BOUWVERORDENING GEMEENTE DEVENTER 1992/2010De raad van de gemeente Deventer, Gezien de ledenbrief van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, kenmerk ECGF/U201200164 d.d. 08 februari 2012; Gelezen he
Artikel2
.6.9Aanwezigheid van
Artikel2
.6.10Kwaliteit van
Artikel2
.6.11Gelijkwaardigheid Vervallen Artikel2.6.12Communicatiesysteem voor publieke hulpverleningsdiensten Vervallen Paragraaf7Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen Artikel2.7.1Eis tot aansluiting aan de waterleiding (vervallen) Artikel2.7.2Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet (vervallen) Artikel2.7.3Eis tot aansluiting aan het aardgasnet (vervallen) Artikel2.7.3AEis tot aansluiting aan de publieke voorziening voor verwarming (vervallen) Artikel2.7.4Eis tot aansluiting aan de openbare Riolering (vervallen) Artikel2.7.5Aansluiting anders dan aan de openbare riolering (vervallen) Artikel2.7.6Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en terreinen (vervallen) Artikel2.7.7Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het openbare net van de nutsvoorzieningen (vervallen) 3 DE MELDING Artikel3.1De wijze van melden Vervallen Artikel3.2Welstandscriteria Vervallen 4 PLICHTEN TIJDENS EN BIJ VOLTOOIING VAN DE BOUW EN BIJ INGEBRUIKNEMING VAN EEN BOUWWERK Artikel4.1Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of tussentijdse staking van bouwwerkzaamheden Vervallen Artikel4.2Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden (vervallen) Artikel4.3Wijzigingen in gegevens bouwregistratie Vervallen Artikel4.4Het uitzetten van de bouw (vervallen) Artikel4.5Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden (vervallen) Artikel4.6Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingen (Vervallen) Artikel4.7Bemalen van bouwputten (vervallen) Artikel4.8Veiligheid op het bouwterrein (vervallen) Artikel4.9Afscheiding van het bouwterrein (vervallen) Artikel4.10Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van hinder (vervallen) Artikel4.11Bouwafval (vervallen) Artikel4.12Gereedmelding van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden (vervallen) Artikel4.13Melden van werken bij lage temperaturen (vervallen) Artikel4.14Verbod tot ingebruikneming (vervallen) 5 STAAT VAN OPEN ERVEN EN TERREINEN, AANSLUITING OP DE NUTSVOORZIENINGEN EN WEREN VAN SCHADELIJK EN HINDERLIJK GEDIERTE Paragraaf1Staat van open erven en terreinen Artikel5.1.1Staat van onderhoud van open erven en terreinen (vervallen) Artikel5.1.2Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer. Brandblusvoorzieningen (vervallen) Artikel5.1.3Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten (vervallen) Artikel5.1.4Bereikbaarheid van gebouwen voor de Brandweer (vervallen) Paragraaf2Staat van brandveiligheidsinstallaties en vluchtrouteaanduidingen Artikel5.2.1Voorschriften inzake brandveiligheidsinstallaties en
Artikel5
.2.2Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties in gebouwen niet zijnde woningen, woongebouwen, logiesverblijven, logiesgebouwen of kantoorgebouwen Vervallen Artikel5.2.3Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties in woongebouwen van bijzondere aard Vervallen Artikel5.2.4Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties in logiesverblijven en logiesgebouwen Vervallen Artikel5.2.5Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties in kantoorgebouwen Vervallen Paragraaf3Aansluiting op de nutsvoorzieningen Artikel5.3.1Eis tot aansluiting aan de waterleiding (vervallen) Artikel5.3.2Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet (vervallen) Artikel5.3.3Eis tot aansluiting aan het aardgasnet (vervallen) Artikel5.3.4Eis tot aansluiting aan de openbare riolering (vervallen) Artikel5.3.5Aansluiting anders dan aan de openbare riolering (vervallen) Artikel5.3.6Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en terreinen (vervallen) Artikel5.3.7Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het openbare net van de nutsvoorzieningen (vervallen) Paragraaf4Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid Artikel5.4.1Preventie (vervallen) 6 BRANDVEILIG GEBRUIK Vervallen 6a GEBRUIKSBEPALINGEN SEKSINRICHTINGEN Vervallen 7 OVERIGE GEBRUIKSBEPALINGEN Paragraaf1Overbevolking Artikel7.1.1Overbevolking van woningen (vervallen) Artikel7.1.2Overbevolking van woonwagens (vervallen) Paragraaf2Staken van het gebruik Artikel7.2.1Verbod tot gebruik bij bouwvalligheid (vervallen) Artikel7.2.2Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid en gebrek aan hygiëne (vervallen) Artikel7.2.3Staken van het gebruik van een woonwagen Vervallen Paragraaf3Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen Artikel7.3.1 Vervallen Zie toelichting. Artikel7.3.2Hinder (vervallen) Paragraaf4Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid Artikel7.4.1Preventie (vervallen) Paragraaf5Watergebruik Artikel7.5.1Verboden gebruik van water (vervallen) Paragraaf6Installaties Artikel7.6.1Gebruiksgereed houden van installaties (vervallen) 8 SLOPEN Paragraaf1Omgevingsvergunning voor het slopen Artikel8.1.1Omgevingsvergunning voor het slopen (vervallen) Artikel8.1.2Aanvraag sloopvergunning Vervallen Artikel8.1.3In behandeling nemen Vervallen Artikel8.1.4Termijn van beslissing Vervallen Artikel8.1.5Samenloop van slopen en bouwen Vervallen Artikel8.1.6Weigeren omgevingsvergunning voor het slopen (vervallen) Artikel8.1.7Intrekken omgevingsvergunning voor het slopen (vervallen) Paragraaf2Uitzondering op het vereiste van een omgevingsvergunning voor het slopen Artikel8.2.1 Sloopmelding (vervallen) Artikel8.2.2Overige uitzonderingen op het vereiste van een omgevingsvergunning voor het slopen (vervallen) Paragraaf3Verplichtingen tijdens het slopen Artikel8.3.1Veiligheid op sloopterrein (vervallen) Artikel8.3.2Op het sloopterrein verplicht aanwezige bescheiden (vervallen) Artikel8.3.3Plichten van de houder van de omgevingsvergunning voor het slopen (vervallen) Artikel8.3.4Plichten van degene die sloopt (vervallen) Artikel8.3.5Wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest (vervallen) Artikel8.3.4Plichten ten aanzien van de sloop van tuinbouwkassen Vervallen Paragraaf4Vrij slopen Artikel8.4.1Sloopafval algemeen (vervallen) 9 WELSTAND Artikel9.1De advisering door de welstandscommissie Alternatief 2 De welstandscommissie adviseert over de welstandsaspecten van aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen. De welstandscommissie baseert haar advies op de in de welstandsnota genoemde welstandscriteria. Artikel9.2Samenstelling van de welstandscommissie Alternatief 3 De welstandscommissie bestaat ten minste uit 5 leden, waaronder een voorzitter en een secretaris, waarvan ten minste 3 leden deskundig zijn op het gebied van architectuur, ruimtelijke kwaliteit dan wel cultuurhistorie. Voor de leden worden plaatsvervangers aangewezen. De welstandscommissie kan slechts adviezen uitbrengen indien ten minste drie leden aanwezig zijn en waarvan ten minste twee leden beschikken over deskundigheid op het gebied van welstand. 4 De leden van de commissie zijn onafhankelijk van het gemeentebestuur. Artikel9.3Benoeming en zittingsduur (vervallen) Artikel9.4Jaarlijkse verantwoording De welstandscommissie stelt jaarlijks een verslag op van haar werkzaamheden voor de gemeenteraad, waarin ten minste aan de orde komt: op welke wijze toepassing is gegeven aan de welstandscriteria uit de welstandsnota; de werkwijze van de welstandscommissie; op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van vergaderen; de aard van de beoordeelde plannen; de bijzondere projecten. De welstandscommissie kan in haar jaarverslag aanbevelingen doen ten aanzien van het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het algemeen en de aanpassing van de gemeentelijke welstandsnota in het bijzonder. Artikel9.5Termijn van advisering 1.De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen uit binnen vier weken nadat door of namens burgemeester en wethouders daarom is verzocht. 2.De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen, indien deze vergunning betrekking heeft op een deel van een project of een gefaseerde aanvraag betreft uit binnen drie weken nadat door of namens burgemeester en wethouders daarom is verzocht. 3.Burgemeester en wethouders kunnen in hun verzoek om advies de welstandscommissie een langere termijn dan genoemd in de bovengenoemde leden van dit artikel geven voor het uitbrengen van het welstandsadvies. Een langere termijn kan door burgemeester en wethouders worden gegeven indien de termijn van afdoening van de aanvraag is verlengd met toepassing van artikel 3.9, tweede lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Artikel9.6Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting De behandeling van bouwplannen door of onder verantwoordelijkheid van de welstandscommissie wordt tijdig bekend gemaakt in een van overheidswege uitgegeven blad of dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze. Indien burgemeester en wethouders – al dan niet op verzoek van de aanvrager- een verzoek doen tot niet-openbare behandeling, dan dienen burgemeester en wethouders daaraan klemmende redenen op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur ten grondslag te leggen. De openbaarheid geldt zowel voor de beraadslagingen, de beoordeling als de adviezen. Indien de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen hierom bij het indienen van de aanvraag om de omgevingsvergunning voor het bouwen heeft verzocht, wordt deze door of namens de welstandscommissie in staat gesteld tot het geven van een toelichting op het bouwplan. In het geval dat het bouwplan in de vergadering van de commissie wordt behandeld en een verzoek tot het geven van een toelichting is gedaan, dient de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen een uitnodiging te ontvangen voor de vergadering van de commissie, waarin de aanvraag wordt behandeld. Alternatief 1: Belanghebbenden hebben in toelichtende zin spreekrecht. Het reglement van orde van de welstandscommissie dat als bijlage 9 bij deze verordening is vastgesteld, voorziet in een procedurele opzet, waarbij er een onderscheid wordt aangebracht in de toelichtende fase en de beraadslagingen. Artikel9.7Afdoening onder verantwoordelijkheid 1.De welstandscommissie kan de advisering over een aanvraag om advies, in afwijking van artikel 9.2, onder verantwoordelijkheid van de commissie overlaten aan een of meerdere daartoe aangewezen leden. Het aangewezen lid of de aangewezen leden adviseren over bouwplannen waarvan volgens hen het oordeel van de welstandscommissie als bekend mag worden verondersteld. 2.In geval van twijfel wordt het bouwplan alsnog voorgelegd aan de welstandscommissie. Artikel9.8Vorm waarin het advies wordt uitgebracht 1.De welstandscommissie adviseert en motiveert haar advies schriftelijk. 2.Zodra het advies wordt uitgebracht, wordt het door of namens burgemeester en wethouders gevoegd bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen. Artikel9.9Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken of standplaatsen (vervallen) 10 OVERIGE ADMINISTRATIEVE BEPALINGEN Artikel10.1De aanvraag om woonvergunning Vervallen Artikel10.2De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een ontruimde onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen Vervallen Artikel10.3Overdragen vergunningen Vervallen Artikel10.4Overdragen mededeling Vervallen Artikel10.5Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en woonwagens alsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsen Vervallen Artikel10.6Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere voorschriften Het bevoegd gezag is bevoegd om rekening te houden met de herziening en vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere voorschriften waarnaar in deze verordening - of in de bij deze verordening behorende bijlagen - wordt verwezen, indien de bevoegde instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging heeft gepubliceerd. 11 HANDHAVING Artikel11.1Bevel tot stilleggen van de bouw Vervallen Artikel11.2Overtreding van het verbod tot ingebruikneming Vervallen Artikel11.3Stilleggen van het slopen Vervallen 12 STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN Artikel12.1Strafbare feiten Vervallen Artikel12.2Overgangsbepaling bodemonderzoek Vervallen Artikel12.3Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open erven en terreinen (vervallen) Artikel12.4Overgangsbepaling (aanvragen
- om)gebruiksvergunning Vervallen Artikel12.5Overgangsbepaling sloopmelding Vervallen Artikel12.6Slotbepaling 1.Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2013. 2.De Bouwverordening Deventer 1993 met alle aangebrachte wijzigingen tot en met wijziging 13a wordt ingetrokken 3.Deze verordening wordt aangehaald als: "Bouwverordening Deventer 1992 - 2012, 14e wijziging". Bijlage 1 Gegevens en bescheiden aanvraag bouwvergunningBijlage als bedoeld in de artikelen 2.1.1 en 3.1 Artikel 1 De bij de aanvraag om bouwvergunning behorende bescheiden als bedoeld in artikel 2.1.3 van de bouwverordening VervallenArtikel 2 De bij de aanvraag om bouwvergunning behorende gegevens en bescheiden als VervallenArtikel 3 FunderingsplanVervallenArtikel 4 Constructieve en aanverwante gegevensVervallenArtikel 5 BouwveiligheidsplanVervallenArtikel 6 Eisen ten aanzien van tekeningenVervallenArtikel 7 Eisen ten aanzien van berekeningenVervallenBijlage 2 Gegevens en bescheiden aanvraag gebruiksvergunningVervallenBijlage 3 Gebruikseisen voor bouwwerken VervallenBijlage 4 Gebruikseisen voor bouwwerken met uitzondering van de niet-gemeenschappelijke ruimten in woonfunctiesVervallenBijlage 5 Toegestane hoeveelheid brandgevaarlijke stoffenVervallenBijlage 6 Opslag brandgevaarlijke stoffenVervallenBijlage 7 Kwaliteitseisen voor buizen en hulpstukken van de buitenriolering op erven en terreinen (vervallen) Bijlage 8 Infiltratievoorzieningen op bouwkavels (vervallen) Bijlage 9 Reglement van orde voor de welstandscommissiesHet reglement van orde voor de welstandscommissies bestaat uit De verordening inzake de Planaviesraad welstand monumenten en beschermd stadsgezicht 2012, luidende: Verordening inzake de Planadviesraad Welstand, Monumenten en Beschermd Stadsgezicht (art. 82 Gemeentewet) Artikel 1. Planadviesraad en Adviesraad 1.Er is een Planadviesraad welstand, monumenten en eschermd stadsgezicht, in deze verordening de “de Planadviesraad” genoemd. 2. Er is een adviesraad welstand, monumenten en beschermd stadsgezicht, in deze verordening de "Adviesraad"genoemd. 3. De Planadviesraad is aangewezen als de welstandscommissie als bedoeld in artikel 1, lid 1 onder n van de Woningwet en de commissie op de monumentenzorg, als bedoeld in artikel 15 van de Monumentenwet 1988". 4. De (Plan)adviesraad is werkzaam voor het hele grondgebied van de gemeente Deventer, inclusief het gebied dat krachtens artikel 35 van de Monumentenwet 1988 is aangewezen als beschermd stads- of dorpsgezicht. Artikel 2. Samenstelling, benoeming en vergadering van de Plandadviesraad 1.De Planadviesraad is bestaat uit zeven leden die, na voordracht van Het Oversticht, op voorstel van burgemeester en wethouders worden benoemd en ontslagen door de gemeenteraad, en wel; a. een lid dat als voorzitter optreedt; b. twee wisselende leden met deskundigheid op het gebied van stedenbouw en/of architectuur. c. twee leden, die over specifieke deskundigheid op het gebied van de monumentenzorg beschikken of daarmee bijzondere affiniteit heben. Het Oversticht wint over deze voordracht tevoren het advies van de adviesraad Monumenten in; d. een lid dat over specifieke deskundigheid op het gebied van landschapsarchitectuur en groen beschikt; e. een lid met deskundigheid op het gebied van stedenbouw, architectuur dan wel cultuurhistorie, dat tevens de functie van secretaris vervult. 2. Tot voorzitter of lid zijn niet benoembaar: a. leden van een bestuursorgaan van de gemeente Deventer; b. ambtenaren in dienst bij een bestuursorgaan van de gemeente Deventer of daarmede op grond van hun werkzaamheden gelijk te stellen personen in de uitoefening van hun functie. 3. De gemeenteraad ontslaat de voorzitter of een lid van de planadviesraad: a. op zijn verzoek; b. wanneer hij uit hoofde van ziekte of gebreken blijvend ongeschikt is zijn functie te vervullen; c. bij de aanvaarding van een ambt of betrekking welke bij deze verordening onverenigbaar is verklaard met het lidmaatschap van de planadviesraad; d. wanneer hij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens misdrijf is veroordeeld, dan wel hem bij zulk een uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft; e. wanneer hij ingevolge een onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak onder curatele is gesteld, in staat van faillissement is verklaard, surséance van betaling heeft verkregen of wegens schulden is gegijzeld. werkzaam voor het hele grondgebied van de gemeente Deventer, met 4. De voorzitter en de leden worden benoemd voor een periode van drie jaar. Zij kunnen eenmaal voor een periode van ten hoogste drie jaar worden herbenoemd. 5. De planadviesraad stelt een rooster van aftreden vast 6. De Planadviesraad komt bijeen na schriftelijke oproep door de secretaris of op verzoek van burgemeester en wethouders. 7. De Planadviesraad beraadslaagt en besluit niet indien niet minimaal drie van de leden, de voorzitter daaronder begrepen, aanwezig zijn. Waaronder ten minste één lid als bedoeld onder lid 1 sub c of d, in het geval voor een goede beoordeling van een plan deze specifieke deskundigheid vereist. 8. De Planadviesraad besluit bij meerderheid van stemmen. De minderheid kan vorderen dat uit het advies haar afwijkende mening blijkt. Bij staking van stemmen beslist de voorzitter; 9. In spoedeisende gevallen kan van het bepaalde in het zevende of achtste lid worden afgeweken, waarvan mededeling moet worden gedaan in het uit te brengen advies; Artikel 3. Samenstelling, benoeming en vergadering van de adviesraad 1. De Planadviesraad benoemt uit haar midden een Adviesraad welke bestaat uit ten minste drie leden te weten; a. een lid dat over de deskundigheid op het gebied van stedenbouw, architectuur dan wel cultuurhistorie beschikt en naast de functie van secretaris tevens de functie van voorzitter vervult; b. een lid met deskundigheid op het gebied van stedenbouw en/of architectuur; c. een lid dat over specifieke deskundigheid op het gebied van de monumentenzorg beschikt of daarmee bijzondere affiniteit heeft. 2. De Adviesraad komt bijeen na schriftelijke oproep door de secretaris of op verzoek van burgemeester en wethouders. 3. De Adviesraad beraadslaagt en besluit niet indien niet minimaal twee van de leden aanwezig zijn. Waaronder ten minste één lid als bedoeld onder lid 1 sub c in het geval voor een goede beoordeling van een plan deze specifieke deskundigheid is vereist. 4. De Adviesraad besluit bij meerderheid van stemmen of bij gelijkluidende stem in het geval slechts twee van de leden aanwezig zijn. De minderheid kan vorderen dat uit het advies haar afwijkende mening blijkt. Bij staking van stemmen beslist de voorzitter; Artikel 4. Wanneer advies wordt uitgebracht De Planadviesraad brengt advies uit: a. ten aanzien van alle omgevingsvergunningplichtige activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 onder a (bouwwerken), f (rijksmonumenten) en h (slopen in een door het rijk aangewezen beschermd stads- of dorpsgezicht) en artikel 2.2 lid 1 onder h (reclame ingevolge artikel 4:15 van de Algemene Plaatselijke Verordening), b (gemeentelijk/provinciaal monument), c (slopen in een bij verordening aangewezen beschermd stads- en dorpsgezicht) en g (slopen op grond van een bestemmingsplan) van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) b. ten aanzien van de vertaling van de stedenbouwkundige ambities ten aanzien van de vertaling van de stedenbouwkundige ambities in beeldkwaliteitsplannen en de toetsbaarheid van deze plannen; c. bij de voorbereiding van besluiten als bedoeld in artikel 13a van de Woningwet ten aanzien van de vraag of het uiterlijk van een (bestaand) bouwwerk of standplaats in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand; d. ten aanzien van andere aangelegenheden, waarin burgemeester en wethouders dit wenselijk achten, zoals ten aanzien van de openbare ruimte. Artikel 5. Vorm en termijn waarin het advies wordt uitgebracht 1. De Planadviesraad brengt binnen twee weken nadat daarom door of namens burgemeester en wethouders is verzocht, schriftelijk en met redenen omkleed advies uit in het geval: a. het een afwijzend advies betreft; b. het een positief advies betreft aangaande een monument; c. het een advies na vooroverleg betreft; d. burgemeester en wethouders dit wenselijk achten, zoals ten aanzien van beroepszaken, complexe en/of gevoelige plannen. 2. Een schriftelijk advies als bedoeld in het eerste lid kan achterwege blijven en met een zogenaamd stempeladvies tijdens de vergadering worden afgedaan in het geval; a. het een positief advies betreft; b. het advies eenvoudig in de vergadering op de aanvraag genoteerd kan worden; c. het een kleine ingreep van een monument betreft waarbij er geen monumentale waarden in het geding zijn. 3. De uit te brengen adviezen worden gericht aan het college van burgemeester en wethouders, doch toegezonden aan de manager van het team dat de aanvraag behandelt waarop het advies betrekking heeft dan wel – in geval advies is gevraagd in het kader van een bezwaarschriftprocedure – aan de secretaris van de Algemene Bezwaarschriftencommissie. 4. De Planadviesraad ontvangt na de definitieve besluitvorming schriftelijk bericht over het door burgemeester en wethouders/gemeenteraad genomen besluit, inclusief de overwegingen indien van het advies wordt afgeweken. 5. Burgemeester en wethouders kunnen in hun verzoek om advies de Planadviesraad een langere termijn dan genoemd in de bovengenoemde leden van dit artikel geven voor het uitbrengen van het welstandsadvies. Een langere termijn kan door burgemeester en wethouders worden gegeven indien de termijn van afdoening van de aanvraag is verlengd met toepassing van artikel 3.9, tweede lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Artikel 6. Extra deskundigheid De Planadviesraad is bevoegd deskundigen uit te nodigen en te horen. Artikel 7. Afdoening bij mandaat 1. De Planadviesraad mandateert het uitbrengen van advies ten aanzien van de in artikel 4 genoemde onderwerpen aan de Adviesraad mits: a. het gaat om plannen waarop vanuit de welstandsnota het bijzondere toetsingsniveau van toepassing is; b. het gaat om monumentenplannen en plannen in het beschermde stads- en dorpsgezicht; c. het gaat om plannen die behoren tot de categorie waarover de mening van de planadviesraad als bekend mag worden verondersteld, waartoe in ieder geval behoren de plannen, waarop een beeldkwaliteitsplan of anderszins een beleidsregel inzake welstand van toepassing is; d. het niet gaat om (uit esthetisch oogpunt) ingrijpende en/of belangrijke (bouw)plannen; e. het niet gaat om de advisering in bezwaarschriftprocedures, waarbij welstandsaspecten in het geding zijn, ten aanzien waarvan de afvaardiging van de Planadviesraad krachtens mandaat in eerste aanleg heeft geadviseerd. 2. De Planadviesraad mandateert het uitbrengen van advies aan het college van burgemeester en wethouders ten aanzien van de in artikel 4 genoemde onderwerpen aan de secretaris van deze raad, mits: a. het gaat om plannen waarop vanuit de welstandsnota het reguliere toetsingsniveau van toepassing is; b. het gaat om plannen waarop vanuit de welstandsnota het bijzondere toetsingsniveau van toepassing is en waarbij sprake is van een kleine ingreep c. het gaat om plannen waarop de criteria voor reclameplannen van toepassing zijn; d. het gaat om plannen waarop de criteria voor kleine bouwplannen van toepassing zijn; e. het gaat om plannen die behoren tot de categorie waarover de mening van de Planadviesraad als bekend mag worden verondersteld, waartoe in ieder geval behoren de plannen, waarop een beeldkwaliteitsplan of anderszins een beleidsregel inzake welstand van toepassing is; f. het niet gaat om (uit esthetisch oogpunt) ingrijpende en/of belangrijke (bouw)plannen; g. het niet gaat om de advisering in bezwaarschriftprocedures, waarbij welstandsaspecten in het geding zijn, ten aanzien waarvan de secretaris krachtens mandaat in eerste aanleg heeft geadviseerd. Artikel 8. Openbaarheid van vergaderen 1. De vergaderingen van de Planadviesraad zijn openbaar. De openbaarheid geldt zowel voor de beraadslagingen, de beoordeling als de adviezen. Een vergadering of een gedeelte daarvan is niet openbaar in gevallen als bedoeld in artikel 10, eerste lid van de Wet openbaarheid van bestuur en in gevallen waarin het belang van de openbaarheid van bestuur niet opweegt tegen de in artikel 10, tweede lid van die wet genoemde belangen. Indien burgemeester en wethouders - al dan niet op verzoek van de aanvrager - of de voorzitter een verzoek doen tot niet openbare behandeling dienen zij daaraan klemmende redenen op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur ten grondslag te leggen; 2. Belanghebbenden als bedoeld in artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht krijgen op verzoek spreekrecht toegekend over een voorliggend plan en gedurende een door de voorzitter dan wel secretaris te bepalen tijd. Artikel 9. Jaarlijkse verantwoording 1. De secretaris van de (Plan)adviesraad draagt er zorg voor dat, indien een inspreker hierom verzoekt, van het verhandelde in een vergadering een schriftelijk verslag wordt opgesteld. 2. De secretaris draagt verder zorg voor de opstelling van een (jaar)verslag van de door de (Plan)adviesraad verrichte werkzaamheden, waarin tenminste wordt uiteengezet op welke wijze zij toepassing heeft gegeven aan de criteria als bedoeld in artikel 12a, lid 1 onderdeel a van de Woningwet. Dit verslag wordt jaarlijks voor 1 april van het daarop volgende jaar aan burgemeester en wethouders aangeboden. Artikel 10. Onvoorziene omstandigheden In alle gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslissen burgemeester en wethouders. Artikel 11. Inwerkingtreding Deze verordening treedt met terugwerkende kracht in werking op 1 april 2012, met dien verstande dat de benoeming van de leden van de Planadviesraad met terugwerkende kracht ingaat per 1 januari 2012. Artikel 12. Naamstelling Deze verordening kan worden aangehaald als de “Verordening planadviesraad welstand monumenten en beschermd stadsgezicht”. II MotiveringDe gemeenteraad heeft de Verordening inzake de Planadviesraad Welstand, Monumenten en Beschermd Stadsgezicht naar aanleiding van de actualisatie van de Welstandsnota gewijzigdvastgesteld op 23 mei 2012. Toelichting 1. Algemeen De ‘Verordening planadviesraad welstand, monumenten en beschermd stadsgezicht’ is een reglement van orde voor de welstandscommissie bedoeld in de Woningwet en de commissie op het gebied van de monumentenzorg uit de Monumentenwet 1988. Bij het opstellen van het reglement van orde is bovendien aansluiting gezocht en rekening gehouden met de regels omtrent de samenstelling, inrichting en werkwijze van de welstandscommissie zoals deze op grond van artikel 8 van de Woningwet zijn opgenomen in de Bouwverordening van de gemeente Deventer. De leden van de Planadviesraad welstand, monumenten en beschermd stadsgezicht (hierna te noemen Planadviesraad), zijn onafhankelijke van de gemeente Deventer en worden op voordracht van het college benoemd door de gemeenteraad. In het reglement zijn de ‘Verordening adviesraad welstand’ en de ‘Verordening planadviesraad monumenten en beschermd stadsgezicht’ samengevoegd. Aanleiding voor de samenvoeging is de werkwijze voor de welstandsbeoordeling op basis van de Welstandsnota die op 1 januari 2012 in werking is getreden. 2. Welstandstoets en werkwijze De nieuwe werkwijze gaat uit van een planadviesraad, bestaande uit zeven leden, waarin alle voor beoordeling van ruimtelijke plannen noodzakelijke disciplines vertegenwoordigd zijn. Gedacht moet worden aan disciplines op het gebied van architectuur, stedenbouw, landschap, bouwhistorie en restauratie. In een voorkomend geval is de planadviesraad bovendien bevoegd om extra deskundigheid uit te nodigen. De planadviesraad is bevoegd om ieder voorkomend bouw en/of monumentenplan aan de criteria uit de Welstandsnota te toetsen. Niet ieder plan hoeft echter even zwaar te worden beoordeeld. De Welstandsnota kent twee toetsingsniveaus ‘regulier’ en ‘bijzonder’. Het bijzonder toetsniveau geldt voor een klein aantal gebieden in de gemeente, waaronder het beschermde stadsgezicht, en een aantal belangrijke toegangswegen. Plannen in deze gebieden worden zwaarder getoetst omwille van bijvoorbeeld het behoud van de cultuurhistorische waarde van een dergelijk gebied. Criteria voor deze gebieden zijn opgenomen in een redegevende omschrijving en minder concreet dan de criteria voor de gebieden met het reguliere toetsingsniveau. Het reguliere toetsingsniveau geldt voor het gros van de gemeente. De in de Welstandsnota opgenomen criteria zijn gericht op handhaving van de huidige kwaliteit. Daarbij zijn voor kleine bouwplannen gelegen in gebieden waarvoor het regulier toetsingsniveau geldt criteria opgesteld. Een plan dat voldoet aan deze criteria voldoet zonder meer aan welstand. Soortgelijke criteria zijn opgesteld voor reclames. Met dat verschil dat daarvoor geen onderscheid is gemaakt naar toetsingsniveau. 3. Mandatering Het is de planadviesraad toegestaan om de beoordeling van plannen vanwege het verschil in toetsingsniveau te mandateren aan een aantal aangewezen leden uit de Planadviesraad, de zogenaamde Adviesraad of aan de secretaris van de Planadviesraad. De Adviesraad kent drie leden met de disciplines op het gebied van monumentenzorg, architectuur en/of stedenbouw. Aan het mandateren van de toetsing van plannen zijn regels gesteld. Zo moet de mening van de Planadviesraad ten aanzien van eventuele criteria waaraan plannen worden getoetst, uit bijvoorbeeld beeldkwaliteitsplannen of andere beleidsregels, bekend zijn. Verder is mandaat van de toetsing van ingrijpende en/of belangrijke plannen uitgesloten. Eveneens kan geen herhaald advies worden gegeven door de gemandateerde als bezwaar tegen een plan wordt ingesteld waarover deze heeft geadviseerd. Aan de secretaris wordt voorts gemandateerd onder meer de plannen waarop de reguliere toetsing van toepassing is en de reclameplannen. Advisering ten aanzien van monumentenplannen, hele kleine ingrepen daargelaten, is vanwege de dar aanwezige monumentendeskundigheid voorbehouden aan de ‘kleine’- dan wel volledige planadviesraad. De planadviesraad kan voorts de toetsing van de overige plannen mandateren aan de ‘kleine’ planadviesraad. Voor de planadviesraad blijft naast de beoordeling van ingrijpende en/of belangrijke plannen over het adviseren inzake nieuw welstandsbeleid (beeldkwaliteitsplannen), trends en andere uitspraken op principieel niveau. 4. Termijn en wijze van advisering Veel welstandstoetsen vinden plaats in het kader van een aanvraag om omgevingsvergunning voor een bouw- of monumentenplan. Voor de beoordeling van deze aanvragen om omgevingsvergunning geldt in de meeste gevallen een beslistermijn van acht weken, welke eenmalig met zes weken kan worden verlengd. De aan de planadviesraad (of gemandateerde) geboden adviestermijn van maximaal twee weken is afgestemd op de beslistermijn van de omgevingsvergunning. Er is naar gestreefd om de noodzaak van een uitgebreid schriftelijk advies zo klein mogelijk te houden. De inzet is dat zoveel mogelijk plannen gelijktijdig met de beoordeling kunnen worden geadviseerd. Het plan wordt in dat geval voorzien van een stempel eventueel met een korte notatie, een zogenaamd ‘stempeladvies’. Deze wijze van advisering komt de doorlooptijd van omgevingsvergunningen ten goede. Voor een goede doorloopsnelheid van de plannen beoordeeld de secretaris wekelijks de aan hem gemandateerde plannen, de Adviesraad tweewekelijks en de Planadviesraad komt eens in de zes weken bij elkaar. Afhankelijk van het aanbod van de plannen kunnen voornoemde vergaderfrequenties worden aangepast. 5. Openbaarheid van de vergadering De wettelijke taken van de Planadviesraad worden uitgevoerd in openbaarheid. Daarvan kan slechts worden afgeweken als de belanghebbende een beroep doet op artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur en zodanige aangelegenheden aan de orde zijn dat daarmee de aanvrager in zijn recht staat openbaarheid te weigeren. Om belanghebbende in de gelegenheid te stellen van dit recht gebruik te maken wordt voorafgaand aan de welstandsvergadering de agenda bekend gemaakt. Belanghebbenden en/of aanvragers hebben de mogelijkheid, indien tijdig vooraf gemeld, om in te spreken dan wel het plan toe te lichten. De aanvrager van een plan waarover een negatief advies wordt afgegeven, krijgt in ieder geval de mogelijkheid om het plan toe te lichten voordat het advies definitief wordt gemaakt. De verplichting tot openbaar vergaderen heeft betrekking op de vergaderingen waarin het welstandsadvies formeel wordt vastgesteld. Het is niet verplicht voor informeel vooroverleg over een voorlopige aanvraag of een schetsplan. De potentiële bouwer kan in het stadium van vooroverleg gebaat zijn bij beslotenheid. Openbaarheid zou dan remmend op het vooroverleg kunnen werken, terwijl uit oogpunt van de korte bouwplanprocedure vooroverleg bij bijzondere plannen in veel gevallen noodzakelijk is. 6. Jaarlijkse Verantwoording Een jaarverslag is een wettelijke verplichting en bij uitstek geschikt om te signaleren waar de welstandsnota als beleidskader onvoldoende houvast heeft kunnen bieden bij de welstandsbeoordeling en kan tevens dienen ter verantwoording waarom in specifieke gevallen is afgeweken van het vastgestelde beleid. Het jaarverslag kan voor de gemeenteraad dan ook aanleiding zijn voor bijstelling van het gemeentelijk welstandsbeleid. II Motivering De gemeenteraad heeft de toelichting op de Verordening inzake de Planadviesraad Welstand, Monumenten en Beschermd Stadsgezicht naar aanleiding van de actualisatie van de Welstandsnota gewijzigdvastgesteld op 23 mei 2012. Artikel B Overgangsbepalingen ** Op een aanvraag om bouwvergunning, ontheffing of toestemming of een aanvraag om omgevings-vergunning, die is ingediend vóór 1 april 2012 en waarop op dit tijdstip nog niet is beschikt, zijn de bepalingen van de bouwverordening van toepassing, zoals die luidden voor deze wijziging, tenzij de aanvrager aangeeft dat de gewijzigde bepalingen worden toegepast. Dit geldt niet voor de van rechtswege vervallen artikelen van de bouwverordening, omdat de voor deze artikelen in de plaats komende rijksregelgeving een dergelijke mogelijkheid niet kent.” Artikel C Inwerkingtreding Deze wijzigingen treden in werking op 1 januari 2013. Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 12 december 2012.. De raad voornoemd, de griffier, de voorzitter, drs. S.J. Peet ir. A.P. Heidema Bijlage 10 Tabel 2.6.1 behorende bij artikel 2.6.1 BrandmeldinstallatiesVervallenBijlage 11 Tabel 2.6.5 behorende bij artikel 2.6.5 OntruimingsalarminstallatiesVervallenBijlage 12 Tabel 2.6.8 behorende bij artikel 2.6.8 (vluchtrouteaanduiding)VervallenBijlage 13 Voorwaarden kamergewijze verhuurAanvullende eisen bij kamergewijze verhuur aan meer dan vier personen zijn:in de gemeenschappelijke keuken moet een geschikt blusmiddel aanwezig zijn; de vluchtroute naar buiten de wooneenheid moet gangbaar en in de vluchtrichting niet afsluitbaar zijn (de voordeur is daarom zonder sleutel te openen); indien er geen tweede vluchtroute vanaf de toegangsdeur van de wooneenheid is, moet de wooneenheid ook op andere wijze dan via de vluchtweg verlaten kunnen worden (bijvoorbeeld: uitwerpladder; kooiladder; mogelijkheid van redding door middel van inzet van een ladderwagen van de brandweer); indien de wooneenheid niet is uitgevoerd als subbrandcompartiment met een weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van ten minste 30 minuten, moet de woning zijn uitgerust met een automatische brandmeldinstallatie als bedoeld in NEN 2535 (uitgave 1996) en NEN 2535/A1 (uitgave 2002) met thermische detectiepunten in de gemeenschappelijke keuken en de vluchtroute(
- s)in combinatie met een automatische ontruimingsalarminstallatie als bedoeld in NEN 2575 (uitgave 2004) met akoestische signaalgevers in de gemeenschappelijke keuken en de vluchtroute(s). Doormelding van de brandmeldinstallatie naar de alarmcentrale van de brandweer is niet vereist. BIJLAGE 14 PARKEERNORMENI Parkeernormen als bedoeld in artikel 2.5.30 van de bouwverordeningBij toepassing van artikel 2.5.30 van de Bouwverordening gelden de volgende parkeernormen en toepassingsrichtlijnen:functie gebied I Centrumgebied gebied II Bestaande woonwijken gebied III Overige gebieden eenheid waarvan aandeel voor bezoekers opmerkingen Wonen Woning duur 1,5. 1,7 2 woning 0,3 pp per woning > € 200.000 bouwkosten bepaald volgens NEN 2631/2580 Woning middelduur 1,4 1,6 1,8 woning 0,3 pp per woning € 100.000 tot en met € 200.000 Woning goedkoop 1,2 1,4 1,6 woning 0,3 pp per woning < € 100.000 serviceflat/aanleunwoning/ bejaardenwoning 0,6 0,6 0,6 woning 0,3 pp per woning zelfstandige woning met beperkte zorgvoorziening kamerverhuur/studenten-/ jongerenwoning/personeelsflat 0,6 0,6 0,6 kamer 0,2 pp per woning/ kamer detailhandel Binnenstad/hoofdwinkelgebieden en grootschalige detailhandel 3,5 100 m² bvo¹ 85% 1 arbeidsplaats = 40 m2bvo Stadsdeelcentra 3,8 4 100 m² bvo 85% 1 arbeidsplaats = 40 m2 bvo Wijk,buurt en dorpscentra 3,5 3,5 100 m² bvo 85% 1 arbeidsplaats = 40 m2bvo Perifere (volumineuze) detailhandel 2,5 2,5 100 m² bvo 85% 1 arbeidsplaats = 40 m2 bvo Weekmarkt 4 4 4 100 m² bvo 85% werkgelegenheid (commerciële) dienstverlening (kantoren met baliefunctie) 2 2,5 3 100 m² bvo 20% 1 arbeidsplaats = 25-35 m² bvo kantoren (kantoren zonder baliefunctie) 2 2,2 2,5 100 m² bvo 5% 1 arbeidsplaats = 25-35 m² bvo arbeids-/bezoekersextensieve bedrijven (loods, opslag, groothandel, transportbedrijf) 0,5 0,6 0,8 100 m² bvo 5% 1 arbeidsplaats = 25-35 m² bvo arbeidsintensieve/bezoekersex- tensieve bedrijven (industrie, garagebedrijf, laboratorium, werkplaats, transportbedrijf 1,5 1,6 1,7 100 m² bvo 5% 1 arbeidsplaats = 25-35 m² bvo arbeidsextensieve/bezoekers-intensieve bedrijven (showroom) 0,8 1 1,4 100 m² bvo 35% 1 arbeidsplaats = 25-35 m² bvo bedrijfsverzamelgebouw 2 2 2 100 m² bvo 10% 1 arbeidsplaats = 25-35 m² bvo Sociaal-maatschappelijk culturele functies café/bar/discotheek/cafetaria 6 6 7 100 m² bvo 90% restaurant 8 8 8 100 m² bvo 80% hotel/motel 1,5 1,5 1,5 kamer pensions/jeugdherbergen 1 1 1 kamer + 0,5 per arbeidsplaats museum/bibliotheek 0,5 0.7 1 100 m² bvo vergader-congreszaal 16 20 20 100 m² bvo 95% bioscoop/theater/schouwburg 0,2 0,2 0,3 zitplaats sporthal (binnen) 2 2,2 5 100 m² bvo 95% Gymlokalen met schoolfunctie hebben geen extr p-vraag; bij sporthal met wedstrijdfunctie: + 0,1-0,2 pp per bezoekersplaats sportveld (buiten) 27 27 27 ha. netto terrein 95% squashbanen 1,5 1,5 1,5 baan 90% tennisbanen 6,5 6,5 6,5 baan 90% dansstudio/sportschool 3 3 3 100 m2 bvo 95% bowlingbaan/biljartzaal 2,5 2,5 2,5 baan/tafel 95% golfbaan 8 hole 95% stadion ntb ntb ntb zitplaats - evenementenhal,beursgebouw, congresgebouw 4 6 7 100 m2 bvo 99% themapark/pretpark 12 12 12 ha netto terrein 99% zwembad 9 10 11 100 m2 bassin 90% manege 0,5 box 90% volkstuin 0,3 0,3 perceel cultureel centrum/wijkgebouw 3 3 3 100 m² bvo 90% religiegebouw 0,1 0,1 0,1 zitplaats begraafplaats/crematorium (lokaal) 30 30 30 per gelijktijdige begrafenis/cre- matie begraafplaats /crematorium (regionaal) 100 100 100 per gelijktijdige begrafenis/cre- matie medische functies ziekenhuis 1,7 1,7 1,7 bed verpleeg/verzorgingstehuis 0,7 0,7 0,7 wooneenheid 60% arts/maatschap/kruisgebouw/ therapeut 2 2 2 behandelkamer 65% met minimum van 3 parkeerplaatsen per praktijk onderwijsfuncties WO/HBO dagonderwijs 10 10 10 collegezaal l totale parkeervraag = collegezalen + leslokalen Collegezaal = circa 150 zitplaatsen MBO(ROC)/WO/HBO dagonderwijs 3 3 3 leslokaal totale parkeervraag = collegezalen + leslokalen (leslokaal = circa 30 zitplaatsen) voorbereidend beroepsonderwijs (vwo. havo, vbo) dag 1 1 1 leslokaal avondonderwijs 1 1 1 student basisonderwijs 1 1 1 leslokaal excl. Kiss&Ride (leslokaal is circa 30 zitplaatsen crèche/peuterspeelzaal/ kinderdagverblijf 0,8 0,8 0,8 arbeidsplaats (excl. Kiss&Ride) excl. Kiss& Ride arbeidsplaats = Maximaal gelijktijdig aanwezig aantal werknemers afkortingen: pp = parkeerplaats bvo = bruto vloeroppervlak woningen : zowel huur als koop II Toepassingsrichtlijnen bij artikel 2.5.30 van de BouwverordeningDe parkeernormen worden toegepast met inachtneming van de hieronder genoemde toepassingsrichtlijnen en uitgangspunten:1. Parkeren op of onder eigen terreinUitgangspunt is het streven onnodige verhoging van de parkeerdruk op de openbare ruimte te voorkomen door bij nieuw- en verbouw zoveel mogelijk de eis te stellen dat de parkeerbehoefte op eigen terrein dient te worden opgevangen. 2. CROW KencijfersIn afwijking van de Kencijfers voor parkeervoorzieningen van de CROW welke een bandbreedte kennen tussen een minimum en een maximum norm heeft Deventer –getoetst aan de Deventer situatie - gekozen van 1 (minimum) norm per functie. Voor zover nodig wordt voor een nadere technische toelichting op de normen verwezen naar Parkeerkencijfers-Basis voor Parkeernormering, publicatie 182 van het CROW van juni 2003. Voor functies waarvoor hierboven geen normen zijn gegeven, gelden de normen die in deze publicatiereeks zijn opgenomen. Indien de betreffende functie ook niet voorkomt in deze publicatie, dient de norm gehanteerd te worden van de functie die qua gebruik en mobiliteitspatroon het meest overeenkomt met de niet nader benoemde functie. 2.1 Bestemmingsplan - bouwverordeningDe gemeenteraad heeft gekozen voor het uitgangspunt dat bij de opstelling van nieuwe bestemmingsplannen op het gebied van parkeernormering en parkeerverplichting zoveel mogelijk verwezen wordt naar de normen uit de Bouwverordening; slechts bij uitzondering dient afzonderlijke parkeernormering via het bestemmingsplan plaats te vinden. Bovenstaande normen geven geen antwoord op de vraag of de vestiging van een functie op een bepaalde locatie is toegestaan. Hiervoor is het ter plaatse geldende bestemmingsplan bepalend. Indien en voor zover in een gebied een bestemmingsplan van kracht is waarin voorschriften zijn opgenomen omtrent te hanteren parkeernormen gaan die normen voor de onderhavige parkeernormen. 2.2. Gebiedsindeling Deventer heeft gekozen voor de deelgebieden Centrum(I)- Bestaande woonwijken(II)- Overige gebieden (III), zoals aangegeven op de hiervoor bedoelde Gebiedsindelingskaart. 2.3 Parkeernormen voor woningen naar klasseDeventer heeft er voor gekozen de toepassing van de parkeernormen voor woningen te baseren op de bouwkosten, berekend volgens de “Correctierichtlijn ter bepaling van de bouwkosten overeenkomstig NEN 2631 (excl. BTW / inhoudsberekening volgens NEN 2580) – zijnde een standaardprijs per m3 - en daarbij de volgende categorieën te bepalen: Goedkope/kleinere woningen: tot € 100.000,-- bouwkosten excl. BTW Middelwoningen: tussen € 100.000,-- en € 200.000 bouwkosten excl. BTW Dure/grotere woningen: vanaf € 200.000,-- bouwkosten excl. BTW 2.4 Afwijkende normenVoor enkele functies zijnde Deventer normen in afwijking van de CROW kencijfers vastgesteld 3 OntheffingUitgangspunt is dat de parkeerbehoefte op eigen terrein wordt opgevangen. Mits op andere wijze in de parkeerruimte wordt voorzien is ontheffing pas aan de orde indien en voor zover het redelijkerwijs fysiek onmogelijk of uit stedenbouwkundig, esthetisch, historisch, monumentaal of verkeersveiligheidsoogpunt ongewenst is op of onder het bouwterrein extra parkeergelegenheid te realiseren. Van de algehele ontheffingsmogelijkheid zonder de verplichting om op andere wijze te voorzien dient een uiterst spaarzaam gebruik te worden gemaakt. Indien een bouwplan leidt tot een toename van de parkeerbehoefte waarin op geen enkele wijze wordt voorzien, dan zal de bouwvergunning in beginsel geweigerd moeten worden 3.1 Ontheffing op andere wijze
(1)Voor zover niet op eigen terrein in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien kent Deventer de mogelijkheid om via een parkeerbijdrage ontheffing te verlenen. 3.2 Eerst daadwerkelijke aanleg directe omgeving bezien
(2)De parkeerbijdrage als mogelijkheid tot verlenen van ontheffing wordt eerst geboden indien en voor zover: De parkeerbehoefte niet op eigen terrein kan worden opgevangen en De parkeerbehoefte niet fysiek in direct (binnen 100 meter vanaf de toegang van het gebouw) aansluitend openbaar gebied kan worden aangelegd (op kosten van vergunninghouder), tegen de aanleg waarvan juridisch en stedenbouwkundig geen bezwaren bestaan. Het gestelde onder b geldt in beginsel niet voor het centrumgebied (zie gebiedsindelingskaart). 3.3 ParkeerbijdrageHet parkeerbijdragesysteem blijft gehandhaafd, met dien verstande (zie 3.2) dat de parkeerbijdrage slechts als ontheffingsmogelijkheid wordt aangeboden indien voldoende vast staat dat binnen een loopafstand van 100 meter van het bouwperceel de extra parkeergelegenheid op kosten van aanvrager niet kan worden aangelegd.De betaling van de parkeerbijdrage wordt aangemerkt als het op andere wijze voorzien in voldoende parkeergelegenheid 3.3.1 De Reserve ParkeervoorzieningenDe reserve parkeervoorzieningen wordt gevoed uit bijdragen op grond van artikel 2.5.30 van de Bouwverordening en zal uitsluitend worden aangewend voor de aanleg extra openbaar blijvende parkeergelegenheid dan wel het beter bereikbaar maken daarvan. Het verlangen van een parkeerbijdrage wordt ook acceptabel geacht in geval “voldoende openbare parkeergelegenheid in de directe omgeving aanwezig is (voorgefinancierde tegenprestatie). De voorgenomen realisatie van een parkeervoorziening bij het Sluiskwartier, het Muggeplein en aan het Grote kerkhof (Stadhuiscomplex) en de reeds gerealiseerde tijdelijke parkeergarage Wilhelminabrug en de Noordenberggarage bieden als “tegenprestatie” voldoende grond om een parkeerbijdrage in het centrumgebied te rechtvaardigen, zeker zolang de aanwezige parkeervoorzieningen voldoende zijn om de parkeerbehoefte op te vangen. 3.3.2 De hoogte van de parkeerbijdrageBij de bepaling van de hoogte van een parkeerbijdrage per parkeerplaats gelden de volgende normbedragen: 1 Gebied I Centrumgebied 1/2e deel van:nte Deventer uit van de colgende normdragen vastgesteldijziogd vastgesteldegenspresatie)dvoor de aanlege van extra ope € 30.000 (kosten gebouwde parkeervoorziening) = € 15.000,--* *:nte Deventer uit van de colgende normdragen vastgesteldijziogd vastgesteldegenspresatie)dvoor de aanlege van extra ope Met recht op parkeerabonnement in gebouwde parkeervoorziening, per parkeerplaats voor 5 jaar erschaft gedurende een periode van 10 jaar,.realiseringskostenb ingnb 2 Gebieden II en III Bestaande woonwijken en overige gebieden *1/3e deel van € 5.000 (maaiveldparkeren) = € 1.650,-- ** 3 In afwijking van 1 en 2 is bij daadwerkelijke realisering van extra parkeergelegenheid binnen 100 meter van de toegang van het gebouw de parkeerbijdrage gelijk aan de daadwerkelijke aanlegkosten (100%). ** feitelijk € 1.666,50, afgerond € 1.650,-- 3.3.3 Parkeerbijdrage als voorwaarde aan ontheffing/bouwvergunningDe wijze waarop de parkeerbijdrage wordt geëist zal in beginsel niet meer plaatsvinden langs privaatrechtelijke weg (parkeerbijdrage-overeenkomst), maar via de meer rechtsbescherming biedende publiekrechtelijke weg (voorwaarde verbonden aan de ontheffing op grond van artikel 2.5.30 en de bouwvergunning dan wel de vrijstelling van het bestemmingsplan). 3.4 Ontheffingbeleid BinnenstadVoor de binnenstad wordt in beginsel een soepel ontheffingbeleid gevoerd waar het gaat om de verplichting om op of onder eigen terrein dan wel in de directe omgeving in de vereiste parkeerbehoefte te voorzien. Wel wordt een strak parkeerbijdragebeleid gevoerd. De voor het centrumgebied ontvangen parkeerbijdragen zullen worden aangewend ter medefinanciering van te bouwen dan wel reeds gebouwde parkeervoorzieningen in en aan de rand van het centrumgebied. Het beleid in de binnenstad is gericht op intensivering en stimulering van parkeren in gebouwde parkeervoorzieningen in plaats van op de historische openbare ruimte. 3.5 Huur van parkeerruimte eldersHet huren van –al dan niet openbare – parkeerruimte buiten het bouwperceel, waartoe ook wordt gerekend het nemen van een abonnement in een gebouwde al dan niet openbare parkeervoorziening, wordt niet geaccepteerd als mogelijkheid tot het op andere wijze voldoen aan de parkeerverplichting, omdat het huren van bestaande parkeerruimte niet op een lijn kan worden gesteld met het voorzien in extra parkeergelegenheid. Bij het ontwikkelen van een project wordt het voor privé-gebruik huren van openbare parkeerruimte niet geaccepteerd als argument voor het verkrijgen van ontheffing, omdat dat ten koste gaat van de openbaarheid van bestaande parkeervoorzieningen en geen enkele duurzame garantie biedt. 3.6 Aankoop van parkeerruimte eldersHet aankopen van al dan niet openbare parkeerruimte buiten het bouwperceel, wordt – tenzij het gaat om aankoop tegen werkelijke realiseringskosten met als minimum de genormeerd vastgestelde realiseringskosten van een parkeerplaats in een gebouwde openbare parkeervoorziening in het centrumgebied ((I) - niet geaccepteerd als mogelijkheid tot het op andere wijze voldoen aan de parkeerverplichting, omdat het aankopen van bestaande parkeerruimte niet op een lijn kan worden gesteld met het realiseren van extra parkeergelegenheid en omdat dat ten koste gaat van de openbaarheid van bestaande parkeervoorzieningen en geen enkele duurzame garantie biedt. 3.7 Behoud eigen parkeerterreinUitgangspunt is dat eenmaal gerealiseerde parkeergelegenheid op het eigen bouwterrein ook daadwerkelijk als zodanig blijvend door de gebruikers/bezoekers van dat complex kan worden gebruikt en daaraan niet wordt onttrokken. Verkoop aan derden dient te worden ontmoedigd. Gebruikers van nieuwbouwcomplexen die door aanleg van parkeervoorzieningen op eigen terrein voldoen aan de parkeernorm zullen in beginsel worden uitgesloten van een parkeervergunning 4.1 Berekening aantal parkeerplaatsen op eigen terreinParkeerruimte op eigen terrein wordt vaak niet als zodanig gebruikt. Garages worden vaak gebruikt als berging, bijkeuken e.d. . Bij woningen zijn onderstaande ‘berekeningsaantallen parkeervoorzieningen bij woningen’ van toepassing. De berekeningspercentages geven aan in hoeverre de verschillende soorten “theoretische” parkeerplaatsen op eigen terrein ook daadwerkelijk als parkeerruimte worden gebruikt. De toerekening van op eigen terrein gerealiseerde parkeerplaatsen wordt als volgt vastgesteld: Voorziening Theoretisch aantal Berekeningsaantal volgens CROW Voorgesteld berekeningsaantal Deventer. Centrumgebied Overige Garage zonder oprit 1 0,4 1 0 Garage met oprit 5,5 meter 2 1,0 2 1 Uitsluitend oprit 5,5 meter 1 0,8 1 1 Lange oprit > 10 meter 2 1,0 2 ** 1** Dubbele oprit al dan niet met (dubbele) garage. 2 1,7 2 2 Carport wordt gezien als oprit 1 0,8 1 1 4.2 Acceptabele loopafstandenUitgangspunt is dat voor onderstaande functies in ieder geval als aanvaardbare loopafstanden worden aangemerkt: Woningen 100 meter Woningen in centrumgebied 600 meter Winkels 600 meter Werken 800 meter Ontspanningsfuncties 100 meter Gezondheidszorg en onderwijs 100 meter 4.
- Aanwezigheidspercentages Een combinatie van functies betekent automatisch een combinatie van parkeernormen, waarbij aan de hand van de onderstaande aanwezigheidspercentages de toegestane mate van dubbelgebruik wordt bepaald werkdag overdag middag avond koopavond zaterdag-middag avond zondag-middag Woningen 50 60 100 9 60 60 70 Detailhandel 30 70 20 100 100 0 0 Kantoor 100 100 5 10 5 0 0 Bedrijven 100 100 5 10 5 0 0 sociaal cultureel 10 40 100 100 60 90 25 sociaal medisch 100 100 30 15 15 5 5 Ziekenhuis 85 100 40 50 25 40 40 Dagonderwijs 100 100 0 0 0 0 0 Avondonderwijs 0 0 100 100 0 0 0 Bibliotheek 30 70 100 70 75 0 0 Museum 20 45 0 0 100 0 90 Restaurant 30 40 90 95 70 100 40 Café 30 40 90 85 75 100 45 bioscoop/ theater 15 30 90 90 60 100 60 Sport 30 50 100 90 100 90 85 bron: “Parkeerkencijfers – Basis voor parkeernormering” (nr 182)).Elke functie of voorziening heeft een karakteristiek mobiliteitspatroon. Praktijkervaring heeft bovenstaande aanwezigheidspercentages opgeleverd. Deze dienen voor het berekenen van dubbelgebruik van parkeerruimte. Hoe wordt dit berekend? Bijvoorbeeld: combinatie van kantoren en appartementen (woningen) afzonderlijke parkeereis per functie bepalen per dagdeel met behulp van aanwezigheidspercentages berekenen welk deel van deze parkeereis daadwerkelijk wordt gebruikt per dagdeel benodigd aantal parkeerplaatsen optellen; hoogste aantal is maatgevend en levert de totale parkeereis op basis van de parkeernormering en percentages 4.4.1.Bezoekersparkeren Bij de toetsing van bouwplannen zal het bezoekersaandeel in beginsel op eigen terrein moeten worden opgevangen en zal de aanvrager moeten aangeven dat het bezoekersaandeel openbaar toegankelijk blijft voor bezoekers van het gebouw indien de parkeervoorziening op of onder het bouwterrein is gerealiseerd. Voor het bezoekersaandeel kan het zeer gewenst zijn ontheffing te verlenen voor aanleg van uitwisselbare parkeerplaatsen op openbaar terrein, niet zijnde het eigen bouwterrein. Daarom wordt onder voorwaarden een soepel ontheffingsbeleid op grond van artikel 2.5.30, lid 6a voorgestaan om de wens om voldoende openbare parkeergelegenheid te realiseren niet in de weg te staan. De voorwaarden bestaan hierin dat hetzij een parkeerbijdrage wordt voldaan voor het openbare deel, hetzij dat op openbaar terrein dat betreffende aantal parkeerplaatsen daadwerkelijk - op kosten van aanvrager – in de directe omgeving wordt aangelegd, mits dat ruimtelijk mogelijk en niet onwenselijk is. 5 Berekening toename parkeerbehoefte. Laatste gebruikDe gemeente Deventer kiest als uitgangspunt dat bij de berekening van de toename van de parkeerbehoefte de parkeerbehoefte van het laatste daadwerkelijke gebruik maatgevend is, mits dat legaal dan wel uitdrukkelijk van gemeentewege gedoogd is; de behoefte van het voorlaatste gebruik mag van de nieuwe parkeerbehoefte worden afgetrokken mits dat legaal was en niet langer geleden is beëindigd dan 5 jaar voor de datum van indiening van de bouwaanvraag. Indien en voor zover het nieuwbouwplan met zich meebrengt dat bestaande parkeerplaatsen verloren gaan, worden die parkeerplaatsen bij de nieuwe parkeerbehoefte opgeteld. 6 Enkelvoudig of meervoudig complex Bij een enkelvoudig nieuwbouwcomplex geldt de hoofdregel dat slechts in de toename van de parkeerbehoefte behoeft te worden voorzien, bij een meeromvattende meervoudig nieuwbouwcomplex met aanpassingen in de infrastructuur geldt als hoofdregel dat de volledige parkeerbehoefte binnen het “plangebied” moet worden opgevangen. . 7 Regel bij afronding Bij de bepaling van de parkeereis wordt de verkregen uitkomst volgens de gebruikelijke rekenregels vanaf 0,5 naar boven afgerond en tot en met 0,4 naar beneden, tenzij de uitkomst wordt gebruikt voor de berekening van de compensatiebijdrage. III GebiedsindelingskaartZie de bij deze verordening behorende Gebiedsindelingskaart. IV Toelichting toepassingsrichtlijnen bij artikel 2.5.30 van de Bouwverordening in Deventer.INHOUDSOPGAVE Inleiding Parkeernormering algemeen 1 Parkeernormering in bestemmingsplan of bouwverordening ? Parkeernormen naar gebied 3 Parkeernormen voor woningen naar klasse 4 Parkeernormen voor grootschalige perifere detailhandel 3 Parkeren op eigen terrein. Wanneer wel ontheffing en wanneer niet ? 1 “Op andere wijze in parkeerruimte voorzien” (lid 5a). 2 Daadwerkelijke aanleg in directe omgeving 3 De Parkeerbijdrage 3.3.1 Parkeerbijdrage Tegenprestatie ! 3.3.2 Parkeerbijdrage Hoe hoog ? 3.3.3 Parkeerbijdrage Publiekrechtelijk of privaatrechtelijk ? 4 Ontheffingbeleid in het centrumgebied. Huur van parkeerruimte elders 6 Aankoop van parkeerruimte elders 7 Verkoop parkeerplaatsen eigen bouwterrein ontmoedigen 4 Parkeerbalans 1 De berekening van het aantal parkeerplaatsen op eigen terrein. 2 Acceptabele loopafstanden. Wat is “in de omgeving”. 3 Aanwezigheidspercentages 4 Bezoekersparkeren. 5 De berekening van de toename van de parkeerbehoefte. 1 Relatie bestaand en nieuw gebruik 2 Enkelvoudig of meervoudig complex
- InleidingArtikel 2.5.30 raakt de kern van de vraag hoe de gemeente (lees: gemeenschap) moet omgaan met verkeersaantrekkende bebouwing, meer in het bijzonder met de extra behoefte aan parkeergelegenheid welke daardoor ontstaat. Met name in de eeuwenoude binnenstad en in de oude woonwijken bestaat er een aanzienlijke spanning met het toegenomen autobezit, dat naar verwachting alleen nog maar verder zal toenemen; het aantal huishoudens met tweede (en derde) auto zal toenemen. De Nota Mobiliteit gaat uit van een groei van de automobiliteit van 20 - 30 % in 2015 -
- De oude wijken zijn daar simpelweg niet op gebouwd. Zodoende bestaat er een constant spanningsveld tussen ontwikkelaars van (particuliere) bouwprojecten die verfrissende nieuwbouw in bijvoorbeeld de woning- of de kantorensfeer wensen te realiseren en de wens een aantrekkelijke leefbare omgeving te behouden of te scheppen. De aanwezigheid van voldoende – al dan niet aan het zicht onttrokken -parkeergelegenheid is een van de voorwaarden voor zo’n prettige (leef)omgeving. Een binnenstad vraagt om een andere aanpak dan het buitengebied of een buitenwijk. De Nota Parkeerbeleid 2001 kende als doelstelling de binnenstad te voorzien van voldoende parkeerplaatsen voor bezoekers, bewoners en noodzakelijke bedrijven, alsmede het aantrekkelijker maken van de openbare ruimte door het terugdringen van blik op straat. Teneinde de hiertoe voorgestelde maatregelen te kunnen effectueren heeft de gemeenteraad op 26 januari 2004 de Parkeerverordening 2004 en de Parkeerbelastingverordening 2004 vastgesteld. De Parkeerverordening 1994 (en daarmee ook artikel 10 dat de Deventer parkeernormen bevatte) is daarbij ingetrokken. De betreffende normen konden desondanks blijvend worden toegepast omdat de Bouwverordening naar de betreffende normen verwees, althans tot de 10de serie wijzigingen van de bouwverordening welke op 1 augustus 2005 in werking trad. Sindsdien verwijst de Bouwverordening naar de algemene “Parkeerkencijfers-Basis voor parkeernormering” voor verkeer, vervoer en infrastructuur” van het CROW, uitgave juni 2003”. De Raad van State heeft geoordeeld dat de gemeente zich bij de bepaling van de parkeerbehoefte op deze kencijfers mag baseren als de gemeente niet zelf eigen normen heeft vastgesteld. Toch werd de behoefte gevoeld om deze normen, zij het enigszins aangepast en vereenvoudigd en toegespitst op Deventer, te verheffen tot Deventer Parkeernormen, temeer omdat onduidelijkheid werd gevoeld welke normen nu eigenlijk moeten worden toegepast. De vereenvoudiging zit hem onder meer hierin dat de CROW bij de norm uitgaat van een bepaalde bandbreedte (minimum en maximum), terwijl Deventer er voor gekozen heeft de norm te bepalen op het maximum, soms op het gemiddelde daartussen, en soms op het minimum. Uitgangspunt is dat de veroorzaker zijn eigen boontjes dopt: Op het eigen bouwterrein zal hij zoveel mogelijk in de toename van de parkeerbehoefte door het aanleggen van parkeerplaatsen moeten worden voorzien. Maar wat als de individuele bouwer dat om welke reden dan ook (redelijkerwijze) niet kan of mag ? Bouwvergunning weigeren ? Ontheffing verlenen ? Omdat een ruimhartig ontheffingbeleid een onaanvaardbare druk op de openbare ruimte, zal zo ook maar enigszins mogelijk op eigen terrein in de extra parkeerbehoefte moeten worden voorzien. Reeds vanaf begin tachtiger jaren wordt het standpunt ingenomen dat het niet billijk is dat de gemeenschap volledig opdraait voor de kosten van aanleg van openbare parkeervoorzieningen, waarvan de behoefte wordt (mede)veroorzaakt door de individuele verkeersaantrekkende bouwer. Kortom: De vervuiler, de veroorzaker moet betalen of in ieder geval “mee”betalen. Sterk verwant met deze kwestie is de zogenaamde parkeerbijdrage; dat is de bijdrage die de aanvrager van een bouwvergunning in beginsel aan de gemeente moet voldoen als hij niet dan wel niet volledig op eigen terrein in de parkeerbehoefte voorziet. Hij krijgt in dat geval ontheffing van de verplichting om op eigen terrein in de parkeerbehoefte te voorzien. De tegenprestatie is dat de gemeente voor voldoende openbaar blijvende parkeervoorzieningen zorg draagt. Uitgangspunt 1.Uitgangspunt is het streven onnodige verhoging van de parkeerdruk op de openbare ruimte te voorkomen door bij nieuw- en verbouw zoveel mogelijk de eis te stellen dat de parkeerbehoefte op eigen terrein dient te worden opgevangen.
- Parkeernormering algemeenOm te kunnen bepalen hoeveel parkeerplaatsen er nodig zijn, worden zogenoemde parkeernormen gehanteerd. Een parkeernorm is gebaseerd op (landelijke) praktijkervaring waar uit blijkt hoe veel parkeerruimte er gemiddeld nodig is. Een norm kan in verschillende eenheden worden weergegeven. Gebruikelijk zijn de eenheden “aantal per vierkante meters bruto vloeroppervlak” (bijvoorbeeld bij winkels en kantoren) of per stuk (bij woningen). De parkeernormering is onderdeel van de bouwverordening en wordt o.a. toegepast bij nieuwbouw, verbouw met functiewijziging en bestemmingsplanwijzigingen. Met de parkeernormen kan de parkeereis berekend worden. Dit is het totaal aantal benodigde parkeerplaatsen. Hierbij moeten ook zogenaamde aanwezigheidspercentages worden meegenomen wanneer er sprake is van dubbelgebruik van parkeerruimte (parkeerplaatsen bij kantoren kunnen bijvoorbeeld ’s avonds worden gebruikt voor omwonenden). Voor parkeerruimte op eigen terrein gelden berekeningspercentages. Daarmee wordt bepaald in hoeverre een parkeerplek op eigen terrein daadwerkelijk als parkeerruimte gebruikt wordt. Gemeenten krijgen binnen de kaders van de Nota Mobiliteit de mogelijkheid om zelf het parkeerbeleid op te stellen,inclusief een gebiedsindeling en de te hanteren normen. Voor het bepalen van de gemeentelijke parkeernormen zijn de landelijke kencijfers parkeren gebruikt (“Parkeerkencijfers – basis voor parkeernormering” CROW publicatie 182, juni 2003). De kencijfers van de CROW geven een bandbreedte tussen minimum en maximumnormen; met de maximum norm wordt dan beoogd te voorkomen dat er te veel parkeerplaatsen worden aangelegd. Dit stelsel is nog gebaseerd op de gedachte dat de gemeente, ingegeven door het Rijksmobiliteitsbeleid, een zogenaamd sturend parkeerbeleid voert. Sturend parkeerbeleid –dat begin 90-ger jaren werd ingevoerd - is gericht op beperking van niet-noodzakelijk autogebruik, bevordert selectief gebruik van de auto beperkt de groei van de automobiliteit ten gunste van de leefbaarheid en voorkomt dus overmatig parkeeraanbod. De praktijk heeft uitgewezen dat de meeste gemeenten dit als te rigide ervaren. Steeds vaker zoeken gemeenten naar het evenwicht tussen het zoveel mogelijk tegemoetkomen aan de parkeervraag (het zogenaamde vraagvolgend beleid) en de optimale combinatie van bereikbaarheid en leefbaarheid. Gelet op de beperkte ruimte en de hoge parkeerplaatskosten menen wij dat niet zo snel voor (negatieve gevolgen van) overmatig parkeeraanbod behoeft te worden gevreesd. Voorts wordt in de normstelling zelf reeds met mobiliteit/bereikbaarheid rekening gehouden: In de met openbaar vervoer beter bereikbare binnenstad geldt een lagere parkeernorm dan in de buitenwijken. Omdat het werken met een minimum en een maximum norm in de praktijk steeds eenvoudig tot de discussies kan leiden - welke norm, de minimum of de maximumnorm, moet in het concrete geval nu worden toegepast ? - heeft Deventer gekozen voor het toepassen van één norm weke voor diverse functies overeenkomt met de “maximumkencijfers” van de CROW”. De vastgestelde norm geldt als de minimumnorm (“meer mag wel minder niet”); afgezien van de bestaande ontheffingsmogelijkheid moet wel een zekere vrijheid bestaan om in specifieke situaties gemotiveerd van de norm af te wijken. Bereikbaarheidskenmerken van de locatie, specifieke eigenschappen van de functies en mobiliteitskenmerken van de gebruikers/bezoekers spelen daarbij een rol; Ook kan worden gekeken naar de mogelijkheden van meervoudig gebruik van parkeerruimte. Op basis van de aanwezigheidspercentages (zoals aanbevolen door het CROW) kan een parkeerbalans worden opgesteld en kan de maatgevende parkeerbehoefte worden bepaald. Het betreft hier enkel ontwikkelingen waarin meerdere functies worden gerealiseerd. Er zal dan moeten worden aangetoond dat de betreffende norm gelet op de bijzondere, specifieke omstandigheden van het bouwplan in redelijkheid niet onverkort op het betreffende bouwplan kan worden toegepast (maatwerk). De uitkomsten van de parkeerbalans kunnen leiden tot afwijken van parkeernormering (afhankelijk van mogelijkheden tot meervoudig gebruik). Uitgangspunt 2In afwijking van de Kencijfers voor parkeervoorzieningen van de CROW welke een bandbreedte kennen tussen een minimum en een maximum norm heeft Deventer –getoetst aan de Deventer situatie - gekozen van 1 (minimum) norm per functie. 2.1 Parkeernormering in bestemmingsplan of bouwverordening ? Het is ontegenzeggelijk dat aan het parkeren ruimtelijke consequenties zijn verbonden. Deze materie kan geregeld worden via een bestemmingspan en via de bouwverordening. Formeel is de parkeerverplichting uit de bouwverordening niet van toepassing als het bestemmingsplan bij iedere desbetreffende bestemming zeer uitdrukkelijk de opvang van de parkeerbehoefte en de parkeernormen regelt. Als het bestemmingsplan op dit punt zwijgt of slechts een globale regeling geeft komt aan de Bouwverordening aanvullende betekenis toe. De bouwverordening blijft dan van toepassing. Mede teneinde moeilijke interpretatiediscussies te voorkomen (moet er nu aan bestemmingsplan of bouwverordening worden getoetst ?) heeft Deventer ervoor gekozen in toekomstige bestemmingsplannen wat betreft de parkeerverplichting en parkeernormering uitdrukkelijk te bepalen dat de parkeerregeling uit de bouwverordening van toepassing is. Dat schept eenduidigheid en duidelijkheid. Uiteraard is en blijft het mogelijk dat in het bestemmingsplan wordt bepaald dat wel parkeereisen worden gesteld en dat de Bouwverordening niet van toepassing is. Zelfs kan de bestemmingsplanwetgever bepalen dat géén parkeereisen worden gesteld en dat ook de Bouwverordening niet van toepassing is.. Ook kan in het bestemmingsplan een bijzondere parkeernorm worden opgenomen bijvoorbeeld indien het gaat om een bijzonder verkeersaantrekkende bestemming (bijvoorbeeld ten behoeve van de vestiging van een IKEA) , maar duidelijk zal zijn dat er voor wordt gekozen dergelijke regelingen zoveel als mogelijk te beperken. Uitgangspunt 2.1.De gemeenteraad heeft gekozen voor het uitgangspunt dat bij de opstelling van nieuwe bestemmingsplannen op het gebied van parkeernormering en parkeerverplichting zoveel mogelijk verwezen wordt naar de normen uit de Bouwverordening; slechts bij uitzondering dient afzonderlijke parkeernormering via het bestemmingsplan plaats te vinden. 2.2 Parkeernormen naar gebied De normen spelen in op de locale kenmerken die voor de verschillende deelgebieden binnen de gemeente gelden. De “Kencijfers voor verkeer en vervoer en infrastructuur” van de CROW, uitgave 2003” maken onderscheid naar gelang de plaats van de locatie tussen : Centrum – Schil/overloopgebied - Rest bebouwde kom. De achterliggende gedachte is dat hoe dichter je bij het centrum zit en dus hoe beter de openbaar vervoersvoorziening (bereikbaarheid) is, hoe lager de norm kan zijn. In de overige gebieden geldt relatief dus de zwaarste norm. Uitgangspunt 2.2.Deventer heeft gekozen voor de deelgebieden Centrum - Bestaande woonwijken- Overige gebieden, zoals aangegeven op de hiervoor bedoelde Gebiedsindelingskaart 2.3 Parkeernormen voor woningen naar klasse De “Kencijfers voor verkeer en vervoer en infrastructuur” van de CROW, uitgave 2003” maken onderscheid tussen dure woningen, middenwoningen en goedkope woningen. Bij duurdere – lees grotere- woningen hoort een iets hogere norm dan bij goedkope – lees kleinere - woningen. Omdat de woningen in Amsterdam duurder zijn dan die in Deventer geven de kencijfers geen bijbehorende bedragen. De exacte invulling wordt aan de gemeenten zelf overgelaten. De gemeente Deventer heeft er voor gekozen in dit verband niet de WOZ-waarde of de vrije verkoopwaarde (inclusief ondergrond !) als maatstaf te kiezen, maar de hoogte van de bouwkosten. Bij de toetsing van de bouwaanvraag staat de WOZ-waarde danwel de vrije verkoopwaarde immers vaak nog niet vast. Voorts lijkt bepaling aan de hand van de bouwkosten zoals die berekend worden aan de hand van algemeen gelden NEN -normen objectiever en beter werkbaar. Op basis van de in de gemeentelijke woningbouwprogrammering gehanteerde grenzen kan op basis van de “vrije verkoopwaarde” de volgende indeling worden gemaakt: Goedkope woningen : tot € 150.000 v.o.n. Middelwoningen : tussen € 150.000 en € 250.000 v.o.n. Dure woningen : meer dan € 250.000 v.o.n. Omgerekend komende deze prijzen globaal overeen met het volgende staatje dat is gebaseerd op bouwkosten: Goedkope woningen: tot € 100.000,-- bouwkosten excl. BTW Middelwoningen: tussen € 100.000,-- en € 200.000 bouwkosten excl. BTW Dure woningen: vanaf € 200.000,-- bouwkosten excl. BTW De in de bouwaanvraag opgegeven bouwkosten worden getoetst aan de “Correctierichtlijn ter bepaling van de bouwkosten overeenkomstig NEN 2631 (excl. BTW / inhoudsberekening volgens NEN 2580). Hierin zijn voor de diverse te onderscheiden woningen standaardprijzen per m3 vastgelegd. Aangezien de toename van de parkeerbehoefte afhankelijk wordt gesteld van de hoogte van de bouwkosten kunnen ongelijke situaties voorkomen. Zo zal een volledige nieuwbouwwoning een hogere bouwsom kennen dan de interne verbouwing van een pand waarin woningen van gelijke inhoud worden gerealiseerd, maar ook het omgekeerde bijvoorbeeld een dure restauratie van een monumentaal pand kan zich voordoen. Om die reden wordt de hoogte van de bouwkosten bepaald aan de hand van dezelfde norm en volgens dezelfde berekeningswijze (prijs per m3) zoals die bij volledige nieuwbouw geldt. Uitgangspunt 2.3Deventer heeft er voor gekozen de toepassing van de parkeernormen voor woningen te baseren op de bouwkosten, berekend volgens de “Correctierichtlijn ter bepaling van de bouwkosten overeenkomstig NEN 2631 (excl. BTW / inhoudsberekening volgens NEN 2580) – zijnde een standaardprijs per m3 - en daarbij de volgende categorieën te bepalen: Goedkope/kleinere woningen: tot € 100.000,-- bouwkosten excl. BTW Middelwoningen: tussen € 100.000,-- en € 200.000 bouwkosten excl. BTW Dure/grotere woningen: vanaf € 200.000,-- bouwkosten excl. BTW 2.4 Parkeernormen : Enkele afwijkingen ten opzichte van de CROW-normen. Ofschoon de CROW-kencijfers niet zijn bedoeld als “normen” worden deze wel vaak als zodanig gezien en –met instemming van de Raad van State- als zodanig toegepast. Helaas is het niet of beperkt mogelijk gebleken om alle functies te toetsen aan de Deventer situatie. Zo wordt in veel gevallen gebruik gemaakt van openbare parkeervoorzieningen die door meerdere functies worden gebruikt. Welk aandeel van de openbare parkeervoorziening wordt gebruikt door de verschillende functies is niet eenvoudig te achterhalen. Van de 48 functies bleken uiteindelijk 21 functies niet toetsbaar. In 15 gevallen bleek de parkeernorm niet of nauwelijks af te wijken. Bij toetsing van de kencijfers aan de Deventer situatie blijkt er ten aanzien van enkele functies reden te bestaan een afwijkende normering toe te passen. De belangrijksten daarvan worden hier aangehaald Wijk, buurt en dorpscentra: In Keizerslanden is in de huidige situatie een parkeernorm van 2,5 per 100 m2 bvo gehanteerd. Vanuit het CROW wordt een norm van 4 aanbevolen. Dit zou betekenen dat het winkelcentrum Keizerslanden een erg groot aantal parkeerplekken te kort komt. Het lijkt echter onwaarschijnlijk dat er bij het winkelcentrum (één van de best renderende winkelcentra in Nederland) sprake is van een parkeerdruk van 160%. Een norm van 3-3,5 lijkt in de Deventer situatie dus meer gepast. Kantoren zonder baliefunctie: Op 2 locaties is het aantal parkeerplekken bij kantoren geteld en werd respectievelijk een norm van 1,6 en 2.33 geconstateerd. Ter plaatse van de kantoorvilla’s aan de Snipperlingsdijk is gewerkt met een parkeernorm van 1,6 (op eigen terrein). Vanuit de buurt zijn klachten binnengekomen over parkeeroverlast. Vanuit het CROW wordt een norm van 2,0 tot 2,5 aanbevolen. Deze norm lijkt conform de Deventer situatie. Arbeidsextensieve en bezoekersextensieve bedrijven: Vanuit het CROW wordt een opvallend lage parkeernorm aanbevolen die varieert tussen 0,5 en 0,8 per 100 m2 bvo. Bij 2 locaties in Deventer is een parkeernorm van 0,64 (Deventrade) en 1 (Maagdenburgstraat 32A) geconstateerd (in het als overig aangewezen gebied). In de Maagdenburgstraat zijn parkeerproblemen (met name door parkeren vrachtverkeer) geconstateerd door politie en Connexxion. Anderzijds zijn bij het bedrijf Deventrade geen parkeerproblemen. Voorgesteld wordt om in afwijking van de CROW normen een ondergrens te hanteren van 0,
- Arbeidsintensieve / bezoekersextensieve bedrijven: De geconstateerde parkeerbehoefte op 2 locaties bleek bij deze functie veel lager dan de CROW richtlijn. Vanuit het CROW wordt een norm aanbevolen van 1,5 – 2,5 per 100 m2 bvo. Bij de bedrijven Nefit en Schadeherstel Zweedsestraat is een norm gehanteerd van 1,26 en 1,57 (het CROW adviseert hier een norm van 2,5). In Deventer lijkt een parkeernorm van 1,6-1,7 te voldoen. Bedrijfsverzamelgebouw: Het CROW adviseert om een parkeernorm van 1,7 per 100 m2 bvo toe te passen. In de Solingenstraat is bij 2 bedrijven een parkeernorm van 2,09 en 1,88 toegepast. De aanbevolen CROW norm lijkt dus te laag. Een norm van 2 lijkt beter gepast in Deventer. Restaurant: Veel restaurants in Deventer zijn gevestigd in de binnenstad waardoor de parkeerbehoefte niet direct te achterhalen is. De parkeerbehoefte van steakhouse Bonanza (6,37) en het wapen van Diepenveen (7,16) is lager dan de aanbevolen CROW norm
(14). De parkeerbehoefte van de mc’Donalds is echter hoger (18,21). Het lijkt voldoende om in Deventer te volstaan met een minimale parkeernorm van 8. Restaurants aan snelwegen zullen naar verwachting zelf aandringen op de realisatie van een groter aantal parkeerplaatsen (werken vaak volgens eigen standaardformules). Sportveld: In Schalkhaar wordt