Verordening kwaliteitsregels peuterspeelzalenDe raad van de gemeente Blaricum, gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders gelet op artikel 149 van de Gemeentewet, overwegende dat het wenselijk is regels te stellen ten aanzien van de kwaliteit van peuterspeelzalen; besluit: vast te stellen: VERORDENING KWALITEITSREGELS PEUTERSPEELZALEN Hoofdstuk1Algemene bepalingen Artikel1Begripsomschrijvingen In deze verordening wordt verstaan onder: a. peuterspeelzaalwerk: het bieden van speelgelegenheid aan kinderen van twee tot vier jaar gedurende een of meer dagdelen per week van maximaal 3,5 uur met als doel de ontwikkeling van deze kinderen te bevorderen en hen samen te laten spelen; b. peuterspeelzaal: een voorziening waar peuterspeelzaalwerk plaatsvindt; c. houder: degene die een peuterspeelzaal exploiteert; d. beroepskracht: degene die in een peuterspeelzaal werkzaamheden verricht die zijn opgenomen in de voor het peuterspeelzaalwerk geldende CAO en die beschikt over voor deze werkzaamheden passende beroepskwalificaties; e. begeleider: degene die anders dan als beroepskracht is belast met de begeleiding van kinderen bij een peuterspeelzaal; f. College: het college van burgemeester en wethouders van Blaricum; g. Ouder: degene die het ouderlijk gezag bezit, of de voogd of verzorger. Hoofdstuk2Meldingsplicht Artikel2Melding in exploitatie nemen van een peuterspeelzaal 1Degene die voornemens is een peuterspeelzaal in exploitatie te nemen binnen de gemeente doet daarvan melding aan het college. 2De melding vindt plaats met behulp van een door het college vastgesteld en beschikbaar gesteld formulier. Artikel3Ambitieniveau van het peuterspeelzaalwerk De houder bepaalt in samenspraak met het college voor welk ambitieniveau van het peuterspeelzaalwerk hij kiest, waarbij de volgende ambitieniveaus worden onderscheiden: a. ambitieniveau 0: ‘spelen en ontmoeten’; b. ambitieniveau 1: ‘spelen, ontmoeten, ontwikkelen en signaleren’; c. ambitieniveau 2: ‘spelen, ontmoeten, ontwikkelen, signaleren en ondersteunen’. Artikel4Termijn van in exploitatie nemen van een peuterspeelzaal 1Een peuterspeelzaal wordt niet in exploitatie genomen binnen acht weken na het tijdstip van de melding. 2Indien uit het onderzoek van de toezichthouder, bedoeld in artikel 17, eerste lid, eerder is gebleken dat de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met de bepalingen in hoofdstuk 3 van deze verordening, kan de exploitatie vanaf dat moment plaatsvinden. Artikel5Verbod tot exploitatie van een peuterspeelzaal Het is verboden een peuterspeelzaal in exploitatie te nemen dan wel te houden indien; a. niet aan de vereisten, bedoeld in artikel 2 is voldaan, b. uit het onderzoek van de toezichthouder, bedoeld in artikel 17, eerste lid, blijkt dat niet aan de eisen van de verordening wordt voldaan of indien de toezichthouder ernstig wordt belemmerd bij het uitvoeren van zijn onderzoek. Artikel6Register 1Het college houdt een register bij van gemelde peuterspeelzalen. In dit register worden na een melding onmiddellijk de gegevens opgenomen die ingevolge artikel 2, tweede lid, en artikel 3 zijn verstrekt. 2Het college deelt de houder schriftelijk mee dat opneming van de peuterspeelzaal in het register heeft plaatsgevonden. 3Het register ligt op het gemeentehuis kosteloos voor een ieder ter inzage. Artikel7Wijzigingen van gegevens 1De houder doet van wijzigingen in de gegevens die bij de melding zijn verstrekt, onmiddellijk mededeling aan het college. 2Het college deelt de houder schriftelijk mee dat de wijzigingen in het register zijn aangetekend. Hoofdstuk3De kwaliteitseisen Artikel8Algemene kwaliteitseisen 1De houder van een peuterspeelzaal biedt peuterspeelzaalwerk aan dat bijdraagt aan een goede en gezonde ontwikkeling van het kind in een veilige en gezonde omgeving. 2De houder organiseert het peuterspeelzaalwerk op zodanige wijze, voorziet de peuterspeelzaal zowel kwalitatief als kwantitatief zodanig van personeel en materieel, draagt zorg voor een zodanige verantwoordelijkheidstoedeling en voert een zodanig pedagogisch beleid, dat een en ander leidt of moet leiden tot verantwoord peuterspeelzaalwerk. Artikel9Eisen ten aanzien van veiligheid en gezondheid 1De houder voert een beleid dat ertoe leidt dat de veiligheid en de gezondheid van de op te vangen kinderen in elk door hem geëxploiteerde peuterspeelzaal zoveel mogelijk is gewaarborgd. 2De houder van de peuterspeelzaal sluit ten behoeve van de aldaar aanwezige beroepskrachten, begeleiders en kinderen, een passende aansprakelijkheids – en ongevallenverzekering af. Artikel10Oppervlakte speelruimte 1Voor ieder kind is minimaal 3,5 m2 bruto-oppervlakte aan binnenspeelruimte beschikbaar. 2Voor ieder kind is buitenspeelruimte beschikbaar, waarvan de bruto-oppervlakte minimaal 4 m2 per kind bedraagt en die voor kinderen veilig bereikbaar is. Artikel11Groepen en groepsgrootte 1De opvang van kinderen vindt plaats in vaste groepen in passend ingerichte vaste afzonderlijke ruimtes. 2In een groep zijn ten hoogste 20 kinderen gelijktijdig aanwezig. Artikel12Aantal beroepskrachten of begeleiders per groep 1Het aantal beroepskrachten of begeleiders per groep is afhankelijk van het door de houder gekozen ambitieniveau. 2Indien de houder heeft gekozen voor ambitieniveau 0: ‘spelen en ontmoeten’ zijn er in elke groep ten minste twee begeleiders aanwezig en er is één beroepskracht voor ten minste 50% van de openingsuren aanwezig in de peuterspeelzaal. 3Indien de houder heeft gekozen voor ambitieniveau 1: ‘spelen, ontmoeten, ontwikkelen en signaleren’ zijn er in elke groep ten minste één beroepskracht en één begeleider aanwezig. 4Indien de houder heeft gekozen voor ambitieniveau 2: ‘spelen, ontmoeten, ontwikkelen, signaleren en ondersteunen’ zijn er in elke groep ten minste twee beroepskrachten aanwezig. Artikel13Overeenkomst tussen houder en ouder Opvang in een peuterspeelzaal geschiedt op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de houder en een ouder. Artikel14Informatieplicht aan de ouders De houder van een peuterspeelzaal informeert de ouder voorafgaand aan het aangaan van deze overeenkomst in ieder geval over: a. de plaatsingsprocedure en leveringsvoorwaarden; b. het gekozen ambitieniveau als bedoeld in artikel 3; c. het te voeren beleid, waaronder het beleid inzake veiligheid en gezondheid, alsmede het pedagogisch beleid waarin vanuit de visie op de ontwikkeling van kinderen de visie op de omgang met kinderen is beschreven; d. de wijze en frequentie van informatie-uitwisseling na plaatsing van het kind bij de peuterspeelzaal. Artikel15Verklaring omtrent het gedrag 1Personen die als beroepskracht of begeleider werkzaam zijn bij een peuterspeelzaal zijn in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven volgens de Wet justitiële gegevens. 2Deze verklaring wordt aan de houder overlegd voordat een persoon zijn werkzaamheden aanvangt. De verklaring is op het moment dat zij wordt overgelegd niet ouder dan twee maanden. 3Indien de houder of de toezichthouder redelijkerwijs vermoedt dat een persoon niet langer voldoet aan de eisen voor het afgeven van een verklaring omtrent het gedrag, verlangt de houder dat die persoon opnieuw een verklaring omtrent het gedrag overlegt die niet ouder is dan twee maanden. De desbetreffende persoon overlegt de verklaring binnen een door de houder vast te stellen termijn. Hoofdstuk4Het gemeentelijk toezicht Artikel16Aanwijzing van toezichthouders Het college wijst toezichthouders aan. Artikel17Onderzoek door de toezichthouder 1De toezichthouder onderzoekt na een melding als bedoeld in artikel 2, eerste lid, binnen 8 weken of de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met de voorschriften in hoofdstuk 3 van deze verordening. 2Onverminderd het eerste lid onderzoekt de toezichthouder minimaal 1 keer in de 2 jaar of de exploitatie van elke peuterspeelzaal plaatsvindt in overeenstemming met de voorschriften in of krachtens hoofdstuk 3 van deze verordening. 3Naast het onderzoek bedoeld in het eerste en tweede lid kan de toezichthouder incidenteel onderzoek verrichten naar de naleving door een houder van de voorschriften in of krachtens hoofdstuk 3 van deze verordening. Artikel18Het inspectierapport 1De toezichthouder legt zijn oordeel naar aanleiding van een onderzoek bij een peuterspeelzaal vast in een inspectierapport. 2Indien de toezichthouder oordeelt dat door de houder de voorschriften van deze verordening niet zijn of zullen worden nageleefd, vermeldt hij dat in het rapport. 3Alvorens het rapport vast te stellen, stelt het college de houder in de gelegenheid van het ontwerprapport kennis te nemen en daarover zijn zienswijze kenbaar te maken. De toezichthouder vermeldt de zienswijze van de houder in een bijlage bij het rapport. 4De toezichthouder zendt het inspectierapport onverwijld aan de houder, die een afschrift daarvan zo spoedig mogelijk ter inzage legt op een voor ouders en personeel toegankelijke plaats. 5De toezichthouder maakt het inspectierapport uiterlijk drie weken na de vaststelling daarvan openbaar. Artikel19Aanwijzing en bevel 1Het college kan de houder een schriftelijke aanwijzing geven indien op basis van het inspectierapport blijkt dat deze de voorschriften in deze verordening niet of in onvoldoende mate naleeft. 2In de aanwijzing geeft het college met redenen omkleed aan op welke punten de voorschriften niet of in onvoldoende mate worden nageleefd, alsmede de in verband daarmee te nemen maatregelen. 3Indien de toezichthouder oordeelt dat de kwaliteit van de opvang bij een peuterspeelzaal zodanig tekortschiet dat het nemen van maatregelen redelijkerwijs geen uitstel kan lijden, kan de toezichthouder een schriftelijk bevel geven. Het bevel heeft een geldigheidsduur van zeven dagen, die door het college kan worden verlengd. 4De houder neemt de maatregelen binnen de bij de aanwijzing onderscheidenlijk het bevel gestelde termijn. Artikel20Strafbepaling Overtreding van de artikelen 2, eerste lid, en de artikelen in hoofdstuk 3 van deze verordeningen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie. Hoofdstuk5Slot- en overgangsbepalingen Artikel21Overgangsbepaling Een jaar na de inwerkingtreding van deze verordening dienen alle houders van peuterspeelzalen te voldoen aan de in of krachtens deze verordening gestelde eisen. Artikel22Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2007. Met de inwerkingtreding van deze verordening expireert de Verordening Kinderopvang zoals vastgesteld op 29 oktober 1996. Artikel23Citeertitel De verordening wordt aangehaald als: Verordening kwaliteitsregels peuterspeelzalen gemeente Blaricum. Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de Gemeente Blaricum, op 23 november 2006. de griffier, de voorzitter, drs. T.W. Zwemmer drs. W.H.C. Ton
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.