Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstandDe raad van de gemeente Tilburg; gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders; gelet op de artikelen 8, eerste lid, onder c, en 30 van de Wet werk en bijstand Besluit: vast te stellen de "Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand" artikel1Begripsomschrijving. In deze verordening wordt verstaan onder: de wet: de Wet werk en bijstand. normbedrag: het toepasselijk naar leefvorm vastgestelde normbedrag voor personen van 27 tot 65 jaar als bedoeld in artikel 21 van de wet. toeslag: het verhogen van het normbedrag voor alleenstaanden en alleenstaande ouders met ten hoogste20% van het normbedrag voor gehuwden. verlagen: het verlagen van het normbedrag voor gehuwden met ten hoogste 20 % van het normbedrag voor gehuwden. woonkosten: hetgeen in geld verschuldigd is voor het enkele gebruik van woonruimte waarin feitelijk verblijf wordt gehouden. woonlasten: hetgeen in geld verschuldigd is voor het (mede) gebruik van voorzieningen, aanwezig in de woonruimte, waarin feitelijk verblijf wordt gehouden. onderhuur/medebewonen op commerciële basis: het onderhuren/medebewonen van woonruimte of een deel ervan op contractbasis, waarbij 1. het te onderhuren/mede-te-bewonen deel zelfstandig geschikt is voor bewoning, 2. de prijs per maand voor het medebewonen minstens gelijk is aan 15% van het normbedrag voor gehuwden en 3. de onderhuurder/medebewoner staat ingeschreven in de basisadministratie van de gemeente op het onderhuur- /medebewoonadres. hoofdbewoner: een belanghebbende die eigenaar of hoofdhuurder is van woonruimte en die in de woonruimte hoofdverblijf heeft. WSF-/WTOS-kind: een kind dat een basisbeurs ontvangt ingevolge de Wet op de Studiefinanciering 2000 dan wel een tegemoetkoming op grond van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten. schoolverlater: de persoon die recent de deelname heeft beëindigd aan onderwijs of een beroepsopleiding en die voor het onderwijs of de beroepsopleiding aanspraak had op studiefinanciering WSF of op een tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage of schoolkosten op grond van de WTOS. zorgbehoevende: een belanghebbende die, als niet te samen met een ander de woning zou worden bewoond, op basis van een indicatiestelling zou zijn aangewezen op beroepsmatige hulp zoals verzorging in een instelling die zich blijkens haar doel-stelling en feitelijke werkzaamheden richt op het bieden van verpleging of verzorging aan aldaar verblijvende hulpbehoevenden. Onder beroepsmatige hulp wordt mede begrepen een situatie waarin thuiszorg het alternatief is voor ambulante zorg of dagverpleging in een zorg-/verpleeginstelling. Een WSF-/WTOS-kind wordt voor de toepassing van deze verordening geacht een inkomen te hebben van minder dan50% van het minimumloon. artikel2De rechtsgronden. De rechtsgronden voor het verhogen of het verlagen van het normbedrag zijn: het geheel of gedeeltelijk kunnen delen van de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan met een of meer anderen; de woonsituatie waaronder begrepen het niet aanhouden van een woning; het zijn van schoolverlater. artikel3.Toeslag voor een alleenstaande van 27 tot 65 jaar. 1.Een alleenstaande van 27 tot 65 jaar heeft, onverminderd het bepaalde in artikel 6, recht op een toeslag van 20% in de hierna onder a tot en met c genoemde gevallen als hij: alleen een woning bewoont en hij voor die woning woonkosten verschuldigd is; onderhuurder of medebewoner is op commerciële basis en hij niet is een bloedverwant in de eerste graad van de hoofdbewoner; hoofdbewoner is van de woning, hij in die woning hoofdverblijf heeft met uitsluitend een of meer bloedverwanten in de eerste graad van 18 tot 21 jaar en/of van 21 jaar of ouder met (elk) een inkomen tot50% van het netto minimumloon, en hij voor die woning woonkosten verschuldigd is. 2.Een alleenstaande van 27 tot 65 jaar heeft, onverminderd het bepaalde in artikel 6, recht op een toeslag van 15% in de hierna onder a en b genoemde gevallen als hij: hoofdbewoner is van de woning, hij in die woning op commerciële basis hoofdverblijf geeft aan uitsluitend een of meer onderhuurders of medebewoners, die geen bloedverwant zijn in de eerste graad van de hoofdbewoner, en hij voor die woning woonkosten of woonlasten verschuldigd is en hoofdbewoner is van de woning, hij in die woning hoofdverblijf heeft met uitsluitend een of meer bloedverwanten in de eerste graad van 21 jaar of ouder van wie tenminste een bloedverwant een inkomen heeft van50% of meer van het netto minimumloon, al dan niet in combinatie met een of meer bloedverwanten in de eerste graad van 18 tot 21 jaar en hij voor die woning woonkosten of woonlasten verschuldigd is. 3.Een alleenstaande van 27 tot 65 jaar heeft, onverminderd het bepaalde in artikel 6, recht op een toeslag van 10% in de hierna onder a tot en met c genoemde gevallen als hij: alleen een woning bewoont en hij voor die woning uitsluitend woonlasten verschuldigd is; hoofdbewoner is van de woning, hij in die woning hoofdverblijf heeft met uitsluitend één of meer bloedverwanten in de eerste graad van 18 tot 21 jaar en/of van 21 jaar of ouder met (elk) een inkomen tot50% van het netto minimumloon, en hij voor die woning uitsluitend woonlasten verschuldigd is en als hoofdbewoner hoofdverblijf heeft in de woning met een of meer bloedverwanten in de eerste graad van 21 jaar of ouder met (elk) een inkomen van 50% of meer van het minimumloon en meteen of meer onderhuurders of medebewoners op commerciële basis. 4.Een alleenstaande van 27 tot 65 jaar heeft, onverminderd het bepaalde in artikel 6, recht op een toeslag van 5% als hij/zij inwoont bij een bloedverwant in de eerste graad. artikel4.Toeslag voor een alleenstaande ouder van 27 tot 65 jaar. 1.Een alleenstaande ouder van 27 tot 65 jaar heeft, onverminderd het bepaalde in artikel 6, recht op een toeslag van 20% in de hierna onder a tot en met c genoemde gevallen als hij: alleen een woning bewoont en hij voor die woning woonkosten verschuldigd is; onderhuurder of medebewoner is op commerciële basis en hij niet is een bloedverwant in de eerste graad van de hoofdbewoner; als hoofdbewoner hoofdverblijf heeft in de woning met uitsluitend één of meer eerste graads bloedverwanten van 18 tot 21 jaar en/of van 21 jaar of ouder met (elk) een inkomen tot 50% van het minimumloon, en hij voor die woning woonkosten verschuldigd is. 2.Een alleenstaande ouder van 27 tot 65 jaar heeft, onverminderd het bepaalde in artikel 6, recht op een toeslag van 15% in de hierna onder a en b genoemde gevallen als hij: hoofdbewoner is van de woning, hij in die woning op commerciële basis hoofdverblijf geeft aan uitsluitend één of meer onderhuurders of medebewoners, die geen bloedverwant zijn in de eerste graad van de hoofdbewoner, en hij voor die woning woonkosten of woonlasten verschuldigd is en hoofdbewoner is van de woning, hij in die woning hoofdverblijf heeft met uitsluitend één of meer bloedverwanten in de eerste graad van 21 jaar of ouder van wie tenminste een bloedverwant een inkomen heeft van50% of meer van het netto minimumloon, al dan niet in combinatie met een of meer bloedverwanten in de eerste graad van 18 tot 21 jaar en hij voor die woning woonkosten of woonlasten verschuldigd is. 3.Een alleenstaande ouder van 27 tot 65 jaar heeft, onverminderd het bepaalde in artikel 6, recht op een toeslag van 10% in de hierna onder a tot en met c genoemde gevallen als hij: alleen een woning bewoont en hij voor die woning uitsluitend woonlasten verschuldigd is; hoofdbewoner is van de woning, hij in die woning hoofdverblijf heeft met uitsluitend één of meer bloedverwanten in de eerste graad van 18 tot 21 jaar en/of van 21 jaar of ouder met (elk) een inkomen tot50% van het netto minimumloon, en hij voor die woning uitsluitend woonlasten verschuldigd is en als hoofdbewoner hoofdverblijf heeft in de woning met een of meer bloedverwanten in de eerste graad van 21 jaar of ouder met (elk) een inkomen van 50% of meer van het minimumloon en meteen of meer onderhuurders of medebewoners op commerciële basis. 4.Een alleenstaande ouder van 27 tot 65 jaar heeft, onverminderd het bepaalde in artikel 6, recht op een toeslag van 5% als hij/zij inwoont bij een bloedverwant in de eerste graad. artikel 5.Verlagen bijstandsnorm gehuwden waarvan beide echgenoten 27 tot 65 jaar zijn Het normbedrag voor gehuwden waarvan beide echtgenoten 27 tot 65 jaar zijn, wordt, behoudens het bepaalde in artikel 6, verlaagd met 5% in de hierna onder a en b genoemde gevallen als zij: hoofdbewoners zijn van de woning, zij in die woning hoofdverblijf geven aan uitsluitend een of meer onderhuurders of mede-bewoners op commerciële basis die geen bloedverwanten zijn in de eerste graad van de hoofdbewoner of diens partner en zij voor die woning woonkosten of woonlasten verschuldigd zijn en hoofdbewoners zijn van de woning, zij in die woning hoofdverblijf hebben met uitsluitend één of meer bloedverwanten in de eerste graad van 21 jaar of ouder van wie tenminste een bloedverwant een inkomen heeft van50% of meer van het netto minimumloon, al dan niet in combinatie met een of meer bloedverwanten in de eerste graad van 18 tot 21 jaar en hij voor die woning woonkosten of woonlasten verschuldigd is. Het normbedrag voor gehuwden, waarvan beide echtgenoten 27 tot 65 jaar zijn, wordt, behoudens het bepaalde in artikel 6, verlaagd met 10% in de hierna onder a tot en met c genoemde gevallen als zij: alleen een woning bewonen en zij voor die woning uitsluitend woonlasten verschuldigd zijn; hoofdbewoners zijn van de woning, zij in die woning hoofdverblijf hebben met uitsluitend een of meer bloedverwanten in de eerste graad van 18 tot 21 jaar en/of van 21 jaar of ouder met (elk) een inkomen tot50% van het netto minimumloon, en hij voor die woning uitsluitend woonlasten verschuldigd zijn en als hoofdbewoners hoofdverblijf hebben in de woning met één of meer bloedverwanten in de eerste graad van 21 jaar of ouder met (elk) een inkomen van 50% of meer van het minimumloon, en meteen of meer onderhuurders of medebewoners op commerciële basis. Het normbedrag voor gehuwden, waarvan beide echtgenoten 27 tot 65 jaar zijn, wordt, behoudens het bepaalde in artikel 6, verlaagd met 15% als zij samen met een bloedverwant in de eerste graad hun hoofdverblijf hebben in de woning van die bloedverwant. Het normbedrag voor gehuwden, waarvan beide echtgenoten 27 tot 65 jaar zijn, wordt, behoudens het bepaalde in artikel 6, verlaagd met 20% in de hierna onder a en b genoemde gevallen als zij: geen woning aanhouden of geen woonkosten en geen woonlasten verschuldigd zijn en in hun woning hoofdverblijf hebben met een onderhuurder of medebewoner, niet zijnde een bloedverwant in de eerste graad, op niet commerciële basis. artikel 6.Verhogen of verlagen van het normbedrag bij zorgbehoevendheid Een zorgbehoevende die door een hoofd- of medebewoner wordt verzorgd, dan wel een verzorger die een zorgbehoevende hoofd- of medebewoner verzorgt, wordt voor de toepassing van de rechtsgrond als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder a en b van deze verordening (inzake het kunnen delen van de kosten met een of meer anderen respectievelijk de woonsituatie), voor wat betreft hun onderlinge zorgrelatie, niet als kostendelende hoofd- of medebewoner aangemerkt. artikel 7.Afstemmen toeslagbeleid op inkomstenkorting Bij samenloop van keuzemogelijkheid tussen het verhogen dan wel het verlagen van het normbedrag op grond van deze verordening of het in aanmerking nemen van het inkomen uit onderhuur/kostgangers ingevolge artikel 33, lid 4, van de wet prevaleert de toepassing van deze toeslagverordening. artikel 8.Anti-cumulatiebepaling Bij samenloop van toepasselijke rechtsgronden wordt het verhogen dan wel het verlagen van het normbedrag vastgesteld op maximaal 20% van het normbedrag voor gehuwden in totaal. artikel9.Slotbepaling Deze verordening kan worden aangehaald als Toeslagenverordening WWB. Deze verordening treedt in werking op 1 juli 2004. Algemene toelichting Vanaf 1 juli 2010 hebben jongeren van 18 tot en met 26 jaar recht op een werkleeraanbod en een inkomensvoorziening op grond van de Wet investeren in jongeren (de WIJ). Per die datum is voor hen de toegang op algemene bijstand en daarmee het recht op een lokale toeslag afgesloten. De toeslagenverordening is hierop aangepast en tevens aan de vervallen specifieke rechtsgronden en regels voor het recht op een toeslag voor 21 en 22 jarige alleenstaanden. Algemene toelichting en artikelsgewijze toelichting behoren te worden gelezen met in acht name van de gevolgen die voortvloeien uit het invoeren van de WIJ (het recht op algemene bijstand en dus ook het recht op toeslag staat open voor personen van 27 tot 65 jaar). De Wet werk en bijstand (WBB) verplicht tot het vaststellen van een toeslagverordening. Het betreft hier eenzelfde verordening als voorgeschreven was in de Algemene bijstandswet (Abw). Tussen Abw en WWB zijn er geen juridische verschillen ten aanzien van het toeslagenbeleid. Om deze reden is in de Invoeringswet Wet werk en bijstand vastgelegd, dat de toeslagverordening-Abw geldt als toeslagverordening-WWB. In beginsel hoeft dan ook geen nieuwe verordening te worden vastgesteld. Is er buiten de technische aanpassing (omzetting naar nieuwe wet en nieuwe wetsartikelen) behoefte aan een inhoudelijk bijstelling van het toeslagenbeleid? Bij het antwoord op deze vraag wordt betrokken het resultaat van de workshops met de leden van de raadscommissie maatschappij en de kaderleden van de dienst Publiekszaken en het Centrum voor Werk en Inkomen Tilburg en het interactief overleg over de WWB. De inhoudelijke aanpassingen van het huidige toeslagen-beleid worden apart toegelicht. Eerst wordt beknopt ingegaan op de systematiek van normen en toeslagen en de onder de werking van de Abw vastgestelde uitgangspunten van het toeslagenbeleid. Het toeslagenbeleid zal overigens in een stroomschema meer inzichtelijk worden gemaakt. Zo’n schema komt tegemoet aan de wens tot eenduidigheid en zekerheid voor de burgers. Uit een stroomschema is de aanspraak op toeslag versneld af te leiden. Dit is wenselijk, omdat niet is kunnen ontkomen aan een vrij juridisch-technische verordening. Systematiek normbedragen en toeslagen. De hoogte van de bijstandsuitkering/-norm wordt bepaald door twee componenten: - de landelijk normbedragen en - de lokale toeslag op of verlaging van deze normbedragen. De landelijke normbedragen zijn de in de WWB vastgelegde uitkeringsbedragen voor de verschillende soorten huishoudens en bepaalde leeftijdscategorieën. Er zijn normbedragen voor jongeren tot 21 jaar, voor mensen van 21 tot 65 jaar, voor mensen van 65 jaar en ouder en voor personen in een inrichting ter verpleging of verzorging. Voor personen van 21 tot 65 jaar die niet in een inrichting verblijven gelden per 1 januari 2004 de volgende landelijke normbedragen, die gekoppeld zijn aan het netto wettelijk minimumloon (WML): voor gehuwden/samenwonenden 100% van het WML (€ 1.156,54 incl vakantietoeslag) voor alleenstaande ouders 70% van het WML (€ 809,58 incl vakantietoeslag) voor alleenstaanden 50% van het WML (€ 578,27 incl vakantietoeslag) De invoering van de WWB per 1 januari 2004 heeft géén gevolgen voor de hoogte van deze bedragen. De landelijke normbedragen voor personen van 21 tot 65 jaar kunnen door de gemeente worden verhoogd of verlaagd op grond van de in de WWB benoemde criteria. Deze systematiek van centrale normen en lokale toeslagen, die ook al onder de werking van de Algemene bijstandswet (Abw) gold, wordt met het invoeren van de WWB niet gewijzigd. De toeslagen en verlagingen moeten net als onder de Abw bij gemeentelijke verordening worden vastgesteld, de zogenaamde toeslagenverordening. Voor alleenstaande ouders en alleenstaanden geldt als uitgangspunt voor het 70% en 50% normbedrag, dat de (woon)kosten met anderen kunnen worden gedeeld. Is dat niet of slechts gedeeltelijk het geval, dan kan de gemeente een toeslag geven van maximaal 20% van het netto minimumloon (20% van € 1.156,54 = € 231,31 per maand). Gehuwden/samenwonenden kennen een 100% normbedrag. Als zij de kosten geheel of gedeeltelijk kunnen delen met een ander dan de echtegenoot/partner kan de gemeente hun 100%-normbedrag verlagen met maximaal 20% van het netto minimumloon [spiegelbeeld toeslagenbeleid voor (alleenstaande) ouders]. Op de bijstandsuitkering voor personen van 65 jaar of ouder worden géén toeslagen of verlagingen toegepast. Voor deze doelgroep zijn aparte normbedragen vastgesteld die gelijk zijn aan de (hogere) netto bedragen op grond van de Algemene Ouderdomswet. Conclusie: de huidige systematiek van landelijke normbedragen en lokale toeslagen blijft ongewijzigd. De lokale toeslagen moeten bij verordening worden vastgesteld. Criteria voor lokale toeslagenverordening. De WWB schrijft voor dat het landelijke normbedrag voor alleenstaande ouders en alleenstaanden moet worden verhoogd met een toeslag van ten hoogste 20% van het netto minimumloon. Dit voor zover de belanghebbende hogere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de norm voorziet als gevolg van het niet of niet geheel kunnen delen van deze kosten met een ander. De WWB benoemt de criteria voor het verhogen of verlagen van de landelijke normbedragen. Deze criteria zijn: het geheel of gedeeltelijk kunnen delen van de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan met een ander, het zijn van schoolverlater, het zijn van 21 of 22 jarige alleenstaande gezien de hoogte van het minimumjeugdloon de woonsituatie waaronder begrepen het niet aanhouden van een woning. In de lokale verordening moet in elk geval worden vastgelegd, dat de alleenstaande en de alleenstaande ouder met zijn ten laste komende kinderen in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft, recht heeft op de maximum toeslag van 20% van het netto minimumloon. Onder ten laste komende kinderen worden begrepen: de kinderen tot 18 jaar voor wie de alleenstaande ouder aanspraak op kinderbijslag kan maken. Van de criteria genoemd onder punt 2 en 3 mag niet gelijktijdig gebruik gemaakt worden (geen samenloop van schoolverlaters met alleenstaanden van 21 of 22 jaar). Het verhogen of verlagen van de normbedragen dan wel het afwijkend vaststellen van de toeslag vindt plaats onverminderd de bevoegdheid tot het afstemmen van de bijstand op de omstandigheden, mogelijk-heden en middelen van de belanghebbende (het verlagen/ sanctioneren van de bijstandsuitkering bij het verwijtbaar niet nakomen van opgelegde verplichtingen). Conclusie: de criteria en de anti-cumulatiebepaling voor het in te vullen lokaal toeslagenbeleid wijzigen niet met het invoeren van de WWB. Uitgangspunten voor lokaal toeslagenbeleid. De huidige toeslagenverordening-Abw was afgestemd op de model-toeslagenverordening van de V.N.G. Daarin was een forfaitaire en een werkelijk kosten variant opgenomen met elk een nadere uitwerking in een soepele en een strenge variant. Het grote voordeel van een forfaitaire benadering is de eenvoudige uitvoering van de toeslagen-verordening. Door enkel de situaties te omschrijven waarin iemand geacht wordt lagere noodzakelijke kosten van het bestaan te hebben, kan rekenwerk met werkelijke kosten en de controle daarop achterwege blijven. De forfaitaire variant leverde ook naar het oordeel van de V.N.G. per saldo de meest efficiënte uitvoering op. In de nieuwe handreiking voor het toeslagenbeleid-WWB worden deze varianten opnieuw aangeboden. Gelet op de eenvoudige uitvoering van de forfaitaire variant wordt voorgesteld aansluiting te blijven zoeken bij deze variant. Op grond van toegekende beleidsvrijheid kan de gemeente deze forfaitaire variant streng of soepel invullen. Het in het geheel geen gebruik maken van de mogelijkheden om in de lokale toeslagen-verordening rekening te houden met kostenbesparende situaties lijkt in strijd met de bedoeling van de wetgever. Voorts blijkt uit de Memorie van Toelichting op de WWB, dat budgettaire overwegingen geen rol mogen spelen bij de keuze voor een streng of soepel toeslagenbeleid. Het moet gaan om de beoordeling van de bijstandsbehoevendheid. Daarbij kunnen praktische overwegingen wel een rol kunnen spelen. Zo levert de mogelijkheid tot verlaging van de bijstandnorm voor schoolverlaters in de praktijk nogal wat problemen op en is samenloop met de leeftijdsverlaging voor 21- en 22-jarige alleenstaanden niet toegestaan. Deze anti-cumulatie mag niet vreemd uitpakken, waardoor bijvoorbeeld een 23-jarige schoolverlater slechter af is dan een 21-/22-jarige schoolverlater. Ook voor gehuwden kan de verlaging voor schoolverlaters in combinatie met andere verlagingen leiden tot een dermate grote verlaging van de inkomenswaarborg dat van een adequate bijstands-verlening geen sprake meer is. Het lokale toeslagenbeleid mag in de praktijk niet tot onredelijke uitkomsten leiden. Dit noopt tot het alsnog met toepassing van de afstemmingsbepaling-WWB afwijkend vast-stellen van de bijstandsuitkering. Om dit te voorkomen is destijds bij het vaststellen van de huidige toeslagenverordening-Abw gekozen voor een “soepele” invulling van de toekomende beleidsvrijheid. Zo werd onder de werking van de Abw de verlaging voor schoolverlaters niet toegepast en werd bij zorgbehoevendheid het kosten kunnen delen tussen zorgbehoevende en verzorgende medebewoner v.v. niet toegepast. De lokale toeslag kan lager worden vastgesteld dan het maximum van 20% als sprake is van lagere algemene noodzakelijke kosten van het bestaan dan waarin de norm of toeslag voorziet als gevolg van de woonsituatie, waaronder begrepen het niet aanhouden van een woning. Hiervan is sprake bij het bewonen van een woning waarvoor geen huur verschuldigd is: bijvoorbeeld een kraakpand; als de woonlasten door een derde worden betaald of als er geen woning wordt aangehouden. In deze gevallen wordt als regel geen toeslag verleend. Als voor het bewonen van een woning geen huur verschuldigd is, wordt beoordeeld of andere lasten voor het wonen betaald worden. Als dat het geval is wordt een beperkte 10% toeslag verleend. Dak- en thuislozen hebben geen kosten voor het aanhouden van een woning. De gemeente draagt zorg voor een adequaat voorzieningenniveau voor dak- en thuislozen. De eventuele kosten voor opvang van dak- en thuislozen worden zo nodig via de bijzondere bijstand vergoed. Aan dak- en thuislozen wordt dan ook geen toeslag verleend, omdat woonruimte ontbreekt. Lokaal wordt afgezien van de mogelijkheid om de landelijke normbedragen te verlagen. Zo wordt bij samenloop van rechtsgronden afgezien van het mede verlagen van het 50% normbedrag voor alleenstaanden en van het 70% normbedrag voor alleenstaande ouders. Dit uit een oogpunt van inkomenswaarborg op minimumniveau. Dit beleid is ook van toepassing op de normbedragen voor jongeren van 18 tot 21 jaar. Voorgesteld wordt al deze uitgangspunten van het huidige toeslagenbeleid te handhaven. Conclusie: als uitgangspunt voor het toeslagenbeleid is onverminderd de eenvoudig en efficiënt uit te voeren forfaitaire variant toe te passen. Uit een oogpunt van inkomenswaarborg op minimumniveau blijft ook het beleid, waarbij meer in het algemeen het verhogen of verlagen van de basisnorm beperkt blijft tot maximaal 20% van het netto minimum-loon, onverminderd gehandhaafd. Hetzelfde geldt voor: - het afzien van de mogelijkheid tot het verlagen van het normbedrag bij schoolverlaten (voor de duur van maximaal een half jaar na schoolverlaten) en -het niet verlenen van een toeslag bij het ontbreken van woonkosten - en woonlasten of het niet aanhouden van een woning. Toeslagenbeleid en bijdrage aan kamernood. Is via het toeslagenbeleid een bijdrage te leveren aan de kamernood onder studenten en jongeren door bijvoorbeeld het voordeel uit onderverhuur te matigen? Aan de gemeente komt de bevoegdheid toe om het toeslagenbeleid streng of soepel invullen. Daarbij moet het gaan om de beoordeling van de bijstandsbehoevendheid, waarbij praktische overwegingen een rol kunnen spelen. Het leveren van een bijdrage aan de kamernood kan zo’n praktische overweging zijn. Opgemerkt wordt dat niet op voorhand vaststaat, dat een hogere toeslag bij kamerverhuur ook daadwerkelijk zal leiden tot een toename van de verhuur van kamers door personen met een bijstandsuitkering. Uit analyse van het toeslagenbeleid blijkt dat in ongeveer 60 gevallen sprake is van onderverhuur/kamerverhuur door bijstandsgerechtigden. Dit levert op de kosten voor algemene bijstand een besparing op van € 83.275,20 op jaarbasis (60 klanten x 10% toeslag ad € 115,66 x 12 maanden). Door het verhogen van de 10% toeslag bij kamerverhuur naar 15% wordt deze besparing teruggebracht tot € 41.637,60: 60 x 5% toeslag ad € 57,83 x 12 maanden. Hierbij wordt opgemerkt dat een toename van kamerverhuur door bijstandsgerechtigden een besparing oplevert. Immers zonder kamerverhuur bestaat recht op een volledige bijstands-uitkering. Elke kamerverhuurder meer levert een voordeel op in de vorm van een 5% verlaging van diens bijstandsuitkering. Per kamerverhuur is dit € 693,96 per jaar (5% toeslag ad € 57,83 x 12 maanden). In dit verband wordt opgemerkt, dat het niet consequent lijkt om bij commerciële onderverhuur het voordeel uit het kunnen delen van de kosten met een ander beperkt afwijkend van de maximum toeslag vast te stellen op 15% en dit voordeel bij een inwonend verdienend kind van 21 jaar of ouder onverminderd op 10% te handhaven. Een zodanige invulling van het toeslagenbeleid komt te veel in strijd met een rechts-gelijke behandeling. Nog te meer, omdat aan een alleenstaande die zelfstandig een commerciële kamerhuur verschuldigd is, aanspraak wordt verleend op de maximum toeslag van 20%. Dit terwijl aan een alleenstaande die bij de ouders inwoont op grond van het huidige beleid geen toeslag en op grond van het voorstel uit deze nota een toeslag van 5% wordt verleend. Het verhogen van de 10% toeslag bij een inwonend verdiend kind naar 15% komt neer op een structurele uitgaaf van € 94.378,56 op jaarbasis (136 personen x € 57,83 x 12). Ook langs deze weg is de druk op de kamernood mogelijk weg te nemen. Conclusie: Via het toeslagenbeleid is mogelijk een bijdrage te leveren aan de kamernood. Het verhogen van de 10% toeslag bij kamerverhuur naar 15% kost € 41.616,- op jaarbasis aan hogere uitgaven voor algemene bijstand. Iedere extra kamerverhuurder bespaart € 693,60 op jaarbasis. Bij een toename aan kamerverhuur gelijk aan het huidige aantal van 60 is deze variant budgettair neutraal in te vullen. Een rechtsgelijke behandeling vergt, dat de toeslag bij het kunnen delen van de kosten met een inwonend verdienend kind eveneens op 15% wordt vastgesteld. Hiermee is een bedrag gemoeid van € 94.378,56 op jaarbasis. Toeslagenbeleid en thuisinwonende alleenstaanden van 22 jaar of ouder. In de modelverordening krijgen thuiswonende alleenstaanden een toeslag van 10%. In het huidige, lokale toeslagenbeleid wordt aan deze categorie geen toeslag verleend. Hoe is het verschil in benadering met de modelverordening te verklaren. Hoe verhoudt zich deze toeslag ten opzichte van de 5% toeslag voor een uitwonende alleenstaande van 22 jaar. Is de 10% toeslag uit de modelverordening lager vast te stellen, bijvoorbeeld op 5%. Hier geldt als rechtsgrond voor het verhogen of verlagen van het normbedrag: het geheel of gedeeltelijk kunnen delen van de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan met een ander. Een alleenstaande die zelfstandig (dus niet met een ander) een woning bewoont, heeft aanspraak op een bijstandsuitkering die is afgestemd op een verdiencapaciteit gelijk aan 70% van het netto minimumloon. Dit komt overeen met een normbedrag van 50% van het netto minimum-loon en een lokale toeslag van 20%. Op deze rechtsgrond (met een ander de kosten kunnen delen) is onder de Abw geen toeslag verleend aan alleenstaanden, die thuis inwonen en die geen zelfstandige huur verschuldigd zijn. Dit overeenkomstig de normensystematiek uit de oude Algemene Bijstandswet (van voor 1995) waarbij de gezinsrelatie en de inkomenspositie van het kind mede bepalend waren voor de hoogte van de toenmalige normen voor jongeren. De Centrale Raad van Beroep heeft de toeslagenverordening van Rotterdam, waarbij een forfaitaire toeslag van 10% was vastgesteld voor alleenstaanden van 21 jaar en ouder bij kostendelen - tenzij het een meerderjarig thuisinwonend kind betrof – onverbindend verklaard. De C.R.v.B. overwoog hiertoe, omdat: in het algemeen niet zonder nadere motivering gezegd kan worden, dat een thuis- inwonende zich voor lagere bestaanskosten ziet geplaatst dan de alleenstaande in wiens woning een ander (niet zijnde een ouder) zijn hoofdverblijf heeft en wiens schaalvoordeel daarom op 10% is geschat; de omstandigheid dat de relatie tussen ouder en kind een andere, niet of minder commerciële is dan tussen andere inwonenden brengt dit --bij gebreke van een wettelijke onderhoudsplicht t.a.v. kinderen van 21 jaar of ouder— niet zonder meer mee; de aanname dat een uitkering van 50% toereikend is voor een bijstandsgerechtigd kind van 21 jaar en ouder dat bij zijn ouder(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.