstapplaats en: de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke speciale school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband van de basisschool waarvan de leerling afkomstig is, of een andere speciale school voor basisonderwijs in het onder a. bedoelde samenwerkingsverband, indien het vervoer naar die school voor de gemeente minder kosten met zich mee zou brengen dan het vervoer naar de speciale school voor basisonderwijs, bedoeld onder a. Artikel10Permanente commissie leerlingenzorg 1.Het college neemt bij de beoordeling van de aanvraag voor leerlingenvervoer de beslissing in acht van de permanente commissie leerlingenzorg over de toelating van de leerling op een speciale school voor basisonderwijs. 2.Het college betrekt bij de beoordeling van de aanvraag voor leerlingenvervoer eventuele adviezen van de permanente commissie leerlingenzorg die voor de beoordeling van die aanvraag van belang zijn. Artikel11Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en vervoer per fiets 1aHet college verstrekt aan de ouders van de leerling die een school voor basisonderwijs bezoekt, bekostiging op basis van de kosten van het openbaar ervoer, indien de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde voor hem toegankelijke school meer dan zes kilometer bedraagt. 1bHet college verstrekt aan de ouders van de leerling die een speciale school voor basisonderwijs bezoekt bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer, indien de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde voor hem toegankelijke school meer dan twee km bedraagt. 2In afwijking van het eerste lid onder a en b verstrekt het college de ouders bekostiging op basis van de kosten van het vervoer per fiets, indien de leerling naar het oordeel van het college, al dan niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per fiets. Artikel12Bekostiging van de kosten van vervoer ten behoeve van een begeleider 1.Indien aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 11, bekostigt het college tevens de daarin bedoelde kosten ten behoeve van een begeleider, indien de leerling jonger dan negen jaar is en door de ouders ten behoeve van het college genoegzaam wordt aangetoond dat de leerling niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik te maken. 2.Indien een begeleider meer dan één leerling tegelijk begeleidt, komen slechts de kosten van het vervoer ten behoeve van een begeleider voor vergoeding in aanmerking. Artikel13Bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer 1Het college verstrekt bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer aan de ouders van de leerling die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoekt, indien voldaan wordt aan het afstands-criterium van artikel 11 en: de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school of terug, meer dan anderhalf uur onderweg is en de reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht of openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de leerling naar het oordeel van het college al dan niet onder begeleiding gebruik kan maken van het vervoer per fiets. Artikel14Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer 1.Indien aanspraak bestaat op bekostiging van de vervoerskosten, kan het college de ouders op aanvraag toestaan één of meer leerlingen zelf te vervoeren of te laten vervoeren. 2.Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is verleend, bekostigt het college aan de ouders die één leerling zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren: een bedrag op basis van de kosten van het openbaar vervoer, indien aanspraak zou bestaan op bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer, behoudens het bepaalde in het vijfde lid; een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto, afgeleid van de Reisregeling binnenland, indien aanspraak zou bestaan op bekostiging van de kosten van aangepast vervoer, behoudens het bepaalde in het vierde lid. 3.Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is verleend, bekostigt het college aan de ouders die meer dan één leerling tegelijk zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren, een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto afgeleid van de Reisregeling binnenland, behoudens het bepaalde in het vierde lid. 4.Aan de ouders die één of meer leerlingen laten vervoeren door andere ouders die van gemeentewege voor het vervoer van een of meer leerlingen een bekostiging ontvangen afgeleid van de Reisregeling binnenland, wordt door het college geen bekostiging verstrekt. 5.Indien aanspraak bestaat op bekostiging van de vervoerskosten en het college desgewenst toestaat, dan wel van oordeel is, dat de leerling gebruik kan maken van het vervoer per fiets, bekostigt het college aan de ouders een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de fiets, afgeleid van de Reisregeling binnenland. Titeldeel3bepalingen omtrent het vervoer van de leerlingen van scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs Artikel15Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en vervoer per fiets 1.Het college verstrekt aan de ouders van de leerling die een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs bezoekt, bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer, indien de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school meer dan twee kilometer bedraagt. 2.In afwijking van het eerste lid verstrekt het college de ouders bekostiging op basis van de kosten van het vervoer per fiets dan wel bromfiets, indien de leerling naar het oordeel van het college, al dan niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per fiets, dan wel zelfstandig gebruik kan maken van het vervoer per bromfiets. Artikel16Commissie voor de begeleiding 1Indien het college de gevraagde voorziening ten behoeve van een leerling op een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs niet of slechts gedeeltelijk toekent, dient het bij de beschikking het advies van de commissie voor begeleiding of het advies van andere deskundigen te betrekken. Artikel17Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer ten behoeve van een begeleider 1.Indien aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 15, bekostigt het college tevens de daarin bedoelde kosten ten behoeve van een begeleider, indien door de ouders ten behoeve van het college genoegzaam wordt aangetoond dat de leerling, gelet op zijn lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap of leeftijd, niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik te maken. 2.Indien het college de in het vorige lid bedoelde aanvraag niet of slechts gedeeltelijk toekent, dient het bij de beschikking het advies van de commissie voor begeleiding of het advies van andere deskundigen te betrekken. 3.Indien een begeleider meer dan één leerling tegelijk begeleidt, komen slechts de kosten van het openbaar vervoer ten behoeve van één begeleider voor vergoeding in aanmerking. Artikel18Bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer 1.Het college verstrekt bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer aan de ouders van de leerling die een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs bezoekt, indien voldaan wordt aan het afstandscriterium van artikel 15 en: de leerling, naar het oordeel van het college, gelet op zijn lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap niet in staat is - ook niet onder begeleiding - van openbaar vervoer gebruik te maken, of de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school of terug, meer dan anderhalf uur onderweg is en de reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht, of openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de leerling naar het oordeel van het college al dan niet onder begeleiding gebruik kan maken van het vervoer per fiets, dan wel zelfstandig gebruik kan maken van het vervoer per bromfiets. Artikel19Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer 1.Indien aanspraak bestaat op een bekostiging van de vervoerskosten, kan het college de ouders op aanvraag toestaan één of meer leerlingen zelf te vervoeren of te laten vervoeren. 2.Indien toestemming ingevolge het eerst lid aan de ouders is verleend, bekostigt het college aan de ouders die één leerling zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren: een bedrag op basis van de kosten van het openbaar vervoer, indien aanspraak zou bestaan op bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer, behoudens het bepaalde in het vijfde lid; een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto, afgeleid van de Reisregeling binnenland, indien aanspraak zou bestaan op bekostiging van de kosten van aangepast vervoer, behoudens het bepaalde in het vierde lid. 3.Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is verleend, verstrekt het college aan de ouders die meer dan één leerling tegelijk zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren, een bekostiging op basis van een kilometervergoeding voor de auto, afgeleid van de Reisregeling binnenland, behoudens het bepaalde in het vierde lid. 4.Aan de ouders die één of meer leerlingen laten vervoeren door andere ouders die van gemeentewege voor het vervoer van een of meer leerlingen bekostiging ontvangen afgeleid van de Reisregeling binnenland, wordt door het college geen bekostiging verstrekt. 5.Indien aanspraak bestaat op bekostiging van de vervoerskosten en het college desgewenst toestaat, dan wel van oordeel is, dat de leerling gebruik kan maken van het vervoer per fiets of bromfiets, verstrekt het college aan de ouders een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de fiets dan wel bromfiets, afgeleid van de Reisregeling binnenland. Artikel20Bekostiging vervoerskosten 1.Het college verstrekt eveneens bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer aan de ouders van de leerling die een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs, bezoekt, in het geval de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school minder bedraagt dan is bepaald in artikel 15, indien het college van oordeel is dat de lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap van de leerling dat vereist. 2.Indien het college de in het vorige lid bedoelde aanvraag niet of slechts gedeeltelijk toekent, dient het bij de beschikking het advies van de commissie voor begeleiding of het advies van andere deskundigen te betrekken. Titeldeel4bepalingen omtrent weekeinde- en vakantievervoer Artikel21Bekostiging kosten van het weekeinde- en vakantievervoer aan de in de gemeente wonende ouders 1Het college bekostigt desgewenst de kosten van het weekeinde- en vakantievervoer aan de in de gemeente wonende ouders van de leerling die, met het oog op het volgen van voor hem passend (voortgezet) speciaal onderwijs, in een internaat of pleeggezin verblijft, volgens het bepaalde in deze Titel. Artikel22Bekostiging kosten weekeinde- en vakantievervoer 1.Het college verstrekt aan de ouders bekostiging van de kosten van het weekeindevervoer van de leerling voor de, eenmaal per weekeinde gemaakte, reis van het internaat of het pleeggezin waar de leerling verblijft, naar de woning van de ouders en terug, voor zover de weekeinden niet vallen binnen de in het tweede lid bedoelde schoolvakanties. 2.Het college bekostigt de kosten van het vakantievervoer van de leerling voor de, eenmaal per schoolvakantie van twee dagen of meer, gemaakte reis van het internaat of pleeggezin waar de leerling verblijft, naar de woning van de ouders en terug, voor zover de vakantie voorkomt in het schoolplan van de school die de leerling bezoekt. 3.Titel 3 van deze verordening is van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van artikel 16, artikel 17, tweede lid, artikel 18, eerste lid onder b, artikel 18, tweede lid, en artikel
- Titeldeel5eigen bijdrage en bekostiging naar financiële draagkracht Artikel23Drempelbedrag 1.Aan de ouders van een leerling, die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoekt, van wie het inkomen tezamen meer bedraagt dan € 21.600,-- wordt slechts bekostiging verstrekt voor zover de kosten van het vervoer van die leerling de kosten van het openbaar vervoer over de in artikel 11 bepaalde afstand te boven gaan. 2.In geval het college in plaats van een bekostiging in geld toe te kennen het vervoer zelf verzorgt dan wel doet verzorgen, betalen de ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs bezoekt, per leerling per schooljaar een eigen bijdrage die gelijk is aan de kosten van het openbaar vervoer over de in artikel 11 bepaalde afstand indien het inkomen van de ouders meer bedraagt dan € 21.600,-- 3.Indien binnen een gezin meer dan 1 kind het speciaal basisonderwijs bezoekt, is maximaal eenmaal het drempelbedrag conform het bepaalde in lid 1 en lid 2 verschuldigd. Indien uit hetzelfde gezin ook nog één of meer andere kinderen het basisonderwijs bezoeken, is daarnaast ook het drempelbedrag conform lid 1 en 2 per leerling verschuldigd. 4.De kosten voor openbaar vervoer, genoemd in het eerste en tweede lid, betreffen de kosten van openbaar vervoer die op grond van de zone-indeling in de regeling die is gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Wet personenvervoer 2000, voor de afstand redelijkerwijs zouden worden gemaakt, ongeacht de aanwezigheid van openbaar vervoer of het daadwerkelijk gebruik ervan. 5.Het bedrag van € 21.600,--, genoemd in het eerste en tweede lid, wordt met ingang jaarlijks aangepast aan de wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft ondergaan ten opzichte van het voorafgaande jaar en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 450,
- Het aangepaste bedrag treedt in plaats van het in het eerste en tweede lid genoemde bedrag van € 21.600,-- 6.Deze bepaling is niet van toepassing op de leerling voor wie ingevolgeTitel 6 een vervoersvoorziening is verstrekt Artikel24Financiële draagkracht 1.Indien de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor basisonderwijs, meer dan 20 kilometer bedraagt, wordt de vastgestelde bekostiging verminderd met een van de financiële draagkracht van de ouders afhankelijk bedrag. 2.In geval het college in plaats van bekostiging in geld toe te kennen het vervoer zelf verzorgt dan wel doet verzorgen en de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor basisonderwijs, meer dan 20 km bedraagt, betalen de ouders een van de financiële draagkracht afhankelijke bijdrage tot ten hoogste het bedrag van de kosten van het vervoer. 3.De hoogte van het bedrag als bedoeld in het eerste lid en de bijdrage als bedoeld in het tweede lid zijn afhankelijk van de hoogte van het belastbaar inkomen van de ouders in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 en bedraagt: Bij € 45.400,00 en verder per € 4.500,00 extra inkomen wordt de eigen bijdrage steeds opgehoogd met € 300,
- 4.De inkomensbedragen, genoemd in het derde lid, worden met ingang van 1 januari 1998 jaarlijks aangepast aan de wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 500,
- 5.De bedragen van de eigen bijdrage, bedoeld in het derde lid, worden met ingang van 1 januari 1998 jaarlijks aangepast aan de wijziging die het consumentenprijsindexcijfer van de reeks alle huishoudens, op het onderdeel vervoersdiensten, heeft ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 5,
- 6.Deze bepaling is niet van toepassing op de leerling voor wie ingevolge Titel 6 een vervoersvoorziening is verstrekt. Titeldeel6bepalingen omtrent het vervoer van gehandicapte leerlingen van scholen voor primair onderwijs en voortgezet onderwijs Artikel25Bekostiging op basis van de kosten van openbaar vervoer met begeleiding 1.Het college verstrekt bekostiging op basis van de kosten van openbaar vervoer met begeleiding aan de ouders van de leerling die een basisschool, speciale school voor basisonderwijs of een school voor voortgezet onderwijs bezoekt en vanwege een lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap niet zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kan maken. Ten aanzien van een leerling van een speciale school voor basisonderwijs neemt het college artikel 9 in acht. 2.Indien het college de in het vorige lid bedoelde aanvraag niet of slechts gedeeltelijk toekent, dient het bij de beschikking het advies van de permanente commissie leerlingenzorg, de ambulante begeleider of het advies van andere deskundigen te betrekken. 3.Indien een begeleider meer dan één leerling tegelijk begeleidt, komen slechts de kosten van het openbaar vervoer ten behoeve van één begeleider voor bekostiging in aanmerking. 4.In afwijking van het eerste lid verstrekt het college de ouders bekostiging op basis van de kosten van het vervoer per fiets dan wel bromfiets, indien de leerling naar het oordeel van het college, al dan niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per fiets, dan wel zelfstandig gebruik kan maken van het vervoer per bromfiets. Artikel26Bekostiging op basis van kosten van aangepast vervoer 1.Het college verstrekt bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer aan de ouders van de leerling die een basisschool, speciale school voor basisonderwijs of een school voor voortgezet onderwijs bezoekt, indien de leerling, naar het oordeel van het college, gelet op zijn lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap niet in staat is- ook niet onder begeleiding - van openbaar vervoer gebruik te maken. Ten aanzien van een leerling van een speciale school voor basisonderwijs neemt het college artikel 9 in acht, Of: aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 25 en de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school en terug, meer dan anderhalf uur onderweg is en de reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht, of: aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 25 en openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de leerling naar het oordeel van het college al dan niet onder begeleiding gebruik kan maken van het vervoer per fiets, dan wel zelfstandig gebruik kan maken van het vervoer per bromfiets. 2.Indien het college de in het vorige lid bedoelde aanvraag niet of slechts gedeeltelijk toekent, dient het bij de beschikking het advies van de permanente commissie leerlingenzorg of de ambulante begeleider of het advies van andere deskundigen te betrekken. Artikel27Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer 1.Indien aanspraak bestaat op bekostiging van de vervoerskosten, kan het college de ouders op aanvraag toestaan één of meer leerlingen zelf te vervoeren of te laten vervoeren. 2.Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is verleend, bekostigt het college aan de ouders die één leerling zelf vervoeren of laten vervoeren: een bedrag op basis van de kosten van het openbaar vervoer indien aanspraak zou bestaan op bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer, behoudens het bepaalde in het vijfde lid; een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto, afgeleid van de Reisregeling binnenland, indien aanspraak zou bestaan op bekostiging van de kosten van aangepast vervoer, behoudens het bepaalde in het vierde lid. 3.Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is verleend, verstrekt het college aan de ouders die meer dan één leerling tegelijk zelf vervoeren of laten vervoeren, bekostiging van een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto, afgeleid van de Reisregeling binnenland, behoudens het bepaalde in het vierde lid. 4.Aan de ouders die één of meer leerlingen laten vervoeren door andere ouders die van gemeentewege voor het vervoer van één of meer leerlingen bekostiging ontvangen afgeleid van de Reisregeling binnenland, wordt door het college geen bekostiging verstrekt. 5.Indien aanspraak bestaat op bekostiging van de vervoerskosten en het college desgewenst toestaat dan wel van oordeel is dat de leerling gebruik kan maken van het vervoer per fiets of bromfiets, verstrekt het college aan de ouders bekostiging van een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de fiets of bromfiets, afgeleid van de Reisregeling binnenland. Titeldeel7Slotbepalingen Artikel28Beslissing college in gevallen waarin de regeling niet voorziet 1In gevallen die, de uitvoering van het leerlingenvervoer betreffen, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college. Artikel29Afwijken van bepalingen 1Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de ouders afwijken van de bepalingen in deze verordening, zo nodig na advies te hebben gevraagd aan de permanente commissie leerlingenzorg, de commissie voor de begeleiding, de regionale verwijzingscommissie of andere deskundigen. Artikel30Intrekking oude regeling 1Verordening leerlingenvervoer gemeente Aalburg 2002 wordt ingetrokken. Artikel31Overgangsregeling 1vervallen Artikel32Inwerkingtreding 1Deze verordening treedt in werking op de achtste dag na de dag waarop is meegedeeld in het Kontakt dat deze verordening is vastgesteld. Tegelijkertijd zal deze mededeling alsmede de verordening op www.aalburg.nl worden geplaatst. Artikel33Citeertitel 1De verordening kan worden aangehaald als: Verordening Leerlingenvervoer gemeente Aalburg
- Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 30 januari 2007, de griffier, de voorzitter,Toelichting1 Inleiding 2Algemene begrippen 2Systematiek van de verordening 2Aangepast vervoer 3Speciale school voor basisonderwijs (sbo) 3Speciaal onderwijs 3Dichtstbijzijnde toegankelijke school 4Vervoer van gehandicapte leerlingen naar scholen voor primair en voortgezet onderwijs. 4Artikelgewijze toelichting 4Artikel 1: Begripsomschrijving 4Artikel 2 Bekostiging van de door het college noodzakelijk te achten vervoerskosten 8Artikel 3 Bekostiging naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school 9Artikel 4 Uitbetaling van de bekostiging 13Artikel 5 Aanvraagprocedure 13Artikel 6 Doorgeven van wijzigingen 15Artikel 7 Peildatum leeftijd leerling 16Artikel 8 Andere vergoedingen 16Artikel 9 Bekostiging naar de dichtstbijzijnde toegankelijke speciale school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband 16Artikel 10 Permanente commissie leerlingenzorg 16Artikel 11 Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en vervoer per fiets 16Artikel 12 Bekostiging van de kosten van vervoer ten behoeve van een begeleider 18Artikel 13 Bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer 19Artikel 14 Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer 21Artikel 15 Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en vervoer per fiets 22Artikel 16 Commissie voor de begeleiding 22Artikel 17 Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer ten behoeve van een begeleider 23Artikel 18 Bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer 24Artikel 19 Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer 25Artikel 20 Bekostiging vervoerskosten 26Artikel 21 Bekostiging van de kosten van het weekeinde- en vakantievervoer aan de in de gemeente wonende ouders 26Artikel 22 Bekostiging kosten weekeinde- en vakantievervoer 27Artikel 23 Drempelbedrag 28Artikel 24 Financiële draagkracht 30Artikel 25 Bekostiging op basis van de kosten van openbaar vervoer met begeleiding 30Artikel 26 Bekostiging op basis van kosten van aangepast vervoer 31Artikel 27 Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer 31Artikel 28 Beslissing college in gevallen waarin de regeling niet voorziet 31Artikel 29 Afwijken van bepalingen 31Artikel 30 Intrekking oude regeling 32Artikel 31 Overgangsregeling 32Artikel 32 Inwerkingtreding 32Artikel 33 Citeertitel 32 Inleiding De gemeenteraad moet een verordening vaststellen, waarin het leerlingenvervoer wordt geregeld. De Verordening leerlingenvervoer gemeente Aalburg 2007 (verder Verordening 2007) volgt de modelverordening van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) Er is gekozen om een toelichting op maat te schrijven. Hierbij wordt de toelichting op de modelverordening van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) wel gevolgd maar ingekort en enigszins aangepast aan de plaatselijke situatie. Dit hebben we gedaan omdat we hopen dat deze moeilijke materie hierdoor makkelijker te lezen en te begrijpen is. Het Handboek Leerlingenvervoer van de VNG is voorts te raadplegen voor een uitgebreidere toelichting. Een toelichting, die bovendien actueel gehouden wordt.We behandelen achtereenvolgens een aantal algemene begrippen, om verder te gaan met een toelichting per artikel. Algemene begrippen Om de systematiek van de Verordening 2007 goed te begrijpen is het belangrijk het onderscheid te maken tussen een (speciale ) school voor basisonderwijs en speciaal onderwijs. De Verordening 2007 hanteert dezelfde soort bepalingen bij de keuze voor en het vervoer naar het (speciaal) basisonderwijs en het speciaal onderwijs, maar er zijn ook belangrijke verschillen. Zowel bij een (speciale) school voor basisonderwijs als bij het speciaal onderwijs moet een keuze gemaakt worden voor de dichtstbijzijnde toegankelijke school. De term toegankelijkheid betekent dat rekening wordt gehouden met de godsdienstige of levensbeschouwelijke richting van de school dan wel de openbare school waar de ouders c.q. opvoeders voor kiezen.Achtereenvolgens behandelen wij - Systematiek van de verordening bij het vervoer- Aangepast vervoer- (Speciale) school voor basisonderwijs- Speciaal onderwijs- Dichtstbijzijnde toegankelijke school- Vervoer van gehandicapte leerlingen naar scholen voor primair en voortgezet onderwijs.- Systematiek van de verordening - Titel 1 van de Verordening 2007 behandelt algemene bepalingen.- Titel 2 regelt de bekostiging en het leerlingenvervoer naar het basisonderwijs en de speciale scholen voor basisonderwijs (sbo).- Titel 3 gaat over het speciaal onderwijs. - Titel 4 ziet op het weekeinde- en vakantievervoer.- Titel 5 behandelt de bijdrage en de bekostiging naar financiële draagkracht. Dit artikel geldt alleen voor ouders van kinderen die het basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoeken, niet voor ouders van kinderen die het speciaal onderwijs bezoeken. - Titel 6 bevat bepalingen over het vervoer van gehandicapte leerlingen naar scholen voor primair en voortgezet onderwijs.De Verordening 2007 heeft tenslotte in titel 7 nog enkele slotbepalingen. Ook de hardheidsclausule heeft in artikel 29 een plaats gekregen.In de Verordening 2007 wordt ervan uitgegaan dat ouders zelf verantwoordelijk zijn voor het schoolbezoek van hun kinderen. De wettelijke grondslag hiervan wordt onder andere gevormd door de Leerplichtwet.Tot een afstand van 2 kilometer naar een school regelt de gemeente geen vervoer behalve voor gehandicapte kinderen. Voor kinderen die naar een speciale school voor basisonderwijs gaan en kinderen die naar het speciaal onderwijs moeten gaan, is de gemeente verantwoordelijk voor bekostiging van het vervoer als de afstand naar de school meer is dan 2 kilometer. Voor alle andere leerlingen die naar een voor hen toegankelijke school gaan, vindt bekostiging op een of andere manier plaats, indien de afstand van het woonhuis naar de school meer dan 6 kilometer bedraagt. De Verordening 2007 gaat ervan uit dat leerlingen, die in aanmerking komen voor bekostiging met openbaar vervoer, naar de school reizen met of zonder begeleiding. Tevens bestaat de mogelijkheid om indien de school niet te ver weg gelegen is de afstand, met of zonder begeleiding, af te leggen per fiets.Pas als reizen met het openbaar vervoer te lang duurt (> 1,5 uur en met aangepast vervoer de helft of minder van die tijd) of niet mogelijk is, komt het “aangepast” vervoer om de hoek kijken. Aangepast vervoer is vervoer per taxi of bus, georganiseerd door de gemeente. Bovendien wordt aan ouders de mogelijkheid gegeven om een vergoeding aan te vragen voor het vervoer van hun kinderen, als openbaar vervoer wel kan, maar ouders liever zelf het vervoer ter hand nemen. Ook als aangepast vervoer wel kan, maar ouders kiezen voor een school verder weg dan de dichtstbijzijnde toegankelijke school, kan op aanvraag van de ouders tot op zekere hoogte bekostiging plaatsvinden. Ouders kunnen desgewenst het vervoer met elkaar regelen, in een vergoeding daarvoor voorziet de Verordening
- Aangepast vervoer Aangepast vervoer is vervoer per besloten (school)busvervoer, taxi, treintaxi of bustaxi;dat door de gemeente wordt geregeld. Daarbij wordt gekeken hoe het vervoer het best is te combineren. Opstapplaatsen kunnen worden ingesteld om te zorgen dat de leerlingen efficiënt en snel naar school en van school naar huis cq. de opstapplaats komen. Ook als aangepast vervoer wordt aangeboden blijven ouders ervoor verantwoordelijk dat hun kinderen de school bezoeken.Aangepast vervoer wordt alleen aangeboden als reizen met het openbaar vervoer niet tot de mogelijkheden behoort. Speciale school voor basisonderwijs (sbo) Een speciale school voor basisonderwijs is een school voor kinderen die extra aandacht nodig hebben, moeilijk lerende kinderen, kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden en in hun ontwikkeling bedreigde kleuters. Het samenwerkingsverband van de basisschool van waar verwijzing plaatsvindt, is doorslaggevend voor de keuze van de speciale basisschool school. Niet alle basisscholen in Aalburg zijn aangesloten bij hetzelfde samenwerkingsverband, terwijl de basisscholen in bijvoorbeeld Heusden en Andel ook weer aangesloten zijn bij een ander samenwerkingsverband. De speciale school voor basisonderwijs aangesloten bij het samenwerkingsverband is de dichtstbijzijnde toegankelijke school.Bij de bekostiging van het basisonderwijs en het speciaal basisonderwijs geldt een drempelbedrag of een eigen bijdrage. Speciaal onderwijs Het speciaal onderwijs is onderwijs voor leerlingen die ten gevolge van een handicap of een stoornis ernstige belemmeringen ondervinden bij het volgen van onderwijs. Speciaal onderwijs wordt bezocht door lichamelijk, zintuiglijke of verstandelijk beperkte leerlingen en leerlingen met gedragsstoornissen. Hierbij is de indicatie, verzorgd door een Regionaal Expertise Centrum (REC), van doorslaggevende betekenis voor het type school, waarnaar verwezen wordt. Artikel 2 van de Wet op de Expertise centra verdeelt het speciaal en het voortgezet speciaal onderwijs in onderwijs aan: - dove kinderen; - slechthorende kinderen; - kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden die niet tevens behoren tot de hiervoor bedoelde kinderen; - visueel gehandicapte kinderen; - lichamelijk gehandicapte kinderen; - langdurig zieke kinderen: - met een lichamelijke handicap - anders dan met een lichamelijke handicap; - zeer moeilijk lerende kinderen; - zeer moeilijk opvoedbare kinderen; - kinderen in scholen verbonden aan pedologische instituten; - meervoudig gehandicapte kinderen. Met betrekking tot bovengenoemde onderwijssoorten worden de volgende clusters onderscheiden: Cluster 1: onderwijs aan visueel gehandicapte kinderen dan wel meervoudig gehandicapte kinderen met deze handicap Cluster 2: onderwijs aan dove kinderen, slechthorende kinderen en kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden dan wel meervoudige gehandicapte kinderen met een van deze handicaps Cluster 3: onderwijs aan langdurige zieke kinderen met een lichamelijke handicap, lichamelijk gehandicapte kinderen en zeer moeilijk lerende kinderen dan wel meervoudig gehandicapte kinderen met een van deze handicaps Cluster 4: onderwijs aan langdurig zieke kinderen anders dan met een lichamelijke handicap, zeer moeilijk opvoedbare kinderen en kinderen in scholen verbonden aan pedologische instituten. Vaak wordt bij de indicatie voor cluster 4 niet alleen het type school aangegeven maar ook de school welke het best is toegerust op omgaan met die betreffende stoornis. Bij cluster 4 is de daarbij aangegeven school, de dichtstbijzijnde toegankelijke school.Bij het speciaal onderwijs geldt geen drempelbedrag en ook geen eigen bijdrage. Dichtstbijzijnde toegankelijke school Het is van belang om te bepalen welke school de dichtstbijzijnde toegankelijke school is. Zowel voor de leerlingen als voor de gemeente geldt dat lange reizen met openbaar vervoer, aangepast vervoer als ook met de eigen auto om diverse redenen niet gunstig zijn. Daarom is het belangrijk om te stimuleren, dat leerlingen de dichtstbijzijnde school, van de godsdienstige of levensbeschouwelijke richting dan wel de openbare school waar de ouders c.q. opvoeders voor kiezen, bezoeken. Bij de speciale school voor basisonderwijs is dit de school van het samenwerkingsverband, bij het speciaal onderwijs is het de dichtstbijzijnde school van het geïndiceerde type.Kiezen ouders toch voor een verder weggelegen school, dan vindt slechts bekostiging plaats tot de dichtstbijzijnde toegankelijke school en moeten de ouders zelf voorzien in de hogere kosten die hun keuze met zich meebrengt. Vervoer van gehandicapte leerlingen naar scholen voor primair en voortgezet onderwijs. Gehandicapte leerlingen in het regulier primair en voortgezet onderwijs, die niet of niet zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kunnen maken, komen in aanmerking voor bekostiging van het vervoer. Bijvoorbeeld de kosten van begeleiding maar het kan ook gaan om aangepast vervoer. De kilometergrens van 6 resp. 2 kilometer die voor het overige wel bepaald is voor het reguliere primair en voortgezet onderwijs, geldt voor de bekostiging van dit vervoer niet. Dit betekent dat ook over kortere afstanden in de kosten van begeleiding in het openbaar vervoer of in aangepast vervoer moet worden voorzien. Artikelgewijze toelichting Artikel 1: Begripsomschrijving In artikel 1 van de Verordening 2007 zijn begrippen, die regelmatig gebruikt worden in deze verordening, nader gedefinieerd. Ad a schoolIn dit artikel is opgenomen wat onder school moet worden verstaan in het kader van de Verordening 2007.De Wet op het primair onderwijs (WPO), die op 1 augustus 1998 in werking is getreden, voorziet in de samenvoeging van het basisonderwijs en het onderwijs voor kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden (lom), moeilijk lerende kinderen (mlk) en in hun ontwikkeling bedreigde kleuters (iobk) in één wet. Deze scholen heten sindsdien 'speciale scholen voor basisonderwijs'. Leerlingen van het regulier voortgezet onderwijs die vanwege hun lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap niet of niet zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kunnen maken, kunnen aanspraak maken op bekostiging van de kosten van leerlingenvervoer.Onder een school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs (Wvo), vallen het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo), het hoger algemeen voortgezet onderwijs (havo) en het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo), waar praktijkonderwijs en leerwegondersteunend onderwijs deel van uit maken. De Wet op de expertisecentra (WEC) omvat al het overig speciaal en voortgezet speciaal onderwijs. Het gaat om onderwijs voor doven, slechthorenden, kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden, visueel gehandicapten, lichamelijk gehandicapten, kinderen opgenomen in het ziekenhuis, langdurig zieken, zeer moeilijk lerende kinderen, zeer moeilijk opvoedbare kinderen, meervoudig gehandicapten en onderwijs op pedologische instituten. Deze scholen heten scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs Op 1 augustus 2003 is de Wet leerlinggebonden financiering in werking getreden. Vanaf dat moment worden leerlingen die geïndiceerd zijn voor (voortgezet) speciaal onderwijs gefaciliteerd indien zij kiezen voor het regulier onderwijs. Zij krijgen dan een zogenaamde 'rugzak', een leerlinggebonden budget, met daarin middelen voor de school ten behoeve van extra formatie, ambulante begeleiding etc. Leerlingen die naar het (voortgezet) speciaal onderwijs gaan, maken onverminderd aanspraak op leerlingenvervoer. Voor leerlingen van cluster 4 scholen, zeer moeilijk opvoedbare kinderen, leerlingen van pedologische instituten, langdurig zieke kinderen (psychiatrische problematiek) geldt dat zij recht hebben op vervoer naar de cluster 4-school waarvoor de commissie voor de indicatiestelling (cvi) een advies heeft afgegeven. Het Besluit trekkende bevolking van de WBO bevat voorschriften voor scholen voor kinderen van wie de ouders een trekkend bestaan leiden. In deze toelichting wordt dit verder niet uitgewerkt. Wanneer voor een hoogbegaafde leerling het reguliere onderwijsaanbod niet adequaat is en de leerling dientengevolge een school voor gewoon voortgezet onderwijs bezoekt, dan vindt geen bekostiging van de kosten van het leerlingenvervoer plaats. De reden hiervoor is dat een school voor gewoon voortgezet onderwijs geen school is in de zin van de relevante wetgeving.Ad b ouders Onder het begrip ouders wordt in deze verordening verstaan, de ouders, voogden of verzorgers. Voor de bepaling of een drempelbedrag verplicht is, moet een inkomen in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting aanwezig zijn. Uitgangspunt is dat daarbij het belastbaar inkomen van de aanvragende ouders, voogden of verzorgers genomen wordt. Het volgende onderscheid kan daarbij gemaakt worden: • de kinderen vallen onder de zorg van natuurlijke personen; • de kinderen vallen onder de zorg van een instelling. Indien de ouder een natuurlijk persoon is, hoeft de bepaling van dit inkomen doorgaans geen problemen op te leveren. Op eenvoudige wijze kan worden vastgesteld wat het inkomen van de betrokken ouders is. De belastingwetgeving houdt rekening met de verschillende samenlevingsvormen. Als in een concreet geval onduidelijk is hoe het vastgestelde verzamelinkomen bepaald moet worden, dan is het raadzaam de belastingaanslagen dan wel jaaropgaven bij de ouders op te vragen. Als de aanvrager een rechtspersoon is, dan valt deze formeel niet onder de werking van de Wet op de inkomstenbelasting. In de bekostiging van sommige instellingen is echter rekening gehouden met bekostiging van de kosten van het dagelijks vervoer naar school en het weekeinde- en vakantievervoer. In voorkomende gevallen kan met de betrokken instelling contact worden opgenomen. Ad c leerlingOok de niet-leerplichtige leerlingen vallen onder de begripsomschrijving 'leerling'. Ook ouders van niet-leerplichtige leerlingen kunnen aanspraak maken op bekostiging van de vervoerkosten. Dit geldt voor kinderen pas als zij de leeftijd van vier jaar hebben bereikt. Dan kan eventueel aanspraak worden gemaakt op bekostiging van de vervoerkosten naar de basisschool of de speciale school voor basisonderwijs. De toelatingsleeftijd voor kinderen in het speciaal onderwijs is als volgt:
- De leeftijd waarop het kind tot het speciaal onderwijs mag worden toegelaten is voor: a. zeer moeilijk opvoedbare kinderen: 6 jaar; b. zeer moeilijk lerende kinderen: 4,5 jaar; c. andere kinderen: 3 jaar.
- In het belang van het kind kan de inspecteur toestaan dat een kind eerder wordt toegelaten dan in het eerste lid is bepaald.
- De leeftijd waarop de leerling het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs moet verlaten, is 20 jaar. De inspecteur kan voor een leerling in het voortgezet speciaal onderwijs ontheffing verlenen van het bepaalde in het derde lid, indien het voortgezet verblijf op de school wenselijk is ter voltooiing van zijn opleiding of van een op verhoging van zijn arbeidsgeschiktheid gerichte behandeling. Hij kan zich ten behoeve van zijn beslissing een rapport over de leerling, opgesteld door de in artikel 41, tweede lid, bedoelde commissie, doen voorleggen. De commissie kan daartoe de betrokken leerling aan een onderzoek onderwerpen. De ontheffing wordt telkens voor de tijd van 1 jaar verleend. Voor leerlingen die op grond van deze artikelen toegelaten zijn op een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs, ongeacht of zij de leerplichtige leeftijd hebben bereikt, of al voorbij zijn kunnen de ouders, indien zij voldoen aan de voorwaarden van de gemeentelijke verordening leerlingenvervoer, aanspraak maken op bekostiging van de vervoerskosten. Voor het voortgezet onderwijs geldt dat zolang een leerling toegelaten is op een school voor voortgezet onderwijs, en dus 'leerling' is van zo'n school, er aanspraak kan bestaan op bekostiging op grond van titel 6 van de verordening.Illegale leerlingenHet recht op onderwijs, ook voor illegaal in ons land verblijvende leerlingen, is gebaseerd op het principe dat jongeren waar ook ter wereld moeten worden toegerust om aan het maatschappelijke leden deel te nemen. Nederland is hiertoe ook internationale verdragsrechtelijke verplichtingen aangegaan. In de Koppelingswet is zelfs vastgelegd, dat illegale kinderen die voor hun 18e jaar een onderwijstraject zijn gestart het recht hebben om dit af te maken. Hier vloeit uit voort dat illegale leerlingen in principe ook recht hebben op leerlingenvervoer. Scholen en gemeenten hoeven leerplichtige leerlingen niet te vragen naar de verblijfsstatus. Een schoolleider kan dus niet als een opsporingsambtenaar worden ingezet.Ad d woningOnder 'woning' wordt in de verordening verstaan: de plaats waar de leerling feitelijk zijn verblijf heeft. Met andere woorden, de plaats van waaruit het kind de school bezoekt. Het is daarbij niet relevant in welke gemeente de ouders en/of het kind staan ingeschreven. Dit betekent dat indien een leerling tijdelijk in een andere gemeente verblijft, in deze andere gemeente in het algemeen bekostiging van de vervoerkosten van deze leerling aangevraagd moet worden (dit geldt overigens niet indien het bijvoorbeeld een leerling betreft die vanwege een vakantie van de ouders tijdelijk elders verblijft). Met name bij zeer kort tijdelijk verblijf van de leerling zal in een andere gemeente de vraag rijzen of het redelijk is dat deze gemeente de vervoerskosten moet dragen. Door het incidentele karakter van dit vervoer laat het zich doorgaans moeilijk organiseren binnen de bestaande gemeentelijke kaders, zodat dit vervoer zeer veel extra kosten met zich mee kan brengen. Ook voor ouders is dit omslachtig: bij gemeente A moeten zij deelname aan het vervoer opzeggen, bij gemeente B vervoer aanvragen en een aantal weken later dienen zij het omgekeerde te doen. Bovendien bevat de definitie van het begrip woning een structureel element. In een voorkomend geval kan als volgt worden gehandeld. Als vooraf vaststaat dat een leerling gedurende een korte periode (niet meer dan bijvoorbeeld zes weken) in een andere gemeente (B) verblijft en zijn oude school blijft bezoeken, dan wordt dit verblijf aangemerkt als verblijf in de oorspronkelijke gemeente (A). Deze gemeente (A) zal dan ook het vervoer gedurende deze weken blijven verzorgen. Hierbij wordt er van uitgegaan dat het kind naar zijn eigen school blijft gaan. Is de afstand van het tijdelijk verblijf van de leerling naar school kleiner dan de kilometergrens die gemeente A hanteert, dan zal uiteraard (tijdelijk) geen aanspraak op bekostiging van vervoerkosten bestaan. In alle andere situaties waarin een leerling tijdelijk in een andere gemeente verblijft, verdient het aanbeveling de hoofdregel toe te passen, namelijk dat in de gemeente waarin de leerling feitelijk verblijft het leerlingenvervoer wordt aangevraagd. Deze gemeente beoordeelt dan dit verzoek op basis van de eigen verordening leerlingenvervoer. Deze verordening kan uiteraard andere criteria bevatten dan de verordening leerlingenvervoer van de oorspronkelijke gemeente. In het geval een leerling vanuit een ouderlijke woning een school bezoekt en vanuit die school, omwille van een medische of sociale indicatie, naar een dagcentrum reist, kan ervan uitgegaan worden dat het kind twee woningen in de zin van de verordening heeft, te weten de ouderlijke woning en het dagcentrum. Bij dit voorbeeld is de definitie van “dagcentrum “van belang. Dit zijn: 'Voorzieningen die buiten schooltijd begeleiding bieden aan schoolgaande kinderen wier functioneren door psychosociale problemen wordt belemmerd, alsmede aan hun (stief)ouders.' Bekende dagcentra zijn de Boddaertcentra, terwijl medische kinderdagverblijven, die kinderen in de leeftijd van nul tot vier jaar begeleiden, ook als zodanig kunnen worden aangemerkt. Om te bepalen of andere voorzieningen als een dagcentrum kunnen worden aangemerkt, kan verder bij de provincie worden geïnformeerd of gedeputeerde staten de voorziening als een dagcentrum subsidiëren.Het is redelijk in dit soort gevallen een tegemoetkoming te verlenen in de kosten van het vervoer van:
- de ouderlijke woning naar de school;
- de school naar het dagcentrum (uiteraard dient wel aan de afstandscriteria voldaan te worden). Het vervoer van dagcentrum naar huis komt niet voor rekening van de gemeente. Een kind van gescheiden ouders kan twee woningen hebben in de zin van de verordening. Indien leerlingenvervoer is gewenst, moeten beide ouders afzonderlijk, voor de dagen dat het kind doordeweeks bij hen verblijft, een aanvraag indienen bij de gemeente waar hij of zij woonachtig is. Ad e afstandVan belang is de afstand tussen de woning en de school, gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg.Met betrekking tot het begrip 'afstand' is in de rechtspraak bepaald dat de veiligheid van de weg op zich zelf beoordeeld voldoende dient te zijn.. Het college mag niet volstaan met verwijzing naar een minder veilige alternatieve route. Indien de afstand van de woning naar school niet voldoet aan het afstandscriterium, dan dienen de ouders in voorkomend geval zelf voor begeleiding zorg te dragen indien de af te leggen route onveilig is. Ad f vervoerOnder vervoer wordt verstaan: openbaar vervoer, aangepast vervoer of eigen vervoer tussen de woning dan wel de opstapplaats en de school dat plaatsvindt in aansluiting op het begin en einde van de schooldag volgens het schoolplan, tenzij de structurele handicap van een leerplichtige leerling die aansluiting onmogelijk maakt.Ad g openbaar vervoerOnder openbaar vervoer' wordt verstaan: voor een ieder openstaand personenvervoer per trein, metro, tram, bus, of auto volgens een dienstregeling. Daarbij wordt onder een dienstregeling verstaan een voor ieder kenbaar schema van reismogelijkheden. In de Verordening 2007 is de begripsomschrijving 'openbaar vervoer' uitgebreid met 'veerdienst'. Ad h aangepast vervoerAangepast vervoer is vervoer per besloten (school)bus, taxi, treintaxi of bustaxi;Aangepast vervoer vindt plaats van af het woonhuis of de opstapplaats. De gemeente Aalburg hanteert diverse opstapplaatsen. Het aangepast vervoer vindt plaats in aansluiting op het begin en einde van de schooldag, zoals aangegeven in het schoolplan. Hiermee wordt voorkomen dat ouders op basis van bijvoorbeeld sociale of tijdelijke medische overwegingen aanvragen indienen voor het vervoer tijdens de schooltijd (bijvoorbeeld omdat de leerling te jong is om het hele onderwijsprogramma te volgen). Uitsluitend indien de structurele handicap van een leerplichtige leerling noodzaakt tot het volgen van slechts een deel van het onderwijsprogramma, dient in voorkomend geval wel tijdens de schooltijd vervoerd te worden. Ad i eigen vervoerZoals in de Verordening 2007 verder uitgewerkt, kan ook bekostiging worden aangevraagd voor het vervoer per eigen motorvoertuig, bromfiets of fiets.Ouders kunnen het vervoer van leerlingen ook combineren en daarvoor vervoerskosten aanvragen.Ad j reistijdOnder 'reistijd' wordt in de Verordening 2007 verstaan: de totale tijdsduur die ligt tussen het verlaten van de woning en de aanvang van de schooldag volgens het schoolplan, dan wel de totale tijdsduur die ligt tussen het einde van de schooldag volgens het schoolplan minus maximaal tien minuten indien en voor zover de leerling het schoolgebouw met bijbehorend terrein gewoonlijk eerder bereikt dan het schoolplan aangeeft en de aankomst bij de woning. Voorts leert de praktijk dat leerlingen, ongeacht of zij gebruikmaken van het leerlingenvervoer, zich vaak zo'n tien minuten voor de aanvang van de lessen op het schoolplein bevinden. Het ligt voor de hand deze tijd uit te sluiten van de reistijd. Dit betreft enkel de wachttijd aan het begin van de schooldag. Er wordt niet 10 minuten afgetrokken voor een eventuele wachttijd aan het einde van de schooldag. Het is niet de bedoeling het begrip reistijd in alle gevallen uit te breiden, slechts indien en voor zover de leerling voor de aanvang van de lessen zich in de school dan wel op het schoolplein bevindt. Ad k toegankelijke schoolDe toegankelijke school is de school van de door de ouders gewenste godsdienstige of levensbeschouwelijke richting dan wel de openbare school.Bij een speciale school voor basisonderwijs is dit de school van het samenwerkingsverband, bij het speciaal onderwijs is het de school van het geïndiceerde type.De permanente commissie leerlingenzorg (pcl, artikel 23 WPO) beslist op aanvraag van de ouders of een leerling op het onderwijs van een speciale school voor basisonderwijs is aangewezen. Alleen als dit besluit positief is, kan een leerling op een speciale school voor basisonderwijs worden opgenomen. Het college moet bij de beoordeling van een aanvraag voor leerlingenvervoer van dit besluit uitgaan. Dit besluit is overigens een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In het kader van de operatie Weer samen naar school is afgesproken dat, indien vaststaat dat een leerling is aangewezen op een hulpklas bij een basisschool, deze basisschool moet worden aangemerkt als de toegankelijke school, ook wanneer dit niet de dichtstbijzijnde basisschool is, en dat derhalve vervoer naar deze basisschool met hulpklas dient te worden bekostigd. Voor het voortgezet onderwijs geldt dat de regionale verwijzingscommissie (rvc) beslist op aanvraag van de ouders over de toelaatbaarheid tot het praktijkonderwijs. Dit is geregeld in artikel 10g van de WVO. Ad l inkomenOm te bepalen of op grond van artikel 23 een drempelbedrag kan worden geheven, is het inkomen van ouders in het peiljaar nodig. Voor het schooljaar 2006-2007 is het peiljaar
- De Wet op de inkomstenbelasting 2001 is van toepassing . Ouders kunnen een IB 60-formulier opvragen bij de Belastingdienst, waarop dit gecorrigeerde verzamelinkomen staat vermeld. Ad m opstapplaatsEen van de mogelijkheden om het vervoer efficiënter en daardoor goedkoper te organiseren, is het instellen van centrale opstapplaatsen, van waar de leerlingen met de taxi of bus worden vervoerd. Met een dergelijk systeem worden de leerlingen niet thuis voor de deur opgehaald, maar dienen zij zich, al dan niet onder begeleiding van de ouders, te begeven naar de door de gemeente aangewezen opstapplaats. Het instellen van opstapplaatsen heeft onder andere ook op verzoek van ouders plaatsgevonden. Dit bekort de reistijd van de voertuigen aanzienlijk Vaste jurisprudentie wordt hieronder beschreven als we te maken hebben met opstapplaatsen. Over het algemeen geldt dat indien de afstand tussen huis en de opstapplaats niet meer dan dertig minuten lopen bedraagt, een opstapplaats ingesteld kan worden. Overigens kan de reistijd tot de opstapplaats bekort worden, wanneer de afstand van de ouderlijke woning naar de opstapplaats met de fiets wordt afgelegd.Van ouders mag worden verwacht dat zij, indien de leeftijd van hun kind dat verlangt, het kind vergezellen naar de opstapplaats. Wanneer gekozen wordt voor het aanwijzen van opstapplaatsen, kan gedacht worden aan bestaande plaatsen waar een beschutte halteplaats aanwezig is (mede in verband met de weersomstandigheden). Het feit alleen dat de halte aan een drukke verkeersweg ligt en dus niet veilig genoeg zou zijn voor een leerling, is niet voldoende om af te zien van het aanwijzen van halteplaatsen, omdat van ouders in dergelijke gevallen verwacht mag worden dat zij hun kinderen begeleiden tot tenminste het moment dat hun kinderen in het voertuig zijn gestapt. Ook als de route naar de opstapplaats onveilig is, mag van de ouders verwacht worden dat zij hun kind vergezellen. Dat de ouders zelf voor deze begeleiding moeten zorg dragen kan in alle redelijkheid van hen worden gevergd, gelet op het feit dat ook ouders van wie de kinderen een school bezoeken die op een kortere afstand van hun woning is gelegen dan de in de Verordening 2007 genoemde zes kilometer, zo nodig voor begeleiding zullen moeten zorg dragen. Geen jurisprudentie bestaat nog over de vraag of het college opstapplaatsen mag aanwijzen die een afstandsgrens van zes kilometer hanteren, analoog aan de 6 kilometer grens voor bekostiging van het vervoer naar basisonderwijs. Ouders van wie de woning op bijvoorbeeld vijf kilometer van de school gelegen is, krijgen immers over die vijf kilometer ook geen bekostiging. Zij dienen er zelf voor te zorgen dat hun kinderen de school bezoeken. De positie van die ouders is in feite niet anders dan die van de ouders van wie de woning op zes kilometer of meer van de school is gelegen. Het lijkt daarom redelijk van beide ouders over tenminste dezelfde afstand hetzelfde te mogen vragen zowel wat betreft de begeleiding als de kosten van het vervoer. Wanneer een verzoek om een tegemoetkoming van de vervoerkosten wordt ingediend, blijft de afstand tussen de woning en de school relevant; het instellen van opstapplaatsen verandert daar niets aan. Dit betekent dat ouders die op bijvoorbeeld negen kilometer van de school wonen, terwijl de gemeente op zes kilometer afstand een opstapplaats heeft ingesteld, recht hebben op bekostiging van het vervoer (en eventueel begeleiding) over de resterende drie kilometer. Ook blijft het berekenen van de reistijd zoals dat nu geldt onverkort intact; met andere woorden de tijdsduur die gemoeid is met het bereiken van de opstapplaats telt mee als reistijd als bedoeld in artikel 13, onder a, en artikel 18, eerste lid onder b, van de Verordening
- Ad n commissie voor begeleidingDe commissie voor begeleiding is de commissie die is ingesteld door het bevoegd gezag van de school als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra. Deze commissie speelt alleen een rol in het speciaal onderwijs.De commissie voor de begeleiding heeft geen indicerende taken maar heeft wel taken omtrent toewijzing van (ambulante) begeleiding bij de school. Ad o vervoersvoorzieningeen gehele of gedeeltelijke bekostiging van de door het college noodzakelijk geachte vervoerskosten van de leerling en zo nodig diens begeleider; de verstrekking van een abonnement of strippenkaart voor de leerling en zo nodig diens begeleider, of aanbieding van aangepast vervoer dat de gemeente verzorgt of doet verzorgenDe wet bepaalt dat de gemeenten het vervoer zelf kunnen verzorgen dan wel doen verzorgen. In de begripsbepaling 'vervoersvoorziening' is dit nader uitgewerkt. Ad p permanente commissie leerlingenzorgDe permanente commissie leerlingenzorg beslist op aanvraag van de ouders of een leerling op het onderwijs van een speciale school voor basisonderwijs is aangewezen. Alleen als dit besluit positief is, kan een leerling op een speciale school voor basisonderwijs worden opgenomen. Besluiten van de permanente commissie leerlingenzorg dienen door het college bij de beoordeling van een aanvraag voor leerlingenvervoer betrokken te worden. Ad q samenwerkingsverbandBasisscholen en speciale scholen voor basisonderwijs richten een zodanige zorgstructuur in, dat voor elke leerling die zorg geboden kan worden die op een bepaald moment wenselijk is. Artikel 18 van de WPO geeft een regeling voor de samenwerkingsverbanden. Ad r regionale verwijzingscommissieDe regionale verwijzingscommissie heeft op grond van de WVO de taak te beoordelen of een leerling tot het praktijkonderwijs toelaatbaar is. Ad s OPDCHet orthopedagogisch en didactisch centrum. Bovenschoolse voorziening bedoeld om leerlingen extra zorg te geven. Op een OPDC kan ook onderwijs gegeven worden, maar de leerlingen blijven ingeschreven op een school voor voortgezet onderwijs. Leerlingen die volledig onderwijs volgen aan een OPDC en aanspraak maken op vervoer op basis van titel 6, kunnen in aanmerking komen voor leerlingenvervoer naar het OPDC. Leerlingen die gedeeltelijk onderwijs volgen aan een OPDC en gedeeltelijk aan een school voor voortgezet onderwijs, kunnen alleen in aanmerking komen voor leerlingenvervoer naar de school voor voortgezet onderwijs. Ad t ambulante begeleidingEen ambulante begeleider is verbonden aan een school voor speciaal onderwijs en geeft ondersteuning aan gehandicapte leerlingen in het reguliere primair en voortgezet onderwijs. De gemeente kan aan de ambulante begeleider van gehandicapte leerlingen in het reguliere onderwijs, voor wie een aanvraag leerlingenvervoer wordt ingediend, advies vragen over de vervoersbehoefte van die leerlingen. Ad u commissie voor de indicatiestellingElk kind dat wordt aangemeld voor het speciaal onderwijs moet worden geïndiceerd. De commissie voor de indicatiestelling beoordeelt aan de hand van onafhankelijke landelijke criteria of een leerling in aanmerking komt voor leerlinggebonden financiering en in welk cluster de leerling wordt geplaatst. Artikel 2 Bekostiging van de door het college noodzakelijk te achten vervoerskosten In de verordening worden de aanspraken van de ouders op gehele of gedeeltelijke bekostiging voor het dagelijks vervoer van leerlingen naar scholen voor basisonderwijs, speciale scholen voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs vastgelegd. Tevens zijn in de regeling aanspraken op bekostiging van de kosten die zijn verbonden aan het weekeinde- en vakantievervoer vastgelegd van ouders van leerlingen, die met het oog op het volgen van voor hen passend onderwijs in een internaat of pleeggezin verblijven. De verantwoordelijkheid voor het schoolbezoek blijft echter ingevolge de Leerplichtwet ten principale in alle gevallen bij de ouders liggen. In artikel 2, derde lid, van de verordening is deze verantwoordelijkheid nog eens expliciet vastgelegd. Deze verantwoordelijkheid kan door de ouders niet op- of overgedragen worden aan de gemeente. De wettelijke regeling, noch deze verordening beperkt deze verantwoordelijkheid van de ouders. Indien het college het vervoer zelf laat verzorgen, kan het van ouders, die voor bekostiging van de vervoerskosten in aanmerking komen, verlangen dat hun kinderen van dit vervoer gebruik maken (dit kan dus zijn bekostiging van het openbaar vervoer, al dan niet onder begeleiding, of aangepast vervoer). Tevens verlangen zij dan dat ouders, aan wie slechts een gedeeltelijke bekostiging van de vervoerskosten toekomt, een eigen bijdrage betalen aan het vervoer van hun leerlingen (artikel 2, tweede lid, van de Verordening 2007). De hoogte van deze eigen bijdrage, die slechts van toepassing is op ouders van leerlingen die scholen voor basisonderwijs of speciale scholen voor basisonderwijs bezoeken, is afhankelijk van het inkomen van de ouders en de afstand tussen de woning en de te bezoeken school. Indien de ouders weigeren of nalatig zijn met betrekking tot de ingevolge de verordening te betalen bijdrage, leidt dit tot het vervallen van de aanspraak op de bekostiging dan wel, indien gebruik wordt gemaakt van bijvoorbeeld een taxi (busje), tot stopzetting van het vervoer. Het behoeft geen betoog dat juist bij het aangepast vervoer afspraken kunnen worden gemaakt met regiogemeenten om een zo efficiënt en goedkoop mogelijke wijze van aangepast vervoer te organiseren. Tevens komt in artikel 2, tweede lid, tot uitdrukking dat het eventuele drempelbedrag en de bijdrage afhankelijk van het inkomen nooit hoger kunnen zijn dan de werkelijke kosten van vervoer. In het vierde lid staat dat een leerling die meerderjarig en handelingsbekwaam is zelf een aanvraag voor leerlingenvervoer kan doen in plaats van de ouders/verzorgers. Artikel 3 Bekostiging naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school Een van de uitgangspunten van de artikelen 4 van de WPO, WVO en de WEC is dat de gemeenteraad bij het vaststellen van de verordening en het college bij de uitvoering daarvan de op godsdienst of levensbeschouwing van ouders berustende keuze voor een school dient te eerbiedigen. Tevens is in genoemde artikelen bepaald dat in de verordening geen onderscheid wordt gemaakt tussen openbaar en bijzonder onderwijs. In de Verordening 2007 is deze bepaling in artikel 3 verankerd. Bekostiging van de vervoerskosten wordt verstrekt over de afstand tussen de woning van de leerling en de dichtstbijzijnde voor hem toegankelijke school. Als toegankelijke school is aan te merken wat betreft het primair onderwijs: de school van de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting dan wel de openbare school. Wat betreft (voortgezet) speciaal onderwijs, speciaal voortgezet onderwijs en praktijkonderwijs wordt hier nog een tweede criterium aan toegevoegd: de school van de soort waarop de leerling is aangewezen op grond van zijn lichamelijke of geestelijke toestand. De hier bedoelde soorten zijn schooltypen zoals vermeld in artikel 2 van de WEC en artikel 5 van de WVO. Dit impliceert dat bekostiging van de vervoerskosten van de leerling in principe plaatsvindt naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school (openbaar of bijzonder) van de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting. Als dichtstbijzijnde school kan worden aangemerkt, de school die naar afstand het dichtstbij gelegen is, gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende (meest) begaanbare, veilige weg. Het spreekt voor zichzelf dat op een toegankelijke school wel plaatsruimte voor de leerling moet zijn en dat de leerling moet zijn/worden toegelaten tot de desbetreffende school. Van belang hierbij is dat wanneer het college een aanvraag om bekostiging afwijst in verband met de aanwezigheid van een dichterbij gelegen school van (de aangewezen soort en van) dezelfde richting, het dient aan te tonen dat de leerling daadwerkelijk kan worden toegelaten tot die school. Hierbij kan nog worden aangetekend dat bijvoorbeeld een nieuwe school met slechts een leerkracht, namelijk voor de groepen 1 en 2, voor leerlingen uit groep 3 en verder niet toegankelijk is. De leerling zal, indien hij niet toegelaten wordt op de desbetreffende dichtstbijzijnde school, moeten uitzien naar een andere school. Deze school is dan aan te merken als de dichtstbijzijnde toegankelijke school. In een dergelijk geval dient bekostiging van vervoerskosten te worden verstrekt, naar deze andere (dichtstbijzijnde) school. Met de introductie van de WPO per 1 augustus 1998 dient voor de speciale scholen voor basisonderwijs het vervoer naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school in het samenwerkingsverband te worden bekostigd. Zie daarvoor artikel 9 van de Verordening
- In de parlementaire behandeling van de Wet gemeentelijke regelingen leerlingenvervoer is uitgebreid aandacht besteed aan de richting van het onderwijs. Een belangrijke wijziging van de wet kan in dit verband niet onvermeld blijven. Om alle twijfels weg te nemen dat de afstand die voor bekostiging in aanmerking komt maximaal betrekking heeft op de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school van de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting is expliciet opgenomen dat vervoer plaatsvindt naar de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school, tenzij het vervoer met betrekking tot een verder weg gelegen school voor de gemeente minder kosten met zich mee zou brengen, en de ouders met het vervoer naar die school instemmen. Bovengenoemd uitgangspunt houdt in dat indien een leerling een school bezoekt die, met voorbijgaan van een school van dezelfde gewenste richting, verder van de woning van de leerling is verwijderd, de aanspraak in principe beperkt blijft tot de kosten verbonden aan het vervoer naar en van de dichtstbijzijnde bij de woning gelegen school. Dit is echter geen verplichting. Het college kan besluiten om in het geheel geen bekostiging te verstrekken indien vervoer aanwezig is waarvan de kosten gelijk blijven ongeacht het aantal leerlingen dat van dat vervoer gebruik maakt. Indien de situatie zich zou voordoen dat vervoer naar een verder van de woning van de leerling gelegen school van dezelfde richting voor de gemeente goedkoper zou zijn (of niet meer kosten met zich meebrengt), kan het college aan de ouders vragen ermee in te stemmen dat de leerling naar die school wordt vervoerd. Voor een openbare school geldt hetzelfde. Ouders hebben in beginsel veel ruimte om hun bezwaren inhoud te geven. Het zogenoemde 'richtingenvraagstuk' heeft geleid tot veel jurisprudentie. Zo blijkt uit jurisprudentie dat de wet en de verordening leerlingenvervoer zich er niet tegen verzetten dat ouders tijdelijk kiezen voor een school met een van hun principiële voorkeur afwijkende richting. Aanvankelijk beperkte de jurisprudentie zich tot de vraag over het al dan niet doen toekennen van een vervoerskostenbekostiging tot het zogenoemde 'klassieke richtingenbestand'. Kenmerkend hierbij is dat het gaat om stromingen van levensbeschouwelijke en godsdienstige aard. Ook bijzonder onderwijs op algemene grondslag is hierbij als richting aan te merken. In het algemeen kan gesteld worden dat naast scholen voor openbaar onderwijs, tot het klassieke richtingenbestand binnen het bijzonder onderwijs gerekend worden: scholen voor (rooms)katholiek onderwijs, scholen voor protestants-christelijk onderwijs, scholen voor gereformeerd (vrijgemaakt) onderwijs, scholen voor reformatorisch onderwijs, scholen voor algemeen bijzonder onderwijs. Daarnaast zijn ook de Joodse scholen als afzonderlijke richting aan te merken. Relatief nieuw is de jurisprudentie over de zogenoemde 'vrije scholen'. Deze scholen, die hun onderwijs stoelen op de antroposofische wijsbegeerte en met name de filosofie van Rudolf Steiner, kunnen geacht worden een bepaalde richting in het onderwijs te vertegenwoordigen, aangezien het onderwijs wordt gegeven vanuit een eigen mens- en wereldbeschouwing. De verscheidenheid in richtingen is regelmatig onderwerp van geschillen. Met het oog hierop is het volgende te melden.
- De Platoschool in Amsterdam :In Nederland is een Platoschool, gevestigd in Amsterdam. Alhoewel deze school in het Plan van Scholen van Amsterdam is opgenomen als uitgaande van een eigen richting en de Onderwijsraad in 1985 als zijn opvatting heeft gegeven dat deze school van een eigen richting uitgaat, wordt de Platoschool niet geacht een eigen richting te vertegenwoordigen.
- In het christelijk onderwijs kunnen wat betreft het leerlingenvervoer de volgende richtingen worden onderscheiden: protestants-christelijk, reformatorisch, gereformeerd, gereformeerd (vrijgemaakt), gereformeerde schoolvereniging, scholen met den bijbel, christelijk-nationaal, hervormd. In recente jurisprudentie worden ook de zogenoemde evangelische scholen als een afzonderlijke richting aangemerkt.
- Kees Boekeschool Werkplaats kindergemeenschap. In Bilthoven is gevestigd de Werkplaats kindergemeenschap, opgericht door Kees Boeke. Deze school behoort tot de algemeen bijzondere richting.
- Jan van Rijckenborgschool (Rozenkruisschool) Nederland telt op dit moment drie scholen met deze naam, gevestigd in Hilversum, Heiloo en Duiven. Deze gaan uit van het kerkgenootschap Lectorium Rosicrucianum en worden in stand gehouden door de Stichting scholen van het Rozenkruis. Volgens adviezen van de Onderwijsraad uit 1984 en 1985 is het kerkgenootschap Lectorium Rosicrucianum blijkens zijn afzonderlijke kerkformatie een van de richtingen die zich in het Nederlandse volk op geestelijk terrein openbaren. Volgens jurisprudentie vertegenwoordigen deze scholen een eigen richting.
- Janus Korczakschool Gezien het advies van de Onderwijsraad en het hiermee overeenkomende oordeel van de Kroon gaat deze school uit van de algemeen-bijzondere richting.
- Islamitische scholen Gezien de statuten van Islamitische scholen wordt er van uitgegaan dat zij een eigen richting vertegenwoordigen.
- Hindoeïstische scholen Gezien de statuten van de Hindoeïstische scholen wordt er van uitgegaan dat zij een eigen richting vertegenwoordigen.
- Interconfessioneel onderwijs Hieronder wordt verstaan onderwijs dat gebaseerd is op verschillende geloofsovertuigingen. Interconfessionele scholen zijn meestal ontstaan uit de fusie van een protestante en een katholieke school. Gezien de statuten van deze scholen wordt dit type onderwijs niet als aparte richting ten opzichte van andere confessionele scholen aangemerkt. Op grond van artikel 3, tweede lid, van de Verordening 2007 dienen ouders, indien een leerling een school voor basisonderwijs bezoekt op grotere afstand dan bepaald in de Verordening 2007, terwijl zich dichterbij andere (openbare en bijzondere) basisscholen bevinden, schriftelijk te verklaren, dat zij overwegende bezwaren hebben tegen het openbaar onderwijs dan wel tegen de richting van de dichterbij gelegen bijzondere basisscholen. Uiteraard geldt voor het (voortgezet) speciaal onderwijs dat het bovenstaande slechts van toepassing is op dichterbij gesitueerde scholen van de soort waarop de leerling is aangewezen (bijvoorbeeld ZMOK-school of school voor lichamelijk gehandicapte kinderen). In dit kader is van belang dat voor het antwoord op de vraag op welke soort speciaal onderwijs een leerling is aangewezen slechts een keuze kan worden gemaakt uit de in artikel 2 van de WEC onderscheiden soorten. Slechts indien door de ouders wordt aangetoond - met name via deskundigenrapporten - dat niet de dichtstbijgelegen school van de gewenste richting en de aangewezen soort geschikt is maar een verder gelegen school, is er voor het college aanleiding te bezien of met toepassing van de hardheidsclausule het vervoer naar de verder gelegen school dient te worden bekostigd. Voorbeeld
- School A is een rooms-katholieke basisschool en ligt op zes kilometer afstand van de woning van de leerling. School B is een protestants-christelijke basisschool en ligt op drie kilometer afstand van de woning van de leerling. Indien de ouders nu schriftelijk verklaren overwegende bezwaren te hebben tegen de richting van de school die dichterbij gelegen is (i.c. school B), verstrekt het college bekostiging voor het vervoer van de leerling naar school A. Voorbeeld
- Een leerling bezoekt een school voor algemeen-bijzonder basisonderwijs op drie kilometer afstand van de woning. De ouders besluiten dat de leerling naar een andere basisschool van dezelfde richting gaat, gelegen op zes kilometer afstand van de woning. In dit geval verstrekt het college geen bekostiging voor het vervoer naar deze basisschool op zes kilometer afstand (immers, het is niet de dichtstbijzijnde toegankelijke school). Voorbeeld
- Een leerling bezoekt een gereformeerde (vrijgemaakt) school op zeven kilometer afstand van de woning. Op drie kilometer afstand wordt een nieuwe gereformeerde (vrijgemaakt) basisschool gesticht. In principe vervalt de bekostiging van de vervoerskosten naar de school op zeven kilometer afstand. Het is immers niet meer de dichtstbijzijnde toegankelijke school. Hierbij is echter een redelijke overgangsregeling gewenst. Aansluitend bij de gangbare opvattingen hierover lijkt een overgangsperiode van circa twee jaren reëel indien daarmee het belang van de leerling wordt gediend. Na een dergelijke overgangsperiode vervalt dan de bekostiging van de vervoerskosten naar de school op zeven kilometer afstand van de woning. Indien de ouders beslissen om de leerling eerder naar de dichterbij gelegen school te sturen, vervalt de bekostiging op het moment dat de leerling de nieuwe school bezoekt. Voorbeeld
- Een leerling bezoekt een openbare school op drie kilometer afstand van de woning. Halverwege het jaar verhuist het gezin naar een andere wijk in dezelfde gemeente, waardoor de bezochte school niet meer de dichtstbijzijnde school voor openbaar onderwijs is. De bezochte school ligt nu op een afstand van acht kilometer. In principe bestaat geen aanspraak meer op bekostiging naar deze school. Echter, indien de ouders voornemens zijn de leerling toch op de verder weg gelegen school te laten, lijkt een redelijke overgangsperiode voor de hand te liggen. Het college kan dan overwegen - indien daarmee het belang van de leerling wordt gediend - bekostiging te verlenen voor het resterende schooljaar. Of er dan bekostiging plaatsvindt naar de dichterbij gelegen school is afhankelijk van de door de gemeenteraad bepaalde afstandsgrens. Voorbeeld
- Een leerling bezoekt een protestants-christelijke speciale school voor basisonderwijs op zes kilometer afstand van de woning terwijl een rooms-katholieke speciale school voor basisonderwijs en een protestants-christelijke ZMOK-school dichterbij zijn gesitueerd (respectievelijk op twee kilometer en drie kilometer). De ouders komen voor bekostiging van de vervoerskosten in aanmerking indien zij schriftelijk verklaren overwegende bezwaren te hebben tegen de richting van de dichterbij gelegen toegankelijke school (i.c. de rooms-katholieke speciale school voor basisonderwijs). De protestants-christelijke ZMOK-school is geen school van de soort waarop de leerling is aangewezen en is dus niet aan te merken als een dichterbij gelegen toegankelijke school. Voorbeeld
- Een leerling bezoekt een openbare basisschool op negen kilometer afstand van de woning. Op zes kilometer afstand is ook een openbare basisschool gehuisvest, terwijl er dichterbij gelegen scholen voor bijzonder basisonderwijs aanwezig zijn.Het college verstrekt bekostiging van de vervoerskosten naar de school op zes kilometer afstand van de woning, indien de ouders schriftelijk hebben verklaard overwegende bezwaren te hebben tegen de richting van deze dichterbij gelegen bijzondere basisscholen. Deze school op zes kilometer afstand is immers aan te merken als de dichtstbijzijnde toegankelijke school. Voorbeeld
- Op drie kilometer afstand van de woning van de leerling is een reformatorische basisschool gelegen. De leerling bezoekt een reformatorische basisschool op acht kilometer afstand van de woning omdat op deze school godsdienstonderwijs wordt gegeven volgens een bepaalde modaliteit, die niet tot uitdrukking komt in de dichterbij gelegen reformatorische school. In dit geval bekostigt het college niet de kosten van het vervoer naar de school, gelegen op een afstand van acht kilometer. Of bekostiging plaatsvindt naar de reformatorische basisschool op drie kilometer afstand is afhankelijk van de door de gemeenteraad bepaalde kilometergrens. (In Aalburg 6 km.)Voorbeeld
- Een leerling bezoekt een vrijgemaakt-gereformeerde speciale school voor basisonderwijs op twaalf kilometer afstand van de woning van de leerling, omdat de onderwijskundige methode van die school geschikter blijkt voor de leerling dan de onderwijskundige methode die gehanteerd wordt op de vrijgemaakt-gereformeerde speciale school voor basisonderwijs, gelegen op een afstand van vijf kilometer van de woning van de leerling. Het college verstrekt geen bekostiging voor het vervoer van en naar de school gelegen op vijf kilometer afstand. En ook niet naar de school gelegen op 12 km afstand. Voorbeeld
- Een leerling bezoekt een openbare speciale school voor basisonderwijs binnen het samenwerkingsverband van de basisschool waarvan de leerling afkomstig is, terwijl er buiten het samenwerkingsverband een dichterbij de woning van de leerling gelegen toegankelijke openbare speciale school voor basisonderwijs is. Het college verstrekt bekostiging naar de school binnen het samenwerkingsverband (zie artikel 9 van de Verordening 2007). Voor alle hiervoor weergegeven voorbeelden geldt dat het college de ouders met toepassing van de hardheidsclausule toch een - volledige - bekostiging kan verstrekken indien daartoe naar de mening van het college aanleiding is. Niet tot het begrip 'richting' wordt gerekend een bepaalde onderwijskundige methode van een school. Hiermee worden onder andere bedoeld: Jenaplanscholen, Montessorischolen, Daltonscholen en Freinetscholen. Deze scholen baseren hun identiteit op de onderwijskundige inrichting van de school en niet op de godsdienstige of levensbeschouwelijke richting. Montessorischolen kunnen onder meer van katholieke of protestante signatuur zijn. Dit betekent dat er in dezen geen verschil bestaat tussen een 'reguliere' katholieke basisschool en een katholieke Montessorischool, etc. Een verklaring van bezwaar (artikel 3, tweede lid) dient zich te richten tegen de richting van het bijzonder onderwijs dan wel tegen het openbaar onderwijs en niet tegen de onderwijskundige methode die op de school gehanteerd wordt. Ouders dienen in de verklaring dus aan te geven overwegende bezwaren te hebben tegen het openbaar onderwijs dan wel tegen de richting van het onderwijs van alle bijzondere scholen, van de soort waarop de leerling is aangewezen, die dichterbij zijn gelegen. Sedert de totstandkoming van artikel 13 van de LO-wet is het oordeel over de bezwaren, die aan de richting van het onderwijs verbonden zijn, aan de overheid onttrokken. Met andere woorden: het college is niet gerechtigd de bezwaren van ouders tegen een bepaalde richting inhoudelijk te verifiëren. Ook onder de huidige regeling wordt deze gedragslijn in de jurisprudentie gevolgd. Slechts in een enkel uitzonderlijk geval is in de jurisprudentie aangenomen dat niet de richting van het onderwijs maar de kwaliteit daarvan de keuze van de ouders heeft bepaald, in weerwil van de door de ouders afgelegde verklaring inzake hun bezwaar tegen de overige richtingen en het openbaar onderwijs. Op het college rust in deze gevallen een zware bewijslast. Aangetoond dient te worden dat de bezwaren van de ouders in weerwil van de letter van hun verklaring kennelijk niet de richting van het onderwijs betreffen. Zelfs indien ouders hun kinderen aanvankelijk naar een openbare basisschool sturen, vervolgens naar een katholieke basisschool en uiteindelijk wederom naar een openbare basisschool moet de ouders het voordeel van de twijfel worden gegeven. Ook indien ouders hun kind pas op twaalfjarige leeftijd naar de school met de door hen gewenste richting sturen, dient het college de verklaring van de ouders, dat zij tegen de overige richtingen en tegen het openbaar onderwijs bezwaar hebben te respecteren, zeker nu de ouders aangegeven hebben dat zij hun kind aanvankelijk te jong achtten om de afstand naar de gewenste school te overbruggen. Ook het feit dat kinderen uit hetzelfde gezin scholen van diverse richtingen bezoeken levert onvoldoende grond op voor het oordeel dat de ouders hun keuze kennelijk niet met het oog op de richting van het onderwijs hebben bepaald.Op 1 augustus 2003 is de Wet leerlinggebonden financiering in werking getreden. Vanaf dat moment kunnen leerlingen die geïndiceerd zijn voor (voortgezet) speciaal onderwijs tevens kiezen voor het regulier onderwijs. Leerlingen die naar het (voortgezet) speciaal onderwijs gaan, titel 3 van de Verordening 2007, maken onverminderd aanspraak op leerlingenvervoer. Voor leerlingen van cluster 4 scholen - zeer moeilijk opvoedbare kinderen, leerlingen van scholen verbonden aan pedologische instituten, langdurig zieke kinderen (psychiatrische problematiek) - geldt dat zij recht hebben op vervoer naar de cluster 4-school waarvoor de commissie voor de indicatiestelling (cvi) een advies heeft afgegeven. Op basis van de wet (artikel 4, vijfde lid Wet op de expertisecentra) wordt de cluster 4-school waarvoor de cvi een advies heeft afgegeven, aangemerkt als de dichtstbijzijnde, toegankelijke school. Dit geldt zolang de leerling woont in het gebied van het regionaal expertisecentrum waar voornoemde commissie aan is verbonden. Artikel 4 Uitbetaling van de bekostiging De bekostiging zal als regel voor de tijdsduur van een schooljaar verstrekt worden. Dit zal zeker het geval zijn als de ouders voorafgaande aan een schooljaar een aanvraag doen ten behoeve van een geheel schooljaar. In enkele gevallen echter, bijvoorbeeld als de aanvraag gedurende het schooljaar plaatsvindt, of bij onveranderde situatie, kan het college beslissen dat de bekostiging geldt voor dat lopende schooljaar.Tevens dient het college bij verstrekking van bekostiging de wijze en het tijdstip van uitbetaling te bepalen. Bepaald zal onder andere dienen te worden of: • de bekostiging per maand, kwartaal, of halfjaar geschiedt; • de bekostiging in de vorm van een voorfinanciering of op declaratiebasis, dan wel via een vast termijnbedrag achteraf geschiedt; • de bekostiging, in het geval er sprake is van aangepast vervoer, rechtstreeks aan de vervoersonderneming geschiedt. Aangezien de praktijk ten aanzien van de wijze van betaling en het tijdstip van betalen veel verschillende varianten laat zien, is in de Verordening 2007 geen expliciete keuze gemaakt. Afhankelijk van de lokale wensen wordt hieraan invulling gegeven. Wel kan in dit verband opgemerkt worden dat bekostiging op declaratiebasis, bijvoorbeeld door het overleggen van strippenkaarten of maandabonnementen, de betrouwbaarste indicator is. Artikel 5 Aanvraagprocedure De artikelen 5 en 6 van de Verordening 2007 regelen de aanvraagprocedure voor bekostiging van de vervoerskosten. Tevens zijn bepalingen opgenomen over de handelwijze bij veranderingen van omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de bekostiging. Indien ouders menen voor bekostiging in aanmerking te komen, dienen zij hiertoe een aanvraag in bij het college. Van gemeentezijde wordt hiervoor een aanvraagformulier beschikbaar gesteld. Artikel 4:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geeft in het algemeen de gemeente de bevoegdheid om het gebruik van aanvraagformulieren voor te schrijven. In artikel 5 van de Verordening 2007 zijn nadere bepalingen opgenomen omtrent de aanvraag van bekostiging van de vervoerskosten. De aanvraag kan in principe op twee tijdstippen plaatsvinden:
- indien het betreft een aanvraag voor het nieuwe schooljaar, dient de aanvraag voor 1 juni voorafgaand aan dat nieuwe schooljaar ingediend te worden;
- indien het betreft een aanvraag gedurende het schooljaar, kan de aanvraag gedurende het schooljaar worden ingediend. Ad 1 Aanvraag voor 1 juni; beschikking geven voor het nieuwe schooljaar Veelal zal ruimschoots voor de aanvang van het nieuwe schooljaar bekend zijn dat een leerling in het nieuwe schooljaar een bepaalde school gaat bezoeken. Ook continuering van het schoolbezoek is in veel gevallen ruim voor de aanvang van het nieuwe schooljaar bij de ouders bekend. In dergelijke gevallen bepaalt artikel 5, tweede lid, van de Verordening 2007 dat de ouders, die in aanmerking wensen te komen voor bekostiging van de vervoerskosten, voor 1 juni voorafgaande aan het nieuwe schooljaar een aanvraag bij de gemeente moeten indienen. Deze datum is gekozen omdat het van belang is om de afwikkeling van de aanvraagprocedures zoveel mogelijk voor de werkelijke aanvang van het schooljaar gerealiseerd te hebben respectievelijk voor de zomervakantie in verband met de - in voorkomend geval - vereiste werkzaamheden van de commissie van onderzoek. Indien de aanvraag voor 1 juni is ingediend bij de gemeente, heeft het college op grond van artikel 5, vierde lid, tot uiterlijk het begin van het nieuwe schooljaar de tijd een besluit te nemen en aan de aanvragers af te geven. De aanvraag dient dan wel juist en volledig te zijn ingevuld en voorzien te zijn van de noodzakelijke bijlagen. Indien het aanvraagformulier niet juist en/of volledig is ingevuld, zullen ouders het aanvraagformulier moeten aanpassen dan wel aanvullen en opnieuw moeten inzenden. In artikel 4:15 van de Awb is bepaald dat de beslistermijn wordt opgeschort tot de dag waarop de aanvraag met de ontbrekende gegevens is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken. Artikel 5, vierde lid, van de Verordening 2007 is vervolgens van toepassing. Voor de termijn van 1 juni plus acht weken is gekozen om de eventueel te verwachten stormloop van aanvragen in de zomervakantie te kunnen verwerken. Ondanks de gestelde termijnen in artikel 5 van de Verordening 2007 kan het voorkomen dat de gestelde afwikkelingstermijnen niet haalbaar zijn voor de gemeente. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn in het geval van een vakantiepiek, indien het gevraagde oordeel van de commissie van onderzoek of andere deskundigen uitblijft, of indien er sprake is van een bijzondere situatie. In dergelijke gevallen kan het college de beslissing voor ten hoogste vier weken verdagen (artikel 5, vijfde lid, van de Verordening 2007). De Awb bepaalt dat dit uitstel schriftelijk kenbaar gemaakt moet worden aan de betrokken ouders door het college, voor afloop van de eerste termijn. Dit in verband met de bepalingen omtrent het overschrijden van de termijnen en de daaruit voortvloeiende toewijzing van de aanvragen. Uiterlijk een dag voor het verstrijken van de tweede termijn dient een beschikking op de ingediende aanvraag door het college te zijn gegeven. Als blijkt dat ook de verdagingstermijn onvoldoende soelaas biedt, bijvoorbeeld als gevolg van het uitblijven van het advies van de commissie van begeleiding of het advies van andere deskundigen is het van belang dat er toch een beschikking wordt afgegeven. Een beschikking treedt niet in werking voordat deze bekend is gemaakt (artikel 3:44 van de Awb). De termijnen die in artikel 5 van de Verordening 2007 zijn opgenomen zijn inclusief de tijd die het college nodig heeft om een genomen beschikking aan de aanvragers bekend te maken. Artikel 4:13 van de Awb bepaalt dat een redelijke termijn waarbinnen een beschikking dient te worden gegeven in ieder geval is verstreken indien het college binnen acht weken geen beschikking heeft gegeven. Indien bovenstaande termijnen (acht weken en een eventuele verdaging van vier weken) overschreden worden, dan kunnen de aanvragers op basis van artikel 6:2 van de Awb daartegen bezwaar maken en beroep instellen. In het onderhavige geval is het bezwaar en beroep niet aan een termijn gebonden (artikel 6:12, eerste lid, van de Awb). Het bezwaar- of beroepschrift wordt niet-ontvankelijk verklaard indien het onredelijk laat is ingediend (artikel 6:12, derde lid). Bij de berekening van de termijnen (acht weken voor de beslissing, vier weken uitstel), gelden de bepalingen zoals deze zijn opgenomen in de Algemene termijnenwet. De Algemene termijnenwet bepaalt dat, indien de gestelde termijn eindigt op een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag, de termijn verlengd wordt tot en met de eerstvolgende dag die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is. (Als algemeen erkende feestdagen zijn aan te merken nieuwjaarsdag, tweede paasdag, beide kerstdagen, Hemelvaartsdag en Koninginnedag.) Ad 2 Aanvragen gedurende het schooljaar; beschikking binnen acht weken In gevallen waarin de ouders een aanvraag ten behoeve van het nieuwe schooljaar om welke reden dan ook niet tijdig voor 1 juni indienen, is het in de meeste gevallen niet haalbaar de beschikking voor het begin van het nieuwe schooljaar af te geven. Hetzelfde geldt in het geval de aanvraag - weliswaar ingediend voor 1 juni - onvolledig is of onjuist is ingevuld (tenzij de gecorrigeerde aanvraag ook voor 1 juni bij de gemeente binnen is). Immers, in een dergelijk geval zullen de ouders de aanvraag moeten aanvullen of corrigeren. Is er sprake van een bovengenoemde situatie dan is artikel 5, vierde lid, van de Verordening 2007 van toepassing. Hierin wordt bepaald dat het college binnen acht weken na ontvangst van het formulier een beslissing neemt, nadat ouders in voorkomend geval in de gelegenheid zijn gesteld de aanvraag met ontbrekende gegevens aan te vullen. Deze termijn is ook van toepassing indien gedurende het schooljaar een aanvraag plaatsvindt. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn, indien in de loop van het schooljaar een leerling van schoolsoort wisselt (bijvoorbeeld van basisonderwijs naar speciaal onderwijs), of wel dat het kind in de loop van het jaar verhuist en daardoor een andere gelijksoortige school gaat bezoeken. Ervan uitgaande dat de voormalige woongemeente de ouders wijst op de noodzaak een aanvraag bij de nieuwe woongemeente in te dienen mag van de ouders worden verwacht dat zij direct - maar uiterlijk binnen een week na de berichtgeving van de voormalige woongemeente - een aanvraag bij de nieuwe woongemeente indienen. Bij latere indiening is de nieuwe woongemeente niet gehouden om de kosten van vervoer in de periode vanaf een week na de mededeling van de oude woongemeente tot aan de uiteindelijke indiening van de aanvraag bij de nieuwe woongemeente te bekostigen. Ook ten aanzien van de aanvraagprocedures geldt echter dat de afwikkelingstermijnen niet haalbaar kunnen zijn voor de gemeente. Hiervoor geldt dan ook de verdaging van de termijn met vier weken. Dezelfde criteria en sancties gelden als onder ad 1 zijn gesteld. Indien op een aanvraag positief is beslist of indien via bezwaar of beroep een positieve beschikking is afgedwongen, luidt de vraag met ingang van welke datum de bekostiging wordt verleend. In zijn algemeenheid kan gesteld worden, dat het college de ingangsdatum van de bekostiging bepaalt. In het geval een aanvraag voor het nieuwe schooljaar wordt gedaan, zal de ingangsdatum van de bekostiging in principe samenvallen met de eerste schooldag van het nieuwe schooljaar (artikel 5, zesde lid, onder a). Hieronder dient dan de werkelijke start van het schooljaar verstaan te worden en niet de wettelijke aanvangsdatum. De bekostiging gaat uiteraard pas in op de dag dat het vervoer daadwerkelijk plaatsvindt. Indien de aanvraag gedurende het schooljaar aan het college wordt gericht zal de ingangsdatum van de bekostiging in principe samenvallen met de in het aanvraagformulier verzochte datum van ingang, echter niet voor de datum waarop de aanvraag wordt gedaan (artikel 5, zesde lid, onder b) (de datum van ontvangst). Zoals reeds eerder is opgemerkt geeft artikel 4:4 van de Awb de gemeente in het algemeen de bevoegdheid om het gebruik van aanvraagformulieren voor te schrijven. Artikel 4:15 van de Awb bepaalt dat de beslistermijn wordt opgeschort tot de dag waarop de aanvraag met de ontbrekende gegevens is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken. Onder gegevens dient ook te worden verstaan eventuele toevoeging van verklaringen (bewijsstukken). Te denken valt hierbij bijvoorbeeld aan een medische verklaring, werkgeversverklaring, verklaring van de rijksinspecteur der belasting, verklaring van overwegende bezwaren en eventuele andere bewijsstukken. Ouders zijn op grond van artikel 4:2 van de Awb verplicht deze gegevens te overleggen, indien deze gegevens van belang zijn voor een juiste beoordeling van de aanvraag. Of gegevens daadwerkelijk van belang zijn voor een juiste beoordeling wordt door het college bepaald. Uiteraard dient het begrip 'juist' redelijk geïnterpreteerd te worden. Criterium is: gegevens die van invloed zijn op de aanvraag dienen juist en volledig ingevuld te zijn. Het college bepaalt of dat daadwerkelijk het geval is. Indien het aanvraagformulier aanvulling behoeft of gecorrigeerd dient te worden, stuurt het college het aanvraagformulier terug. Ouders worden dan in de gelegenheid gesteld om de verlangde gegevens binnen een door het college te bepalen termijn (bijvoorbeeld vier weken) aan te vullen of te verbeteren. Wordt hiervan geen gebruik gemaakt, dan dient het college de afweging te maken of de aanvraag in behandeling wordt genomen (artikel 4:5, eerste lid, van de Awb). Op grond van artikel 4:5, vierde lid van de Awb, dient in een voorkomend geval aan de aanvrager bekend te worden gemaakt dat de aanvraag niet in behandeling wordt genomen. Gemeenten kunnen zich bij een afwijzende beschikking niet louter beroepen op een onjuist dan wel onvolledig ingevuld aanvraagformulier, zij moeten bij hun beoordeling mede betrekken wat de kennelijke bedoeling van de aanvrager is. Bij het in behandeling nemen van aanvragen zal de gemeente dus moeten letten op de kennelijke bedoeling van de aanvrager zoals die uit aanvragen van de voorafgaande jaren gebleken is. Het vijfde lid van artikel 5 geeft het college de mogelijkheid om de beslissing op de aanvraag met vier weken te verdagen. Een beslissing van een bestuursorgaan om een beslissing te verdagen is een beschikking in de zin van de Awb. Dit betekent onder andere dat het bestuursorgaan een dergelijke beslissing dient te motiveren (artikel 4:16 van de Awb) en dat de beslissing aan de belanghebbende bekend gemaakt dient te worden (artikel 3:41 van de Awb). Artikel 6 Doorgeven van wijzigingen Lid 1 Artikel 6, eerste lid, van de Verordening 2007 regelt dat ouders verplicht zijn wijzigingen door te geven aan het college, die van directe invloed zijn op de verstrekte bekostiging van de vervoerskosten. Gegevens die van invloed kunnen zijn op de bekostiging zijn onder andere: - wijziging van de reistijd, in verband met verandering in bijvoorbeeld het openbaar vervoer; - wijziging in het woonadres van de leerling, door bijvoorbeeld verhuizing; - wijziging van de gezinssamenstelling; - wijziging in de gezinssituatie, die invloed heeft op het al dan niet begeleiden van leerlingen; - wijziging van het adres van de school; - wijziging van de schooltijden van de school; - wijziging van school (bijvoorbeeld van speciaal onderwijs naar voortgezet speciaal onderwijs); - toekenning van bekostiging op grond van de Wet Rea etc. Lid 2 Ouders dienen dergelijke wijzigingen direct mede te delen aan het college. Indien de wijziging daartoe aanleiding geeft, trekt het college de verstrekte bekostiging in en verstrekt het college al dan niet opnieuw bekostiging van de vervoerskosten (artikel 6, tweede lid, van de Verordening 2007). Indien de wijziging geen invloed op de bekostiging heeft, gebeurt dit uiteraard niet. Wijziging in het inkomen van ouders van leerlingen die een school voor basisonderwijs of speciale school voor basisonderwijs volgen heeft in principe geen invloed op de bekostiging van de vervoerskosten voor het desbetreffende jaar. Indien echter sprake is van een structurele wijziging in het inkomen van de ouders die voor hen ernstig nadelig is, kan het college vooruitlopend op het volgende schooljaar de bekostiging aanpassen. Indien het college, zonder hiervan door de ouders direct op de hoogte te zijn gesteld, zelf wijzigingen vaststelt die van invloed kunnen zijn op de bekostiging, kan het zijn dat ouders ten onrechte bekostiging (hebben) ontvangen. Lid 4 Artikel 6, vierde lid, van de Verordening 2007 biedt in dergelijke situaties een kapstok om de ten onrechte betaalde bekostigingen terug te vorderen of in mindering te brengen bij eventueel nieuw te verstrekken bekostigingen. Ook in onderhavige gevallen geldt immers dat nadat de wijziging is vastgesteld de bekostiging kan vervallen en eventueel opnieuw wordt verstrekt. De beslissing dient aan de aanvrager bekend te worden gemaakt. Artikel 3:41 van de Awb bepaalt dat een beslissing, die tot een of meer belanghebbenden is gericht, bekend wordt gemaakt door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager. Artikel 7 Peildatum leeftijd leerling Aangezien in de Verordening 2007 het leeftijdscriterium in het basisonderwijs als een van de volumebeperkende middelen is opgenomen (artikel 12) om al dan niet in aanmerking te komen voor vervoer onder begeleiding, verdient het aanbeveling een peildatum van de leeftijd van de leerling te kiezen. Indien de leerling in aanmerking komt voor openbaar vervoer onder begeleiding en in de verordening is geen peildatum gekozen, zal in dat schooljaar waarin de leerling de leeftijd van negen jaar bereikt, tweemaal een beschikking dienen te worden afgegeven, namelijk voor de periode dat de leerling nog acht jaar is en voor de periode dat de leerling de leeftijd van negen jaar heeft bereikt. Een dergelijke handelwijze houdt nogal wat extra administratieve werkzaamheden in. In de Verordening 2007 (artikel 7) is dan ook gekozen voor een peildatum die geldt voor het gehele schooljaar. Gekozen is voor de peildatum van 1 augustus van het betreffende schooljaar, omdat deze datum samenvalt met de wettelijke start van het schooljaar. Deze bepaling houdt in dat indien de leerling op 1 augustus van een bepaald schooljaar acht jaar is, hij in het kader van de Verordening 2007 het gehele schooljaar als acht jaar wordt aangemerkt (ook al wordt de leerling halverwege het schooljaar negen jaar). Er hoeft dan ook maar 1 beschikking voor het gehele schooljaar te worden afgegeven. Ten behoeve van het (voortgezet) speciaal onderwijs is een dergelijke leeftijdsgrens niet opgenomen. Artikel 8 Andere vergoedingenIndien kan worden aangetoond dat een aanvrager van leerlingenvervoer via een andere weg (bijvoorbeeld via de werkgever) vergoeding ontvangt voor de kosten van het vervoer naar school, mag de gemeente die vergoeding aftrekken van de bekostiging die de aanvrager zou hebben gekregen op basis van de verordening leerlingenvervoer. Dat geldt echter niet voor vergoedingen die worden verstrekt door de IB-groep op basis van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten, die ouders van schoolgaande kinderen in het voortgezet onderwijs kunnen aanvragen. Deze vergoeding is opgebouwd uit verschillende componenten, zoals lesgeld, boekengeld enzovoort en is niet puur bestemd voor reiskosten. Deze vergoeding mag daarom niet worden afgetrokken van de bekostiging leerlingenvervoer. Artikel 9 Bekostiging naar de dichtstbijzijnde toegankelijke speciale school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband Dit artikel is een aanvulling op artikel 3 van de Verordening
- Voor alle onderwijssoorten geldt de hoofdregel van artikel 3, eerste lid. Artikel 4 van de WPO bepaalt voor speciale scholen voor basisonderwijs echter dat het vervoer naar de dichtstbijzijnde school in het samenwerkingsverband dient te worden bekostigd. Dat zal veelal wel, maar hoeft niet de dichtstbijzijnde toegankelijke school van zijn soort te zijn omdat buiten het samenwerkingsverband een dichterbij gelegen speciale school kan zijn. Deze regeling is door de wetgever getroffen om zo veel mogelijk opvang binnen het eigen samenwerkingsverband te realiseren. Evenals bij de regeling voor basisscholen wordt bij het toekennen van een voorziening voor leerlingenvervoer rekening gehouden met de toegankelijkheid voor de leerling en de op godsdienst of levensbeschouwing berustende keuze van de ouders. In artikel 9 wordt gesproken van de basisschool waarvan de leerling afkomstig is. Dit is op grond van artikel 3 van de verordening de dichtstbijzijnde toegankelijke basisschool. Is dit het geval, dan is artikel 9 van toepassing. Daarnaast geldt als gevolg van de verwijzing naar artikel 3 van de Verordening 2007 bij toepassing van onderdeel 2 ook hier het vereiste van schriftelijke instemming van de ouders. Artikel 10 Permanente commissie leerlingenzorg In de WPO wordt aan de permanente commissie leerlingenzorg (pcl) de taak opgedragen om een besluit te nemen over de toelating van een leerling tot een speciale school voor basisonderwijs. Het college moet bij de beoordeling van een aanvraag voor leerlingenvervoer van dit besluit uitgaan. Daarnaast kunnen door het samenwerkingsverband aan de permanente commissie leerlingenzorg adviestaken worden opgedragen. Wanneer dat is gebeurd dient het college het advies van de commissie bij de beoordeling te betrekken. Omdat het een advies betreft, is het college daaraan echter niet gebonden. Artikel 11 Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en vervoer per fiets In artikel 11 van de Verordening 2007 zijn de minimumvoorwaarden vastgelegd om ouders aanspraak te kunnen laten maken op bekostiging van de vervoerkosten. Hierbij geldt als uitgangspunt: 'bekostiging van de kosten van openbaar vervoer dan wel de kosten van het vervoer per fiets'. Als afstandscriterium wordt in de Verordening 2007 zes kilometer gehanteerd. In de lijn van de jurisprudentie is deze kilometergrens inmiddels in artikel 4, zevende lid, van de WPO als bovengrens vastgelegd. Bij de wijze waarop de afstand tussen school en woning bepaald moet worden, kan bij verschil van mening daarover tussen de ouders en de gemeente niet volstaan worden met het meten van de afstand door een auto-dagteller. In Aalburg maken wij daarbij gebruik van de ANWB Route-planner. Van belang is tevens dat bij het meten van de afstand niet mag worden uitgegaan van de gemiddelde afstand van de heenweg ('s morgens) en de terugweg ('s middags). Indien de reisafstand op de heenweg onder de in de verordening gestelde grens ligt doch de reisafstand op de terugweg daarboven - of omgekeerd - dan ligt het naar het oordeel van de afdeling veeleer in de rede dat een gedeeltelijke bekostiging - voor alleen de heen- dan wel de terugreis - wordt verstrekt. Een combinatie van afstandscriterium en leeftijdscriterium is op grond van de wet niet mogelijk (artikel 4, achtste en negende lid, van de WPO en artikel 4, zevende en achtste lid, van de WEC. Artikel 4, achtste en negende lid, van de WPO luidt: 8 De regeling kan bepalen dat geen aanspraak op bekostiging bestaat op grond van de afstand tussen de voor de leerling toegankelijke school en de woning van de leerling, gemeten langs de kortste, voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg. 9 De regeling kan bepalen dat voor een leerling die ouder is dan een bepaalde leeftijd, de aanspraak op bekostiging wordt beperkt tot de kosten van openbaar vervoer, dan wel, indien zulks in redelijkheid kan worden verlangd, een goedkopere wijze van vervoer. Het drempelbedrag en het draagkrachtbeginsel Voor het vervoer van leerlingen naar scholen voor basisonderwijs heeft de gemeente naast de vaststelling van een afstandsgrens en leeftijdsgrens nog twee andere volumebeperkende maatregelen ter beschikking ter regulering van de vervoerskosten, namelijk een drempelbedrag en het toepassen van het draagkrachtbeginsel. In het kader van het vervoer van leerlingen naar speciale scholen voor basisonderwijs kan eveneens een drempelbedrag geheven worden, maar is het toepassen van het draagkrachtbeginsel niet mogelijk.
- Drempelbedrag Het drempelbedrag houdt in dat: - aan ouders van wie het inkomen meer bedraagt dan € 21.600,-- per jaar (geïndexeerd), slechts bekostiging wordt verleend voorzover de kosten van vervoer van de leerling de kosten van het openbaar vervoer over de in artikel 11 dan wel artikel 15 bepaalde afstand te boven gaan; - indien het college het vervoer zelf organiseert, dienen ouders een financiële bijdrage per te vervoeren leerling te betalen die gelijk is aan de kosten van het openbaar vervoer over de in artikel 11 dan wel artikel 15 bepaalde afstand als het inkomen meer bedraagt dan € 21.600,-- per jaar (geïndexeerd) (zie artikel 23 van de Verordening 2007).
- Draagkrachtprincipe Naast het heffen van een drempelbedrag kan de gemeente in een aantal gevallen bepalen dat de hoogte van de bekostiging afhankelijk is van de financiële draagkracht van de ouders, of dat het vervoer dat de gemeente verzorgt of doet verzorgen geschiedt tegen een van de financiële draagkracht van de ouders afhankelijke bijdrage (artikel 4, elfde lid, van de WPO). Dit draagkrachtbeginsel kan worden toegepast indien het leerlingen betreft die een school voor basisonderwijs bezoeken en voor wie de afstand van de woning naar de school meer dan twintig kilometer bedraagt. Bij de vaststelling van de hoogte van de draagkrachtafhankelijke bijdrage is rekening gehouden met het gelijktijdig in rekening brengen van de verplichte eigen bijdrage. Dit betekent dat in deze systematiek zowel de verplichte eigen bijdrage als de draagkrachtafhankelijke bijdrage in rekening dienen te worden gebracht. Als uitgangspunt van de Verordening 2007 geldt bekostiging op basis van het openbaar vervoer: 'Openbaar vervoer eventueel onder begeleiding is regel en aangepast vervoer is uitzondering'. Artikel 11 van de Verordening 2007 bepaalt dat de ouders van leerlingen die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoeken, in aanmerking kunnen komen voor bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer dan wel vervoer per fiets, indien de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school meer dan zes (bij basisonderwijs) respectievelijk 2 (bij sbo) kilometer bedraagt. Het tweede lid van artikel 11 voorziet er in dat een fietsvergoeding wordt verstrekt. Het college dient dan van oordeel te zijn dat de leerling, al dan niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per fiets. Hierbij dienen in overweging te worden genomen de leeftijd van de leerling, de eventuele handicap van de leerling, de veiligheid van de af te wijken route en de afstand. Ook is het mogelijk een fietsbekostiging voor bijvoorbeeld de maanden maart tot november te verstrekken en voor de overige maanden bekostiging voor ander passend vervoer. Overeenkomstig artikel 1, onder e, van de Verordening 2007 dient onder 'afstand' verstaan te worden: de afstand tussen de woning van de leerling en de te bezoeken school, gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg. Leerlingenvervoer naar dislocaties/nevenvestigingen Artikel 11 e.v. en artikel 15 e.v. van de Verordening 2007 bepalen dat het college bekostiging verstrekt in de kosten van leerlingenvervoer, indien de afstand van de woning van de leerling naar de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal voortgezet onderwijs of (voortgezet) speciaal onderwijs meer bedraagt dan zes respectievelijk 2 kilometer. Indien de school die de leerling bezoekt meer dan een locatie heeft, rijst de vraag of slechts de hoofdvestiging dan wel alle onderwijslocaties als school in de zin van de verordening leerlingenvervoer dienen te worden beschouwd. Deze vraag zal zich in de praktijk vaker voordoen door met name de schaalvergrotingsoperatie in het basisonderwijs. Door deze operatie is het aantal dislocaties toegenomen en zijn zelfstandige scholen omgevormd tot nevenvestigingen. Voor de beantwoording van de gestelde vraag kan aansluiting worden gezocht bij de regelgeving inzake de huisvesting en materiele instandhouding in het primair onderwijs, alsmede bij artikel 2, eerste lid, artikel 11 en artikel 15, eerste lid van de Verordening leerlingenvervoer
- Als uitgangspunt geldt dan dat de feitelijke locatie die door de leerling wordt bezocht als school kan worden beschouwd in de zin van de verordening. Concreet gaat het om de volgende situaties:
- Nevenvestiging in het basisonderwijs. Een nevenvestiging wordt in termen van de WPO (artikel 1) beschouwd als een deel van de school op de plaats waar voor de vorming van de nevenvestiging een zelfstandige school functioneerde. De eigen wettelijke positie van een nevenvestiging komt onder andere tot uiting in een afzonderlijke normstelling voor de instandhouding, in een afzonderlijke regeling voor de rijksbekostiging van de huisvesting (los van de plaatsingscapaciteit van de hoofdvestiging) en in de verplichting om voor de nevenvestiging een afzonderlijke leerlingadministratie bij te houden. Gelet op het voorgaande uitgangspunt en tegen deze achtergrond bezien, ligt het voor de hand een nevenvestiging als een school in de zin van de verordening te beschouwen.
- Dislocaties in het primair onderwijs. Een dislocatie kan, gelet op het hiervoor genoemde uitgangspunt, eveneens als een school in de zin van de verordening worden beschouwd.
- Bekostiging. Het college verstrekt bekostiging indien de leerling de dichtstbijzijnde toegankelijke onderwijslocatie bezoekt, indien uiteraard aan de criteria van de verordening op het gebied van richting en kilometergrens wordt voldaan. Met een onderwijslocatie wordt zowel de hoofdvestiging als een nevenvestiging of dislocatie bedoeld. Hieruit vloeit bijvoorbeeld voort dat indien een leerling een dislocatie bezoekt die minder ver van de woning is gelegen dan de kilometergrens van artikel 11 respectievelijk artikel 15 van de Verordening 2007, het college niet gehouden is bekostiging te verstrekken voor de kosten van het leerlingenvervoer. Dit gaat ook niet op indien de hoofdvestigi