Beleidsregel gemeentelijke bomen NoordoostpolderHet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Noordoostpolder, gelezen het voorstel van de directeur van de eenheid Ontwikkeling, Realisatie & Beheer van 21 december 2010, no. 22078; gelet op art. 160, lid 1, onder b en e, Gemeentewet; voorts gelet op art. 4:81, lid 1 Algemene wet bestuursrecht; voorts gelet op paragraaf 4.6 van het Groenbeleidsplan 2010-2014 van de gemeente Noordoostpolder, B E S L U I T: Vast te stellen, BELEIDSREGEL GEMEENTELIJKE BOMEN NOORDOOSTPOLDER Paragraaf1.Algemeen Artikel1.Begrippen en werkingssfeer 1.Bij de toepassing van deze beleidsregel wordt verstaan onder: polderniveau: polderniveau, zoals beschreven in paragraaf 2.2 van het Groenbeleidsplan 2010-2014 van de gemeente Noordoostpolder; dorpsniveau: dorpsniveau, zoals beschreven in paragraaf 2.2 van het Groenbeleidsplan 2010-2014 van de gemeente Noordoostpolder; wijkniveau: wijkniveau, zoals beschreven in paragraaf 2.2 van het Groenbeleidsplan 2010-2014 van de gemeente Noordoostpolder; straat-/buurtniveau: straat-/buurtniveau, zoals beschreven in paragraaf 2.2 van het Groenbeleidsplan 2010-2014 van de gemeente Noordoostpolder; boom: een overblijvend gewas met een zeer groot wortelgestel en een enkele, stevige, houtige stam met een diameter van minimaal 10 cm op 1,3 m boven het maaiveld, die zich pas op enige hoogte boven de grond vertakt; wegbeplanting: samenhangende geheel van meerdere bomen en eventuele onderbeplanting die een weg begeleidt; beplantingsstructuur: samenhangend geheel van meerdere bomen en eventuele onderbeplanting die door dezelfde soort, grootte of vaste afstand een onderling verband vertoont; dunning: plaatselijke kapwerkzaamheden, die verspreid door een bomenrij of beplantingsstrook worden uitgevoerd om het voortbestaan van de gehele bomenrij of beplantingsstrook te bevorderen; regulier beheer: werkzaamheden die noodzakelijk zijn om het terrein in zijn huidige vorm bruikbaar te houden, zoals het vrijhouden of aanleggen van schouw- of wandelpaden of het vrij maken van een sirenepaal, lichtmast, schakelkast of transformatorhuisje; bomen van de 1e grootte: bomen die in volgroeide fase hoger dan 12 meter zijn; bomen van de 2e grootte: bomen die in volgroeide fase 6 tot 12 meter zijn; bomen van de 3e grootte: bomen die in volgroeide fase lager dan 6 meter zijn; ernstige schade: schade die niet op andere wijze kan worden voorkomen of verholpen en die bestaat uit: 1º schade aan de bestrating van een weg door wortelopdruk, zodanig dat de weg niet langer bruikbaar is conform de gangbare normen voor veiligheid en bruikbaarheid van de weg, 2º schade aan gebouwen of andere bouwwerken; gemeente: de gemeente Noordoostpolder; college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Noordoostpolder; landschapsontwikkelingsplan: het geldende Landschapsontwikkelingsplan van de gemeente Noordoostpolder; groenbeleidsplan: het geldende Groenbeleidsplan van de gemeente Noordoostpolder; ruimtelijke plannen: gemeentelijke plannen, waarin ruimtelijke ontwikkelingen worden vastgelegd, zoals beleidsplannen, inrichtingsplannen en bestemmingsplannen. 2.Deze beleidsregel is van toepassing op bomen, met beplantingen waarvan zij onderdeel uitmaken, die in eigendom van de gemeente zijn. Paragraaf2.Bomenbeleid Artikel2.Bomen op polderniveau 1.Bomen op polderniveau, inclusief beplantingen waarvan zij onderdeel uitmaken, worden uitsluitend gekapt indien het geen bijzondere bomen zijn, zoals bedoeld in artikel 6, en: de kap noodzakelijk is om de verkeersveiligheid te borgen; de kap noodzakelijk is vanwege gebrekkige vitaliteit van de boom, het om vervanging van de gehele bomenrij/beplantingsstrook gaat die noodzakelijk is vanwege de vitaliteit daarvan; het om dunning of regulier beheer gaat; op die plaats een (uit)weg gerealiseerd wordt of; de weg verbreed of gereconstrueerd wordt en er geen technische mogelijkheden zijn om de bomen te behouden. 2.Indien de kap plaatsvindt op basis van een reden die genoemd is bij lid 1 onder c, wordt de betreffende bomenrij of beplantingsstrook gecompenseerd door aanleg van een nieuwe bomenrij of beplantingsstrook. 3.Indien de kap plaatsvindt op basis van een reden die genoemd is bij lid 1 onder f, wordt de betreffende bomenrij of beplantingsstrook gecompenseerd door aanleg van een nieuwe bomenrij of beplantingsstrook, met toepassing van het Landschapsontwikkelingsplan. Artikel3.Bomen op dorpsniveau 1.Bomen op dorpsniveau worden uitsluitend gekapt indien het geen bijzondere bomen zijn, zoals bedoeld in artikel 6, en: de kap noodzakelijk is om de verkeersveiligheid te borgen; de kap noodzakelijk is vanwege gebrekkige vitaliteit van de boom; het om vervanging van de gehele bomenrij/beplantingsstrook gaat die noodzakelijk is vanwege de vitaliteit daarvan; het om dunning of regulier beheer gaat; op die plaats een (uit)weg gerealiseerd wordt; of het gebied gereconstrueerd wordt en er geen technische mogelijkheden zijn om de bomen daarbij te behouden. 2.In afwijking van lid 1 kan het college bij reconstructie van het gebied ook besluiten om bomen op dorpsniveau te kappen als zij te groot zijn voor hun standplaats en daardoor ernstige schade of ernstige hinder veroorzaken of te verwachten is dat binnen 10 jaar ernstige schade zal ontstaan. Van deze mogelijkheid maakt het college alleen gebruik als: het gaat om bomen die minder dan 2 meter van de erfgrens staan; en de benodigde financiële middelen beschikbaar zijn binnen de begroting. 3.Bij de toepassing van lid 2 wordt de gehele bomenrij of beplantingsstructuur zoveel mogelijk in zijn geheel beschouwd en in het besluit betrokken. 4.Bij de toepassing van lid 2 worden normale vormen van hinder die verbonden zijn aan de aanwezigheid van bomen, zoals afvallende bladeren, vruchten of zaden, honingdauw, vogelpoep, schaduw en lichtonttrekking niet onder 'ernstige hinder' verstaan. 5.Bij kap wegens reconstructie van een park, bos, weg of ander gebied (lid 1, onder f of lid 2) wordt in beginsel nieuwe beplanting gerealiseerd die minimaal een vergelijkbare waarde heeft voor de bruikbaarheid, ecologie, beeldkwaliteit en vitaliteit van het gebied. Een bomenrij/-structuur wordt zoveel mogelijk in zijn geheel vervangen door een nieuwe bomenrij/-structuur. 6.Bij het opstellen of actualiseren van ruimtelijke plannen, worden waar mogelijk de voorwaarden geschapen om bestaande en nieuwe bomen op dorpsniveau te laten voortbestaan tot een minimale leeftijd van: 100 jaar voor bomen van de 1e grootte; 40 jaar voor bomen van de 2e grootte; 20 jaar voor bomen van de 3e grootte. Artikel4.Bomen op wijkniveau 1.Bomen op wijkniveau worden uitsluitend gekapt indien het geen bijzondere bomen zijn, zoals bedoeld in artikel 6, en: de kap noodzakelijk is om de verkeersveiligheid te borgen; de kap noodzakelijk is vanwege gebrekkige vitaliteit van de boom; het om vervanging van de gehele bomenrij/beplantingsstrook gaat die noodzakelijk is vanwege de vitaliteit daarvan; het om dunning of regulier beheer gaat; op die plaats een (uit)weg gerealiseerd wordt; of het gebied gereconstrueerd wordt en er geen technische mogelijkheden zijn om de bomen daarbij te behouden. 2.In afwijking van lid 1 kan het college bij reconstructie van het gebied ook besluiten om bomen op wijkniveau te kappen als zij te groot zijn voor hun standplaats en daardoor ernstige schade of ernstige hinder veroorzaken of te verwachten is dat binnen 10 jaar ernstige schade zal ontstaan. Van deze mogelijkheid maakt het college alleen gebruik als: het gaat om bomen die minder dan 2 meter van de erfgrens staan; en de benodigde financiële middelen beschikbaar zijn binnen de begroting. 3.Bij de toepassing van lid 2 wordt de gehele bomenrij of beplantingsstructuur zoveel mogelijk in zijn geheel beschouwd en in het besluit betrokken. 4.Bij de toepassing van lid 2 worden normale vormen van hinder die verbonden zijn aan de aanwezigheid van bomen, zoals afvallende bladeren, vruchten of zaden, honingdauw, vogelpoep, schaduw en lichtonttrekking niet onder 'ernstige hinder' verstaan. 5.Bij reconstructie van een park, bos, weg of ander gebied (lid 1 onder f of lid 2) wordt in beginsel nieuwe beplanting gerealiseerd die minimaal een vergelijkbare waarde heeft voor de bruikbaarheid, ecologie, beeldkwaliteit en vitaliteit van het gebied. Een bomenrij/-structuur wordt zoveel mogelijk in zijn geheel vervangen door een nieuwe bomenrij/-structuur. 6.Bij het opstellen of actualiseren van ruimtelijke plannen, worden waar mogelijk de voorwaarden geschapen om bestaande en nieuwe bomen op dorpsniveau te laten voortbestaan tot een minimale leeftijd van: 100 jaar voor bomen van de 1e grootte; 40 jaar voor bomen van de 2e grootte; 20 jaar voor bomen van de 3e grootte. Artikel5.Bomen op straat-/buurtniveau 1.Bomen op straat-/buurtniveau worden uitsluitend gekapt indien het geen bijzondere bomen zijn, zoals bedoeld artikel 6, en: de kap noodzakelijk is om de verkeersveiligheid te borgen; de kap noodzakelijk is vanwege gebrekkige vitaliteit van de boom; het om vervanging van de gehele bomenrij/beplantingsstrook gaat die noodzakelijk is vanwege de vitaliteit daarvan; het om dunning of regulier beheer gaat; op die plaats een (uit)weg gerealiseerd wordt; het gebied gereconstrueerd wordt; en er geen technische mogelijkheden zijn om de bomen daarbij te behouden; of het nieuwe plan minimaal een vergelijkbare waarde heeft voor de bruikbaarheid, ecologie, beeldkwaliteit en vitaliteit van het gebied; of als zij te groot zijn voor hun standplaats en daardoor ernstige schade of ernstige hinder veroorzaken, en: het gaat om bomen die minder dan twee meter van de erfgrens staan; en de benodigde financiële middelen beschikbaar zijn binnen de begroting; en er minimaal een hoeveelheid groen in de totale straat overblijft van 10 m2 groen per woning (inclusief de oppervlakte van speelplaatsen en particuliere tuinen). 2.Bij de toepassing van lid 1 onder f of g wordt de gehele bomenrij of beplantingsstructuur zoveel mogelijk in zijn geheel beschouwd. 3.Bij de toepassing van lid 1 onder g worden normale vormen van hinder die verbonden zijn aan de aanwezigheid van bomen, zoals afvallende bladeren, vruchten of zaden, honingdauw, vogelpoep en schaduw, niet onder 'ernstige hinder' verstaan. 4.Bij de toepassing van lid 1 onder g wordt 'lichtonttrekking' alleen onder 'ernstige hinder' verstaan als de bo(o)m(en) in de zomermaanden gedurende de gehele dagperiode schaduw werpen op het gehele raamoppervlak van de woonkamer (incl. eventuele open keuken) aan één zijde van het huis. 5.Indien een boom op buurt-/straatniveau is gekapt met toepassing van 2.16 onder g, wordt binnen 10 jaar na de kap geen nieuwe boom geplant. Paragraaf3.Bijzondere bomen Artikel6.Begrip Voor de uitleg van deze beleidsregel worden onder bijzondere bomen verstaan: bomen die ter nagedachtenis van een openbare gebeurtenis zijn gepland, of bomen op dorps- of wijkniveau die bepalend zijn voor de omgeving, doordat: 1° het volwassen bomen van de eerste grootte zijn met een stamdiameter van minimaal 40 centimeter op 1,30 m. hoogte; 2° zij vanuit minstens drie verschillende windrichtingen goed zichtbaar zijn vanaf de openbare weg; 3° zij vrij staan van gebouwen en voldoende ondergrondse ruimte hebben en, 4° zij niet ernstig zijn aangetast door boomziektes en geen grote risico's opleveren in de zin van kans op omvallen of uitval van grote takken. Artikel7.Beleid 1.Bijzondere bomen, zoals bedoeld in artikel 6, worden uitsluitend gekapt indien: de kap noodzakelijk is om de verkeersveiligheid te borgen; de kap noodzakelijk is vanwege gebrekkige vitaliteit van de boom; of het gebied gereconstrueerd wordt en er geen technische mogelijkheden zijn om de bomen daarbij te behouden. 2.Bij het opstellen of actualiseren van ruimtelijke plannen worden waar mogelijk de voorwaarden geschapen om bestaande en toekomstige bijzondere bomen zoals bedoeld in artikel 6, te laten voortbestaan. Paragraaf4.Slotbepalingen Artikel8.Citeertitel Deze beleidsregel kan worden aangehaald als 'Beleidsregel gemeentelijke bomen'. Artikel9.Inwerkingtreding Deze beleidsregel treedt in werking op 1 januari 2011. Aldus vastgesteld in de vergadering vanburgemeester en wethouders d.d. 21 december 2010De secretaris, de burgemeester,Motivering bij Beleidsregel gemeentelijke bomen Algemeen Met de Beleidsregel gemeentelijke bomen (hierna: de beleidsregel) stelt het college zichzelf een richtlijn voor het omgaan met gemeentelijke bomen. De belangrijkste functie van de beleidsregel is om hem toe te passen bij het beoordelen van verzoeken om gemeentelijke bomen te kappen. De aanleiding van zo’n verzoek kan een externe vraag zijn (verzoek van inwoners), maar ook een interne vraag die ontstaat bij een plan om een weg of gebied te gaan renoveren of bij de uitvoering van het groenbeheer. Naast deze toetsingsfunctie voor kapverzoeken heeft de beleidsregel een tweede functie. Dit is om bij ruimtelijke planvorming voldoende ruimte te reserveren voor de ontwikkeling van belangrijke gemeentelijke bomen. Inhoudelijk vult het college met deze beleidsregel de ruimte in die het Groenbeleidsplan en het Landschapsontwikkelingsplan daarvoor bieden. Met name hoofdstuk 4 van het Groenbeleidsplan 2010-2014 ligt ten grondslag aan deze beleidsregel. In dat hoofdstuk staat het bomenbeleid dat de gemeenteraad van Noordoostpolder heeft geformuleerd. Tevens bevat dat hoofdstuk de basis voor het maken van een beleidsregel op collegeniveau. De kaders die de raad voor de beleidsregel aan het college heeft meegegeven zijn: hanteren van het Groenbeleidsplan, en in het bijzonder paragraaf 4.1 t/m 4.5 als inhoudelijk toetsingskader; het beschikbare budget hanteren als kader voor de uitvoering van de beleidsregel. In de navolgende tekst staat op welke wijze het college dit toetsingskader heeft gehanteerd en ingevuld. Begrippen (artikel 1, lid 1) Begrippen a t/m d Het Groenbeleidsplan 2010-2014 (en ook het daarin opgenomen bomenbeleid) gaat uit van een onderscheid in groen op vier niveaus: polderniveau, dorpsniveau, wijkniveau en straat-/buurtniveau. Omdat de beleidsregel volledig moet aansluiten op het groenbeleidsplan, wordt voor de beschrijving van die vier niveaus verwezen naar de beschrijving daarvan in het Groenbeleidsplan. Begrippen e t/m l Voor de begrippen die bomen of beplantingen met bomen aangeven, bestaan vele beschrijvingen. Die zijn veelal geformuleerd vanuit een biologische of technische context. Bij de formulering van de begrippen in deze beleidsregel zijn die beschrijvingen zodanig aangepast dat zij bruikbaar zijn in de juridische context. Begrip m Het begrip ‘ernstige schade’ is in de begrippenlijst opgenomen, omdat anders veel ruimte bestaat voor verschillen in de uitleg ervan. Bedoeld is om een soort drempel te creëren voor toepassing van de term ‘ernstige schade’. Daarom bevat de begripsomschrijving in ieder geval de bepaling ‘dat deze schade niet op andere wijze te voorkomen of verhelpen is’. Begrippen n t/m r Voor de juridische zuiverheid zijn ook de algemene begrippen zoals ‘college’ en ‘groenbeleidsplan’ gedefinieerd. Werkingssfeer (artikel 1, lid 2) Deze beleidsregel geldt voor gemeentelijke bomen. Dat zijn de bomen waarover de gemeente het eigendomsrecht heeft en dus privaatrechtelijke zeggenschap. Over bomen op terrein van derden (particulieren of andere (overheids)organisaties) heeft de gemeente slechts zeggenschap voor zover daar regels voor gelden in een gemeentelijke verordening. De gemeente Noordoostpolder heeft dergelijke regels (een vergunningenstelsel) alleen voor de erfsingels en wegbeplantingen buiten de bebouwde kom. Bij het beoordelen van verzoeken om een zodanige vergunning (omgevingsvergunning) geldt reeds de Beleidsregel ‘Kapvergunningen erfsingels’
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.