← Nederland

Beleidsregels WMO gemeente Dongen (Dongen)

Beleidsregels WMO gemeente DongenInleiding. De beleidsregels ontlenen hun status aan artikel 4:81, lid 1 Algemene wet bestuursrecht: “1. Een bestuursorgaan kan beleidsregels vaststellen met betrekking tot een hem toekomende of onder zijn verantwoordelijkheid uitgeoefende, dan wel door hem gedelegeerde bevoegdheid.” Als beleidsregels zijn vastgesteld, kan daar in beschikkingen eenvoudig naar worden verwezen. Uiteraard is het wel zo dat besluiten volgens de beleidsregels moeten worden genomen. De Verordening wordt door de gemeenteraad vastgesteld. Het (financieel) Besluit en de Beleidsregels worden door het college van burgemeester en wethouders vastgesteld. Dit betekent dat het Besluit en de Beleidsregels niet in strijd mogen komen met de Verordening. De beleidsregels volgen in principe de opbouw van de verordening. Er zijn dus hoofdstukken over de verschillende terreinen waarop individuele voorzieningen worden verstrekt: woonvoorzieningen, hulp bij het huishouden, het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel (vervoersvoorzieningen) en verplaatsen in en rond de woning (rolstoelen). Daarnaast beginnen de beleidsregels met een hoofdstuk over de vorm van de te verstrekken individuele voorzieningen (hoofdstuk 2 van de verordening). Het eerste hoofdstuk van de verordening (Algemene bepalingen, en met name het onderdeel beperkingen) is opgenomen in hoofdstuk 7, het verkrijgen van voorzieningen en het motiveren van besluiten. Verder is er een nieuw hoofdstuk dat handelt over het medische advies. In dit hoofdstuk zal ook ingegaan worden op het ICF. Artikel 4 Wmo, het artikel dat gemeenten de opdracht geeft tot het verstrekken van individuele voorzieningen, luidt: Ter compensatie van de beperkingen die een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 4° , 5° en 6°, ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie, treft het college van burgemeester en wethouders voorzieningen op het gebied van maatschappelijke ondersteuning die hem in staat stellen: een huishouden te voeren; zich te verplaatsen in en om de woning; zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel; medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan. Bij het bepalen van de voorzieningen houdt het college van burgemeester en wethouders rekening met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager van de voorzieningen, alsmede met de capaciteit van de aanvrager om uit een oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien. Net als in de verordening is er in deze beleidsregels van uitgegaan dat onder het voeren van een huishouden zowel de woonvoorzieningen als de hulp bij het huishouden moeten worden verstaan. Onder het zich verplaatsen in en om de woning is de rolstoelvoorziening gerekend. Onder het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel zijn de vervoersvoorzieningen begrepen. Overgangsrecht Artikel 40 en 41 Wmo bevatten overgangsrecht, artikel 40 voor de Wvg en artikel 41 voor de AWBZ. Het overgangsrecht voor de Wvg is helder, wie op 31 december 2006 een Wvg-voorziening heeft, behoudt deze voorziening onder Wvg-regelgeving zo lang de beschikking loopt met een maximum van één jaar. De Wvg wordt al door gemeenten uitgevoerd, zodat de uitvoering van dit overgangsrecht geen problemen op zal leveren. Anders ligt het met de AWBZ. Die wordt niet door gemeenten uitgevoerd, terwijl toch de AWBZ-rechten net als bij de Wvg maximaal een jaar blijven bestaan. Daarom zullen de verschillende mogelijkheden van overgangsrecht in een bijlage worden uitgewerkt. Hoofdstuk 1. Vorm van de te verstrekken voorzieningen. 1.1 Verschillende wijzen om voorzieningen te verstrekken. Artikel 6 van de Wmo bepaalt het volgende: “ Het college van burgemeester en wethouders biedt personen die aanspraak hebben op een individuele voorziening de keuze tussen het ontvangen van een voorziening in natura of het ontvangen van een hiermee vergelijkbaar persoonsgebonden budget, tenzij hiertegen overwegende bezwaren bestaan.” Gevolg van deze regel is dat er drie vormen van verstrekking van individuele voorzieningen mogelijk zijn. Allereerst is er de voorziening in natura. Dat wil zeggen dat de gemeente de aanvrager een voorziening verstrekt die hij of zij kant en klaar krijgt. Artikel 6 Wmo bepaalt dat er een verplicht alternatief voor een voorziening in natura geboden moet worden en wel in de vorm van een persoonsgebonden budget. Dat is de tweede vorm van verstrekking. En de derde vorm van verstrekking is de financiële tegemoetkoming, zo blijkt uit artikel 7, lid 2 Wmo: “Een persoonsgebonden budget en een financiële tegemoetkoming voor een bouwkundige of woontechnische ingreep in of aan een woonruimte wordt verleend aan de eigenaar van de woonruimte. Artikel 6 is van overeenkomstige toepassing.” In relatie tot bouwkundige woonvoorzieningen wordt – in navolging van de Wvg – de verplichting opgelegd om een financiële tegemoetkoming uit te betalen aan de eigenaar van de woning. Een dergelijke financiële tegemoetkoming kan alleen al om die reden in sommige situaties geen persoonsgebonden budget genoemd worden. Andere voorbeelden van financiële tegemoetkomingen zijn de tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten en de tegemoetkomingen in de vervoerskosten zoals taxikostenvergoedingen. Het persoonsgebonden budget. Artikel 2.1 van de Verordening bepaalt: “Een individuele voorziening kan verstrekt worden in natura, als financiële tegemoetkoming en als persoonsgebonden budget. Het college stelt vast in welke situaties de bij wet verplichte keuze tussen een voorziening in natura en een persoonsgebonden budget niet wordt geboden aan de hand van de in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Dongen neergelegde criteria.” Dit artikel is een uitwerking van artikel 6 Wmo. In de parlementaire behandeling van de Wmo is aangegeven dat er uitzonderingen mogelijk zijn, met name als het gaat om personen waarvan verwacht kan worden dat zij niet met het beschikbare geld kunnen omgaan. In een Algemeen Overleg over een aan de Wmo verwante zaak, het bovenregionale vervoer Valys, heeft de Tweede Kamer op 29 maart 2006 uitgesproken dat deze regel niet bedoeld is om goed draaiende systemen, zoals bijvoorbeeld collectief vervoerssystemen, in gevaar te brengen. Als bijvoorbeeld in plaats van collectief vervoer (een voorziening in natura) een persoonsgebonden budget zou moeten worden verstrekt, zou de mogelijkheid bestaan dat door een leegloop van het collectief vervoer de basis onder dit vervoer uit zou vallen. Voor diegenen die afhankelijk zijn van collectief vervoer zou zo een naturavoorziening wegvallen. Daarom is in de verordening nog steeds het primaat van het collectief vervoer opgenomen. Bij verzoeken om een persoonsgebonden budget van een aanvrager die medisch gezien wel van het collectief vervoer gebruik kan maken, zal deze aanvraag afgewezen worden. Dit onderdeel zal in het hoofdstuk vervoer nog nader worden uitgewerkt. Of er andere redenen zullen zijn waarom het toekennen van een persoonsgebonden budget geweigerd moet worden (bv. schuldsanering, psychiatrische patiënten)is op dit moment nog niet geheel te overzien. In de uitvoering zal duidelijk worden of er ook andere situaties zijn waarin weigering op zijn plaats is. Deze nieuwe situaties zullen later toegevoegd worden. Artikel 2.2 van de Verordening verklaart dat de verkrijger van een voorziening in natura gehouden is de voorwaarden in acht nemen die gelden op grond van de bruikleenovereenkomst, de huurovereenkomst of de dienstverleningsovereenkomst die gesloten is tussen de leverancier en de aanvrager respectievelijk tussen de gemeente en de aanvrager. In deze overeenkomst worden de rechten en verplichtingen van de aanvrager en van de leverancier/gemeente ‘indien van toepassing’ vastgelegd. Omvang van het persoonsgebonden budget. De omvang van het persoonsgebonden budget zal bepaald moeten worden. Hierbij dienen twee mogelijkheden te worden onderscheiden: Enerzijds het persoonsgebonden budget voor diensten, afkomstig uit de AWBZ, dat in de Wmo per 1 januari 2007 alleen maar betrekking heeft op hulp bij het huishouden, anderzijds het persoonsgebonden budget voor voorzieningen afkomstig uit de Wvg, zoals hulpmiddelen als woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelen. Bij diensten gaat het om de betaling van tijd aan dienstverleners. Dit is zorg afkomstig uit de AWBZ. De AWBZ kende al een dergelijk systeem van persoonsgebonden budgetten. Voor de functie huishoudelijke verzorging was hierbij in 2006 sprake van de volgende tarieven: Klasse 1: € 884,- per jaar Klasse 2: € 2.654,- per jaar Klasse 3 € 4.866,- per jaar Klasse 4 € 7.520,- per jaar Klasse 5 € 10.175,- per jaar Klasse 6 € 12.828,- per jaar. Diegenen die op basis van overgangsrecht op 31 december 2006 een indicatie hebben zullen ook in het jaar 2007 deze bedragen nog ontvangen zo lang als de indicatie duurt, doch maximaal tot en met 31 december 2007. Daarnaast vallen zij onder de gemeentelijke regels. Diegenen die in 2007 een eerste aanvraag doen en direct onder de gemeentelijke regels vallen krijgen het bedrag dat in het Besluit MO 2007 is opgenomen Wat betreft de voorzieningen afkomstig uit de Wvg zal per toekenning een berekening gemaakt moeten worden. De kosten van de voorziening als de voorziening in natura zou worden verstrekt zijn daarbij uitgangspunt (zie Besluit MO 2007). Dat kan afgeleid worden van bijvoorbeeld een offerte. Daarbij kunnen bedragen geteld worden voor het onderhoud en de reparaties van de voorziening, voor zover daar sprake van kan zijn. Deze bedragen zijn ofwel bij verstrekking in eigen beheer bekend vanuit het verleden, ofwel kunnen bij verstrekking via een leverancier bij de leverancier worden opgevraagd. Bij het bepalen van het bedrag van de voorziening wordt uitgegaan van het bedrag dat de voorziening bij verstrekking in natura zou kosten. Budgethouders kunnen ondersteuning inhuren. Bij een persoonsgebonden budget voor hulp bij het huishouden zal ook een bedrag voor ondersteuning toegevoegd moeten worden. Bij de tabellen zoals in de AWBZ gehanteerd is dat bedrag al inbegrepen. Hetzelfde geldt voor de tabel die de gemeente hanteert. Uitbetaling persoonsgebonden budget. Als het persoonsgebonden budget berekend is, kan het bij beschikking aan de aanvrager worden bekendgemaakt. In deze beschikking wordt vermeld wat de omvang van het persoonsgebonden budget is en voor hoeveel jaar het persoonsgebonden budget bedoeld is. Om volstrekt duidelijk te laten zijn wat met het persoonsgebonden budget dient te worden aangeschaft en meer precies: aan welke vereisten de aan te schaffen voorziening dient te voldoen, wordt een zo nauwkeurig mogelijk omschreven program van eisen bij de beschikking gevoegd. Hierdoor kan voorkomen worden dat door onduidelijkheid over de eisen die aan de voorziening gesteld moeten worden een verkeerde voorziening wordt aangeschaft. Dat zou tot inadequate voorzieningen kunnen leiden, wat op zich weer tot nieuwe aanvragen aanleiding zou kunnen zijn. Dit is uitsluitend te voorkomen door een program van eisen onderdeel uit te laten maken van de beschikking. Wordt dan toch een voorziening aangeschaft die niet aan dat program van eisen voldoet, dan is gehandeld in strijd met de beschikking. In de beschikking zal ook opgenomen moeten worden dat er een eigen bijdrage/eigen aandeel in de kosten verschuldigd is. Omdat die eigen bijdrage vastgesteld en geïnd zal worden door het CAK, zal in de meeste gevallen uitsluitend een aankondiging opgenomen kunnen worden. Is de beschikking verzonden, dan kan het persoonsgebonden budget beschikbaar worden gesteld. Dat kan in één keer, indien daar aanleiding voor is (een aan te schaffen voorziening zal ook in één keer betaald moeten worden), of in termijnen, bijvoorbeeld bij een persoonsgebonden budget voor hulp bij het huishouden. Hierbij worden de volgende regels gehanteerd: * het PGB voor de hulp bij het huishouden wordt bij vooruitbetaling per 4 weken uitbetaald; *het PGB voor overige voorzieningen wordt bij vooruitbetaling in één keer uitbetaald. De controle van het persoonsgebonden budget De controle van het persoonsgebonden budget zal als volgt plaats vinden: Bij iedere ontvanger van een persoonsgebonden budget wordt aan de hand van: * de nota/factuur van de aangeschafte voorziening; * een betalingsbewijs van aanschaf van de voorziening * of een overzicht van de salarisadministratie met bewijsmiddelen nagegaan of het persoonsgebonden budget besteed is aan het doel waarvoor het bestemd is. Is dat het geval, dan hoeft er verder niets te gebeuren. Is het persoonsgebonden budget anders besteed dan bedoeld, dan kan het college overwegen het persoonsgebonden budget geheel of gedeeltelijk terug te vorderen. Daarbij zal leidend zijn of er opzet in het spel is geweest, of dat sprake is geweest van onwetendheid. In die laatste situatie kan overlegd worden dat deze situatie in de toekomst vermeden dient te worden. Bij opzet weegt het college af of terugvordering in verhouding staat tot wat er bewust onjuist is gedaan. Eigen bijdrage. Artikel 2.5 van de Verordening bepaalt dat bij een te verstrekken persoonsgebonden budget een eigen bijdrage verschuldigd kan zijn. Het Besluit MO 2010 geeft een verdere uitwerking in artikel 2.1. Deze eigen bijdrage wordt berekend door het Centraal Administratie Kantoor (CAK). Het CAK werkt met verzamelinkomens vanuit een peiljaar, welk jaar twee jaar voor het lopende jaar ligt. Dit is noodzakelijk om over de verzamelinkomens, die afkomstig zijn van de belastingdienst, te kunnen beschikken. In 2006 doet men aangifte over 2005, dus dat jaar is nog niet bekend. Vandaar dat het verzamelinkomen over 2004 in 2006 gebruikt wordt. Dit betekent dat er soms een voorlopige vaststelling zal plaatsvinden en achteraf een definitieve vaststelling. Het in mindering brengen van eigen bijdragen of een eigen aandeel zal daardoor vaak niet mogelijk zijn. Al deze activiteiten zullen door het CAK worden uitgevoerd. Verstrekking in natura. Wordt een voorziening niet als persoonsgebonden budget verstrekt, maar in natura, dan zal toekenning ook bij beschikking plaatsvinden. In de beschikking worden de voorwaarden opgenomen waaronder verstrekking plaatsvindt. Ook nu geldt dat een eventueel te betalen eigen bijdrage door de gemeente meestal slechts aangekondigd kan worden aangezien berekening en inning plaats zal vinden via het CAK. Hoofdstuk 2. Woonvoorzieningen. Artikel 4 Wmo spreekt van: “a. een huishouden te voeren;” , onder welke regel in de Verordening zowel wordt verstaan de woonvoorziening als de hulp bij het huishouden. 2.1. Uitsluitingen Voor alles zal bepaald moeten worden of één van de uitsluitingen van artikel 4.6 van de Verordening van toepassing is: “De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op het treffen van voorzieningen aan hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantiewoningen, recreatiewoningen, kamerverhuur en specifiek op gehandicapten en ouderen gerichte woongebouwen voor wat betreft voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten of voorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kunnen worden.” Door dit artikel zijn enerzijds alle woonsituaties die niet gericht zijn op een permanent zelfstandig hoofdverblijf uitgesloten. Anderzijds zijn uitgesloten situaties waarbij gezien de aard van het soort gebouw verondersteld mag worden dat bepaalde voorzieningen standaard aanwezig zijn. Is er sprake van één van deze mogelijkheden dan is afwijzing op voorhand mogelijk. 2.2. Vormen van woonvoorzieningen Artikel 4.1 Vormen van woonvoorzieningen. De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het voeren van een huishouden, te verstrekken woonvoorziening kan bestaan uit: een algemene woonvoorziening; een woonvoorziening in natura; een persoonsgebonden budget te besteden aan een woonvoorziening; een financiële tegemoetkoming in de kosten van een woonvoorziening. Onder verstrekkingsmogelijkheden kunnen de volgende concrete voorzieningen vallen: * een tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten; * een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening; * een niet-bouwkundige of niet-woontechnische woonvoorziening; * een uitraasruimte. Primaat verhuizing. Artikel 4.4 van de Verordening regelt het primaat van de verhuizing. Dat wil zeggen dat als vast staat dat een aanpassing noodzakelijk is, eerst beoordeeld wordt of verhuizing naar een reeds geheel aangepaste woning, of naar een goedkoper en gemakkelijker aan te passen woning een oplossing is die in aanmerking komt. In de Wvg-jurisprudentie is het hanteren van het primaat van de verhuizing op zichzelf geaccepteerd door de Centrale Raad van Beroep. Onder de Wmo zal dan ook van deze mogelijkheid gebruik worden gemaakt ter compensatie van woonproblemen. In feite gaat het bij het hanteren van het primaat van de verhuizing om een uitwerking van het principe dat wordt gekozen voor de goedkoopst-adequate oplossing. Er zijn echter wel grenzen aan het hanteren van het primaat van de verhuizing, met name op het gebied van de woonlasten, het tijdsbestek waarbinnen een oplossing kan/moet worden gevonden en de verhouding tussen de besparing van de gemeente bij toepassing van het primaat en de negatieve gevolgen voor de aanvrager. In alle gevallen zal een goed gemotiveerd besluit moeten worden genomen, waarin alle relevante factoren, in onderling verband, worden afgewogen. Daarbij gaat het dus om factoren die spelen aan de kant van de gemeente en aan de kant van de belanghebbende. Als op verantwoorde wijze inhoud gegeven is aan toepassing van het primaat van de verhuizing, is daarmee een adequate oplossing geboden en heeft de gemeente aan haar compensatieverplichting voldaan. Het is niet mogelijk een uitputtend overzicht te geven van alle mogelijke afwegingsfactoren die een rol kunnen spelen, omdat elke situatie weer anders is. Wel wordt hieronder in grote lijnen een overzicht gegeven van een aantal vaak voorkomende factoren, die afhankelijk van de situatie, een rol kunnen spelen bij de besluitvorming. De snelheid waarmee het probleem kan worden gecompenseerd. De snelheid waarmee het woonprobleem kan worden opgelost speelt een rol in het afwegingsproces. In een aantal gevallen kan verhuizen het woonprobleem sneller oplossen, als er snel een geschikte aangepaste of eenvoudig aan te passen woning beschikbaar is. Het hele traject van het maken van een plan, het vragen van offertes, de uitvoering en keuring vervalt dan of speelt een minder belangrijke rol. Omgekeerd kan het ook zo zijn dat het aanpassen van een woning een snellere oplossing biedt als er niet binnen een bepaalde tijd een geschikte woning vrij komt. Uit de Wvg-jurisprudentie blijkt dat het essentieel is dat uit het indicatie-advies blijkt binnen welke medisch aanvaardbare termijn een oplossing gevonden moet zijn voor het woonprobleem. Rekening houden met sociale factoren Sociale omstandigheden waarmee het college rekening houdt zijn bijvoorbeeld de voorkeur van de gehandicapte, de binding van de gehandicapte met de huidige woonomgeving, de nabijheid van voor de gehandicapte belangrijke voorzieningen. Ook de waardering van de aanwezigheid van vrienden, kennissen en familie in de nabijheid van de woning van de gehandicapte kan een rol spelen in het afwegingsproces, met name in situaties waarin sprake is van mantelzorg. De aanwezigheid van mantelzorg die wordt verleend door mensen uit de directe omgeving van de woning kan het onacceptabel (niet adequaat) maken dat er verhuisd moet worden. De mantelzorg moet wel enige inhoud en volume hebben m.a.w. professionele hulp geheel of gedeeltelijk overbodig maken. Mantelzorg. De definitie van mantelzorg is in de WMO opgenomen in artikel 1, lid 1, onder b: mantelzorg: langdurige zorg die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende door personen uit diens directe omgeving, waarbij zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt; Mantelzorg heeft betrekking op zorg die nodig is als gevolg van beperkingen. Het gaat om vormen van zorg die ook professioneel verleend worden, namelijk op het gebied van schoonmaak-, verplegings- en verzorgingsactiviteiten. Het al dan niet aanwezig zijn van mantelzorg is moeilijk te objectiveren. Bij de beoordeling wordt o.a. gelet op: * de samenstelling van het huishouden (partner, kinderen), * waarvoor de hulp wordt verleend, * hoe frequent de hulp plaatsvindt, * wie de hulp verlenen en waar degenen wonen die mantelzorg verlenen. Let op: dat er sprake is van mantelzorg, betekent nog niet dat daarom toepassing van het primaat van verhuizen achterwege moet blijven. Toepassing van het primaat blijft achterwege als er sprake is van mantelzorg en als gevolg van de verhuizing de zorgrelatie verbroken zou worden, of de mantelzorger onevenredig zwaar belast wordt (denk aan: reistijd, reiskosten, opvang eigen kinderen e.d.). Het wordt niet redelijk gevonden een gezin in alle gevallen te laten verhuizen naar een flatwoning. Bij een woningaanpassing boven de primaat grens is een verhuizing naar een geschikte flatwoning een adequate oplossing wanneer er voor ieder kind in het gezin een aparte slaapkamer in de flatwoning is. De sociale omstandigheden moeten in het indicatie-onderzoek zoveel mogelijk geobjectiveerd worden. De sociale factor zal minder zwaar wegen in het voordeel van aanpassen, als dicht in de buurt van de huidige woning een geschikte of goedkoper aan te passen woning kan worden gevonden. Als de beoogde nieuwe woning dicht bij belangrijke voorzieningen, zoals winkels en werkplek is gelegen, kan dat de beslissing in het voordeel van verhuizen beïnvloeden, bijvoorbeeld omdat dan ook minder vervoersvoorzieningen nodig zijn. Als de aanvrager, diens partner of de ouders bij wie hij inwoont zijn werk "aan huis" heeft (eigen bedrijf), moeten de consequenties van verhuizing ook vanuit de bedrijfsmatige kant meegewogen te worden. Het is immers mogelijk dat de vestiging van het bedrijf op een andere, in commercieel opzicht minder aantrekkelijke, locatie negatieve gevolgen voor het inkomen uit eigen bedrijf kan hebben. Rekening houden met woonlasten en financiële draagkracht van de gehandicapte. Rekening houdend met eventuele mogelijkheden op het gebied, maakt het college een vergelijking tussen de woonlasten van de huidige en de mogelijke nieuwe woning. Alle relevante woonlasten moeten daarbij in aanmerking worden genomen. De financiële consequenties van verhuizen, zoals de woonlasten, moeten binnen de draagkracht van de gehandicapte passen. Er moet een vergelijking gemaakt worden tussen de woonlasten oud en nieuw. Uiteraard moet bij deze vergelijking rekening gehouden worden met de te ontvangen individuele huursubsidie. Passen de nieuwe woonlasten niet binnen de draagkracht van de gehandicapte, dan moet een keuze worden gemaakt tussen het verstrekken van een financiële tegemoetkoming om de kosten binnen de draagkracht te laten blijven en het primaat niet toe te passen. Uitgangspunt bij deze keuze is dat de goedkoopst adequate voorziening moet worden verstrekt. Daarbij wordt ervan uitgegaan van de kosten van de aanvullende tegemoetkoming over 10 jaren tegen het niveau van het eerste jaar. Als de aanvrager eigenaar van de woonruimte is, zal een verhuizing of woningaanpassing andere gevolgen met zich meebrengen dan wanneer deze de woning huurt. Het verhuizen vanuit een koopwoning heeft meer emotionele en financiële consequenties dan verhuizing vanuit een huurwoning. Bij het verkopen van een huis komen meer aspecten aan de orde dan bij het verlaten van een huurwoning. Een aantal aspecten zal pleiten voor het verkopen van de woning en verhuizen naar een huurwoning. Andere aspecten daarentegen zullen de balans naar het aanpassen van de eigen woning doen doorslaan. Een punt betreft de vraag in hoeverre vermogenswinsten of -verliezen optreden. Een eigenaar heeft doorgaans geld geleend en/of een hypotheek op het huis. Ook indien de aanvrager, al dan niet geheel op eigen kosten, veel aan de woning heeft verbeterd of aanpassingen heeft getroffen, ligt verhuizing soms minder voor de hand. Als de financiële situatie van een eigenaar van een woning, die gehandicapt raakt, door zijn handicap drastisch verandert (doorgaans brengt een handicap negatieve inkomensgevolgen met zich mee), kunnen moeilijkheden optreden met het opbrengen van de woonlasten van de eigen woning, en zal de aanvrager ook problemen hebben met verhuizen. Vergelijking aanpassingskosten huidige versus nieuwe woonruimte Het college maakt een kostenafweging tussen het aanpassen van de huidige woonruimte enerzijds en verhuizen (inclusief eventuele aanpassingskosten in de nieuwe woonruimte) anderzijds. Daarbij worden de volgende kosten in elk geval meegenomen in de overwegingen: Huidige en voorzienbare toekomstige aanpassingskosten van de reeds bewoonde woonruimte; de kosten van de financiële tegemoetkoming voor verhuiskosten de eventuele aanpassingskosten van de nieuwe woning; kosten van het eventueel vrijmaken van de woning een eventuele financiële tegemoetkoming voor huurderving. De eventuele aanpassingskosten van de nieuwe woning Als gevraagd wordt om een tegemoetkoming in de kosten van woningaanpassing wordt rekening houdend met artikel 7.3 van de Verordening advies ingewonnen bij het CIZ. Het CIZ geeft dan advies met betrekking tot alle aanpassingen die in/aan de woning noodzakelijk zijn om de woning volledig geschikt te maken. De kosten van de woningaanpassing worden bepaald overeenkomstig de in artikel 4.1,lid 2 genoemde bijlagen 1 en 2 het Besluit MO Dongen. Het totaal van de kosten van alle noodzakelijke aanpassingen is het gegeven dat gehanteerd wordt bij de afweging of het primaat van de verhuizing wordt toegepast. Eventuele voordelen die de gemeente bij leveranciers/aannemers heeft bedongen zijn voordelen voor de gemeente en worden dus niet op de kosten van de woningaanpassing ten gunste van de gehandicapte in mindering gebracht. Bepalen kosten op basis van nieuwe materialen. Bij het bepalen van de kosten van de woningaanpassing wordt uitgegaan van het gebruik van nieuwe materialen en bij de beslissing, over het al dan niet toekennen van een tegemoetkoming in de kosten van woningaanpassing, moet worden uitgegaan van deze berekening. Loonkosten / materiaalkosten Bij de definitieve vaststelling van de tegemoetkoming in de kosten van woningaanpassing worden alleen de loon en materiaalkosten vergoed waarvan de gehandicapte rekeningen kan overleggen. Woningaanpassing oude woning. Dat de gehandicapte een aantal noodzakelijke aanpassingen achterwege wil laten of zelf wil betalen om aan het primaat van de verhuizing of aan afwijzing en doorverwijzing te voorkomen, speelt geen rol bij de beslissing. In gevallen waarin de woning van de gehandicapte niet wordt aangepast, maar een financiële vergoeding in de verhuiskosten wordt verstrekt, worden in de oude woning geen aanpassingen meer aangebracht. Alleen in zeer schrijnende gevallen mag van deze regel worden afgeweken. Er moet dan wel sprake zijn van een situatie waarin de verhuizing niet bespoedigd kan worden. De kosten zijn het uitgangspunt bij deze afweging, maar ook andere factoren kunnen een rol spelen. De mogelijke gebruiksduur van de aanpassing. Er wordt ook rekening gehouden worden met het feit dat een aan te passen koopwoning naar alle waarschijnlijkheid minder makkelijk kans heeft om voor hergebruik in aanmerking te komen. De gemeente heeft geen instrument om de woning vrij te krijgen; Het zal niet zo eenvoudig zijn om een geschikte kandidaat voor die woning te vinden, die zowel financieel als ergonomisch gezien geschikt is voor de betreffende woonruimte. Consequentie hiervan zal zijn dat eigen woningen meestal voor één enkele belanghebbende aangepast worden. Aanpassingen aan sociale huurwoningen zijn vaker opnieuw in te zetten dan aanpassingen aan koopwoningen, omdat deze huurwoningen opnieuw kunnen worden verhuurd aan personen met een beperking, waardoor de gebruiksduur van de aanpassing wordt verlengd. Dit speelt in de afweging dan ook een rol van belang. Ook de medische prognose speelt in dit verband een rol. Indien vaststaat dat iemands toestand naar verwachting zodanig zal verslechteren, en dat als gevolg daarvan de aanpassing slechts voor beperkte tijd zal volstaan, kan dat gegeven een rol spelen in de afweging tussen verhuizing en aanpassen. Als de bovenomschreven afweging in het voordeel van verhuizing uitvalt en de klant geen gebruik maakt van de mogelijkheid die artikel 4.3, lid 5 van de verordening biedt, is die wens van de aanvrager om niet te verhuizen niet meer doorslaggevend. Dat heeft gevolgen voor het weigeren van aangeboden geschikte woningen. Na weigering van een geschikte woning beoordeelt het college of er van uit kan worden gegaan dat voldoende is gedaan om een compenserende oplossing te bieden. Dit wordt afgemeten aan de oorzaak voor het weigeren. Na het afwegen van deze factoren kan een beslissing worden genomen over het al dan niet hanteren van het primaat van de verhuizing. Een financiële tegemoetkoming in verhuis- en herinrichtingskosten Valt die afweging uit in het voordeel van verhuizing, dan gaat de verhuiskostenvergoeding een rol spelen. Een financiële tegemoetkoming in verhuis- en herinrichtingskosten wordt verstrekt in de vorm van forfaitair bedrag. Dit is in drie situaties mogelijk: De aanvrager gaat vanwege problemen met het normale gebruik van de woning verhuizen naar een adequate woning; De aanvrager vraagt een woonvoorziening aan in de vorm van een woningaanpassing, maar na onderzoek blijkt verhuizing de goedkoopst adequate oplossing te zijn voor het woonprobleem. Ook mogelijk is dat de betreffende woning niet kan worden aangepast; Voor het vrijmaken van een aangepaste woning door een persoon die in een aangepaste woning woont. Een financiële tegemoetkoming in de kosten van verhuis- en herinrichtingskosten is bedoeld als goedkoopst-adequaat alternatief voor een dure woningaanpassing in gevallen waarin die verhuizing niet algemeen gebruikelijk is. Verhuizingen wegens gezinsuitbreiding of om als jongvolwassene zelfstandig te gaan wonen zijn in beginsel algemeen gebruikelijk. Het komt voor dat ouders tijdelijk inwonen bij hun kinderen, omdat zij ten gevolge van ziekte of gebrek niet meer in hun eigen woning konden blijven wonen. Als en het bij de aanvang van de inwoning uitdrukkelijk de bedoeling was dat de ouders weer zelfstandig zouden gaan wonen zo gauw er een geschikte woning beschikbaar zou komen, dan worden de ouders geacht te verhuizen vanuit zelfstandige woonruimte. Voor verhuizingen naar AWBZ-instellingen of andere zorginstellingen wordt geen financiële tegemoetkoming verstrekt, evenmin voor verhuizingen naar woningen die niet geschikt of bestemd zijn voor permanente bewoning, zoals in artikel 4.10, aanhef en onder e van de Verordening wordt bepaald. Een verhuis- en herinrichtingskostenvergoeding kan verstrekt worden wanneer er sprake is van ondervonden belemmeringen bij het normale gebruik van de woning, die door middel van een verhuizing op de goedkoopst-adequate kunnen worden opgelost. Deze eis wordt niet gesteld als het gaat om een verhuizing naar een ADL-woning en evenmin in situaties waarin het gaat om een persoon buiten de Wmo-doelgroep een aangepaste woning te laten vrijmaken. Alleen als het vrijmaken van de woning op verzoek van het college gebeurt, is er aanspraak op een persoonsgebonden budget voor verhuis- en herinrichtingskosten Het college verstrekt in beginsel geen financiële tegemoetkoming voor verhuizing en herinrichting, indien de verhuizing heeft plaatsgevonden voordat op de aanvraag is beschikt, tenzij achteraf alsnog kan worden vastgesteld dat er problemen bij het normale gebruik van de woning werden ondervonden in de verlaten woning. Als dat laatste niet meer kan, is dat reden voor afwijzing. De aanvraag voor tegemoetkoming in verhuis- en inrichtingskosten moet dus ingediend zijn voordat de verhuizing plaatsvindt. Als peildatum geldt de datum dat het huurcontract van de oude woning eindigt. Wanneer blijkt dat de aanvraag achteraf gedaan is en dus afgewezen zou moeten worden dient in het kader van zorgvuldigheid altijd contact opgenomen te worden met de cliënt. Er moet dan nagegaan worden wat de reden is van de late aanvraag. In heel bijzondere gevallen kan op basis van de hardheidsclausule een uitzondering worden gemaakt bijv. bij plotselinge ziekenhuisopname, maar niet bij het niet bekend zijn met de regeling, vakantie, onvoorziene afwezigheid e.d. Pas als je van mening bent dat er reden is om de hardheidsclausule toe te passen, ga je advies aanvragen over de noodzaak van de voorziening. Bemiddeling naar zwaar aangepaste woningen De gemeente en de corporaties hebben afspraken gemaakt over bemiddeling van gehandicapten naar zwaar aangepaste woningen. De gehandicapte die een zwaar aangepaste woning nodig heeft wordt op een bemiddelingslijst geplaatst. Uitgangspunt is dat de gehandicapte binnen 6 maanden na de datum waarop hij de beschikking heeft ontvangen een geschikte woning krijgt aangeboden. De gehandicapte die een geschikte woning weigert, blijft op de lijst staan. De overschrijding van de 6 maanden termijn (de “redelijke termijn” waarnaar hierboven wordt verwezen), wordt de gehandicapte aangerekend. Primaat losse woonunit. Komt verhuizing niet in aanmerking, dan zal beoordeeld moeten worden welke aanpassingen noodzakelijk zijn. Hierbij geeft de Verordening nog een tweede primaat aan, te weten het primaat van de losse woonunit (artikel 4.5): “Indien een bouwkundige woonvoorziening bestaat uit een aanbouw aan of een aanzienlijke verbouwing van een woning die niet het eigendom is van een verhuurder, die bereid is de aangepaste woning blijvend ter beschikking te stellen van personen die op basis van aantoonbare beperkingen ten gevolge van ziekte of gebrek behoefte hebben aan een dergelijke woning, zal het college een herplaatsbare losse woonunit verstrekken indien daartegen geen bezwaren van overwegende aard bestaan.” Dit primaat heeft een plaats gekregen om te voorkomen dat grote bedragen over een gering aantal jaren afgeschreven moet worden: na aanpassing van een eigen woning is de kans op hergebruik immers gering. Om van dit primaat gebruik te kunnen maken moet uiteraard de mogelijkheid tot het plaatsen van een losse unit bestaan, bijvoorbeeld doordat er voldoende ruimte is. Daarbij zal het meestal zo zijn dat als er voldoende ruimte is voor het plaatsen van een losse unit als er ook ruimte is voor het plaatsen van een aanbouw. Ook op dit punt geldt dat de wens van betrokkene een aanbouw te realiseren niet doorslaggevend is: een aanbouw is niet herbruikbaar, een losse unit wel. Het programma van eisen zoals dat geldt voor een aanbouw kan gebruikt worden voor een losse woonunit. Het is daarbij van belang in de beschikking vast te leggen dat – als de unit niet meer nodig is – dit aan de gemeente gemeld dient te worden. De gemeente kan er dan zorg voor dragen dat de unit verwijderd wordt en de woning in de oude staat wordt teruggebracht. Deze kosten maken onderdeel uit van de verstrekking van een losse woonunit. Is een losse unit niet mogelijk, of is de aanpassing niet zodanig dat deze afweging gemaakt moet worden, dan kan de stap naar de al dan niet bouwkundige aanpassing worden gemaakt. Aanpassen. Overige (bouwkundige) voorzieningen. De aanpassing moet allereerst het normale gebruik van de woning betreffen. Het normale gebruik van de woning omvat de elementaire woonfuncties, dat zijn de activiteiten die de gemiddelde Nederlander in zijn woning in elk geval verricht. Het gaat daarbij om slapen, lichaamsreiniging, toiletgang, het bereiden en consumeren van voedsel, het zich horizontaal en verticaal verplaatsen in de woning. Voor kinderen komt daar bij het veilig kunnen spelen de woonruimte. Het feit dat alleen problemen bij het normale gebruik van de woning worden gecompenseerd, houdt in dat geen rekening wordt gehouden met voorzieningen met een therapeutisch doel (bijvoorbeeld dialyseruimten, therapeutisch baden). Evenmin wordt er rekening gehouden met problemen die een incidenteel karakter hebben, dan wel voorzieningen die puur als noodvoorziening hebben te gelden (bijvoorbeeld incidenteel gebruikte en niet-essentiële onderdelen van de woning respectievelijk vluchtvoorzieningen of branddeuren). Ook ten behoeve van het gebruik van hobbyruimtes en studeerkamers worden geen compenserende woonvoorzieningen getroffen, aangezien het daarbij niet gaat om ruimten met een elementaire woonfunctie. Uitzondering op het beginsel dat woonvoorzieningen worden verstrekt ter compensatie van problemen bij het normale gebruik van de woning vormt de uitraaskamer. Deze voorziening heeft een specifiek doel, namelijk het tot rust doen komen van personen met een specifieke beperking. Bij een indicatiestelling voor woonvoorzieningen wordt integraal beoordeeld in hoeverre hulp bij het huishouden en AWBZ-functies kunnen voorzien in respectievelijk compensatie en oplossing van de ondervonden woonproblematiek. Verder wordt – conform de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep onder de Wvg- beoordeeld in hoeverre de problematiek kan worden opgelost door redelijkerwijs te vergen inspanningen van huisgenoten, inclusief het treffen van redelijkerwijs te vergen oppasmaatregelen van ouders. Verder wordt rekening gehouden met algemeen gebruikelijke oplossingen als een andere organisatie van taken en een herschikking van de inrichting dan wel wijziging van de opstelling van inrichtingselementen in de woning. 2.3. Beperkingen Hoofdverblijf. Artikel 4.7 van de Verordening bepaalt in lid 1: “Een woonvoorziening wordt slechts verleend indien de aanvrager zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woonruimte waaraan de voorziening wordt getroffen.” Het hoofdverblijf is de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de betrokkene zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft en in de gemeentelijke basisadministratie staat ingeschreven dan wel zal staan ingeschreven. Ook kan het gaan om het feitelijke adres, indien de betrokkene een briefadres heeft. De gemeente waar de woning staat heeft compensatieplicht, behalve in de situatie waarin de persoon uit de Wmo-doelgroep verhuist van de ene gemeente naar een andere gemeente. Een aanvraag voor een woonvoorziening in de vorm van een verhuiskostenvergoeding behoort dan tot de compensatieplicht van de vertrekgemeente. In uitzonderingssituaties is er sprake van twee hoofdverblijven. Daarbij moet worden gedacht aan gehandicapte kinderen van gescheiden ouders, die in co-ouderschap door beide ouders worden opgevoed en daadwerkelijk de ene helft van de tijd bij de ene ouder wonen en de andere helft van de tijd bij de andere ouder. Alleen in die situatie kunnen in beide ouderlijke woningen woonvoorzieningen getroffen worden, en niet in situaties waarin sprake is van bezoekregelingen. Als de woningen van de ouders in een dergelijke situatie in twee verschillende gemeenten zijn gesitueerd, rust de compensatieplicht alleen op de gemeente waar de woning van de betreffende ouder is gelegen. Artikel 4.7 biedt in de leden 2 tot en met 5 een uitzondering op deze hoofdregel: “In afwijking van het gestelde in het eerste lid kan een woonvoorziening getroffen worden voor het bezoekbaar maken van één woonruimte indien de aanvrager zijn hoofdverblijf heeft in een AWBZ-instelling. De aanvraag voor het bezoekbaar maken wordt ingediend in de gemeente waar de aan te passen woning staat. De woonvoorziening betreft slechts het bezoekbaar maken van de in het tweede lid bedoelde woonruimte met een door het college in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente vast te leggen maximumbedrag. Onder bezoekbaar maken wordt uitsluitend verstaan dat de aanvrager de woonruimte, de woonkamer en een toilet kan bereiken.” Deze afwijking is overgenomen uit de Wvg, waarin het zogenaamde bezoekbaar maken een bovenwettelijke voorziening was. Onder de Wmo is deze voorziening eveneens als bovenwettelijke voorziening in de modelverordening opgenomen, aangezien met invoering van de Wmo niet is beoogd het regime van de Wvg-woonvoorzieningen uit te breiden. Omdat het gaat om een bovenwettelijke bepaling betreft het uitsluitend de in lid 5 genoemde zaken, te weten het kunnen bereiken van de woonruimte, de woonkamer en een toilet. Bereiken moet daarbij letterlijk worden opgevat: het gaat niet om gebruiken maar om bereiken. Op zich mag dat merkwaardig lijken. Bedacht moet worden dat gebruiken vaak hoge kosten met zich meebrengt, wat niet past bij een bovenwettelijke taak. Overige beperkingen woonvoorzieningen. Als het gaat om woonvoorzieningen zijn er nog een aantal beperkingen, zoals in de Verordening vastgelegd in artikel 4.10: de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van belemmeringen bij het normale gebruik van de woning ten gevolg van ziekte of gebrek geen aanleiding bestond en er geen andere belangrijke reden aanwezig was; de aanvrager niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment beschikbare meest geschikte woning, tenzij daarvoor tevoren schriftelijk toestemming is verleend door het college; deze betrekking heeft op voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten anders dan automatische deuropeners, hellingbanen en extra trapleuningen, het verbreden van toegangsdeuren, drempelhulpen of vlonders, opstelplaats voor een rolstoel bij de toegangsdeur van het woongebouw, de aanleg van een traplift, overige voorzieningen die door de gehandicapte noodzakelijkerwijs gebruikt worden om de normale woonfuncties uit te oefenen. de voorziening wordt aangevraagd op een moment dat op basis van leeftijd, gezinssituatie of woonsituatie te voorzien was dat deze voorziening noodzakelijk zou zijn en er geen sprake is van een onverwacht optredende noodzaak; de aanvrager voor het eerst zelfstandig gaat wonen, verhuisd is vanuit of naar een woonruime die niet geschikt is het gehele jaar door bewoond te worden, verhuisd is naar een AWBZ-instelling of een andere instelling gericht op het verstrekken van zorg, of er in de verlaten woonruimte geen problemen met het normale gebruik van de woning zijn ondervonden. De onder a genoemde beperking ziet vooral op situaties waarbij vanuit een aangepaste en geschikte woning verhuisd wordt naar een niet of minder aangepaste en geschikte woning. Deze verhuizingen van adequaat naar inadequaat kunnen alleen leiden tot aanpassingen als daar een belangrijke reden voor is. Daaronder kan verstaan worden het aannemen van een functie op een zodanige afstand dat verhuizen noodzakelijk is, de situatie na een echtscheiding waarbij de aangepaste woning niet meer bewoond kan blijven worden enz. In deze uitzonderingssituaties mag verwacht worden dat de aanvrager tevoren contact opneemt met de gemeente, zodat de gemeente mee kan bepalen wat de goedkoopst-adequate oplossing is. Onder b wordt aangegeven dat (uiteraard) bij verhuizing gezocht wordt naar de meest geschikte woning, gezien de omstandigheden van betrokkene. Dat betekent dat als er een keuze is tussen een geschikte en een (minder) niet geschikte woning, gekozen dient te worden voor de geschikte woning. Gebeurt dat niet, dan zal dat aanleiding zijn tot afwijzing. Daarbij kan meegewogen worden of tevoren overleg heeft plaatsgevonden. Ook kan rekening gehouden worden met kennis die een gemeente heeft van op enig moment beschikbare geschikte woningen. Aanpassingen aan gemeenschappelijke ruimten kunnen, zo blijkt uit de jurisprudentie, gelimiteerd worden. Dit uitgangspunt is onder punt c vastgelegd. Andere dan de limitatief opgesomde voorzieningen hoeven niet te worden verstrekt. Het laatste punt, onder e, tenslotte, is bij de verhuiskostenvergoeding al besproken. 2.4. Overige woonvoorzieningen Uitbreiding van ruimten Als het gaat om uitbreiding van ruimten worden de maxima aangehouden die genoemd worden in bijlage 2 van het Besluit wmo, tenzij medische noodzaak een ander maximum vergt. Uiteraard dient dat door een arts van CIZ aangegeven te worden. Bouwkundige en niet-bouwkundige voorzieningen. Of de cliënt in aanmerking komt voor een losse (roerende) of een vaste (onroerende) woonvoorziening, hangt af van de bouwkundige situatie van de woning en van de ondervonden beperkingen en belemmeringen. Het gaat bij losse woonvoorzieningen bijvoorbeeld om tilliften, badliften, douche/toiletstoelen, douchestretchers, badtransfer-planken. Waar mogelijk zal uit oogpunt van herbruikbaarheid gekozen worden voor verstrekking van losse woonvoorzieningen. Zoals al vermeld gaat het hier niet om inrichtingselementen. De losse woonvoorziening moet voorzien in een oplossing voor een elementaire woonfunctie, die eventueel ook kan worden geboden middels een bouwkundige voorziening. Meestal zal de losse voorziening een goedkoop en adequaat alternatief zijn voor een vast voorziening. Een voorbeeld: in plaats van een vaste plafondlift als transferhulpmiddel kan ook een losse tillift worden verstrekt of een transferplank. Ook zal bij voorkeur met losse voorzieningen worden gewerkt in situaties waarin mensen wachten op opname in een zorginstelling of in andere situaties waarin de voorziening langdurig noodzakelijk is, maar waarin de verstrekking van vaste woonvoorzieningen als risico met zich meebrengt dat deze voorziening op zichzelf niet efficiënt is. Voorbeelden zijn terminale situaties, maar ook situaties waarin mensen die in een slooppand wonen. Woningsanering in verband met CARA Financiële tegemoetkoming voor woningsanering Men kan in aanmerking komen voor een financiële tegemoetkoming voor woningsanering die als gevolg van allergie, astma of chronische bronchitis (CARA) noodzakelijk zijn. Sanering is slechts mogelijk als een duidelijke diagnose is gesteld door de huisarts of de longarts. De noodzaak voor het verstrekken van een vergoeding, wordt mede in relatie tot het levenspatroon en leefregels, de gehele woninginrichting en ventilatiemogelijkheden en -gedrag bepaald. Het college kan hierover advies vragen eventueel met inschakeling van een gespecialiseerde CARA-verpleegkundige. Verwacht wordt dat de betrokkene zich in het vervolg bij de aanschaf van nieuwe materialen aan het programma van eisen voor de woninginrichting zal houden. Ook mag verwacht worden dat betrokkenen zelf maatregelen treft ter voorkoming van CARA-klachten. In de regel kan een vergoeding worden verstrekt indien: de aanvrager bij de aanschaf niet van tevoren had kunnen weten dat CARA zou ontstaan/verergeren; vervanging van het artikel medisch gezien op zeer korte termijn noodzakelijk is. Geen vergoeding wordt verstrekt indien: -het treffen van een voorziening niet tot verbetering van de situatie van de cliënt leidt; -de cliënt bij aanschaf van het artikel redelijkerwijs had kunnen weten dat hij overgevoelig op bepaalde stoffen reageert. De woningsanering betreft in de regel het vervangen van tapijt in het slaapvertrek. De woonkamer kan ook worden gesaneerd indien de aanvrager jonger is dan vier jaar. Afschrijvingstermijn Een vergoeding wordt alleen verstrekt in die gevallen dat de betreffende te vervangen stoffering nog niet is afgeschreven. De hoogte van de vergoeding is geregeld in het Besluit MO Dongen artikel 4.3 Indien een artikel is afgeschreven (in de regel na 8 jaar) wordt geen financiële tegemoetkoming verleend. Hetzelfde geldt bij verhuizing, omdat bij verhuizing de woning opnieuw moet worden ingericht en dan rekening kan worden gehouden met de ondervonden klachten. Uitbetaling woningsanering. Wanneer een cliënt een tegemoetkoming wordt toegekend in de kosten van woningsanering, wordt normaliter pas betaald na overleg van de nota. Als de consulent van mening is dat de cliënt het toegekende bedrag niet voor kan schieten wordt als volgt gehandeld: - er wordt overgegaan tot uitbetaling van de vergoeding op basis van de orderbevestiging (het bewijs dat cliënt de bestelling heeft gedaan); - er wordt een hercontrole gepland om te controleren of cliënt zich aan de voorwaarde heeft gehouden. - eventueel wordt het besluit tot het verlenen van de voorziening ingetrokken en het verstrekte bedrag teruggevorderd. (art. 7.8/ 7.9). De uitraasruimte. De uitraasruimte was voorheen, onder de Wvg, omschreven in de wet zelf, maar is onder de Wmo omschreven in de verordening. Artikel 4.3, aanhef en onder d luidt dan ook: “De in artikel 4.1 onder b., c. en d. genoemde voorzieningen kunnen bestaan uit: (……) d.een uitraasruimte.” Het gaat om een ruimte die alleen ten behoeve van de persoon met een aantoonbare gedragsstoornis noodzakelijk is, om hem/haar tot rust te doen komen. Dit vloeit ook voort uit de algemene beperking dat individuele Wmo-voorzieningen in hoofdzaak op het individu gericht zijn. De uitraasruimte is dus uitdrukkelijk niet bedoeld om overlast voor huisgenoten te beperken, hoewel dat wel een mogelijk neveneffect kan zijn van verstrekking. Met het oog op de beperking, de gedragsstoornis met ernstig ontremd gedrag tot gevolg, zal de ruimte in de regel beperkt van omvang zijn. Aanwezige voorzieningen zijn gericht op het doel van de uitraaskamer, het tot rust laten komen. Doorgaans zal de ruimte daarom prikkelarm en veilig moeten zijn, en tevens zijn uitgerust met voorzieningen die toezicht mogelijk maken. Voor zover dat geen technische apparatuur is kan dat onder de voorziening vallen. Op basis van deskundigenadvies (met name een advies van een onafhankelijk psycholoog of orthopedagoog kan van belang zijn) zal op individuele basis worden vastgesteld aan welke eisen de uitraasruimte moet voldoen. Waar mogelijk zullen bestaande ruimten worden aangepast, bijvoorbeeld de slaapkamer van de persoon voor wie de uitraaskamer nodig is. 2.5. Procedure bij bouwkundige aanpassing. Procedure aanvraag woningaanpassing 1 Vaststellen programma van eisen Nadat de aanvraag is ingediend wordt een indicatie gesteld, waarbij een gemeentelijke functionaris met ergonomische, sociale en/of bouwtechnische deskundigheid of een externe adviseur een programma van eisen voor de goedkoopst adequate woningaanpassing opstelt. De gemeente vraagt op basis van dat programma van eisen een offerte bij Diamant-groep op. 2 Het college beoordeelt welke offerte de goedkoopst adequate oplossing biedt. De gemeente beoordeelt of de bouwofferte in aanmerking komt voor het verlenen van een financiële tegemoetkoming of als basis geldt voor het vaststellen van het PGB. 3 Het college geeft toestemming Het college geeft vervolgens toestemming voor de woningaanpassing, op voorwaarde dat niet reeds zonder toestemming een begin is gemaakt met de werkzaamheden waarop de voorziening in natura of het persoonsgebonden budget betrekking heeft. 4 Diamant-Groep voert uit Diamant-Groep is verantwoordelijk voor de uitvoering van de woningaanpassing conform het programma van eisen. 5 Het college controleert Het college verleent slechts een persoonsgebonden budget, een financiële tegemoetkoming voor een woningaanpassing of een voorziening in natura indien de door hen aangewezen personen toegang is verstrekt tot de woonruimte waar de woningaanpassing wordt verricht. Controle vindt in beide gevallen achteraf plaats. De genoemde personen moeten ook inzicht krijgen in bescheiden en tekeningen, welke betrekking hebben op de woningaanpassing en de gelegenheid krijgen de woningaanpassing te controleren. 6 Uitbetaling aan de woningeigenaar en gereedmelding De financiële tegemoetkoming wordt uitbetaald aan de woningeigenaar. Terstond na de voltooiing van de werkzaamheden, doch uiterlijk 12 maanden na het verlenen van toestemming voor het aanpassen van de woning, verklaart diegene aan wie de financiële tegemoetkoming wordt uitbetaald (de woningeigenaar) aan het college dat de bedoelde werkzaamheden zijn voltooid (de gereedmelding). Deze gereedmelding is tevens een verzoek om vaststelling en uitbetaling van de financiële tegemoetkoming. De gereedmelding gaat vergezeld van een verklaring dat bij het treffen van de voorziening is voldaan aan de voorwaarden waaronder het persoonsgebonden budget of de financiële tegemoetkoming is verleend. Diegene aan wie het persoonsgebonden budget of de financiële tegemoetkoming wordt uitbetaald, dient gedurende een periode van 5 jaar alle rekeningen en betalingsbewijzen met betrekking tot de werkzaamheden ter controle beschikbaar te houden. Voorwaarden voor verstrekking Pgb en uitbetaling financiële tegemoetkoming. Om te bewerkstelligen dat de woningaanpassing wordt uitgevoerd conform het programma van eisen en er aldus een adequate aanpassing wordt verstrekt is een aantal voorwaarden gesteld om de toegekende tegemoetkoming ook daadwerkelijk uit te betalen. De voorwaarden moeten ook middels de beschikking aan de aanvrager en eventueel aan de woningeigenaar, als die niet de aanvrager is, worden bekendgemaakt. Het zijn immers de voorwaarden waaraan het besluit is gebonden. De volgende voorwaarden zijn van toepassing: Er mag niet reeds voorafgaand aan de beschikking een begin worden gemaakt met de uitvoering van de werkzaamheden waarop de financiële tegemoetkoming betrekking heeft, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van het college; Aan door het college aangewezen personen wordt door de eigenaar of huurder toegang verstrekt tot de woonruimte waar de woningaanpassing wordt aangebracht; Aan de onder b. genoemde personen wordt inzicht wordt geboden in bescheiden en tekeningen, welke betrekking hebben op de woningaanpassing; Aan de onder b. genoemde personen wordt gelegenheid geboden tot het controleren van de woningaanpassing; Terstond na de voltooiing van de werkzaamheden doch uiterlijk binnen 12 maanden na het toekennen van de financiële tegemoetkoming verklaart de gerechtigde van de financiële tegemoetkoming aan het college dat de bedoelde werkzaamheden zijn vol¬tooid comform het programma van eisen (PvE); De gereedmelding is tevens een verzoek om vaststelling en uitbetaling van de financiële tegemoetkoming; De gereedmelding, gaat vergezeld van een verklaring dat bij het treffen van de voorzieningen is voldaan aan de voorwaarden waaronder de financiële tegemoetkoming is verleend. Alle rekeningen en betalingsbewijzen worden bijgevoegd. 2.7. Kosten van woningaanpassingen. De kosten die in het kader van een woningaanpassing in aanmerking kunnen worden genomen bij de vaststelling van (het persoonsgebonden budget

  1. of)de financiële tegemoetkoming worden genoemd in de bijlage 1 bij het Besluit MO Dongen : "Overzicht subsidiabele kostenposten woningaanpassingen" eventueel aangevuld met de genoemde kosten voor extra bouw-en grondkosten. 2.8. Opstalverzekering. Bij het vergroten van de woning wordt er van uitgegaan dat de eigenaar van de woning zijn opstalverzekering aan de hogere herbouwwaarde van de woning aanpast. 2.9 Kosten van keuring, reparatie en onderhoud van woonvoorzieningen De kosten van onderhoud, reparatie en herkeuring komen voor rekening van de woningeigenaar, tenzij in de bijlage waarnaar artikel 4.8 van het Besluit MO Dongen verwijst of hieronder anders is bepaald. In afwijking van deze regel heeft het college besloten om de kosten van onderhoud, keuring en reparatie van (trap)liften vergoeden. Verder komen de kosten van onderhoud en reparatie van automatische deuropeners die direct toegang geven tot de woning van de gehandicapte, en van hoog-laag keukens voor vergoeding in aanmerking. Ook reparatiekosten voor voorzieningen die aangebracht zijn in de algemene ruimten geldt dat deze voor vergoeding in aanmerking komen. Afwijking van de algemene regel is hier gerechtvaardigd omdat huiseigenaren en bewonersverenigingen de kosten van reparaties doorberekenen aan de gehandicapte, ook in gevallen waarin het defect niet aan de klant is te wijten. Onderhoud en reparaties aan aanbouwen en dergelijke wordt niet vergoed. RGSHG Onderhoud, herkeuring en reparatie van aanpassingen die zijn aangebracht vóór 1 april 1994 op grond van het Besluit Geldelijke Steun Huisvesting Gehandicapten dan wel de Regeling Geldelijke Steun Huisvesting Gehandicapten blijven onder de werking van de Verordening Wvg in aanmerking komen voor een vergoeding tot de bedragen, zoals die in het op het moment van aanvraag geldende Verstrekkingenbesluit zijn opgenomen. Als voor herkeuring, reparatie en onderhoud van een woonvoorziening een financiële tegemoetkoming wordt aangevraagd op basis van de Wvg moeten de volgende vragen worden beantwoord: Is sprake is van kosten waar elke willekeurige eigenaar zich voor geplaatst kan zien (algemeen gebruikelijk)? Is het antwoord bevestigend dan wordt geen vergoeding verstrekt. Bij een ontkennend antwoord volgt de vraag: Is sprake van meer dan normale kosten ten gevolge van het feit dat sprake is van een woonvoorziening in het kader van de Wvg. Luidt het antwoord nee, dan wordt geen vergoeding gegeven. Bij een bevestigend antwoord worden deze kosten vergoed. Bijzondere bijstand Het vergoeden van de kosten van onderhoud en reparatie van op grond van de Wvg verstrekte aanbouwen behoort niet tot de zorgplicht die de gemeente op grond van de Wvg heeft. Deze kosten zijn voor rekening van de woningeigenaar Als voor reparatie en onderhoud van een woonvoorziening die op grond van de Wvg zijn verstrekt bijzondere bijstand wordt aangevraagd, moeten bij de beoordeling van het verzoek de volgende vragen worden beantwoord: Is sprake is van kosten waar elke willekeurige eigenaar zich voor geplaatst kan zien? Is het antwoord bevestigend dan wordt geen bijzondere bijstand verstrekt. Bij een ontkennend antwoord volgt de vraag: Is sprake van meer dan normale kosten ten gevolge van het feit dat sprake is van een woonvoorziening in het kader van de Wvg. Luidt het antwoord nee, dan wordt geen bijzondere bijstand verstrekt. Bij een bevestigend antwoord dan kan in de kosten bijzondere bijstand worden verstrekt, mits aan alle overige eisen is voldaan. Als een eigenaar-bewoner deze kosten niet uit eigen middelen kan betalen kan hij een aanvraag voor bijzondere bijstand doen. Dit geldt ook voor de huurder-bewoner die de kosten voor eigen rekening moet nemen omdat de verhuurder ze niet wil betalen of ze geheel of gedeeltelijk doorberekend. AWBZ Met de invoering van het functiegerichte zorgaanspraken worden verzekerden niet meer voor een bepaalde categorie instelling geïndiceerd. De indicatiestelling richt zich op 7 functies: Huishoudelijke verzorging(opruimen, ramenlappen, maaltijd klaarmaken etc.) Persoonlijke verzorging (hulp bij douchen, huidverzorging, hulp bij toiletgang etc.) Verpleging (wondverzorging, medicijnen, zelf leren injecteren etc.) Ondersteunende begeleiding (hulp bij leren zorgen voor eigen huishouden etc.) Activerende begeleiding (gesprekken gericht op gedragsverandering, psychische problemen etc.) Behandeling (zorg bij aandoening, zoals bijv. revalideren na beroerte) Verblijf (verblijf in een instelling) De vraag of een woonvoorziening voor rekening komt van de gemeente of van de AWBZ kan het best beantwoord worden met behulp van de informatie met name de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep die Schulinck heeft opgenomen in het Handboek. Aanpassing ADL-woningen. Woningaanpassingen aan ADL-woningen moeten door de eigenaar worden aangevraagd bij het College voor Zorgverzekeringen (CvZ, art. 3 van de Regeling Ziekenfondsraad, subsidiëring ADL-cluster en ADL-assistentie 1996). Het gaat hier volgens de Toelichting om verruiming van de woning en extra bouwkundige werkzaamheden. Woonvoorzieningen die niet bouwkundig van aard zijn, zoals patiëntenliften (roerende), losse douche- of toiletstoelen, worden verstrekt op grond van de WMO. 2.10 Huurderving (art 4.9). Als een eigenaar een aangepaste woning leeg laat staan tot deze kan worden betrokken door iemand met een Wmo-/Wvg- indicatie, kunnen burgemeester en wethouders de eigenaar een tegemoetkoming voor de derving van de huur verstrekken. Er wordt alleen een vergoeding voor huurderving verstrekt in de volgende situaties: - een woning met een traplift, - een woning met een aanbouw met een natte cel en een slaapkamer op de begane grond, - een woning met een aangepaste keuken - een woning met een aangepaste natte cel waarbij de aanpassingen hoger zijn dan € 4537, - De eerste maand dat de woning leeg staat wordt geen tegemoetkoming van de huurderving verstrekt. Vanaf de tweede maand tot en met de zevende maand kan de woningeigenaar in aanmerking komen voor een tegemoetkoming in de kosten van huurderving. De duur van de huurderving is dus maximaal 6 maanden. De maximale tegemoetkoming is gelijk aan de kale huur vermeerderd met de subsidiabele servicekosten. De maximale tegemoetkoming is de maximale huur zoals bedoeld in de Wet op de huurtoeslag. Hoofdstuk 3. Het voeren van een huishouden, onderdeel hulp bij het huishouden 3.1. Inleiding. De hulp bij het huishouden is afkomstig uit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, waar de functie Huishoudelijke Verzorging één van de zeven functies was die onder de AWBZ vielen en uitgewerkt werden in het besluit zorgaanspraken AWBZ. Op 1 januari 2007 is deze functie uit de AWBZ geschrapt (artikel 41, lid 2 Wmo) en heeft de Wmo op basis van artikel 4 lid 1 onder a. deze functie overgenomen. Hierbij wordt gesproken over het “een huishouden te voeren” waaronder in de Verordening Wmo zowel hulp bij het huishouden wordt verstaan als de woonvoorzieningen uit de Wvg. Bij deze beleidsregels zijn twee bijlagen opgenomen die bij dit hoofdstuk horen: - Tijdelijke situaties overgangsrecht ex artikel 41 Wmo. - Handreiking normering hulp bij het huishouden 3.2. Mogelijke voorzieningen. Artikel 3.1 van de Verordening geeft een drietal mogelijk te verstrekken voorzieningen aan: a.een algemene voorziening waaronder algemene hulp bij het huishouden; hulp bij het huishouden in natura; b.een persoonsgebonden budget te besteden aan hulp bij het huishouden; c.hulp bij het huishouden in natura of door middel van een persoonsgebonden budget. Er dient allereerst te worden nagegaan of er sprake is van aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek. Die ziekte of dat gebrek kunnen liggen op de terreinen als vermeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5 en 6 van de Wmo: mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem. De vaststelling hiervan zal op objectieve wijze plaats moeten vinden en in het grote deel van de gevallen op basis van een medische beoordeling. In dat kader kan het noodzakelijk zijn medisch advies te vragen aan een medisch adviseur die daartoe de nodige deskundigheid bezit. Daarbij dient bijzondere aandacht te bestaan voor de zogenaamde medisch moeilijk te objectiveren aandoeningen (mmoa’s), waarbij gewaakt moet worden voor het verlenen van anti-revaliderende hulp. Daarnaast kan ook hulp bij het huishouden verstrekt worden in situaties dat de mantelzorg problemen heeft bij de uitvoering daarvan. In situaties dat die problemen (deels) opgelost kunnen worden door het toekennen van hulp bij het huishouden is dat een reden voor toekenning. Daarbij dient er van uitgegaan te worden dat de hulp bij het huishouden plaats vindt bij de hulpvrager, die de mantelzorg ontvangt, en niet bij de mantelzorger thuis, indien die een ander woonadres heeft als de hulpvrager. Is er sprake van aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek dan komt men in principe in aanmerking voor hulp bij het huishouden. 3.3. Gebruikelijke zorg en omvang hulp bij het huishouden Artikel 3.3. van de Verordening bepaalt dat, “als tot de leefeenheid waar deze persoon deel van uitmaakt een of meer huisgenoten behoren die wel in staat zijn het huishoudelijk werk te verrichten” men niet in aanmerking komt voor hulp bij het huishouden. Deze beperking heet “gebruikelijke zorg” . Dit is geheel overeenkomstig het besluit van de gemeenteraad om de Wmo beleidsarm in te voeren overgenomen uit de beleidsregels zoals het CIZ die hanteerde ten aanzien van de functie HV in de AWBZ tot de invoering van de WMO. Gebruikelijke zorg wil zeggen dat als de hulpvrager huisgenoten heeft die het huishoudelijk werk over kunnen nemen, zij verondersteld worden dit door een herverdeling van taken te doen, zodat er geen ruimte meer bestaat hulp bij het huishouden te indiceren. Dit principe is gebaseerd op de achterliggende gedachte dat een leefeenheid in gezamenlijkheid verantwoordelijk is voor het huishoudelijke werk. Dat betekent dat indien degene die gewend is het huishoudelijk werk te doen hiertoe niet meer in staat is, andere leden van de leefeenheid verondersteld worden dit over te nemen. Dit principe heeft een verplichtend karakter en betreft alle huisgenoten ouder dan 18 jaar. Vanaf 18 jaar wordt men verondersteld in verband met studie op kamers te kunnen wonen en een eenpersoonshuishouden te kunnen draaien. Vanaf 23 jaar wordt men verondersteld een volledig huishouden te kunnen draaien. Onder 18 jaar wordt men verondersteld te helpen bij het huishouden, zoals het bijhouden van de eigen kamer, het helpen dekken van de tafel, het helpen bij de afwas enz. Ook met deze activiteiten kan rekening gehouden worden bij de indicatie. Daarbij wordt er geen rekening mee gehouden of men het al dan niet wil of al dan niet gewend is te doen. In situaties dat personen uit de leefeenheid die nog nooit huishoudelijk werk hebben gedaan, dit niet kunnen, kan via een tijdelijke indicatie hulp geboden worden bij het aanleren hiervan. De taak wordt dan niet overgenomen maar via instructies gestuurd. Ook studie of werkzaamheden vormen in principe geen reden om van de gebruikelijke zorg af te zien. Immers, iedereen die werkt zal naast zijn werk het huishouden moeten doen of hier eigen oplossingen voor zoeken (zoals het inhuren van particuliere hulp). Dat geldt ook voor tweeverdieners. Ook ouderen die in staat zijn tot het verrichten van huishoudelijk werk vallen onder de gebruikelijke zorg. Een (zeer) hoge leeftijd kan in omstandigheden aanleiding te zijn niet te vragen het huishoudelijk werk aan te leren. Bij werkenden wordt geen rekening gehouden met zeer drukke werkzaamheden en (zeer) lange werkweken. Over het algemeen kan alleen rekening worden gehouden met personen die vanwege hun werkzaamheden langdurig van huis zijn. Daardoor zijn zij immers de facto niet in staat het huishoudelijk werk over te nemen. Maar in alle situaties dat daarbij sprake is van een eigen keuze, zal daar geen rekening mee worden gehouden. De afwezigheid moet een verplichtend karakter hebben. Het gaat te ver chauffeurs die op het buitenland reizen, medewerkers in de off-shore of marinemensen die maanden achtereen van huis zijn, te dwingen een andere functie te zoeken. Onder personen die lid zijn van de leefeenheid worden niet verstaan personen die een (pension)kamer huren. Het moet dan gaan om personen die in generlei familiebetrekking staan tot elkaar en er moet daadwerkelijk een huurovereenkomst liggen. In die situaties worden overigens de werkzaamheden ten aanzien van de huurder door de verhuurder als zijnde beroepsmatig niet geïndiceerd! Er zijn situaties die op een grensgebied liggen. Bij kloostergemeenschappen bijvoorbeeld is wel sprake van een leefeenheid, maar is over het algemeen een taakverdeling, die zich niet leent voor overname. In die situatie kan wel geïndiceerd worden voor bijvoorbeeld het schoonmaken van de eigen kamer indien met dit niet zelf meer kan. Gemeenschappelijke ruimten die kenmerkend voor kloosters zijn kunnen niet worden geïndiceerd omdat zij het niveau sociale woningbouw te boven gaan (bibliotheken, gebedsruimten, gemeenschapsruimten, refters) en behoren tot de eigen verantwoordelijkheid van de gemeenschap. Voor AWBZ-instellingen geldt dat huishoudelijke verzorging in de functie verblijf is opgenomen en dus niet geïndiceerd kan worden. Voor particuliere tehuizen die verzorging bieden geldt dat daar hulp bij het huishouden voor het eigen appartement of de eigen kamer geïndiceerd kan worden in zoverre de zorg niet door betrokkene wordt betaald. Dan gaat het immers om reeds aanwezige professionele zorg en is er geen tekort of probleem. Dit geldt ook voor door het tehuis verzorgde wasverzorging of maaltijdverzorging. Is er geen sprake van gebruikelijke zorg, dan dient de omvang van de hulp bij het huishouden te worden vastgesteld. Hiervoor moet bepaald worden welke activiteiten de hulpvrager zelf niet kan uitvoeren en welke normtijden hiervoor gelden. Er is, in navolging van de AWBZ gekozen voor normtijden, om een uitgangspunt te hebben voor de omvang van de verschillende taken die in het huishoudelijk werk verricht moeten worden. De in de bijlage aangegeven normtijden worden gehanteerd. Deze normtijden zijn afkomstig uit het protocol huishoudelijke verzorging van het CIZ en samengesteld in overleg met de landelijke koepel van thuiszorginstellingen. Normering door de gemeente is nodig om een uitgangspunt te hebben en eindeloze discussies te voorkomen over de benodigde tijd voor bepaalde activiteiten (zie bijlage). 3.4. Voorliggende voorzieningen. Bij al deze onderdelen geldt dat voorliggende voorzieningen voorgaan. Op basis van de hardheidsclausule kan in bijzondere situaties altijd – maar bij uitzondering – van deze regels worden afgeweken. Aan de hand van de normtijden zoals genoemd in de bijlage kan voor de individuele situatie worden bepaald hoeveel tijd noodzakelijk is. Afhankelijk van het systeem dat de gemeente heeft gekozen kan dan toegekend worden. In artikel 3.4 van de verordening is gekozen voor indeling in klassen. Bij toekenning in klassen wordt in principe de klasse toegekend waarbinnen het eindaantal uren valt. De toekenning is in principe, omdat er nog gekeken dient te worden naar voorliggende voorzieningen. Voorliggende voorzieningen, die altijd algemeen gebruikelijk zijn, kunnen gevonden worden in: kinderopvang (crèche, kinderdagverblijf, overblijfmogelijkheden op school, voor- of naschoolse opvang); oppascentrales; maaltijddiensten; hondenuitlaat-service; boodschappendiensten enz. De voorziening moet ter plaatse wel beschikbaar zijn. Is dat niet zo, dan is er geen sprake van een voorliggende voorziening. Niet relevant is of men gebruik wil maken van een voorliggende voorziening. Ook is in principe niet relevant welke kosten aan de voorliggende voorziening zijn verbonden, tenzij sprake zou kunnen zijn van een zogenaamd extreem laag inkomen als geldt bij het begrip algemeen gebruikelijk: een inkomen dat door kosten op grond van de ziekte of het probleem onder de bijstandsnorm uitkomt of dreigt uit te komen door deze kosten. Indien het gaat om zorg in natura, dan kan de toe te kennen hulp bij het huishouden bij beschikking worden toegekend en kan tevens doorgegeven worden aan de instelling die deze gaat verzorgen. De gemeente heeft drie zorgaanbieders geselecteerd. De klant kiest zelf door welke zorgaanbieder van wie hij de zorg wil ontvangen. Hierbij is relevant dat de instelling de inhoudelijke opbouw van de indicatie kent. Daardoor kan voorkomen worden dat activiteiten worden uitgevoerd waarvoor geen hulp is toegekend. Omdat sprake is van een eigen bijdrage moeten – indien daartoe is besloten – de benodigde gegevens worden doorgegeven aan het CAK, die deze eigen bijdragen int. Gaat het om een persoonsgebonden budget, dan kan, indien aan het gestelde in artikel 2.4 van de Verordening is of kan worden voldaan en er geen overwegende bezwaren bestaan artikel 1, lid 2 van het Besluit MO Dongen het persoonsgebonden budget bij beschikking worden toegekend en kan tot uitbetaling worden overgegaan. Het PGB voor de hulp bij het huishouden wordt bij vooruitbetaling per 4 weken uitbetaald; Ook in deze situatie dienen de benodigde gegevens voor het innen van de eigen bijdrage aan het CAK worden doorgegeven. Hoofdstuk 4 Lokaal verplaatsen per vervoermiddel Artikel 5.1 van de Verordening luidt: De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het zich lokaal verplaatsen te verstrekken voorziening kan bestaan uit: een collectief systeem van aanvullend al dan niet openbaar vervoer zoals nader geregeld in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Dongen; een vervoersvoorziening in natura of een persoonsgebonden budget te besteden aan een vervoersvoorziening; een financiële tegemoetkoming. 4.1 Vormen van vervoersvoorzieningen. Uit de artikelen 5.2 en 5.3 van de Verordening blijkt verder dat er een primaat ligt bij het collectief vervoer. Dat betekent dat bij het bestaan van vervoersproblemen altijd eerst gekeken wordt of het collectief vervoer daar een snelle en eenvoudige oplossing voor kan bieden. Is dit niet het geval dan komen andere voorzieningen in aanmerking. Primaat collectief vervoer. Ingevolge dit primaat komt een persoon die ten gevolge van ziekte of gebrek het openbaar vervoer niet kan bereiken of geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer allereerst – indien dit medisch mogelijk is – in aanmerking voor collectief vervoer. De uitdrukking ‘het openbaar vervoer niet kunnen bereiken of geen gebruik kunnen maken van het openbaar vervoer’ wordt door de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep geoperationaliseerd middels het loopafstands-criterium “maximale loopafstand 800 meter”. Kan men geen 800 meter zelfstandig, al dan niet met hulpmiddelen en in een redelijk tempo, afleggen dan wordt men verondersteld het openbaar vervoer niet te kunnen bereiken. Kan men dat wel, maar is het onmogelijk in het openbaar vervoer te komen, dan ook komt men voor vervoersvoorzieningen in aanmerking. Er ligt overigens geen letterlijke relatie met het openbaar vervoer. Het opheffen van een buslijn, waardoor een halte op grote(
  2. re)afstand komt te liggen, is geen aanleiding een vervoersvoorziening te verstrekken. Indien nog gefietst kan worden over grotere afstanden kan hier ook rekening mee worden gehouden. Komt men op grond van deze criteria voor een vervoersvoorziening in aanmerking, dan zijn er twee terreinen waarop vervoer mogelijk is. Het eerste terrein is het vervoer op de korte afstand, in de woonomgeving, het “loop” en “fietsvervoer”. Het tweede terrein is op wat langere afstand, de afstand waarvoor niet-gehandicapten het openbaar vervoer zouden kunnen nemen. Als op beide terreinen problemen bestaan moet op beide terreinen bekeken worden welke oplossingen noodzakelijk zijn. Alleen bij personen met een beperkte loopafstand (dat is een loopafstand tot maximaal 1000 meter) moet op beide terreinen een oplossing worden geboden. Wie problemen heeft op de afstanden gelijklopend met het openbaar vervoer komt op basis van artikel 5.2 van de Verordening in aanmerking voor collectief vervoer indien dit medisch gezien adequaat is. Dat zal het in zeer veel gevallen zijn: uit de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep blijkt dat alleen bij onbeheersbare incontinentie (hetgeen zelden voorkomt) of bij ernstige gedragsproblemen of in andere uitzonderlijke situaties collectief vervoer niet adequaat geacht moet worden. In bijna alle andere situaties is collectief vervoer de eerste voorziening die in aanmerking komt voor verstrekking. De Tweede Kamer heeft op 29 maart 2006 tijdens een Algemeen Overleg over het bovenregionaal vervoer Valys uitgesproken dat bij aanwezigheid van collectief vervoer geen persoonsgebonden budget hoeft te worden verstrekt aangezien het niet de bedoeling is het collectief vervoer in gevaar te brengen. Voor de voorzieningen die vergelijkbaar zijn met het openbaar vervoer, zoals het collectief vervoer, geldt dat uitsluitend rekening gehouden moet worden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving. Artikel 5.5 van de Verordening bepaalt hierover: Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt ten aanzien van de vervoersbehoefte ten behoeve van maatschappelijke participatie uitsluitend rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving in het kader van het leven van alledag, tenzij zich een uitzonderingssituatie voordoet waarbij het gaat om een bovenregionaal contact, dat uitsluitend door de aanvrager zelf bezocht kan worden, terwijl het bezoek voor de aanvrager noodzakelijk is om dreigende vereenzaming te voorkomen. De directe woon- en leefomgeving beslaat op grond van het gemeentelijk beleid een gebied van 5 zones (± 20
  3. km)vanaf het woonadres. Bovenregionaal vervoer zal in beginsel met inschakeling van Valys moeten worden gereden. Uitzondering daarop is het weekendvervoer. In het Besluit MO Dongen artikelen 5.4 en 5.5 en de daarbij behorende bijlagen 4 en 5 zijn de regels van het collectief vervoer en van het weekendvervoer opgenomen. Verplaatsingen buiten de directe woon- en leefomgeving (Strippen voor bovenregionaal vervoer) In bepaalde situaties zal op een verzoek voor een tegemoetkoming voor bovenregionaal vervoer een positief besluit moet volgen. Bij de beoordeling wordt aangesloten bij de criteria die de Centrale Raad van Beroep hanteert: De bovenregionale contacten moeten alleen door de gehandicapte in stand kunnen worden gehouden, met andere woorden: de "andere kant" moet niet in staat zijn de gehandicapte te bezoeken. Het moet niet mogelijk zijn het contact op andere wijze, bijv. telefonisch of per brief, in stand te houden. Het moet gaan om contacten die gezien de situatie van de gehandicapte zodanig zijn dat het niet kunnen onderhouden van de contacten leidt tot vereenzaming. Daarvoor is nodig dat betrokkene geen andere contacten in zijn directe woonomgeving heeft of dat hij een hele bijzondere band met de betreffende persoon heeft. Collectief vervoer niet adequaat of niet aanwezig Als collectief vervoer niet adequaat is of niet aanwezig is, zal een andere voorziening gekozen moeten worden. Het kan dan gaan om een voorziening in natura (een bruikleenauto, een auto-aanpassing, een gesloten buitenwagen) of een persoonsgebonden budget, als alternatief voor een voorziening in natura of een financiële tegemoetkoming bedoeld voor een zelf te regelen voorziening (autokostenvergoeding, taxikostenvergoeding, rolstoeltaxikostenvergoeding). Zie hiervoor het Besluit MO Dongen hoofdstuk 5. Hieronder is nog ingegaan op de autoaanpassing. Voor de verplaatsingen op de korte afstand 0 tot 1000 meter) of op de middellange afstand (1 tot 20 km)d kan gedacht worden aan een scootermobiel of een driewielfiets. Zie hieronder . De inkomensgrens De gemeente heeft in artikel 5.4 van de Verordening een inkomensgrens gesteld voor bepaalde vervoersvoorzieningen. In onze gemeente kunnen aanvragers met een inkomen boven 1,75 maal de van toepassing zijnde bijstandsnorm (zie Besluit MO Dongen artikel 5.2 en 5.3) bepaalde vervoersvoorzieningen niet krijgen. Het zijn dan de voorzieningen die de auto betreffen of voorzieningen die daaraan gelijk te stellen zijn. Dat is bijvoorbeeld de taxi. Ook in de AAW en Wvg gold een inkomensgrens waarboven geen aanspraak op vervoersvoorzieningen bestond. Boven deze grens worden de kosten van gebruik van een eigen auto algemeen gebruikelijk geacht, waarmee de gehandicapte wordt geacht deze vervoerskosten zelf te kunnen dragen. Aan de inkomensgrens ligt het uitgangspunt ten grondslag dat een iemand met een inkomen boven 1,5 maal het norminkomen geacht wordt de aan het rijden van een eigen auto verbonden kosten te kunnen dragen. (CRvB 96/2697 WVG). Voor personen in een AWBZ (gefinancierde) instelling leidt het hanteren van dit uitgangspunt echter tot een te grote financiële belasting. Daarom wordt ten aanzien van deze personen bij de beoordeling het volgende als uitgangspunt gehanteerd: een gehandicapte komt niet voor een vervoersvoorziening in aanmerking als hij op jaarbasis behalve over het voor hem gelden norminkomen voor een in een inrichting verblijvende persoon de vrije beschikking heeft over een meerinkomen van 12 maal het verschil tussen de norminkomen voor een alleenstaande en het anderhalf maal het norminkomen voor een alleenstaande. Vrije beschikking betekent in dit verband: inkomen minus AWBZ-bijdrage. Regeling voor personen met een specifieke vervoersindicatie De gehandicapte met een inkomen boven de inkomensgrens van 1,75 maal het norminkomen, die om die reden niet in aanmerking komt voor een collectieve vervoersvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning, maar die vanwege zijn handicap niet met het CVV kan reizen, omdat hij een (elektrische) rolstoel, scootermobiel, hulphond mee moet kunnen nemen, aangewezen is op een lage instap, voorin moet zitten, alleen moet reizen, voldoende beenruimte moet hebben, komt in aanmerking voor een Wmo-vervoerspas. Hij reist tegen het reguliere CVV-tarief van € 1,60 per strip. Hij betaalt voor de eerste zone € 3,20 en voor elke volgende € 1,60. De sociale begeleider en andere meereizende gezinsleden betalen dezelfde prijs per zone. Overgangsregeling De gehandicapte aan wie een collectieve vervoersvoorziening (Wmo-Regiotaxipas) op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning is toegekend en waarvan is gebleken dat hij een inkomen heeft boven de inkomensgrens van 1,75 maal het norminkomen, kan gedurende een overgangsperiode van 3 maanden, ingaande 1 september 2009, gebruik blijven maken van de collectieve vervoersvoorziening tegen het gereduceerde Wmo-tarief. Met ingang van 1 december 2009 wordt de Wmo-voorziening beëindigd. De beoordeling - hardheidsclausule Bij het toetsen van het inkomen van de gehandicapte mag niet elke ruimte ontbreken om in bijzondere omstandigheden rekening te houden met als gevolg van de handicap op het besteedbare inkomen drukkende kosten (CRvB 96/ 9555WVG). Bij het toepassen van de hardheidsclausule wordt als criterium gehanteerd dat het gaat om kosten die direct verband houden met de handicap. Alleen als strikte toepassen van de inkomensgrens tot onbillijkheden van overwegende aard leiden, is er reden om af te wijken van hetgeen in de verordening is bepaald. Vaststellen van het inkomen Bij het stellen van een inkomensgrens moet er duidelijkheid zijn over wat onder inkomen wordt verstaan. Artikel 5.4 van de Verordening gaat in op het standpunt van de gemeenten ten aanzien van de vraag of een vervoersvoorziening algemeen gebruikelijk is. Artikel 5.4 Algemeen gebruikelijke vervoersvoorzieningen Indien het inkomen van een ongehuwde persoon of het gezamenlijk inkomen van gehuwde personen meer bedraagt dan 1,75 maal in het Besluit maatschappelijke ondersteuning Dongen voor de diverse categorieën genoemde inkomensgrenzen, wordt het bezit van een personenauto algemeen gebruikelijk geacht, zodat een auto of een met een auto vergelijkbare voorziening en de daarmee samenhangende gebruiks- en onderhoudskosten niet in aanmerking komen voor verstrekking of vergoeding. Onder een met een auto vergelijkbare voorziening worden mede verstaan de collectieve vervoersvoorziening en het persoonsgebonden budget als bepaald in artikel 5.1 onder c van deze verordening. In het Besluit MO Dongen geeft in artikel 5.2 en 5.3 een uitwerking van de inkomensgrens. In het onderstaande worden richtlijnen gegeven over hoe het netto inkomen berekend moet worden. Wat wordt als inkomen aangemerkt? Bij berekening van het inkomen voor de inkomensgrens wordt uitgegaan van norm en inkomen exclusief vakantietoeslag, maar vindt een correctie plaats voor de vakantietoeslag omdat dat in het voordeel van de klant is. Bij het bepalen van de vraag of een bepaald inkomensbestanddeel al dan niet moet worden meegenomen in de berekening sluit de gemeente aan bij hetgeen hierover in de Wet werk en bijstand en het gemeentelijk beleid is opgenomen. (paragraaf 3.4 WWB), tenzij hieronder anders is vermeld. Inhoudingen ten behoeve van spaarloonregeling, derden, etc worden bijvoorbeeld gecorrigeerd en loon in natura, onderhuur, etc. in aanmerking genomen. Tot het inkomen worden ook de heffingskortingen gerekend bedoeld die in het kader van de WWB niet zijn vrijgelaten Hieronder wordt op een aantal bijzonderheden ingegaan: Algemene heffingskorting: Als de cliënt of de partner van cliënt geen inkomen heeft, heeft die persoon als hij/zij gehuwd of samenwonend en onder de 65 jaar is, recht op een algemene heffingskorting vanuit de belasting. Als de persoon deze heffingskorting niet ontvangt moet hij/zij dit aanvragen. De heffingskorting wordt altijd meegerekend als zijnde inkomen. Let op: Als een partner 65 jaar is en de andere nog niet, dan kan de jongste partner de Sociale Verzekeringsbank verzoeken om de Algemene heffingskorting maandelijks bij de AOW te betalen. Alimentatie: Wanneer cliënt alimentatie betaalt ten behoeve van kinderen en/of ex partner dan wordt dit niet van het inkomen afgetrokken. Wanneer cliënt alimentatie ontvangt voor kinderen en/of zichzelf wordt dit wèl bij het inkomen opgeteld; dit is immers inkomen. AWBZ/ AWBZ-afdracht Als niet duidelijk is hoeveel iemand die in een AWBZ-instelling verblijft aan de AWBZ afdraagt, kan contact opgenomen worden met het Zorgkantoor Midden-Brabant bellen (tel: 040-2975588). Dat bespaart veel hersteltermijnen! AWBZ/ Cliënten in een AWBZ (gefinancierde) instelling: Voor personen in een AWBZ (gefinancierde) instelling wordt bij de beoordeling van het inkomen het volgende als uitgangspunt gehanteerd: een gehandicapte komt niet voor een vervoersvoorziening in aanmerking als hij op jaarbasis behalve over het voor hem gelden norminkomen voor een in een inrichting verblijvende persoon de vrije beschikking heeft over een meerinkomen van 12 maal het verschil tussen het van toepassing zijnde norminkomen (bijstandsnorm) en anderhalf maal het norminkomen. . Vrije beschikking betekent in dit verband: inkomen minus AWBZ-bijdrage. Cliënt die jonger is dan 18 jaar en ongehuwd: Ten aanzien van de vaststelling van het inkomen van de gehandicapte jonger dan 18 jaar, wordt het gezamenlijk inkomen van de ouders van de gehandicapte of indien de gehandicapte een pleegkind is, het gezamenlijk inkomen van de pleegouders, in aanmerking genomen. De pleegouders moeten dan wel de gehandicapte als een eigen kind opvoeden en onderhouden. Indien door de pleegouders een pleegkindvergoeding wordt ontvangen kan dus geen rekening worden gehouden met het inkomen van de pleegouders. In die situatie kan in principe wel het inkomen van de ouders in aanmerking worden genomen. Indien de gehandicapte jonger dan 18 jaar verblijft bij één van de ouders en deze ouder is inmiddels (opnieuw) gehuwd of voert een gezamenlijke huishouding met een andere partner, kan wettelijk toch slechts worden uitgegaan van het inkomen van de ouders. Alimentatie die voor een kind wordt ontvangen wordt, wordt aangemerkt als inkomen van de ouder die het ontvangt. Doeluitkering Een doeluitkering is een tegemoetkoming waar specifieke kosten tegenover staan zoals bv een UWV-uitkering voor huishoudelijke hulp, waarvoor een hulp wordt ingehuurd. Als de cliënt een doeluitkering ontvangt dan wordt deze niet bij het inkomen geteld. Kloosterlingen Bij kloosterlingen hoeft geen rente te worden opgevraagd; hun vermogen is op een gezamenlijke rekening van het klooster ondergebracht en niet per persoon te specificeren. Nabetalingen/eenmalige betalingen Op salarisstroken komen soms eenmalige (na)betalingen voor. Deze worden niet als inkomen meegeteld. Netto inkomen Bij de rekeningen wordt uitgegaan van het netto inkomen van de cliënt. Cliënten moeten het NETTO inkomen overleggen. Volgens de Regeling behoort het genormeerde vakantiegeld tot het inkomen. De gemeente laat de vakantietoeslag buiten beschouwing bij het berekenen van de draagkracht. Bij het bepalen van het al dan niet overschrijden van de inkomensgrens wordt wel rekening gehouden met de vakantietoeslag. Inkomen uit arbeid: bij inkomen uit arbeid moet een salarisspecificatie worden overgelegd. Inhoudingen op het netto loon voor bijvoorbeeld eigen bijdrage vervoer, inhouding personeelsvereniging of kantine, èn doorbetaling aan derden (voor huur, nutsvoorzieningen ziektekostenverzekering, nominale premie), behoren tot het inkomen en dienen als zodanig te worden meegeteld. Negatieve rente wordt niet gezien als negatief inkomen. Voor het bepalen van de hoogte van het netto inkomen bij een Wvg-cliënt die spaarloon ontvangt, wordt voor het bepalen van de hoogte van het netto inkomen, het netto loon opgehoogd met 60% van het maandelijks spaarbedrag. Overwerk Als op een loonstrook overwerk staat vermeld, dan moet bepaald worden of dit incidenteel of structureel van aard is. In sommige beroepen als b.v. vrachtwagenchauffeur en medewerker agrarisch loonbedrijf, wordt structureel overgewerkt en dienen de inkomsten hieruit te worden meegeteld. Als het incidenteel overwerk betreft, dan telt het inkomen hieruit niet mee. Om een beeld van het overwerk te vormen dient de cliënt salarisstroken van 12 maanden te overleggen. Bij de berekening het gemiddelde overwerk afzetten tegen de norm over dezelfde periode (dus niet van een ander jaar). Peildatum Het inkomen wordt afgezet tegen norm, geldend op het moment van aanvraag. PGB (Persoonsgebonden budget): Als er sprake is van inkomen uit PGB wordt dit niet aangemerkt als inkomen, tenzij de uitvoering van de diensten plaatsvindt door de partner van cliënt WAO/Wajong Soms ontvangen personen met een uitkering ingevolge WAO of Wajong een aanvulling vanuit de UWV. Als deze aanvulling wordt verstrekt voor extra kosten die de gehandicapte moet maken door zijn handicap, dan wordt deze niet als inkomen meegeteld. Het betreft dan immers een doeluitkering, waar kosten tegenover staan. Dit kan gecontroleerd worden door navraag bij het UWV. Zelfstandige Om het inkomen van een zelfstandige te herleiden naar een netto jaarloon moet de cliënt zijn meest recente winst- en verliesrekening overleggen. Deze gegevens worden met behulp van de regels in het kader van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen herleid tot een netto jaarinkomen. 4.2.Doel van het vervoer: in beginsel alleen sociaal vervoer in de eigen woon – of leefomgeving. Het leven van alledag in de directe woon- of leefomgeving. De compensatieplicht voor vervoer is in beginsel gericht op het sociaal vervoer, ook wel “vervoer in het kader van het leven van alledag in de directe woon- of leefomgeving” genoemd. Het gaat in de Wmo in beginsel om verplaatsingen die de gemiddelde Nederlander in zijn/haar eigen woonomgeving maakt, zoals vervoer om boodschappen te doen, vrienden en familie te bezoeken, vervoer naar clubs en sociaal-culturele instellingen. Voorzieningen die worden aangevraagd om zich buiten de eigen leefomgeving te kunnen verplaatsen of om voorzieningen mee te nemen, zoals aanhangers en oprijplaten voor het meenemen van scootermobielen of een meeneembare scootermobiel, vallen dan ook niet onder de compensatieplicht. Recreatieve verplaatsingen kunnen deel uitmaken van het dagelijkse patroon van het leven van alledag. In dat geval wordt met het treffen van een Wmo-vervoersvoorziening ook met deze bestemmingen rekening gehouden. Een vervoersvoorziening die uitsluitend wordt aangevraagd met het oog op recreatie en ontspanning, wordt echter niet in het kader van de Wmo verstrekt. Te denken valt hierbij aan bewoners van een AWBZ-instelling die de voorziening uitsluitend aanvragen om het vervoer van het jaarlijkse uitje te kunnen bekostigen/regelen. Onder de Wvg is een uitgebreide jurisprudentie ontstaan uit zaken die handelden om het doel van het vervoer. Deze jurisprudentie behoudt zijn betekenis onder de Wmo en fungeert dan ook als kader voor de Wmo-compensatieplicht. Vervoer in verband met werk Bij de beoordeling van aanspraken op vervoersvoorzieningen wordt geen rekening gehouden met vervoersbehoefte in verband met werk. Voor mensen die in dienstbetrekking werken en mogelijk voor zelfstandigen zijn er voorliggende voorzieningen, zoals de voormalige Wet-Rea-voorzieningen die zijn overgeheveld naar WAO/WIA, Wajong, Waz en ZW. Deze regelingen worden uitgevoerd door het UWV. Werknemers die werkzaam zijn in de sociale werkvoorzieningen (Wsw) kunnen voor woon-werkverkeer op basis van de CAO-Wsw een beroep doen op hun werkgever. Vervoer in verband met vrijwilligerswerk Ook (extra) vervoersbehoefte in verband met vrijwilligerswerk is geen aanleiding voor verstrekking van vervoersvoorzieningen, zo heeft de Centrale Raad van Beroep bepaald. De Centrale Raad gaat er van uit dat vervoerskosten betaald kunnen worden door de organisatie waarvoor het vrijwilligerswerk verricht wordt. Vervoer in verband met therapie, dagbehandeling/dagopvang of bezoek aan medische behandelaars Vervoer van en naar medische behandelaars viel niet onder de Wvg en valt evenmin onder de Wmo. Het is niet te beschouwen als vervoer in het kader van het leven van alledag. Bovendien zijn er voor bepaalde situaties voorliggende voorzieningen, zoals de Regeling Zorgverzekering. Het vervoer naar bijvoorbeeld dagopvang of dagverzorging valt in principe evenmin onder de Wmo-compensatieplicht. Deze bestemmingen zijn niet te vatten onder de verplaatsingen die mensen – in de regel - van dag tot dag plegen te ondernemen, hoewel er op basis van jurisprudentie spaarzaam uitzonderingen worden gemaakt. Een duidelijke lijn is nog niet te ontdekken, omdat het in die uitspraken om uitzonderlijke gevallen ging. Aanvragen voor vervoersvoorzieningen met dit doel zullen daarom kritisch moeten worden beoordeeld. Medische noodzaak, het al dan niet (overwegend) therapeutische karakter van de dagopvang en de erkenning/financiering van de dagopvang op basis van de AWBZ spelen volgens de jurisprudentie een rol. Heeft de dagopvang een overwegend therapeutisch karakter, of wordt die erkend of gefinancierd in AWBZ-kader, dan is er aanleiding om het vervoer in verband daarmee niet te beschouwen als vervoer in het kader van het leven van alledag. Vervoer in verband met het volgen van onderwijs Vervoer in verband met onderwijs valt evenmin onder de Wmo-compensatieplicht. Er zijn voorliggende voorzieningen, zoals het leerlingenvervoer op grond van de onderwijswetgeving, en voorzieningen die via het UWV worden verstrekt, de voormalige Wet-Rea-voorzieningen. Vervoer van kinderen door ouders met een beperking Bij de verstrekking van vervoersvoorzieningen moet rekening worden gehouden met het verzorgen van kinderen door ouders met een beperking. Daarbij kan echter ook rekening worden gehouden met alternatieven voor vervoer door de ouders zelf, zo stelt de Centrale Raad van beroep. Vervoer voor AWBZ-instellingsbewoners. Op basis van artikel 2 van de Wvg werd een wettelijk onderscheid gemaakt tussen de reguliere inwoners van de gemeente en de in de gemeente woonachtige AWBZ-bewoners. Dat onderscheid werd via een ministeriële regeling, de Regeling sociaal vervoer AWBZ-instellingen, voor wat betreft vervoersvoorzieningen weer ongedaan gemaakt voor AWBZ-bewoners. Onder de Wmo is het wettelijk onderscheid tussen AWBZ-bewoners en overige Wmo-doelgroep inwoners van de gemeente komen te vervallen. Dat houdt overigens niet in dat er op gelijke wijze geoordeeld wordt ten aanzien van de vervoersbehoefte van AWBZ-bewoners. Deze categorie mensen zal in de regel een lagere vervoersbehoefte hebben dan zelfstandig wonenden, omdat zij bijvoorbeeld niet of in mindere mate boodschappen hoeven te doen. Soms wonen aanvragers in een complex waarin voorzieningen, zoals een winkel, kapper, recreatieruimte voor diverse sociale activiteiten, zijn ondergebracht of in de dichte nabijheid zijn gerealiseerd. Te denken valt met name aan verzorgingshuizen eventueel met aanleunwoningen erbij, verpleeghuizen en andere AWBZ-instellingen. Bovendien geldt dat een aantal 'bestemmingen in het kader van het leven van alledag' vervallen, omdat daarin op andere wijze wordt voorzien. Bewoners van intramurale instellingen hoeven bijvoorbeeld minder vaak boodschappen te doen, omdat de instellingen de maaltijden bereidt. Ook sommige gezamenlijke sociale activiteiten waarvoor vervoer nodig is, worden vanuit de AWBZ-instelling georganiseerd, inclusief vervoer. Met deze verminderde vervoersbehoefte wordt bij de beoordeling van aanvragen voor vervoersvoorzieningen dan ook rekening gehouden. Bijvoorbeeld door in individuele gevallen ervan uit te gaan dat voor bewoners van een intramurale instelling in een aanzienlijk gedeelte van hun bestemmingen in het kader van het leven van alledag is voorzien. Aan bewoners van een intramurale instelling kan bijvoorbeeld op basis van het Besluit maatschappelijke ondersteuning een gehalveerd PGB voor vervoerskosten worden verstrekt. Uitzonderingen moeten echter mogelijk blijven, als blijkt dat er een grotere vervoersbehoefte is. Begeleiding bij het vervoer van AWBZ-bewoners Ook hier heeft invulling plaatsgevonden op basis van jurisprudentie. Begeleidingskosten kunnen onder de compensatieplicht vallen. Bij AWBZ-bewoners kan er echter rekening gehouden worden met de agogische taak van personeel van de instelling, met name bij gezinsvervangende tehuizen. Ook bij grotere AWBZ-instellingen geldt een beperking bij de zorgplicht c.q. compensatieplicht ten aanzien van de begeleiding. Weekendvervoer voor AWBZ-bewoners Onder de Wvg is de omvang van de zorgplicht voor AWBZ-bewoners door jurisprudentie geconcretiseerd. Uitgangspunt is een gelijke zorgplicht voor AWBZ-bewoners en overige voor bewoners van de gemeente. Categoriale beperking van de omvang van de zorgplicht voor AWBZ-bewoners is ook mogelijk, maar daarop moeten uitzonderingen mogelijk zijn voor individuele gevallen. De compensatieplicht zal onder de Wmo voor AWBZ-bewoners niet afwijken van de bestaande jurisprudentie. De reguliere zorgplicht voor vervoer houdt in dat er in beginsel zorgplicht is voor regionaal vervoer voor AWBZ-bewoners, en slechts bij wijze van uitzondering - bij dreigende vereenzaming - zorgplicht voor bovenregionaal vervoer. Bij jonge, verstandelijk gehandicapte AWBZ-bewoners van grote instellingen wordt is deze situatie onder de Wvg-jurisprudentie omgedraaid. Daarbij wordt uitgegaan van een dreigend sociaal isolement, tenzij het tegendeel kan worden aangetoond. Uitgangspunt is dat ook bovenregionaal weekendvervoer van en naar het ouderlijk huis onder de zorgplicht valt. Voor wat betreft de frequentie wordt in de Wvg-jurisprudentie uitgegaan van bezoek om en om, dus de ene week bezoek van ouders aan de instelling, de andere week bezoek van de AWBZ-bewoners aan het ouderlijk huis Recreatief vervoer voor AWBZ-bewoners vanuit het ouderlijk huis valt niet onder de Wvg-zorgplicht, zo blijkt uit de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep. Heronderzoek Als een gehandicapte van zelfstandige woonruimte verhuist naar een AWBZ-(gefinancierde)instelling (verpleeghuis, verzorgingshuis etc.) moet steeds onderzocht worden of de vervoersvoorzieningen die de gehandicapte heeft nog steeds de goedkoopst adequate oplossing biedt zijn gezien zijn beperkingen en gezien de situatie waarin hij zich bevindt. Regiotaxi Advisering Het CIZ hanteert voor de advisering naast het landelijk protocol een met de gemeenten van de regio Midden-Brabant gesloten protocol. Het toewijzen van voertuigen aan de gehandicapten die in aanmerking komen voor Regiotaxi vindt plaats door de gemeente overeenkomstig afspraken die daarover in regionaal verband zijn gemaakt. Medische begeleiding in Regiotaxi. In bijlage 4 bij het Besluit MO Dongen wordt gesproken over medische begeleiding. Een gehandicapte komt voor medische begeleiding in aanmerking als het noodzakelijk is dat er een begeleider meereist die kan ingrijpen bij calamiteiten die zich eventueel voor kunnen doen tijdens de rit. In alle andere gevallen komt de cliënt niet in aanmerking voor medische begeleiding. De cliënt kan dan gebruik maken van de mogelijkheid om tegen betaling een sociaal begeleider mee te nemen. Een Wmo-gerechtigde voor wie naar het oordeel van burgemeester en wethouders medische begeleiding noodzakelijk is, kan alleen tegen het Wmo-tarief reizen als hij vergezeld is van een medisch begeleider. Reist hij zonder medische begeleider dan betaalt hij het Regiotaxi-tarief voor de vrije reiziger. Individueel vervoer met Regiotaxi. Indien een gehandicapte als gevolg van zijn beperkingen niet met andere personen kan reizen - hetgeen moet blijken uit het medisch advies -, dan kan aan hem/haar een collectief aanvullend vervoersvoorziening worden verstrekt in de vorm van Regiotaxi “individueel vervoer”. Begeleiding in het openbaar vervoer maar ook in Regiotaxi. Wanneer een cliënt onder begeleiding gebruik kan maken van het openbaarvervoer, wordt alleen een Regiotaxipas verstrekt als de cliënt hier gebruik van kan maken zonder begeleiding. Als begeleiding ook noodzakelijk is bij het gebruik van de Regiotaxi, is er geen sprake van verhoging van de zelfstandigheid en dient de cliënt met het regulier openbaar vervoer te reizen. Deze situatie doet zich vooral voor bij verstandelijk gehandicapten, kinderen en cliënten met een visuele handicap. Kinderen - leeftijdgrens OV Hét criterium voor beoordeling of iemand in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening is de vraag of men met het openbaar vervoer (OV) kan reizen. Bij volwassenen kan het zijn dat er een indicatie wordt gesteld voor Regiotaxi, wanneer zelfstandig reizen met OV niet mogelijk is en met Regiotaxi wel; dit is een vergroting van de zelfstandigheid Bij kinderen wordt er vanuit gegaan dat zij tot 12 jaar sowieso begeleiding nodig hebben bij gebruik van OV, los van eventuele beperkingen. Dit betekent dat er alleen een indicatie kan bestaan voor Regiotaxi, wanneer gebruik van OV onmogelijk is, zoals bij rolstoelgebruikers. De leeftijdsgrens is vastgesteld op 12 jaar. Dit betekent dat er bij kinderen jonger dan 12 jaar alleen een indicatie voor een vervoersvoorziening kan zijn als gebruik van OV ook met begeleiding onmogelijk is. Kinderen vanaf 12 jaar kunnen voor Regiotaxi in aanmerking komen als zij daardoor aan zelfstandigheid winnen: reizen per Regiotaxi zonder begeleiding tegenover reizen per OV met begeleiding. Vanaf 12 jaar zal een kind normaliter in staat zijn om zelfstandig met het openbaar vervoer te reizen. Het is de vraag overigens of dat voor de kinderen uit de doelgroep ook geldt (erg afhankelijk van de beperkingen). Daarom: àls een kind van 12 jaar of ouder zonder begeleiding per OV kan reizen, wordt geen Regiotaxi meer verstrekt of wordt een toegekende Regiotaxi ingetrokken. Kamer-tot-kamer-vervoer Het vervoer van de Regiotaxi Midden Brabant is in beginsel gericht op vervoer van deur tot deur of van deur tot halteplaats. In bijzondere situaties is het mogelijk dat de chauffeur van de Regiotaxi de klant vervoert van kamer tot kamer. De gemeente kan de vervoerder opdracht verstrekken om voor een cliënt kamer-tot-kamer-vervoer uit te voeren indien: * De klant beschikt over een vervoerspas voor de Regiotaxi, welke in opdracht door de gemeente is verstrekt op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo); * de klant woonachtig is in een wooncomplex en niet zelfstandig in de centrale hal kan wachten tot de Regiotaxi arriveert; * de klant niet in staat is om binnen een redelijke tijd (<5 minuten) van de kamer tot de voordeur (of bij wooncomplex: de centrale hal) te komen; * de klant hulp nodig heeft bij het aanschieten van een jas; de klant in een rolstoel voortgeduwd dient te worden. Uit de bovenstaande beschrijving van kamer-tot-kamer-vervoer blijkt wel, dat met de toekenning ervan zeer terughoudend dient te worden omgesprongen. Bij klanten aan wie een indicatie kamer-tot-kamer-vervoer is toegekend, is de begeleiding en hulpverlening van de chauffeur van de Regiotaxi optimaal. Hij/zij begeleidt de klant van de kamer tot aan de Regiotaxi en omgekeerd. Er zijn evenwel ook grenzen aan de hulpverlening van de chauffeur verbonden. Indien de chauffeur de kamer van de klant betreedt, wordt verwacht dat de klant gereed is voor het vertrek met de Regiotaxi. Het is de chauffeur niet toegestaan de klant te helpen bij het aan- of uitkleden, behoudens hulp bij het aan- of uitschieten van een jas. Er wordt geen indicatie voor kamer-tot-kamer-vervoer verstrekt indien de klant ook een indicatie heeft voor medische begeleiding. Afhuren hele taxi. In het Besluit MO is in bijlage 4 artikel 7 de mogelijkheid geopend voor de partner en/of de kinderen om met de gehandicapte mee te reizen: het afhuren van een hele taxi. Deze bepaling gaat er van uit dat de gehandicapte een van de ouders is. Ook als de gehandicapte een kind is, kan een taxi in zijn geheel worden afgehuurd. Dit maakt het mogelijk dat ouders en/of broers/zussen meereizen. De reden waarom deze mogelijkheid wordt geopend is de volgende. Gehandicapte kinderen jonger dan 14 jaar die reizen zullen in het algemeen door een van de ouders worden begeleid. Broers en zusjes die nog geen 14 jaar zijn kunnen vaak niet alleen thuisblijven of zelfstandig reizen. Om van de mogelijkheid gebruik te kunnen maken moet wel aan twee voorwaarden zijn voldaan. - de Regiotaxigerechtigde moet jonger zijn dan 14 jaar, èn - er reist nog minimaal een kind uit het gezin mee dat jonger is dan 14 jaar. Psychische problemen. Het komt voor dat wordt verzocht om een vervoersvoorziening omdat men niet met het openbaar vervoer durft te reizen, of omdat men angst heeft (‘s avonds) over straat te gaan. Het gaat om psychische problemen. Psychische problemen zijn alleen dan een reden om een vervoersvoorziening op grond van de Wvg te verstrekken als het probleem niet therapeutisch kan worden opgelost: de voorziening is langdurig noodzakelijk. Dit moet blijken uit het advies van CIZ. 4.4 Financiele tegemoetkoming kosten gebruik taxi, rolstoeltaxi, bruikleen auto of eigen auto Daar er in de gemeente Dongen een collectief vervoerssysteem aanwezig is, zal het verstrekken van een individuele vervoerskostenvergoeding een minder frequent voorkomende oplossing zijn voor de mobiliteitsproblemen van gehandicapten. Indicatie: Een gehandicapte kan aanspraak maken op een tegemoetkoming in de vervoerskosten wanneer hij of zij geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer, en het collectief vraagafhankelijk vervoer geen adequate voorziening voor belanghebbende is. Criteria hiervoor zijn: betrokkene kan niet zonder onaanvaardbare inspanning en binnen redelijke tijd van huis naar halte lopen; redelijk wordt geacht dat de afstand huis-halte maximaal 800 m. is en de benodigde tijd maximaal 20 minuten. betrokkene ondervindt bijzondere belemmeringen bij het gebruik van het openbaar vervoer, zoals problemen met wachten bij de halte, in- en uitstappen, zitten, zich staande houden bij het wegrijden en afremmen of andere bezwaren die het gebruik van het openbaar vervoer belemmeren (bijvoorbeeld incontinentie of storingen in de motoriek). Het inkomen van de gehandicapte is onder de inkomensgrens; deze is gesteld op twee maal het norminkomen bij een vervoerskostenvergoeding voor een bruikleenauto, een taxi of een eigen auto. Indicatie tegemoetkoming in het gebruik van een rolstoeltaxi: Een rolstoeltaxi is over het algemeen duurder dan een gewone taxi. Dit heeft te maken met de hogere aanschafprijs van het voertuig en de kosten die met aanpassing te maken hebben. In het algemeen kan worden gesteld dat de kosten ca. 50% hoger liggen dan bij een gewone taxi, derhalve geldt een vergoeding van ca. 1,5 keer de norm voor een gewone taxi. Om in aanmerking te komen voor een tegemoetkoming in het gebruik van een rolstoeltaxi dient betrokkene, naast de criteria die gelden voor een vervoersvergoeding, aangewezen te zijn op het gebruik van een rolstoeltaxi, omdat hij/zij op grond van de handicap de rolstoel niet kan verlaten. Hoogte vervoerskostenvergoedingen: De hoogte van de vervoerskostenvergoeding wordt bepaald aan de hand van de individuele vervoersbehoefte. Als regel hanteert de gemeente Dongen voor vervoerskostenvergoedingen de volgende maximumbedragen: voor het gebruik van een taxi of eigen auto: € 994,- per jaar (geïndexeerd bedrag m.i.v. 01-01-2007); voor het gebruik van een rolstoeltaxi: € 1.494,- per jaar (geïndexeerd bedrag m.i.v. 01-01-2007); voor het gebruik van een bruikleen- c.q. huurauto: € 644,- per jaar (geïndexeerd bedrag m.i.v. 01-01-2006); Wijze van betalen vervoerskostenvergoedingen. Vervoerskostenvergoedingen worden op éénmaal per maand, als forfaitair bedrag betaald. Vervoerskostenvergoeding voor beide echtgenoten. Indien twee personen, die duurzaam gezamenlijk een huishouding voeren beiden voor een vervoerskostenvergoeding in aanmerking komen dient te worden bepaald in hoeverre hun vervoersbehoefte samenvalt. Als regel zal echter maximaal 1,5 keer een enkele vergoeding worden toegekend. Dit geldt overigens niet voor het collectieve aanvullende vervoer. 4.5 Auto-aanpassing. Bij een aanvraag voor een auto-aanpassing moet medisch advies gevraagd worden bij het CIZ. De vraag of betrokkene gebruik kan maken van het collectief aanvullend vervoer blijft de eerste vraag aan het CIZ. Als aanvullende vraag aan het CIZ moet worden opgenomen: Wanneer er een indicatie is voor een auto-aanpassing, welke auto is het goedkoopst adequaat aan te passen? Wanneer er een indicatie is voor een auto-aanpassing, zal er in de meeste gevallen bij het advies van het CIZ een offerte zitten van een bedrijf dat de auto-aanpassing kan uitvoeren. Let op: de offerte moet ook betrekking hebben op de auto die het goedkoopst adequaat is aan te passen. Het moet ook gaan om een auto die geschikt is voor personenvervoer (i.v.m. Belasting personenauto's en motorrijwielen). Reparatie autoaanpassing. Wanneer een aanvraag wordt gedaan voor een tegemoetkoming in de reparatiekosten van auto-aanpassingen zijn er 3 mogelijkheden: - de aanpassing is verstrekt door de bedrijfsvereniging op basis van de AAW en de verstrekking is gedaan op bruikleenbasis, - de aanpassing is verstrekt door de bedrijfsvereniging op basis van de AAW en de verstrekking is gedaan in eigendom; - de aanpassing is versterkt door de gemeente op basis van de Wvg. Eerst moet worden bekeken of de aanvrager in aanmerking komt voor vervoer op basis van de Wmo (vervoer in verband met sociale contacten). Is dit het geval dan wordt bekeken of de aanpassing is verstrekt door de bedrijfsvereniging of door de gemeente. Is de aanpassing verstrekt door de bedrijfsvereniging op bruikleenbasis, dan moet de aanvraag voor reparatie worden gedaan bij de bedrijfsvereniging. Is de aanpassing door de bedrijfsvereniging in eigendom verstrekt, dan is de bedrijfsvereniging sinds 1-4-1994 niet meer verantwoordelijk voor reparatie van aanpassingen en moet de aanvraag op basis van de Wmo in behandeling worden genomen. In dat geval wordt op een zelfde wijze gehandeld als in gevallen waarin de aanpassing door de gemeente is verstrekt. Eerst wordt gekeken of de restwaarde van de aanpassing zodanig is dat de kosten van de reparatie in verhouding staan tot de waarde van de aanpassing. Is dit het geval dan moet een tegemoetkoming worden verstrekt met inachtneming van het Verstrekkingenbesluit. Staat de reparatie niet in verhouding tot de restwaarde van de aanpassing, dan moet in overleg met de cliënt advies gevraagd worden over aanpassingen aan de auto of aan een nieuwe auto (in overleg met cliënt, omdat cliënt in het laatste geval bereid moet zijn om een nieuwe auto te kopen). Ook hier zal de eerste vraag in het verzoek om advies zijn of betrokkene gebruik kan maken van het collectief aanvullend vervoer. 4.6 Aanvullende bruikleenvoorziening In aanvulling op of in plaats van een Regiotaxivoorziening of financiële tegemoetkoming om zelf in het vervoer te voorzien, kan een vervoersvoorziening in bruikleen worden verstrekt. Naast de vraag of er een medische indicatie bestaat voor zo’n voorziening, speelt ook de vraag wat de verplaatsingsbehoefte is. De vervoersvoorziening is immers bedoeld voor het vervoer van alledag: voor deelname aan het maatschappelijk verkeer en het onderhouden van sociale contacten. De hier bedoelde bruikleenvoorzieningen zijn bedoeld voor de korte afstand in de directe omgeving van de eigen woning (zie hieronder bij (handbewogen) rolstoel als vervoersvoorziening. Inkomensgrens In de verordening is vastgelegd dat een gehandicapte wiens inkomen hoger is dan 1,75 maal het norminkomen niet voor bepaalde vervoersvoorzieningen in aanmerking komt. Indien als gevolg van het toepassen van de inkomensgrens geen Regiotaxi of financiële tegemoetkoming etc. wordt verstrekt, kan het college de bedoelde voorziening toekennen, wanneer een rolstoel voor de vervoersbehoefte in de directe woonomgeving geen adequate oplossing biedt. De bepaling is niet bedoeld om de gehandicapte een mogelijkheid te bieden de gemeente toch voor een vervoersvoorziening te laten zorgen voor het regionale vervoer. Hij wordt immers geacht daar zelf voor te kunnen zorgen. Alleen voor vervoer “rondom huis” kan het college een uitzondering maken. Met de te verstrekken voorziening hoeft dus ook maar een kleine afstand overbrugd te kunnen worden. In overleg met Welzorg moet gezocht worden naar de goedkoopst adequate oplossing (geringe snelheid, geringe actieradius, simpelste uitvoering). Beoordeling Een bruikleenvoorziening wordt in plaats van een Regiotaxivoorziening of financiële tegemoetkoming om zelf in het vervoer te voorzien verstrekt als: Cliënt geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer, en Regiotaxi of een financiële tegemoetkoming om zelf in het vervoer te voorzien geen adequate voorziening is vanwege het feit dat betrokkene alleen voor de korte afstand een voorziening behoeft, en Een gewone fiets, snorfiets of brommer niet adequaat is voor cliënt (algemeen gebruikelijk). Een bruikleenvoorziening kan worden verstrekt in aanvulling op Regiotaxi of op de financiële tegemoetkoming om in het eigen vervoer te voorzien als de gehandicapte een zelfstandige vervoersbehoefte heeft op de korte afstand dat wil zeggen tot 1000 m. en lopen (met hulpmiddelen) of rolstoel voor binnen en buiten het vervoersprobleem niet oplossen. Als iemand bijvoorbeeld 1000 meter kan lopen en over een Regiotaxipas beschikt, is er geen aanvulling nodig. De gevraagde voorziening moet een noodzakelijke aanvulling zijn op de reeds aanwezige voorzieningen. Het totaal aan voorzieningen moet er voor zorgen dat de gehandicapte alle uit oogpunt van de doelstelling van de Wvg noodzakelijk geachte vervoersbestemmingen kan bereiken. Dit betekent niet dat de gemeente er voor moet zorgen dat de gehandicapte alle bestemmingen moet kunnen bereiken die hij wil. Volgens vaste jurisprudentie van de CRvB mag van de gehandicapte gevergd worden dat hij zich opofferingen getroost. Zorgplicht Awbz-bewoners. Voor AWBZ-bewoners geldt: het bereiken van de dagbesteding valt onder de AWBZ: de instelling regelt dit vervoer (geldt niet voor bewoners die zorg hebben ingekocht met een persoonsgebonden budget, PGB). Er moet sprake zijn van een zelfstandige vervoersbehoefte. Vergoeding meerkosten ten opzichte van algemeen gebruikelijk In plaats een bruikleenvoorziening in natura te verstrekken kan het college voor de aanschaf van deze voorzieningen ook een financiële tegemoetkoming in de meerkosten ten opzichte van de algemeen gebruikelijke voorziening verstrekken. Het gaat met name om voorzieningen als driewielfietsen, tandems en bijzondere tweewielers. In het Verstrekkingenbesluit wordt ten aanzien van de voorzieningen die daarvoor in aanmerking komen de prijs van de algemeen gebruikelijke voorziening vermeld. In beginsel kiest het college voor de “meerkostenvariant”, tenzij de verwachting is dat de gehandicapte maar korte tijd van de voorziening gebruik zal (kunnen) maken. Om die reden worden bijvoorbeeld voorzieningen aan kinderen tot 16 jaar in ieder geval in bruikleen gegeven. De afschrijvingstermijn van de betreffende algemeen gebruikelijke voorziening bepaalt hoeveel jaar de gehandicapte met de voorziening geacht wordt tenminste te kunnen doen. Bij een aanvraag voor een vervangende voorziening wordt dan ook niet automatisch een nieuwe verstrekt als de afschrijvingstermijn is verstreken. Steeds wordt onderzocht of de staat waarin de voorziening verkeert vervanging nodig maakt. Is dit niet het geval dan wordt geen nieuwe voorziening verstrekt. 4.7 Scootermobielen Actieradius De weersomstandigheden en de staat waarin de accu zich bevindt hebben grote invloed op het bereik. Dit betekent niet dat de scootermobiel of onderdelen ervan moeten worden vervangen als de maximale actieradius voor de betreffende soort niet wordt gehaald. Er worden twee soorten scootermobielen verstrekt: - scootermobielen met een actieradius tot maximaal 20 kilometer (15 km). - scootermobielen met een actieradius tot maximaal 40 kilometer (25km). Zolang een scootermobiel van de onder a genoemde soort een feitelijke actieradius heeft van 15 km en de van de onder b genoemde soort een feitelijke actieradius van 25 km, voldoet het voertuig nog aan de eisen die de gemeente er aan stel en is er dus geen reden voor vervanging van de scootermobiel of onderdelen. Aanvraag snellere scootmobiel. Het komt voor dat een cliënt aan wie een scootermobiel is versterkt op bruikleenbasis een verzoek indient voor een snellere scootermobiel. Met het verstrekken van een scootermobiel die 8 km of 12 km per uur rijdt verstrekt de gemeente over het algemeen een adequate voorziening: betrokkene beschikt over een geschikte vervoersvoorziening voor de korte afstand. De gezinssituatie en het gebruik van de voorziening met het gezin kan aanleiding zijn om op verzoek van de aanvrager een snellere scootermobiel te verstrekken. Accessoires. Accessoires worden niet vergoed. Een uitzondering wordt gemaakt voor zaken die geacht worden om medische redenen noodzakelijk te zijn: stokhouders en spiegeltjes. Standaard wordt een boodschappenmandje geleverd. Bij de verstrekking van de voorziening Als een scootermobiel wordt verstrekt moet vaststaan dat: de scootermobiel op dat moment de goedkoopst adequate voorziening is; dit betekent ook dat de klant moet opgeven waarvoor hij de voorziening zal gaan gebruiken en hoe vaak hij met de scootermobiel per week zal gaan rijden: er moet sprake zijn van een substantiële vervoersbehoefte in de directe omgeving (tot 1000 m.). Het verwachte gebruik moet hoger liggen dan 1 maal per week het hele jaar door. Alleen als de gehandicapte op geen enkele andere manier voorzien kan in de vervoersbehoefte kan de voorziening worden voortgezet voor maximaal één jaar. Het moet dan gaan om een situatie waarin de gehandicapte geen sociaal netwerk heeft waarop hij een beroep kan doen en/of waarin Regiotaxi of een andere voorziening (bijv. rollator, duwrolstoel) geen oplossing bieden voor het vervoersprobleem het verantwoord is uit oogpunt van verkeersveiligheid om de gehandicapte de scootermobiel te verstrekken (haalbaarheid); het CIZ zal worden verzocht in haar advies aan dit aspect aandacht te besteden. Bij twijfel zal de klant verplicht worden lessen te gaan volgen Via AWBZ (EEE = Enkelvoudige Extramurale Ergotherapie) kunnen trainingslessen worden gevolgd als de huisarts of een specialist een verwijzing afgeeft. Is EEE niet mogelijk dan kan het volgen van lessen bij Welzorg een oplossing bieden. Met Welzorg wordt een inschatting gemaakt van het benodigde aantal lessen. De ergotherapeut (AWBZ of Welzorg) zal gevraagd worden te rapporteren over het effect van de training en een advies te geven over voortzetting van de verstrekking. (deelname aan het verkeer moet verantwoord zijn). Wordt verwacht dat het gebruik minder zal zijn dan éénmaal per week of is het naar het oordeel van de instructeur niet verantwoord de scootermobiel te verstrekken, dan wordt het verzoek afgewezen. In overleg tussen klant, CIZ en gemeente wordt gekeken naar alternatieven (inschakelen mantelzorg, rolstoel e.d.). Haalbaarheidslessen Welzorg ziet dit element in de in het kader van de indicatiestelling/selectie. In dit traject wordt immers bepaald of het gekozen hulpmiddel voldoet aan de eisen m.b.t. de adequaatheid. Deze haalbaarheidslessen vallen daarom onder de selectie en worden gezien als service. Er worden geen kosten voor in rekening gebracht. Trainingslessen door Welzorg Met de leverancier zijn afspraken gemaakt over trainingslessen. De lessen worden op de thuis- of de verblijfsl

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.