Referendumverordening voor de provincie Noord-HollandProvinciale Staten van Noord-Holland; gezien het voorstel van de leden J.P. van der Hiele, P. Poelmann, H. Berkhout, F. Frankfurther en mevr. Y van Wagensveld d.d. 1 december 1994 inzake de invoering van de moegelijkheid tot het houden van een referendum, gelet op de 145 van de Provinciewet, besluiten: vast te stellen de navolgende Referendumverordening voor de Provincie Noord-Holland. HoofdstukIAlgemene bepalingen Artikel1 In deze verordening wordt verstaan onder: referendum een volksstemming onder de kiezers van Noord-Holland over een besluit van provinciale staten; kiezer de inwoner van de provincie Noord-Holland die krachtens de Kieswet kiesgerechtigd is voor provinciale staten op de dag waarop provinciale staten een besluit nemen als bedoeld in artikel 4, lid 1 van deze verordening; Provinciale Staten Provinciale Staten van Noord-Holland. Artikel2 Op de in deze verordening vermelde termijnen is de Algemene Termijnenwet van toepassing. Artikel3 1.Onderwerp van een referendum kunnen alleen besluiten van provinciale staten zijn. 2.Niet aan een referendum kunnen worden onder- worpen besluiten: waarin provinciale staten beslissen op bezwaar of als beroepsinstantie; die handelen over zaken met betrekking tot personen, zoals benoemingen, ontslagen, schorsingen, beloningen, erkenningen en verlenen van kwijtschelding, alsmede over geldelijke voorzieningen voor ambtsdragers en hun nabestaanden; tot het voeren van rechtsgedingen; tot het vaststellen of wijzigen van de provinciale begroting en de provinciale rekening; in het kader van deze verordening; tot het voor kennisgeving aannemen van nota’s en rapporten; inzake provinciale tarieven en belastingen; die betrekking hebben op de organisatie van het provinciale apparaat; waarvan de inwerkingtreding of uitvoering niet kan worden uitgesteld vanwege de ermee gemoeide spoedeisende provinciale belangen; zijnde nadere besluitvorming als bedoeld in artikel 39 van de Wet op de ruimtelijke ordening; indien de nationale concrete beleidsbeslissing als bedoeld in artikel 2a van de Wet op de ruimtelijke ordening ten aanzien van het eventueel aan een referendum te onderwerpen punt aan provinciale staten niet voldoende beleidsruimte laat om een referendum te rechtvaardigen. 3.Aan een referendum kunnen evenmin worden onderworpen besluiten waarbij het belang van het referendum niet opweegt tegen de verantwoordelijkheid van provinciale staten voor kwets- bare groepen in de samenleving. HoofdstukIIInitiatief en beslissingen Artikel4 1.Een inleidend verzoek om een referendum te houden moet worden voorafgegaan door een kennisgeving aan provinciale staten, dat een aantal kiezers voornemens is een initiatief te nemen voor het houden van een referendum over een door provinciale staten te nemen besluit, nadat dat besluit zal zijn genomen. De kennisgeving moet ten minste drie werkdagen vóór de behandeling van het besluit in de vergadering van provinciale staten door de voorzitter van die vergadering zijn ontvangen. 2.Kiezers doen een kennisgeving als bedoeld in artikel 4, lid 1, van deze verordening, alsmede een inleidend en definitief verzoek als bedoeld in de artikel 5, lid 1 en artikel 6, lid 1 door het plaatsen van hun handtekening op een daarvoor bestemde door de provincie te verstrekken lijst.De lijsten bedoeld voor het inleidend en definitief verzoek kunnen uitsluitend worden getekend op het provinciehuis en de gemeentehuizen van Noord-Holland. 3.In het Reglement van Orde behorend bij deze verordening kunnen naast deze openbare ruimten andere openbare ruimten worden aangewezen. 4.De kennisgeving wordt gedaan door ten minste 500 kiezers. 5.In de vergadering, bedoeld in lid 1, beslissen provinciale staten of het besluit wel of niet valt onder de uitgezonderde besluiten, genoemd in artikel
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.