Treasury Statuut 2009 Nr.2008-133 de Raad van de gemeente Heerhugowaard; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 18 november 2008; Gelet op: de wet FIDO en daaraan verbonden besluiten en regelgeving; het Besluit Begroting en Verantwoording provincies en gemeenten; de Financiële Verordening gemeente Heerhugowaard; b e s l u i t : het treasurystatuut 2009 vast te stellen conform het bij dit voorstel gevoegde concept; kennis te nemen van het aan dat statuut verbonden beheersdeel; de raad zo snel mogelijk te informeren over collegebesluiten tot wijziging van dat beheersdeel. Heerhugowaard, 16 december 2008. De Raad voornoemd, de griffier, de voorzitter, Treasurystatuut Gemeente Heerhugowaard Beleidskader nadere uitwerking van artikel 14 Financieringsfunctie van de “Financiële Verordening gemeente Heerhugowaard” vastgesteld door de Gemeenteraad op 28 oktober 2003 Artikel1.Begrippenkader In dit statuut wordt verstaan onder: a.Derivaten: financiële instrumenten die hun bestaan ontlenen aan een bepaalde onderliggende waarde. Die waarden kunnen financiële producten, zoals leningen of obligaties, zijn. Derivaten worden onder andere gebruikt om renterisico’s te sturen en financieringskosten te minimaliseren; Financiering: het aantrekken van financiële middelen voor een periode van minimaal één jaar; Geldstromenbeheer: alle activiteiten die nodig zijn om liquiditeiten te transfereren zowel binnen de organisatie als tussen de organisatie en derden (betalingsverkeer); Intern liquiditeitsrisico: de risico’s van mogelijke wijzigingen in de liquiditeitenplanning en in de meerjaren investeringsplanning waardoor financiële resultaten kunnen afwijken van de verwachtingen; Interne treasurycommissie: een adviescommissie voor beleidsvoorstellen en rapportages over treasury aan het college van burgemeester en wethouders. De commissie bestaat uit: de portefeuillehouder financiën (voorzitter), de concerncontroller, het hoofd van de afdeling financiële dienstverlening(FD), maximaal twee treasurymedewerkers van afdeling FD, de strategisch adviseur planning en control van de concernstaf (secretaris). Kasgeldlimiet: percentage van het begrotingstotaal van de gemeente bij aanvang van het jaar; Koersrisico: het risico dat de financiële activa van de organisatie in waarde verminderen door negatieve koersontwikkelingen; Kredietrisico: de risico’s op een waardedaling van een vordering ten gevolge van het niet (tijdig) kunnen nakomen van de verplichtingen door de tegenpartij als gevolg van insolventie of deficit; Liquiditeitenbeheer: het aantrekken en uitzetten van middelen voor een periode tot één jaar; Liquiditeitsprognose: een gestructureerd overzicht van de toekomstige inkomsten en uitgaven ingedeeld naar aard en tijd; Rating: de inschatting van de kans op eventuele wanbetalingen bij toekomstige rente- en aflossingsbetalingen op schuldpapier; Renterisico: het gevaar van ongewenste veranderingen van de (financiële) resultaten van de gemeente door rentewijzigingen van leningen of uitzetting van gelden met een looptijd van één jaar of langer; Renterisiconorm: een bij de aanvang van enig jaar op basis van de Wet FIDO gefixeerd percentage van het begrotingstotaal van de gemeente dat jaarlijks bij de realisatie niet mag worden overschreden; Rentetypische looptijd: de interval gedurende de looptijd van een geldlening waarin op basis van de voorwaarden van de geldlening sprake is van een door de geldgever niet beïnvloedbare, constante rentevergoeding; Rentevisie: toekomstverwachting over de renteontwikkeling; de visie is gelijk aan die van de gemeentelijke huisbankier; Saldobeheer: het beheer van de dagelijkse saldi op de rekeningen; Solvabiliteit: verhouding tussen eigen vermogen en de schulden (vreemd vermogen); Solvabiliteitsratio van 0%: status die door een bancaire toezichthouder in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte (lidstaten van de Europese Unie uitgebreid met Noorwegen, IJsland en Liechtenstein) aan het schuldpapier van een instelling kan worden toegekend; Treasuryfunctie: de treasuryfunctie omvat alle activiteiten die zich richten op: het besturen en beheersen van, het verantwoorden over, het toezicht houden op: de financiële vermogenswaarden, de financiële stromen, de financiële posities, de hieraan verbonden risico’s. De treasuryfunctie bestaat uit vier deelfuncties: Risicobeheer; Gemeentefinanciering; Kasbeheer; Debiteuren- en crediteurenbeheer; Uitzetting: het tijdelijk toevertrouwen van liquiditeiten aan derden onder voorwaarden die vooraf zijn overeengekomen. Kortlopende uitzettingen hebben betrekking op een periode tot één jaar; Langlopende uitzettingen gaan over een periode van één jaar of langer. Artikel2.Doelstellingen van de treasuryfunctie De treasuryfunctie dient tot: Het verzekeren van duurzame toegang tot de financiële markten tegen acceptabele condities. Het beschermen van gemeentelijke vermogens- en (rente-)resultaten tegen ongewenste financiële risico’s zoals renterisico’s, koersrisico’s, kredietrisico’s en liquiditeitsrisico’s. Het minimaliseren van de interne verwerkingskosten en de externe kosten bij het beheren van de geldstromen en financiële posities. Het optimaliseren van de renteresultaten binnen de kaders van de Wet FIDO respectievelijk de limieten en richtlijnen van dit treasurystatuut. Artikel3.Uitgangspunten risicobeheer Voor het risicobeheer zijn de volgende algemene uitgangspunten van toepassing: De gemeente verstrekt geen geldleningen. De gemeente verstrekt uitsluitend in samenwerking met de waarborgfondsen garanties uit hoofde van de publieke taak aan door de Gemeenteraad goedgekeurde sport- en zorginstellingen en aan woningbouwcorporaties; er wordt vooraf advies ingewonnen bij de diverse waarborgfondsen over de financiële positie en de kredietwaardigheid van de desbetreffende partij. In afwijking van de in lid 2 genoemde partijen kan met de plaatselijke stichting “Nut” een overeenkomst worden gesloten, waarbij als voorwaarde wordt gesteld dat deze stichting bereid moet zijn om aan meerdere Heerhugowaardse instellingen op sociaal maatschappelijk en sportief terrein geldleningen te verstrekken. Op grond van artikel 7, lid 5 van de Financiële Verordening gemeente Heerhugowaard wordt bij het verstrekken van garanties groter dan € 50.000 de Gemeenteraad vooraf in de gelegenheid gesteld om zijn wensen en bedenkingen kenbaar te maken; dit is alleen van toepassing als het gaat om afzonderlijke verplichtingen die niet bij de vaststelling van de raadsbegroting zijn betrokken. De gemeente staat garant gedurende de looptijd van de geldlening voor maximaal 50% van de verplichtingen van een lening tot € 250.000. Ter beoordeling voor het verstrekken van garanties geldt als toetsingscriterium dat het rentepercentage maximaal gelijk is aan de BNG-leningen met een rente voor vijf jaar vast. De gemeente kan middelen uitzetten wanneer die een prudent karakter hebben en niet zijn gericht op het genereren van inkomsten door het lopen van een overmatig risico. Het prudente karakter van deze uitzettingen wordt gewaarborgd door de richtlijnen en limieten van dit statuut. Het gebruik van financiële derivaten is toegestaan, maar wordt uitsluitend toegepast ter beperking van financiële risico's. Voordat een derivatentransactie wordt afgesloten, wint de gemeente op grond van een collegebesluit via de interne treasurycommissie het advies in van een onafhankelijk adviseur. Artikel4.Renterisicobeheer 1.De kasgeldlimiet wordt niet overschreden conform de Wet FIDO. 2.De renterisiconorm wordt niet overschreden conform de Wet FIDO. 3.Nieuwe leningen / uitzettingen worden afgestemd op de bestaande financiële positie, op de prognose van die positie en op de actuele rentestand. 4.Om renterisico’s te beperken en het renteresultaat te optimaliseren wordt het aantrekken van externe financieringsmiddelen zoveel mogelijk beperkt; primair worden de beschikbare interne financieringsmiddelen gebruikt. 5.De rentevisie wordt verwoord in paragraaf D (Financiering) van de jaarlijkse begroting en van de jaarstukken. 6.De gemeente streeft naar spreiding in de rentetypische looptijden van uitzettingen. Artikel5.Koersrisicobeheer 1.Uitzettingen worden alleen gedaan als de hoofdsom is gegarandeerd. 2.De gemeente beperkt de koersrisico’s op uitzettingen uit hoofde van treasury door het uitsluitend hanteren van de volgende producten: rekening courant, daggeld, deposito’s, commercial paper (CP), certificates of deposit (CD), obligaties, medium term notes (MTN) en garantieproducten. 3.Tevens beperkt de gemeente de koersrisico’s door de looptijd van de uitzettingen af te stemmen op de liquiditeitsprognose (zie artikel 7). Artikel6.Kredietrisicobeheer Uitzettingen van middelen gebeurt uitsluitend bij: Instellingen met een solvabiliteitsratio van 0% voor hun waardepapier; Bankinstellingen onder toezicht van De Nederlandsche Bank; Uitzetting van middelen voor een periode van één jaar en korter bij de instellingen genoemd in lid 1 kan alleen onder de volgende voorwaarden om de kredietrisico’s te spreiden c.q. te beperken: deze instellingen moeten voldoen: aan een minimale BIS-RATIO bij beleggingen zoals die hierna zijn gespecificeerd in lid 3 of aan de minimale kredietwaardigheidseis P-, F- of AAA-rating van één van de erkende ratingbureaus Moody’s, Standard & Poors of Fitch IBCA. Bij het uitzetten van middelen bij de in lid 1 genoemde instellingen die voldoen aan de eisen in de voorgenoemde leden 1 en 2 gelden de volgende voorwaarden voor het minimale balanstotaal van de desbetreffende instelling en het daarbij vermelde maximale bedrag voor uitzetting: Instelling minimaal maximaal minimale BIS-RATIO Balanstotaal bedrag 1 mnd. 3 mnd. 6 mnd. 1 jaar Solvabiliteitsvrije instellingen Rijk, Provincies, Gemeenten n.v.t. onbeperkt 0% 0% 0% 0% Instellingen 100% gegarandeerd door het Rijk n.v.t. onbeperkt 0% 0% 0% 0% b.Bankinstellingen onder toezicht van de Nederlandse Bank € 50.000.000.000 € 15.000.000 9,0% 9,0% 9,0% 9,5% € 10.000.000.000 € 10.000.000 9,0% 9,0% 9,5% 10,0% € 5.000.000.000 € 6.000.000 9,5% 10,0% 10,5% 10,5% € 2.500.000.000 € 5.000.000 10,0% 10,5% 10,5% 11,0% € 1.000.000.000 € 4.000.000 10,5% 11,0% 11,5% 12,0% € 500.000.000 € 3.000.000 11,0% 11,5% 12,0% -- € 200.000.000 € 2.000.000 12,0% 12,5% -- -- Uitzetting van middelen voor een periode langer dan één jaar bij de instellingen genoemd in lid 1 kan alleen wanneer die instellingen voldoen aan de minimale kredietwaardigheideis van AAA-rating van één van de ratingbureaus die in lid 2 van dit artikel worden genoemd. Bij het uitzetten van middelen bij de in lid 1 genoemde instellingen die voldoen aan de eisen in lid 3 gelden de hierna vermelde voorwaarden voor het minimale balanstotaal van de desbetreffende instelling en het daarbij behorende maximale bedrag voor uitzetting: Instelling minimaal balanstotaal maximaal bedrag Bankinstellingen onder toezicht € 50.000.000.000 € 15.000.000 van de Nederlandse Bank € 10.000.000.000 € 10.000.000 € 5.000.000.000 € 6.000.000 Artikel7.Intern liquiditieitsrisicobeheer De gemeente beperkt de liquiditeitsrisico’s door haar treasury-activiteiten te baseren op een planning voor de korte termijn (looptijd tot één jaar) en op een planning van minimaal vier jaar. Artikel8.Valutarisicobeheer Om valutarisico’s uit te sluiten worden uitsluitend leningen verstrekt, afgesloten of gegarandeerd in de Europese geldeenheid: de Euro (€ ). Artikel9.Financiering Bij het aantrekken van financieringsmiddelen voor een periode van één jaar en langer gelden de volgende uitgangspunten: De middelen worden uitsluitend aangetrokken voor de uitoefening van de publieke taak. Toegestane instrumenten bij het aantrekken van financieringsmiddelen zijn: onderhandse leningen en medium term notes (MTN). Er worden voor het aantrekken van externe financieringsmiddelen offertes gevraagd bij minimaal twee instellingen. Artikel10.Langlopende uitzettingen Bij het tijdelijk uitzetten van middelen voor een periode van één jaar en langer gelden de volgende uitgangspunten: Uitzettingen worden uitsluitend gedaan onder de in artikel 4, 5 en 6 van dit statuut genoemde voorwaarden. Er worden bij minimaal twee instellingen offertes gevraagd. Artikel11.Relatiebeheer De gemeente beoogt het realiseren van gunstige c.q. marktconforme condities voor af te nemen financiële diensten. Hiervoor gelden de volgende uitgangspunten: Bankrelaties en hun bancaire condities worden ten minste één keer per vijf jaar beoordeeld. Bankrelaties dienen te voldoen aan de eisen die zijn gesteld in artikel 6. Financiële instellingen (kredietinstellingen, beleggingsinstellingen, effecteninstellingen en pensioenfondsen) dienen onder Nederlands of anderszins EER-toezicht te vallen, zoals De Nederlandsche Bank en de Verzekeringskamer. Tussenpersonen moeten geregistreerd staan bij de Autoriteit Financiële Markten (AFM) en daarvan een vergunning als makelaar hebben. Artikel12.Geldstromenbeheer De kosten van het geldstromenbeheer worden als volgt geminimaliseerd: Het liquiditeitsgebruik wordt beperkt door de interne geldstromen op elkaar en op de liquiditeitsprognose af te stemmen. Er wordt op toegezien dat die positie voldoende is om te garanderen dat de verplichtingen die zijn aangegaan, tijdig kunnen worden nagekomen. Het betalingsverkeer wordt zoveel mogelijk elektronisch uitgevoerd door één bank. Artikel13.Saldo- en liquiditeitenbeheer Voor het saldo- en het liquiditeitenbeheer gelden de volgende specifieke richtlijnen: Er wordt gestreefd naar concentratie van de liquiditeiten binnen één rentecompensatie-circuit bij de bank met de meest gunstige condities. Bij het ontstaan van een (toekomstige) liquiditeitsbehoefte kan de gemeente kortlopende middelen aantrekken tot maximaal de kasgeldlimiet (artikel 4 lid 1). Toegestane instrumenten voor het aantrekken van kortlopende middelen zijn daggeld, kasgeldleningen en de kredietlimiet in de rekening courantrekening(en). Toegestane instrumenten bij het uitzetten van gelden voor een periode korter dan één jaar zijn de rekening-courantrekening(en), daggeld, deposito’s, commercial papers en certificates of deposit. Bij het extern uitzetten van gelden voor één jaar of korter gelden onverkort de bepalingen in artikel 6 van dit statuut. Bij het aantrekken of uitzetten van middelen worden offertes gevraagd bij minimaal twee instellingen. Artikel14.Inwerkingtreding Dit statuut treedt in werking per 1 januari 2009. Memorie van toelichting Algemeen Per 1 januari 2001 is de Wet Financiering decentrale overheden (Wet FIDO) ingevoerd. In deze wet zijn de kaders gesteld voor een verantwoorde, prudente en professionele inrichting en uitvoering van de treasuryfunctie van decentrale overheden. Deze functie wordt als volgt gedefinieerd: het sturen en beheersen van, het verantwoorden over en het toezicht houden op:de financiële vermogenswaarden, de financiële geldstromen, de financiële posities en de hieraan verbonden risico’s. Als gevolg van deze wet FIDO is door de Gemeenteraad het Treasurystatuut 2003 vastgesteld; dat statuut is per 1 januari 2004 in werking getreden. Het voornemen van het Kabinet is om een aantal wijzigingen van de Wet FIDO in te voeren per een nog bij Koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Het voorstel daarover is op 2 oktober 2008 zonder beraadslaging en zonder stemming aangenomen door de Tweede Kamer. De Eerste Kamer heeft het voorstel op 28 oktober 2008 als hamerstuk afgedaan. De wijzigingsvoorstellen gaan zowel over min of meer technische wijzigingen van voorwaarden voor lenen en uitzetten als over drie bestuurlijk gevoeligere onderwerpen: een verbod op hypotheekverstrekking aan het eigen personeel en aan politieke ambtsdragers; dit verbod geldt voor nieuwe hypotheken en ook voor garanties door openbare lichamen van dergelijke leningen. het ongewijzigd laten van het verlenen van sociaal krediet. het verder beheersen van het EMU-saldo: de minister van Financiën kan beheersingsmaatregelen nemen > hij kan bij wijze van ultimum remedium het aandeel van de decentrale overheden of overheidslagen in een eventuele Europese EMU-boete vaststellen na voorafgaande bestuurlijk overleg; een dergelijke boete zal geen “dubbele” effecten mogen hebben op de accressen van het provincie- en gemeentefonds. Het is ook van belang om ons statuut op de praktische werking te beschouwen. Realiteit is dat het statuut van 2003 bestaat uit een beleidsdeel en uit een beheersdeel. Vanuit de kaderstellende functie van de Gemeenteraad hoort het beheersdeel dan in feite geen onderdeel meer te zijn van een door de raad vast te stellen (actualisering van een) statuut. In artikel 212 van de Gemeentewet (de basis voor de Financiële Verordening) is aan de Raad de bevoegdheid toegekend om kaders te stellen voor het beheer van de financiële functie. In de memorie van toelichting op artikel 160 van die wet staat dat het beheer van de administratieve organisatie (A.O.) van de gemeente een bevoegdheid is van het College van Burgemeester en Wethouders. Het is de bedoeling om artikel 212 lid c van die wet nu zo te wijzigen dat de regels over de A.O. van de financieringsfunctie niet langer in de Financiële Verordening i.c. het treasurystatuut moeten worden opgenomen. In het beheersdeel komen de administratieve organisatie en interne controle van de treasuryfunctie aan de orde. Het accent ligt op de eenduidigheid over de verdeling van de taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden. Tot slot worden de uitgangspunten vastgelegd voor de informatie die nodig is om het gehele proces beheersbaar en meetbaar te maken en te houden. De actualisering van dat beheersdeel is daarom niet meer opgenomen in het nu voorgelegde statuut (dat deel ligt overigens wel voor uw raad ter inzage). Dat heeft als bijkomend voordeel dat zo nodig via een snelle aanpak dat deel kan worden geactualiseerd. Wanneer er sprake is (geweest) van zo’n actualisering, dan wordt uw raad daarover geïnformeerd (om praktische redenen wellicht via uw raadscommissie). Als gevolg van wetgeving (de Wet FIDO en het BBV) zijn er twee instrumenten op het gebied van treasury: het treasurystatuut; daarin is de ‘beleidsmatige infrastructuur’ van de treasuryfunctie vastgelegd in de vorm van uitgangspunten, doelstellingen, richtlijnen en limieten; het statuut maakt een objectieve en transparante verantwoording vooraf en achteraf mogelijk; de jaarlijkse – verplichte – treasuryparagraaf (paragraaf D: Financiering)in de begroting en in de jaarstukken; hierin komen de specifieke beleidsvoornemens respectievelijk de uitvoering van het beleid op het gebied van treasury aan de orde. In dit statuut worden allereerst het begrippenkader en de doelstellingen van de treasuryfunctie geformuleerd. Die worden vervolgens geconcretiseerd voor de verschillende deelgebieden van treasury: risicobeheer, gemeentefinanciering kasbeheer. In deze Memorie van Toelichting worden, waar nodig, de in het treasurystatuut opgenomen artikelen toegelicht. Toelichting per (deel van een) artikel Artikel 2 lid 1 In de eerste plaats dient de treasury ervoor te zorgen dat de gemeente ‘duurzaam toegang heeft tot de financiële markten tegen acceptabele condities’. Gewaarborgd moet zijn dat de gemeente duurzaam in staat is de voor haar activiteiten benodigde middelen aan te trekken c.q. haar overtollige middelen uit te zetten op de financiële markten (bijv. bij banken). De condities die daarbij worden bedongen, moeten op het desbetreffende moment acceptabel (tenminste marktconform) zijn. Artikel 2 lid 2 De gemeente loopt op de volgende terreinen financiële risico’s: rente, koers, krediet, interne liquiditeit en valuta. Het is de taak van de treasury om dergelijke risico’s tegen acceptabele condities te beperken. De artikelen 4 tot en met 8 gaan over de manier waarop dit gebeurt. Artikel 2 lid 3 De derde doelstelling van de treasuryfunctie is het zo efficiënt mogelijk uitvoeren (minimaliseren van de kosten) van het beheer van de geldstromen en de financiële posities. Deze kosten bestaan o.a. uit rentekosten, provisies en kosten van het betalingsverkeer. Artikel 2 lid 4 De bedoeling is om de renteresultaten te optimaliseren. Dit betekent dat er geen middelen onbenut blijven, maar dat gestreefd wordt naar zo hoog mogelijke rentebaten c.q. zo laag mogelijk rentelasten, zonder dat daarbij overmatige risico’s worden gelopen. De prioriteiten van de treasuryfunctie liggen in eerste instantie bij het beheersen en beperken van financiële risico’s; de functie is immers niet winstgericht (‘profit center’). Artikel 3 De Wet FIDO geeft twee belangrijke beleidsmatige uitgangspunten voor treasury. Dit betreft enerzijds de ‘publieke taak’ waarvoor leningen en garanties dienen en anderzijds het prudente karakter van (overige) uitzettingen. Er is dus een specifiek onderscheid tussen het verstrekken van leningen ‘uit hoofde van de publieke taak’ en het uitzetten van middelen ‘uit hoofde van treasury’. De wet stelt geen eisen aan het verstrekken van leningen en garanties uit hoofde van de publieke taak. Hiermee wordt recht gedaan aan de eigen verantwoordelijkheid van openbare lichamen over de afbakening van die publieke taak en de wettelijke taakomschrijving. Artikel 3 lid 1 Beleid is om geen geldleningen te verstrekken aan derden. Dit beleid is ook vastgelegd in dit statuut. Artikel 3 lid 2 Ons beleid is om onder bepaalde voorwaarden garanties te verstrekken. In 2002 is dit beleid aangescherpt. In samenwerking met de diverse waarborgfondsen worden rente- en aflossingsverplichtingen van geldleningen gegarandeerd. Afhankelijk van de instelling voor wie de gemeente bereid is garant te staan, wordt aan het desbetreffende waarborgfonds advies gevraagd. Deze fondsen toetsen de aanvraag op onder meer: sporttechnische aspecten; het investerings- en financieringsplan; de financiële gegevens; de meerjarenbegroting. Op basis van het advies van het waarborgfonds wordt een besluit genomen; daarbij worden o.a. de financieringsvoorwaarden en de mogelijke implicaties voor de totale financiële positie van de gemeente betrokken. Artikel 3 lid 4 tot en met 6 Via diverse separate besluiten in 1992, 2000 en 2002 zijn door de Gemeenteraad de kaders voor het verstrekken van garanties vastgesteld. Deze kaders staan in dit statuut. Artikel 3 lid 7 Conform de Wet FIDO moeten uitzettingen ‘uit hoofde van treasury’ (zie toelichting artikel 3 lid 1) een prudent karakter hebben. In de wet en in de bijbehorende ministeriële regelingen wordt het begrip ‘prudent’ nader uitgewerkt. Het aangaan van financiële transacties met als oogmerk om die financiële waarden te zijner tijd eventueel met winst te verkopen, is nadrukkelijk niet toegestaan (artikel 2 lid 2 van de wet en de memorie van toelichting op die wet). Bankachtige activiteiten – het aantrekken en uitzetten van middelen met als doel het genereren van inkomsten – zijn als gevolg van deze bepaling verboden. De richtlijnen en limieten van dit statuut vallen binnen de kaders van de Wet FIDO. De limieten en richtlijnen van dit statuut zijn specifiek geformuleerd om het prudente karakter van de uitzettingen uit hoofde van treasury te garanderen; deze hebben derhalve géén betrekking op (eventueel) verstrekte leningen of garanties uit hoofde van de ‘publieke taak’ van de gemeente . Artikel 3 lid 8 Derivaten zijn financiële instrumenten die hun bestaan ontlenen aan een bepaalde onderliggende waarde. Derivaten kennen een breed toepassingsgebied en worden o.a. gebruikt om renterisico’s te sturen en financieringskosten te minimaliseren. De wet stelt dat derivaten uitsluitend mogen worden gebruikt ter beperking van financiële risico’s. Artikel 4 lid 1 Renterisicobeheer omvat het beperken van de invloed van (externe-) rentewijzigingen op de financiële resultaten van de gemeente. Een belangrijk uitgangspunt van de wet is het vermijden van grote fluctuaties in de rentelasten van openbare lichamen. Om een grens te stellen aan korte financiering (met een rentetypische looptijd tot één jaar) is in de wet de zogenaamde kasgeldlimiet opgenomen. Het renterisico kan met name voor korte financiering aanzienlijk zijn, omdat rentefluctuaties bij zo’n financiering direct een relatief grote invloed hebben op de rentelasten. De kasgeldlimiet is een percentage van het totaal van de primaire begroting. Artikel 4 lid 2 Het doel van de renterisiconorm is het beheersen van de renterisico’s bij herfinanciering. De norm is vanaf de wijziging per 1 januari 2009 een vastgesteld percentage (20%) van het begrotingstotaal. Deze norm is tot en met 2008 gebaseerd op realisatiegegevens; dat is minder effectief als sturingsinstrument voor het beoogde financieringsgedrag. In de wetswijziging wordt voorgesteld om het renterisico te bepalen voor de komende vier jaar en om de norm te relateren aan het desbetreffende begrotingsjaar. Tot en met 2008 was de norm gekoppeld aan “de vaste schuld”. Door de relatie met de begroting kan, wanneer die schuld lager is dan het begrotingstotaal, de spreidingsduur van de financiering korter worden. Als die schuld groter is, dan neemt de spreidingsduur naar verwachting toe. De wetgever verwacht dat dit geen probleem is omdat gemeenten met relatief grote vaste schulden al voor een langere spreiding zullen hebben gekozen. Artikel 4 lid 3 Afstemming op de financiële positie en de prognose is bedoeld om middelen te lenen c.q. uit te zetten gedurende de periode dat die echt nodig respectievelijk beschikbaar zijn. Artikel 4 lid 5 Een rentevisie is een verwachting over de renteontwikkeling; op basis daarvan wordt een financiering- en beleggingsbeleid gevoerd. Daarvoor wordt gebruik gemaakt van gezaghebbende financiële instellingen, waaronder de huisbankier. Afstemming van het beleid op de rentevisie betekent bijvoorbeeld dat de financiering van complexe investeringsprojecten worden gebaseerd op actuele prognoses. De rentevisie van de gemeente is die van onze huisbankier (Bank Nederlandse Gemeenten). Artikel 4 lid 6 Door spreiding aan te brengen in de periode dat de rente van een uitzetting vast is, wordt de invloed van een rentedaling op de renteresultaten gespreid over meerdere jaren. Deze spreiding is slechts mogelijk als uit de liquiditeitsprognose blijkt dat middelen gedurende een langere periode beschikbaar zijn. Artikel 5 lid 1 De provinciaal toezichthouder heeft bij brief van 13 maart 2002 voorgeschreven dat er alleen bij volledige garantie van terugbetaling van de hoofdsom uitzettingen mogen worden gedaan. Artikel 5 lid 2 Bij het uitzetten van gelden via rekening courant, daggeld of deposito’s worden geen koersrisico’s gelopen. Het kan bij dergelijke producten echter voorkomen dat de opnamemogelijkheden beperkt zijn (in het bijzonder bij deposito’s). Certificates of deposit, commercial papers, obligaties en medium term notes zijn vastrentende waarden die (tussentijds) verhandelbaar zijn. Bij tussentijdse verkoop kunnen koersrisico’s worden gelopen. Als deze waarden tot het einde van hun looptijd worden aangehouden, dan wordt minimaal de nominale waarde en de vooraf overeengekomen (minimale) rente uitgekeerd. Garantieproducten zijn beleggingsproducten waarbij de uitgevende (financiële) instelling garandeert dat op de afloopdatum (een bepaald percentage van) de hoofdsom wordt uitgekeerd. Garantieproducten keren vaak minder of geen rente uit en bieden in plaats daarvan bijvoorbeeld een rendement dat gebaseerd is op een aandelenindex (zoals de AEX-index). Garantieproducten waarbij minder dan 100% van de hoofdsom wordt gegarandeerd zijn expliciet wettelijk niet toegestaan. Bij deze producten wordt vaak alleen de hoofdsom gegarandeerd. Omdat de reële waarde (de koopkracht) van de hoofdsom door inflatie kan verminderen, verdient het aanbeveling om bij een langere looptijd naast een hoofdsomgarantie een minimaal rendement (bijv. ter hoogte van het inflatieniveau) te eisen. Voor uitzettingen uit hoofde van de publieke taak van de gemeente staan in dit statuut geen richtlijnen voor producten. Het is van belang dat de Gemeenteraad bepaalt dat de desbetreffende uitzetting tot de ‘publieke taak’ hoort. In dit kader is het bijvoorbeeld mogelijk dat uitzettingen in de vorm van aandelen tot de publieke taak behoren. Artikel 5 lid 3 Koersrisico’s kunnen nooit volledig worden uitgesloten. Als de organisatie in een vastrentend product heeft belegd maar - wegens wijziging in de liquiditeitsprognose - voor de afloopdatum die uitzetting moet verkopen, dan wordt niet 100% van de hoofdsom uitbetaald, maar de actuele waarde van de uitzetting. Die waarde is afhankelijk van de rente en van de resterende looptijd. Om deze risico’s zoveel mogelijk te beperken stemt de gemeente de looptijd van de uitzetting af op de liquiditeitsprognose. Artikel 6 Ter beperking van kredietrisico’s staan in dit artikel richtlijnen voor de minimale kredietwaardigheid van de partijen waarbij de gemeente middelen kan uitzetten of beleggen. Daarnaast worden voorwaarden gesteld aan de relatie tussen het minimale balanstotaal van de desbetreffende instelling en het daarbij behorende maximale bedrag voor uitzetting. Een (credit-)rating is een beoordeling van de kredietwaardigheid van een instelling. Die wordt voor zowel de korte als de lange termijn toegekend door gerenommeerde rating ‘agencies’ als Standard & Poor’s, Moody’s en Fitch IBCA. De hoogste kredietwaardigheid wordt bij Standard & Poor’s en Fitch IBCA vermeld met AAA, gevolgd door AA en A. Moody’s kwalificeert van hoog naar laag Aaa, Aa en A. Daarnaast kent men kwalificaties met letters B, C en D. Een A-rating staat voor “zeer kredietwaardig”. AA staat ook voor zeer kredietwaardig maar de veiligheidsmarge is niet zo hoog als bij de AAA-categorie. De indeling AAA komt overeen met “extreem kredietwaardig”. Een solvabiliteitsratio van 0% (ofwel een ‘solvabiliteitsvrije status’) is een status die door een bancaire toezichthouder in een EER-lidstaat (bijv. De Nederlandsche Bank) wordt toegekend aan het schuldpapier van een instelling. Dat betekent dat een bank voor het desbetreffende papier geen reserves (0%) hoeft aan te houden. Die status wordt onder meer toegekend aan papier dat is uitgegeven of gegarandeerd door (centrale) overheden. De gemeente kan dus bij andere overheden geld uitzetten of beleggen in papier waaraan een overheidsgarantie is verbonden (zoals door het Waarborgfonds Sociale Woningbouw gewaarborgde leningen van woningbouwcorporaties). Aangezien niet alle financiële instellingen over een rating beschikken, terwijl ze wel voldoende kredietwaardig kunnen zijn (minimaal vergelijkbaar met een A-rating), biedt de Wet FIDO de mogelijkheid om ook bij die financiële instellingengeld uit te zetten. Dat is toegestaan mits dit op een transparante wijze gebeurt. Voorop staat dat deze transparantie aan de gemeentelijke controleorganen inzicht biedt en daarmee een belangrijk mechanisme vormt om ervoor te zorgen dat kritisch wordt omgegaan met dergelijke financiële instellingen (aldus de toelichting op de Regeling uitzettingen en derivaten decentrale overheden). Kredietrisico’s kunnen worden verminderd wanneer bij uitzettingen rekening wordt gehouden met de kredietwaardigheid van de desbetreffende financiële instellingen. Het gaat hier specifiek om de geldnemer; dat hoeft niet dezelfde te zijn als de instelling waar het desbetreffende product in portefeuille wordt gehouden: bij het kopen van een staatsobligatie via een bank is de Nederlandse Staat de geldnemer en niet de desbetreffende bank. Artikel 7 Interne liquiditeitsrisico’s doen zich o.a. voor wanneer middelen voor een bepaalde periode zijn uitgezet en gedurende de looptijd daarvan blijkt dat (een deel van) die middelen (onverwacht) nodig (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.