← Nederland

Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Brummen 2010 (Brummen)

Algemene plaatselijke verordening gemeente Brummen 2010 De gemeente stelt de Algemene plaatselijke verordening gemeente Brummen 2010 vast. Hoofdstuk1.Algemene bepalingen Artikel 1:1 Begripsbepalingen

Artikel 4

:14 Weigering ex lege:

Artikel 4

:15 Weigeringsgronden Het bevoegd gezag kan de vergunning weigeren dan wel onder voorschriften verlenen in het belang van onder meer: natuur- en milieuwaarden; landschappelijke waarden; cultuurhistorische waarden; waarden van stads- en dorpsschoon; de beeldbepalende waarde van de houtopstand; waarden voor recreatie en leefbaarheid. De burgemeester kan toestemming geven tot direct vellen, indien sprake is van grote gevaarzetting of vergelijkbaar spoedeisend belang. Artikel 4:16 Inwerkingtreding vergunning:

Artikel 4

:17 Vervaltermijn vergunning De vergunning als bedoeld in het vorig artikel vervalt, indien daarvan niet binnen maximaal één jaar na afgifte volledig gebruik is gemaakt. Artikel 4:18 Bijzondere vergunningsvoorschriften Tot de aan de vergunning te verbinden voorschriften kan behoren het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen moet worden herplant. Indien het gemeentelijk beleid of een bestemmings-, bomen-, groen-, of landschapsplan de te vellen houtopstand direct of indirect als waardevol omschrijft, wordt een herplantplicht opgelegd. Wordt een voorschrift als bedoeld in het eerste lid gegeven, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de herplanting en op welke wijze niet geslaagde beplanting moet worden vervangen. Tot aan de vergunning te verbinden voorschriften kunnen behoren aanwijzingen ter bescherming van in en rond de houtopstand voorkomende flora en fauna. Artiel 4:19 Herplant-/instandhoudingsplicht Indien houtopstand, waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze afdeling van toepassing is, zonder vergunning van het bevoegd gezag is geveld, dan wel op andere wijze teniet is gegaan, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevond dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen te herbeplanten overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn. Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na herbeplanting en op welke wijze niet-geslaagde beplanting moet worden vervangen. Indien houtopstand, waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze afdeling van toepassing is, in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevindt dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen. Artikel 4:20 Schadevergoeding Het college beslist op een verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 17, juncto artikel 13 vierde lid, van de Boswet. Artikel 4:21 Bestrijding van iepziekte Dit artikel verstaat onder: iepziekte: de aantasting van iepen door de schimmel Ophiostoma ulmi (Buism.) Nannf. (syn. Ceratocystis ulmi (Buism.) C. Moreau); iepenspintkever: het insect, in elk ontwikkelingsstadium, behorende tot de soorten Scolytus scolytus (F.) en Scolytus multistratus (Marsch) en Scolytus pygmaeus. Indien zich op een terrein één of meer iepen bevinden die naar het oordeel van burgemeester en wethouders gevaar opleveren van verspreiding van de iepziekte of voor vermeerdering van de iepenspintkevers, is de rechthebbende, indien hij daartoe door het college is aangeschreven, verplicht binnen de bij aanschrijving vast te stellen termijn: indien de iepen in de grond staan, deze te vellen; de iepen te ontbasten en de bast te vernietigen; de niet ontbaste iepen of delen daarvan te vernietigen of zodanig te behandelen dat verspreiding van de iepziekte wordt voorkomen. Het is verboden gevelde iepen of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren; het verbod is niet van toepassing op geheel ontbast iepenhout en op iepenhout met een doorsnede kleiner dan 4 centimeter; het college kan ontheffing verlenen van het onder a. van dit lid gestelde verbod. Het niet voldoen aan de in het tweede lid bedoelde aanschrijving biedt een basis voor de toepassing van bestuursdwang, waarbij de noodzakelijke werkzaamheden, voor risico en voor rekening van aangeschrevene, door of namens de gemeente kunnen worden verricht. Artikel 4:22 Verhouding tussen kap- en bouw- of aanlegvergunning:

Artikel 4

:23 Bescherming bomen Het is verboden om houtopstanden, die openbaar eigendom zijn; te beschadigen, te bekladden of te beplakken; daaraan snoeiwerk te verrichten, tenzij het snoeiwerk wordt verricht door of namens de gemeente. Het is verboden om een of meer voorwerpen in of aan een openbare houtopstand aan te brengen of anderszins te bevestigen, behoudens vergunning van het college. Afdeling 4 Bescherming van flora en fauna Artikel 4:24 Bescherming van het wild Het college is bevoegd, indien bij een hoge waterstand de uiterwaarden geheel of gedeeltelijk zijn overstroomd, ter bescherming van het wild door middel van het plaatsen van borden de daarvoor in aanmerking komende wegen voor al het verkeer met inbegrip van voetgangers af te sluiten. Het is verboden van een weg gebruik te maken of zich daarop te bevinden, welke ingevolge het gestelde in lid 1 is afgesloten, dan wel zich te bevinden op ondergelopen terrein. Het hiervoor gestelde verbod is niet van toepassing op bestemmingsverkeer. Artikel 4:25 Verbod op paardrijden buiten ruiterpaden Het is verboden in voor publiek toegankelijke bossen, heidevelden en andere voor recreatief gebruik beschikbare terreinen zich met een paard te bevinden anders dan op ruiterpaden. Bij gebrek aan ruiterpaden mag gebruik worden gemaakt van wegen, niet zijnde fiets- en of wandelpaden. Voorts is het verboden zich binnen de bebouwde kom met een paard te bevinden op trottoirs en in plantsoenen. Artikel 4.26 Verbod op dropping e.d. in beschermd gebied Het is verboden tussen zonsondergang en zonsopgang een dropping of een oriënteringstocht te organiseren of daaraan deel te nemen op grond die in de gemeentelijke planologische voorschriften betreffende het gebied van de gemeente dat niet tot de bebouwde kom behoort, wordt aangeduid als te beschermen natuur- of bosgebied. Dit verbod is niet van toepassing op droppingen en oriënteringstochten op openbare wegen. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen voor het houden van een oriënteringstocht: nadat de eigenaar van de grond schriftelijk toestemming heeft verleend; indien aannemelijk is dat het wild niet verstoord zal worden; indien de tocht dezelfde avond voor 23:00 uur beëindigd zal zijn. Afdeling

  1. Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast Artikel 4:27 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz. Het is verboden op een door het college aangewezen plaats buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de openlucht en buiten de weg gelegen in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben: onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan; bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan; kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:31 of onderdelen daarvan, indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen. Het is verboden op een door het college aangewezen plaats een bepaald voorwerp of bepaalde stof op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben. Het college kan bij de aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid nadere regels stellen. Het in dit artikel bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet ruimtelijke ordening of de Provinciale Verordening. Artikel 4:28 Stankoverlast door gebruik van meststoffen [gereserveerd] Artikel 4:29 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving. Het college kan wegtracés dan wel gedeelten daarvan aanwijzen waarlangs reclameborden van semi-permanente aard, die geen ruimtelijke relatie hebben met de zaak waarop het opschrift, de aankondiging of de afbeelding betrekking heeft, geplaatst mogen worden. Een vergunning voor het plaatsen van een reclamebord van semi-permanente aard als bedoeld in het tweede lid kan worden verleend voor de termijn van maximaal drie jaar. Reclameborden van semi-permanente aard als bedoeld in het tweede lid mogen geen grotere afmetingen hebben dan 1,5 meter breed en 1 meter hoog. Het hart van het bord mag niet hoger zijn aangebracht dan 2 meter van het maaiveld. Artikel 4:30 Vergunningsplicht lichtreclame [gereserveerd] Afdeling
  2. Kamperen buiten kampeerterreinen Artikel 4:31 Begripsbepaling In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: Een onderkomen of voertuig waarvoor geen bouwvergunning in de zin van artikel 40 van de Woningwet is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf. Artikel 4:32 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan is bestemd of mede bestemd. Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het eerste lid. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:
  3. kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van: de bescherming van natuur en landschap; de bescherming van een stadsgezicht. Artikel 4:33 Aanwijzing kampeerplaatsen Het college kan plaatsen aanwijzen waarop het verbod van artikel 4:32, eerste lid niet geldt. Het college kan daarbij nadere regels stellen in het belang van de gronden, genoemd in artikel 4:32, vierde lid. Hoofdstuk5Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente Afdeling
  4. Parkeerexcessen Artikel 5:1 Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder: voertuigen: voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder al, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990) met uitzondering van kleine wagens zoals: kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen; parkeren: parkeren als bedoeld in artikel 1, onder ac, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990). Artikel 5:2 Parkeren van voertuigen ten behoeve van autobedrijf e.d. Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden: drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt een dezer voertuigen; dan wel; de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken. Onder verhuren als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan: het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen; het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen en/of goederen tegen betaling. Tot de voertuigen bedoeld in het eerste lid worden niet gerekend voertuigen, gebezigd voor persoonlijk gebruik van de in het eerste lid genoemde persoon. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen Het is verboden er een gewoonte van te maken een voertuig te parkeren op of aan de weg met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen. Artikel 5:4 Defecte voertuigen Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren. Artikel 5:5 Voertuigwrakken Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren. Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer. Artikel 5:6 Kampeermiddelen e.a. Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt: langer dan op drie achtereenvolgende dagen te plaatsen of te hebben op een weg; op een plaats te parkeren, op zodanige wijze dat dit schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Provinciaal wegenreglement of de Provinciale landschapsverordening. Artikel 5:7 Parkeren van reclamevoertuigen Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen. Artikel 5:8 Parkeren van grote voertuigen Het is de eigenaar, houder of gebruiker van een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan zes meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, verboden te parkeren op een weg binnen de bebouwde kom. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet op door het college aangewezen plaatsen, wegen, dagen en uren. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is, mits tussen 07:00 uur en 19:00 uur. Het college kan andere dan in het derde lid gestelde tijden vaststellen. Het college kan van de in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. Artikel 5:9 Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is, mits tussen 07:00 uur en 19:00 uur. Het college kan andere dan de in het tweede lid gestelde tijden vaststellen. Artikel 5:10 Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen [gereserveerd] Artikel 5:11 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen Het is verboden met een voertuig te rijden door of deze te doen of te laten staan in een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook. Dit verbod is niet van toepassing: op de weg; op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden door of vanwege de overheid; op voertuigen, waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen. Artikel 5:12 Overlast van fiets of bromfiets Het college kan op de weg gelegen plaatsen aanwijzen waar het in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast, of ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, verboden is fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan. Afdeling
  5. Collecteren Artikel 5:13 Inzameling van geld of goederen Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden. Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan: het bij het aanbieden van goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of gedrukte stukken, dan wel bij het aanbieden van diensten aanvaarden van geld of goederen, indien daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd. Het verbod geldt niet voor een inzameling die in besloten kring gehouden wordt. AFDELING
  6. VENTEN Artikel 5.14 Venten e.d. Het is verboden zonder vergunning van het college in de uitoefening van handel op of aan de weg of op of aan een openbaar water, aan een huis dan wel op een andere - al dan niet met enige beperking - voor het publiek toegankelijke en in de openlucht gelegen plaats goederen te koop aan te bieden, te verkopen of af te geven dan wel diensten aan te bieden. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet: ten aanzien van het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten of gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet; voor het aan de huizen van vaste afnemers afleveren van goederen door - of door huisgenoten of personeel van - hem die dit mede doet ter exploitatie van zijn winkel, bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet; voor het te koop aanbieden of verkopen van goederen op de plaats die is aangewezen voor het houden van een markt, zulks gedurende de tijden waarop die markt gehouden wordt; voor het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen op een standplaats bedoeld in artikel 5:
  7. Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd: in het belang van de openbare orde; in het belang van het voorkomen of beperken van overlast; in het belang van de verkeersvrijheid of -veiligheid; wanneer als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel der gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning een redelijk verzorgingsniveau voor de consumenten ter plaatse in gevaar komt. Afdeling
  8. Standplaatsen Artikel 5:15 Begripsbepaling In deze afdeling wordt verstaan onder standplaats: het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten aan te bieden, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel. Onder standplaats wordt niet verstaan: een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet; een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:
  9. Artikel 5:16 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben. Het college kan de vergunning weigeren wegens strijd met een geldend bestemmingsplan. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd: indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan eisen van redelijke welstand; indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning voor een standplaats voor het verkopen van goederen een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt; in het belang van de verkeersveiligheid. Artikel 5:17 Toestemming rechthebbende Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen. Artikel 5:18 Afbakeningsbepalingen Het verbod van artikel 5:16, eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal wegenreglement. De weigeringsgrond van artikel 5:16, derde lid, onder a, geldt niet voor bouwwerken. Afdeling
  10. Snuffelmarkten Artikel 5:19 Begripsbepaling In deze afdeling wordt verstaan onder snuffelmarkt: een markt in een voor het publiek toegankelijk gebouw waar hoofdzakelijk tweedehands en incourante goederen worden verhandeld of diensten worden aangeboden vanaf een standplaats. Onder een snuffelmarkt wordt niet verstaan: een markt of jaarmarkt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet; een evenement als bedoeld in artikel 2:
  11. Artikel 5:20 Organiseren van een snuffelmarkt Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een snuffelmarkt te organiseren. Het verbod geldt niet voor ruimten die uitsluitend dan wel nagenoeg geheel en voortdurend in gebruik zijn als winkel in de zin van de Winkeltijdenwet. De burgemeester kan de vergunning, naast het gestelde in artikel 1:8 weigeren wegens strijd met een geldend bestemmingsplan. Afdeling
  12. Openbaar water Artikel 5:21 Voorwerpen op, in of boven openbaar water Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water. Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren een aan het college. De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens van de melder, en een beschrijving van de aard en omvang van het voorwerp. Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaart-politiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Provinciale vaarwegenverordening, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening. Artikel 5:22 Beschadigen van waterstaatswerken Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van bij de gemeente in beheer zijnde openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen. Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Provinciale vaarwegenverordening . Artikel 5:23 Reddingsmiddelen Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken. Artikel 5:24 Veiligheid op het water Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden. Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Provinciale vaarwegenverordening. Artikel 5:25 Overlast aan vaartuigen Het is verboden zonder redelijk doel zich vast te houden aan een vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of daarin te begeven of te bevinden. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te maken. Afdeling
  13. Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden Artikel 5:26 Crossterreinen Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onderdeel z, en een bromfiets als bedoeld in artikel 1, onderdeel i van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben. Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het verbod niet van toepassing is. Het kan daarbij regels stellen voor het gebruik van deze terreinen: in het belang van het voorkomen of beperken van overlast; in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden; in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek. Voor de toepassing van het eerste lid wordt dat onder weg verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat. Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer of het Besluit geluidproductie sportmotoren. Artikel 5:27 Beperking verkeer in natuurgebieden Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onder z, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, een bromfiets als bedoeld in artikel 1, onder i, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 of met een fiets of een paard. Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het in het eerste lid gestelde verbod niet van toepassing is. Het kan daarbij regels stellen ten aanzien van het gebruik van deze terreinen: in het belang van het voorkomen van overlast; in het belang van de bescherming van natuur- of milieuwaarden; in het belang van de veiligheid van het publiek. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor bestuurders van motorvoertuigen en bromfietsen en voor fietsers of berijders van paarden: ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen hulpverleningsdiensten; die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld; die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd; van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld; voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet: op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994; binnen de bij of krachtens de Provinciale verordening 'Stiltegebieden' aangewezen stiltegebieden, ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als 'toestel'. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. Afdeling
  14. Verbod vuur te stoken Artikel 5:28 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben. Het verbod geldt niet voorzover het betreft: verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke; sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien geen afvalstoffen worden verbrand; vuur voor koken, bakken en braden, voorzover dat geen gevaar, overlast of hinder voor de omgeving oplevert. Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna. Het verbod geldt niet voorzover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale milieuverordening. Afdeling
  15. Verstrooiing van as Artikel 5:29 Begripsbepaling In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele asverstrooiing: het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een permanent daartoe bestemd terrein. Artikel 5:30 Verboden plaatsen Incidentele asverstrooiing is verboden op: verharde delen van de weg; gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen. Het college kan een besluit nemen waarin voor een bepaalde termijn wordt verboden dat op andere plaatsen dan genoemd in het eerste lid asverstrooiing plaatsvindt. Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorgdraagt voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van het verbod uit het eerste lid, behoudens de gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen. Artikel 5:31 Hinder of overlast Incidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor hinder of overlast wordt veroorzaakt voor derden. Afdeling 10 reiniging door middel van stralen of onder hoge druk reinigen Artikel 5:
  16. Begripsomschrijvingen In deze afdeling wordt verstaan onder: stralen: droog- of semi-droogstralen; onder hoge druk reinigen: het reinigen van gevels, met of zonder voorbehandeling, van gebouwen, bouwwerken of wegen door middel van het onder druk spuiten van water met of zonder chemische toevoegingen; droogstralen: het mechanisch reinigen van gevels van gebouwen, bouwwerken of wegen door middel van het onder druk spuiten van vaste stoffen zonder toevoegen van water; semi-droogstralen: het mechanisch reinigen van gevels van gebouwen, bouwwerken of wegen door middel van het onder druk spuiten van vaste stoffen met toevoeging van water en vervolgens schoonspuiten; onder hoge druk reinigen met voorbehandeling object: het reinigen van gevels van gebouwen, bouwwerken of wegen door middel van het opbrengen van een stof met een chemische of fysische werking en het vervolgens onder druk schoonspuiten. Artikel 5:33 Verbodsbepaling Het is verboden schoonmaakactiviteiten door middel van stralen of onder hoge druk reinigen uit te voeren. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden ter bescherming van het milieu. Een ontheffing dient ten minste drie weken voor aanvang van de schoonmaakactiviteiten te worden aangevraagd. Bij volgende schoonmaakactiviteiten dient ten minste drie dagen voor aanvang een melding te worden ingediend bij de afdeling Ruimte, tenzij de methode van reiniging of de te gebruiken apparatuur en/of hulpstof is gewijzigd. In dat geval dient wederom een ontheffing worden aangevraagd. Artikel 5:34 Uitzonderingen Het in artikel 5:33 eerste lid gestelde geldt niet indien: er sprake is van een niet bedrijfsmatige schoonmaakactiviteit aan de gevel van de eigen particuliere woning of bijgebouwen en alleen wordt uitgevoerd met behulp van koud of warm water al dan niet onder druk en er geen sprake is van enige toevoeging die belastend is voor het milieu; voor de schoonmaakactiviteit door middel van stralen of onder hoge druk reinigen reeds een vergunning op basis van de Wet milieubeheer is verleend; een gemeentelijke instelling of een bedrijf als gevolg van een ongewoon voorval een gevel, een gebouw, bouwwerk of weg in het belang van de verkeersveiligheid of bij verstoring van de openbare orde terstond moet stralen of reinigen. Werkzaamheden zoals bedoeld in het eerste lid onder c moeten zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk voor aanvang van de werkzaamheden worden gemeld bij het bevoegd bestuursorgaan. Artikel 5:35 Verhouding met andere artikelen uit deze verordening. De artikelen 4:5 van deze verordening en artikel 5.1 van de Verordening Afvalstoffen 2010 gemeente Brummen zijn niet van toepassing op stralen en onder hoge druk reinigen zoals bedoeld in deze afdeling. AFDELING 11 OPENBARE VEILIGHEID Artikel5:36Versperring van brandkranen Het is verboden: nabij, op of over openbare brandkranen, brandputten of andere waterwinplaatsen zodanig voorwerpen te plaatsen of geplaatst te hebben, dat de brandweer in het onmiddellijke gebruik daarvan belemmerd wordt; voorwerpen zodanig te plaatsen of geplaatst te hebben, dat daardoor het onmiddellijke gebruik van in- en uitritten van brandweergebouwen belemmert wordt. AFDELING 12 WEGSLEEPREGELING Artikel 5:37 Begripsomschrijvingen In deze afdeling wordt verstaan onder: RVV 1990: het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; wet: de Wegenverkeerswet 1994; besluit: het Besluit wegslepen van voertuigen; voertuig: wat hieronder wordt verstaan in artikel 1, onder a1 RVV 1990; het college: het college van burgemeester en wethouders. Artikel 5:38 Aanwijzing van wegen en weggedeelten waar voertuigen kunnen worden verwijderd, overgebracht en in bewaring gesteld in het belang van het vrijhouden van wegen en weggedeelten Als wegen en weggedeelten, bedoeld in artikel 170, eerste lid, onder c, van de wet worden alle wegen en weggedeelten binnen de gemeente aangewezen voorzover ze behoren tot een van de in artikel 2 van het besluit bedoelde soorten van wegen en weggedeelten. Artikel 5:39 Plaats bewaring voertuigen en openingstijden Als plaats van bewaring van voertuigen wordt door de gemeenteraad het terrein van de wegsleper aangemerkt. Het terrein van Gebr. Heuting & Zn. Bevindt zich aan de Mercuriusweg 26 te Brummen waarbij de reguliere openingstijden op werkdagen van 08:00 tot 17:00 uur en op zaterdagen van 09:00 tot 12:00 uur zijn, tenzij er sprake is van een Christelijk feest- of gedenkdag. Artikel 5:40 Kosten overbrengen en bewaren voertuigen en loze ritten De kosten van het overbrengen en bewaren van een voertuig en loze ritten worden vermeld in de gemeentelijke tarieventabel behorende bij de legesverordening. Artikel 5:41 Beleidsregels Het college stelt interne beleidsregels vast waarin de uit te voeren taken en de daarbij behorende verantwoordelijkheden nader worden geregeld. Hoofdstuk6.Straf-, overgangs- en slotbepalingen Artikel 6:1 Strafbepaling Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde en de op grond van artikel 1:4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie. Artikel 6:2 Toezichthouders Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de krachtens artikel 18.4, derde lid van de wet Milieubeheer aangewezen ambtenaren. Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening belast de bij besluit van het college dan wel de burgemeester aan te wijzen personen. Artikel 6:3 Binnentreden woningen Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner. Artikel 6:4 Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude verordening De Algemene plaatselijke verordening voor de gemeente Brummen 2008 wordt ingetrokken. Deze verordening treedt in werking op de achtste dag na die waarop zij is bekendgemaakt. Artikel 6:5 Overgangsbepaling Aanvragen om een vergunning als bedoeld in de artikelen 2:11, 4:12 of 4:17 die zijn ingediend vóór 1 oktober 2010 worden afgehandeld volgens het recht zoals dat gold vóór het tijdstip waarop artikel 2.
  17. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in werking is getreden. Besluiten, genomen krachtens de verordening bedoeld in artikel 6:4, eerste lid, die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening. Artikel 6:6 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene plaatselijke verordening gemeente Brummen
  18. Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 28 januari 2010, bij raadsbesluit met kenmerk RB09.0034/PvD en sindsdien gewijzigd op 28 januari 2010 bij raadsbesluit met kenmerk RB09.
  19. Toelichting APV

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.