Verordening betreffende de volgorde van afvloeiing van het onderwijzend personeel van de openbare scholen voor basis-, speciaal en voortgezet speciaal onderwijsDe Raad van de gemeente Stadskanaal; gelezen het voorstel van Burgemeester en Wethouders 10 december 1993, nr. R 4409; gelezen het resultaat van het gevoerde overleg met de daarvoor in aanmerking komende organisaties van onderwijzend personeel; gelet op de bepalingen van de Wet op het basisonderwijs, de Interimwet op het speciaal onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs en van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel; gelet op het advies van de Commissie ABA d.d. 6 december 1993; besluit: onder intrekking van de verordening van 30 maart 1992 vast te stellen de navolgende "Verordening betreffende de volgorde van afvloeiing van het onderwijzend personeel van de openbare scholen voor basis-, speciaal en voortgezet speciaal onderwijs". Artikel 1. Begripsbepalingen. Deze verordening verstaat onder: school: een school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs, een school voor voortgezet speciaal onderwijs of een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs; belanghebbende: het lid van het onderwijzend personeel, aangesteld aan een van de gemeentelijke scholen; diensttijd: uitsluitend de tijd, doorgebracht in een betrekking: aan een school of inrichting als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs, dan wel de Overgangswet voortgezet onderwijs - waaronder begrepen vormingsinstituten, de instituten waaraan het nieuw vervolg/beroepsonderwijs wordt gegeven, dan wel de instituten waaraan het deeltijd vervolg/beroepsonderwijs wordt gegeven - en in de wetten die geacht kunnen worden aan de Wet op het voortgezet onderwijs te zijn voorafgegaan; aan een school of inrichting waarop de Kleuteronderwijswet of de Lager-onderwijswet 1920 van toepassing was c.q. de onderwijsvormen die in de plaats daarvan waren ingesteld, met dien verstande, dat de tijd voor augustus 1956 doorgebracht aan een school voor kleuteronderwijs slechts meetelt, indien daaruit inkomsten werden genoten (de zogenaamde bewaarscholen); aan een school waarop de Wet op het basisonderwijs of de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs van toepassing is; aan een instelling voor MO-opleidingen in de zin van de Wet op de MO-opleidingen; aan een instelling waarop de Wet op het hoger beroepsonderwijs van toepassing is; aan een school of inrichting als bedoeld in de Experimentenwet onderwijs; aan een instituut voor vormingswerk voor jonge volwassenen, dat gesubsidieerd wordt volgens de Rijksregeling subsidiëring vormingswerk leerplichtvrije jeugd 1964; aan een Nederlandse instelling voor wetenschappelijk onderwijs, de Politie-academie, de Rijksluchtvaartschool, alsmede het militair wetenschappelijk onderwijs aan het Koninklijk Instituut van de marine, de Koninklijke Militaire Academie, de Koninklijke Militaire School en de Hogere Krijgsschool, indien de personeelskosten van de instelling voor tenminste 51% door de overheid worden vergoed ingevolge enige wettelijke bepaling, alsmede de voormalige Mijnscholen in Limburg, voor zover het rechtstreeks door de overheid beheerde mijnen betreft; aan een Nederlandse school, cursus, opleiding of andere instelling voor bijzonder onderwijs, als bedoeld in artikel 56 van de Wet op het voortgezet onderwijs, die van overheidswege is aangewezen als bevoegd om aan de leerlingen op grond van met gunstig gevolg afgelegde examens dezelfde diploma's uit te reiken als die welke uitgereikt worden door overeenkomstige uit enig openbare kas bekostigde instelling, dan wel: aan centra voor vakopleiding aan volwassenen en jong volwassenen; aan gestichten, bedoeld in de Beginselenwet Gevangeniswezen en in Rijksinrichtingen als bedoeld in de Beginselenwet voor de kinderbescherming; aan hier te lande gevestigde instellingen die opleiden voor enig geestelijk ambt; aan door de Nederlandse overheid gesubsidieerde muziekscholen; bij een orgaan als bedoeld in de Wet op het leerlingwezen; bij een privaatrechtelijk lichaam als bedoeld in artikel B3 van de Algemene burgerlijke pensioenwet, waarvan de aanwijzing als zodanig op voordracht van de minister van Onderwijs en Wetenschappen is geschied, dan wel de bekostiging geheel of gedeeltelijk door de minister van Onderwijs en Wetenschappen plaatsvindt, waarbij mede in aanmerking komt de tijd doorgebracht in een betrekking aan bovenbedoelde instelling die voorafgaat aan de aanwijzing als bedoeld in artikel B3 van de Algemene burgerlijke pensioenwet; aan de door de minister van Onderwijs en Wetenschappen of de gemeente bekostigde schoolbegeleidingsdiensten; bij door het Rijk bekostigde Nederlandse scholen in het buitenland en bij door het Rijk erkende scholen in de huidige en voormalige overzeese gebiedsdelen; bij een instelling als bedoeld in de Rijksregeling Basiseducatie; bij een instelling als bedoeld in de Wet op de onderwijsverzorging, alsmede de tijd gedurende welke de belanghebbende als dienstplichtige in Nederlandse militaire dienst was, dan wel vervangende dienst heeft vervuld als bedoeld in de Wet gewetensbezwaren militaire dienst; de belanghebbende in het genot is geweest van een ontslaguitkering vanwege het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen, het Ministerie van Landbouw en Visserij of van de gemeente, voor zover deze ontslaguitkering werd toegekend in verband met ontslag uit een onderwijsbetrekking en de tijd welke de belanghebbende heeft gewijd aan de verzorging van tot het huishouden van belanghebbende behorende 0- tot 4-jarige eigen, stief- of pleegkinderen, tot een maximum van in totaal zes jaren (verzorgingstijd); met dien verstande, dat: een aanstelling voor een bepaald aantal uren per week gelijk geacht wordt aan een aanstelling in volledige dienst; alleen die diensttijd in aanmerking wordt genomen, welke bij het bevoegd gezag desgevraagd is opgegeven binnen 4 weken na de datum waarop de aanstelling is ingegaan. Nadien opgegeven diensttijd wordt voor het vaststellen van de afvloeiingsvolgorde niet meer in aanmerking genomen; bij samenloop van bovengenoemde betrekkingen of situaties, de daarin doorgebrachte diensttijd, voor de toepassing van de afvloeiingsregeling slechts eenmaal meetelt. De diensttijd behoeft niet aaneengesloten te zijn. Is men in een betrekking als bedoeld onder 1 tot en met 15 aangesteld en heeft men gedurende die periode buitengewoon verlof genoten, als bedoeld in het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel, dan telt die verloftijd als diensttijd mee. vaste aanstelling: aanstelling voor onbepaalde tijd; tijdelijke aanstelling: aanstelling voor bepaalde tijd; afvloeiing: tussentijds ontslag uit een tijdelijk dienstverband, dan wel ontslag uit een vast dienstverband van belanghebbende op grond van opheffing van de school of van een betrekking aan de school of wegens zodanige veranderingen in de inrichting van het onderwijs, dat de werkzaamheden van een of meer belanghebbenden overbodig worden: OWBO/WBO-protocol: een voor de desbetreffende basisschool opgestelde lijst, die de onderlinge afvloeiingsregelingsvolgorde aangeeft van de belanghebbenden, die op 1 augustus 1985 als groepsIeraar in vaste dienst aan die basisschool zijn verbonden en die op 31 juli 1985 aan een openbare kleuter- of lagere school binnen de gemeente waren verbonden; fusieprotocol: een voor de desbetreffende basisschool opgestelde lijst, die de onderlinge afvloeiingsvolgorde aangeeft van de belanghebbenden, die de dag voorafgaande aan de fusie als lid van het onderwijzend personeel aan een van de bij de fusie betrokken basisscholen verbonden zijn èn die op de dag waarop de fusie is gerealiseerd aan de gefuseerde school in vaste dienst zijn aangesteld; verzorgingsprotocol: een voor de desbetreffende school per afvloeiingskategorie opgestelde lijst, die de onderlinge afvloeiingsvolgorde op 1 januari 1992 aangeeft van de belanghebbenden die op 31 december 1991 als lid van het onderwijzend personeel aan de betrokken school verbonden zijn èn op 1 januari 1992 aan de betrokken school in vaste dienst zijn aangesteld. Artikel 2. Afvloeiingsvolgorde. Met inachtneming van het in het derde en vierde lid bepaalde vindt aan de school afvloeiing plaats in de volgende volgorde: eerst de belanghebbende met een tijdelijke aanstelling, met uitzondering van de tijdelijk aangestelde ter vervanging; vervolgens de belanghebbende met een vaste aanstelling. Binnen elke groepering genoemd in het eerste lid wordt de hiernavolgende volgorde aangehouden: eerst degene die aan het bevoegd gezag schriftelijk te kennen heeft gegeven geen bezwaar tegen afvloeiing te hebben, waarbij de oudste in leeftijd het eerst in aanmerking komt; vervolgens degene die de minste diensttijd heeft, waarbij in geval van gelijke diensttijd de jongste in leeftijd het eerst in aanmerking komt. De direkteur van een school voor basis-, speciaal en voortgezet speciaal onderwijs vloeit slechts af bij de opheffing van de school. De belanghebbende die op grond van de eerste twee leden van dit artikel voor afvloeiing in aanmerking komt en die de laatste aan de basisschool verbonden groepsIeraar is in het bezit van de aktie leidster of hoofdleidster bij het kleuteronderwijs of een hiermee gelijkgestelde akte, wordt tot 31 juli 1996 voor ontslag overgeslagen. Artikel 3. Kategorieën. Afvloeiing vindt overeenkomstig de in artikel 2 genoemde volgorde voor de volgende categorieën afzonderlijk plaats: personeel aangesteld aan de school als groepsIeraar; personeel aangesteld aan de school voor het geven van vakonderwijs per vakgebied, zoals aangegeven in het schoolwerkplan; personeel aangesteld aan de school voor het geven van onderwijs in eigen taal en cultuur per taalgroep, zoals aangegeven in het schoolwerkplan. Artikel 4. OWBO/WBO-protocol. Burgemeester en Wethouders stellen voor elke op 1 augustus 1985 te vormen basisschool een protocol vast met inachtneming van het in de leden 2 en 3 bepaalde. Voor elke basisschool wordt van de belanghebbenden die daar op 1 augustus 1985 als groepsIeraar in vaste dienst zijn aangesteld èn die op 31 juli 1985 aan een openbare kleuter- of lagere school binnen de gemeente waren aangesteld: een lijst opgesteld die de afvloeiingsvolgorde aangeeft van degenen die op 31 juli 1985 aan een openbare kleuterschool binnen de gemeente waren verbonden (lijst I) en een lijst die de afvloeiingsvolgorde aangeeft van degenen die op 31 juli 1985 aan een openbare lagere school binnen de gemeente waren verbonden (lijst II); de op de onder a, respektievelijk b van dit lid bedoelde lijst neer te leggen volgorde van de in dit lid genoemde groepsIeraren wordt als volgt bepaald: bovenaan wordt de groepsIeraar geplaatst die op 31 juli 1985 als hoofdleidster van een openbare kleuterschool, respektievelijk als hoofd van een openbare lagere school binnen de gemeente was aangesteld; indien het om meer dan een ex-hoofdleidster, respektievelijk ex-hoofd gaat, is hun diensttijd bepalend voor hun onderlinge volgorde en in geval van gelijke diensttijd wordt de jongste in leeftijd lager in volgorde geplaatst; voor de overige op de onder a, respektievelijk b, bedoelde lijst te vermelden groepsIeraren is per lijst voor de daarop te vermelden groepsIeraren de diensttijd bepalend voor hun onderlinge volgorde, met dien verstande, dat de groepsIeraar met de meeste diensttijd direkt na de ex-hoofdleidster(s), respektievelijk het ex-hoofd (de ex-hoofden) bovenaan de lijst wordt geplaatst en vervolgens aflopend naar de groepsIeraar met de kortste diensttijd die onderaan de lijst komt, terwijl in geval van gelijke diensttijd de jongte in leeftijd lager in volgorde wordt geplaatst. De in het protocol neer te leggen afvloeiingsvolgorde van de in lid 2 genoemde groepsIeraren wordt als volgt bepaald: de groepsIeraar, die op 31 juli 1985 schoolleider was en die op 1 augustus 1985 geen direkteur is, vloeit als laatste van de groepsleraren af; indien het om meer dan een ex-schoolleider gaat, is hun diensttijd bepalend voor hun onderlinge volgorde en in geval van gelijke diensttijd wordt de jongste in leeftijd lager in volgorde geplaatst; voor de overige groepsIeraren worden de in lid 2 bedoelde lijsten I en II als volgt van onderop ineengeweven: onderaan de groepsIeraar met de kortste diensttijd, ongeacht de lijst waarop de groepsIeraar is vermeld; en in geval van gelijke diensttijd komt de jongste in leeftijd het eerst in aanmerking; vervolgens de groepsIeraar van de andere lijst met de kortste diensttijd - en in geval van gelijke diensttijd komt de jongste in leeftijd het eerste in aanmerking - en vervolgens om en om, met dien verstande, dat; wanneer een groepsIeraar van lijst I aan de beurt is, die meer diensttijd heeft dan de volgende(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.