Algemene Plaatselijke Verordening voor de gemeente NijmegenHoofdstuk1ALGEMENE BEPALINGEN Artikel1.1Begripsomschrijvingen In deze verordening wordt verstaan dan wel mede verstaan onder: Weg: alle voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande wegen of paden, daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de wegen of paden behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de wegen liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen; de - al dan niet met enige beperking - voor het publiek toegankelijke pleinen en open plaatsen, parken, plantsoenen, speelweiden, bossen en andere natuurterreinen, ijsvlakten en aanlegplaatsen voor vaartuigen; de voor het publiek toegankelijke stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen, welke uitsluitend tot voor bewoning in gebruik zijnde ruimte toegang geven en niet afsluitbaar zijn; andere voor het publiek toegankelijke, al dan niet afsluitbare stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen, de afsluitbare alleen gedurende de tijd dat zij niet door of vanwege degene die daartoe naar burgerlijk recht bevoegd is, zijn afgesloten. Openbaar water: alle wateren die - al dan niet met enige beperking - voor het publiek bevaarbaar of anderszins toegankelijk zijn. Bebouwde kom: de bebouwde kom als vastgesteld door gedeputeerde staten overeenkomstig artikel 27, tweede lid van de Wegenverkeerswet, bij hun besluit van 20 juli
(2008): Bijlage 8) Afdeling3Toezicht op openbare inrichtingen Paragraaf1Toezicht op inrichtingen voor het verbruiken van eet- en drinkwaren Artikel2.3.1.1Begripsomschrijvingen 1.In deze paragraaf en de daaruit volgende bepalingen wordt verstaan onder: inrichting: een voor het publiek toegankelijke ruimte: 1.waarin enig horecabedrijf, tot de uitoefening waarvan behoort het bedrijfsmatig of anders dan om niet verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse, wordt uitgeoefend; 2.waar bedrijfsmatig of anders dan om niet, al dan niet door middel van een automaat, etenswaren of alcoholvrije dranken of rookwaren voor gebruik ter plaatse worden verstrekt; 3.waar bedrijfsmatig of anders dan om niet, etenswaren worden bereid om te worden afgehaald; exploitant: de natuurlijke persoon of personen of rechtspersoon of rechtspersonen die een inrichting exploiteert of exploiteren en de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon of rechtspersonen bevoegde natuurlijke persoon of personen; beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent of uitoefenen in een inrichting; 2.In deze paragraaf wordt onder bezoekers niet verstaan: de gezinsleden van de exploitant en beheerder, alsmede diens elders wonende bloed- en aanverwanten, in de rechte lijn onbeperkt, in de zijlijn tot en met de derde graad; de personen die voorkomen in het register, bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht; de personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is. Artikel2.3.1.2Sluitingsuur 1.Het is verboden een inrichting, welke uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is bij een sport- of jeugdorganisatie of instelling, dan wel in gebruik is als buurt- of wijkhuis, deze inrichting van 02.00 tot 05.00 uur voor bezoekers geopend te hebben of aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven. De burgemeester is bevoegd in zeer bijzondere gevallen van tijdelijke aard ontheffing te verlenen van dit verbod. 2.De burgemeester kan bepalen dat een inrichting, al dan niet tijdelijk, tussen 00.00 uur en 06.00 uur voor publiek gesloten dient te zijn in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid, gezondheid of van het woon- en leefmilieu. 3.Het is bezoekers verboden gedurende de tijd dat een voor publiek toegankelijke ruimte gesloten dient te zijn, zich daarin te bevinden. 4.Het bepaalde in het eerste en het tweede lid geldt niet voor zover op de Wet milieubeheer gebaseerde vergunningsvoorschriften van toepassing zijn. Artikel2.3.1.2aVenstertijd 1.Het is een inrichting als bedoeld in artikel 3 van de Drank- en Horecawet, onverminderd de bevoegdheid om voor reeds aanwezige bezoekers geopend te blijven, verboden tussen 04.00 uur en 08.00 uur bezoekers toe te laten. 2.Het verbod als genoemd in het eerste lid is niet van toepassing in de nacht van 31 december op 1 januari. Artikel2.3.1.3Toegang ambtenaren van politie De exploitant en beheerder van een inrichting zijn verplicht er voor te zorgen dat ambtenaren van politie vanaf de openbare weg onmiddellijk en onbelemmerd toegang hebben tot die inrichting: gedurende de tijd dat de inrichting voor bezoekers geopend is; dan wel gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn en er daarin of aldaar bezoekers aanwezig zijn. Artikel2.3.1.4Ordeverstoring 1.Het is verboden in een inrichting de orde te verstoren. 2.Het is verboden in een inrichting deel te nemen aan enig spel waarbij met of om geld - voor geld inwisselbare voorwerpen daaronder begrepen - wordt gespeeld, danwel daartoe gelegenheid te geven. 3.Het tweede lid geldt niet voor zover de Wet op de Kansspelen van toepassing is. Artikel2.3.1.5Terrasvergunningen 1.In afwijking van het bepaalde in artikel 2.1.5.1 beslist de burgemeester in geval van een vergunningaanvraag die betrekking heeft op een of meer bij het horecabedrijf behorende terrassen voorzover deze zich op de weg bevinden over de ingebruikneming van die weg ten behoeve van het terras. 2.De vergunning tot het hebben van een terras bevat in elk geval voorschriften met betrekking tot de terrasafmetingen, het onderhoud en de verzorging en het uiterlijk aanzien van het terras. Indien deze vergunning geen voorschriften omtrent de sluitingstijden bevat, is het verboden het terras te hebben tussen 01.00 en 09.00 uur. 3.De burgemeester kan de vergunning ten behoeve van een of meer bij een horecabedrijf behorende terrassen weigeren: indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan; indien dat gebruik een belemmering kan worden voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; ter bescherming van het woon- en leefklimaat in de nabije omgeving van het terras; indien op het pand ten behoeve waarvan de terrasvergunning wordt aangevraagd krachtens het ter plaatse geldende bestemmingsplan geen horecabestemming rust. Artikel2.3.1.6Vergunningsplicht alcoholvrije inrichtingen 1.Het is verboden zonder of in afwijking van de vergunning van de burgemeester een inrichting als bedoeld in artikel 2.3.1.1, eerste lid onder a, sub 2 of sub 3van deze verordening te exploiteren (exploitatievergunning). 2.De vergunning, bedoeld in het eerste lid, vervalt drie jaar na de datum van inwerkingtreding van de vergunning, tenzij door de burgemeester in bijzondere gevallen een kortere looptijd is vastgesteld. 3.Voor het verkrijgen van een vergunning moet een aanvraag bij de burgemeester worden ingediend aan de hand van een door de burgemeester vast te stellen formulier. 4.Bij de aanvraag, bedoeld in het vorige lid, wordt tenminste: a: opgaaf gedaan van de personalia en het adres van de exploitant en de beheerder; b: opgaaf gedaan van het adres en de aard en exploitatiewijze van de inrichting; c: overgelegd een niet meer dan drie maanden tevoren ten behoeve van de exploitant - indien een rechtspersoon: de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke perso(o)n(en)- en beheerder afgegeven verklaring omtrent het gedrag; d: overgelegd een nauwkeurige beschrijving van de inrichting, waarbij is opgenomen de oppervlakte daarvan en een plattegrond van de inrichting. 5.Per inrichting wordt niet meer dan één aanvraag gelijktijdig in behandeling genomen. 6.De vergunning wordt uitsluitend verleend aan en op naam gezet van de exploitant en beheerder van de inrichting. De vergunning is niet overdraagbaar. In geval van beëindiging of overdracht van de inrichting aan een rechtsopvolger is de exploitant verplicht, hiervan direct schriftelijk mededeling te doen aan de burgemeester. 7.De burgemeester kan een maximum stellen aan het aantal te verlenen vergunningen per categorie van inrichtingen, te onderscheiden naar aard en exploitatiewijze. (zie voor nadere regulering bijlage 12a, bijlage 12b en bijlage 12c) Artikel2.3.1.7Aanwezigheid van exploitant en beheerder Het is verboden de inrichting voor bezoekers geopend te hebben, zonder dat de ingevolge artikel 2.3.1.6, zesde lid op de vergunning vermelde exploitant of beheerder in de inrichting aanwezig is. Artikel2.3.1.8Weigeringgronden exploitatievergunning 1.De burgemeester weigert de vergunning, bedoeld in artikel 2.3.1.6, indien: a: de vestiging of de exploitatie van de inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een in procedure zijnd plan, stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening; b: de inrichting niet voldoet aan de door de burgemeester vastgestelde inrichtingseisen; c: gelegen is buiten een door de burgemeester aangewezen gebied; d: een op de aanvraag vermelde exploitant - indien een rechtspersoon: de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke perso(o)n(en)- of beheerder jonger is dan 21 jaar. (zie voor nadere regulering bijlage 12a) 2.De burgemeester kan de vergunning, bedoeld in artikel 2.3.1.6, geheel of gedeeltelijk weigeren, indien naar diens oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de inrichting. 3.Bij de toepassing van de in het tweede lid genoemde weigeringgrond houdt de burgemeester rekening met: a: het karakter van de straat en de wijk, waarin de inrichting is gelegen of zal zijn gelegen; b: de aard van de inrichting; c: de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van de inrichting; d: de concentratie van inrichtingen in een bepaald gebied; e: de wijze van bedrijfsvoering van de exploitant of beheerder van de inrichting in deze of andere inrichtingen; f: de wijze van exploitatie van de inrichting in het verleden, voor zover de exploitant en beheerder onveranderd is gebleven. 4.De vergunning kan worden geweigerd indien de exploitant of de beheerder in de periode van 3 jaar voorafgaand aan het indienen van de aanvraag een inrichting heeft geëxploiteerd die op grond van verstoring van de openbare orde gesloten is geweest. Artikel2.3.1.9Intrekkinggronden Onverminderd het bepaalde in artikel 1.11 kan de burgemeester de vergunning intrekken: a: indien aannemelijk is, dat de exploitant of beheerder van de inrichting betrokken is, of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten in of vanuit de inrichting, die een gevaar opleveren voor de openbare orde of een bedreiging vormen voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting; b: indien de exploitant of beheerder van de inrichting toestaat dan wel gedoogt dat in zijn inrichting strafbare feiten worden gepleegd; c: indien zich in of vanuit de inrichting anderszins feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen dat het geopend blijven van de inrichting gevaar oplevert voor de openbare orde een bedreiging vormt voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting; d: indien de exploitant of beheerder van de inrichting zich schuldig maakt aan feiten, die bij een aanvraag van een verklaring omtrent het gedrag zouden leiden tot een weigering daarvan. Artikel2.3.1.10Vervallen vergunning 1.De vergunning vervalt, indien: a: gedurende een jaar anders dan wegens overmacht geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning; b: er sprake is van een gewijzigde exploitatie, waarvoor geen nieuwe vergunning is aangevraagd; c: de exploitant of beheerder deze hoedanigheid heeft verloren; d: een vergunning, strekkende ter vervanging van de eerstbedoelde vergunning is verleend. 2.Indien binnen veertien dagen nadat de exploitant of beheerder deze hoedanigheid heeft verloren een ontvankelijke aanvraag voor de exploitatie van dezelfde inrichting wordt ingediend, blijft het bepaalde in het eerste lid, onder c buiten toepassing, tot het moment dat op die aanvraag is beslist. Artikel2.3.1.11Overgangsbepalingen 1.Artikel 2.3.1.6, eerste lid, is gedurende 52 weken na inwerkingtreding van de wijziging daarvan niet van toepassing op die inrichtingen, die voorheen op grond van de meldingsplicht voor alcoholvrije inrichtingen een melding hebben gedaan en over een ontvangst van kennisgeving beschikken, voor zover er geen wijzigingen optreden of zijn opgetreden in de gemelde gegevens. 2.Artikel 2.3.1.6, eerste lid, is tevens gedurende 52 weken na inwerkingtreding van de wijziging daarvan niet van toepassing op de ten tijde van de inwerkingtreding bestaande inrichtingen, waar bedrijfsmatig of anders dan om niet, etenswaren worden bereid om te worden afgehaald. 3.Artikel 2.3.1.6, eerste lid, is tevens niet van toepassing op de in het eerste en tweede lid genoemde inrichtingen na afloop van de in de vorige leden genoemde termijn, indien de exploitant binnen die genoemde termijn een aanvraag om vergunning heeft ingediend, totdat op die aanvraag door de burgemeester is beslist. 4.Artikel 2.3.1.6, eerste lid, is gedurende vier weken na inwerkingtreding van de wijziging daarvan niet van toepassing op die inrichtingen, die tot het moment van inwerkingtreding van de wijziging van artikel 2.3.1.1 op grond van het vervallen artikel 2.3.1.1 eerste lid onder b niet beschouwd werden als een inrichting, maar wel beschikken over een zogenaamd meldingsdocument van de burgemeester of daarover beschikt hebben en voor dezelfde inrichting een nieuwe aanvraag hebben gedaan. 5.Artikel 2.3.1.6, eerste lid, is tevens niet van toepassing op de in het vorige lid genoemde inrichtingen na afloop van de in het vorige lid genoemde termijn, indien de exploitant binnen genoemde termijn een aanvraag om vergunning heeft ingediend, totdat op die aanvraag door de burgemeester is beslist. 6.Op vergunningaanvragen voor de in het vierde lid bedoelde inrichtingen zijn de artikelen 2.3.1.6, zevende lid, 2.3.1.8, eerste lid onder c, tweede lid en derde lid niet van toepassing, voor zover er geen wijziging ten aanzien van de exploitant en inrichting is opgetreden. Artikel 2.3.1.8, vierde lid is niet van toepassing voor zover het sluitingen voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel 2.3.1.6 betreft. 7.Voor zover de voorgaande leden niet voorzien in een regeling, beschikt de burgemeester. Paragraaf2Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf Artikel2.3.2.1Begripsomschrijvingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: inrichting: elke al of niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen tijdelijk de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft; houder: degene die een inrichting exploiteert, dan wel daarin de feitelijke leiding heeft. Artikel2.3.2.2Kennisgeving exploitatie Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of het houden van een inrichting staakt, is verplicht binnen drie dagen daarna daarvan schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester. Artikel2.3.2.3(Vervallen) Artikel2.3.2.4Verschaffing gegevens nachtregister Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt dan wel kampeert is verplicht onverwijld aan de houder van die inrichting volledig en naar waarheid zijn naam, adres, woonplaats, geboortedatum, geboorteplaats, betrekking, dag van aankomst, alsmede de dag van vertrek te verstrekken. Paragraaf3Toezicht op speelautomatenhallen (zie voor nadere regulering bijlage 6) Artikel2.3.3.1Begripsomschrijvingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: wet: de Wet op de kansspelen; speelautomaat: een toestel, ingericht voor de beoefening van een spel dat bestaat uit een door de speler in werking gesteld mechanisch, elektrisch of elektronisch proces, waarbij het resultaat kan leiden tot een middellijke of onmiddellijke uitkering van prijzen of premies, daaronder begrepen het recht om gratis verder te spelen; behendigheidsautomaat: een speelautomaat waarvan: het spelresultaat uitsluitend kan leiden tot een verlengde speelduur of het recht op gratis spellen en het proces, ook nadat het in werking is gesteld, door de speler kan worden beïnvloed en het geheel of vrijwel geheel van zijn inzicht en behendigheid bij het gebruik van de daartoe geboden middelen afhangt of en in welke mate de speelduur verlengd of het recht op gratis spellen verkregen wordt; kansspelautomaat: een speelautomaat die geen behendigheidsautomaat is; speelautomatenhal: een inrichting, bestemd om het publiek gelegenheid te geven een spel door middel van speelautomaten te beoefenen, als bedoeld in artikel 30c, eerste lid, onder c, van de Wet; ondernemer: de natuurlijke of rechtspersoon die de speelautomatenhal exploiteert; beheerder: degene die met het dagelijks toezicht en de onmiddellijke leiding in de speelautomatenhal is belast. Artikel2.3.3.2Exploitatie speelautomatenhal 1.Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelautomatenhal te vestigen of te exploiteren. 2.De burgemeester kan voor maximaal 3 speelautomatenhallen een vergunning verlenen, te weten: 2 speelautomatenhallen voor het deel van de gemeente dat wordt begrensd door de rivier de Waal en de singels en 1 speelautomatenhal in het grootwinkelcentrum Dukenburg (Zwanenveld). Artikel2.3.3.3Bescheiden vergunningaanvraag De ondernemer dient bij de vergunningaanvraag de volgende gegevens en bescheiden over te leggen: een nauwkeurige beschrijving van de inrichting waarbij is opgenomen de oppervlakte daarvan, alsmede een plattegrond waarin is aangegeven op welke plaats in de speelautomatenhal en in welk aantal kansspel- en/of behendigheidsautomaten worden opgesteld; een bewijs van inschrijving bij de Kamer van Koophandel en Fabrieken; een verklaring waaruit blijkt dat hij gerechtigd is over de ruimte te beschikken; een verklaring omtrent het gedrag: van de ondernemer dan wel, indien de ondernemer een rechtspersoon is, van degene(
- n)die de onderneming krachtens de (alsdan bij te voegen) statuten vertegenwoordigt(
- en)en van de beheerder; een verklaring dat hij beschikt over een exploitatievergunning als bedoeld in artikel 30h, eerste lid van de Wet. Artikel2.3.3.4Persoonlijk karakter vergunning; voorschriften en beperkingen 1.De vergunning kan uitsluitend worden gesteld ten name van de ondernemer. 2.In de vergunning wordt de naam van de beheerder vermeld. 3.Aan de vergunning worden voorschriften en beperkingen verbonden. Deze hebben in elk geval betrekking op: de sluitingstijden van de speelautomatenhal; het toezicht in de speelautomatenhal; het aantal speelautomaten dat mag worden opgesteld. Artikel2.3.3.5Weigering vergunning 1.Onverminderd het bepaalde in artikel 30e, eerste en tweede lid van de Wet, wordt de vergunning geweigerd, indien: het maximaal aantal af te geven vergunningen voor speelautomatenhallen is verleend; de speelautomatenhal niet uitsluitend rechtstreeks vanaf de openbare weg voor het publiek toegankelijk is; de beheerder(
- s)de leeftijd van 25 jaar nog niet heeft (hebben) bereikt; de ondernemer of de beheerder(
- s)onder curatele staat (staan) of bewind is ingesteld over één of meer aan hen toebehorende goederen, als bedoeld in Boek 1, titel 19, van het Burgerlijk Wetboek; door de aanwezigheid van de speelautomatenhal naar het oordeel van de burgemeester de leef- en woonsituatie in de naaste omgeving of het karakter van de winkelstraat/winkelbuurt op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; de exploitatie of vestiging van de speelautomatenhal strijd oplevert met het geldende bestemmingsplan, dan wel een stadsvernieuwingsplan c.q. leefmilieuverordening in de zin van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing. 2.De burgemeester kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het vorige lid, onder b en onder c. Een ontheffing van het bepaalde onder b geldt voor een periode van ten hoogste zes maanden. Artikel2.3.3.6Beëindiging vergunning 1.Indien een overeenkomstig artikel 2.3.3.4, tweede lid, in de vergunning vermelde beheerder de hoedanigheid van beheerder heeft verloren, dient de ondernemer onder overlegging van de in artikel 2.3.3.3, onder d, genoemde bescheiden, binnen drie maanden een nieuwe vergunning aan te vragen. 2.De vergunning vervalt zodra de beslissing op een aanvrage voor een nieuwe vergunning voor het vestigen dan wel exploiteren van een speelautomatenhal in hetzelfde pand onherroepelijk is geworden dan wel indien geen aanvrage is ingediend binnen drie maanden na het verlies van de hoedanigheid als bedoeld in het eerste lid. Artikel2.3.3.7Intrekking vergunning Onverminderd het bepaalde in artikel 30f, eerste en tweede lid van de Wet en artikel 1.11, eerste lid van deze verordening, kan de burgemeester de vergunning intrekken: indien de omstandigheden of inzichten op grond waarvan de vergunning is afgegeven zodanig zijn gewijzigd dat een situatie is ontstaan als bedoeld in artikel 2.3.3.5, onder e; indien de exploitatie van een speelautomatenhal voor een periode van langer dan zes maanden wordt onderbroken. Artikel2.3.3.8Voortzetting exploitatie na overlijden ondernemer 1.Indien een ondernemer komt te overlijden dient, indien voortzetting van de exploitatie wordt beoogd, binnen drie maanden een nieuwe vergunning te worden aangevraagd. 2.In alle andere gevallen van wisseling van ondernemer dient binnen één maand na overname van de speelautomatenhal een nieuwe vergunning te worden aangevraagd. 3.Zolang op een tijdig ingediende aanvrage niet is beslist is voortzetting van de exploitatie toegestaan, met inachtneming van de voorschriften en beperkingen, verbonden aan de van rechtswege vervallen vergunning. Paragraaf4Toezicht op speelautomaten in andere inrichtingen dan speelautomatenhallen Artikel2.3.4.1Begripsomschrijvingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: wet: de Wet op de kansspelen; speelautomaat: een speelautomaat als bedoeld in artikel 2.3.3.1 onder b; behendigheidsautomaat: een behendigheidsautomaat als bedoeld in artikel 2.3.3.1 onder c; kansspelautomaat: een kansspelautomaat als bedoeld in artikel 2.3.3.1 onder d; hoogdrempelige inrichting: een inrichting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drank- en Horecawet, waarin rechtmatig het horecabedrijf als bedoeld in dat artikellid wordt uitgeoefend: waar het café en het restaurantbezoek op zichzelf staat en waar geen andere activiteiten plaatsvinden, waaraan een zelfstandige betekenis kan worden toegekend en waarvan de activiteiten in belangrijke mate gericht zijn op personen van 18 jaar en ouder; laagdrempelige inrichting: een inrichting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drank- en Horecawet, waarin rechtmatig het horecabedrijf als bedoeld in dat artikellid wordt uitgeoefend, die geen hoogdrempelige inrichting is, of een inrichting waarin horeca-activiteiten worden verricht en waarvan de ondernemer inschrijfplichtig is en ingeschreven is bij het Bedrijfschap Horeca. Artikel2.3.4.2Opstelplaatsenbeleid 1.In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee speelautomaten toegestaan, waarvan maximaal twee kansspelautomaten. 2.In laagdrempelige inrichtingen zijn twee speelautomaten toegestaan, met dien verstande dat kansspelautomaten in het geheel niet zijn toegestaan. Afdeling4Maatregelen tegen overlast en baldadigheid Artikel2.4.1Verblijfsontzeggingen Het is degenen aan wie dit door of namens de burgemeester in het belang van de openbare orde of zedelijkheid is bekendgemaakt, verboden zich anders dan in een openbaar middel van vervoer te bevinden op of aan door de burgemeester aangewezen wegen en plaatsen gedurende de uren daarbij genoemd. Dit verbod geldt gedurende de in de bekendmaking genoemde periode van ten hoogste twaalf weken. (zie voor aanwijzingsbesluit van de burgemeester: Bijlage 3, 3a en 3b) Artikel2.4.2Plakken en kladden 1.Het is verboden de weg of dat gedeelte van een onroerend goed dat vanaf de weg zichtbaar is te bekrassen of te bekladden. 2.Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op de weg of op dat gedeelte van een onroerend goed dat vanaf de weg zichtbaar is: een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding, aan te plakken of op andere wijze aan te brengen; met kalk, krijt, teer of een kleur- of verfstof enige afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen. 3.Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift. 4.Het in het tweede lid, aanhef en sub a gestelde verbod, geldt niet voor het aanplakken op daartoe door de gemeente geplaatste publicatieborden. 5.De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage te geven. Artikel2.4.3Vervoer zaken met verboden handeling als kennelijk doel 1.Het is verboden tussen 's avonds 10 uur en 's morgens 6 uur op de weg te vervoeren of bij zich te hebben gereedschappen of andere hulpmiddelen waarmee handelingen kunnen worden verricht als verboden in artikel 2.4.2 of in de artikelen 138, 310 en 350 Wetboek van Strafrecht, met het kennelijke doel dergelijke handelingen te verrichten. 2.Het is verboden op de weg in de nabijheid van winkels, gedurende de openingstijden daarvan, een tas te vervoeren of aanwezig te hebben die er kennelijk toe is uitgerust om het plegen van winkeldiefstal te vergemakkelijken. Artikel2.4.3.aHandel in verdovende middelen Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op of aan de openbare weg te bevinden, indien redelijkerwijze kan worden aangenomen, dat dit er kennelijk op gericht is een verdovend middel als bedoeld in artikel 2 of 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende stof, te koop aan te bieden of de verkoop, aflevering of verstrekking daarvan te bevorderen. Artikel2.4.3bGebruik harddrugs op straat Het is verboden op of aan de weg, op een voor publiek toegankelijke plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw, middelen als bedoeld in artikel 2 van de Opiumwet te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingshandelingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben. Artikel2.4.3cSamenscholing 1.Het is verboden op of aan de weg, aan een verzameling van meer dan vier personen deel te nemen, indien deze verzameling verband houdt met het openlijk gebruik van of de handel in middelen als bedoeld in artikel 2 van de Opiumwet, of indien deze verzameling verband houdt met de handel in middelen als bedoeld in artikel 3 van de Opiumwet. 2.Een ieder die zich bevindt in een verzameling van personen als in het eerste lid bedoeld, is verplicht op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van de politie zijn weg te vervolgen of zich in de aangewezen richting te verwijderen. Artikel2.4.4Sluiting van voor publiek toegankelijke ruimten 1.De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid, gezondheid of van het woon- en leefmilieu, de sluiting van een voor het publiek toegankelijke ruimte bevelen. Hij brengt het besluit terstond ter kennis van de houder van de ruimte die het betreft. 2.Het is de houder van een voor publiek toegankelijke ruimte verboden deze voor bezoekers geopend te hebben of aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven gedurende de tijd dat de ruimte krachtens een op grond van het eerste lid door de burgemeester genomen besluit voor publiek gesloten dient te zijn. 3.Het is bezoekers verboden gedurende de tijd dat een voor publiek toegankelijke ruimte krachtens een op grond van het eerste lid door de burgemeester genomen besluit gesloten dient te zijn, zich daarin te bevinden. 4.Voor de toepassing van dit artikel worden onder bezoekers verstaan allen die zich in de voor het publiek toegankelijke ruimte bevinden of daarin toegelaten worden met uitzondering van: de houder van de ruimte alsmede diens huisgenoten die door de gemeente Nijmegen zijn ingeschreven als bewoners van de bij de ruimte behorende woning; logeergasten; hen wier tegenwoordigheid wegens dringende omstandigheden wordt vereist. Artikel2.4.5Verbod betreden van voor het publiek gesloten ruimten 1.Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden. 2.Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden. 3.Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk is. 4.De burgemeester is bevoegd van de in het eerste en tweede lid bedoelde verboden ontheffing te verlenen. Artikel2.4.6Hinderlijk gedrag op of aan de weg 1.Het is verboden: op of aan de weg te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, voertuig, hekheining, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd straatmeubilair; zich op of aan de weg zodanig op te houden dat aan weggebruikers of aan gebruikers van nabij de weg gelegen gebouwen onnodig overlast of hinder veroorzaakt wordt. 2.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover artikel 350, 351, 351bis, 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Artikel2.4.6aVerbod slapen op of aan de weg 1.Het is verboden de weg op een voor anderen hinderlijke wijze als slaapplaats te gebruiken, al dan niet in een voertuig, woonwagen, tent of vergelijkbaar ander onderkomen. 2.Burgemeester en wethouders kunnen wegen aanwijzen waar dit verbod niet van toepassing is. 3.Burgemeester en wethouders kunnen van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen en daaraan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid en gezondheid voorschriften verbinden, onder andere ter voorkoming en beperking van hinder en overlast, ontsiering van het stadsbeeld, verontreiniging, besmettelijke ziekten en brandgevaar. 4.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover de Wet op de Openluchtrecreatie van toepassing is. Artikel2.4.6bOverlast skateboarden 1.Onder skateboarden wordt in dit artikel verstaan: het zich voortbewegen op skateboarden en vergelijkbare voorwerpen. 2 Burgemeester en wethouders kunnen wegen aanwijzen waar het is verboden om te skateboarden. (zie voor aanwijzingsbesluiten: Bijlage 13A en13B) De in het vorige lid bedoelde plaatsen kunnen worden aangewezen in het belang van: het doelmatig beheer en onderhoud van de weg, waaronder mede begrepen de bescherming van verkeersdeelnemers en de verdeling van de gebruiksmogelijkheden van de weg; de voorkoming of opheffing van hinder of overlast; de voorkoming van schade aan de weg en straatmeubilair. Artikel2.4.7Hinderlijk drankgebruik 1.Het is verboden op de weg alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben. 2.Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor: een terras dat deel uitmaakt van of behoort bij een inrichting, als bedoeld in artikel 2.3.1.1 lid 1, onder a, sub 1; het gedeelte van de weg, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank- en Horecawet. Artikel2.4.7aGevaarlijk drinkgerei en verpakkingen 1.Het is verboden op de weg, die deel uitmaakt van een door de burgemeester aangewezen gebied, drinkgerei van glas of geopende glazen verpakkingen, kennelijk bestemd voor het bewaren van dranken, bij zich te hebben of met zich mee te voeren. 2.Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor: een terras waarvoor een vergunning geldt als bedoeld in artikel 2.3.1.5; de plaats waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank- en Horecawet. 3.Het is de exploitant van een inrichting als bedoeld in artikel 2.3.1.1 en degene die het winkelbedrijf of slijtersbedrijf uitoefent, welke inrichting, winkel of slijterij is gelegen aan een door de burgemeester aangewezen weg of weggedeelte, verboden dranken in door de burgemeester aangewezen verpakkingen, en/of drinkgerei van glas of blik te verstrekken gedurende een door de burgemeester aangewezen periode. De burgemeester wijst de wegen of weggedeeltes, verpakkingen en drinkgerei en de periode aan in het belang van de openbare orde en/of veiligheid indien en voor zover de genoemde belangen dit dringend noodzakelijk maken en dat ook in een aantoonbaar verband staat tot deze aanwijzing. (zie voor aanwijzingsbesluit bijlage 22) Artikel2.4.8Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen 1.Het is verboden: zich zonder redelijk doel in een portiek of poort, onder een luifel, afdak, overkapping of onderdoorgang op te houden; in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen. 2.Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen, appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van gebouwen, die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van een zodanig gebouw. Artikel2.4.9Gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijk portaal, telefooncel, wachtlokaal voor een openbaar vervoermiddel, parkeergarage, rijwielstalling of een andere soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te verontreinigen dan wel te bezigen voor een ander doel dan waarvoor de desbetreffende ruimte is bestemd. Artikel2.4.10Neerzetten van fietsen en bromfietsen Het is verboden op of aan de weg een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan: indien dit schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik ervan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw dan wel in de ingang van een portiek, indien: dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek, of daardoor die doorgang gehinderd of die ingang versperd wordt. Artikel2.4.11Overlast van fiets of bromfiets bij publiek trekkende activiteiten Het is verboden op door de burgemeester aangewezen uren en plaatsen zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid gehouden wordt die publiek trekt. Artikel2.4.11-a 1.Burgemeester en Wethouders kunnen gebieden aanwijzen waar het verboden is om buiten de daarvoor aangewezen stallingruimten fietsen en bromfietsen te plaatsen. 2.Burgemeester en Wethouders kunnen ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. (zie voor aanwijzingsbesluiten: Bijlage 5A, waar ook de relevante beleidsregels voor ontheffingen zijn toegevoegd, Bijlage 5B en Bijlage 5C) Artikel2.4.11-b Het is verboden om een (brom-)fiets, al of niet voor onmiddellijk gebruik geschikt, langer dan 4 weken onbeheerd in een fietsenstalling in een door Burgemeester en Wethouders aangewezen zone achter te laten. (zie voor aanwijzingsbesluiten: Bijlage 5A, waar ook de relevante beleidsregels voor ontheffingen zijn toegevoegd, Bijlage 5B en Bijlage 5C) Artikel2.4.12Bespieden van personen Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon dan wel van een gebouw, woonwagen of woonschip op te houden met de kennelijke bedoeling deze persoon dan wel een zich in dit gebouw, deze woonwagen of dit woonschip bevindende persoon, te bespieden. Artikel2.4.13(Vervallen) Artikel2.4.14(Vervallen) Artikel2.4.15Alarminstallaties Het is verboden in of aan een onroerend goed een alarminstallatie in werking te hebben die een voor de omgeving opvallend geluid kan produceren. Het is verboden een telefoonkiesapparaat zodanig in werking te hebben dat zonder menselijke tussenkomst, via het openbaar telefoonnet, aan de meldkamer of alarmcentrale van de politie, de brandweer of enige andere overheidsinstelling alarmmeldingen kunnen worden gedaan. Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van de in de vorige leden neergelegde verboden. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover artikel 142 Wetboek van Strafrecht van toepassing is. (Toelichting bij artikel 2.4.15: Relatie met artikel 4.1.1.1. Verbod geluidhinder Artikel4.1.1,eerste lid bevat het verbod om met toestellen of geluidsapparaten dan wel op een andere wijze handelingen te verrichten of toe te laten, waardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidshinder wordt veroorzaakt. Het tweede lid van dit artikel bevat een ontheffingsmogelijkheid. De term "geluidsapparaten" is ontleend aan artikel 1 van de Wet geluidshinder, waar een geluidsapparaat wordt gedefinieerd als een apparaat bestemd of mede bestemd voor het voortbrengen van geluid. Een luidalarminstallatie valt ook onder deze definitie. Echter, artikel 2.4.15 APV verhoudt zich tot artikel 4.1.1 APV als een bijzondere tot een algemene bepaling. Dat betekent dat artikel 4.1.1 niet van toepassing is op luidalarminstallaties. Wel verdient het aanbeveling ten aanzien van luidalarminstallaties een zelfde beleid ter voorkoming van geluidshinder te voeren als op grond van het bedoelde artikel 4.1.1 wordt gevoerd. Dit is vooral van belang bij de situering van de installaties met het oog op het geluidsniveau buiten het beveiligde pand.) Artikel2.4.16Loslopende honden, verboden plaatsen (zie voor aanwijzingsbesluit: Bijlage20A en 20C) Het is de eigenaar, houder of verzorger van een hond of degene, die een hond onder zijn toezicht heeft, verboden deze te laten verblijven of lopen: op de weg zonder dat de hond aangelijnd en voldoende in zijn macht is; op de weg zonder dat de hond voorzien is van een aan de halsband bevestigde, van gemeentewege verstrekte, hondenpenning; op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide; op een andere door burgemeester en wethouders aangewezen en als zodanig aangeduide plaats. Burgemeester en Wethouders kunnen plaatsen aanwijzen waar het verbod sub a niet van toepassing is. Artikel2.4.17Verontreiniging door honden 1.Het is de eigenaar, houder of verzorger van een hond of degene die een hond onder zijn toezicht heeft, verboden deze zich van zijn uitwerpselen te laten ontdoen in tuinen van derden en op de weg met uitzondering van de als zodanig door het college van burgemeester en wethouders aangewezen en ingerichte hondenuitlaatplaatsen. (Zie voor aanwijzingsbesluiten hondenuitlaatplaatsen bijlagen 20B en volgende) 2.De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid gestelde verbod wordt opgeheven indien het gaat om openbare wegen en perken en de eigenaar, houder of verzorger van een hond dan wel degene die een hond onder zijn toezicht heeft, er zorg voor draagt dat de uitwerpselen onmiddellijk worden verwijderd. 3.Degene die zich met een hond op of aan de openbare weg bevindt is verplicht een doeltreffend hulpmiddel bij zich te hebben dat geschikt is voor het verwijderen van hondenpoep. Dat geldt zowel aan het begin van de “uitlaatronde“ als aan het einde. Artikel2.4.18Gevaarlijke honden 1.Het is de eigenaar, houder of verzorger van een hond of hem, die een hond onder zijn toezicht heeft verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen op de weg of enig andere -al dan niet met enige beperking- voor publiek toegankelijke plaats of op het terrein van een ander: anders dan kort aangelijnd en voldoende in iemands macht, nadat burgemeester en wethouders de eigenaar of de houder schriftelijk hebben medegedeeld, dat zij die hond gevaarlijk of hinderlijk achten en zij een kortaanlijngebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vinden; anders dan kort aangelijnd en voorzien van een muilkorf, nadat burgemeester en wethouders de eigenaar of de houder schriftelijk hebben medegedeeld, dat zij die hond gevaarlijk of hinderlijk achten en zij een kortaanlijn- en muilkorfgebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vinden. 2.In het eerste lid wordt verstaan onder: muilkorf: een muilkorf als bedoeld in artikel 1, onder d, van de Regeling agressieve dieren; kort aanlijnen: aanlijnen van een hond met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, die niet langer is dan 1,50 meter. 3.Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing voorzover de Regeling agressieve dieren van toepassing is. Artikel2.4.19Bescherming tegen gevaarlijke honden op eigen erven Het is de eigenaar, houder of verzorger van een hond en hem, die een hond onder zijn toezicht heeft, verboden deze hond op zijn erf zonder muilkorf te laten loslopen, indien burgemeester en wethouders hebben medegedeeld, dat zij het dier gevaarlijk achten, danwel indien de hond is opgeleid voor bewa-kings-, opsporings- en verdedigingswerk, tenzij: op een vanaf de weg zichtbare plaats een -ter beoordeling van burgemeester en wethouders- duidelijk leesbaar waarschuwingsbord is aangebracht; de gelegenheid bestaat een brievenbus te bereiken en aan te bellen zonder dat men het erf behoeft te betreden; het erf voorzien is van een zodanig hoge en deugdelijke afrastering dat de hond zonder menselijke tussenkomst niet buiten het erf kan komen. Artikel2.4.20Houden van hinderlijke of schadelijke dieren 1.Burgemeester en wethouders zijn bevoegd gedeelten van de gemeente of bepaalde plaatsen, geen woningen zijnde, aan te wijzen waar het ter voorkoming of opheffing van overlast of van schade aan de openbare gezondheid verboden is daarbij aangeduide dieren: aanwezig te hebben, dan wel; aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door hen ter voorkoming of opheffing van overlast of van schade aan de openbare gezondheid gestelde regels, dan wel; aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven of mede is aangegeven. De aanwijzing wordt openbaar bekend gemaakt overeenkomstig artikel 1.14. 2.Het is verboden op een krachtens het eerste lid aangewezen plaats een daarbij aangeduid dier of daarbij aangeduide dieren aanwezig te hebben, dan wel aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door burgemeester en wethouders gestelde en overeenkomstig artikel 1.14 openbaar bekend gemaakte regels, dan wel aanwezig te hebben tot een groter aantal dan door hen is aangegeven. 3.Burgemeester en wethouders kunnen de rechthebbende op een onroerend goed gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen gedeelte van de gemeente ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod. 4.Indien het aanwezig hebben van dieren gebeurt in strijd met het bepaalde krachtens het eerste lid kunnen burgemeester en wethouders degene die de dieren aanwezig heeft aanschrijven tot het treffen van maatregelen ter voorkoming of opheffing van overlast of van schade aan de openbare gezondheid. Degene tot wie de aanschrijving is gericht of diens rechtsopvolger is verplicht de aanschrijving op te volgen. 5.Ieder die een of meer dieren onder zijn hoede heeft, is verplicht door voorzorgsmaatregelen die in redelijkheid van hem verwacht mogen worden, te voorkomen dat deze dieren voor de omgeving hinderlijk zijn. 6.Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover de Wet Milieubeheer of het Honden- en Kattenbesluit van toepassing is. Artikel2.4.21(Vervallen) Artikel2.4.22Loslopend vee en kleinvee De rechthebbende op vee of kleinvee dat zich bevindt in een aan een weg liggend weiland of terrein, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee en kleinvee die weg niet kan bereiken. Artikel2.4.23Bijen 1.Het is verboden bijen te houden: binnen een afstand van 30 meter van woningen of andere gebouwen waar overdag mensen verblijven; binnen een afstand van 30 meter van de weg. 2.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet indien op een afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven of kasten een afscheiding is aangebracht van twee meter hoogte of zoveel hoger als noodzakelijk is om het laag uit- en invliegen van de bijen te voorkomen. 3.Het in het eerste lid, aanhef en onder b, gestelde verbod geldt niet voor zover de Gelderse wegenverordening van toepassing is. 4.Burgemeester en Wethouders kunnen van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. Artikel2.4.24Opvangen van dieren 1.Dieren, die op de weg worden aangetroffen in strijd met het bepaalde in de artikelen 2.4.16, 2.4.18, 2.4.21 of 2.4.24, kunnen van gemeentewege worden opgevangen of, indien het opvangen bezwaarlijk is, afgemaakt. 2.Opgevangen dieren blijven veertien dagen ter beschikking van de rechthebbende en kunnen, als zij binnen die tijd niet zijn opgevraagd of de kosten van voeding en huisvesting niet zijn vergoed, worden herplaatst of afgemaakt. Afdeling5Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen Artikel2.5.1Begripsomschrijvingen In deze afdeling wordt verstaan onder: handelaar: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht; verkoopregister: het aantekening houden van het verkopen of op andere wijze overdragen van alle gebruikte en ongeregelde goederen door de handelaar; horecabedrijf: een inrichting als bedoeld in artikel 2.3.1.1, eerste lid sub a; houder: de exploitant of beheerder als bedoeld in artikel 2.3.1.1, eerste lid sub b en c. Artikel2.5.2Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister 1.De burgemeester kan besluiten ten aanzien van de verkoop of overdracht van bepaalde categorieën gebruikte of ongeregelde goederen de verplichting op te leggen een verkoopregister bij te houden. 2.De handelaar houdt de verkoop of op andere wijze overdracht van aangewezen goederen als bedoeld in het eerst lid bij in een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register en vermeldt daarin onverwijld: het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed; de datum van verkoop of overdracht van het goed; een omschrijving van het goed, daaronder begrepen - voor zover dat mogelijk is - soort, merk en nummer van het goed; de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen. Artikel2.5.3Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht: wanneer hij in overeenstemming met het bepaalde in artikel 437 ter, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de burgemeester of de door deze aangewezen ambtenaar er schriftelijk van in kennis stelt dat hij van het opkopen een beroep of gewoonte maakt, daarbij tevens schriftelijk opgave te doen van zijn woonadres en van het volledige adres van elke lokaliteit door hem ten behoeve van zijn onderneming in gebruik genomen; de onder a bedoelde functionaris onder aanbieding van zijn register(
- s)onverwijld doch in ieder geval binnen drie dagen, schriftelijk in kennis te stellen van een verandering van zijn woonadres, zomede van het adres of de adressen van een bij hem ten behoeve van zijn onderneming in gebruik zijnde lokaliteit; aan de hoofdingang van de lokaliteit waar de onderneming is gevestigd een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar voorkomen; indien hij in de gelegenheid is enig goed te verkrijgen waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat het van misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan, hiervan onverwijld kennis te geven aan de onder a bedoelde functionaris; zijn administratie op eerste aanvraag ter inzage te geven aan de onder a bedoelde functionaris.; wanneer hij heeft opgehouden van het opkopen een beroep of gewoonte te maken, onderscheidenlijk het beroep van handelaar niet langer uitoefent, de onder a bedoelde functionaris hiervan onverwijld doch in ieder geval binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen. Artikel2.5.4Vervreemding van door opkoop verkregen goederen Het is de handelaar of een voor hem handelend persoon verboden enig door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen dat het onder zijn berusting is, over te dragen of daarin enige wijziging aan te brengen tenzij deze wijziging van geen invloed is op de herkenbaarheid van het goed. Artikel2.5.5Handel in horecabedrijven Het is de houder van een horecabedrijf verboden toe te laten dat een handelaar of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enig andere wijze overdraagt. Afdeling6Bestuurlijke ophouding Artikel2.6.1Bestuurlijke ophouding De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats, indien deze personen het bepaalde in artikel 2.1.1.1, 2.1.2.1, 2.1.5.1, 2.1.5.2, 2.1.6.4, 2.1.6.8, 2.1.6.8a, 2.2.9, 2.2.10, 2.2.11, 2.4.6, 2.4.7, 2.4.8, 2.4.9 en 4.3.8 van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Nijmegen groepsgewijze niet naleven. Afdeling7Spreiding van vuurwerk verkooppunten Artikel2.7.1Vuurwerk verkooppunten 1.Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, voor zover de locatie van de bedrijfsuitoefening niet voldoet aan het in het belang van de openbare orde en in het belang van het voorkomen of beperken van overlast, door het college gestelde afstandscriterium. 2.Voor vuurwerk verkooppunten die in 2004 en 2005 rechtsgeldig in werking waren en voor ondernemers die in 2005 een ontvankelijke aanvraag of een melding op grond van de Wet milieubeheer indienden, geldt het verbod van lid 1 niet. (zie voor besluit vaststelling afstandscriterium: Bijlage 15) Afdeling8Cameratoezicht op openbare plaatsen Artikel2.8.1Cameratoezicht op openbare plaatsen 1.De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van vaste camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats. 2.De burgemeester heeft de bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid eveneens ten aanzien van andere voor een ieder toegankelijke plaatsen: parkeerterreinen; overige plaatsen die vanwege het doelgebonden verblijf niet onder de definitie van openbare plaats uit artikel 1 van de Wet openbare manifestaties (Wom) vallen; 3.Na afloop van de in het eerste lid bepaalde duur worden cameraprojecten geëvalueerd. De burgemeester betrekt de gemeenteraad bij evaluatie van cameraprojecten. (zie voor besluit toezicht: Bijlage 19 a en 19b) Hoofdstuk3SEKSINRICHTINGEN, SEKSWINKELS, STRAATPROSTITUTIE E.D. Afdeling1Begripsomschrijvingen en nadere regels Artikel3.1.1Begripsomschrijvingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; b prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; c seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een erotische-massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar; d escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend; e sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin hoofdzakelijk goederen van erotisch-pornografische aard aan particulieren plegen te worden verkocht; f raamprostitutiebedrijf: een seksinrichting met één of meer ramen van waarachter de prostituee tracht de aandacht van passanten op zich te vestigen; g straatprostitutie: het door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze passanten tot prostitutie bewegen, uitnodigen dan wel aanlokken; h exploitant: de natuurlijke persoon of personen of rechtspersoon of rechtspersonen die een seksinrichting of escortbedrijf exploiteert of exploiteren en de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon of rechtspersonen bevoegde natuurlijke persoon of personen; i beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent of uitoefenen in een seksinrichting of escortbedrijf; j bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met uitzondering van: 1 de exploitant; 2 de beheerder; 3 de prostituee; 4 het personeel dat in de inrichting werkzaam is; 5 toezichthouders als bedoeld in artikel 6.1a; 6 andere personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is. Artikel3.1.2Bevoegd bestuursorgaan In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het college van burgemeester en wethouders of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester. Artikel3.1.3Nadere regels Met het oog op de in artikel 3.3.2 genoemde belangen, kan het college van burgemeester en wethouders over de uitoefening van de bevoegdheden in dit hoofdstuk nadere regels vaststellen. (zie voor collegebesluit tot vaststellen nadere regels: Bijlage 2B) Afdeling2Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels en dergelijke Artikel3.2.1Seksinrichtingen en escortbedrijven 1 Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegd bestuursorgaan. (zie besluiten in bijlage 2D en bijlage 2E) 2 Het bevoegd orgaan kan een maximum stellen aan het aantal te verlenen vergunningen. 3 Bij de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in ieder geval overgelegd respectievelijk vermeld: a de persoonsgegevens van de exploitant; b de persoonsgegevens van de beheerder; c het aantal werkzame prostituees; d de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf; e de plaatselijke en kadastrale ligging van de inrichting door middel van een situatietekening met een schaal van tenminste 1:1000; f een plattegrond van de seksinrichting door middel van een tekening met een schaal van tenminste 1:100; g een bewijs van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel; h een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is tot het gebruik van de ruimte bestemd voor de seksinrichting. Artikel3.2.2Gedragseisen exploitant en beheerder 1.De exploitant en de beheerder: staan niet onder curatele en zijn niet ontzet uit de ouderlijke macht of de voogdij; zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag en hebben de leeftijd van éénentwintig jaar bereikt. 2.Naast de gestelde eisen in het eerste lid, zijn de exploitant en de beheerder niet: met toepassing van de artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht ter beschikking gesteld; binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden of meer door de rechter in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba, dan wel door een andere rechter wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands recht een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering is toegelaten; binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee rechterlijke uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van 500 euro of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van: 1.bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid vreemdelingen; 2.de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 tot en met 249, 252, 250a (oud), 273f, 300 tot en met 303, 416, 417, 417bis, 426, 429quater en 453 van het Wetboek van Strafrecht; 3.de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 juncto artikel 8 of juncto artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994; 4.de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de Wet op de kansspelen; 5.de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; 6.de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie. 3.Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk gesteld: vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid onder a van het Wetboek van strafrecht of artikel 76, derde lid onder a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan driehonderd vijfenzeventig euro bedraagt; een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf. 4.De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt: bij de weigering van een vergunning gerekend vanaf de datum van beslissing op de aanvraag van de vergunning; bij de intrekking van een vergunning gerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning. 5.De exploitant - indien een rechtspersoon: de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke perso(o)n(
- en)- of de beheerder is binnen de laatste vijf jaar geen exploitant of beheerder geweest van een inrichting die voor ten minste één maand door het bevoegde bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning als bedoeld in artikel 3.2.1 is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hem terzake geen verwijt treft. Artikel3.2.3Sluitingstijden 1 Het bevoegd orgaan kan door middel van voorschriften als bedoeld in artikel 1.9 voor een afzonderlijke seksinrichting sluitingstijden vaststellen. 2 Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben en daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven gedurende de op grond van lid 1 opgelegde sluitingstijden. 3 Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die seksinrichting krachtens het eerste lid, dan wel krachtens artikel 3.2.4 eerste lid, gesloten dient te zijn. 4 Het in het eerste, tweede en derde lid bepaalde geldt niet voor zover de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften van toepassing zijn. Artikel3.2.4Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke) sluiting 1 Met het oog op de in artikel 3.3.2, tweede lid, genoemde belangen of in geval van strijdigheid met de bepalingen in dit hoofdstuk kan het bevoegd bestuursorgaan: a tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3.2.3, eerste lid, geldende sluitingsuren vaststellen; b van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet tijdelijk de gedeeltelijke of algehele sluiting bevelen. 2 Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht, maakt het bevoegd bestuursorgaan het in het eerste lid bedoelde besluit openbaar bekend overeenkomstig artikel 3:42 van de Algemene wet bestuursrecht. Artikel3.2.5Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder 1 Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben, zonder dat de ingevolge artikel 3.2.1 op de vergunning vermelde exploitant of beheerder in de seksinrichting aanwezig is. 2 De exploitant en de beheerder zijn verplicht er voortdurend op toe te zien dat in de seksinrichting: a geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval de feiten als genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de zeden), XX (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX (heling) van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet wapens en munitie; b geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde. Artikel3.2.6Straatprostitutie 1 Het is verboden, door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze, passanten tot prostitutie te bewegen, uit te nodigen dan wel aan te lokken. 2 Het bepaalde in het eerste lid geldt niet op of aan door het college van burgemeester en wethouders aangewezen wegen en gebieden, indien de bij dat besluit vastgestelde voorschriften in acht worden genomen; deze voorschriften betreffen in ieder geval de tijden, waarop het verbod in het eerste lid vermeld niet geldt, de leeftijd van de prostituee en de locatie waar het afwerken dient te geschieden. (zie voor aanwijzingsbesluit met beleidsregels: Bijlagen 2A-1 en 2A-2) 3 Met het oog op de naleving van het in het eerste lid gestelde verbod, kan door een ambtenaar van politie of een buitengewoon opsporingsambtenaar van de afdeling Toezicht van de gemeente Nijmegen het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen. 4 Met het oog op de in artikel 3.3.2, tweede lid, genoemde belangen kan door politieambtenaren aan personen die zich bevinden op de wegen en tijden bedoeld in het tweede lid, het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen. 5 Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden op de in lid 2 bedoelde wegen en gebieden dan wel deze te verontreinigen dan wel te bezigen voor een ander doel dan waarvoor deze gebieden zijn bestemd. Artikel3.2.7Sekswinkels Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin een sekswinkel te exploiteren in door het college van burgemeester en wethouders in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving aangewezen gebieden of delen van de gemeente. (zie voor aanwijzingsbesluit met nadere regulering: Bijlage 2F) Artikel3.2.8Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke 1 Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van erotisch-pornografische aard openlijk ten toon te stellen, aan te bieden of aan te brengen: a indien het bevoegd bestuursorgaan aan de rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt; b anders dan overeenkomstig de door het bevoegd bestuursorgaan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving gestelde regels. 2 Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid van de Grondwet. Afdeling3Beslissingstermijn; weigeringgronden; Artikel3.3.1Beslissingstermijn 1 Het bevoegd bestuursorgaan neemt het besluit op de aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, binnen twaalf weken na de dag waarop de aanvraag is ontvangen. 2 Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste twaalf weken verdagen. Artikel3.3.2Weigeringgronden 1 De vergunning als bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, wordt geweigerd indien: a de exploitant - indien een rechtspersoon: de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke perso(o)n(
- en)- of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 3.2.2 gestelde eisen; b de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een in procedure zijnd plan, stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening; c er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het escortbedrijf personen werkzaam (zullen) zijn in strijd met artikel 250a van het Wetboek van Strafrecht, of met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde; d de aanvrager niet door het overleggen van een door het college van burgemeester en wethouders afgegeven geschiktheidverklaring kan aantonen dat het bedoelde pand voldoet aan de ex artikel 3.1.3 gestelde nadere regels; e het maximale aantal af te geven vergunningen voor seksinrichtingen of escortbedrijven is verleend; f de vergunning is aangevraagd voor een raamprostitutiebedrijf dat niet is gevestigd in de percelen Nieuwe Markt 24 tot en met 40 (even nummers). 2 De vergunning bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, dan wel de aanwijzing of vaststelling bedoeld in artikel 3.2.6, tweede lid, kan worden geweigerd: a in het belang van de openbare orde; b in het belang van het voorkomen of beperken van overlast; c in het belang van het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en leefklimaat; d in het belang van de veiligheid van personen of goederen; e in het belang van de verkeersvrijheid of -veiligheid; f in het belang van de gezondheid of zedelijkheid; g in het belang van de arbeidsomstandigheden van de prostituee. Afdeling4Beëindiging exploitatie; wijziging beheer Artikel3.4.1Beëindiging exploitatie 1 De vergunning vervalt zodra de ingevolge artikel 3.2.1 op de vergunning vermelde exploitant, de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd. 2 Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie, geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan. Artikel3.4.2Wijziging beheer 1 Indien een beheerder als bedoeld in artikel 3.2.1, derde lid, onder b, het beheer in de seksinrichting feitelijk heeft beëindigd, geeft de exploitant daarvan binnen een week na de feitelijke beëindiging van het beheer schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan. 2 Het beheer kan slechts worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder, indien het bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant heeft besloten de verleende vergunning overeenkomstig de wijziging in het beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel 3.3.2, eerste lid, aanhef en onder a, is van overeenkomstige toepassing. 3 In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan het beheer worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder zodra de exploitant een aanvraag als bedoeld in het tweede lid heeft ingediend, totdat over de aanvraag is besloten. Afdeling5Overgangsbepaling Artikel3.5.1Overgangsbepaling 1 Op het exploiteren van seksinrichtingen of escortbedrijven, die reeds gevestigd zijn èn zich vóór 1 oktober 2000 bij burgemeester en wethouders schriftelijk aangemeld hebben, is het gestelde in artikel 3.2.1, eerste lid, niet van toepassing: a gedurende 52 weken na het in werking treden daarvan; b na afloop van de onder a gestelde termijn, indien de exploitant binnen deze termijn een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, heeft ingediend, totdat op die aanvraag door het bevoegd bestuursorgaan een besluit is genomen. 2.Gedurende de periode bedoeld in het eerste lid, sub a, kan het bevoegd bestuursorgaan met het oog op de in artikel 3.3.2, tweede lid, genoemde belangen de exploitant aanschrijven tot het treffen van in die aanschrijving vermelde voorzieningen. Hoofdstuk4BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE Afdeling1Geluidhinder Paragraaf1Algemeen Artikel4.1.1.1Verbod geluidhinder 1.Het is verboden om met toestellen of geluidsapparaten dan wel op andere wijze handelingen te verrichten, waardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt, of toe te laten dat deze handelingen worden verricht. 2.Burgemeester en Wethouders kunnen van het bepaalde in het eerste lid ontheffing verlenen. 3.Het in het eerste lid van het artikel omschreven verbod geldt niet indien wordt voldaan aan de door het college te stellen nadere regels met betrekking tot het vrijstellen van bepaalde soorten geluidhinder. 4.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover de Wet Milieubeheer, de Wet geluidhinder, de Wegenverkeerswet, de Zondagswet, het Wetboek van Strafrecht, de Luchtvaartwet of het Reglement Verkeerstekens en Verkeersregels van toepassing is. Paragraaf2"Festiviteitenregeling voor inrichtingen" (zie voor de bijlagen behorende bij deze paragraaf: Nadere regels:-Bijlage9A en jaarlijkse aanwijzing van dagen: Bijlage9B) Artikel4.1.2.1Begripsomschrijvingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: het Besluit: het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Stb 2007, 415); inrichting: een inrichting type A of type B zoals bedoeld in het Besluit; houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft; collectieve festiviteit: door burgemeester en wethouders als zodanig aangewezen activiteit; bijzondere activiteit: specifiek aan één inrichting gebonden activiteit met een incidenteel karakter, die plaats vindt binnen de inrichting; openluchttheater: een inrichting waarbij uitsluitend of in hoofdzaak sprake is van een of meer voorzieningen of installaties voor het in de open lucht vertonen van films, houden van muziek-, toneel- of daarmee verwante uitvoeringen, of houden van tentoonstellingen van gebruiksvoorwerpen of voortbrengsels van kunst, cultuur of wetenschap; atletiekbaan: een inrichting waarbij uitsluitend of in hoofdzaak sprake is van een of meer voorzieningen of installaties voor het beoefenen van sport. Artikel4.1.2.2Horeca-, sport en recreatie-inrichting In deze paragraaf wordt verstaan onder ‘Horeca-, sport en recreatie-inrichting’: een inrichting type A of type B zoals bedoeld in het Besluit waarbij: uitsluitend of in hoofdzaak sprake is van: een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis, clubhuis of daaraan verwante inrichting waar tegen vergoeding logies wordt verstrekt, dranken worden geschonken of spijzen voor directe consumptie worden bereid of verstrekt, of een gelegenheid tot zwemmen of baden; uitsluitend of in hoofdzaak sprake is van een of meer voorzieningen of installaties voor: 1. het in een besloten ruimte dansen of geven van dansonderricht; 2. het in een besloten ruimte onderrichten van muziek of toneel, of oefenen of houden van muziek-, toneel- of daarmee verwante uitvoeringen; 3. het in een besloten ruimte vertonen van films, houden van presentaties, vergaderingen of congressen, of tentoonstellen van gebruiksvoorwerpen of voortbrengsels van kunst, cultuur of wetenschap; 4. het in de open lucht of in een besloten ruimte beoefenen van sport in wedstrijdverband, ter voorbereiding van wedstrijden of voor recreatieve doeleinden, of 5. het in de open lucht vertonen van films, houden van muziek-, toneel- of daarmee verwante uitvoeringen, of houden van tentoonstellen van gebruiksvoorwerpen of voortbrengsels van kunst, cultuur of wetenschap; uitsluitend of in hoofdzaak gelegenheid wordt geboden tot het deelnemen aan kansspelen of om mee te dingen naar prijzen of premies door enige kansbepaling of tot het gebruiken van speelautomaten, of uitsluitend of in hoofdzaak: recreatief dagverblijf wordt geboden of waar een of meer voorzieningen aanwezig zijn voor recreatieve doeleinden; recreatief nachtverblijf wordt geboden in ten hoogste 400 vakantiewoningen, of recreatief nachtverblijf wordt geboden in ten hoogste 750 trekkershutten of door middel van een kampeerterrein als bedoeld in artikel 1, onder b, van de Wet op de openluchtrecreatie, met een capaciteit van ten hoogste 750 kampeermiddelen; uitsluitend of in hoofdzaak sprake is van een samenstel van bedrijvigheden als bedoeld onder a tot en met d. Artikel4.1.2.3Collectieve festiviteiten 1.De waarden bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit gelden niet voor de door burgemeester en wethouders per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten in de daarbij aangewezen gebieden gedurende de aangewezen dagen of dagdelen. 2.Burgemeester en wethouders maken de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend. 3.Burgemeester en wethouders zijn bevoegd in bijzondere omstandigheden een activiteit buiten de in het eerste lid bedoelde aanwijzing om aan te wijzen als collectieve festiviteit. 4.Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels vaststellen voor het maximale geluidsniveau als gevolg van de inrichting en voor maatregelen om het geluidsniveau te beperken tijdens een collectieve festiviteit. 5.Bij de aanwijzing van collectieve festiviteiten kunnen burgemeester en wethouders bepalen dat collectieve festiviteiten slechts gelden voor horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen. Artikel4.1.2.4Vergunning bijzondere activiteiten 1.Burgemeester en Wethouders kunnen ten behoeve van een inrichting vergunning verlenen voor maximaal twee bijzondere activiteiten per kalenderjaar waarbij de waarden die zijn genoemd in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit niet gelden. 2.Burgemeester en Wethouders kunnen bij nadere regels voor een door hen aan te wijzen openluchttheater een maximaal aantal bijzondere activiteiten vaststellen dat afwijkt van het in het eerste lid genoemde aantal. Het afwijkend maximum is niet hoger dan zes. 3.Burgemeester en Wethouders kunnen bij nadere regels voor een door hen aan te wijzen atletiekbaan een maximaal aantal bijzondere activiteiten vaststellen dat afwijkt van het in het eerste lid genoemde aantal. Het afwijkend maximum is niet hoger dan zes. 4.In afwijking van artikel 1.5 lid 1 dient de houder van de inrichting ten minste vier weken voor de aanvang van de activiteit een schriftelijke aanvraag voor een vergunning in bij burgemeester en wethouders. 5.Indien in meerdere inrichtingen gelijktijdig een bijzondere activiteit plaatsvindt kunnen meerdere aanvragen zoals bedoeld in het derde lid worden samengevoegd in een aanvraag tot een vergunning voor een bijzondere activiteit in meerdere inrichtingen. 6.Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels vaststellen voor de volgende onderwerpen: het aantal bijzondere activiteiten waarvoor vergunning kan worden verleend. In deze nadere regels mag het in het eerste lid genoemde aantal niet wordt overschreden; de dagen waarop en tijden waarbinnen een vergunning voor een bijzondere activiteit kan worden verleend; de maximale tijdsduur waarvoor een vergunning voor een bijzondere activiteit kan worden verleend; voorwaarden voor het verlenen van een vergunning voor een bijzondere activiteit. Deze voorwaarden kunnen betrekking hebben op het maximale geluidsniveau als gevolg van de inrichting en maatregelen om het geluidsniveau te beperken; toetsing van de vergunningaanvraag aan de maximaal toegestane gebruiksfrequenties voor locaties als bedoeld in de notitie “Beleidsregels geluid bij evenementen in de openlucht” (GB09016, december 2008). 7.In de in het vorige lid bedoelde nadere regels kan onderscheid gemaakt worden tussen: verschillende gebiedsdelen en locaties in de gemeente; activiteiten die plaatsvinden binnen een gesloten gebouw met gesloten ramen en deuren en activiteiten die niet plaatsvinden binnen een gesloten gebouw met gesloten ramen en deuren; activiteiten met en zonder levende muziek; horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen en overige inrichtingen; een door burgemeester en wethouders aangewezen openluchttheater als bedoeld in het tweede lid en overige inrichtingen; een door burgemeester en wethouders aangewezen atletiekbaan als bedoeld in het derde lid en overige inrichtingen. Artikel4.1.2.5Weigeringgronden vergunning De vergunning wordt geweigerd indien: uit een of meer vergunningaanvragen blijkt dat niet gelijktijdig in meerdere inrichtingen een bijzondere activiteit plaatsvindt, indien de aanvraag betrekking heeft op een vergunning zoals bedoeld in artikel 4.1.2.4, vierde lid; in een inrichting door het verlenen van de vergunning in een kalenderjaar meer bijzondere activiteiten kunnen plaatsvinden dan mogelijk is op grond van artikel 4.1.2.4, eerste lid; een aanvraag wordt ingediend door een inrichting aan welke inrichting door het college wegens geluidoverlast een last onder dwangsom is opgelegd of een andere bestuursrechtelijke maatregel is getroffen; uit een aanvraag blijkt dat het verlenen van de vergunning in strijd is met nadere regels die burgemeester en wethouders op grond van deze paragraaf hebben vastgesteld. Artikel4.1.2.6Verboden bijzondere activiteiten Het is verboden een bijzondere activiteit te organiseren, toe te laten, feitelijk te leiden of daaraan deel te nemen, indien de burgemeester het organiseren van een bijzondere activiteit verboden heeft wanneer naar zijn oordeel de woon- en leefsituatie in de omgeving van de inrichting en/of openbare orde op ontoelaatbare wijze wordt beïnvloed. Afdeling2Afvalstoffen Paragraaf1Algemene Bepalingen Artikel4.2.1.1Begripsomschrijvingen In deze afdeling wordt verstaan onder: wet: Wet Milieubeheer (Stb. 1992, 551 zoals sindsdien gewijzigd); autowrakken: hetgeen daaronder wordt verstaan in de wet; inzameldienst: de dienst bedoeld in artikel 4.2.1.2; wegen: alle voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande wegen of paden, de zijkanten; motorrijtuigen: alle rij- of voertuigen, bestemd om anders dan langs spoorstaven te worden voortbewogen uitsluitend of mede door een mechanische kracht, op of aan het rij- of voertuig zelf aanwezig dan wel door elektrische tractie met stroomtoevoer van elders; doelmatige verwijdering: zodanige verwijdering van afvalstoffen dat in ieder geval: de continuïteit van de verwijdering wordt gewaarborgd; de afvalstoffen (met inachtneming van artikel 10.1, Wm) op effectieve en efficiënte wijze wordt verwijderd; de capaciteit aan afvalverwijderingsinrichtingen is afgestemd op het aanbod te verwijderen afvalstoffen; een onevenwichtige spreiding van afvalverwijderingsinrichtingen wordt voorkomen; een effectief toezicht op de verwijdering mogelijk is en gewaarborgd is dat een inrichting voor het op of in de bodem brengen van afvalstoffen, nadat zij buiten gebruik is gesteld, geen nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt; afvalstoffen: alle stoffen, preparaten of andere producten, waarvan de houder zich - met het oog op de verwijdering daarvan - ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen; huishoudelijke afvalstoffen: afvalstoffen afkomstig uit particuliere huishoudens, afvalwater en autowrakken daaronder niet begrepen, behoudens voor zover het afgegeven of ingezamelde bestanddelen van die afvalstoffen betreft, die zijn aangewezen als gevaarlijke afvalstoffen; grofhuisafval: huishoudelijke afvalstoffen die te groot en/of te zwaar zijn om op dezelfde wijze als andere huishoudelijke afvalstoffen aan de inzameldienst te worden aangeboden; restafval: huishoudelijke afvalstoffen met uitzondering van klein chemisch afval, groente-, fruit- en tuinafval, glas, oud papier en karton, textiel en grof huisafval. Artikel4.2.1.2Inzameldienst Als inzameldienst, belast met het ter uitvoering van de wet en deze afdeling inzamelen van afvalstoffen wordt aangewezen DAR NV. DAR NV wordt hiertoe concessie verleend. Paragraaf2Het zich ontdoen van huishoudelijke afvalstoffen Artikel4.2.2.1Uitsluiting grof huisafval Het bepaalde in deze paragraaf is niet van toepassing op grof huisafval, behoudens voor zover bij artikel 4.2.3.4 bepaald. Artikel4.2.2.1aOverdragen of aanbieden restafval aan de inzameldienst 1.Restafval wordt éénmaal per week door de inzameldienst ingezameld. 2.Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen over te dragen of ter inzameling aan te bieden aan een ander dan de inzameldienst. 3.Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor zover burgemeester en wethouders krachtens paragraaf 4 van deze afdeling aan anderen dan de inzameldienst vergunning hebben verleend. 4.In afwijking van het in het eerste lid bepaalde wordt restafval door de inzameldienst bij laagbouw éénmaal per twee weken ingezameld. 5.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet in het gebied voormalig sportpark Grootstal. Artikel4.2.2.2De dagen en tijden voor het overdragen of het aanbieden 1.Burgemeester en wethouders stellen dagen en tijden vast voor het overdragen of het ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen aan de inzameldienst. 2.Het is verboden de in het eerste lid bedoelde afvalstoffen op andere dan de krachtens dat lid vastgestelde dagen en tijden over te dragen of ter inzameling aan te bieden aan de inzameldienst. Artikel4.2.2.3De wijze en de plaats van het overdragen of het aanbieden Het is verboden restafval anders aan de inzameldienst over te dragen, ter inzameling aan te bieden of achter te laten in van gemeentewege geplaatste wijkcontainers dan in groene huisvuilzakken van het type dat vastgesteld is door Burgemeester en wethouders (bijlage 7) en waarvoor gemeentelijke belastingen zijn afgedragen. Artikel4.2.2.4Verpakking van huishoudelijk afval 1.De vuilniszakken moeten goed gesloten zijn. 2.Bij het overdragen of ter inzameling aanbieden moet de inhoud van de vuilniszakken die niet zwaarder mag zijn dan 12 kg, zonder uitsteeksels in de zakken zijn gepakt, zodanig dat zulks geen aanleiding kan geven tot verwondingen of het scheuren van de zakken. Artikel4.2.2.5Ordelijke overdracht of aanbieding van huishoudelijkafval Het overdragen of het aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen in vuilniszakken moet ordelijk geschieden door plaatsing daarvan, na 06.00 uur op een krachtens artikel 4.2.2.2, eerste lid, vastgestelde inzameldag, op het voetpad, zo dicht mogelijk bij de rijweg, of, bij het ontbreken van een voetpad, aan de kant van de rijweg. Artikel4.2.2.6Aangewezen plaats In het belang van een doelmatige inzameling van huishoudelijke afvalstoffen kunnen burgemeester en wethouders bepalen dat de vuilniszakken overgedragen of ter inzameling aangeboden moeten worden op een door hen te bepalen plaats nabij de percelen. Artikel4.2.2.7Het overdragen of aanbieden in containers 1.Burgemeester en wethouders kunnen bepalen dat huishoudelijke afvalstoffen in een gedeelte van de gemeente in van gemeentewege op of nabij de percelen geplaatste containers moeten worden overgedragen of ter inzameling aangeboden. 2.Deze overdracht moet geschieden in gesloten verpakking en op een zodanige wijze dat geen afvalstoffen buiten de containers achterblijven. 3.De containers moeten na het deponeren van de afvalstoffen goed gesloten en, indien gesitueerd op voor het publiek toegankelijke plaatsen, tussen 18.00 en 06.00 uur afgesloten te zijn. Artikel4.2.2.7aHet overdragen of aanbieden in wijkcontainers 1.In het navolgende gedeelte van de gemeente dient restafval in van gemeentewege geplaatste wijkcontainers te worden overgedragen of ter inzameling te worden aangeboden: voormalig sportpark Grootstal. 2.Deze overdracht moet geschieden in de gesloten huisvuilzakken en op zodanige wijze dat geen afvalstoffen buiten de containers achterblijven. 3.De containers moeten na het deponeren van de afvalstoffen goed gesloten worden. Artikel4.2.2.8Verwijdering container De gebruiker van een container moet er voor zorgen dat de container zo spoedig mogelijk, na lediging door de inzameldienst, doch uiterlijk op het eind van een krachtens artikel 4.2.2.2, eerste lid, vastgestelde inzameldag, van de weg is verwijderd. Artikel4.2.2.9Het in bijzondere gevallen overdragen of ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen Burgemeester en wethouders kunnen regels stellen omtrent het in bijzondere gevallen op afroep overdragen of ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen aan de inzameldienst Artikel4.2.2.10Aangewezen plaats achterlaten huishoudelijke afvalstoffen Indien krachtens artikel 10.11, vijfde lid, van de wet een plaats binnen de gemeente is aangewezen, waar in voldoende mate gelegenheid geboden wordt huishoudelijke afvalstoffen achter te laten, stellen burgemeester en wethouders de dagen, tijden en wijzen vast waarop deze afvalstoffen daar kunnen worden achtergelaten. Artikel4.2.2.11Incidenteel achterlaten huishoudelijke afvalstoffen Burgemeester en wethouders kunnen regels stellen omtrent het incidenteel achterlaten van huishoudelijke afvalstoffen. Artikel4.2.2.12Verbod achterlaten huishoudelijke afvalstoffen Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen op andere dagen, tijden, wijzen en plaatsen achter te laten dan bij of krachtens de artikelen 4.2.2.4 tot en met 4.2.2.11 is bepaald. Artikel4.2.2.12aAchterlaten in daartoe bestemde bakken 1.Het is verboden andere huishoudelijke afvalstoffen dan van zeer beperkte omvang en gewicht, zoals proppen papier, plastic bekertjes en blikjes, niet zijnde vloeistoffen, achter te laten in daartoe van gemeentewege geplaatste of voorgeschreven bakken. 2.Het is verboden glas op andere plaatsen achter te laten dan in daartoe van gemeentewege geplaatste glasbakken. 3.Het is verboden papier op andere plaatsen achter te laten dan in daartoe van gemeentewege geplaatste papierbakken. 4.Het is verboden textiel op andere plaatsen achter te laten dan in daartoe van gemeentewege geplaatste textielbakken. Artikel4.2.2.13Het zich afzonderlijk ontdoen van bijzondere categorieën huishoudelijke afvalstoffen 1.Het is, in afwijking van het bepaalde in de artikelen 4.2.2.1 tot en met 4.2.2.12 verboden de volgende categorieën van huishoudelijke afvalstoffen anders dan afzonderlijk over te dragen of aan te bieden aan de inzameldienst of achter te laten in daartoe in de nabijheid van de percelen geplaatste bakken of op een daartoe ter beschikking gestelde plaats: Klein Chemisch Afval. Glas. Oud papier en karton. Textiel. 2.Door de inzameldienst en/of een vergunninghouder overeenkomstig het bepaalde in artikel 4.2.4.1 wordt: klein chemisch afval één maal per week met behulp van de chemokar ingezameld; glas via de van gemeentewege geplaatste glasbakken ingezameld; oud papier en karton één maal per maand ingezameld; textiel vier maal per jaar ingezameld. Artikel4.2.2.13a