;
behorende bij Algemene Subsidieverordening gemeente Boskoop 20101
behorende bij Algemene Subsidieverordening gemeente Boskoop 2010.
.2:In dit artikel is sprake van een subsidieverstrekking door bestuursorganen van de gemeente Boskoop. Deze formulering is vanwege het gegeven dat ook aan anderen dan het college de bevoegdheid tot het verstrekken van een subsidie is gegeven. Dit betekent dat niet alleen het college maar ook commissies die subsidie zouden verstrekken, en ambtenaren die op basis van een mandaat bevoegdheden uitoefenen, de verordening dienen toe te passen. De verordening is niet van toepassing indien subsidies rechtstreeks worden verstrekt op basis van een voorschrift van een hogere wetgever. De verordening is wel van toepassing indien die hogere wetgever via wettelijk voorschrift bepaalt dat de gemeente een regeling dient vast te stellen voor het verstrekken van bepaalde subsidies.
.3:In het kader van deze verordening worden diverse besluiten genomen: het betreft niet alleen het verlenen of (gedeeltelijk) weigeren van subsidies maar ook besluiten als het toestaan van reserves.Het verlenen of weigeren e.d. van subsidies en garanties behoren- indien geen subsidieverordening geldt- tot de autonome bevoegdheden van de gemeenteraad. De verordening geeft kaderstelling voor het uitoefenen van deze bestuursbevoegdheden. Daarnaast wordt via een systeem van subsidieplafonds en begrotingsvoorbehouden de koppeling gelegd met het budgetrecht van, en beleidsinhoudelijke sturing door de gemeenteraad. Voor de volledigheid zij hier opgemerkt dat het college originair bevoegd is tot de uitvoering van deze verordening. Op grond van de Gemeentewet kan deze bevoegdheid worden overgedragen aan een commissie ex artikel 83 van de Gemeentewet. Ook kan het college bevoegdheden mandateren aan één of meer van haar leden en/of aan een ambtenaar.
.1:Artikel 4:23 van de Awb gaat er vanuit dat subsidie, behalve in uitzonderingsgevallen, wordt verstrekt op basis van een wettelijk voorschrift. Dat wettelijk voorschrift regelt voor welke activiteiten subsidie kan worden verleend. In de praktijk is letterlijke toepassing niet mogelijk. De activiteiten zouden in de verordening moeten worden opgenomen waarbij bij een beleidswijziging de verordening voortdurend aangepast zou moeten worden.Aan het vereiste dat kenbaar moet zijn voor welke activiteiten subsidie kan worden verstrekt wordt ook voldaan door te verwijzen naar de gemeentebegroting. Bij de producten zoals opgenomen in de gemeentebegroting zijn de doelstellingen van de gemeente geformuleerd, en hoe deze doelstellingen door derden met een van gemeentewege te verlenen subsidie kunnen worden gerealiseerd. Het eerste lid onder 2 bepaalt dat de activiteiten in overwegende mate ten dienste moeten staan van de Boskoopse bevolking. Hiermee wordt aangegeven dat het om activiteiten moet gaan die geen regionaal of landelijk karakter hebben. Uitzondering hierop vormen de afspraken die op bestuurlijk niveau regionaal zijn overeen gekomen en waarvoor de regiogemeenten subsidiemiddelen beschikbaar stellen. In het algemeen kan aan bedrijven geen subsidie worden verstrekt: een vast uitgangspunt van subsidiebeleid is dat er geen subsidie wordt verstrekt aan aanvragers die een winstoogmerk hebben. Publieke middelen dienen uitsluitend voor publieke doeleinden te worden ingezet en niet voor het verhogen van de winst van een bedrijf. Hiervan kan worden afgeweken indien de subsidie een bijdrage is voor het realiseren van een concrete prestatie waarmee het publiek belang gediend is. Om die reden geldt dan als eis dat de subsidie moet worden verleend op basis van kwantificeerbare prestatie-eenheden. Er dient daarbij een directe aantoonbare relatie te zijn tussen de verleende subsidie en de overeengekomen prestatie-eenheden. De aanvraag dient vergezeld te gaan van een sluitende begroting, dat is met inbegrip van het subsidiebedrag dat gevraagd wordt.
.2:Op grond van artikel 4:25 Awb kan een subsidieplafond slechts bij of krachtens wettelijk voorschrift worden vastgesteld. Op grond van ditzelfde artikel kan een subsidie worden geweigerd indien door de verstrekking hiervan het subsidieplafond zou worden overschreden. Een aanvraag van subsidie kan wel aan de (inhoudelijke) criteria voldoen maar worden afgewezen omdat er geen middelen (meer) beschikbaar zijn. Hierbij dienen de aanvragen in volgorde van ontvangst gehonoreerd te worden. Op basis van Titel 4.3 Awb kunnen beleidsregels worden vastgesteld.
.3:In voorkomende gevallen kan een subsidie worden verleend voor een periode waarvoor nog geen begroting is vastgesteld. Aangezien de gemeenteraad het budgetrecht toekomt en het college dus eigenlijk geen financiële verplichtingen kan aangaan dient een begrotingsvoorbehoud gemaakt te worden. Een en nader is geregeld in artikel 4:34 Awb. Als van deze mogelijkheid gebruik wordt gemaakt dient wel binnen een periode van 4 weken na vaststelling van de begroting een uitdrukkelijk beroep te worden gedaan op het in de begroting gereserveerde bedrag.
.4:Bij het beoordelen van de aanvraag worden ook andere mogelijke inkomensbronnen van de begunstigde betrokken, zoals subsidiemogelijkheden bij het rijk, provincie, contributies van leden, etc.
.5:Een aanvrager mag een eigen vermogen hebben van maximaal 10% van de totale begroting van het betreffende jaar. Als een aanvrager een groter eigen vermogen heeft, wordt verwacht dat de aanvrager voor de activiteit geen subsidie nodig heeft en de kosten zelf kan dragen. Ook wordt in dit artikel rekening gehouden met het uitgangspunt van budget- of outputfinanciering: Indien een begunstigde zijn activiteiten realiseert tegen minder kosten dan waarvan- op basis van een realistische raming- bij de subsidieverlening is uitgegaan dan kan zij het overschot behouden. Op deze wijze wordt een prikkel tot doelmatig werken ingebouwd. De besteding van het overschot moet passen binnen de doelstellingen waarvoor de subsidie is verleend. Indien het overschot niet besteed wordt dan kan dit worden toegevoegd aan het eigen vermogen, egalisatiereserve, dat een maximum van 10% van de totale begroting mag bedragen. Een eigen vermogen van 10% van de jaarlijkse begroting wordt voldoende geacht om inkomsten –en kostenfluctuaties op te vangen. Indien een grotere financiële buffer gewenst is, bijvoorbeeld ten behoeve van een (vervangings-) investering of substantiële risico’s, dan dient hiervoor op grond van het zesde lid apart toestemming aan het college te worden gevraagd. De voorafgaande toestemming voor een voorziening en/of bestemmingsreserve betreft de gevraagde subsidieperiode en zal dus bij subsidiebeschikking bepaald worden. Het college kan ook besluiten de toestemming voor een langere periode te geven, bijvoorbeeld voor de periode dat een voorziening/bestemmingsreserve in het leven is geroepen. Bij het eigen vermogen wordt niet meegerekend de voorzieningen en bestemmingsreserves voor zaken als onroerend goed, instrumenten, kleding, speeltoestellen van speeltuinen, etc. Regionale instellingen en verenigingen krijgen vaak van meerdere gemeente subsidie. De subsidie van de gemeente Boskoop is daarvan maar een klein deel. Deze instellingen hebben vaak ook grote reserves en voorzieningen, maar het is voor hen veel te omslachtig om ieder jaar een verzoek in de dienen bij alle gemeenten. Tevens is het voor de gemeente ook erg lastig om het exacte percentage eigen vermogen te bepalen dat teveel is, omdat de bijdrage van de gemeente Boskoop veelal een klein percentage van de totale subsidie is.
Subsidie is een aanspraak op financiële middelen. De Awb schrijft voor dat elke beschikking dient te berusten op een deugdelijke motivering die moet worden meegedeeld aan de aanvrager c.q. de begunstigde. Het nauwkeurig omschrijven van de voorwaarden waaronder de subsidie wordt verleend voorkomt onduidelijkheid ten aanzien van de vraag of de activiteiten zijn uitgevoerd op de wijze zoals de gemeente had bedoeld.
.7:De doelstelling van de subsidietitel in de Awb is het zo goed mogelijk regelen van de wederzijdse rechten en plichten van de begunstigde en het bestuursorgaan dat de subsidie verleent. Op grond van artikel 4:36 Awb is het mogelijk een begunstigde te verplichten een uitvoeringsovereenkomst af te sluiten. In deze overeenkomst kan de verplichting worden opgenomen dat de activiteiten waarvoor subsidie is verleend worden uitgevoerd. De uitvoeringsovereenkomst is bedoeld om meer te kunnen (bij) sturen op resultaten en effecten van het beleid uitgedrukt in kwantificeerbare prestatie-eenheden. Naast kwantificeerbare eenheden kunnen ook kwalitatieve criteria in een overeenkomst worden opgenomen. Tevens kunnen voorwaarden worden gesteld ten aanzien van de wijze waarop activiteiten moeten worden uitgevoerd of ten aanzien van het te behalen resultaat.
.8:Op grond van artikel 4:36 van de Awb en artikel 2:8 van deze verordening is het mogelijk een begunstigde te verplichten een uitvoeringsovereenkomst af te sluiten. Het eerste lid van artikel 2.8 bepaald wanneer van deze verplichting kan worden afgeweken. De begunstigde evenals het college dienen schriftelijk en met argumenten omkleed de reden tot afwijking aan elkaar te melden.
.1:Een projectsubsidie is een subsidie die bedoeld is voor een eenmalige activiteit, maar kan meerdere jaren bestrijken. Vaak wordt deze ook als incidentele subsidie aangeduid. De subsidie voor de periode van een jaar of meerdere jaren, ook wel een periodieke subsidie genoemd, is een subsidie die per boekjaar of reeks van boekjaren wordt verstrekt ter bekostiging van structurele activiteiten van een aanvrager met rechtspersoonlijkheid. De Awb geeft aan deze subsidie de naam boekjaarsubsidie. De waarderingssubsidie kan ook zonder aanvraag vooraf door het college worden verleend.
.2:Welhaast traditioneel betrof subsidiëring het aanvullen van een ongedekt tekort in de exploitatiebegroting of het vergoeden van bepaalde kostencomponenten. Het nadeel van dergelijk subsidievormen is dat zij onvoldoende prikkelen tot doelmatig werken en dat de aard van de voorwaarden en van de voorwaarden die aan dergelijke subsidievormen zijn verbonden onvermijdelijk leiden tot veel invloed op de bedrijfsvoering van de begunstigde.In de meest zuivere vorm van subsidiëring op basis van kwantificeerbare prestaties worden de prestaties die de begunstigde zal voortbrengen in meetbare en controleerbare eenheden uitgedrukt en wordt per eenheid een vast subsidiebedrag bepaald. De afrekening vindt uiteindelijk plaats op basis van het daadwerkelijk aantal verrichte prestaties vermenigvuldigd met het vooraf vastgestelde subsidiebedrag per eenheid. Enerzijds ontstaat hier voor de begunstigde het voordeel dat, indien hij tegen een lagere kostprijs de afgesproken prestaties weet te leveren, hij het financiële voordeel conform artikel 3.4.1 van deze verordening mag besteden. Anderzijds draagt de begunstigde een risico indien de kostprijs om welke reden dan ook hoger uitvalt, het financiële nadeel is in dat geval voor de begunstigde. Vanwege dit, en andere risico’s, wordt in artikel 2.6 van deze verordening de mogelijkheid geboden om een gelimiteerd eigen vermogen op te bouwen waarmee de risico’s kunnen worden afgedekt.Indien niet op basis van kwantificeerbare eenheden subsidie wordt verstrekt zal de verstrekking plaats vinden op basis van een ingediend activiteitenplan met bijbehorende begroting waarin de kosten per activiteit zijn opgenomen. De derde mogelijkheid betreft de subsidiëring op basis van kostensoorten. In dat geval dient de aanvrager een begroting in waarin zijn opgenomen alle kostensoorten en de financiële dekking die daarvoor aanwezig is, dan wel gevraagd wordt.In de beleidsregels voorzover behorend bij deze verordening, is aangegeven vanaf welk bedrag welke bekostigingsmethode door het college gehanteerd zal worden.
Het verbinden van kwalitatieve voorwaarden aan de activiteiten geeft naast de mogelijkheid tot een cijfermatige afweging ook de mogelijkheid tot een inhoudelijke afweging van de met de subsidie georganiseerde activiteiten. Het formuleren van kwalitatieve voorwaarden is maatwerk per geval.
.2:De in het eerste lid opgenomen deadline voor het indienen van aanvragen houdt verband met de gemeentelijke beleid- en beheercyclus. Het besluitvormingsproces ten aanzien van de subsidieaanvragen dient hierin te passen. Dit geldt ook voor de projectsubsidies. In incidentele gevallen heeft het college de mogelijkheid hiervan af te wijken. Dit is opgenomen in het tweede lid. Hierbij kan gedacht worden aan urgente gevallen die geen uitstel kunnen velen. Maar ook aan externe middelen die gedurende het jaar beschikbaar komen voor projecten.
.3:Dit artikel geeft aan welke gegevens ten minste met een aanvraag voor subsidie moeten worden ingediend. Op grond van het vierde lid kan het college een en ander detailleren en/of uitbreiden. In de praktijk zal veelal sprake zijn van overleg met de aanvragers voor wat betreft de in te dienen stukken.
.4:De weigeringsgronden zijn van belang om te kunnen sturen in het proces van subsidiering. De weigeringsgronden dienen er toe bij te dragen, dat subsidiemiddelen voor de juiste activiteiten worden verstrekt en waarvan mag worden aangenomen dat deze activiteiten gerealiseerd worden.Op grond van artikel 4:25 Awb kan een subsidie worden geweigerd indien deze subsidie het subsidieplafond zou overschrijden. Artikel 4.35 noemt de redenen waardoor een subsidie preventief kan worden geweigerd.Bij een beslissing omtrent subsidieverlening spelen niet alleen de hierboven genoemde weigeringsgronden een rol maar kan ook, met inachtneming van artikel 3:4 Awb, een belangenafweging plaatsvinden. Op 1 juni 2003 is de Wet Bevordering Integriteitbeoordelingen Openbaar Bestuur (BIBOB) en het daarbij behorende besluit BIBOB in werking getreden. Deze wet maakt het mogelijk ongewild faciliteren van criminele organisaties door de overheid tegen te gaan. De wet maakt het mogelijk om subsidies te weigeren of in te trekken, als er sprake is van een ernstig gevaar dat subsidie wordt gebruikt voor het plegen van strafbare feiten of om geld verkregen uit strafbare feiten wit te wassen. Voor onderzoek naar mogelijke strafbare feiten kunnen bestuursorganen het landelijk bureau BIBOB inschakelen. De verantwoordelijkheid voor de uiteindelijke beslissing blijft bij het bestuursorgaan liggen. Om van deze mogelijkheden gebruik te kunnen maken dienen deze in de subsidieregeling expliciet van toepassing verklaard te worden.
.5:Ingevolge de Awb geldt een “redelijke” termijn ten aanzien van het beslissen op aanvragen. Deze redelijke termijn is na acht weken verstreken en kan dan nog met acht weken worden verlengd. Hierover bericht het college schriftelijk aan de aanvrager. Met het verstrijken van de “redelijke” termijn waarbinnen de aanvraag niet is afgehandeld ontstaat de zogenaamde fictieve weigering waartegen een aanvrager een bezwaarschrift kan indienen.Met het opnemen van termijnen in deze verordening wordt beter aangesloten op de beleid- en beheercyclus van de gemeente. De termijn van acht weken plus verlenging is onvoldoende om te komen tot binnen de begroting passende besluiten t.a.v. structurele subsidies. Een uitzondering hierop vormt de termijn voor het nemen van een besluit t.a.v. waarderingssubsidies. Hiervoor wordt de termijn van 8 weken plus de verlengingsmogelijkheid aangehouden.
.2:Dit artikel geeft aan over welke stukken het college ten minste moet beschikken in verband met de (definitieve) vaststelling van subsidies. Met toepassing van het derde en het vierde lid kan het college een en ander zonodig uitbreiden.In het tweede lid is de verantwoording voor ontvangers van kleine subsidies tot een minimum beperkt. Deze verantwoording kan bestaan uit een recapitulatie van de gemaakte kosten. Steekproefsgewijs kan in de populatie van deze categorie gesubsidieerden een controle met meer diepgang worden verricht.
.3:Zie
bij artikel 2.5.
.4:In dit artikel zijn de maximale termijnen aangegeven waarbinnen het college moet beslissen. Uiteraard kan een beslissing ook eerder door het college worden genomen.
.5:Bevoorschotting is gebruikelijk, daarbij moet wel worden vastgelegd hoe met die voorschotten wordt omgegaan bij de subsidievaststelling en wat er moet gebeuren als de vaststelling lager uitvalt dan de bevoorschotting. Bevoorschotting aan een begunstigde waarvan het voortbestaan onzeker wordt kan worden gestopt (vierde lid).Bevoorschotting kan worden gestaakt indien er zich omstandigheden voordoen, die aanleiding kunnen geven tot intrekking of wijziging van de subsidie, bijvoorbeeld het niet voldoen aan de subsidieverplichting. Artikel 4:56 regelt dat de verplichting tot betaling van voorschotten wordt opgeschort met ingang van de dag waarop het bestuursorgaan aan de subsidieontvanger schriftelijk kennis geeft van het ernstige vermoeden dat er grond bestaat om toepassing te geven aan intrekking of wijzigingen van subsidie op grond van artikel 4:48 en 4:49 Awb.
.1:Het stellen van eisen aan de administratie van een begunstigde is in het bijzonder van belang met het oog op de subsidievaststelling die mede gebaseerd is op aan deze administratie ontleende gegevens. Deze moet daarom inzichtelijk en controleerbaar zijn. Indien sprake is van meerdere activiteiten is een kostenverdeelstaat met een adequate toerekening van kosten verplicht.
.2:In artikel 4:71 Awb wordt de toestemming van het bestuursorgaan vereist voor een aantal vermogensrechtelijke handelingen dat de begunstigde kan verrichten. Het doel van deze bepaling is onder andere te voorkomen dat subsidiegelden niet juist worden gebruikt en het voorkomen van financiële risico’s.
.3:De subsidie wordt verleend voor het uitvoeren van een activiteitenplan, het realiseren van vooraf overeengekomen prestatie-eenheden of ten behoeve van het “Goede doel”(waardering). Dit artikel beoogt dat de subsidiegelden niet worden gebruikt voor oneigenlijke doelen of door begunstigde elders worden ondergebracht, buiten het zicht van de gemeente.
.4:Een begunstigde mag, zonder toestemming van het college de subsidie niet deels ten goede te laten komen aan derden die niet tot de doelgroep behoren. Uitzondering daarop vormt de barexploitatie omdat daarbij dikwijls sprake is van functioneren ten behoeve van de doelgroep en derden.
.5:De bedoeling van dit artikel is dat, indien met subsidie verkregen eigendommen aan de doelstelling worden onttrokken, een evenredig deel van het vermogen dat met de subsidie is opgebouwd terugvloeit naar de gemeente. Het gaat hier immers om gemeenschapsgeld, verstrekt door het college.Het vijfde lid is bedoeld om te voorkomen dat een begunstigde in verband met het naleven van deze verplichtingen ten opzichte van de gemeente in strijd zou moeten handelen met zijn statuten.
.6:In dit artikel wordt de verplichte informatie verstrekking door de begunstigde geregeld. Op het moment dat zich omstandigheden voordoen die van directe invloed zijn op de subsidie en waarover het college moet of kan beslissen dient de begunstigde zo spoedig mogelijk en schriftelijk hiervan melding te doen aan het college.
Met dit artikel wordt aangegeven dat een begunstigde niet de vrijheid heeft om zich aan die medewerking te onttrekken.
1 Artikel 1.2 ToepassingsgebiedIn dit artikel is sprake van een subsidieverstrekking door bestuursorganen van de gemeente Boskoop. Deze formulering is vanwege het gegeven dat ook aan anderen dan het college de bevoegdheid tot het verstrekken van een subsidie is gegeven. Dit betekent dat niet alleen het college maar ook commissies die subsidie zouden verstrekken, en ambtenaren die op basis van een mandaat bevoegdheden uitoefenen, de verordening dienen toe te passen. De verordening is niet van toepassing indien subsidies rechtstreeks worden verstrekt op basis van een voorschrift van een hogere wetgever. De verordening is wel van toepassing indien die hogere wetgever via wettelijk voorschrift bepaalt dat de gemeente een regeling dient vast te stellen voor het verstrekken van bepaalde subsidies. Artikel 1.3 Competentie tot uitvoering van deze verordeningIn het kader van deze verordening worden diverse besluiten genomen: het betreft niet alleen het verlenen of (gedeeltelijk) weigeren van subsidies maar ook besluiten als het toestaan van reserves.Het verlenen of weigeren e.d. van subsidies en garanties behoren- indien geen subsidieverordening geldt- tot de autonome bevoegdheden van de gemeenteraad. De verordening geeft kaderstelling voor het uitoefenen van deze bestuursbevoegdheden. Daarnaast wordt via een systeem van subsidieplafonds en begrotingsvoorbehouden de koppeling gelegd met het budgetrecht van, en beleidsinhoudelijke sturing door de gemeenteraad. Voor de volledigheid zij hier opgemerkt dat het college originair bevoegd is tot de uitvoering van deze verordening. Op grond van de Gemeentewet kan deze bevoegdheid worden overgedragen aan een commissie ex artikel 83 van de Gemeentewet. Ook kan het college bevoegdheden mandateren aan één of meer van haar leden en/of aan een ambtenaar. Artikel 2.1 Algemene eisen ten aanzien van de aanvrager van de subsidieArtikel 4:23 van de Awb gaat er vanuit dat subsidie, behalve in uitzonderingsgevallen, wordt verstrekt op basis van een wettelijk voorschrift. Dat wettelijk voorschrift regelt voor welke activiteiten subsidie kan worden verleend. In de praktijk is letterlijke toepassing niet mogelijk. De activiteiten zouden in de verordening moeten worden opgenomen waarbij bij een beleidswijziging de verordening voortdurend aangepast zou moeten worden.Aan het vereiste dat kenbaar moet zijn voor welke activiteiten subsidie kan worden verstrekt wordt ook voldaan door te verwijzen naar de gemeentebegroting. Bij de producten zoals opgenomen in de gemeentebegroting zijn de doelstellingen van de gemeente geformuleerd, en hoe deze doelstellingen door derden met een van gemeentewege te verlenen subsidie kunnen worden gerealiseerd. Het eerste lid onder 2 bepaalt dat de activiteiten in overwegende mate ten dienste moeten staan van de Boskoopse bevolking. Hiermee wordt aangegeven dat het om activiteiten moet gaan die geen regionaal of landelijk karakter hebben. Uitzondering hierop vormen de afspraken die op bestuurlijk niveau regionaal zijn overeen gekomen en waarvoor de regiogemeenten subsidiemiddelen beschikbaar stellen. In het algemeen kan aan bedrijven geen subsidie worden verstrekt: een vast uitgangspunt van subsidiebeleid is dat er geen subsidie wordt verstrekt aan aanvragers die een winstoogmerk hebben. Publieke middelen dienen uitsluitend voor publieke doeleinden te worden ingezet en niet voor het verhogen van de winst van een bedrijf. Hiervan kan worden afgeweken indien de subsidie een bijdrage is voor het realiseren van een concrete prestatie waarmee het publiek belang gediend is. Om die reden geldt dan als eis dat de subsidie moet worden verleend op basis van kwantificeerbare prestatie-eenheden. Er dient daarbij een directe aantoonbare relatie te zijn tussen de verleende subsidie en de overeengekomen prestatie-eenheden. De aanvraag dient vergezeld te gaan van een sluitende begroting, dat is met inbegrip van het subsidiebedrag dat gevraagd wordt. Artikel 2.2 Subsidieplafonds en beleidsregelsOp grond van artikel 4:25 Awb kan een subsidieplafond slechts bij of krachtens wettelijk voorschrift worden vastgesteld. Op grond van ditzelfde artikel kan een subsidie worden geweigerd indien door de verstrekking hiervan het subsidieplafond zou worden overschreden. Een aanvraag van subsidie kan wel aan de (inhoudelijke) criteria voldoen maar worden afgewezen omdat er geen middelen (meer) beschikbaar zijn. Hierbij dienen de aanvragen in volgorde van ontvangst gehonoreerd te worden. Op basis van Titel 4.3 Awb kunnen beleidsregels worden vastgesteld. Artikel 2.3 BegrotingsvoorbehoudIn voorkomende gevallen kan een subsidie worden verleend voor een periode waarvoor nog geen begroting is vastgesteld. Aangezien de gemeenteraad het budgetrecht toekomt en het college dus eigenlijk geen financiële verplichtingen kan aangaan dient een begrotingsvoorbehoud gemaakt te worden. Een en nader is geregeld in artikel 4:34 Awb. Als van deze mogelijkheid gebruik wordt gemaakt dient wel binnen een periode van 4 weken na vaststelling van de begroting een uitdrukkelijk beroep te worden gedaan op het in de begroting gereserveerde bedrag. Artikel 2.4 Andere inkomstenen van de aanvraag worden ook andere mogelijke inkomensbronnen van de begunstigde betrokken, zoals subsidiemogelijkheden bij het rijk, provincie, contributies van leden, etc. Artikel 2.5 Eigen vermogenIn dit artikel wordt rekening gehouden met het uitgangspunt van budget- of outputfinanciering: Indien een begunstigde zijn activiteiten realiseert tegen minder kosten dan waarvan- op basis van een realistische raming- bij de subsidieverlening is uitgegaan dan kan zij het overschot behouden. Op deze wijze wordt een prikkel tot doelmatig werken ingebouwd. De besteding van het overschot moet passen binnen de doelstellingen waarvoor de subsidie is verleend. Indien het overschot niet besteed wordt dan kan dit worden toegevoegd aan het eigen vermogen, egalisatiereserve, dat een maximum van 10% van de totale begroting mag bedragen. Een eigen vermogen van 10% van de jaarlijkse begroting wordt voldoende geacht om inkomsten –en kostenfluctuaties op te vangen. Indien een grotere financiële buffer gewenst is, bijvoorbeeld ten behoeve van een (vervangings-) investering of substantiële risico’s, dan dient hiervoor op grond van het zesde lid apart toestemming aan het college te worden gevraagd. De voorafgaande toestemming voor een voorziening en/of bestemmingsreserve betreft de gevraagde subsidieperiode en zal dus bij subsidiebeschikking bepaald worden. Het college kan ook besluiten de toestemming voor een langere periode te geven, bijvoorbeeld voor de periode dat een voorziening/bestemmingsreserve in het leven is geroepen. Artikel 2.6 De inhoud van de beschikking tot het verlenen van subsidieDe beschikking geeft een rechtsbetrekking aan. Subsidie is een aanspraak op financiële middelen. De Awb schrijft voor dat elke beschikking dient te berusten op een deugdelijke motivering die moet worden meegedeeld aan de aanvrager c.q. de begunstigde. Het nauwkeurig omschrijven van de voorwaarden waaronder de subsidie wordt verleend voorkomt onduidelijkheid ten aanzien van de vraag of de activiteiten zijn uitgevoerd op de wijze zoals de gemeente had bedoeld. Artikel 2.7 De uitvoeringsovereenkomstDe doelstelling van de subsidietitel in de Awb is het zo goed mogelijk regelen van de wederzijdse rechten en plichten van de begunstigde en het bestuursorgaan dat de subsidie verleent. Op grond van artikel 4:36 Awb is het mogelijk een begunstigde te verplichten een uitvoeringsovereenkomst af te sluiten. In deze overeenkomst kan de verplichting worden opgenomen dat de activiteiten waarvoor subsidie is verleend worden uitgevoerd. De uitvoeringsovereenkomst is bedoeld om meer te kunnen (bij) sturen op resultaten en effecten van het beleid uitgedrukt in kwantificeerbare prestatie-eenheden. Naast kwantificeerbare eenheden kunnen ook kwalitatieve criteria in een overeenkomst worden opgenomen. Tevens kunnen voorwaarden worden gesteld ten aanzien van de wijze waarop activiteiten moeten worden uitgevoerd of ten aanzien van het te behalen resultaat. Artikel 2.8 Afwijking van de subsidiebeschikking c.q. de uitvoeringsovereenkomstOp grond van artikel 4:36 van de Awb en artikel 2:8 van deze verordening is het mogelijk een begunstigde te verplichten een uitvoeringsovereenkomst af te sluiten. Het eerste lid van artikel 2.9 bepaald wanneer van deze verplichting kan worden afgeweken. De begunstigde evenals het college dienen schriftelijk en met argumenten omkleed de reden tot afwijking aan elkaar te melden. Artikel 3.1 Subsidietermijnen en vormenEen projectsubsidie is een subsidie die bedoeld is voor een eenmalige activiteit, maar kan meerdere jaren bestrijken. Vaak wordt deze ook als incidentele subsidie aangeduid. De subsidie voor de periode van een jaar of meerdere jaren, ook wel een periodieke subsidie genoemd, is een subsidie die per boekjaar of reeks van boekjaren wordt verstrekt ter bekostiging van structurele activiteiten van een aanvrager met rechtspersoonlijkheid. De Awb geeft aan deze subsidie de naam boekjaarsubsidie. De waarderingssubsidie kan ook zonder aanvraag vooraf door het college worden verleend. Artikel 3.2 BekostigingsmethodenWelhaast traditioneel betrof subsidiëring het aanvullen van een ongedekt tekort in de exploitatiebegroting of het vergoeden van bepaalde kostencomponenten. Het nadeel van dergelijk subsidievormen is dat zij onvoldoende prikkelen tot doelmatig werken en dat de aard van de voorwaarden en van de voorwaarden die aan dergelijke subsidievormen zijn verbonden onvermijdelijk leiden tot veel invloed op de bedrijfsvoering van de begunstigde.In de meest zuivere vorm van subsidiëring op basis van kwantificeerbare prestaties worden de prestaties die de begunstigde zal voortbrengen in meetbare en controleerbare eenheden uitgedrukt en wordt per eenheid een vast subsidiebedrag bepaald. De afrekening vindt uiteindelijk plaats op basis van het daadwerkelijk aantal verrichte prestaties vermenigvuldigd met het vooraf vastgestelde subsidiebedrag per eenheid. Enerzijds ontstaat hier voor de begunstigde het voordeel dat, indien hij tegen een lagere kostprijs de afgesproken prestaties weet te leveren, hij het financiële voordeel conform artikel 3.4.1 van deze verordening mag besteden. Anderzijds draagt de begunstigde een risico indien de kostprijs om welke reden dan ook hoger uitvalt, het financiële nadeel is in dat geval voor de begunstigde. Vanwege dit, en andere risico’s, wordt in artikel 2.6 van deze verordening de mogelijkheid geboden om een gelimiteerd eigen vermogen op te bouwen waarmee de risico’s kunnen worden afgedekt.Indien niet op basis van kwantificeerbare eenheden subsidie wordt verstrekt zal de verstrekking plaats vinden op basis van een ingediend activiteitenplan met bijbehorende begroting waarin de kosten per activiteit zijn opgenomen. De derde mogelijkheid betreft de subsidiëring op basis van kostensoorten. In dat geval dient de aanvrager een begroting in waarin zijn opgenomen alle kostensoorten en de financiële dekking die daarvoor aanwezig is, dan wel gevraagd wordt.In de beleidsregels voorzover behorend bij deze verordening, is aangegeven vanaf welk bedrag welke bekostigingsmethode door het college gehanteerd zal worden. Artikel 3.3 Overige subsidievoorwaardenSturen en toetsten op alleen kwantitatieve gegevens is te beperkt. Het verbinden van kwalitatieve voorwaarden aan de activiteiten geeft naast de mogelijkheid tot een cijfermatige afweging ook de mogelijkheid tot een inhoudelijke afweging van de met de subsidie georganiseerde activiteiten. Het formuleren van kwalitatieve voorwaarden is maatwerk per geval. Artikel 4.1 Toepasselijkheid afdeling 4.2.8 van de Algemene wet bestuursrechtOp het proces van verlenen tot en met het vaststellen en afrekenen van subsidie zijn de bepalingen van titel 4.2 van de Awb van toepassing. Deze titel biedt een uitgewerkte en afgeronde wettelijke basis voor subsidieprocessen. Daarnaast bevat de subsidietitel in afdeling 4.2.8 een zogenaamde facultatieve standaardregeling ten aanzien van subsidie die per boekjaar wordt verstrekt aan rechtspersonen. Aan het van toepassing verklaren van de facultatieve standaardregeling is het voordeel verbonden dat eenduidigheid ontstaat met andere subsidieverstrekkers die daarvan gebruik maken. Dit kan van belang zijn voor begunstigden die van meerdere bestuursorganen subsidie ontvangen. Ook wordt aansluiting gezocht bij voortgaande ontwikkelingen in de jurisprudentie hetgeen een bijdrage betekent aan de rechtszekerheid. Titel 4.2 Awb bevat weliswaar een afgeronde regeling van de juridische aspecten van subsidieverstrekking maar het kan wenselijk zijn op gemeenteniveau nadere bepalingen op te stellen die specifiek richting geven aan het subsidiebeleid. De wet biedt de mogelijkheid om in de verordening afwijkingen op te nemen. Uitgangspunt blijft echter om zoveel mogelijk aansluiting te houden bij titel 4.2 Awb. Artikel 4.2 Tijdstip indienen van de aanvraag tot subsidieDe in het eerste lid opgenomen deadline voor het indienen van aanvragen houdt verband met de gemeentelijke beleid- en beheercyclus. Het besluitvormingsproces ten aanzien van de subsidieaanvragen dient hierin te passen. Dit geldt ook voor de projectsubsidies. In incidentele gevallen heeft het college de mogelijkheid hiervan af te wijken. Dit is opgenomen in het tweede lid. Hierbij kan gedacht worden aan urgente gevallen die geen uitstel kunnen velen. Maar ook aan externe middelen die gedurende het jaar beschikbaar komen voor projecten. Artikel 4.3 Bij een aanvraag tot verlening van subsidies te overleggen gegevensDit artikel geeft aan welke gegevens ten minste met een aanvraag voor subsidie moeten worden ingediend. Op grond van het vierde lid kan het college een en ander detailleren en/of uitbreiden. In de praktijk zal veelal sprake zijn van overleg met de aanvragers voor wat betreft de in te dienen stukken. Arikel 4.4 Besliscriteria subsidies De weigeringsgronden zijn van belang om te kunnen sturen in het proces van subsidiering. De weigeringsgronden dienen er toe bij te dragen, dat subsidiemiddelen voor de juiste activiteiten worden verstrekt en waarvan mag worden aangenomen dat deze activiteiten gerealiseerd worden.Op grond van artikel 4:25 Awb kan een subsidie worden geweigerd indien deze subsidie het subsidieplafond zou overschrijden. Artikel 4.35 noemt de redenen waardoor een subsidie preventief kan worden geweigerd.Bij een beslissing omtrent subsidieverlening spelen niet alleen de hierboven genoemde weigeringsgronden een rol maar kan ook, met inachtneming van artikel 3:4 Awb, een belangenafweging plaatsvinden. Op 1 juni 2003 is de Wet Bevordering Integriteitbeoordelingen Openbaar Bestuur (BIBOB) en het daarbij behorende besluit BIBOB in werking getreden. Deze wet maakt het mogelijk ongewild faciliteren van criminele organisaties door de overheid tegen te gaan. De wet maakt het mogelijk om subsidies te weigeren of in te trekken, als er sprake is van een ernstig gevaar dat subsidie wordt gebruikt voor het plegen van strafbare feiten of om geld verkregen uit strafbare feiten wit te wassen. Voor onderzoek naar mogelijke strafbare feiten kunnen bestuursorganen het landelijk bureau BIBOB inschakelen. De verantwoordelijkheid voor de uiteindelijke beslissing blijft bij het bestuursorgaan liggen. Om van deze mogelijkheden gebruik te kunnen maken dienen deze in de subsidieregeling expliciet van toepassing verklaard te worden. Artikel 4.5 Beslistermijnen Ingevolge de Awb geldt een “redelijke” termijn ten aanzien van het beslissen op aanvragen. Deze redelijke termijn is na acht weken verstreken en kan dan nog met acht weken worden verlengd. Hierover bericht het college schriftelijk aan de aanvrager. Met het verstrijken van de “redelijke” termijn waarbinnen de aanvraag niet is afgehandeld ontstaat de zogenaamde fictieve weigering waartegen een aanvrager een bezwaarschrift kan indienen.Met het opnemen van termijnen in deze verordening wordt beter aangesloten op de beleid- en beheercyclus van de gemeente. De termijn van acht weken plus verlenging is onvoldoende om te komen tot binnen de begroting passende besluiten t.a.v. structurele subsidies. Een uitzondering hierop vormt de termijn voor het nemen van een besluit t.a.v. waarderingssubsidies. Hiervoor wordt de termijn van 8 weken plus de verlengingsmogelijkheid aangehouden. Artikel 5.2 In te dienen gegevens bij een aanvraag tot vaststelling van een subsidieDit artikel geeft aan over welke stukken het college ten minste moet beschikken in verband met de (definitieve) vaststelling van subsidies. Met toepassing van het derde en het vierde lid kan het college een en ander zonodig uitbreiden.In het tweede lid is de verantwoording voor ontvangers van kleine subsidies tot een minimum beperkt. Deze verantwoording kan bestaan uit een recapitulatie van de gemaakte kosten. Steekproefsgewijs kan in de populatie van deze categorie gesubsidieerden een controle met meer diepgang worden verricht. Artikel 5.3Beslistermijnen voor vaststelling In dit artikel zijn de maximale termijnen aangegeven waarbinnen het college moet beslissen. Uiteraard kan een beslissing ook eerder door het college worden genomen. Artikel 5.4 Voorschotten en verrekeningBevoorschotting is gebruikelijk, daarbij moet wel worden vastgelegd hoe met die voorschotten wordt omgegaan bij de subsidievaststelling en wat er moet gebeuren als de vaststelling lager uitvalt dan de bevoorschotting. Bevoorschotting aan een begunstigde waarvan het voortbestaan onzeker wordt kan worden gestopt (vierde lid).Bevoorschotting kan worden gestaakt indien er zich omstandigheden voordoen, die aanleiding kunnen geven tot intrekking of wijziging van de subsidie, bijvoorbeeld het niet voldoen aan de subsidieverplichting. Artikel 4:56 regelt dat de verplichting tot betaling van voorschotten wordt opgeschort met ingang van de dag waarop het bestuursorgaan aan de subsidieontvanger schriftelijk kennis geeft van het ernstige vermoeden dat er grond bestaat om toepassing te geven aan intrekking of wijzigingen van subsidie op grond van artikel 4:48 en 4:49 Awb. Artikel 6.1 Eisen aan de administratieHet stellen van eisen aan de administratie van een begunstigde is in het bijzonder van belang met het oog op de subsidievaststelling die mede gebaseerd is op aan deze administratie ontleende gegevens. Deze moet daarom inzichtelijk en controleerbaar zijn. Indien sprake is van meerdere activiteiten is een kostenverdeelstaat met een adequate toerekening van kosten verplicht. Artikel 6.2 Toepasselijkheid artikel 4:71 van de AwbIn artikel 4:71 Awb wordt de toestemming van het bestuursorgaan vereist voor een aantal vermogensrechtelijke handelingen dat de begunstigde kan verrichten. Het doel van deze bepaling is onder andere te voorkomen dat subsidiegelden niet juist worden gebruikt en het voorkomen van financiële risico’s. Artikel 6.3 Tegengaan van vervreemdingDe subsidie wordt verleend voor het uitvoeren van een activiteitenplan, het realiseren van vooraf overeengekomen prestatie-eenheden of ten behoeve van het “Goede doel”(waardering). Dit artikel beoogt dat de subsidiegelden niet worden gebruikt voor oneigenlijke doelen of door begunstigde elders worden ondergebracht, buiten het zicht van de gemeente. Artikel 6.4 Leveren van goederen en diensten aan derdenEen begunstigde mag, zonder toestemming van het college de subsidie niet deels ten goede te laten komen aan derden die niet tot de doelgroep behoren. Uitzondering daarop vormt de barexploitatie omdat daarbij dikwijls sprake is van functioneren ten behoeve van de doelgroep en derden. Artikel 6.5 LiquidatiesaldoDe bedoeling van dit artikel is dat, indien met subsidie verkregen eigendommen aan de doelstelling worden onttrokken, een evenredig deel van het vermogen dat met de subsidie is opgebouwd terugvloeit naar de gemeente. Het gaat hier immers om gemeenschapsgeld, verstrekt door het college.Het vijfde lid is bedoeld om te voorkomen dat een begunstigde in verband met het naleven van deze verplichtingen ten opzichte van de gemeente in strijd zou moeten handelen met zijn statuten. Artikel 6.6 Meldingsplicht bij wijziging omstandighedenIn dit artikel wordt de verplichte informatie verstrekking door de begunstigde geregeld. Op het moment dat zich omstandigheden voordoen die van directe invloed zijn op de subsidie en waarover het college moet of kan beslissen dient de begunstigde zo spoedig mogelijk en schriftelijk hiervan melding te doen aan het college. Artikel 6.7 Medewerking aan gemeentelijk onderzoekMedewerking aan onderzoek is in het algemeen niet verplicht. Met dit artikel wordt aangegeven dat een begunstigde niet de vrijheid heeft om zich aan die medewerking te onttrekken.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.